Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Situaties waar je niet omheen kunt

    Situaties waar je niet omheen kunt

    Wie Wim Brands’ vorige dichtbundels heeft gelezen, zal verrast worden door ‘s Middags zwem ik in de Noordzee. Enerzijds doen de stijl en toon vertrouwd aan. Anderzijds verschilt deze achtste bundel op diverse vlakken van zijn directe voorganger Neem me mee, zei de hond (2010). Niet dat er een aardverschuiving heeft plaatsgevonden, maar Brands’ gedichten zijn opener geworden, minder mysterieus. Realisme verdringt steeds meer het licht-surreële uit eerder werk. Situaties zoals die met de giraffe uit Ruimtevaart (2005) zijn nu echt verleden tijd. (‘De giraffe komt van Neptunus. / Hij daalde af op een lange, / snelle roltrap. / De giraffe kan goed dansen.‘)

    Even een flashback naar 2010: in dat jaar verscheen de bundel waarin Brands’ stijl een kwalitatief hoogtepunt bereikt. In Neem me mee, zei de hond staan anekdotische gedichten in perfect heldere taal, maar ze zijn alsnog mysterieus. Een hond spreekt iemand toe. Het blijkt dat je engelen door de telefoon kunt horen. De compactheid versterkt het mysterieuze van de gedichten: je kon een idee krijgen van de behandelde abstractere thema’s als het stadsleven of de dood, maar de beschreven situaties bleven verrassend en intrigerend, ook bij herlezing:

    Sinds vanochtend weet ik dat engelen soms verdwijnen.
    Mijn beschermengel was laat. Ik zat al in de bus toen ik hem
    pas zag, ineengedoken op de schouder van een oude man.
    Ik ga dadelijk, zei hij, bij de volgende halte ga ik. Ik mocht je.
    Ik jou ook – en ik keek ongelovig en haalde mijn schouders op:
    waarom?
    Omdat je te veel hebt gereisd, zei hij, en ik altijd volgde;
    Weet je hoeveel kilometers het naar de maan is?
    Als engelen dat aantal hebben gevlogen verdwijnen ze.
    (Uit: Neem me mee, zei de hond)

    In ‘s Middags zwem ik in de Noordzee zitten geen engelen of pratende honden. Bovendien bevat de bundel gedichten van soms anderhalve pagina lang. En ook niet geheel onbelangrijk: de gedichten laten zich makkelijker duiden. Ze zijn opener geworden in de zin van: je kunt er beter vat op krijgen. De bundel begint met een gedicht dat nog wel anekdotische aspecten bevat, maar tegelijkertijd opmerkelijk lyrischer is:

    In de eerste nacht nadat ik had
    gehoord dat je ziek was
    schrok ik wakker.

    Het waaide buiten. Het waait, zei
    jij, die nog geen oog dicht had
    gedaan, en je glimlachte.

    Ik begreep het pas later.

    Wat er ook is, het zal de natuur
    een zorg zijn.

    Het waait, het waaide – buiten klonk
    de troost van de onverschilligheid.

    Hoewel er genoeg te genieten valt in ‘s Middags zwem ik in de Noordzee, is de bundel toch ook wat onevenwichtig. Dat zit vooral in de afsluitende gedichten, die geschreven werden bij eenzame uitvaarten. Dat zit hem ook eigenlijk wel in het karakter van het soort gedicht. Van de overledene is vaak namelijk weinig bekend, en wat moet je over zo iemand schrijven? Brands’ gedichten worden er wat gisserig door. De ‘ik’, in wie het heel gemakkelijk de dichter tijdens een eenzame uitvaart herkend kan worden, probeert zich een voorstelling van het leven van de overledene te vormen. Dat doet de ‘ik’ door in vragende vorm veronderstellingen te doen over de overledene. Zo vraagt hij zich af of Jan Willemse nog vaak met zijn dochter belde:

    Spraken jullie elkaar nog, soms, heb je weleens opgehangen
    nadat zij haar naam had genoemd?
    Of deed zij dat, na het horen van de jouwe, of alleen je adem?

    Op zich fraaie regels, en de wetenschap dat dit een gedicht bij een eenzame uitvaart is suggereert een nog ongemakkelijkere relatie tussen vader en dochter, maar de trefzekerheid gaat enigszins verloren. In een ander gedicht staan regels als ‘Wanneer sprak u voor het laatst iemand? Hoe vaak deed u / boodschappen. Wat zei u in de winkels, wachtte u soms te lang // omdat u verlegen om een gesprek anderen voor liet gaan?‘ Zulke onzekerheden zijn opties, mogelijkheden, terwijl Brands juist op zijn best is als hij pats-boem situaties neerzet waar je eigenlijk niet aan kunt ontkomen.

    Evenwel staan er nog genoeg situaties in ‘s Middags zwem ik in de Noordzee waar je niet omheen kunt. Een hoogtepunt is het aangrijpende vadergedicht, waarin Brands persoonlijker is dan ooit. Vanuit een opsomming van hoe vaak zijn vader iets heeft gebroken en welke lichaamsdelen precies, ontvouwt zich een ontroerend portret met dito slot:

    Hij grijnsde toen hij verderging met
    wat hij opeens bleek te
    bedenken:

    het bakken van een ei. Hij brak
    de schaal en gooide een klont boter
    op het ei.

    Ik zie ons weer staan:
    Ik die het niet kon laten om hem te
    wijzen op de verkeerde volgorde,

    hij met een gezicht waarop een lach
    doorbrak die ik niet kon
    thuisbrengen:

    een te oude dooier die in de plan
    glijdt
    .

    Dat persoonlijke geeft Brands’ poëzie net dat beetje meer gewicht dan zijn minimysteriën. Ook in andere gedichten, zoals in het eerder geciteerde openingsgedicht, laat hij de lezer dichterbij komen. Niet op het niveau dat de ‘ik’ per se de dichter zelf is, maar zoals gezegd, deze gedichten voelen persoonlijker aan dan ooit.

    Hoewel niet elke ontwikkeling in Brands’ poëzie uitgekristalliseerd aanvoelt, is ‘s Middags zwem ik in de Noordzee over de gehele linie vertrouwd sterk, en tegelijkertijd verrassend. Brands blijft zich duidelijk ontwikkelen, terwijl hij al goed dertig jaar meedraait. Dat maakt je wel weer nieuwsgierig naar zijn volgende worp.

     

     

  • Chinese hardheid in fijnbesnaarde verhalen

    Chinese hardheid in fijnbesnaarde verhalen

    Wie nieuwsgierig is naar hedendaagse Chinese auteurs zou de verhalenbundel Hartenvrouw van Su Tong uit 2013 eens ter hand kunnen nemen. Su Tong is geboren in 1963 en heeft de Culturele Revolutie (1966-1976) dus bewust meegemaakt. Hij komt uit een arm gezin. Zelf verwoordde hij het volgens samensteller van de verhalenbundel Lena Scheen aldus: ‘Behalve vier kinderen hadden mijn ouders helemaal niks.’ In 1984 ging hij Chinese literatuur studeren aan de Universiteit van Peking, begon meteen met het schrijven en publiceren van verhalen en is momenteel een van de belangrijkste schrijvers van China.

    Het is niet altijd duidelijk in welke tijd en op welke plaats de verhalen in Hartenvrouw – door verschillende vertalers vertaald* – spelen, maar de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw dienen veelvuldig als decor, zonder dat Su Tong direct naar de politieke verwikkelingen van die tijd verwijst.

    In het titelverhaal ‘Hartenvrouw’ wordt het jaartal 1969 echter een aantal keren nadrukkelijk genoemd. De ik – een jongen van acht – heeft een spel kaarten waarvan hij plotseling de hartenvrouw kwijt is. ‘Destijds, in 1969, was het mijn enige speelgoed.’ schrijft Su. Speelkaarten zijn in die tijd ‘feodale rommel, kapitalistisch spul’, vindt de vader van de jongen, die hem meeneemt op een tweedaagse werkreis naar Shanghai – volgens het kind om daar een nieuw spel kaarten te kopen. Het draait in het verhaal om de politieke achtergrond: een receptioniste die met haar handen verborgen onder de tafel een bloem zit te borduren, een bloedvlek op de kamermuur van een hotel en een oude man met een mondkapje die in de trein wordt vergezeld van drie militairen en plotseling weg  is. De jongen begrijpt nog niet wat het mondkapje verdoezelt. De volwassen schrijver voegt aan het verhaal enkele alinea’s toe waarin hij vertelt dat hij ‘inmiddels wat gemakkelijker met [zijn] vader over het verleden kan spreken’ en pas nu begrijpt hij wat het mondkapje te betekenen had.

    In veel verhalen valt de hardheid van de personages op, los van het toenmalige politieke systeem. Over de verdwenen speelkaart zegt de broer van de ik: ‘Bij ons op school is de zoon van dikke Li al dagen weg, en niemand die hem gaat zoeken.’ Een ander verhaal, ‘De Vogelverschrikker’, roept om verschillende redenen verwarring op. Drie jongens van een jaar of veertien zijn aan de rand van een plattelandsdorp bij de rivier. De een hoedt zijn bergschaap, de andere twee, broers van elkaar, zwemmen wat. ‘De huid van hun ontblote bovenlichaam is pikzwart en ruw…’. Chinezen met een pikzwarte huid? Het draait om een moord en een stok, afkomstig van een vogelverschrikker. De ene jongen liegt tegen de twee broers, en zij op hun beurt verzinnen dat de jongen de moord gepleegd heeft. Op het einde slaan de twee de ene dood met de stok waarmee de moord gepleegd zou zijn. De lezer weet dat dat niet waar is en blijft verbijsterd achter omdat Su over de dode jongen niets meer te melden heeft, alleen over een nieuwe vogelverschrikker. Is dit allemaal fantasie van een kind geweest?

    In ‘De godinnentop’ reist een jong stel, Li Yong en Miaoyue op een boot. Ze delen een hut met de rijke vriend van Li Yong, Cui, die de tocht heeft betaald. Miaoyue maakt voortdurend stekelige opmerkingen tegen haar vriend omdat ze vindt dat hij te onderdanig doet tegenover Cui. ‘Had ik het soms tegen jou? Miaoye porde Li Yong met haar ellenboog, fronste haar wenkbrauwen en zei: Ik heb nog nooit zo’n irritant persoon als jij ontmoet. Je lult altijd maar wat. Wil je dan ook nog andermans woorden aanvullen?’ Cui laat merken dat hij interesse heeft voor Miaoyue, waarvoor zij niet ongevoelig is. Li Yong blijft op het einde van het verhaal alleen achter. Dit alles wordt terloops verteld tegen de achtergrond van de voorbijglijdende omgeving en babbelend over de mooie plekken die ze nog zullen zien.

    In ‘Papier’ toont een jonge jongen zich geïrriteerd over het verdriet van een oude man: ‘Ik ben hier toch niet gekomen om naar dat gejammer over je dochter te luisteren.’ En verderop ‘Hij rukte de lamp uit de handen van zijn moeder. Waarom zou ik het jou vertellen, schreeuwde hij haar toe.’
    Hoewel dit soort gedrag natuurlijk overal ter wereld voorkomt, lijkt het hier te verwijzen naar een typerende ruwe onverschilligheid, waarachter de echte gevoelens verborgen blijven.

    Wat bij lezing van het eerste, willekeurig gekozen, verhaal opvalt is de vertelstijl. Waar in Nederland de hedendaagse schrijvers bij voorkeur showing gebruiken, lijkt deze Chinese auteur over het algemeen het traditionele telling te volgen. De verhalen doen soms denken aan de Chinese klassieker Belegerde Vesting van Zhongshu Qian, spelend in de jaren dertig van de twintigste eeuw en geschreven in 1947, toen telling de gangbare stijl was. Net als Zhongshu Qian bewijst Su Tong dat een goede schrijver hiermee even goed als met showing een verhaal kan overbrengen. Situaties en beleving zijn uitstekend invoelbaar.

    De stijl van de verhalen wisselt en het is onduidelijk of dat aan de verschillende vertalingen ligt. Het kan zijn dat sommige vertalers ervoor hebben gekozen om door middel van soms wat houterig aandoende zinnen (zoals ook in Belegerde Vesting) een Chinese sfeer op te roepen die in vloeiend Nederlands niet overkomt. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘Kronkelwilg’, als personage Xue al weg is: ‘Xue was halverwege haar avondeten toen de politie kwam. De eigenares wees naar de plastic kom op de toonbank. Zie je dat? Het eten van Xue staat er nog.’ Een Nederlander zou hier waarschijnlijk ‘Haar eten staat er nog’ hebben geschreven. Iemand met kennis van de Chinese taal en letteren zou hier meer licht op kunnen werpen, een ander kan de verschillen slechts constateren.

    Dat geldt ook voor wat soms een verkeerd gekozen woord lijkt te zijn. De boot uit ‘De Godinnentop’ meert in de loop van de avond af, maar een paar regels verder blijkt hij (op hetzelfde moment) te vertrekken. In ‘De Vogelverschrikker’ ‘bengelen’ en ‘bungelen’ twee tandwielen aan een stok terwijl ze daar stevig aan vast zitten, en ‘ritselen’ zonnestralen. In  ‘Kronkelwilg’ wordt een oude man door een chauffeur aangereden en ‘spat als een rotje uit elkaar’, maar even later ‘ging hij ineens rechtop zitten’ terwijl hij weer een paar regels verder als ‘vuurwerk met een harde knal de lucht in schoot’. Onduidelijk blijft of de chauffeur de man heeft aangereden of dat het de voor hem rijdende auto was. In dit verhaal zijn de keuzes voor de onzekerheid door de schrijver gemaakt, want het hele verhaal leunt op de schrik en moeheid van de chauffeur bij zijn gedachten aan het ongeluk. In de andere gevallen kun je je afvragen of het verkeerde interpretaties van de vertalers zijn geweest.

    Aanhalingstekens bij de dialogen ontbreken, iets wat wellicht een trend wordt omdat het bij meer recent uitgekomen Nederlandse en buitenlandse boeken voorkomt. Tot onduidelijkheid leidt het niet. Al met al heeft Su Tong prachtige, fijnbesnaarde verhalen geleverd, die de zintuigen van de lezer op scherp zetten.

     

    *Vertalers:
    Lucia de Bruine en Kian Kramer, Mathilda Banfield, Laura Vermeeren, Tabitha Speelman en Neline Floor, Remy Cristini,
    Brechtje Spreeuwers en Ruben Oosterhuis, Sylvia Marijnissen, Kathinka de Ruiter en Daan van Esch, Josefien Boonman en Marijn de Wolff, Melanie Yap en Lars Scholten, Jeanne Boden, Anne Sytske Keijser, Joyce Boogaers en Laura Kamsma, Yves Menheere, Mark Leenhouts

  • Leven in twee culturen

    Leven in twee culturen

    De schrijver van Gebed zonder eind, Asis Aynan is in Nederland geboren uit Marokkaanse ouders. Toen zijn moeder in 1980 uit Marokko vertrok met haar vier zoons om zich te herenigen met zijn vader, was zij in verwachting van hem.
    Aynan debuteerde in 2007 met het autobiografische Veldslag en andere herinneringen, in 2010 gevolgd door een feuilleton in NRC Handelsblad dat hij samen met Hassan Bahara schreef, Ik, Driss.

    Dit jaar verscheen Gebed zonder eind, een bundel korte verhalen over zijn tijd op school, over zijn reizen naar steden in Europa en Marokko, over zijn broers en zijn vader, over muziek, over de islam. Het zijn mooi geschreven impressies van zijn leven. Het boeiende in die verhalen is zijn zoektocht naar wie hij is, en waar hij zich thuis voelt.  Als jongen met een Marokkaanse achtergrond die opgroeit in Nederland, is hij zich al vroeg bewust van het feit, dat hij in en niet tussen twee culturen leeft. Hij moet zich zien te verhouden tot die twee culturen en in de bundel staan daarover enkele prachtige verhalen, zoals het titelverhaal Gebed zonder eind, Thuis, Vreemdeling, Loslaten en Al-Hoceima.

    Het verhaal Thuis gaat over zijn identiteit: dat hij zich niet vanzelfsprekend thuis voelt in het land waar hij woont en waarvoor hij niet gekozen heeft. Hij voelt zich geen buitenstaander maar wel ‘anders dan de anderen’ en illustreert dat met een mooi voorbeeld:
    ‘Mijn moeder draagt tatoeages. Berbertatoeages in het gezicht. Drie stuks markeren haar gelaat. Ze symboliseren een van de oudste beschavingen die onze wereld kent. Als ik met mijn moeder over straat liep dan bleef er niets over van die beschaving. In de ogen van voorbijgangers was mijn moeder een clown. Ik voelde de blikken ook op mij gericht. En ik schaamde me voor mijn moeder en voor mezelf. Het gevolg was dat mijn moeder en ik het  hoofd bogen. De blik gericht op de grond, dat was onze rol.’

    In Vreemdeling schrijft hij expliciet over zijn worsteling met zijn identiteit, zijn zoeken naar een plek waar hij zich thuis zou kunnen voelen, zijn tegenstrijdige loyaliteiten, zijn culturele ambivalenties en het diepe verlangen naar houvast. Dat houvast krijgt hij wanneer hij beseft dat deze levensvragen niet specifiek voor een migrant zijn, maar voor iedereen gelden. Hij besluit  met een ‘En sindsdien is niets menselijks mij meer vreemd’.

    Behalve zijn moeder is zijn vader van grote betekenis voor zijn zoektocht naar zijn Marokkaanse wortels. In het verhaal Loslaten vertelt hij er over. Hij ziet zijn vader vereenzamen wanneer het gezin herenigd is; het enige dat hetzelfde blijft is de drieploegendienst in de hondenbrokkenfabriek waar zijn vader werkt. Kroeg, vrienden en vertier, muziek maken werden vervangen door de islam. Die leefstijl hield hij vol tot het moment dat de kinderen op eigen benen konden staan. Toen ging hij weer muziek maken, maar ook tuinieren en verre reizen maken. De islam was niet langer de maat der dingen.

    In de laatste jaren van zijn leven hadden vader en zoon veel gesprekken over het leven. Daaruit bleken geen botsende visies. Hoewel de schrijver ‘een bidfrequentie van nul heeft’, neemt zijn vader hem dat niet kwalijk. Zijn vader maakte hem duidelijk dat hij zijn eigen keuzes moest maken en zich niet moest spiegelen aan hem. Dan volgt een mooie passage, tevens het slot van de bundel: ‘Vader duwde mij uit liefde met zijn woorden van zich af. Het leven in. Hij had het op zijn manier gedaan en nu was het mijn beurt. Lang heb ik gedacht dat ik zijn levensboom moest omhakken om verder te kunnen. Ik weet nu beter. Mijn boom staat in de buurt van zijn boom. Sommige van onze wortels zijn in elkaar gevlochten en anderen zoeken hun eigen weg.’

    De bundel begint met een motto van koning Hassan II van Marokko, die hij uitsprak tijdens een televisietoespraak tot zijn volk: ‘Jullie beesten, jullie wilden’. En als eindmotto een eerbetoon aan het Zuiderbad: ‘jouw water is als inkt voor mij’. Tussen deze twee uitersten staan negenentwintig verhalen die getuigen van zijn onvermoeibare zoektocht naar zijn identiteit in twee culturen. Stuk voor stuk mooi geschreven verhalen.

     

  • Het wroet en wringt

    Het wroet en wringt

    John Toxopeus (1946) volgt na zijn pensionering in 2002 een schrijverscursus en stuurt zijn korte verhalen in voor schrijfwedstrijden. In 2005 heeft hij voor het eerst succes. Hij doet mee met een wedstrijd in de Varagids. Voor een kerstverhaal verzint hij het mooiste einde. De eerste prijs is een NTI-schrijfcursus. Hij heeft de smaak te pakken en stuurt vaker verhalen in. Met ‘Crimineel’ wint hij in 2006 de schrijfwedstrijd voor de Literaire Prijs voor de Provincie Gelderland. Hij blijft prijzen winnen en verhalen opsturen naar literaire tijdschriften. Ook een derde prijs kan goed zijn voor plaatsing van een verhaal in een literair blad. Met ‘Kalk’ maakt hij zijn debuut in De Tweede Ronde (het winternummer van 2006) met de volgende aantekening: ‘Het verhaal ‘Kalk’ van John Toxopeus kreeg de derde prijs. Een van onze redacteuren zat in de jury en vond zijn inzending de beste.’

    Niet al zijn verhalen worden meteen geplaatst. Toxopeus op Schrijven Online: ‘De afwijzingen van redacties van tijdschriften vormen een veelvoud van het aantal plaatsingen, soms krijg ik zeikerige reacties, sommige tijdschriften reageren helemaal niet (meer), maar de vreugde mijn verhaal in druk te zien, vergoedt nog steeds alles’.

    Toxopeus’ verhalen verschijnen in Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften, o.a. in Tirade, De Brakke Hond en Kort Verhaal. Het wachten is op een bundeling. In 2013 is het zover: ‘Een 65-plusser die debuteert met een verhalenbundel.’

    Gelukkige families en harmonieuze relaties, die vind je niet bij Toxopeus. Verhalen zijn pas interessant als er iets scheef zit in de onderlinge verhoudingen. Mensen die niet tevreden zijn met hun leven, waarin iets uit het verleden doorwerkt in het heden. In het verhaal ‘Het blijft vriezen’ gaat het om een gebeurtenis bij een schaatstochtje van ‘tien jaar, drie weken en vier dagen geleden.’ Alles lijkt uitgesproken, allang uit de wereld, maar hoofdpersoon Chris spreekt niet uit dat hij er nog ‘dagelijks aan denkt. Dat het wroet en wringt, dat hij zou willen dat het minder werd.’

    Een knap opgebouwd verhaal is ook ‘Romeinen 2’. Ook hier wroet en wringt het. Het verleden werkt door bij de verplichte wekelijkse bezoeken aan een oude schoonmoeder in een verzorgingshuis. Zij was tegen het huwelijk van haar dochter met haar schoonzoon en heeft dat niet onder stoelen of banken gestoken. Op zijn trouwdag heeft ze hem bij zijn arm gepakt en in zijn oor gesist: ‘Jij bent de man van Emma, verder niets, helemaal niets.’ Nu is het de beurt van de schoonzoon. Tijd om wraak te nemen. Hij leest de oude vrouw die nauwelijks meer kan praten voor uit de bijbel, Romeinen twee: ‘Zo spreekt de Here. U bent hardleers en wilt geen nieuw leven beginnen. Daarom haalt u zich een strenge straf op de hals op de dag waarop God gaat oordelen en zijn uitspraken bekend maakt. Want God zal iedereen loon naar werken geven.’ Hij spaart haar niet. Ze brengen zelfs een bezoek aan het kruispunt waar haar dochter ooit verongelukt is… ‘Haar lichaam verstart. Haar hoofd zwaait woest heen en weer. Hij zakt door zijn knieën en legt een hand in haar dunne nek, knijpt zachtjes in het losse vel. “O wat een vreselijk verdriet. Marijke zag de auto niet.”’

    De focus in de verhalen ligt op scheurtjes in relaties en op de slechte eigenschappen van de mens die in dergelijke situaties naar boven kunnen komen. Pesten, treiteren, het nemen van wraak, het komt allemaal voorbij in deze verhalen. De toon is soms mild, soms hatelijk en sarcastisch.

    Niet alles is volledig uitgewerkt, er blijft iets te raden over. De lezer krijgt puzzelstukjes aangereikt, door terloopse zinnetjes wordt duidelijk wat er aan de hand is. Vaak hebben de verhalen een onverwachte afloop.

    Wie herkent niet de ergernis als je net achter je computer wilt gaan zitten: iemand anders is een spelletje aan het doen en jij moet wachten? ‘Spelletjes’ begint zo: ‘ “Kan ik er eindelijk bij” vraagt hij. “Ik zit al een half uur te wachten.” / … / “Ik word er niet goed van,” zegt hij. “Dat ding is van mij. Ik moet er mee werken.” Hij zucht, staat op en gaat achter haar staan. Hij legt zijn arm over haar schouder, streelt haar nek en glijdt met zijn vingers over de halsketting.” ‘ Het verhaal krijgt vaart en spanning als een paar zinnen verderop staat dat hij zijn driftbuien onder controle heeft….

    De verhalen hebben een sobere stijl. Bijvoeglijke naamwoorden zijn met zorg gekozen en de beeldspraak is gedoseerd. Mooi is dit uit ‘Haar’ als de ‘krullen van de kunstenaar die hij had willen zijn in plaats van de postbezorger die hij was geworden’ worden geknipt: ‘Hij keek naar de wonderlijke figuren op de grond, die zich schokkend verwijderden, vluchtten voor de grote kappersschoenen met de dikke rubberen zolen. Plukken gleden, gracieus als balletdansers, een onverwachte kant uit toen een nieuwe klant binnenkwam, verdwenen uit zicht.’

    De personages in de verhalen zijn meestal wat ouder. Mensen met een geschiedenis. Gebeurtenissen en emoties van toen komen terug in het nu.
    Een paar quotes tot slot: ‘Ga iets doen, jongen. Dat pensioen wordt anders je ondergang.’ En: ‘Nee, hij verveelt zich niet sinds hij met pensioen is.’ Dit geldt ook voor pensionado Toxopeus. Het schrijven van verhalen is zijn tweede leven (website www.mijn2deleven.nl).
    Desnoods met harde hand bevat achtentwintig korte verhalen. Het is een mooie verzameling geworden. Het is knap hoe Toxopeus met weinig woorden elke keer weer verschillende personages neerzet en situaties creëert waarbij de lezer volop ruimte krijgt de puzzelstukjes op de juiste plaats te leggen.

    Michael Tak (Studio Takkemike) verzorgde de omslag. De afbeeldingen van de gebarsten vaas met bloemen (voorkant) en de lege papegaaienkooi met het open deurtje (achterkant) passen perfect bij de verhalen in de bundel.

    John Toxopeus (1946) studeerde psychologie en was lange tijd werkzaam als vakbondsbestuurder.

     

     

  • Misverstand als stijlmotief in een meesterlijk boek

    Misverstand als stijlmotief in een meesterlijk boek

    Het heeft zo z’n charme, enthousiastelingen die op een uitnodiging ingaan waarvan ze de omvang niet bevatten. Die pas achteraf weten wat ze beter niet of juist wel hadden moeten doen. Vaak schieten ze er financieel bij in. Maar achteraf doen ze er graag, voor wie het horen wil, tot in detail verslag van hoe en waar het fout ging. Met als enige doel het groteske van hun bestaan weer te geven.

    Na het lezen van de eerste zin in Teatro Olimpico, krijg je het gevoel met zo iemand van doen te hebben. ‘Ruim twee jaar geleden, op 20 augustus, maakte ik na onze Rousseau voorstelling in het Theater aan het Spui in Den Haag kennis met Jim Staborowski.’ De toon dat er iets niet klopt, zit er al in. Alsook de toon van iemand die met genoegen oude koeien uit de sloot haalt om ze druipend van het slijk, voor het voetlicht te brengen.

    Onbetrouwbaar type

    De twee Haagse Rousseau adepten en theatermakers, Hein en Kees, hebben drie voorstellingen getiteld Rousseau opgevoerd. Met redelijk succes. Dan worden ze benaderd door een enthousiaste Italiaanse producent. Hij nodigt hen uit hun experimentele stuk op te voeren tijdens het jaarlijkse Rousseau festival in het oudste theater van Europa, Teatro Olimpico in Vicenza, Noord-Italië. Kees vindt de man een onbetrouwbaar type: ‘(…) hij leek me iemand die uiteindelijk toch met allerlei vernederende opmerkingen zou komen aanzetten over de belichting en het speelplan van Rousseau.’ Maar als ze veertien dagen later door diezelfde man gebeld worden dat het voor elkaar is, dat ze zelfs twee voorstellingen mogen geven in het Teatro, gaan ze zonder bedenkingen over tot de realisatie daarvan.

    Het begint met de titelverandering door de Italianen. Rousseau, wordt Il Morte di Rousseau. De eerste van vele ontgoochelingen. ‘We waren woedend. Echt woedend. (…) Maar er was niets aan te doen.’ Waarna ze ervan uitgaan dat als ze verder geen concessies hoeven te doen, alles nog mogelijk is. Maar er is geen sprake van wel of geen concessies doen. Al snel blijkt dat hun voorkeuren niet echt van invloed zijn op de uitvoering. Toch gaan ze door. ‘We gingen te luchtig om met de problemen. (…) Het Teatro Olimpico was een droom en die droom moest uit komen.’

    Achteraf ingediend subsidieverzoek

    Teatro Olimpico is geschreven in de vorm van een subsidie-aanvraag. Een subsidieverzoek achteraf ingediend wel te verstaan, want de kosten zijn al gemaakt. In werkelijkheid kan dit niet maar in de wereld van Kees ‘t Hart is alles mogelijk. Hij schrijft het zo vanzelfsprekend en overtuigend, dat je er bijna overheen leest. ‘t Hart gebruikt graag (denk aan Engelvisjes & andere verhalen (2010)) fictie en non-fictie door elkaar. Zoeken naar de non-fictieve geloofwaardigheid van zijn verhalen is niet nodig. Want of ‘t Hart (deels, of helemaal) ze zelf beleefd heeft, voegt niets toe aan de waarde van zijn verhaal.

    Vanaf het moment dat ze uitgenodigd zijn om naar Italië te komen, hebben ze geen moment rust meer. Het stuk moet vertaald worden (gemaakte kosten schieten ze ‘wel even’ voor). Er moet een Italiaans sprekende acteur aangetrokken worden (daarover later meer). De vrachtwagen voor het decor moet gehuurd worden en zo meer. Maar bovenal plegen ze talloze telefoongesprekken in gebrekkig Engels met, vermoeden ze, gezaghebbende personen uit de Italiaanse theaterwereld. Er is nog geen contract getekend en ze zijn al tienduizend euro armer. De verwarrende communicatie leidt tot tenenkrommende, maar ook lachwekkende toestanden. De misvattingen bouwen zich in zo’n rap tempo op dat een fiasco onafwendbaar wordt.

    En hier voel je het plezier in het schrijven van ‘t Hart. Het toewerken, door middel van allerlei toestanden, naar een onvermijdelijke mislukking. Eén van die toestanden ontstaat wanneer een Italiaanse acteur onaangemeld bij Kees op de stoep staat. ‘Bernardo bleek een aardige en vrolijke jongeman, met als nadeel dat hij juist daarom bijzonder ongeschikt was voor de rol van Rousseau. (…) We stelden ons onze Rousseau altijd voor als een enigszins bleke, pafferige, weinig toegewijde, zelfs wat slappe figuur, die geen meningen had (…)’. Maar dat zegt hij niet:’Ik wilde hem niet voor het hoofd stoten. (…) Achteraf gezien denk ik dat we hem aan het lijntje hebben gehouden. (…) Vooral mijn opmerking dat we nog “iets van ons zouden laten horen” zat me dwars.’

    Strooien met personages en functie

    In het eerste deel Den Haag wordt er royaal met personages en bijbehorende functies gestrooid alsof het handenvol pepernoten zijn. Het werkt verwarrend al die Italiaanse namen waarvan niet duidelijk is wat ze nu eigenlijk doen. En net wanneer je opgeeft om het bij te houden, richt de verteller zich bij opening van het tweede deel Vincenza, tot de lezer. Het is net alsof je interactief bij het verhaal betrokken wordt. Hein wees me erop dat in dit verslag veel namen voorkomen. Af en toe is onduidelijk wie wie is. Wij hadden er in het begin ook moeite mee. Daarom hieronder een lijstje van de namen tot nu toe, met daarachter hun functie of rol. Waarna een lijst van zo’n dertig namen plus functie volgt. Die je dan vervolgens niet leest omdat dan al begrepen is dat het in Teatro niet om die personages gaat maar om de ik-verteller. 

    In het derde, deel De première wordt Il Morte di Rousseau opgevoerd. Het Italiaanse publiek smult ervan. Het is een groot succes. Voor Hein en Kees was het verworden tot je reinste volkstheater. En dat was nu net waar ze absoluut niet voor stonden. ‘Er was niets van terecht gekomen, we hadden alles op z’n beloop gelaten, we hadden gefaald. (…) Niemand anders dan wij waren verantwoordelijk. Wat moesten we doen? De uitvoering van morgen afblazen? (…) Ik liet mijn tranen de vrije loop terwijl de toejuichingen op ons neerdaalden.’

    Terug in Nederland ontvangen ze een rekening van tienduizend euro van  het Teatro voor gemaakte personeelskosten. Zelf hebben ze er dan al bijna twintig duizend euro in gestoken. Maar zoals de ik-verteller laat weten: ‘De voorstelling móést er komen. (…) Ik hoop dat u daar begrip voor hebt. We konden niet meer terug.’

    Teatro Olimpico is een meesterlijke proeve van vertelkunst en manipulatie van de lezer. ‘t Hart heeft zich zichtbaar uitgeleefd in het in scène zetten van- en aansturen op misverstanden. Vanaf de eerste bladzijden proef je al dat het hem er om te doen is deze onderneming van de twee Haagse Rousseau liefhebbers in een fiasco te laten eindigen. Hij is daar zeer wel in geslaagd.

     

     

  • Suikerzoete roman weet aandacht niet vast te houden

    Suikerzoete roman weet aandacht niet vast te houden

     Istanbul rond 1920. Buitenlandse troepen hebben de stad bezet na een wapenstilstand in oktober 1918. Deze wapenstilstand maakt op papier een einde aan de vijandelijkheden tussen de geallieerde mogendheden en het Osmaanse Rijk, maar in feite betekent het de Osmaanse capitulatie. Het Osmaanse Rijk (het latere Turkije) moet grote gebieden in Europa opgeven en toelaten dat de geallieerde troepen Istanbul bezetten en belangrijke posten controleren.
    De soldaten hebben hun wapens moeten inleveren, maar in diezelfde tijd ontstaan op allerlei plaatsen in Anatolië bewegingen die zich sterk maken voor de verdediging van de Turkse nationale belangen. Wanneer een Grieks leger in mei 1919 de streek rond Izmir bezet, ontstaat er een crisis in het rijk. Vanaf dat moment steunen ook veel officieren in het Osmaanse leger actief het verzet.
    Tegelijkertijd is de sultan nog steeds aan het bewind, bijgestaan door een regering van trouwe ministers.
    In de stad heerst grote hongersnood. De rijke mensen proberen hun stand op te houden, maar ook hun maaltijden zijn karig. Lonen kunnen niet uitbetaald worden.
    Deze achtergrondinformatie is onmisbaar voor een goed begrip van de roman.

    In deze roman gaat het bijna uitsluitend over de familie van Ahmet Reşat. Hij is minister en trouw aan de sultan. Samen met zijn vrouw Behiҫe en hun twee dochters, woont hij in een groot, ommuurd huis. Daar wonen afgezien van de bedienden nog twee andere personen: Paleisdame, een tante op leeftijd die na de dood van Reşats ouders voor hem als een moeder heeft gezorgd, en daar haar ‘rechten’ in dit huis aan ontleent. De echtgenote van Reşat en Paleisdame komen dan ook regelmatig in conflict met elkaar. En de mooie Mehpare woont er, een verre nicht uit een verarmde tak van de familie. Buiten medeweten van Reşat wordt zijn zieke, dierbare neef Kemal, een revolutionair voor wie hij een groot zwak heeft en voor wie hij zich als een vader gedragen heeft, zijn huis binnengebracht. Kemal moet zich schuilhouden voor de geallieerde bezetters.

    Reşat verzoent zich uiteindelijk met Kemals aanwezigheid, vooral omdat de bezetters, sinds de onrust in de stad toeneemt, druk op zoek zijn naar de revolutionairen. Dit levert voor Reşat en zijn familie een gevaarlijke situatie op. Bovendien blijft Reşat onvoorwaardelijk trouw aan de sultan ook al ziet hij wel in dat de revolutionaire nationalisten voor een goede zaak strijden: een zelfstandig Turkije zonder bezetters.
    In ongeveer vierhonderd pagina’s wordt het familieleven beschreven in het huishouden van Reşat: Mephare en Kemal worden op elkaar verliefd en trouwen. Behiҫe raakt na lange tijd ook in verwachting. Ook een al wat oudere arts Mahir en de oudste dochter in het gezin worden verliefd op elkaar en trouwen.

    Het verhaal wordt grotendeels verteld vanuit het perspectief van de vrouwen, dus krijgt de lezer over het leven buiten de muren van het huis slechts dat te lezen wat op een of andere wijze het huis binnengebracht wordt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren doordat Behiҫe de huismeester naar buiten stuurt wanneer er rumoer op straat is. Of via de gesprekken in de mannenkamer van het huis. Paleisdame en Mephare zijn goed in het uithoren van de mannen. Wanneer de sultan op de vlucht slaat en de nationalisten (met hulp van de Franse en Italiaanse bezetters die al eerder de kant van de Turken kozen) een lijst opstellen van mensen die in hun ogen het land verraden hebben, vluchten ook de ministers. Het verhaal eindigt ermee dat Reşat in ballingschap leest dat zijn dochter bevallen is, en in een brief aan zijn vrouw de wens uitspreekt haar en andere familieleden ooit in goede gezondheid waar ter wereld dan ook, in zijn armen te mogen sluiten.

    Het verhaal verloopt traag, mede omdat verreweg het grootste gedeelte zich binnenshuis afspeelt. Aangezien de kijker vooral gericht is op de vrouwen in dit huis, zou men mogen verwachten dat deze meer gaan ‘leven’ voor de lezer, dat er meer zichtbaar wordt van hun karakters. Maar deze vrouwen maken nauwelijks ontwikkeling door, zij blijven vrouwelijke wezens die door het grote huis lopen, weinig om handen lijken te hebben en smachtende blikken werpen op man of toekomstige man. De lezer zal geen sympathie voelen voor Behiҫe die regelmatig vernederd wordt door Paleisdame, en geen antipathie voor de gemene Paleisdame. Daarvoor zijn deze vrouwen te onecht. Ook door de stijl van dit boek zal de lezer niet geboeid raken: de schrijfster hanteert een eenvoudige schrijfstijl zonder enige ‘opsmuk’; zij vermijdt gruwelijke details, maar neemt regelmatig haar toevlucht tot nauwelijks opwindende zinsneden als ‘vegen bloed in het gezicht’, ‘gescheurde kleren’, ‘flauwvallen’ en ‘grote vermoeidheid’. Gevoelens daarentegen worden erg uitgesponnen in weinig originele bewoordingen en aan de verbeelding van de lezer wordt niets overgelaten. Mierzoete passages met te gedetailleerd beschreven gevoelens laten de lezer geen ruimte om zelf nog iets in te vullen! En zo komt het dat dit familiedrama nergens echt dramatisch wil worden, maar rustig voortkabbelt en dat alles verloopt zoals de lezer al snel na het begin verwacht dat het verloopt.

    Vierhonderd pagina’s zonder dieper gaande beschrijving van de bezetting, of van het werk van de minister Reşat, die tot diep in de nacht werkt en daar altijd moe van terugkeert, zonder mooie beschrijvingen van de kleurrijke stad, zijn te veel.
    Veel lokum (Turks fruit), weinig börek (hartige taart).

     

  • De goden van de waarheid hebben het in hun macht.

    De Ierse schrijver Sebastian Barry heeft al meer boeken over de McNulty-familie geschreven. Zo gaat De geheime schrift over de schoonzuster, en De omzwervingen van Eneas McNulty over de broer van de hoofdpersoon uit De tijdelijke gentleman, Jack McNulty. Zijdelings komen deze andere personages wel in het boek voor, maar een werkelijke rol spelen ze niet. Het verhaal van Jack McNulty staat geheel op zichzelf.

    Jack stelt zijn levensgeschiedenis op schrift in een huisje van hout en leem in Accra (Ghana), af en toe geteisterd door malaria, en lastiggevallen door de politie vanwege schimmige gebeurtenissen in het verleden. Het is 1957, en eigenlijk wil hij terug naar zijn geboorteland Ierland, maar hij wil eerst in het reine komen met de mislukkingen in zijn leven: zijn noodlottig verlopen huwelijk, de relatie met zijn dochters, zijn drank- en gokverslaving, en de gruwelen van de oorlog. Hij schrijft alles op, en zijn verhaal springt heen en weer tussen het heden in Afrika, en het verleden, in Ierland en overal elders op de wereld waar hij als ingenieur heeft gewerkt. Als officier in het Britse leger, en als echtgenoot van een vrouw uit een gegoed milieu, is hij tijdelijk een gentleman geweest, maar wat is daarvan gebleven?

    De andere hoofdpersoon uit het boek is Jacks vrouw, Mai, die hij in de loop der tijd heeft zien veranderen van een zelfverzekerde studente in een instabiele vrouw, gekweld door postnatale depressies en een toenemende alcoholverslaving. Het is vooral haar geschiedenis, en die van hun twee dochters Maggie en Ursula – over wie wellicht ook nog eens een roman of toneelstuk zal verschijnen – die dit verhaal tot een tragedie maakt.

    Barry’s stijl is bij vlagen adembenemend mooi. Zomaar een paar zinnen die het onderstrepen waard zijn:

    Waardoor raakt de ene ziel aan de andere gebonden? Heel vaak is het zoiets als een mening staande houden tegenover een wereld die haar probeert te weerleggen. 

    We praatten over niks, zoals mensen dat doen, totdat het niks op was.  (…) verleden, heden en toekomst in een warboel van oud licht (…) De vogels daar hadden een buitenlandse roep en de vissen droomden over farao’s en niet over koningen. 

    In één zin weet hij de hele geschiedenis samen te vatten: … er was niets anders meer in Gods schepping dan dat toekijkende kind en het geslagen kind en de verwoeste vrouw en de verbijsterde vader. (p166)

    Prachtig is ook de verwevenheid van het boek. Alle scènes en gebeurtenissen verwijzen op een of andere manier naar elkaar. Zo gaan Jack en Mai – op huwelijksreis in Dublin – naar een uitvoering van Dido en Aeneas. Niets is zo’n goede voorafschaduwing van Mai’s lot als Dido’s Klaagzang: When I am laid in earth, May my wrongs create, No trouble in thy breast – Remember me, but forget my fate. (En eigenlijk is het ook van toepassing op Jack zelf.)

    Het verhaal begint met een torpedo-aanval op het oorlogsschip dat Jack naar Afrika brengt, in 1940. In een zin van meer dan twee bladzijden wordt deze gebeurtenis invoelbaar gemaakt voor alle zintuigen, het is een fantastische opening. En tegelijk is het als opening misschien een truc, want in het geheel van het verhaal is deze ervaring maar een van de vele. Het stijlmiddel van de lange zin wordt bij een andere explosie – op een trainingslocatie voor het demonteren van explosieven – nogmaals toegepast, en zo worden ook deze gebeurtenissen aan elkaar gekoppeld.

    In de laatste hoofdstukken ziet Jack steeds meer overeenkomsten tussen Ierland en Afrika. Als je de hitte wegdenkt en die verdomde palmbomen en zwarte huiden, dan is het gewoon Ballymena in de regen, echt. (p207)

    Als Mai erachter komt dat Jack haar geld vergokt heeft, schrijft hij: Vernietigd zat ik daar, ook voor mezelf. (p116) Een zinsnede die vooruitwijst naar de gebeurtenissen rondom zijn oppasser in Accra, Tom Quaye, die voor hij kan terugkeren naar zijn vrouw, moet wederopstaan uit de dood.

    De tocht die de twee mannen maken naar het geboortedorp van Quaye, brengt Heart of Darkness van Joseph Conrad in herinnering, en verwijst naar de gewelddadigheid van het duistere continent dat symbool staat voor het duistere, gewelddadige innerlijk van de hoofdpersoon. Dit is een staaltje geweldige schrijfkunst: de hoofdpersoon is er zich niet van bewust, terwijl de lezer het wél oppikt.

    Elders rijst af en toe de vraag of het Jack McNulty is die aan het woord is, of Sebastian Barry. Er is bijvoorbeeld niets in Jacks leven of opleiding wat doet vermoeden dat hij regelmatig Cicero leest, en toch zegt hij ‘ik voelde me zoals Cicero zich misschien voelde …’ (p134)

    Af en toe is het té lyrisch, zoals wanneer hij een waanzinnige Mai redt, die naakt een sneeuwstorm ingelopen is: … verwonderde me nu ook over de totale witheid in de wereld, die alles niet alleen bedekte maar ook uitveegde, uitwiste, alsof ons hele verhaal weer tot een blanco bladzijde teruggebracht kon worden … (p200)

    De tijdelijke gentleman is een boek dat diepe indruk maakt, vooral door de gebeurtenissen, die onder de huid kruipen door de zintuiglijke taal. Het is een boek dat om herlezing vraagt, om de verweven structuur nog beter te doorgronden.

     

     

     

  • Muziek voert de boventoon

    Muziek voert de boventoon

    De gepensioneerde componist Peter Els is op de vlucht. De politie heeft bij hem thuis, in zijn zelfgebouwde lab, genoeg aanwijzingen gevonden om hem te beschuldigen van bioterrorisme. Zijn ex en dochter kunnen niet begrijpen waarom hij juist nu, net na de aanslagen van 11 september, DNA probeert te manipuleren. Toch is het, wanneer je meegaat in zijn redeneringen, niet helemaal onlogisch waarom de hoofdpersoon uit Orfeo van Richard Powers dit doet.

    Peter Els heeft geen besef van ruimte of tijd. Hij leeft voor de muziek. Al van jongs af aan wordt hij bezeten door een drang om alle tonen, ritmes, patronen te vangen in een muziekstuk. Van muziek kun je niet leven, is zijn gedachtegang en hij gaat scheikunde studeren, totdat hij Clara leert kennen. Zij wijst hem erop dat niemand zijn muzikaal talent kan evenaren en stimuleert hem om te gaan componeren. Peter gaat op in zijn werk als componist van experimentele, hedendaagse muziek. Hij wordt verliefd op zangeres Maddy, trouwt met haar en is gek op de muzikale dochter Sara die ze krijgen. Maar, houdt hij van de mensen zelf of van hun band met de muziek?

    Wanneer Maddy en Sara zich gaan interesseren voor andere dingen dan muziek, vindt Peter een partner in crime in de choreograaf Richard Bonner die hem vraagt muziek te componeren voor verschillende projecten. Maddy wil haar ongenoegen laten blijken, maar het is de vraag of ze door haar man wordt gehoord:

    ‘”Kom op”, zegt Els. “Het is echt geld. Een prestigieus project in New York”. Maddy zucht in de opstijgende stoom. “Als pianostemmer zou je per uur meer verdienen. (…)” Vanuit de andere kamer klinkt een Roemeens volksliedje, geharmoniseerd in een modale tegenbeweging. De melodie treft Peter als de essentie van hunkering. Misschien moet hij inderdaad een baan als pianostemmer gaan zoeken. (…)”Maddy, hij betaalt me…” “Echt, Peter?” Ze draait zich oom en kijkt hem aan. “Duizend dollar? En daar gaat je reisgeld naar New York nog van af? Treinkaartjes, restaurants, hotelkamer…?”
    Wat is de klankkleur van dit stuk? Twee zachte instrumenten, zeg hobo en hoorn; hun intervallen druppelen door de open ramen neer op de lege herfstige binnenplaats. Twee ouders die gedempt praten om het landelijke wijsje niet te verstoren dat hun dochter in de aangrenzende kamer zit te tingelen.’ (180)

    Peter Els neemt de opdracht aan en breekt zo de relatie met vrouw en kind. Zijn composities blinken uit in extravagantie en worden niet door iedereen gewaardeerd. Totdat hij een opera componeert gebaseerd op een historisch evenement. Maar het publiek ziet iets anders: de weerspiegeling van een gruwelijk gewelddadige gebeurtenis in het heden. Voor Els zijn de overeenkomsten tussen zijn opera en de actualiteit te beangstigend en hij vlucht weg naar Pennsylvania waar hij universitair muziekdocent wordt.

    Op een dag merkt hij dat zijn gehoor anders wordt. Hij gaat de dingen anders ervaren, hoort nieuwe geluiden en beseft zich dat de wereld gevuld is met klank. De chemische reactie die muziek teweeg kan brengen in een mens trekt hem zodanig dat hij fanatiek alles gaat lezen rondom biocompositie. Het zijn ritmes en geluiden uit de natuur die tot in de eeuwigheid bestaan. Els krijgt het idee een muziekstuk te componeren dat nooit zal vergaan en altijd gehoord kan worden door de klanken vast te leggen in het genetisch materiaal van een bacterie. Diezelfde dag nog gaat hij aan de slag met zijn thuislaboratorium.

    Orfeo neemt je mee naar een andere wereld. Een wereld van zuivere klanken, maar grimmige stemmingen. Tijdens het lezen word je één met de hoofdpersoon, je gaat mee in zijn gedachten en opeens lijkt het bijna logisch dat hij DNA manipuleert. Richard Powers schrijft geen verhaal, hij componeert een muziekstuk. In adagio komt het verhaal langzaam op gang met de beschrijving van de jeugd van Peter en hoe zijn liefde voor de muziek opbloeide, tot al de mooie dingen die hij creëerde, inmiddels in allegro, toen hij omringd werd door vrienden en geliefden om te eindigen in een andante. De wetenschap speelt een vrij kleine rol in het boek vergeleken met de rol die toebedeeld is aan de muziek en aan het geluid. Hoewel muziek de hoofdpersoon vaak in euforische stemming brengt, zijn het zeker geen vrolijke composities waar hij naar luistert. Kindertotenlieder van Mahler, gebaseerd op de gedichten van Rückert die twee kinderen had verloren of het Quartet for the End of Time van Messaie, geschreven in de concentratiekampen. Peter Els vindt zijn bondgenoot in de muziek, waarmee hij uiting weet te geven aan zijn gevoelens van onbegrip en eenzaamheid. Orfeo is een waar meesterwerk die je de muziek laat horen, voelen en van dichtbij meemaken.

     

  • Cynici verdringen idealisten

    Cynici verdringen idealisten

    De onrust in Oost-Oekraïne die nu al een paar maanden gaande is, is naast een fysieke strijd vooral een propaganda-oorlog, waarvan president Poetin de touwtjes in handen heeft. Daaraan moet je onmiddellijk denken bij het lezen van de memoires van de Russische journaliste en mensenrechtenonderzoekster Oksana Tsjelisjeva, die onlangs in Nederlandse vertaling verschenen is. Ze gaan hoofdzakelijk over haar ervaringen met de twee Tsjetsjeense oorlogen. De eerste duurde van 1994 tot 1996 en de tweede begon in 1999 en duurt nog altijd voort (en wie van ons beseft dat eigenlijk?). Tsjelisjeva schrijft over die tweede oorlog dat Poetin het conflict ‘vertsjetsjeniseert’. Daarmee bedoelt ze dat het Kermlin de aandacht voor het conflict zo manipuleert dat het geen strijd om onafhankelijkheid meer lijkt, maar een gevecht tussen etnische groepen in het land zelf:

    De bedoeling is vanaf het allereerste begin van dit proces duidelijk geweest.
    Namelijk voorkomen dat het conflict uitdoofde door een burgeroorlog te forceren. Wanneer de Tsjetsjenen slag leveren met elkaar geeft dat de Kremlinpropagandisten een goed argument in handen voor de stelling dat de aanhoudende gevechten in Tsjetsjenië geen separatistische component hebben.

    De schrijfster heeft het in haar boek niet over Oekraïne, maar het is niet moeilijk haar opvatting te raden over Poetins strategie voor dat land. Daar heeft de Russische president juist wél baat bij separatistische acties, dus vertaalt hij zijn wens om de Krim, en mogelijk een deel van Oekraïne, in te lijven in een burgeroorlog in het begeerde land.
    De twee Tsjetsjeense oorlogen maken meer duidelijk. De eerste werd begonnen door Jeltsin om de opstandige republiek tot de orde te roepen en het gezag van Moskou te herstellen. De tweede begon, volgens Tsjelisjeva, om Poetin aan de macht te brengen. Hij zou in Tsjetsjenië president Kadirov aan de leiding plaatsen, een vazal die bereid was Poetins grootheid te vuur en te zwaard te verdedigen.

    De memoires van Oksana Tsjelisjeva heten Ze volgden me op straat, ook in het (Engelse) origineel. Ze graven echter dieper dan die toch wel erg oppervlakkige titel suggereert. Er is geen slachtoffer van Poetin aan het woord, maar een moedige vrouw die zeer gemotiveerd misstanden aan de kaak stelt en blootlegt hoe de machtsuitoefening van Poetin werkt. Ze kan zich kwaad maken op westerse betweters die haar daarmee voor  russofoob willen verslijten, want dat is ze niet. Ze houdt van haar land, hoewel ze er sinds 2008 niet meer woont. Tijdens een verblijf in Finland in dat jaar kreeg ze van haar vrienden de ernstige waarschuwing om niet terug te keren. Er was in inval geweest van de geheime dienst FSB (opvolger van de KGB) in haar kantoor van de Stichting ter Bevordering van Tolerantie in Nizjni Novgorod.

    Ze volgden me op straat zijn geen gebruikelijke memoires. De lezer komt weinig te weten over het persoonlijke leven van de schrijfster. Bovendien bestrijken ze een betrekkelijk korte periode, van ongeveer 1990 tot nu. Eigenlijk gaan ze vrijwel uitsluitend over de gebeurtenissen in Tsjetsjenië en de werkwijze van de FSB in de conflicten rond dat land.
    Tsjelisjeva fulmineert niet alleen tegen Poetin, maar ze overlaadt ook het Westen met verwijten. Ze heeft bijvoorbeeld een ernstige waarschuwing voor de gevolgen van de mondiale passiviteit jegens Tsjetsjenië:

    De afscheidingsbeweging van de jaren negentig was seculier en deed een dringend beroep op de Europese instituties om tussenbeide te komen en bij te dragen aan een politieke oplossing van het Russisch-Tsjetsjeense gewapende conflict. Toen die pogingen faalden, kregen de dogma’s van de fundamentalistische islam langzamerhand de overhand in de ondergrondse beweging.

    Opnieuw dringen zich aan de lezer parallellen op met de onmachtige houding van het Westen in andere kwesties. Andermaal de Oekraïne natuurlijk, maar ook het Midden-Oosten, waar nu de Islamitische Staat (IS) de macht grijpt nadat Amerika en Europa de afgelopen jaren in een kramp schoten bij het zien van de omwentelingen in dat gebied.

    Ze volgden me op straat is daarmee natuurlijk geen vrolijk stemmend boek. Het is schokkend te lezen hoe Poetin tijdens de gijzeling van de School 1 in Beslan door Tsjetsjeense rebellen in 2004 (335 doden) al vanaf het begin meer bezig was met de vraag hoe hij deze situatie kon uitbuiten om zijn macht te vergroten dan met de zorg voor de veiligheid van de gegijzelden. Tsjelisjeva maakt zeer aannemelijk dat de FSB (en daarmee Poetin zelf) verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de bloedige afloop.
    Evenzo schetst Tsjelisjeva rond de moord op de journaliste (en vriendin van de schrijfster) Anna Politkovskaja in 2006, die de wereld schokte, overtuigend de rol van de FSB. Én de lakse houding van de rest van de wereld.

    Veel van de ingrepen in het werk van mensenrechtenorganisaties door de FSB  zijn van de andere kant ook weer van zo’n onvoorstelbare stupiditeit (een woord dat Tsjelisjeva zelf gebruikt) dat ze lachwekkend worden. Zo neemt de geheime dienst op een bepaald moment, zogenaamd in opdracht van Microsoft, alle computers van de vredesorganisatie van Tsjelisjeva in beslag omdat illegale software gebruikt zou zijn. De werkelijke reden was het verhinderen van verdere publicaties en acties. Dat was des te aannemelijker omdat de computers en de software, aantoonbaar met licentienummers, bij hetzelfde bedrijf waren aangeschaft waar ook het Kremlin zelf winkelde.

    Tsjelisjeva geeft al bij al een leerzame kijk in de keuken van Poetin. Jammer is alleen dat ze er niet altijd in slaagt dat op een leesbare manier te doen. Af en toe krijg je het gevoel dat ze een grote hoeveelheid losse aantekeningen en gedachten gerubriceerd heeft volgens de onderwerpen die de hoofdstuktitels vormen, maar het bij die ordening heeft gelaten. Daardoor missen de verhalen soms een duidelijke lijn en worden ze af en toe te wijdlopig. Maar misschien moeten we daar niet teveel nadruk op leggen bij een boek van zo’n bezield iemand. Want, zoals ze zelf schrijft: ‘In onze wereld is er steeds minder ruimte voor idealisten. Ze worden vervangen door cynici.’
    Laten we haar alle ruimte geven.

     

  • Krimchampagne voor de ziel

    Krimchampagne voor de ziel

    Dode Zielen is een Russische roman van de Oekraïner Nicolai Gogol (1809 – 1852). Hij stelde zich een onmogelijke opgave: Rusland bezielen met nieuw elan, een nieuwe moraal en nieuwe idealen, en het bevrijden van de epidemische verfransing die Napoleon had ontketend. Hij vertilde zich aan die ambitie, maar schreef wél een meesterwerk.

    Dode zielen is in feite onvoltooid. Het eerste deel verscheen in 1842 en speelt zich af in Tsaristisch Rusland. Wie een verfijnde grootsteedse elite verwacht, puissant rijke landeigenaren, glamoureuze bals en banketten, jachtpartijen en veldslagen, besprenkeld met verrukkelijke melancholie en diepe gevoelens, die komt bedrogen uit. Daarvoor kun je terecht bij Dostojewski, Tsjechov of Toergenjev. Gogol beschrijft met Mozarteske virtuositeit en trefzekerheid een land dat aan zijn eigen lamlendigheid ten onder gaat. Een lappendeken van landgoederen zo groot als een provincie, bewoond door hordes lijfeigenen die dom worden gehouden, uitgebuit en verhandeld. Iedere zandweg onbegaanbaar, iedere akker verwaarloosd. Geen dak of het lekt, geen ruit of hij is gebarsten of vervangen door vodden. Gogols Rusland is een land zonder visie en leiderschap, een land ook van loze pretenties en hypocrisie. Dode zielen is zeer genietbaar ondanks dat alles. Ruim 400 bladzijden glanzend en tintelend proza, doorschoten met verrassende beelden die soms een eigen leven gaan leiden: . Met dank aan Aai Prins die een pracht van een vertaling leverde.

    Coulissen en wandelgangen
    Door de onttakelde Russische wereld trekt ‘de held’ van het verhaal; de ontspoorde ambtenaar Pavel Tsjitsjikov. Hij bezoekt het ene landgoed na het andere om de eigenaren te verlossen van hun ‘dode zielen’: overleden lijfeigenen waarover  nog steeds belasting is verschuldigd, omdat hun registratie maar eens in de drie jaar wordt bijgewerkt. Als hij een paar duizend van die zielen met bijbehorende koopakten heeft vergaard wil Tsjitsjikov er een fictief landgoed mee bevolken waar hij een forse hypotheek op kan afsluiten. Briljante oplichterij, maar zeker zo interessant is zijn moeizame tocht langs allerlei landgoederen met hun eigenaren en de bizarre besprekingen die hij met hen voert voordat ze afstand doen van hun dode zielen. Ook fascinerend zijn de belevenissen en verwikkelingen die Tsjitsjikov doormaakt in het ‘gouvernementstadje NN’ waar hij met zijn bedienden een kamer in een herberg betrekt. Door zijn wereldwijsheid en sociale vaardigheden raakt het halve stadje idolaat van hem (mannen zowel als vrouwen) en zien in hem een belangrijk man die grootste daden verricht. Tsjitsjikov laat zich dat graag aanleunen, en beweegt zich van banket naar bal, wat Gogol alle ruimte biedt om de verfranste mode en pronkzucht op de hak te nemen, alsmede het geritsel en gemanipuleer in de coulissen en wandelgangen.

    Loutering en hellevaart
    Gogol had grootse plannen met zijn held Tsjitsjikov. Deel 1, dat nu leest als een schelmenroman waar de schurk wegkomt maar geen triomfen viert, had de hellevaart van de held moeten zijn. In deel 2 van Dode zielen zou hij tot inkeer komen en een morele loutering doormaken en in deel 3 zou hij zich  – wedergeboren – tot een rolmodel voor Rusland ontwikkelen. Zover kwam het niet. Gogol bleef deel 2 herschrijven omdat hij er ontevreden mee was, en werd uiteindelijk gek. In een godsdienstwaanzinnige poging alle verdorvenheid uit te drijven hongerde hij zichzelf dood, een handje geholpen door incompetente artsen met wisselbaden en bloedzuigers. Wat blijft is een puntgaaf deel 1 en een fragmentarisch deel 2 zonder einde. Gogol schrijft nog steeds briljante zinnen, maar slaat af en toe danig aan het moraliseren. Rusland moest zichzelf hervinden, afscheid nemen van vreemde invloeden en goedkoop materialisme, en zich richten op het vervolmaken van wat authentiek Russisch is. Niks verstedelijking en industrialisatie: het landgoed is de maat der dingen, bewerkt door gedisciplineerde lijfeigenen, beheerd door een weldenkende en hardwerkende landheer, gesteund door een pronte prachtvrouw die niet meewaait met alle Franse modes. Gogol kreeg het niet voor elkaar, hoewel hij personages introduceert die wel degelijk de fris gewassen weldenkendheid en goedheid van ziel hebben om van hun landgoed een modelboerderij te maken, als blauwdruk voor heel de Russische samenleving.

    Vreemde intrige
    Naarmate in Dode zielen het idealisme toeneemt, vermindert de spankracht van de verhaallijnen. Het realisme van deel 1 is veel rijker van dynamiek dan het gebiedermeier in deel 2. Zelfs als de schrijver alleen maar kijkt gebeurt er al van alles: ‘In het winkeltje op de hoek, of beter gezegd in het raam er van, was een honingdrankverkoper gevestigd met een roodkoperen samowar en een gezicht dat even rood zag als zijn samowar, zodat je uit de verte zou kunnen denken dat er in het raam twee samowars stonden, ware het niet dat een ervan een pikzwarte baard had.’ Hier en daar wordt ook de schrijfarbeid, het boek en de lezer tot onderwerp gemaakt. Na de beschrijving van een zijlijn van een zijlijn – een ruzie tussen Tsjitsjikov en een collega over ‘een vrouwtje’, waarbij een derde er met de buit vandoor ging: ‘Hoe het werkelijk in elkaar stak – geen flauw idee; laat de lezer die daar aardigheid in heeft het verhaal liever zelf afmaken.’ En nadat Tsjitsjikov iemand zijn snode plannen met de dode zielen heeft verteld: ‘En zo had zich in het hoofd van onze held deze vreemde intrige gevormd waarvan ik niet weet of de lezers hem er dankbaar voor zullen zijn, en wat de dankbaarheid van de auteur aangaat – die valt moeilijk in woorden uit te drukken. Want hoe je het ook bekijkt, als Tsjitsjikov niet op dit idee was gekomen, dan had dit poëem nooit het licht gezien.’ Een poëticale ring van Möbius….  Overigens: ‘Een poëem’ en niet ‘een roman’ is de ondertitel van deze onmiskenbare roman….

    Zelfbedrog en hypocrisie
    Een traktatie apart zijn de dialogen. Zelden werd het luie geleuter en richtingloze geredeneer van onze medemens genadelozer weergegeven dan in Dode zielen. Dat begint al als Tsjitsikov op bladzijde 1 een stadje binnenrijdt. Twee ´Russische boerenkerels’ staan langs de kant: ‘”Moet je dat wiel daar ’s zien”, zei de een tegen de ander, “Wat denk je, als dat wiel bijgeval naar Moskou moet, zou-ie dat dan halen, of niet?” “Jawel”, antwoordde de ander. “Maar Kazan haalt-ie toch zeker niet, hè?” “Kazan niet”, antwoordde de ander. Daarmee was het gesprek ten einde.’ De overtreffende trap van deze verrukkelijke onzin is de ontmoeting van Tsjitijikov met zijn oude kennis Nozdrjov. Die heeft 3 dagen feest gevierd op de jaarmarkt en bij het kaartspelen al zijn bezit verloren. Hij hangt onnavolgbare redeneringen op over hoe hij alles terug zou kunnen winnen ‘en nog wel twintigduizend roebel meer’, als hij maar 20 roebel zou hebben. Als zijn metgezel hem er op wijst dat hij daarvoor al 50 roebel had gekregen en die ook had verspeeld, volgt een onnavolgbare argumentatie: ‘”Dat had ook niet gehoeven, heus waar, dat had niet gehoeven! Als ik niet zelf een stommiteit begaan had, echt, dan had dat niet gehoeven. Als ik na het doubleren op die vervloekte zeven niet verhoogd had, had ik de bank kunnen laten springen.” “Maar je hebt hem niet laten springen,” zei de blonde. “Nee, omdat ik niet op tijd verhoogde. Dacht jij soms dat die majoor van jou zo goed speelde?” “Goed of niet, hij heeft wel van je gewonnen.” “Stelt nogal wat voor!” zei Nozdrjov. “Ik win zo van ‘m. Nee, laat-ie maar eens proberen te verdubbelen, dat wil ik dan weleens zien, dan wil ik wel eens zien wat voor speler hij is!”‘ Enzovoorts. Alsof Gijp, Derksen en Kraaij junior aan tafel zitten. Zo davert het boek voort: een pandemonium van zelfbedrog en hypocrisie, bevolkt door kletsmajoors, feestneuzen en brokkenpiloten.

    Achter de zedenkomedie van Dode zielen schuilt het drama van Gogol. Het informatieve nawoord van Aai Prins en de brieven van Gogol over Dode zielen (ook opgenomen in de uitgave) maken duidelijk dat hij een verscheurde ziel was: een romanticus. Hij wilde een ideaalbeeld ontwerpen van ´de mens´ naar Russische snit. Maar als hij zijn ogen de kost en zijn pen de vrijheid gaf, tekende hij menselijk gescharrel in een slordige wereld. Zo trefzeker dat het nu nog herkenbaar is: in negentiende eeuwse vermomming komt half bekend Nederland voorbij. De mens in zijn onontkoombare feilbaarheid, Gogol was geniaal in het stellen van de diagnose, maar kon er niet mee leven. Evenzogoed: wát een boek!

     

  • De man die iets miste

    De man die iets miste

    Er was eens een wanhopige man die na 17 jaar zijn grote liefde hervindt en haar mee terug neemt in zijn eigen leven. Dat klinkt als een romantisch sprookje met een happy end, maar dat is De goede minaar niet: Steinunn Sigurðardóttir zet haar lezers op het verkeerde been en uiteindelijk zullen zij zelf een oordeel over de hoofdfiguur, Karl Astason, moeten vormen. Is hij de ideale man of juist een egocentrisch, narcistisch moederszoontje?

    Het begint allemaal heel romantisch wanneer Karl Astason impulsief al zijn plannen omgooit en naar IJsland reist om zijn jeugdliefde Una te zoeken. Maar impulsiviteit past helemaal niet bij deze rijke, punctuele zakenman. Wat heeft ervoor gezorgd dat Karl ’s avonds laat met een gele roos op het tuinpad staat te staren naar het silhouet van zijn jeugdliefde? Wie is deze man?

    ‘Men zei dat het prettig was om in zijn buurt te zijn, vooral zijn geliefden zeiden dat, en dat kwam omdat hij geen bepaald doel nastreefde’, lezen we in het begin van de roman. De verteller typeert hem als ‘hij, de man die iets miste’ en zelf noemt hij zich een speculant in prijsverschillen: ‘Ik ben een speculant van het ondoorgrondelijke soort’. Als speculant is hij succesvol; hij is een rijke zakenman met meerdere huizen en een chique, dure levensstijl. Hij heeft talloze, kortstondige affaires, waarbij hij alles tot in de kleinste details regisseert: geen verplichtingen, geen verdere afspraken en het afscheid graag vroeg in de morgen zodat zijn slaap niet verstoord wordt. Bovendien wil hij zelf niet bevredigd worden.

    Eén van zijn geliefden houdt zich niet aan deze spelregels en juist zij zal een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Deze vrouw, Doreen Ash, psychiater en psychoanalist, had een te harde stem, dronk te veel en gedroeg zich niet in bed. Ze voldoet absoluut niet aan zijn standaard, en juist zij blijft in zijn hoofd zitten. Voor de lezer speelt Doreen een belangrijke rol: door haar ontdekken we dat we geen romantisch liefdesverhaal  lezen, maar dat we te maken hebben met een gecompliceerde hoofdfiguur, ‘de man die iets miste’.

    Naast Doreen, spelen nog drie vrouwen een belangrijke rol in het leven van Karl. Hij wordt door zijn moeder, Astamama, een bekende zangeres, liefdevol opgevoed. Met haar heeft hij een heel sterke band, maar zij sterft als hij nog maar 18 jaar is. De tweede vrouw, Una, is zijn grote jeugdliefde. Zij doet hem veel aan zijn moeder denken en met haar is hij zeven maanden heel gelukkig totdat zij plots de verhouding verbreekt. Hij, welopgevoed, dringt niet aan, terwijl zij eigenlijk verwacht dat hij moeite zal doen om te achterhalen waarom ze hem opeens afwijst. Toch lijkt hij haar trouw te blijven, zelfs in zijn talloze affaires. De huizen die hij bezit, heeft hij bijvoorbeeld laten inrichten volgens de smaak van Una.

    Lotta, de derde belangrijke vrouw en zijn ‘personal assistent’, is de vrouw die zakelijk alles voor hem regelt: hotels, de verse bloemen op zijn kamer, zijn tickets, zijn afspraken. Ze is heimelijk verliefd op Karl, maar hij wenst de relatie zakelijk te houden. Dat Lotta zwart is en hem ‘meester’ noemt, maakt deze verhouding opvallend en ook treurig.

    Doreen Ash is slechts heel kort zijn minnares, maar juist zij krijgt Karl aan het praten over zijn moeder en uitgerekend zij zal zijn redding zijn. Ook is zij de vrouw aan wie hij blijft denken nadat hij zijn grote liefde heeft teruggevonden. Doreen heeft uitgesproken denkbeelden over moederszoontjes en is auteur van een boek over relaties tussen moeders en zonen; ze veroordeelt de vaak slappe opvoeding van moeders, die hun zonen ‘pamperen’, zodat ze opgroeien als slapjanussen en schizofrenen. Voor haar is Karl de enige man en als minnaar zo goed, dat ze na hem de voorkeur geeft aan vrouwen. ‘Moederzoontjes, zonen zonder vader, kunnen het hoogste niveau als minnaar bereiken. Er is namelijk geen competitie met andere mannen.’ (blz. 193)

    De rol van Doreen is opvallend en geeft het verhaal diepgang. Zij wroet in Karls emoties en verwoordt hoe ze denkt over de verhouding met zijn moeder en het ontbreken van een vader in zijn jeugd. Zij laat hem praten, twijfelen en blijkt bovendien zijn belangrijkste raadgeefster. Juist de minnares die zich niet aan de regels van de perfectionistische Karl houdt, blijkt een grote, beslissende rol in zijn leven te spelen. Doreen zorgt voor twijfel, voor spanning en voor verwarring, zowel in het verhaal zelf als bij de lezer. Door haar uitgesproken ideeën worden onderwerpen en verhoudingen op scherp gezet en ‘schuurt’ het vooral  bij Karl Astason. Doreen voorkomt dat het verhaal van Karl en Una  een doorsnee liefdesgeschiedenis wordt.

    De goede minnaar leest vlot en eenvoudig. Er is een duidelijke verteller die alleen in het hoofd van Karl zit en niet in het hoofd van de overige personages. Aan de lezer de taak om te bepalen hoe deze personages over hem en zijn beslissingen denken. Een enkele keer vertelt Karl zelf en zijn vertellingen beginnen als een sprookje: ‘Er was eens…..’.  Moederliefde, oprechte liefde, vriendschap en gelijkwaardigheid zijn de belangrijkste thema’s die vooral door Doreen aan de orde worden gesteld. De auteur is afgestudeerd als psycholoog en misschien is in Doreen de auteur zelf te herkennen.

    Steinunn  Sigurðardóttir  (1950), psychologe, filosofe, journaliste en auteur van o.a. gedichten en romans, is in haar geboorteland IJsland een bekende, erg populaire auteur. Ze begon haar loopbaan als journaliste en heeft in die functie wereldwijd in verschillende landen gewerkt. Ze publiceerde aan het begin van haar auteurschap gedichten en korte verhalen. In 1986 verscheen haar eerste roman, Tímaþjófurinn, een geschiedenis over de liefde tussen twee docenten. Deze roman, waarin ze ook een aantal van haar gedichten heeft verwerkt, werd in Frankrijk verfilmd onder de titel Le Voleur de vie. Voor haar roman Hjartastaður kreeg ze in 1995 de IJslandse Literatuurprijs. Inmiddels heeft ze elf romans, zeven dichtbundels, een boek over Vigdis Finnbogadóttir, voormalig president van IJsland, een kinderboek en diverse stukken voor toneel en radio op haar naam staan. Ook heeft ze literaire werken van anderen vertaald in het IJslands.

     

     

     

  • De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    De verbeeldingskracht! die reuzenspier!

    Recensie door Hella Kuipers

    ‘De liefde kun je nooit begrijpen. Maar wie zouden we zijn als we het niet zouden proberen?’ (p119)

    Moet een roman begrepen worden in de context van het andere werk van een auteur, of moet hij alleen op zijn eigen merites beoordeeld worden? Ieder boek opnieuw een debuut?
    In het geval van Het boek der gelijkenissen levert dat de nodige problemen op: de hoofdpersoon, die vrijwel steeds met ‘hij’ wordt aangeduid en heel soms met ‘E’ of ‘Perola’, vertoont verdacht veel overeenkomsten met de schrijver Enquist. Regelmatig verwijst de hoofdpersoon naar zijn eigen romans, waarin hij diverse gebeurtenissen uit zijn leven – die in dit verhaal aan de orde komen – als materiaal heeft gebruikt. Wie zelf de romans van Enquist niet gelezen heeft, weet niet of het waar is dat die romans ook werkelijk over die gebeurtenissen gaan.

    Om het allemaal nog ingewikkelder te maken, maakt de oude schrijver die de hoofdpersoon van dit boek is, gebruik van zijn werkboeken. Hierin maakte hij zijn leven lang aantekeningen voor de romans die hij schreef. Ook hier gaat het in werkelijkheid over de romans van Enquist, al noemt hij geen enkele van diens titels.

    Het is door dit alles moeilijk om grip te krijgen op het verhaal. Pas na acceptatie van dat feit, door de onbegrijpelijkheid te zien als een bewust beoogd effect, ziet de lezer langzaam maar zeker een gedachtenbouwwerk oprijzen in het hoofd van deze hoofdpersoon, deze oude schrijver, die aanvankelijk van plan is de grafrede voor zijn moeder te herschrijven, maar daar uiteindelijk niet aan toekomt.

    Het inciting incident van het boek – datgene wat het verhaal in gang zet – is het schrijfblok van zijn vader. Altijd heeft zijn moeder gezegd dat ze het heeft verbrand, dat notitieboek vol gedichten, en nu krijgt hij het toegestuurd, weliswaar zwartgeblakerd langs de randen, maar verder intact. Er zijn alleen negen blaadjes uitgescheurd. Wat heeft daarop gestaan? Gedichten tegen het geloof? Gedichten over seks? De schrijver ziet het als zijn opdracht deze te reconstrueren.
    Het zet een stroom van herinneringen bij hem in gang, die vooral te maken hebben met het geloof, met de verlossing, en met liefde en seks. Zo laat hij, bijna tachtig, staand aan de oever van de rivier tussen leven en dood, zijn leven en zijn familie aan zich voorbijtrekken. Niet op een chronologische manier, maar associatief, herhalend, terugkerend.
    Een paar jaar eerder is hij teruggegaan naar het eiland van zijn jeugd, waar zijn moeder altijd op een grote steen gezeten over het water uitkeek. Hij wilde controleren wat er klopte van zijn herinneringen. Maar het eiland was verkracht, de bomen omgehakt, de leegte volgebouwd, en hij vond er niet het inzicht waar hij op gehoopt had.

    Hij verwoordt dat zo:
    ‘Waarom was hij naar hier teruggekeerd. Dit was geen afdaling in de Rivier van de Wilgenboom*, zoals hij als jongen in Kiplings Kim gelezen had. Voor inzicht moest hij bij zichzelf te raden [sic] gaan.’

    Kim en de rivier uit dat boek (een rivier die is ontstaan door een afgeschoten pijl van de Boeddha, en waarin je na onderdompeling tot Inzicht komt) spelen meermalen een rol in het verhaal. Het boek van Kipling was een van de weinige boeken die zijn moeder bezat, en hij heeft het drie keer gelezen, voor zijn moeder het verstopte en later verbrandde. De oude schrijver vergelijkt zijn eerste seksuele ervaring met het afdalen in deze rivier.
    Later schrijft hij: ‘Helder denken wordt steeds moeilijker. Welke rivier? Die van het inzicht of die van de dood?’ (p.123)
    Niet alleen het motief van de rivier, ook de naam Kim komt vaker voor. De kat van een van zijn krankzinnige familieleden heet ook zo.

    Het boek zit op een razend knappe manier vol met literaire verwijzingen. Sommige schrijvers worden rechtstreeks genoemd, zoals Stieg Larsson en Kierkegaard. Soms verstopt Enquist ze subtiel in zijn formuleringen. Zoals bijvoorbeeld ‘er kwamen andere kamers, andere deuren’ (p.41), verwijzend naar Other voices, other rooms van Truman Capote, en zo extreem efficiënt een beeld schetsend van die periode uit zijn leven. In een brief van een achternichtje staat ‘het centrum was weg’ (p.48), verwijzend – wie weet zelfs met een cynisch soort humor want de brief gaat over seks – naar The centre cannot hold uit The Second Coming van Yeats. (Het laatste hoofdstuk heet: De gelijkenis van Jezus’ tweede wederkomst.)
    De oude schrijver vergelijkt het geschrift waaraan hij nu werkt – het boek dat wij als lezer lezen – met de achtste symfonie van Sibelius: ‘een partituur over een verspild leven.’ (p.119) Bovendien is deze symfonie nooit voltooid, en nooit teruggevonden. Is hij verbrand, zoals de schrijver altijd dacht van de blocnote van zijn vader, of zal ook dit manuscript nog ooit gevonden worden?

    Maar terug naar het verhaal.
    ‘Een oude schrijver kijkt terug op zijn leven, en de rol die godsdienst en liefde hebben gespeeld in het leven van hem en zijn familie.’ Dat is de kortste versie.
    ‘Een oude schrijver geeft de gedachten weer zoals ze bij hem opkomen nadat hem het verloren gewaande notitieblok met zijn vaders gedichten is toegestuurd. De blocnote heeft een rol gespeeld in verschillende van zijn boeken, en moet hij die nu herzien? Moet hij de verhalen herzien die hij zichzelf over zijn jeugd en verdere leven heeft verteld? Het verhaal van dit boek gaat over alles wat hij tot nu toe verzwegen heeft. Hij noemt het aanvankelijk een herziene versie van de grafrede voor zijn moeder, en misschien wordt het dat ook. Hij noemt het ook een reconstructie van de negen blaadjes die uit het schrijfblok zijn gescheurd. De roman telt niet voor niets negen hoofdstukken, met negen gelijkenissen als titel. De oude schrijver noemt het boek een liefdesroman, omdat het de lichamelijke liefde is die hij als verlossing ziet, en als de beste manier om de zin van het leven te ontdekken.’

    In feite kan geen omschrijving van de inhoud recht doen aan het effect dat dit boek op de lezer heeft. De oude schrijver is na een beroerte niet meer helemaal helder van geest, hij valt in herhalingen, spreekt zichzelf tegen, roept zichzelf toe: genoeg hierover! Hou eens op met herkauwen!
    De lezer waart rond in zijn geest, een magisch en raadselachtig labyrint met af en toe de helderste uit- en inzichten. Aanvankelijk voelt het boek als een ondoordringbaar struikgewas, maar gaandeweg bloeit het open. Het is geen verhaal van A naar B, ‘de projectieschermen … gingen steeds hallucinerender in elkaar over’ (p.140) maar een boek dat die belangrijkste aller spieren: de verbeeldingskracht, aan het werk laat zien. Uiteindelijk is het misschien wel een brief aan de vrouw aan wie hij zijn maagdelijkheid verloor, de vrouw op de kwastvrije grenen vloer. Tijdens het lezen stijgt de bewondering, het is een boek dat herlezing verlangt.
    ‘Maar van een liefdesroman zou het nooit komen.’ (p.155)

    * De Rivier van de Wilgenboom heet in Kim van Kipling ‘The River of the Arrow‘, en ook in de Duitse vertaling van het Boek der gelijkenissen staat er ‘Fluss des Pfeils.’