Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    De Haarlemsche Courant schreef in 1906 over Van oude menschen. De Dingen die voorbijgaan: ‘Couperus’ nieuwe roman is het ‘boek van wroeging’. Zestig jaar geleden heeft Takma den man zijner minnares vermoord, daartoe gedreven door het aansporen der vrouw.  Die misdaad heeft hen saamgebonden voor àltijd, beheerscht hun verder bestaan.’ De families Takma, Dercks en Steyn de Weert zijn verbonden door een groot  geheim.

    In Klimtol werkt een gebeurtenis uit het verleden ook door in het heden.  Het is klimtolspeler Ludo die een geheim meedraagt.
    De roman speelt in het vissersdorpje Paternoster aan de ‘Weskus’ van Zuid-Afrika, in de Karoo, de ‘plaats van weinig water.’ De tijd is de jaren zestig en het heden, net voor de dood van Nelson Mandela.

    Stian is de zoon van een waterfiskaal, een ambtenaar die belast is met het toezicht op irrigatie en waterverbruik. Als zijn vader een John Deere aanschaft, een tractor met ‘dichtbijmekaarwieltjes’, krijgt hij een houten jojo van de dealer: ‘Kijk wat hij voor jou heeft achtergelaten, het is een jojo, kijk, Stian, er zit een touwtje aan /…/’

    De jongen oefent uren met zijn jojo en hij maakt zich truuks eigen. Na zijn diensttijd kiest hij ervoor als ‘roodjasje’ door het leven te gaan. Als officiële vertegenwoordiger van Coca-Cola-jojo’s rijdt hij met zijn Opel van dorp naar dorp om zijn showtjes te geven. ‘ ging zijn jojo.’ De klimtol is een toverding in zijn hand.

    Zijn vader is niet enthousiast over de klimtolspelerij van Ludo:  ‘Maar dat is geen baan,’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar wat heeft het voor nut?’ Maar de jongen ‘zag hoe werken vernedert en koos voor spelen.’

    Hij treedt op als Ludo Loeloeraai. Er is een schaamte in hem over zijn speelsheid, zelfs over zijn aangenomen naam die ik speel betekent. Andere entertainers beschouwen hem als een onderkruiper omdat hij voor een Amerikaans bedrijf werkt, ‘de klimtolkampioenschappen zijn één grote reclamecampagne voor de frisdrank met het geheime recept’. Het was de truuk van de Amerikanen: vermom werk als spel.

    Bij een van zijn ‘gigs‘ is er opeens een fotografe: ‘Dan ziet hij haar / …/ Algauw speelt hij alleen voor haar, terwijl zij lachend, aanmoedigend en uitdagend met haar camera voor het podiumpje rondkruipt.’ Zo snel als ze is gekomen, zo snel is ze ook weer verdwenen.

    Ludo rijdt in de nacht een kind aan… ‘Toen is het gebeurd: zijn hele leven kantelde en dat kwam door het achterom kijken – wie heeft me gezien? Ik kan nog wegkomen! Dat heeft alles veranderd. Dat moment.’ Is dat Noodlot of de vloek van de klimtol?

    Het geheim dat hij met zich meedraagt: ‘het geheim van de bloedvlek bij Tweefontein had zich dieper in hem teruggetrokken. Hij moest denken aan het bijgeloof van oude mensen: als je een lange doorn in je voet krijgt en hij breekt af en je peurt hem er niet uit met een naald waarvan je eerst de punt boven een kaarsvlam hebt schoongebrand, dan trekt het hart die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Volgens John Steinbeck moet elke man een plek hebben en Ludo’s plek is voor zijn huisje aan de Weskus. Hij is als de man uit De oude man en de zee van Hemingway: ‘Hij denkt aan zichzelf en het ene dunne boek dat hij steeds weer herleest, het ritme van de zinnen is als zijn jojospel en in de cadans ervan herkent hij het ritme van de klimtol en de zekerheid van een goede worp, en hij is de oude man in het verhaal en hij zal de vis naar de haven brengen, en hij denkt al in dat ritme. Al is de vis bij aankomst kaalgevreten, hij is de oude man en hij brengt hem binnen.’

    Ludo denkt terug ‘aan zijn eerste klimtol en de bruine hand van zijn vader die hem uit zijn broekzak haalde nadat hij hem van de verkoper van de John Deere had gekregen om later aan het zoontje Ludo te geven, en hij weet nog hoe hij zijn hand uitstak en de jojo van zijn vader aannam en hoe die in zijn handpalm lag alsof hij ermee geboren was. Zo, dacht Ludo, is het leven van onverantwoordelijk spelen begonnen, een leven waarin truuk op truuk is gevolgd /…/.’  Het ongeluk komt steeds terug in zijn gedachten. ‘Het bloed zat nog vers aan zijn handen, maar wat hem nog het meest geschokt had dat hij na de moord op het kind (ja, hij weet wat nalatigheid en opzet is en wat het verschil is tussen een ongeluk en een moord) beter speelde dat hij ooit had gespeeld.’

    Met wie kan hij zijn verhaal delen? Hoe moet hij het Noodlot behagen?

    Het jojospelen geeft hem rust. ‘Dat is wat de jojo / … / betekent, hoe je hand er stabiel van wordt en hoe het spel patronen tekent waarin je orde vindt die je beschermt tegen de chaos en de drukte van dingen. Hij weet dat elke truuk een spinnenweb is en binnen het spinnenweb heeft elke draad zijn functie, het is een veilig web en als je het eenmaal onder de knie hebt, ben je tevreden en een poosje gaat het goed met je, dan kun je je truuk oefenen en erin wegkruipen alsof jij de spin bent en het web je hele wereld is.’

    Maar het loeit in zijn hoofd, want het ongeluk draagt hij als een last met zich mee. ‘Het voelt in zijn hoofd alsof een witte haai een school robben binnenzwemt /…/ De haai zwiept rond, hapt links en rechts, slingert schreeuwende robben uit de zee omhoog en naderhand drijven er half opgegeten dieren uit de zee omhoog en zwemt de haai verveeld weg van de donkerrode plas in het water.’

    Het verhaal krijgt een nieuwe wending als hij vanuit Londen bezoek krijgt van een jong meisje dat ook jojo speelt. ‘Ik heet Doris Steyn en in London ben ik Dipping Doris. Ik jojo.’ Zij haalt hem over samen met haar een vintage jojotour in Europa te doen.

    De roman is ook het verhaal van Snaartjie Windvogel, van de dode kreeftinspecteur en van adelborst Eenslie Maree. De diverse verhaallijnen meanderen door het boek en komen uiteindelijk op een knappe manier bij elkaar. Voor allen geldt: ‘We dragen allemaal een last met ons mee, nietwaar?’

    Het boek staat vol met schitterende zinnen en beelden. Mooi is dit:  ‘Zijn vader stond in de keuken, blies zijn koffie koud, goot hem op het schoteltje en slurpte uit het schoteltje terwijl hij over de koffie heen met een knipoog naar Ludo keek.’

    Het gaat over hoe nieuws zich verspreidt in een kleine gemeenschap : ‘In dit dorp valt een verhaal als een lucifer in droog gras en het knettert een pad open alsof er veel wind achter het vuur zit.’

    De zinnen hebben een mooie cadans, veelal zijn ze met elkaar verbonden door ‘en’: ‘Hij loopt tot aan het water en hij heeft geloof en is lichtvoetig.’

    Terug naar Couperus. ‘O, hoe pijn, fyziek pijn deed dat soms, die stekel in het vleesch van haar hart.’ In Klimtol: ‘het hart /trekt/ die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Klimtol is een rijk boek, een boek met diverse hoofdpaadjes en veel kurkentrekkerpaadjes.’
    Een prachtige, sfeervolle roman.

     

  • Betoverend mooi

    Betoverend mooi

    ‘Ik wilde mijn oude leven niet meer. Ik had me verheugd op een nieuw leven. Ik had gedaan alsof het een leven met haar zou zijn.’

    De Duitse jurist en schrijver Bernard Schlink laat opnieuw zien dat verbeeldingskracht in combinatie met goed verzorgd proza kan leiden tot een weergaloos mooie en betoverende roman.

    De roman heeft een heldere opbouw: het eerste deel zet boeiend uiteen wat voorafgegaan is aan het moment dat het hoofpersonage voor het eerst na veertig jaar het schilderij ‘De vrouw op de trap’ ziet. Hoewel het grotendeels verhalend van karakter is, wordt het toch nergens saai, wat mede te danken is aan het heen en weer flitsen tussen veertig jaar geleden en het heden in het verhaal.

    Een niet meer zo jonge Duitse advocaat met een glansrijke carrière is voor juridische onderhandelingen in Australië en krijgt het verzoek een schilderij te komen bekijken. Dit schilderij is na veertig jaar zoek te zijn geweest onlangs in bruikleen gegeven aan de Art Gallery in Sydney. Irene, de ‘eigenaresse’ van dit beroemde schilderij, brengt niet zonder reden het doek naar buiten: zij, de geportretteerde jonge vrouw die naakt de trap afdaalt, is terminaal ziek. Ze weet dat de drie mannen die vroeger een grote rol hebben gespeeld in het conflict met betrekking tot het schilderij èn de afgebeelde vrouw, gretig op het schilderij zullen afkomen; en dat zij er alles aan zullen doen om haar te vinden. De mannen om wie het gaat zijn: haar toen al wat oudere echtgenoot, de succesvolle zakenman Gundlach, die de opdracht voor het schilderij had gegeven en het niet kon verkroppen dat Irene er met de schilder vandoor ging en daarom keer op keer ‘De vrouw op de trap’ vernielde; de schilder Schwind, die later wereldberoemd zou worden en er geen moeite mee had zijn minnares te verruilen voor zijn schilderij; verder de beginnende, ambitieuze advocaat die het contract van deze ‘ruil’ opstelde en die Irene – op wie hij inmiddels hopeloos verliefd was geworden – op de hoogte stelde van de gesloten overeenkomst tussen man en minnaar. Dank zij de hulp van de advocaat ontsnapt Irene met het schilderij en vanaf dat moment is en blijft zij spoorloos.

    Hevig ontroerd na het zien van het schilderij laat de advocaat uitzoeken waar Irene zich bevindt. Hij annuleert zijn terugvlucht, want hij wil niets liever dan deze vrouw opnieuw zien en van haar horen waarom zij hem zonder een woord te zeggen, heeft laten zitten. In afwachting van wat dit onderzoek oplevert, geeft hij zich over aan zijn herinneringen: zijn eerste kennismaking met Irene, met de kinderlijke schilder en de cynische echtgenoot; de diefstal van het schilderij en de vlucht van Irene; zijn huwelijk waarvan hij op dat moment nog niet inziet dat het geen succes was. (Toen hij van de politie vernam dat zijn vrouw zich had doodgereden tegen een boom, terwijl zij dronken achter het stuur zat, snapte hij in al zijn rechtlijnigheid niet waarom zijn vrouw aan de drank was. Hij had toch altijd het meest verkieslijkste gedaan? Had hij zijn kinderen niet voor hun eigen bestwil naar een internaat in Engeland gestuurd?)

    In het tweede deel waarin de spanning meteen wordt opgevoerd, wordt een eerste aanzet gegeven tot de karakterontwikkeling van de advocaat. Hij komt als eerste aan in de baai, waar Irene zich teruggetrokken heeft, een uur varen vanuit de ‘bewoonde’ wereld. Hun eerste gesprekken verlopen uiterst moeizaam. Tenslotte vertelt Irene waarom zij besloot te verdwijnen: zij had er genoeg van zich een rol te laten opdringen. ‘Nu sprak ze met openlijke minachting. “Voor Gundlach was ik de jonge, blonde, fraaie trofee waarvan alleen de verpakking van belang was. Voor Schwind was ik inspiratie, ook daarvoor volstond de verpakking. Toen kwam jij. De derde stompzinnige vrouwenrol; na het vrouwtje en de muze kwam de in gevaar verkerende prinses die door de prins wordt gered. Opdat ze niet in handen van de schoft valt, neemt de prins haar in zijn handen. Want in de handen van een man hoort ze nu eenmaal.”‘
    Een paar dagen later arriveren Gundlach en Schwind. Het geruzie over het schilderij begint hier weer van voren af aan en al gauw blijkt dat schilder en ex-echtgenoot geen haar veranderd zijn en nog meer dan vroeger van zichzelf overtuigd zijn. Dat Irene ernstig ziek is, lijkt hen niet te raken. En zodra zij hun duidelijk maakt dat er bij haar niets te halen valt (zij heeft het schilderij inmiddels geschonken aan het museum), maken de twee zich snel uit de voeten. De advocaat daarentegen laat zijn hart spreken en gaandeweg, terwijl hij haar liefdevol verzorgt en zij zich laat verzorgen, bloeit er iets moois op tussen hen. Mooi en ontroerend zijn de passages waarin een trap voorkomt: ‘Ze keek mij aan en ik sloeg mijn rechterarm om haar heen, ondersteunde haar met mijn linker en hielp haar de trap op.’
    (Inmiddels zijn we in het derde deel beland.)
    De twee naderen elkaar zo dicht als mogelijk is gegeven de omstandigheden, totdat Irene sterft en de advocaat in alle eenzaamheid achterblijft. De schrijver heeft er dan inmiddels wél voor gezorgd dat de lezer de advocaat een plaatsje in zijn hart heeft gegeven.

    Zonder het al te dik erbovenop te leggen heeft Schlink in zijn roman elementen van een klassieke tragedie gelegd, waarbij vooral dit element in het oog springt: de (anti-)held die buiten zijn schuld, maar door zijn karakter en het daaruit voortvloeiende gedrag in het ongeluk wordt gestort, en helaas pas tot inzicht komt als alles verloren is. In de roman is de advocaat onze (anti-)held. Op juridisch terrein wordt alles wat hij aanpakt een groot succes. Maar op het menselijk vlak brengt hij niets klaar. Doordat hij de mensen in zijn onmiddellijke omgeving niet begrijpt en slechts kan oordelen en veroordelen (hij had liever rechter willen worden), verliest hij zijn vrouw, heeft hij geen contact met zijn kinderen en is hij zonder vrienden. De lezer is getuige van het pijnlijke proces dat de advocaat doormaakt wanneer het eindelijk tot hem doordringt dat zijn leven tot dan toe ongelukkig is geweest en dat hij zelf daarvoor verantwoordelijk is. (‘Van meet af aan was er een glazen ruit die ervoor zorgde dat ik de anderen niet werkelijk bereikte, niet mijn vrouw, niet mijn kinderen, niet mijn vrienden. Ik was altijd op mijzelf geweest. Ik moest alweer – maar de vorige avond had ik al genoeg gehuild.’)

    In een tijdsbestek van veertien dagen – hij maakt expliciet melding hiervan wanneer hij zich realiseert dat sinds zijn aankomst in de baai en de dood van Irene, precies veertien dagen zijn verstreken – heeft de advocaat door de gesprekken met Irene zichzelf leren kennen en weet hij één ding zeker, namelijk dat hij zijn oude leven niet meer wil.

    Thuisgekomen in Duitsland gaat de advocaat verder op de ingeslagen weg: ‘Vandaag zou ik naar het kerkhof gaan en met mijn vrouw praten. Ik wilde om vergeving vragen.’

    Alle lof ook voor de vertaalster Gerda Meijerink die een prachtige vertaling maakte waardoor niets van de stijl en de sfeer van het origineel verloren is gegaan.

     

     

  • Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks 

    Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks 

    Hoe reageer je als je hoort dat je man is omgekomen bij een auto-ongeluk? De zevenentwintigjarige Roxy, hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Esther Gerritsen, verneemt het nieuws gelaten. Ze gaat weer naar bed, probeert te slapen en belt ’s morgens aarzelend haar kennissen en naaste familie op. De dagen erna blijft ze koel, vooral wanneer ze erachter komt dat er in de aangereden auto van haar man een jonge vrouw aanwezig was, met wie hij al maanden een verhouding heeft.

    Roxy is een ongrijpbaar personage. Ze voelt zich het meeste op haar gemak wanneer ze haar omgeving van een afstandje kan observeren, zonder er echt deel van uit te maken. Daarom trekt ze zich terug op de zolderkamer van haar villa, waar ze in alle rust aan haar autobiografische verhalen kan schrijven. Roxy’s familie en kennissen proberen haar zoveel mogelijk te steunen. Haar ouders, met wie ze een problematische relatie heeft, trekken bij haar in om de leegte op te vangen die er na Arthurs dood is ontstaan. Jane, Arthurs secretaresse, en Feike, de oppas van Roxy’s dochter Louise, zorgen ervoor dat Roxy alle tijd en ruimte heeft om haar verdriet te verwerken. Maar Roxy hoeft helemaal niets te verwerken. Het bezoek van haar ouders komt haar voor als opportunistisch; in een huis dat van alle gemakken is voorzien, willen haar ouders, die een bescheiden bestaan leiden in Brabant, maar al te graag verblijven. De ruimte die ze van Jane en Feike krijgt, ziet ze als een persoonlijke bevrijding. Ze kan wraak nemen op de man die haar bedrogen heeft.  Roxy gaat ver in het loslaten van de verantwoordelijkheden. Het regel- en papierwerk voor de begrafenis en de verzekering laat ze volledig aan Jane over, die zich steeds meer verbaast over de onkunde en onverschilligheid van de kersverse weduwe. Feike neemt de zorg voor Louise voor haar rekening. Wanneer Roxy zelf een keer voor haar dochter moet zorgen, zet ze haar voor de televisie en heeft ze een ‘neukpartij’ met de jonge begrafenisondernemer.

    Roxy stelt voor om een gezamenlijke reis naar Frankrijk te maken, die alle dames in staat stelt om even bij te komen van alle stress en hectiek. Maar de spanningen lopen op wanneer Roxy haar verantwoordelijkheden als moeder en weduwe steeds meer op de anderen afschuift.

    Qua thematiek lijkt Roxy op Hannah Loontjes’ Misschien wel niet, dat eveneens gaat over de verhouding tussen de persoonlijke vrijheid en de verantwoordelijkheden van de moderne vrouw. Het gezin is fijn en veilig, maar het belemmert ook je mogelijkheden. De nieuwsgierigheid naar het Andere blijft bestaan, vreemdgaan ligt op de loer. In Misschien wel niet is het de vrouwelijke hoofdpersoon die haar heil zoekt in een Facebookrelatie met een onbekende Marokkaanse Nederlander. Ze weet dat het eigenlijk niet goed is, maar ze kan het niet laten. In Roxy is het eerst Roxy’s man die veelvuldig een scheve schaats rijdt en daarna, als Arthur is overleden, pakt Roxy uit. Ze geniet van de macht die ze over mannen heeft. Maar ook die ingeslagen richting biedt weinig soelaas. Moet ze dan maar een goede moeder zijn voor haar dochter, die ze steeds meer uit het oog verliest?

    Het is knap hoe Gerritsen de spanning opbouwt naar de uitbarsting aan het einde van de reis, wanneer Roxy’s innerlijke demonen tot uiting komen. Zo gaan de vrouwen aanvankelijk als vriendinnen met elkaar op vakantie, maar slaat de sfeer geleidelijk om in afgunst, onbegrip en vijandigheid. Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks, die informatie geven over Roxy’s moeilijke jeugd en haar relatie met de dertig jaar oudere Arthur. Ook Gerritsens vergelijkingen zijn treffend en mooi, vooral met betrekking tot de driejarige Louise. ‘Louise gaapt zonder gêne, zo mooi als dieren dat doen’. En: ‘Louise lacht (…) even hard en net zo lang als de anderen, want Louise is drie en doet graag mee zoals de vogels die in formatie vliegen. Nooit is er één die zo nodig bijzonder moet zijn en een andere kant op wil’.

    In haar vergelijkingen toont Gerritsen zich een scherp observator, zoals ze ook in haar columns en eerdere romans heeft laten zien. Roxy is een goede roman, geschreven in korte, heldere zinnen en gezegend met een ijzersterke structuur. Maar doordat de kwetsbare kant van Roxy zo onderbelicht blijft, wekt ze in de loop van het verhaal vooral irritatie op. Roxy gedraagt zich als een verwend kind dat niet kan kiezen uit het aanbod in de snoepwinkel. Wanneer een opmerking van haar niet in goede aarde valt, keert ze de anderen haar rug toe en voelt ze zich buitengesloten. Ze vraagt haar vader om haar te komen ophalen in het zuiden van Frankrijk, maar als hij na dagenlang reizen is aangekomen, besluit ze toch naar haar dochter te gaan. Iedereen om haar heen doet zijn best haar te helpen, maar ze toont amper dankbaarheid. Misschien hoort het allemaal bij het karakter van een vrouw die nooit op eigen benen heeft gestaan, maar sympathiek is het niet.

     

     

  •  Ontmoeting in foto en gedicht

     Ontmoeting in foto en gedicht

     In het herfstnummer van poëzietijdschrift Awater merkt Jeroen Kan (voormalig presentator van VPRO’s De Avonden ) op dat het in een interview met een dichter steeds meer gaat over het leven van de dichter, dan over zijn werk. Dat de dichter, die liever over zijn werk praat dan over zijn veranderde leven sinds de kinderen de deur uit zijn, alleen nog terecht kan bij Brands met Boeken. Een dichter, dood of levend, verdient volgens hem meer aandacht bezijden de waarheid van elke dag.
    De stadsdichter is, zoals we die kennen sinds de tijd dat er een Dichter des Vaderlands werd benoemd, bij uitstek een dichter die niet over zijn eigen sores of geluk dicht.

    In Ik voel me verf  gaat het om de gedichten en de foto van de dichter, verder niets. Portretfotograaf Joost Bataille vond vijftig (voormalige) stadsdichters die hij portretteerde voor zijn project. Eerst benaderde hij Sylvia Hubers, (ex) stadsdichter (Haarlem) met de vraag of ze voor hem wilde poseren en daar dan een gedicht over wilde schrijven. Ze antwoordde: ‘Gefotografeerd worden roept altijd iets op, ik zou dat kunnen proberen.’ De foto van Hubers is genomen tegen een water achtergrond, een meer of plas. Zij heeft de handen diep in de zakken van haar donkere winterjas, haar hoofd iets scheef opzij geneigd, om de mond een glimlach die het net niet redt. Zij kijkt de fotograaf recht aan: (…) Klik maar / er staat niet wie er staat / (…) Laat zien dat je je camera opbergt. / Je tas open – tas dicht // en zie hoe de waarheid zich / langzaam laagje voor laagje op een gezicht terugzet’.

    Eke Mannink, stadsdichter van Zutphen, voelde zich verf, (de titel is aan haar gedicht ontleend). ‘verf’ ik ben een levend schilderij / dat door jouw oog ontstaat / je duwt en trekt je schildert mij / ter plekke hier op straat (…).
    De gedichten getuigen hoe zeer men zich bekeken voelt. In het beeld hebben ze allen iets van betrapt zijn in een moment dat ze zelf niet geschikt achtten om gezien te worden. Maar de fotograaf wist wanneer hij af moest drukken. Ester Naomi Perquin voelde zich er ongemakkelijk bij: ‘Dag Joost’ / (…) Toen keek ik naar de foto’s en / ik zag die ogen van mij, dat achterdochtige. Het is onnatuurlijk om jezelf / aan te kijken. Ik dacht bovendien: ‘Je bent niet alleen snotverkouden, je bent nog lelijk ook.’ (..) die ik mooi vind is de laatste zwartwitte, / waarop ik je direct aankijk, dwars door die malle lens heen. (…) Er gaat een soort vanzelfsprekende intimiteit vanuit, die helemaal niet vanzelfsprekend was.

    Van de geportretteerde dichters doet geen enkele zijn best er op zijn best uit te zien. In hun blik licht iets ongemakkelijks, van geobserveerd worden.  Het levert stuk voor stuk mooie gedichten op. De één afstandelijker dan de ander, maar allen zijn zich bewust van de interactie tussen fotograaf en zichzelf. Joke van Leeuwen dicht het los van zichzelf door, terwijl ze poseerde, haar omgeving te observeren: (…) Een moeder met een kind blijft staan. Het kind wil / kijken naar hoe iemand kijkt als die naar iemand / kijkt die naar hem kijken moet, hoe iemand knielt / zoals de juf doet om een jas los te knopen. 

    Waarnemingen met pen en lens, die gelezen kunnen worden als ‘buitenkant die binnenkant’ bloot geeft. Duidelijk is dat we onszelf nooit zien zoals de ander (fotograaf) ons ziet. En dat wrikt dan een beetje. In de gedichten wel te verstaan. Ik voel me verf is een mooi vormgegeven boek waarvan de cover warmer goudgeel van kleur is dan de hierbij weergegeven afbeelding. Op de linkerbladspiegel staan de gedichten, op de rechter de portretfoto. Zo naast -, of beter gezegd tegenover elkaar is het niet net alsof, maar zíjn ze met elkaar in gesprek: de fotograaf en de dichter. Het is een prachtboek geworden, met  ontmoetingen die er niet om liegen. Zoals Marieke van Leeuwen (stadsdichter Dordrecht) dicht: (…) hij spiegelt mij. Vijftig dichters, bekende en minder bekende, oudere en jonge maar allen opmerkelijk.



    Voor meer informatie kijk op Zuurkool met worst.

     

  • Vluchten in je fantasie

    Vluchten in je fantasie

    De Noorse schrijfster Herbjørg Wassmo (1942) debuteerde in 1972 met de dichtbundel Vingeslag. In 1981 brak ze met de Tora-trilogie door als auteur. Inmiddels heeft Wassmo ruim een dozijn boeken op haar naam staan die in verschillende landen bestsellers werden. Ook ontving zij meerdere onderscheidingen. Het huis met de blinde serre is het eerste deel van de bekroonde reeks over het meisje Tora. Onlangs verscheen het opnieuw in een kleine uitgave in de Colibri-bibliotheek.

    De 12-jarige Tora woont rond 1955 met haar moeder in een vissersdorpje in het noorden van Noorwegen. Met een enorm inlevingsvermogen beschrijft Wassmo het leven van dit meisje dat 10 jaar na de oorlog nog steeds ‘dat moffenjong’ blijft. Tora is geboren uit een relatie tussen een vissermeisje en een Duitse officier en in het dorp waar ze woont wordt zij uitgescholden en buiten gesloten. Van haar willoze, getraumatiseerde moeder hoeft zij geen steun of liefde te verwachten. Tora’s moeder is hertrouwd met een werkloze alcoholist die in de gevangenis heeft gezeten. Terwijl moeder hard werkt op de visafslag en als schoonmaakster, misbruikt haar stiefvader Tora. Tora durft niemand in vertrouwen te nemen. Het verdriet en de eenzaamheid van dit meisje zijn aangrijpend en invoelbaar beschreven. Vooral het gevoel van onveiligheid zowel thuis als in het dorp overheerst en is beklemmend.
    De macht die stiefvader Hendrik over haar heeft is alles overheersend.
    ‘Toen had ze begrepen dat Hendrik de sterkste was.’ (10) ‘En Tora wist dat de sterkste de dienst uitmaakte en altijd gelijk had. Het was belangrijk om te weten wie de sterkste was. Hendrik was de sterkste.’(26)
    Hendriks dreigende aanwezigheid maakt Tora’s leven ondraaglijk. Altijd let hij op haar en ze leert zich zelfs aan in zijn bijzijn alleen het het allernoodzakelijkste te eten. Alleen zijn blik al doet haar knoeien met haar eten en hem in woede uitbarsten. Maar het ergste is het misbruik. ‘Handen. Handen die in het donker kwamen. Dat was het gevaarlijkste.’(10)

    Tora wordt steeds zwijgzamer en ze bezwijkt bijna onder de schuldgevoelens. Heel langzaam verliest ze alle contact met haar omgeving. Haar enige ontsnapping zijn haar fantasie en de wereld in haar boeken. Een ander lichtpuntje in haar zwarte leven is haar tante Rakel. Deze zus van haar moeder is ongewild kinderloos en biedt Tora warmte. Al snakt Tora naar de liefde van haar ongrijpbare moeder en niet die van haar tante. Daarom fantaseert Tora vaak dat Rakel haar echte moeder is. Net zoals ze droomt over een vader in het verre Berlijn en het leven van haar mooie lerares op school.

    Het huis met de blinde serre is een zwaar boek, maar het wordt nergens naargeestig. De beklemming knijpt je keel af en toe dicht. Dat komt vooral door Wassmo’s schrijfstijl; als knap vertelster suggereert ze meer dan ze benoemt. Ook de rake, intense beschrijvingen van het rauwe Noorse leven in een kleine gesloten gemeenschap dragen bij aan die beklemming. Als lezer kruip je dicht op de huid, of beter gezegd zelfs onder de huid, van meisje Tora en dat maakt dat je wilt weten of zij het redt. Dat is een voordeel van deze heruitgave: de overige delen uit de trilogie zijn al verschenen zijn, lang wachten op het antwoord hoeft dus niet.

     

  • Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Het zou oneerlijk zijn om Aimée de Jongh een belofte te noemen. Hoewel ze de weg van twintig naar dertig jaar pas halverwege heeft afgelegd, heeft ze al ruimschoots bewezen wat ze kan: de lezers van Metro lezen haar strookstripje Snippers en wie haar afstudeerfilm One past two niet kent, moet die maar gauw op internet gaan opzoeken en dan zal het duidelijk zijn: De Jongh is een gerijpt striptekenaar en animator.

    Het maken van een grote beeldroman stond nog altijd op haar verlanglijstje. Nu De terugkeer van de wespendief verschenen is, kan ze ook dat afvinken. Centraal in het verhaal staat Simon, een wat tobberige man. Hij heeft uit plichtsgevoel het boekhandeltje van zijn vader overgenomen, maar de zaak dreigt ten onder te gaan. Hij krijgt een bod, maar daar wil hij niet op ingaan. Het plichtsgevoel, immers.

    De opslag van de boeken bevindt zich in een boshuis, dat ook een soort bunker is, waarin Simon zich kan terugtrekken: de buitenwereld bestaat dan niet meer. Hij is er alleen met zijn boeken. En met zijn binnenwereld. Die plaatst hem terug naar zijn schooltijd, waar hij het enige vriendje was van het gepeste jongetje Ralph. Ralph wil daar voor eens en voor altijd een eind aan maken, maar voor hij daartoe kan komen, vindt hij de dood.

    Als Simon dan ook nog eens getuige is van de zelfmoord van een vrouw, die op de rails gaat staan, is alles in hem omgewoeld. Hij voelt zich schuldig: had hij de dood van Ralph en van de vrouw niet kunnen voorkomen?

    Gelukkig is er het meisje Regina, dat hem om hulp vraagt, omdat ze voor Nederlands een werkstuk moet maken over magisch realistische schrijvers. Het magisch realisme is De Jongh niet vreemd. Haar film One past two is een variant op De laatste trein van Johan Daisne en ook in De terugkeer van de wespendief neemt het verhaal een wending die boven de aardse logica uit gaat.

    Dat had De Jongh er niet zo dik bovenop hoeven te leggen. Met dat werkstuk krijgen we al een flinke por in de ribben en aan het eind van het boek houdt Simon ook nog eens het boek Magisch Realisme in de literatuur en schilderkunst in handen. Ook Nabokovs Lolita, overigens en dat is ronduit grappig: broeierig wordt het tussen Simon en Regina nergens.

    Ook zonder de duidelijke hints had de lezer wel begrepen dat er ‘iets’ met Regina is: aan het eind van een gesprek met Simon is ze plotseling verdwenen en ze is ook erg wijs voor haar leeftijd.

    De terugkeer van de wespendief is een troostrijk boek. Het gaat over de mogelijkheid om opnieuw te kiezen en opnieuw te beginnen. Zoals de wespendief -een havikachtige vogel-, die een nieuw leven begint als zijn partner niet terugkomt. Aan het verleden is niets te veranderen, maar je hoeft niet altijd de last van je verleden met je mee te sjouwen.

    Aan het eind van het boek draait Simon de deur van het boshuis op slot. Daarmee zet hij ook een punt achter de boekhandel. Hij voelt zich niet meer gebonden aan de belofte aan zijn vader.

    Het lijkt erop dat er, wat de boeken betreft, meer meespeelt. Als kind al verstopte Simon zich tussen de boeken op de dag dat zijn vriend Ralph omkwam, en het wegduiken in zijn vogelgids was misschien ook wel een manier om zich te onttrekken aan het dagelijkse leven.

    Ook de boeken in het boshuis voeden Simons escapisme. Door de boeken worden zijn herinneringen wakker geroepen. Dat zijn niet alleen maar prettige herinneringen, maar ze voeren hem wel weg van het heden, waarin het faillissement dreigt.

    Op het moment dat Simon het boshuis afsluit, sluit hij een ontsnappingsroute. Hij kijkt naar zijn vrouw en naar de toekomst die ze samen in gaan. Hij loopt niet meer voor het leven weg

    Aimée de Jongh heeft in de De terugkeer van de wespendief geen gebruik gemaakt van kleur: alle tekeningen zijn met inkt, in zwart-wit. Karakteristiek voor De Jongh is dat de ogen getekend zijn met ‘drijvende’ pupillen, zonder dat de iris getekend is.

    Een enkele keer is het perspectief niet helemaal gelukt: bij het een blik van bovenaf, worden personen soms wel erg kort en soms heeft De Jongh de ruimte vergroot (in een klaslokaal, in een auto) om wat beter uit de voeten kunnen.  Maar eigenlijk gaat het daar niet om.

    Alle nadruk ligt op de verhaallijn en De Jongh weet het verhaal goed te vertellen. Het kost je geen enkele moeite om je mee te laten slepen met het verhaal en je te identificeren met Simon. De helderheid die De Jongh altijd in haar tekeningen brengt, heeft ze ook in haar manier van vertellen. Die helderheid doet trouwens niets af aan de gelaagdheid van het verhaal. Na het lezen van deze beeldroman, blijven de wespendieven nog lang boven je cirkelen.

     

     

  • Zowel de herinnering als het vergeten

    Zowel de herinnering als het vergeten

    Op een brug in Parijs, bij nacht, de mist speelt om de lantaarns, staart een man in de Seine. De foto is gedrukt in nachtblauw en zou een still uit de film Les amants du Pontneuf kunnen zijn, een film in mistflarden, bij nacht opgenomen over twee geliefden die door Parijs zwerven. Het beeld is echter de omslagfoto van Patrick Modiano’s laatste roman Nachtelijk ongeval (Accident Nocturne). Mist wordt in Franse film veelvuldig gebruikt om een sfeer op te roepen waarin ook dat wat er gebeurt niet vastomlijnd en helder omschreven meer kan worden. De ‘nocturne’ uit de Franse titel is ook een door onder meer Chopin ontwikkelde discipline van een wat onomschreven, de nacht evocerend pianostuk. Modiano past in de roman een literair procédé toe waarbij ongewisheid ten dienst staat van het uitmeten van een groot literair thema: dat van de verloren jeugd, de verloren geliefde of de onbenaderbare herinnering.

    Op een nacht wordt de hoofdpersoon in Parijs aangereden door een dame in een zeepgroene Fiat, hij raakt gewond en zij raakt gewond. Ze brengen samen enige tijd door, zwijgend bij een politiebureau en een eerste hulppost. In het ziekenhuis waarin de hoofdpersoon belandt begint een hallicunante tocht naar een door de schok terugkerend verleden. Hij herinnert zich allereerst dat ooit een hond werd doodgereden, op net zo’n nacht, net zo’n weg. De geur van de kliniek brengt hem een ander ongeval in het geheugen, waarbij net zo’n dame betrokken was. “Toen ik die middag de kliniek verliet, volgde ik de Seinekade in de richting van de Pont Grenelle. Ik probeerde me te herinneren wat er indertijd was gebeurd nadat ik bij de zusters was ontwaakt. De kamer met de witte muren waar ik toen lag leek op de kamer in de Mirabeau-kliniek. En de geur van ether was dezelfde als die in het Hôtel-Dieu. Dat kon me helpen bij mijn naspeuringen. Men zegt dat de geuren het verleden het sterkst doen herleven, en die van de ether heeft altijd een merkwaardige uitwerking op me gehad. Voor mij was het bij uitstek de geur van mijn kindertijd, maar doordat hij was verbonden met slapen, terwijl ook de pijn erdoor werd uitgewist, liepen de beelden die hij opriep meteen weer door elkaar. Waarschijnlijk had ik daarom zulke vage herinneringen aan mijn kindertijd. De ether stimuleerde zowel de herinnering als het vergeten.”

    Dit is meteen een cruciale beschrijving van wat Modiano zorgvuldig blijft doen in deze roman, de herinnering even tonen en meteen weer verhullen. De dame werd gechapponeerd door een ‘forsgebouwde vent’ die hem een verklaring laat tekenen en hem nadien een flink bedrag in handen drukt. De hoofdpersoon is juist in die periode in de ban van ene Bouvière, een café-goeroe van wie hij later aan de Seine in een boekenstal de omineuze titels: Het verhullende geheugen en De leugen en de bekentenis vindt. Tijdens die bijeenkomsten leert hij een meisje kennen waarmee hij spreekt over Bouvière en later gaan ze samen naar hotels waar ze steeds ander namen opgeven. Ze is pianodocente, en laat alle studenten hetzelfde stuk instuderen, De Bolero van Hummel. – – Bolero, muziekstuk waarin een eenvoudige melodie eindeloos herhaald wordt. J. N. Hummel beïnvloede Chopin.- In de nocturne die dit boek is worden ‘de nacht evocerende’ delen aaneengesmeed. “Ik vraag me af of ik vlak voor het ongeval soms net Hélène Navachine naar de trein in het Gare du Nord had gebracht. Op den duur knaagt de vergetelheid grote delen van ons leven weg, en soms ook piepkleine tussenliggende stukjes. En door de schimmel op die oude filmrol ontstaan er sprongen in de tijd, zodat gebeurtenissen waar eigenlijk maanden tussen lagen vlak na elkaar of zelfs gelijkertijd lijken te hebben plaatsgevonden.”
    Dit is de essentie van een bepaald soort literatuur: door ons mankerend geheugen gaan zaken verband met elkaar houden, dingen van nu lijken op dingen van vroeger. Je vraagt je af waar je een vrouw van kent (Een liefde in Parijs, Remco Campert) Je blijft op zoek naar een meisje waar je ooit verliefd op werd (Le grande Meaulnes, Alain Fournier).

    De roman Nachtelijk ongeval is een sfeervolle uiting van dit thema: wat verloren lijkt is er nog. En voor wie gevoelig is voor de fascinerende werking van het geheugen biedt het boek veel. Voor wie het na een paar keer wel een klein beetje zat wordt wellicht iets te veel: ‘Ik heb [in het aquarium] heel lang naar de vissen achter het glas gekeken. Hun lichtgevende kleuren deden me ergens aan denken. Ik was hier ooit mee naar toegenomen maar ik zou niet hebben kunnen zeggen wanneer dat precies was.’

    Modiano werd voor zover ik weet in Nederland door Rudy Kousbroek ontdekt. Over zijn debuut La Place de l’Étoile schreef hij in zijn Anathema’s I (1969) ‘Het lezen van La Place de l’Étoile is het best te vergelijken met de belevenis om in een ton, die aan de binnenkant van spijkers wordt voorzien, van een berg af te worden gerold.’
    Modiano heeft een ander uitwerking gekregen, de ton is met warme dekens bekleed, je hebt een flesje rum bij de hand en dobbert lekker mijmerend over de Seine.

     

     

    Deze recensie verscheen op 15 november 2004 op deze site en herplaatsten wij naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Patrick Modiano op 9 oktober 2014.

    Nachtelijk ongeval is indertijd bij Meulenhoff in 2004 verschenen in een vertaling van Maarten Elzinga.

  • Nagelaten werk Tip Marugg en de andere kant van cult-schrijver Nanne Tepper

    Nagelaten werk Tip Marugg en de andere kant van cult-schrijver Nanne Tepper

    Een schrijver die vermeld wordt in De Parelduiker is óf een overleden óf een in de vergetelheid geraakte schrijver waarvan het grote publiek veelal geen weet heeft. De Parelduiker brengt daar verandering in door steeds iets uit de diepe literaire wateren op te duiken waar geen mens naar zocht maar dat je, wanneer je het in handen (onder ogen) hebt, als een waardevol gegeven koestert.

    De samenstellers Aart G. Broek en Wim Rutgers van Verzameld werk (1945 – 1995) van Tip Marugg (1923-2006),  gingen ervan uit dat al het werk van Marugg tussen deze tijdspanne bekend was en door hen ingezien. Maar er werden dozen vol krantenknipsels gevonden waarvan ze het bestaan niet kenden. Daarover in De Parelduiker 3 van dit jaar.
    In de laatste Parelduiker van 2013 een stuk over Nanne Tepper (1962 – 2012). Die in zijn tijd van debuteren net zo veelbelovend was als Arnon Grunberg. Depressies hielden hem weg van zijn ‘grote’ werk. Hij schreef enkel nog columns en muziekrecensies. De betekenis van ‘veelbelovend’ niet waarmakend maakte hij op vijftig jarige leeftijd een einde aan zijn leven.

    Aart Broek beschrijft in hoeverre een verzameld werk compleet, of liever incompleet is. Er kan altijd nog iets boven water komen waarvan de samenstellers geen weet hadden. Zo ook het geval met het werk van Marugg. Broek en Rutgers hadden toegang tot al het werk van Marugg dat in omloop was. De familie evenwel is er van overtuigd dat het werk dat hij in portefeuille hield, niet zonder meer gepubliceerd mag worden. Marugg heeft aangegeven dat wat niet voor derden bestemd is, hij bij zijn leven verbrand zou hebben. Hier liggen dus nog enkele stukken die op de openbaarheid wachten. Wat er ook buiten beschouwing gebleven is waren dozen vol krantenknipsels, veelal recensies van theaterstukken en tentoonstellingen verzameld door een particulier. Tien jaar nadat deze dozen geschonken waren aan de openbare bibliotheek kwamen deze stukken boven water. Te laat om opgenomen te worden in het verzameld werk. Broek pleit dan ook voor een ‘krachtdadig handelen in archieven en bibliotheken ten aanzien van het verkrijgen en vervolgens toegankelijk maken’ van materiaal van belangrijke schrijvers. Mooi is het dat De Parelduiker er is en ruimte biedt aan nieuwe vondsten en wetenswaardigheden over vergeten- of schrijvers van lang her. Aldus een aanvulling op het verzameld werk van Tip Marugg, geïllustreerd met foto’s van een jonge Marugg, een afbeelding van een handgeschreven briefje (1985), opgedragen aan de vrouw van Boeli van Leeuwen, het typoscript van een enkel krantenartikel en een prachtige afbeelding van een ets van de kop van Marugg  (2013) door de Leidse beeldende kunstenaar Bert Kienjet.

    Verder in deze 3e editie van dit jaar een interessant stuk van Jaap Cohen over de literaire wereld midden jaren vijftig vorige eeuw. Boekverkoper en literair koppelaar Karel van Boeschoten hield residentie in de Huidenstraat 13 te Amsterdam, alwaar hij in 1958 de toen 25-jarige rechtenstudent Hans Ulrich (kortweg Ulli) Jessurun d’Oliveira ontving. Het jaar dat W.F. Hermans De donkere kamer van Damokles publiceerde. d’Oliveira schreef daarover een diepgravende recensie voor het blad Propria Cures waarmee hij de aandacht trok van Jaap Oversteegen die kind aan huis was bij de boekwinkel Van Boeschoten. Interessant is dat deze Oversteegen als Paul Dehoes geportretteerd werd door Voskuil in Bij nader inzien. Kijk, dat zijn mooie ontboezemingen die de liefhebber van goede literatuur graag wil weten. Oversteegen speelde een grote rol in de literaire ontwikkeling van d’Oliveira. Evenals Geert van Oorschot en Gerard van het Reve (toentertijd redactielid Tirade). Het was de tijd dat de beschouwingen van literatuur meer en meer op de persoon van de auteur werden gespeeld. Dit ook weer met mooie afbeeldingen geïllustreerd. Een Tiradecover uit 1958 met een tekening van Nico Wijnberg geeft een mooi tijdsbeeld.

    In de rubriek Laag water schrijft Nick Ter Wal over het pianospel van Ida Simons (1911-1960), de auteur van Een dwaze maagd die op de lijst van ‘opnieuw ontdekte’ auteurs van deze tijd staat. Zij was dus ook een begaafd pianiste.

    publication-567Dit mag niet onvermeld blijven: in het laatste nummer van De Parelduiker 2013 staat een mooi stuk van Jack van der Weide over de opkomst en ondergang van de Groningse schrijver Nanne Tepper. Vanaf midden jaren negentig gold Tepper als een cult-schrijver. Hij debuteerde met De eeuwige jachtvelden (1995) waarvoor hij de Anton Wachterprijs ontving en dat vier jaar later vertaald werd als The Happy Hunting Hours. In 1999 kwam zijn tweede roman De vaders van de gedachte uit, waarmee hij op de shortlist van de Libris Literatuurprijs kwam. In vier jaar tijd schreef hij vier prozawerken en een flinke hoeveelheid verhalen, essays, columns en recensies. Er werd veel van hem verwacht maar hij verdween van het literaire toneel. Hij kampte met zware depressies. In een fictief zelfportret schrijft Tepper over zichzelf: ‘Eerlijk gezegd valt de oogst me op geen enkele wijze mee, nu ik, dertig jaar oud en op het gebied van crises omtrent de eigen identiteit behoorlijk uitgeluld, mijzelf gedwongen zie een adempauze in te lassen, daar mijn gejammer nu zelfs mijn muze met stomheid heeft geslagen en mijn laatste lezer een straatje om heeft doen gaan.’ Nanne Tepper een schrijver die zichzelf van het literaire podium verwijderde. Lees ook deze Parelduiker en verrijk je met literaire berichten vanuit de coulissen geschreven.

     

    De Parelduiker is verkrijgbaar in deze boekhandels
    Kijk hier voor een  abonnement
    De Parelduiker op Facebook.

     

  • Verhalen als kogelwerend vest 

    Verhalen als kogelwerend vest 

    Een homofiele psychiater, koelbloedige politie-agente, bijdehante hoerenzoon, halfbloedje uit de jungle en een door visioenen gekwelde arts blijken ieder verweven met het leven van de naar eeuwige roem snakkende, nietsontziende wetenschapper Dokter Vidal. Wat hebben ze met elkaar van doen? En wat gebeurt er met de meedogenloze Vidal wanneer hij de wurgslang Haré in zijn handen neemt? Een tatoeëerder uit de slum onthult …

    Met Mijn lievelingsboek – haar tweede roman, eerder verscheen Mijn ogen leiden je naar huis (2011) – heeft de Tsjechische journaliste en schrijfster Pilátová (1973) een onalledaags boek afgeleverd waarin het krioelt van exotische slangen en wemelt van magie. Een fantasierijke, knap gecomponeerde raamvertelling uit de koker van het magisch realisme. Onder regie van een vertellende tatoeëerder – als de Sheherazade uit Duizend-en-één nacht – vervlechten verschillende levensgeschiedenissen zich tot één groot complex verhaal. Meanderend proza waarin Pilátová met name verrast door de wijd geschakeerde personages en afwisselende stijl. Het ene moment doorwoel je in een hotelkamer de profetische dromen van een psychiater, dan weer luister je naar bezwerende slangen of word je bewierookt met pathetisch gezang om je vervolgens in kraakheldere rauwe taal samen met een hoerenzoon en halfbloedje uit de jungle een gevaarlijke vlucht te banen door de verdorven onderwereld. Tussen de bedrijven door laat de tatoeëerder ook zichzelf nog aan het woord met bespiegelingen op de vertelsels en verhalen over zijn klanten en de eigen levensgang.

    De roman opent met het mysterieuze ‘Ik heb geen naam’. Aan het woord is een naamloze tatoeëerder – naar later blijkt de verteller – die zijn leven niet zeker is in de door drugsbendes geregeerde slum van een fictieve Latijns-Amerikaanse metropool. Voor het leeuwendeel bestaat zijn clientèle uit drugscriminelen. Met de hete adem van deze ‘narco’s’ in zijn nek (en de pistolen in hun broek) is het leven een ware beproeving. Elke morgen is het opnieuw de vraag of hij het einde van de werkdag wel zal halen. Uit veiligheidsoverwegingen kiest hij ervoor zich voor zijn tatoeages enkel te laten belonen in de vorm van voedsel, kleding of coca-bladeren. ‘Moorden op bestelling, ontvoeringen van ondernemers, lijken opgelost in vaten zuur en afgesneden hoofden ter afschrikking – dat alles gebeurde een eindje verderop.’ In dit spel op leven en dood trekt de tatoeëerder zijn eigen wapen: het vertellen van verhalen! Aan inspiratie geen gebrek met zijn stukgelezen lievelingsboek vol sprookjes. ‘De naalden dringen langzaam door in de huid en de kleur zuigt zich als een indringer met een lading pijn vast in het weefsel terwijl ik zit te vertellen, om ze af te leiden. Ik kan het me niet veroorloven mijn klanten te vervelen. Dus ben ik de beste verteller. Het is een kwestie van leven en dood.’ 

    En vertellen – já – dat doet hij. Met verbeeldingskracht en verve … Maar helaas ook met pathos, overdadige dromen en excessief bezwerend gezang.

    ‘Tussen de wortels slaapt een slang
    hij kan niet verder
    hij verzamelt krachten

    Kus zijn tong
    wees zijn ogen
    voel de wortels waarmee het begint

    […]
    ontwar die wortels, bloederig, verknoopt’

    In een samenspel van profetische dromen, magische liederen en fantasierijke verhalen maken we kennis met de diverse protagonisten die allen ergens het levenspad van dokter Vidal hebben ge- of doorkruist (en veelvuldig ook die van elkaar) – ieder treffend vormgegeven in een op zichzelf staand verhaal. Deze door velen gehate en gevreesde wetenschapper blijkt uit de dood herrezen en wonderbaarlijk getransformeerd. Daar waar vroeger enkel zijn verschijning al garant stond voor kippenvel, roept hij nu ineens ontroering op. Wat in hemelsnaam is er aan gene zijde met hem gebeurd? Al ‘luisterend’ dalen we af in de tijd.

    In de caleidoscopische afdaling vol zijpaden en meanders ontmoeten we – naast een overdaad aan slangen – onder meer een homofiele psychiater die in Polen op zoek gaat naar de wortels van zijn Joodse vader, een halfbloedmeisje uit de jungle dat de taal van slangen spreekt, een hoerenzoon die in de vlucht naar zijn vrijheid een onaangename verrassing wacht, een vurige one-night stand die ervan overtuigd is enkel te kunnen leven met Vidals armen om zich heen en een rancuneuze dochter. Gaandeweg wordt het beeld steeds completer (en complexer) van deze in zichzelf gevangen man.

    Het bestaan van de eerzuchtige Vidal, die met ijzeren vuist een slangeninstituut bestiert, kent slechts één doel: het ontwikkelen van een serum tegen huidveroudering op basis van slangengif teneinde wereldfaam te bereiken. Zelf wordt hij koud noch warm van de  martelpraktijken die het instituut hanteert om het gif te verkrijgen. Máár dan op een dag gebeurt er iets vreemds als hij Haré – een bijzondere wurgslang – vasthoudt. Honderden slangen heeft hij al door zijn handen laten gaan – meedogenloos leeggewrongen, vermoord en op sterk water gezet – maar dit exemplaar roept angst bij hem op, geeft hem instinctief het gevoel dat er iets niet klopt. Deze slang zuigt hem op met zijn ogen, er is geen ontkomen aan. ‘Hij vertrouwde het niet helemaal. Er klopte iets niet. Hij wist niet wat. […]. De handen van de dokter begonnen als de handen van een robot de lichtgekleurde huid te strelen. Hun gedachten werden één.’ 

    Zo sluipt de listige Haré – die Vidal verafschuwt maar zich tevens voor de uitdagende taak gesteld ziet deze gepantserde ziel te verlossen – met al haar bovennatuurlijke krachten het leven binnen van deze kwelgeest. Stevig is haar greep. Al gauw vallen de eerste schilfers van Vidals stalen harnas, verslapt de ijzeren vuist. Het magische breekt in in zijn werkelijkheid. De tijd is rijp voor een nieuwe dimensie. Het verlangen naar roem maakt plaats voor oorspronkelijke levenskracht. Maar eerst zal de dokter zichzelf moeten loslaten om in een allesomvattend bewustzijn van eeuwigheid te mogen herrijzen.

    Met Mijn lievelingsboek heeft Pilátová een originele, knap gecomponeerde roman afgeleverd die de metafysische dimensie van onze belevingswereld voelbaar maakt. Vertellen kan ze! Schrijven ook, deze Tsjechische Pilatova. En oh, wat een verbeeldingskracht! Maar soms ook kun je ronduit té enthousiast zijn. Eeuwig zonde is het dat Pilátová zich met de overdadige dromen, de pathos en het excessief bezwerend gezang aan haar talent heeft vergaloppeerd. Voor toekomstig werk ligt de uitdaging dan ook bij het aantrekken van de teugels, het dresseren van de verbeeldingskracht in termen van ‘Less is more’!

    Over de schrijfster

    Schrijfster en journaliste Markéta Pilátová (Tsjechië, 1973) studeerde Romaanse talen en doceerde daarna aan de Palacký-universiteit in Tsjechië en in Granada, Spanje. Ze verbleef aansluitend een aantal jaren in Brazilië en Argentinië waar ze les gaf aan Tsjechische immigrantenkinderen. Momenteel woont ze afwisselend in Tsjechië en Brazilië en werkt ze als freelance journaliste. De vertaling van haar debuutroman Mijn ogen leiden je naar huis verscheen in 2011 bij De Geus, een liefdesgeschiedenis die destijds in de pers lovend werd ontvangen. Mijn lievelingsboek is haar tweede roman.

     

  • Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Gerd de Ley, de Belgische bloemlezer zocht al in de jaren 80 contact met Komrij om hem een aantal aforismen te ontfutselen. Het kwam tot een boekje in 1986, In de geest van de gieter. Het boekje werd verramsjt en Komrij en De Ley spraken af dat ze de exercitie opnieuw zouden doen. De Ley was/is specialist in aforismenboeken en bloemlezingen. Komrij: ‘Gerd de Ley selecteert aforismen uit alles en iedereen. Je moet je in een bunker met mortiergranaten ingraven om niet door Gerd de Ley geplunderd te worden.’ Onlangs verscheen van De Ley een boekje over Carmiggelt in de Prominent-reeks.

    Leverde dat leuke tekstjes op? De titel: Tien woorden per dag, verwijst naar een uitspraak van Komrij. Hij vond dat de mens in feite aan tien woorden per dag genoeg had, mits trefzeker neergezet. Hij had het over wijsneuzigheden, die op latere leeftijd aforismen zouden kunnen worden.

    Er staan een aantal vlijmscherpe aforismen in:

    ‘Politiek. De tak van criminaliteit waarin de dader vrijuit gaat.’

    ‘Wie niets te zeggen heeft en dat voor de televisie doet, is meteen cabaretier.’

    ‘Je moet in Nederland ook nooit laten blijken dat je ergens verstand van hebt, dan word je niet meer gelezen.’

    ‘Het probleem van het antwoord is de vraag.’

    En er is veel meer scherpzinnigs te lezen in dit boekje. Maar ook veel light verse in de trant van:

    ‘Stotteren is: zingen vertaald in ‘t Hollands.’    of:

    ‘Ik houd niet van intelligente mensen. Ze zijn te intelligent.’

    Maar uiteindelijk is het is een boek om af en toe ter hand te nemen en er dan wat teksten uit op te diepen om ze op je in te laten werken. Of om er ongegeneerd uit te citeren in toespraken. Of de uitspraken te citeren op feesten en partijen. Dat is nog eens wat anders dan de teksten te debiteren van de meest geciteerde filosoof van Nederland: Johan Cruijff.

    Even iets over Komrij vertellen is niet eenvoudig. Ik schets een klein gedeelte van zijn werkzaamheden.

    Gerrit Komrij (1944-2012) was een van de meest markante verschijningen in het naoorlogse literaire wereldje in Nederland. Dat veroorzaakte hij vooral door zijn houding.

    Hij geselde zijn gehoor met vlijmscherpe teksten en joeg hele bevolkingsgroepen tegen zich in het harnas. Hij voerde een eenmansguerilla tegen de scientologykerk in Amsterdam. Daarnaast won hij een groot aantal literaire prijzen zoals de P.C. Hooftprijs, publiceerde gedichten, romans, toneel en essays en eenmaal had hij zelfs een eigen talkshow bij de VPRO. ‘Satirisch praatprogramma met publiek waarin Gerrit Komrij als Mies Bouwman door anderen vertolkte televisiepersoonlijkheden ontvangt en hen onverbloemd de waarheid zegt over hun aandeel in het aanbod van televisieprogramma’s.’ Hij noemde televisie de treurbuis. En schreef kritieken op de televisieprogramma’s in de NRC. Zijn knorrende nasale stem maakte hem  een markante verschijning en hij bezocht in Amsterdam etablissementen als Welling, achter het Concertgebouw en De Kring. Altijd in gezelschap van zijn vriend, steun en toeverlaat Charles Hofman. Met Amsterdam had hij een haat/liefdeverhouding. Zo kunnen we in de essays uit 1991 gebundeld in Het Boze oog lezen:

    ‘Nu de architectuur, na een korte en geduldig gedragen doodsstrijd, haar laatste snik heeft uitgeblazen is zij het onvervreemdbaar eigendom geworden van de al evenmin op aanwezigheid van geest gestelde gieren van de sociologie. Voor de sociologen is de architectuur een rijk en dankbaar lijkenveld.’ Gevolgd door een vlijmscherpe aanklacht tegen de zielloze nieuwbouw in Amsterdam en vooral tegen de architecten, die daarvan de schuld dragen.

    In 1984 verhuisde Komrij naar Portugal. Hij vestigde zich in Alvites. Later bewoonde hij een statig huis in de heuvels: Vila Porca de Beira.

    Hij volgde Viktor van Vriesland op als een soort gedichtenpaus. Die rol bestond uit het samenstellen van een bloemlezing van gedichten getiteld: De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en meer gedichten. De vuistdikke bloemlezing lag nog niet in de boekhandel of ook daar barstte weer een rel los. Veel dichters voelden zich beledigd omdat hun verzen niet in de bloemlezing stonden en anderen protesteerden weer omdat sommige verzen er wel in stonden, terwijl die gedichten in hun ogen weer ondermaats zouden zijn.

    In 2000 werd Komrij de eerste Dichter des Vaderlands. Een replica van de Engelse Poete Laureate, de titel die daar al sinds de middeleeuwen bestaat.

    Niet verwonderlijk dat De Ley deze excentrieke, bijna onnederlandse satiricus op zo’n rijke manier voor het voetlicht wist te brengen. De aforismen zijn gegroepeerd onder diverse rubrieken zoals:

    Komrij, definities, Nederlanders, politiek, televisie, computer, literatuur en nog veel meer. Een rijk beeld van een stormachtige man. Vreemd genoeg merk je dat het hele oeuvre van Komrij zich weerspiegelt in deze aforismen. Dat is een prestatie.

     

     

     

     

     

  • Een mooi gestructureerde puzzel

    Een mooi gestructureerde puzzel

    Als zijn vriendin Sara het uitmaakt, trekt Boris bij zijn vader Nico in. Deze probeert hem op te beuren en stelt voor om samen naar Praag te gaan. Tijdens de reis blijkt dat de introverte mannen een geheim delen dat hun leven beheerst.

    Boris Sonette is een man van weinig woorden. Hij klopt aan bij zijn vader Nico, zegt dat hij een tas bij zich heeft en dat is dat. Ook zijn vader blijkt een man van weinig woorden. Hij laat zijn zoon binnen, zonder verder iets te vragen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat de dertigjarige Boris weer thuis komt wonen. Is de band tussen vader en zoon zo sterk dat er verder geen uitleg nodig is?

    In De eerste maandag van de maand gaat het niet om woorden, maar om gedachten en acties. Of beter gezegd, non-acties. In die allereerste scène waarin Boris thuiskomt, lijkt er niets te gebeuren. Twee mannen die in een kamer zitten en niets te zeggen hebben. Maar, juist de beschrijving van de eerste scène zit vol kleine aanwijzingen over het geheim dat zowel vader als zoon hun hele leven meedragen. Die aanwijzingen zijn her en der onopvallend, in deze mooi gestructureerde puzzel van schrijver Peter Zantingh geplaatst.

    In afwisselende hoofdstukken word je meegenomen in de gedachten van zoon en vader. Boris denkt terug aan zijn relatie met Sara en vertelt over zijn werk bij de autoverzekeringsmaatschappij. Op de voorgrond van al zijn gedachten, is de gedachte aan zijn dwangneurose:

    Als je bent zoals ik, is vrijwel elk wakker moment een moment van stress. Er is altijd de gedachte dat je niet aan iets mag denken, waardoor je vanzelfsprekend alleen maar daaraan kunt denken. Er is altijd een olifant in de kamer. En iedereen om je heen doet of ze hem niet zien, omdat ze hem niet zien, en dat is dan weer omdat ze niet gek zijn, zoals jij. 

    Boris schaamt zich voor zijn neuroses en vertelt niemand er over. Sara maakte het uit, juist omdat hij niet sprak over wat hem dwarszat.

    Al denkt Boris dat niemand weet van zijn dwangen, zijn vader weet meer dan hij laat blijken. Nico’s gedachten gaan terug naar de dag dat hij Boris’ moeder leerde kennen. Hij vertelt over haar kraamdood en zijn behoefte om Boris koste wat het kost te beschermen. Maar al snel ziet hij hoe het kind zich concentreert op bepaalde handelingen, dingen lijkt te moeten afwerken in een bepaalde volgorde en hij maakt zich zorgen. Het blijken tekenen van herkenning.

    Nu de relatie met Sara uit is, stelt Nico Boris voor naar Praag te gaan zodat Boris zijn zinnen kan verzetten. De mannen zijn zuinig met woorden, beiden onbereikbaar en altijd in gedachten, zich afvragend waar de ander aan denkt.  Als Nico’s portemonnee wordt gestolen, raakt deze in paniek: hij heeft zijn pillen nodig. Nico blijkt, net als Boris, te lijden aan dwangneuroses en slikt hier medicijnen voor. Vanaf dat moment wil Boris niets anders dan controle krijgen over zijn gedachten, maar gaat tot het uiterste om dit te bereiken.

    Door de structuur van De eerste maandag van de maand van Peter Zantingh krijgen de thema’s orde en controle een mooie nadruk. Het idee dat mannen nooit praten over hun gevoelens en gedachten, wordt gebruikt om de lezer op kunstige manier te misleiden. Vader en zoon tonen hun liefde niet en spreken zich al helemaal niet uit, maar de band tussen hen is sterk en liefdevol door hun gedachten en daden. Toch blijkt, zoals Zantingh in deze roman toont, dat er ook in een warme relatie als deze, soms meer uitleg nodig is.

     

  • Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Hoe hoop te houden in Absurdistan?

    Het openbaar bestuur is het contact met de samenleving kwijt, niet alleen in het ‘verre’ Brussel, maar ook in de gemeenteraden. Dat geldt in het algemeen, maar evenzeer voor de sociaal-democratie omdat die zich drukker maakt over bestuursstructuren dan over de mensen die de maatschappij levend houden. Die voelen zich niet meer gehoord en keren zich af. Dat is de conclusie van de Zeeuwse PvdA-er Jan Schuurman Hess. Hij onderzocht de staat van democratisch en sociaal Nederland op een bijzondere manier. Hij wandelde tussen 3 februari 2011 en 2 februari 2013 door Nederland ‘tegen de geest en het tempo van de tijd in: te voet, twee dagen per week’. Op zijn pad vroeg hij aan werkers op straat, in scholen, in ziekenhuizen, aan jongeren in bushokjes, aan partijgenoten, aan vissers, bouwvakkers, zwervers, boeren, kunstenaars, winkeliers enzovoort enzovoort, hoe ze overeind bleven in het huidige Nederland en of ze zich begrepen voelden door de politiek. Hij hield op zijn website een verslag bij van zijn ontmoetingen en een neerslag daarvan is nu gebundeld in het boek Voettocht naar het hart van het land.

    ‘Ik ben geen politicus maar een betrokken waarnemer’ schrijft hij over zichzelf. En dat is inderdaad het verademende aan het boek. Hij is geen praatjesverkoper die, net als in de verkiezingstijd, door het land stapt om het verhaal van de partij uit te leggen. Hij luistert, verwondert zich, vraagt zich af wat hij doen kan, waarom het contact verloren is gegaan.

    Waar het aan ligt is niet duidelijk, maar het eerste deel van de tocht, door Zeeland, Brabant en Limburg, lijkt wel door een soort Absurdistan te voeren. In Tilburg ontmoet hij bijvoorbeeld twee Turken die al 15 en 18 jaar voor dezelfde baas werken in Nederland en plotseling een inburgeringscursus moeten doen. Onderdeel: een uitzendbureau benaderen en daar een sollicitatiegesprek voeren. Maar er blijkt geen enkel uitzendbureau te zijn dat daar tijd voor vrij wil maken.
    Of neem de vrachtwagenrijder die hij spreekt op weg naar Westelbeers. Hij rijdt af en aan voor een project om ‘natte natuur’ aan te leggen. Schuurman Hess vraagt hem hoe dat kan op zandgrond. ‘Dat begrijpt niemand’, zegt de chauffeur, ‘ik doe wat er gezegd wordt’.
    Of de orgelman in Weert. Hij zit in een project begeleid wonen en is Nederlands en Europees kampioen draaiorgel. Hij spreekt foutloos Engels en Duits. Maar hij zit al meer dan een jaar ziek thuis omdat hij verplicht is in de sociale werkplaats schroefjes aan te draaien in plaats van zijn talent bot te vieren. Schroefjes draaien kan hij niet.
    Je wordt er als lezer zwartgallig van.

    Maar boven de rivieren gekomen, vooral in Groningen en Friesland, barst het van de creativiteit in het vinden van eigen oplossingen met een neus naar de hoge heren. Nogmaals: waar het aan ligt is niet duidelijk; het kan toeval zijn in de ontmoetingen. In het Friese Nij Beets was geen geld voor een zwembad. Toen bouwden de dorpelingen met elkaar een bungalow, verkochten die en legden van de opbrengst het gewenste zwembad zelf aan.
    En toen de bewoners van drie dorpen in de Fryske Marren AED-apparaten wilden hebben vingen ze bot bij de gemeente. Ze klopten vervolgens aan bij verenigingen en bedrijven in de dorpen en binnen twee weken was het geld bij elkaar. Plus twintig vrijwilligers.

    Absurdistan blijkt ook in Gelderland te liggen. De eigenaresse van de speelgoedwinkel in Buren moet haar winkel na 47 jaar sluiten. Ze kan 175 euro voor Buma Stemra, het verschuldigde auteursrecht omdat ze af en toe een radio aan heeft staan voor wat achtergrondmuziek, niet meer opbrengen. En de 440 euro rioolrecht wordt haar teveel. Rioolrecht? Er is in de winkel geen aanrecht, geen wc en zelfs geen waterleiding. Thuis heeft ze twee badkamers en betaalt ze veel minder: ‘Wat kan ik nog?’

    Wat kan ik nog?, vraagt ook Schuurman Hess zich af.
    Die vraag moet hij, als pleitbezorger voor de leefbaarheid in de kleine dorpen, ook zichzelf stellen. Hij woont in Kats in Zeeland. Daar heeft de school veel te weinig leerlingen. Sluiting dus. Hij wendt alle lobbykunsten en creativiteit aan om dat te voorkomen. Ondanks weerbarstigheid van de politiek, die alleen heil ziet in grootschaligheid, boekt hij uiteindelijk resultaat: de macht in het onderwijs is teruggegeven aan de gemeenschap in Kats.
    En ook de ontmoetingen tijdens het wandelen krijgen een vervolg. Hij lobbyt net zo lang tot de Weertse orgelman wordt benoemd tot stadsorgeldraaier. Nog één duwtje, dan mag hij als zodanig aan de slag als arbeider voor de sociale werkplaats.

    En zo wordt een boek dat je af en toe treurig stemt toch nog een pleidooi om de moed niet te verliezen.