Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Er is een touw om je nek

    Er is een touw om je nek

    Poëzierecensie door

    Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.

    Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.

    9200000036183455De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:

    Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
    ik ben het geraamte van mijn broer,
    die gisteren is dood gegaan;
    de dood staat altijd op de loer.

    De dood staat altijd op de loer
    en met hem zeven zonden,
    die mij wel slepen naar de hel
    als zij mij vinden konden.

    Maar ik sta illegaal op straat
    te wachten in de regen,
    te wachten tot mijn zonden gaan,
    maar straks zijn het er negen.

    Ik durf mijn huis niet in te gaan;
    de dood staat altijd op de loer;
    ik sta in de regen op de straat
    in het geraamte van mijn broer
    .

    Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’

    Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.

    Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):

    Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.

    Een / boom / is geen taal.

    Een / getekende boom / is taal.

    Een / bijl maakt hout / van de boom.

    Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.

    Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.

    Een / bijl / maakt hout / van de boom.

    Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.

    Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.

    Zo / is hout / de taal / van het huis.

    Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.

    Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.

    Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:

    Wat
    geeft dat toch
    een angstig gevoel
    van vrede
    als vader
    zijn bijl slijpt.

    Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’,  het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:

    Misschien
    kom ik morgen
    bij u
    met een bijl.

    Maar
    schrikt u niet
    want ik
    ben god.

    Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.


    Lunchpauzegedichten
    en Roofbloem

    Jan Arends

    Blz.: 67
    Prijs: € 12,50
    Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski

     

  • De zoektocht van Henk van Woerden

    De zoektocht van Henk van Woerden

    De titel en de ondertitel van de biografie van schrijver, beeldend kunstenaar en fotograaf Henk van Woerden (1947-2005) geven meteen de insteek van de schrijfster ervan aan: als leidraad dienen zowel het gegeven dat Van Woerden vanaf zijn vroege jeugd slechts één oog had, als het feit dat hij een ontwortelde migrant was.

    Henk van Woerden komt uit een gezin met vier kinderen: Henk, Hans, Anneke en Carl. Zij hadden ziekelijke ouders: moeder Jopie had waarschijnlijk de ziekte van Crohn (een darmziekte) en vader Joop was manisch-depressief. In 1957 gaan zij naar Kaapstad (Zuid-Afrika). Daar overlijdt de moeder twee jaar later. Henk blijft als oudste zoon bij zijn vader en de daar ingetrokken hulp in de huishouding, de andere kinderen komen terecht in een weeshuis. Veel later komen de kinderen erachter dat de emigratie naar Zuid-Afrika een vlucht voor het NSB-verleden van Joop was. Emigratiepogingen naar de Verenigde Staten, Canada en Australië waren mislukt. Zuid-Afrika bleef over.

    Na zijn middelbare school gaat Henk naar de Michaelis School of Fine Art. Eigenlijk had hij arts willen worden, maar zijn kennis van Latijn was daarvoor beneden de maat. Op deze school leert hij zijn latere vrouw, Linda Pentz, kennen.

    In 1968 vertrekken Henk en Linda naar Nederland waar Henk depressief raakt. Al in 1969 besluiten Henk en Linda met hun inmiddels geboren dochter Nicky naar Kreta te emigreren. Op Kreta zelf verhuizen ze na een jaar al weer. Het huwelijk strandt en Henk keert terug naar Nederland, Linda vestigt zich na enkele omzwervingen in Rome. In 1971 is zijn eerste tentoonstelling in de Amsterdamse Galerie Espace. Tien jaar later, in 1981 hertrouwt Henk met Margot Groot. Samen krijgen zij een zoon, Njal. In 1991 leert Henk Nicole Müller kennen, een studente uit Enschede waar hij op dat moment les geeft aan de Academie voor Art & Design, en verlaat hij Margot.

    In deze tijd ontstaat zijn debuutroman Moenie kyk nie (1993). ‘Ik weet niet wat ik met mijn talent moet, maar het is het enige dat ik heb’, schrijft hij aan Margot. Als beeldend kunstenaar probeert Henk  ‘op een goed doek het fenomeen sfeer’ te vangen, aldus Jaeger. Jammer genoeg krijgen we in het boek geen indruk van zijn beeldende kwaliteiten, omdat er behalve een tekening op de uitnodiging van genoemde tentoonstelling verder geen afbeeldingen van zijn werk zijn opgenomen, in tegenstelling tot achttien privéfoto’s.

    Jaeger citeert, om de verhouding tussen woord en beeld in het werk van Van Woerden uit te drukken, diens vriend en collega Joris Geurts die stelt dat Van Woerden in woorden de diepte kon weergeven, waartoe hij door zijn eenogigheid in zijn beeldende kunst niet in staat zou zijn geweest. Een beetje gemakkelijke conclusie, als je weet dat Margaret S. Livingstone en Bevill R. Conway in het England Journal of Medicine (september 2004) hebben aangetoond dat je in dit gebrek ook een voordeel kunt zien dat tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de nauwkeurigheid  in het werk van schilders met deze of vergelijkbare oogafwijkingen.

    Maar het is wél een metafoor die Jaeger aangrijpt en uitwerkt als een mooi contrapunt bij het andere thema van de biografie: migrant-zijn.

    Van Woerden is bekend geworden door zijn Zuid-Afrikatrilogie: Moenie kyk nie (1993) – Tikoes (1996) Een mond vol glas (1998), en een roman waarin volgens Jaeger alle thema’s uit zijn werk samenkomen: Ultramarijn (2005).

    Ultramarijn heeft succes. Henk wordt writer in residence aan de Universiteit van Ann Arbor (Michigan). Het bevalt hem daar meer dan hij had verwacht. Lang duurt de vreugde echter niet. In november 2005 zakt hij in elkaar en overlijdt.

    Toef Jaeger, redacteur van de boekenbijlage van NRC Handelsblad die Van Woerden heeft gekend als programmeur van het festival Winternachten, heeft met dit boek een sterke biografie afgeleverd waarin de thema’s die al in de titel werden aangekondigd evenveel en zorgvuldig gedocumenteerde aandacht krijgen.

     

    Koning eenoog, een migrantenverhaal
    Leven en werk van Henk van Woerden

    Auteur: Toef Jaeger
    Verschenen bij uitgeverij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 24.99

  • Een leven mooi verwoord

    Een leven mooi verwoord

    De moeder van Adriaan van Dis, Marie, loopt tegen de honderd en woont in een rusthuis. Ze loopt steeds moeilijker en heeft een vleesboom in haar maag, die ze altijd bedekt met een kussen. Haar aftakeling gaat gepaard met het verval van haar woning. Een oude vrouw in een oude woning. Ze wil niet meer. Doorleven klinkt haar als een doodvonnis in de oren. Toch houdt ze vol. Ze wil haar verhalen nog kwijt: ‘Een dode moet licht reizen’. Ze is er nu klaar voor om na jaren zwijgen haar lange geschiedenis te vertellen: over Indië, de oorlogen die ze heeft meegemaakt en de grote verliezen die ze heeft geleden. Maar dit alles op haar manier en in haar eigen tempo.

    Adriaan van Dis, die tot dan toe weinig contact met zijn moeder had, komt vanuit Parijs terug naar Nederland. Hij begint haar te bezoeken. Eerst één keer per week,  maar al gauw nemen de bezoekjes in aantal toe. Ook zijn telefoon gaat regelmatig over: zijn moeder die zich weer wat herinnert, een boodschappenlijstje voor hem heeft, of die hem opnieuw vraagt of hij geen pil voor haar kan regelen waardoor het allemaal gauw afgelopen kan zijn. Wanneer zijn moeder verder achteruit gaat, besluit Van Dis in te trekken in een gastenkamer van het rusthuis. In die tijd ziet hij haar elke dag. Samen aan het ontbijt, samen de krant lezen. En alles wat ze vertelt wordt door hem nauwkeurig opgeschreven.

    Ik kom terug is een autobiografisch getinte roman. De grote lijnen komen overeen met de gebeurtenissen in het leven van Adriaans moeder en zijn familie, maar hoeveel precies waar is van wat Marie vertelt, weet je niet. Adriaan zelf weet ook niet hoeveel hij moet geloven van de verhalen van zijn moeder. Dat is ook niet belangrijk. In het boek gaat het om hun verhouding. Uit het verhaal komt een pijnlijke zoektocht naar boven van een zoon die, nog steeds, op zoek is naar de waardering en liefde van zijn moeder. Haar ervaringen en belevenissen hebben haar hard gemaakt. Ze schrikt terug voor een aanraking en wil het niet over persoonlijke gebeurtenissen hebben. Al helemaal niet over haar tijd in het Jappenkamp. Maar nu haar einde voelbaar dichterbij komt, begint ze te praten. Duidelijk wordt dat ze geen warme moeder voor Adriaan is geweest.

    Toch komen er ook verhalen boven waaruit duidelijk wordt dat ze wel een leuke vrouw kon zijn. Met behulp van zijn psychologe (her)ontdekt Adriaan van Dis de leuke kanten van zijn moeder en de grappige verhalen die ermee gepaard gaan. Ondanks het zware onderwerp, is Ik kom terug vanaf het begin humoristisch. Adriaan van Dis schrijft alles op: telefoongesprekken, brieven en de monologen die zijn moeder houdt. Losse herinneringen. Fragmenten uit een bewogen leven. De voorgeschiedenis van de verhalen die ze vertelt is nog onbekend, maar wordt duidelijker naarmate het boek vordert.

    Adriaan van Dis debuteerde in 1983 met Nathan Sid, waarvoor hij in 1984 het Gouden Ezelsoor ontving. In dit boek komen zijn familie en zijn Indische jeugd ook aan bod. Het is duidelijk dat zijn hele familie getekend is door de oorlog. Zijn vader, getraumatiseerd door de oorlog, slaat Adriaan regelmatig. Zijn moeder kijkt op deze momenten de andere kant op. In zijn andere boeken krijgt zijn vader vaak een grote rol toebedeeld, maar in dit boek is de hoofdrol weggelegd voor Marie.

    Ook al vormt de familiegeschiedenis vaak de basis voor zijn boeken, toch vraagt Adriaan van Dis zich in het boek meerdere malen af of hij er goed aan doet om alles op te schrijven. ‘Waarom gunde ik haar niet haar geheimen?’ Hij wil doorvragen, gevoelige onderwerpen aansnijden, maar hij wil haar ook niet kwetsen. Samen stellen ze een contract op: hij zijn verhaal en zij een pil.

    Het is een heel mooi boek geworden. Bij vlagen ontroerend, humoristisch, soms zelfs een beetje plat en dan weer hoogdravend. Terwijl je door het leven van de moeder bladert, begin je de hardheid en afstandelijkheid steeds beter te begrijpen doordat duidelijk wordt waar ze vandaan komt en wat ze heeft doorgemaakt. Het ene moment voel je sympathie voor deze vrouw en het andere moment snap je compleet de frustratie van haar zoon.

     

     

     

  • Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Tussen al het wit, grijs en blauw – de oranje Van Dis daargelaten – ligt een opvallend rode kaft. Drie witte bergtoppen in vuurrode wolken waarboven robuuste letters prijken: HOOGVLAKTE. Het is de nieuwste pennenvrucht van Naomi Rebekka Boekwijt (1990), een roman deze keer. Hoogvlakte een titel die nauw aansluit bij de verwachtingen, want já, ook die zijn hoog na haar indrukwekkende debuut nu bijna twee jaar geleden.

    Boekwijt debuteerde veelbelovend met de verhalenbundel Pels (2013). Zeven ijle vertellingen – meer nog karakterschetsen – over buitenstaanders en vrijheidsdrang. De bundel werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs (shortlist) en bejubeld in de pers. NRC vond het debuut ‘reden tot een feestje’, De Volkskrant was ‘benieuwd naar wat deze jonge schrijfster nog ontketenen zou’, De Standaard bestempelde haar als ‘dé verrassing van 2013’ en ook Literair Nederland was onder de indruk van de jonge schrijfster, sprak van ‘een prachtig debuut’. Unaniem was de roep om meer van haar te zien, bij voorkeur een roman.

    En daar is ie dan: de roman waar we zo nieuwsgierig naar zijn. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze’, zo schreef Boekwijt zelf – in Pels notabene. En? Heeft ze het bij het rechte eind? Mogen de slingers opnieuw uit de doos?

    Hoogvlakte speelt zich af op een boerderij in Zwitserland. De keuze is niet zo verrassend als je weet dat Boekwijt zelf – na haar studie Wijsbegeerte – naar Zwitserland is getogen en daar een boerderij bewoont. Ook hoofdpersoon Maite van Veen besloot Nederland te verlaten. Ze kreeg het er benauwd, dacht dat het afstand was die ze zocht. In het Zwitsere Feldi – eenzaam bergoord of all places – weet ze die te vinden. Op een ouderwets boerenbedrijf, gerund door de zwaar godsdienstige Moser (gelovend in God als straffende instantie: ‘toegeven dat hij ergens van genoot was voor hem als het begaan van een zonde’), gaat ze als knecht aan de slag. Stront scheppen, aardappels sorteren, koeien melken, de hele rataplan. Kortom handen uit de mouwen en werken geblazen.

    Tussen stugge Zwitsers, suikerbietensnippers, beesten en hooi – probeert Maite letterlijk werk te maken van het beklemmende gevoel. Wat het behelst? Dat blijft gissen. Dichtbij laat ze ons niet komen: ‘Er was iets wat het hoofd geboden moest worden. Het harde werken hielp daarbij. Het hield de boel ingedamd, zoals de dijken de Thur.’ Al gauw heb je zo’n donkerbruin vermoeden dat het probleem niet zozeer in Nederland ligt, als wel in de bevroren – louter in hoofd en handen levende – Maite zelf. Gevoelens zijn er wel degelijk, maar die mogen niet gevoeld en worden linea recta rationeel afgeserveerd, zoals indringend mooi beschreven bij de dood van een koe: ‘De brok in mijn keel was zo groot dat het zeer deed. Ik had nu wel genoeg beesten zien sterven om te weten dat je ze niet helpt als je ernaar staat te kijken. Dus ik wendde mij af.’ Veelzeggend zijn de scènes met ‘de grauwe’ – een robuust werkpaard – in wie Maite veel van zichzelf herkent. Via het beest krijgen we iets van haar binnenwereld te zien: ‘Hij herkende mij. Hij wist dat we wat met elkaar te maken hadden. […] Mooi of elegant zou hij niet worden, maar hij kon toch wat waard zijn vanwege zijn karakter. […] Zijn bestaan ging in ledigheid voorbij.’ Dat de identificatie met dieren behoorlijk ver gaat, blijkt uit de wijze waarop ze zichzelf beschrijft: haar handen zijn ‘klauwen’ en als ze straalt van geluk krijgt ze haar ‘bek niet terug in de plooi.’

    Veel spectaculairs gebeurt er niet in Maites leven. Het zijn vooral lange, elkaar opvolgende, monotone dagen die Boekwijt beschrijft. Werkdagen vol handelingen – zonder kleur en emotie – die zich bewegen naar het ritme van de beesten. Gaandeweg krijgt dit eentonige bestaan ook vat op de lezer. Maar gelukkig, op het moment dat de suikerbieten en het zurig kuilvoer je zo ongeveer de strot uitkomen, de landerigheid je aanvliegt, je net als Maite aan verveling ten onder dreigt te gaan, weet Boekwijt trefzeker het tij te keren. Een witte Volvo rijdt het erf op. Een charmante dame stapt uit met ‘een lach groot en gul, bijna te veel van het goede’. Leven op de boerderij! Spanning alom.

    Met de komst van deze vrouw wordt Maite duidelijk wat het werkelijke probleem is, beseft ze dat de oplossing niet in de afstand moet worden gezocht maar juist heel dichtbij: ‘Ik wist dat ik niet jankte omdat ik zo graag bij haar wilde zijn. Het was om de eenzaamheid die ik opnieuw verworven had. […] Dit oord benauwde me evenzeer als Nederland, alleen op een andere manier.’ Lukt het Maite los te breken, een wak in het ijs te slaan? Durft ze eindelijk de wereld binnen te stappen?

    Ondertussen dreigt het water van de Thur buiten zijn oevers te treden, is de buurman een egocentrische aasgier en schreeuwt God almaar harder in Mosers hoofd. Temidden van hoge bergen wapent eenieder zich op zijn eigen manier tegen dat wat is of nog kan komen …

    Boekwijts werk moet het overduidelijk niet hebben van kleurrijke scènes, een sprankelende dynamiek en hoogdravend taalgebruik. Het is de stilistische ingetogenheid – de resonantie van het verzwegen woord – die haar proza kenmerkt en zo krachtig maakt. Een knap staaltje ‘show, don’t tell’ waarbij de show vooral niet al te letterlijk dient te worden genomen. Boekwijt observeert, registreert, denkt zo nu en dan hardop na en laat de rest graag aan de lezer.

    Ze schrijft in kale, afgemeten zinnen – bijvoeglijke naamwoorden zijn een zeldzaamheid. Prachtig is hoe Boekwijt de klankkleur van de tekst mee laat groeien met de persoon. Waar in aanvang de taal overwegend gecontroleerd, ruw en stug is, wordt deze naarmate Maite meer ontdooit vrijer, rijker en warmer van toon. Ja, dat doet Boekwijt verdomde goed, evenals het beroeren van al de zintuigen, zie je de ploegen gestaag in de aarde zakken, hoort God tekeer gaan en voelt het water aan je lippen.

    En dan na 174 pagina’s verlaat je de bergen, ligt het boek dichtgeslagen op schoot. Je kijkt nogmaals naar de kaft. Ineens zie je iets anders: topjes van de ijsberg en een vurige, kolkende binnenwereld. Waarachtig, daar ligt Maite. De titel Hoofdvlakte was ook mooi geweest, schiet het door je heen. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze.’ En of!

     

     

  • Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Lydia Davis is een veel geprezen schrijfster van (ultra) korte verhalen. In 2013 ontving ze voor haar bundel verzamelde verhalen de Man Booker International Prize. Twintig jaar geleden schreef ze haar eerste en tot nu toe enige roman, die nu heel mooi in het Nederlands is vertaald door Peter Bergsma. Lydia Davies schrijft prachtige zinnen, is een taalkunstenares, maar slaagt er niet in de lezer 250 pagina’s lang te boeien.

    In dit boek doet de vertelster minutieus verslag van een verloren gegane liefde. Al direct in het begin is duidelijk dat de relatie is verbroken en gaat het verhaal vooral over de obsessie van haar voor haar ex-geliefde. Zij is docente aan een universiteit, waar zij een 12 jongere student ontmoet: ook een dichter, boekenwurm (liefhebber van Faulkner) die in zijn onderhoud voorziet door te werken als pompbediende. Over hem komen we verder weinig te weten: centraal in het verhaal staan de zielenroerselen van haar en de manier waarop zij probeert met de verbroken relatie om te gaan. Zowel vertelster als ex-geliefde hebben geen naam omdat dat niet van belang is voor het verhaal dat Davis wil vertellen. Daarin staat haar obsessie centraal. Het verhaal eindigt wanneer zij erin is geslaagd die te beteugelen.

    Eén van de kenmerken van een roman is de ontwikkeling van een karakter, de loop van een verhaal. In deze ‘roman’  gaat het evenwel vooral om de herinneringen van de vertelster waarmee ze probeert haar verhouding te (re)construeren. Daar  heeft zij veel woorden voor nodig: ze probeert na te gaan wat er in haar is omgegaan, wat ze op diverse momenten in die relatie heeft gedacht, ze loopt alle ruzies na om te achterhalen aan wie het lag, ze twijfelt vaak aan de juistheid van haar herinnering, gaat zich gebeurtenissen inbeelden, etcetera. Als lezer  raak je in verwarring: wat eerst als een feit werd gepresenteerd, blijkt later in haar herinnering misschien toch anders te zijn. Ze gaat relaties aan met andere mannen om zo haar ex-geliefde te kunnen vergelijken. Ondanks dit alles krijgen de twee naamloze hoofdpersonen nauwelijks karakter en van een ontwikkeling is in het verhaal geen sprake. Kauwen en herkauwen en daarmee verwerken, dat is waar we pagina na pagina over lezen.

    Zoals gezegd kan Davis prachtig schrijven; een voorbeeld:

    ‘Nadat hij me zo abrupt had verteld dat het uit was, had ik voor niets anders meer belangstelling. Wat hij me nu aandeed, het feit dat hij niet bij mij was maar bij iemand anders, was een substantie geworden die door mijn hersenen sijpelde, die wegebde, weer oprees, aanwezig was en dan verdwenen, als een geur of smaak. Hij vervaagde een tijdje, en dan was ik me ervan bewust dat hij niet in me was. Dan rees hij plotseling, zonder enige reden, weer op en liet zijn bitterheid overal uitwaaieren en in doordringen.’

    Dat haar taal soms te ver is doorgevoerd , moge blijken uit het volgende citaat:

    ‘Die avond opnieuw op hem te moeten wachten, zonder dat hij kwam, creëerde een donkere ruimte als een grote kamer, een kamer die zich vanuit mijn kamer opende voor de nacht en hem vulde met donkere luchtstromen. Omdat ik niet wist waar hij was, leek de stad groter, en regelrecht mijn kamer binnen te komen: hij was op een of andere plek, en die plek, hoewel mij onbekend, was aanwezig in mijn gedachten en school als iets groots en duister in mijn binnenste. En die plek, die onbekende kamer waar hij was, waar ik me voorstelde dat hij was, met iemand anders, werd ook een deel van hem, zoals ik me hem voorstelde, zodat hij anders werd, hij omvatte die onbekende kamer en ik omvatte die ook, omdat ik hem in die kamer omvatte en die kamer hem.’

    Een tweede laag in het verhaal heeft te maken met het feit dat de hoofdpersoon een roman aan het schrijven is over…een verdwenen liefde! En die roman wil maar niet vlotten, ze is onzeker over de opzet, ze weet niet welke ervaringen ze wel en welke ze niet in die roman wil opnemen. Die onzekerheid wordt gevoed doordat ze onzeker is of haar herinnering de juiste is. Zo haalt ze verschillende van haar telefoontjes aan hem aan, maar weet dan niet meer of het een of meer telefoontjes waren. Ze wil daarover iets in haar roman zeggen en schrijft dan:

    ‘Ik schijn twee verslagen van een van deze telefoontjes en de dagen eromheen te hebben geschreven. Het eerste heb ik net weer opgedoken, en het lijkt minder nauwkeurig en sentimenteler. Ik zeg bijvoorbeeld dat het me pijn deed dat hij me vertelde dat hij met een andere vrouw omging omdat ik hem nog steeds in een hoekje van mijn hart droeg. Nu zit het idee dat mijn hart een hoek zou hebben me dwars, zoals ook andere dingen in de zin me dwarszitten. Ik zei ook dat ik me herinnerde hoe gelukkig het me maakte hem te horen lachen en hem te zien glimlachen, wat beslist niet waar was.’

    Het verwarrende is dat in het verhaal de telefoontjes een betekenis toegedicht krijgen, maar door de afweging of ze opgenomen zouden moeten worden in haar roman komt die betekenis in de lucht te hangen.

    De relatie tussen feit en fictie is erg dun, duidelijk is dat die roman moet gaan over de verdwenen liefde waar het verhaal ook over gaat. Dat brengt je als lezer in de war omdat de waardering van een gebeurtenis tweeledig is: wat in het verhaal gebeurt, sneuvelt in de fictieve roman en andersom. Voeg daarbij dat het verhaal geschreven is vanuit de herinnering van de vertelster die regelmatig twijfelt of ze het zich wel goed herinnert en de verwarring is compleet. Deze constructie maakt het verhaal moeilijk te verteren.

    Het eind van het verhaal wordt gepresenteerd als een roman, maar daarvoor zit er te weinig ontwikkeling in. Het is een monotoon, gedetailleerd en procesmatig beschreven verhaal over het zelfonderzoek van een vrouw met een obsessie.

    Wie van taal houdt, kan zijn of haar hart ophalen. Wie wil worden meegevoerd door een verhaal, kan er beter niet aan beginnen.

     

     

  • Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Midden jaren tachtig vorige eeuw verscheen de tweedelige roman Ségou van Maryse Condé. Een indrukwekkend epos over een Afrikaanse koninklijke familie in het 19e eeuwse Mali dat een avontuurlijk (dus romantisch) beeld geeft van de Toearegs en waarin Timboektoe nog Tombouctou heette.

    Als 24 jarige jongeman reist de latere Afrika- journalist Gerbert van der Aa in 1992 met de auto naar Mali om die daar met winst te verkopen. Hij wordt beroofd en ontvoerd door Toearegs en wat voor velen een reden zou zijn om daar nooit meer terug te keren, is voor hem het begin van een levenslange fascinatie voor dit volk. Hij schreef eerder boeken over Libië, Nigeria en Soedan. Terug naar Timboektoe is zijn meest recente reisverslag of beter gezegd, een bundeling reisverslagen waarvan het eerste in 1992 is opgetekend en het laatste in 2013.

    De Toeareg is een volk dat tot de verbeelding spreekt en het enige islamitische volk waarvan de mannen hun gezicht sluieren in plaats van de vrouwen. Ze bestaan uit tientallen stammen en strijden al decennia lang voor een onafhankelijke staat, Azawad. Ze noemen zichzelf Imouharen, ‘vrije mensen’ en kwamen voor het eerst in 1990 en voor het laatst in 2012, in opstand tegen de regering van Mali.
    Dat de Toearegs een blanke huiskleur hebben en zich daarop laten voorstaan, leidt tot veel achterdocht bij de donker gekleurde Afrikanen. Er zou zelfs sprake zijn van een blank complot tegen die laatsten, volgens hen. Dat is onder andere wat Van der Aa optekent tijdens zijn reizen door de Sahara.

    Onderweg naar Timboektoe bezoekt Van der Aa in Ségou zijn vriend Boubacar die hij in 2003 in Algerije heeft leren kennen. Deze vriend wilde ooit illegaal naar Europa reizen maar de boot die hem naar Malta zou brengen verdwaalde en keerde terug naar de Libische kust. Boubacar kan er om lachen dat zijn initiatief op deze wijze tot een einde kwam. Maar, schrijft Van der Aa: ‘In westerse kranten worden jongens als Boubacar afgeschilderd als wanhopige vluchtelingen, maar hij ziet zichzelf in de eerste plaats als avonturier.’

    Als reiziger laat Van der Aa zich niet van de wijs brengen en vormt steeds zijn eigen mening waardoor zijn boek een sterk autonoom karakter heeft. Nadat hij vier dagen in Timboektoe heeft doorgebracht, schrijft hij: ‘Timboektoe had me niet teleurgesteld. De negatieve verhalen vond ik onterecht. Dat de stad betere tijden had gekend, was een feit. Maar die vergane glorie vond ik juist een van de charmes. Als je goed zocht kon je overal de sporen van dat roemruchte verleden vinden.’
    Over de Toearegs doen veel verhalen de ronde. Ze verdienen hun geld met mensen- en goederen smokkel. In de buurt van Mali komt hij een transportondernemer tegen die zegt: ‘Overal waar ze opduiken is trammelant. Je kunt geen afspraken met ze maken. En als het wel lukt om overeenstemming te bereiken, zijn ze altijd ontevreden. Toearegs gedragen zich als kleine kinderen die hun zin niet krijgen.’

    Wat dit boek zo aantrekkelijk maakt is dat Van der Aa geen partij kiest, hij is verslaggever maar bovenal is hij reiziger. Vanaf zijn eerste ontmoeting met de Toearegs en de vele negatieve verhalen over hen later, blijft Van der Aa ze onbevangen tegemoet treden en dat maakt dat ook dit boek iets wegheeft van een avonturenroman. Wat je al vermoedde, geeft hij in het laatste hoofdstuk toe, als hij de moord op drie Nederlandse mannen in 2000 in de woestijn aanhaalt. Deze mannen maakten elk jaar een reis naar een gebied waar het niet helemaal pluis was. ‘Ik herkende in de drie mannen veel van mezelf. Ook ik reisde graag naar gevaarlijke gebieden.’ De gevaarlijke reizen geven hem energie. ‘De tochten door de Sahara vormden een spannende afwisseling voor mijn bestaan in Nederland.’

    Daar tegenover staan de momenten in de woestijn waar de schrijver het ook voor doet. Hij stond met autopech en drie Toearegs namen hem op sleeptouw. Na een uur stopten ze om op een houtvuur eten te koken.’Terwijl Rhissa thee zette, haalde een van zijn passagiers een gitaar uit de vrachtauto. Even later klonk de desert blues van de Toearegs door de woestijn.’ En even daarna legt de schrijver zich in het mulle zand te slapen.

    Al lezende groeit het besef dat elke reis met een ontvoering of erger kan aflopen.  Bewondering dan ook, voor een schrijver die steeds opnieuw en schijnbaar onbevangen de Sahara betreedt en verslag doet van een kant van een verhaal, waar we hier in Europa geen zicht op hebben.

     

  • Laten we ons best gaan doen

    Laten we ons best gaan doen

    In reactie op een recensie over Voettocht naar het hart van het land, door Jan Schuurman Hess, stuurde Cees van Mourik ons een essay over dit boek dat wij hier graag publiceren.


    Voor een essay is het belangrijk dat je je het boek, dat het onderwerp is eigen maakt: er even in bladeren, de geur opsnuiven, voorkant, achterkant, bladspiegel bekijken en dan lezen. Het is een kloek boek van 300 pagina’s geworden, het resultaat van het opschrijven van gehoorde verhalen en ervaringen tijdens een voettocht door Nederland. Die voettocht duurde twee jaar, op twee dagen per week en was hemelsbreed gemeten ongeveer 1.320 kilometer lang, dus zo’n 1750 echte kilometers. Een heel eind! Die tocht leverde 200 verhalen in 100 wandeldagen op. Er werd elke week gewandeld, weer of geen weer, verjaardagen of geen verjaardagen en pijn of geen pijn. Jan Schuurman Hess heeft twee paar degelijke wandelschoenen tot op de draad versleten. Qua intensiteit is het een beetje vergelijkbaar met het vertaalwerk van de Bijbel uit de brontalen door Peter Oussoren. Hij werkte een uur per dag , elke dag; na dertig jaar was de Naardense Bijbel af. Gedreven mensen brengen iets tot stand.

    Als je het boek bekijkt, valt de prachtige voorplaat op. Daarop is Jan Schuurman Hess te zien, wandelend, met rugzak. Het bijzondere is, dat hij naar rechts het beeld uitloopt: hij is op weg, op weg naar de mensen, wier verhalen hij zal aanhoren en opschrijven om de toestand van de democratie aan den ore te ondervinden. Het boek heeft een goede informatieve achterkant, waaruit duidelijk wordt dat de betrokkenheid bij en de compassie voor de gewone mensen de drijfveren voor dit boek waren. Jan Schuurman Hess is een betrokken lid van de PvdA en benut zijn banden met partijleden om mensen te helpen. Maar het boek is geen loflied op de PvdA, integendeel. Zo kunnen we ook de voorplaat interpreteren: de PvdA vaart een verkeerde koers, je moet verder kijken dan de strikte partijdogma’s. Dan krijg je een PvdA’er die naar rechts het beeld uitloopt… dat is zeker bijzonder! Jan Schuurman Hess observeert scherp en de basis is dat Jan Schuurman Hess begaan is met het lot van de gewone mensen, die het in de wereld van nu moeilijk hebben en hun vertrouwen in de politiek verloren hebben.

    Het boek heeft een oersterk en prachtig, bijna poëtisch begin. Beschreven wordt hoe de boeren en het lokale bestuur in Zeeland demonstreren tegen de ontpoldering. De kracht van de mens in zijn specifieke habitat wordt zichtbaar. Haagse ambtenaren begrijpen er niets van en staan daar maar “in hun deftige pakken” (blz. 8).

    Het boek is dus een reisverhaal dat de voettocht van Zeeland naar Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland, Noord-Holland, Flevoland, Utrecht, Zuid-Holland en weer terug naar Zeeland beschrijft. Het is een pleidooi voor gezond verstand, dat door sommige ambtenaren en bestuurders hardnekkig niet wordt gebruikt met tot gevolg dat er hartverscheurende situaties ontstaan. Het blijft bij beschrijvingen en wat ik sterk vind: nergens wordt het een aanklacht of ontaardt het in een oordeel.

    Wat wil dat ons zeggen? Jan Schuurman Hess is begaan met de toestand van het land, die door hem consequent wordt vertaald met de toestand van de gewone mensen. Hij laat zien hoe de besten van de gemeenschap hun verantwoordelijkheid nemen, hun rug rechten en het woord nemen. Of dat nu boerinnen of arbeiders zijn, zij willen de gevoelens van de gemeenschap waartoe zij behoren, vertolken.

    Jan Schuurman Hess schrijft veel over hechte gemeenschappen in de maatschappij. In de jaren tachtig is er een onderzoek geweest naar de normen en waarden in plattelandsgemeenschappen – dorpen en buurtschappen zeg maar – ik meen in Zuid-Amerika, Rusland, Australië, China en Duitsland. De normen en waarden in de kleine gemeenschappen bleken overal vrijwel identiek. Dat is niet zo vreemd als het op het eerste gezicht lijkt. Iedereen heeft in de groep, waarin hij leeft, een taak, moet zich aan afspraken houden en meewerken aan de leefbaarheid van het geheel.

    In het boek Ik is niks (uitgeverij SEP, november 2013), beschrijft Ton Baetens de processen in zo’n kleine gemeenschap, het dorp Elsendorp in Noord-Brabant. Een prachtig voorbeeld van de wijze waarop een dorp zich tegen ambtenarennota’s in, in leven houdt en overal het beste van maakt. Dat gebeurt daar precies zo als hierboven genoemd:  iedereen draagt zijn of haar steentje bij en wordt daartoe ook aangemoedigd. Als in Elsendorp een probleem opduikt, kijken ze met elkaar hoe dit het beste opgelost kan worden, of het nu gaat om een nieuw trainingsveldje, het inrichten van de mantelzorg of het behouden van de school. Ook in Gaastmeer, het dorp waarin ik woon, gebeurt dat zo. Als er een nieuw hek bij de herberg of een nieuw doopvont moet komen, wordt dat met elkaar gedaan. Na afloop een kop snert en dan is het ook weer goed.

    Het beeld dat uit het boek van Jan Schuurman Hess naar voren komt, kent soms Kafkaëske proporties. Werknemers die tegen elkaar worden opgezet om omzet in de zorg te draaien, mensen die na lange dienstverbanden plotseling op straat staan en niet meer weten hoe het verder moet, en vissers die door belachelijke regeltjes hun beroep niet meer kunnen uitoefenen. Wetten en voorschriften worden vaak bedacht om vermeende wantoestanden aan te pakken. Dat de plank dan ook wel eens wordt misgeslagen en dat dan ongewenste neveneffecten ontstaan, lijkt van minder belang. Dit moet bijna wel leiden tot de conclusie – in het boek overigens niet met zoveel woorden benoemd – dat sommige vertegenwoordigers van ons land gewoon de weg kwijt zijn. Maar ik zei al: het boek gaat over ons dus het zegt ook iets over ons. Geven wij ambtenaren en bestuurders de verkeerde signalen mee? Letten wij niet voldoende op hen? Jan Schuurman Hess constateert alleen dat het draagvlak verdwijnt voor een politieke partij, die zich voorheen bekommerde om het lot van deze mensen, maar zich nu blijkbaar niet langer verantwoordelijk voelt, afgezien van betrokken en gedreven enkelingen.

    Toch is het geen negatief boek geworden, integendeel. De overtuiging dat we met elkaar iets kunnen bereiken, als we maar naar ons gezonde verstand luisteren en dat volgen, is overweldigend. Dat vergt inzet, moed en veerkracht, maar het kan wel. Het zijn vaak kleine stapjes, die worden beschreven, maar ze beklijven wel. Maar ook een bouwvakker wordt beschreven, die door kleine stapjes te zetten, nu een internationaal verkopende schilder is, dat soort dingen komt ook voor.

    De taal in het boek is helder. Het woordgebruik getuigt soms van afgunst, van spot. De deftige pakken uit het begin, een angorawollen pullover komt langs en een mevrouw uit het onderwijs met een salaris waar een minister jaloers op is.

    Maar wat prevaleert na het lezen? De zorg om de gewone mensen. Jan Schuurman Hess wijt die zorg voor een groot deel aan het Nederlandse onderwijssysteem. Onderwijsmanagers die alleen maar grote scholen willen en die scholen sluiten en zo het hart uit een dorp halen, MBO-leerlingen die geen suiker kunnen afwegen, scholen die moeten fuseren om verkeerde prioriteiten, de zoon van Jan Schuurman Hess die van een ROC gestuurd wordt, omdat hij geen grote bek heeft. Niet te geloven, maar toch waar. Jan Schuurman Hess heeft begrepen dat de samenhang van een maatschappij daarvoor benadrukt moet worden en dat begint in de kleine organische eenheden, de buurtschappen, de dorpen en de wijken. Goed onderwijs is daarvoor een eerste vereiste, met andere woorden: de scholen voor primair onderwijs moeten behouden blijven. Daarvoor heeft hij naar partners gezocht en in het slot van het boek wordt duidelijk dat het een redelijk begaanbare weg is, die weliswaar heel lang is en vol obstakels ligt, maar wel eentje die zou kunnen leiden naar een blijvend leefbaar platteland, waar we met elkaar om elkaar denken.

    Naast de diepe menselijke warmte die het boek uitstraalt, is er het ontzag voor de natuur. Nooit moppert hij als het slecht weer is, nooit klaagt hij over kou of regen, nooit zeurt hij over een te warme dag. Hij beleeft Nederland en daarvan is dit boek een geslaagde weergave.

    Eén aspect is zeker nog vermeldenswaard. Jan Schuurman Hess heeft niets verdiend met zijn voettocht, die begon als eigen onderzoek naar de toestand van het land, naar de beleefde democratie en naar ons sociaal bewustzijn. Toen hij een poos bezig was kwam uitgeverij Atlas Contact met het voorstel om zijn ervaringen te bundelen in een boek. Daar heeft hij uiteindelijk in toegestemd om anderen te laten weten hoe ons land erbij ligt. Laten we met elkaar ons best gaan doen!

     

    Gaastmeer, 17 september 2014

    Lees hier de recensie
    En hier een mooi fragment met de auteur op Omroepzeeland.nl

     

  • Ritmisch proza

    Ritmisch proza

    De roman Oogst van de veelbekroonde Engelse schrijver Jim Crace (1946) valt niet direct onder de categorie lichte kost. In een interview in Het Parool (6 november 2014) geeft Crace aan waar de schoen wringt: ‘De Britse criticus Adam Mars-Jones schreef ooit dat wanneer je ook maar één alinea in mijn boek leest, de migraine al op de loer ligt!’ Dat laatste lijkt wat overdreven, maar Crace bedient zich van zogenaamd ‘ritmisch proza,’ het soort proza dat de zangerigheid, de melodie en het ritme van gesproken taal wil terugbrengen in de geschreven vorm ervan. Dat moet voor de vertaalster Regina Willemse geen sinecure geweest zijn.
    ‘Twee rookpluimen in een tijd van het jaar waarin het te warm is om te stoken, verrassen ons bij het ochtendgloren, althans degenen onder ons die geen schelmenstreken hebben uitgehaald in het donker.'(…)

    Plotseling is er brand in het kleine dorp, de plaats van handeling van Oogst. Later zal blijken dat het een metafoor is voor onrust in deze besloten gemeenschap. En Crace heeft goede redenen gehad om dit dorp -gesitueerd op het platteland van Engeland ergens rond 1750- af te schilderen als buitengewoon intolerant. Hij vertelt in het eerder aangehaalde Parool-interview dat zijn vrouw en hij meewerkten aan een opvangproject voor asielzoekers in hun eigen dorp, maar dat in de betrokkenheid van de gemeenschap op den duur scheurtjes kwamen toen de terreur van bepaalde groepen binnen de islam toenam.

    Brand als voorbode voor onrust. De boerenbevolking in The Midlands, het decor van het boek, wordt gedwongen mee te werken aan verplichte onteigening van hun landbouwgrond. Deze wordt ten faveure van rijke stedelingen in gebruik genomen voor schapenteelt.

    Dat het boek zich in de 18e eeuw afspeelt kunnen we aflezen aan de kleding van de personen, de verhoudingen, het eten en de vorm van de huisjes. Wat dat betreft is het vreemd dat op de omslag een arbeider uit het begin van de 20e eeuw is gezet. Dat wekt verwarring bij de lezer.

    De verteller van het drama, dat zich ontrolt, is ene Walter Thorsk. Hij blijft voor een groot gedeelte een buitenstaander, registreert, maar houdt zich afzijdig. Bovendien heeft Walter zijn hand verbrand en is hij vrijgesteld van het hooien. Als de oogst binnen is deelt de Meester, een broer van Walter, bier uit en een wilde braspartij met zang en dans kan beginnen. Deze Master Kent zal een gedeelte van het landgoed erven als de bevolking uit hun huisjes is verjaagd. Hij draagt een hoge hoed en rijdt op een prachtige volbloedhengst en komt uit de stad en hij erft het landgoed omdat de vrouw van Walter -de beoogde erfgename- vroegtijdig is overleden. De hoed is teken van stand.

    ‘Een arbeider zou nooit zo’n zware hoed of een hoed met zo’n brede rand dragen of willen dragen of willen hebben. Zulke hoeden horen bij heren die zelden het hoofd hoeven te buigen of een stuk gereedschap hoeven te hanteren.'(…)

    De zaken nemen een dramatische wending. Plotseling verschijnen er drie vreemdelingen ten tonele. Een vrouw, die uitzonderlijk mooi is, een jonge en een oudere man. Heimelijk zijn de mannen van het dorp verliefd op de vrouw, maar ze beschuldigen haar na enige tijd van hekserij. Wat men niet kent is van de duivel. De mannen worden in schandpalen gezet omdat ze de brand zouden hebben aangestoken, terwijl het gehele dorp weet dat drie jonge knapen dat gedaan hebben. Tot overmaat van ramp is het paard van Master Kent plotseling gestolen. Daar krijgen de vreemdelingen ook de schuld van, hoewel ieder bewijs voor de diefstal ontbreekt.

    De vrouw verdwijnt wijselijk. Maar dan komen we letterlijk in een schimmenspel terecht. Dezelfde vrouw brengt de mannen aan de schandpalen ‘s nachts of in de schemering eten en Thorsk verstopt zich in de bosjes om haar te vangen. Dat mislukt, want de vrouw is de dorpelingen steeds te slim af. Inmiddels is een van de twee mannen gestorven aan de schandpaal en aangevreten door varkens, die in die tijd nog vrij rondscharrelden. De bevolking heeft de mannen bekogeld met drek en rottend fruit. Het lijkt een soort kruisiging, want dit dorp heeft geen kerk maar van godsdienstwaanzin en daaruit voortvloeiende vreemdelingenhaat is volop sprake. Master Kent heeft een leidende rol gekregen, voltrekt huwelijken en leidt begrafenissen.

    De mysterieuze meneer Ganzeveer heeft opdracht gekregen, een kaart te maken van het landgoed. Hij kan als een van de weinige dorpelingen schrijven, maar hij loopt slecht, hij strompelt. Walter moet hem assisteren en deze hulp bestaat uit het noemen van namen van de plekken, die in kaart worden gebracht. De plek waar de bevolking zijn behoefte doet, doopt hij snel ‘Bloesemwater, ‘ want hij ziet zijn kans schoon deze naamloze rommelplek een poëtische naam te geven.

    Het verhaal neemt een tragische wending wanneer een neef van de vrouw van Master Kent, Edmund Jordan, ten tonele verschijnt. Hij kent de dorpelingen en hun gewoontes helemaal niet, heeft nimmer in het dorp gewoond, maar paait de dorpelingen met de belofte dat hij een kerk zal laten bouwen. Zonder hem te noemen zet hij zich af tegen Master Kent, hij vindt hem te slap en appelleert aan de gevoelens van de dorpelingen met een ‘zero-tolerance-avant la lettre.’ Om dat beleid kracht bij te zetten heeft hij knechten meegenomen. Een meisje wordt opgepakt, ze was koningin van de oogst, maar kan niet verklaren hoe ze aan een dure zijden sjaal komt. Vrouwen zijn vogelvrij bij Jordan en zij wijzen op hun beurt naar meester Ganzenveer. Een prachtige Shakespeariaanse verwijzing. Wie onder druk staat verraadt een ander om buiten schot te blijven.
    Meester Ganzenveer schildert, speelt viool en kan schrijven. In de bekrompen dorpsleer is hij dus een leerling van de duivel.
    Walter Thorsk begint zich ongemakkelijk te voelen, hij is bang ten prooi te vallen aan de woede van het dorp. De weduwe Gosse, waar hij regelmatig mee naar bed is geweest wil niets meer met hem te maken hebben. Het net sluit zich.

    Hoe zal dat aflopen? De 7 dagen waarin de handelingen van het boek zich afspelen zijn als een droom voorbijgetrokken. De dorpelingen rapen hun spulletjes bij elkaar. Onverwachts haalt Thorsk, de buitenstaander, nog eenmaal uit, maar de lezer vraagt zich af of het allemaal nog zin heeft. Wat een prachtig boek. Mooi vertaald, een sieraad!

     

  • Het hart van de wereld geraakt

    Het hart van de wereld geraakt

    Albert Camus meende dat de enige vraag die ertoe doet, die van de zelfdoding is. Mensen die vinden dat het leven zinloos is en zichzelf toch in leven houden, zijn volgens hem helden, (levens)kunstenaars.

    Nu komen in de roman Bruiloftslied (1949) van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (pseudoniem van Stig Halvard Jansson, 1923-1954) geen kunstenaars voor, maar boeren, slagers en zwervers. En een enkele zelfmoordenaar of potentiële zelfdoder. Toch is één van hen, Ville, hoe je het ook wendt of keert een held die het leven tegemoet treedt als Sisyphus bij Camus. Ville zag een spin zijn web weven, tussen twee dennen in. Zoiets had hij nog nooit gezien: ‘Ik blijf liggen tot hij klaar is, dacht ik. De spin spon en spon, hij was nooit klaar. Die spin redde mijn leven.’ Een sprookjesachtig gedeelte op driekwart van de roman.

    Bruiloftslied is een roman die veel stijlen in zich bergt. Soms lijkt het inderdaad op een sprookje, maar is het bij nader inzien een surrealistische nachtmerrie, zoals de omschrijving: ‘Hij staat op de drempel, hij heeft een stuk van de maan bij zich, denken ze. Dan zien ze vrijwel meteen dat ze het verkeerd gezien hebben, het is niet de maan die hij bij zich heeft, het is een stuk van de dood.’

    Zo’n alinea leest anders in de wetenschap dat Dagerman, één van de grootste auteurs uit Zweden, zichzelf van het leven heeft beroofd. Hij heeft een klein oeuvre nagelaten, waaronder het genoemde boek Het verbrande kind (1948) en de verhalenbundel Natte sneeuw (1955). Bruiloftslied, dat door David Grävling mooi is vertaald en nu pas in het Nederlands is uitgebracht door de kleine uitgeverij Koppernik, is zijn laatste boek.

    Het verhaal zelf is eenvoudig. Dagerman beschrijft hoe 24 uur wordt beleefd in een arm Zweeds dorp. Een slager, Westlund, staat op het punt te trouwen met de jonge boerendochter Hildur. De dorpsbewoners, en Westlund, zetten het op een zuipen met alle gevolgen van dien. De bruid raakt zwanger van een zwerver, de bruidegom gaat met de meiden die hij in dienst heeft naar bed en zijn dochter uit het eerste huwelijk wordt  door een zwerver verkracht.

    De roman is geschreven in gecondenseerde zinnen, soms zonder persoonsvorm of werkwoord. ‘Zinnen’ die slechts uit één woord bestaan, zoals Jeroen Brouwers ze op gelijke voet omschreef in zijn essay De levende stilte van Stig Dagerman (uitg. Meulenhoff, 1985): ‘Bedreiging. Wantrouwen. Jaloezie. Ontrouw. Drank. Geweld. Haat.’ Of zinnen die na een punt gewoon verdergaan: ‘Het is inderdaad kwart voor. Vier dus.’ Juweeltjes van zinnen:  ‘’t Is moeilijk als niemand het begrijpt. Iemand moet toch wakker zijn als alle anderen slapen. De slapeloze, moeder Palm, zei weliswaar de dominee, is iemand die niet op God vertrouwt. En of zij nou vertrouwt, maar wat met hem daarboven die niemand heeft. In het donker hoort ze hem zijn gedachten weven, donk-donk, een geluid dat alleen zij kan horen. Maar op een nacht, zo weet ze, zal die weefspoel stilstaan. En God zij hem genadig die dan niet wakker is.’

    Dagerman schrijft afwisselend in alledaagse en poëtische taal. Alledaags zoals: ‘Maar hij bent klein. En hij is groot’, en: ‘Op het land staan moeders zonnebloemen met het hoofd gebogen.’ Of poëtisch zoals ‘Terwijl God het licht als honing over het dak spreidt’ en: ‘Ze is zo kwaad dat ze trilt, haar neus vliegt een beetje.’ Soms zijn het zinnen die niet alleen spaarzaam zijn met woorden en gevoelens, maar ook even stug als de boeren die Dagerman beschrijft.

    Het was de bedoeling van de auteur om ‘het hart van de wereld te raken.’ Hij was er onzeker over, of dat was gelukt. Maar dat is de vraag niet meer. Bruiloftslied is een indrukwekkend boek. Geen page turner, maar één om langzaam te proeven, en te genieten van het mooie taalgebruik en dito vertaling.


    Bruiloftslied

    Auteur: Stig Dagerman
    Vertaling: David Grävling
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 245
    Prijs: € 18.50

  • De atoomkolonist van Prypjat

    De atoomkolonist van Prypjat

    De in 1986 ontplofte kernreactor in het Oekraïense Tsjernobyl wordt anno 2015 nog steeds verbouwd – met Europees geld – tot een betonnen sarcofaag die de eeuwigheid moet kunnen trotseren. De straling in de ruïne en omgeving is dermate hoog dat het gebied tot niemandsland is verworden, een zich vele kilometers uitstrekkende nucleaire Todesstreifen. De stad Prypjat ligt daar middenin, een spookstad die als symbool van de ramp bekendheid heeft gekregen door de beelden van een verlaten en overwoekerd kermisterrein. Toch leven er mensen in de afgesloten provinciestad, er is sprake van een geheime samenleving van overlevenden die nergens geaccepteerd worden en ervoor hebben gekozen op hun eigen grondgebied te leven en te sterven.

    Javier Sebastián duikt met De fietser van Tsjernobyl in de bizarre wereld van fictie en non-fictie rond de kernramp. Hij verweeft de feiten – voorzover die bekend zijn – met een indringend verhaal over de kernfysicus Vasili Nesterenko die op de vlucht is voor de Russische autoriteiten. Het geheel wordt bezien vanuit het perspectief van een Spaanse wetenschapper die, in Parijs voor een conferentie, als bij toeval Nesterenko tegen het lijf loopt.

    De verwarde Rus wordt in een Parijs’ zelfbedieningsrestaurant opgemerkt door de verteller die zich druk maakt om de omstandigheden waarin de man verkeert. Als later de politie en de sociale dienst in de veronderstelling zijn dat ze met vader en zoon te maken hebben, worden ze min of meer gedwongen dat maar zo te laten en onthult de schrijver langzaam het verloop van de omzwervingen van Nesterenko.

    Sebastián doorspekt zijn boek met veel informatie over de toedracht en de gevolgen van de ramp in Tsjernobyl. Er passeren verschillende versies van verslagen die vooral aangeven hoe groot de chaos was na de fatale ontploffing. Vasili (Vasja) Nesterenko is als deskundige betrokken bij de paniekerige actie om erger te voorkomen, de brand te blussen en de reactor te koelen. De weigering van de autoriteiten om de bevolking in te lichten over de gevolgen voor de gezondheid heeft geleid tot vele honderden slachtoffers in die eerste dagen na de ramp.

    Op een zondag verschenen er patrouilles soldaten met geigertellers. Toen waren er de evacuatiebussen, allemaal in een rij, met draaiende motoren. Door de luidsprekers werd omgeroepen: kleding en toiletartikelen meenemen, de Ongunstige Radiologische Situatie zal spoedig worden opgelost.

    Nesterenko ontdekt dat de overheid structureel verkeerde informatie verstrekt, het getolereerde stralingsniveau telkens verhoogt en de oorzaak van de ramp in de media probeert te verdoezelen. Hij roept een organisatie in het leven die op zoek gaat naar de ware oorzaak en die de werkelijke gevolgen in de openbaarheid wil brengen. Vanaf dat moment wordt hij gevolgd en moet hij uiteindelijk onderduiken.

    In De fietser van Tsjernobyl brengt Sebastián de omzwervingen van Nesterenko afwisselend in beeld met de bizarre gebeurtenissen rond de kerncentrale. Hij strooit met harde gegevens en dramatische anekdotes en vertelt in tussenliggende delen hoe Vasja onderduikt in de verlaten stad Prypjat, later naar Parijs vlucht en via Spanje weer terugkeert naar Prypjat. De manier waarop Sebastiàn fictie en de realiteit van de geschiedenis met elkaar verweeft is indrukwekkend.

    Nog fraaier maakt de schrijver het door de verteller te laten optreden als Spaanse afgevaardigde bij de Internationale Conferentie voor Gewichten en Maten in Parijs. Zijn ontmoeting en verdere verwikkelingen met Nesterenko worden regelmatig onderbroken door zijn bezigheden op de conferentie waar hij met andere afgevaardigden de exacte vaststelling van het kilogewicht bestudeert. Het is deze – nogal ironische – gedetailleerde ernst die een mooi contrast vormt met de enorme puinhoop die de nasleep van Tsjernobyl vormt. Hij reist terug naar Spanje in het bezit van een exacte kilo (‘een uitdrukkelijke en eerlijke kilo’) als ultieme standaard voor handel en wetenschap. Dat heeft Sebastián goed bedacht, die zuivere wereld der gewichten, terwijl hij verder uitweidt over hoe de Russische overheid de dosis becquerels aan geaccepteerde radioactieve straling met een oekaze weer bijstelt naar boven.

    Het meest aangrijpend zijn de fragmenten die zich afspelen in Prypjat, de besmette stad die voor het oog der wereld geëvacueerd is, maar een groep paria’s een verborgen thuis biedt. Als Vasja Nesterenko vanwege zijn publicaties op de vlucht is geslagen, besluit hij naar Prypjat te rijden in de wetenschap dat men hem niet zal zoeken in radioactief gebied. Hij vestigt zich in een verlaten theatergebouw, legt contact met de kleine groep illegale bewoners en raakt gehecht aan deze biotoop waar het leven gevierd wordt en de dood op ieder moment haar gezicht kan laten zien. Er is een onbevangenheid in de menselijke omgang die door Javier Sebastián op indringende wijze wordt geschetst. De expressionistische wijze waarop hij dialogen met gedachten vermengt is een uitstekende manier om de fictie in deze dramatische omgeving toe te laten.

    Ondanks de overkill aan nucleaire data en verslagen van gemankeerde scenario’s weet Sebastián in De fietser van Tsjernobyl een wonderlijke kern te verbeelden. Het is leven om te overleven, terwijl de radioactieve ‘bescherming’ onvoorwaardelijk de dood zal betekenen. Die tegenstelling brengt een soort heilige intimiteit onder de verschoppelingen van Prypjat en maakt dat Vasja Nesterenko uiteindelijk op geen andere plek wil zijn.

     

    De fietser van Tsjernobyl

    Auteur: Javier Sebastián
    Vertaling: Peter Gelauff
    Uitgever: Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,95

  • Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    In een tijd waarin de status ‘herontdekt’ een boek de beste papieren geeft om een verkoopsucces te worden, verschijnt met Een waanzinnig begin alweer het vijfde boek bij uitgeverij Cossee van de ‘herontdekte’ Duitse schrijver Hans Fallada. Geschreven in de warrige tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, had het niet veel gescheeld of het boek zelf was er niet geweest. De auteur was niet zo met het resultaat in zijn sas. Naast de ‘nederlagen van het dagelijkse leven en de depressies, ziektes en moedeloosheid’ had er ook wat hoopvols tegenover moeten staan. Maar daar is het niet van gekomen, klinkt hij verontschuldigend in zijn voorwoord en daarmee is het boek eigenlijk meer een ‘ziektegeschiedenis’.

    Dat het tóch is gepubliceerd, is vanwege het ‘waarheidsgetrouwe’ karakter. Niet dat het geen roman zou zijn, want niets wat erin beschreven is, is werkelijk zo gebeurd. Maar het had allemaal ‘zo kunnen gebeuren’… En zo laat dit ‘document humain’ goed zien hoe Duitsland zich na de verloren oorlog op het nulpunt bevindt, en hoe het tot wanhoop vervallen volk het opportunisme tot levenskunst verheft. ‘Hoe bijna alle mensen hun geloof kwijtraakten en uiteindelijk toch een klein sprankje moed en hoop terugvonden’. De opflakkeringen van hoop die het hoofdpersonage dr. Doll ten deel vallen zijn vooral aan zijn morfineverslaving te danken. En aan het feit dat diezelfde Doll schrijver is van professie en verrassend veel weg heeft van Fallada zelf, dankt dit boek zijn sterk autobiografische karakter. Maar wat heet autobiografie bij een schrijver wiens leven leest als een roman? De opportunist, alcoholist, flessentrekker en opiumverslaafde die Fallada was, kon in ieder geval ruimschoots uit eigen ervaring putten om zijn hoofdpersoon gestalte te geven.

    Fallada ontziet zijn alter ego allerminst. En op zijn beurt voelt Doll zichzelf –  gelukkig voor de lezer –  slecht genoeg om zich niet boven zijn medemens verheven te voelen. De enigen die een voorbeeldige rol vervullen zijn de Russen. Het Rode Leger wordt hier niet afgeschilderd als een plunderend stelletje groepsverkrachters. Integendeel, ze wijzen je in het donker de weg en zijn niet te beroerd de deur voor je open te houden. Dit smetje, een knieval voor de communistisch gezinde, naoorlogse uitgever van Fallada, ondergraaft natuurlijk enigszins de documentaire waarde van het verhaal. Maar in dit boek komen de bevrijders uit het oosten nauwelijks voor en daarnaast zijn de expliciete verwijzingen naar de politieke crew van Hitler, Churchill of wie dan ook op de vingers van een hand te tellen. De auteur van Kleiner Mann, was nun zweert ook in dit boek weer bij de gewone man. En aangezien Fallada hier zijn eigentijdse wereld beschrijft, blijft de lezer verschoond van obligaat vertoon van research waarmee tegenwoordig menige historische roman wordt ontsierd.

    Het verhaal omvat de periode van eind april 1945 tot juli 1946 waarin in filmische stijl de wederwaardigheden van de sterk op elkaar betrokken 52-jarige dr. Doll en zijn 28 jaar jongere vrouw Alma worden uitgetekend. Na een nachtmerrieachtige ouverture, ziet het er in het begin nog even hoopvol uit. Doll en Alma lijken als enigen in hun Duitse provinciestadje hogere verwachtingen te hebben van de Russen dan van de verdreven nazi’s, als gevolg waarvan ze dan ook door hun stadgenoten met de nek worden aangekeken. Het besef echter evenzeer Duitser, en dus evenzeer deel te hebben aan de slechtheid en misdadigheid van zijn volk, wordt Doll bijgebracht door de wijze waarop Russische officieren zijn ingestuurde welkomstgroet ‘Tovaritsj’ negeren en hem daarbij zelfs aankijken als was hij een ‘verachtelijk dier’. Hij mag dan wel geen gemene zaak met de nazi’s hebben gemaakt, hij behoort intussen niet minder tot dit afzichtelijke volk dat zich door zijn nazimisdaden tot in alle uithoeken van de wereld gehaat heeft weten te maken. Als koeherder respectievelijk zakkendraagster zien we het echtpaar de eindjes van hun schamele bestaan aan elkaar knopen. Maar door ‘een reeks van toevalligheden’ – het verhaal verspringt van scène tot scène –  wordt Doll door de plaatselijke Russische commandant tot burgemeester van zijn stadje benoemd. Daarmee zien zijn medeburgers hun meest gehate man tot hun burgervader gemaakt. Maar Dolls aanpak van profiteurs en zwarthandelaren is weinig succesvol, al tekent Fallada enkele meesterlijk ten voeten uit. Zijn medeburgers zitten niet op zijn politieke standpunten te wachten en keren zich massaal tegen hem. Doll ziet dat het Duitse volk zijn verlies niet naar behoren weet te dragen. ‘Ze hadden niets meer dat de moeite waard was om te verbergen, deze mensen uit een volk dat zijn nederlaag zonder enige waardigheid en zonder de geringste fierheid droeg.’

    Maar in Dolls eigen gedrag is de waardigheid soms ook ver te zoeken: na zijn toespraak namens het nieuwe stadsbestuur van de officieren van het Rode leger, is hij te beschonken om naar huis te lopen. Het morele verval van Duitsland wordt niet met opgeheven vingertje verhaald; het wordt door Doll gediagnosticeerd met de machteloosheid het een wending ten goede te geven en het besef zelf niet veel beter te zijn. ‘Hij was zelf een van die Duitsers, hij was een Duitser, een woord dat overal ter wereld een scheldwoord was geworden. Hij was een van hen, er was niets wat hem van de anderen onderscheidde. (..) hij kon ze niet meer haten, alleen al omdat hij een van hen was. Hem resteerde alleen krachteloze verachting – en zichzelf verachtte hij niet minder dan alle anderen.’ Kon hij zichzelf en de mensen om hem heen eerst nog de kracht toewensen hun lot te dragen, gaandeweg maakt apathie zich van hem meester en grijpt de depressie hem bij de kladden. ‘Nee, hij zat daar gewoon, zonder heldere gedachten. Als hij zijn gemoedstoestand had moeten beschrijven, had hij misschien gezegd dat er in zijn binnenste niets dan mist was, grijze, ondoorzichtige mist, waar niets doorheen kon dringen, geen blik, geen geluid. En verder niets meer…’

    Uit pure machteloosheid zakt Doll in een zware depressie weg. Daarmee kan de ziektegeschiedenis eerst echt los gaan en dient de morfineverslaving zich weldra aan. Zowel bij Doll als bij zijn vrouw, als bij zovele ‘mensen die net als hij wanhopig waren over zichzelf en over Duitsland, mensen die onder de last van alle vernederingen en schaamteloosheid waren ingestort en hun toevlucht hadden gezocht in kunstmatige paradijzen. Allemaal zochten ze – net als hij – de ‘Kleine Dood’. (…) Overal dezelfde vlucht uit het heden, de weigering de last op hun schouders te nemen waarmee de smadelijke oorlog alle Duitsers had opgezadeld.’

    De handeling heeft zich naar Berlijn verplaatst waar Doll en zijn vrouw een woning bezitten. De stad is ondergedompeld in een lugubere sfeer. Hebben ze zich eerst nog verkneukeld bij het vooruitzicht tot rust te komen in hun vertrouwde huis, gaande hun tocht door het nachtelijke Berlijn, tussen kraters en puinhopen, zien ze hun kansen hierop steeds verder slinken. Uiteindelijk treffen ze hun huis weliswaar in redelijke staat aan, maar de verrotting toont zich in zijn nieuwe bewoners aan wie de woning door de Dienst Volkshuisvesting is toegewezen. Deze laten zich niet zomaar uit de woning redeneren en tonen zich gretig slachtoffer van van alles en nog wat en allesbehalve schuldig voor het jammerlijk verdwenen huisraad. De oorlog heeft het echtpaar Doll veel ontnomen, maar van hun beider verslaving komen ze maar niet af. Niet bij machte de misère het hoofd te bieden, laten zij zich verleiden door de morfine en de geborgenheid van een gehospitaliseerd leventje: ‘Nu gaan we in behandeling – we zijn opgebrand -, dus nu gaan we gewoon lekker luieren.’ Zelfmoord wordt nog overwogen: ‘hij verzamelde informatie over cyaankali, morfine, scopolamine, over de doses die gegarandeerd een dodelijke werking hadden (…) hij wilde er klaar voor zijn als hij te eniger tijd genoeg kracht zou bezitten om ‘het’ te doen, om de enige uitweg te benutten die een Duitser vandaag de dag nog overbleef.’

    Maar wonderwel kleurt het verhaal nergens inktzwart. Dat is te danken aan de Fallada’s stijl, die pendelt tussen hoop en wanhoop. Na een klein ontbijtje kan alles er meteen ‘hoopvoller’ uitzien, maar even verder leest men: ‘Het zal allemaal duidelijk worden, al zat het meestal niet mee.’ De Dolls ondervinden steun aan elkaar, al slepen ze elkaar ook mee in hun verslaving. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, stelt hij dan ook vast. Beschrijvingen van een wonderlijke stoet morfineverslaafde doktoren en een met zelfdoding flirtende arts, geven het boek hier en daar groteske allure. Maar de toon slaat niet door naar cynisch effectbejag, en aan de andere kant krijgt onverhuld moralisme ook geen kans. In Een waanzinnig begin ironiseert de verteller Dolls doen en laten te zeer om het een eenduidige kant op te sturen. ‘Als hij serieus nog eens aan het werk wilde gaan en iets wilde betekenen, dan kwam het alleen op hemzelf aan: hij moest zelf zijn apathie overwinnen, opstaan, het vuil van zich afkloppen en aan het werk gaan. Maar zover was Doll op dat moment nog lang niet. Toen het eindelijk vrede was, dacht hij nog lang dat iedereen erop zat te wachten om hem weer op de been te helpen.’ Maar zijn herstel gaat met vallen en opstaan. Uiteindelijk wordt hem de helpende hand gereikt door literator Granzow, die al maanden naar Doll zou hebben gezocht en die hem als een verloren zoon verwelkomt. Deze Granzow, gemodelleerd naar de dichter en politicus van de latere DDR, Johannes Becher, houdt Doll voor dat juist híj, schrijver van Wat nu, kleine man? in staat is de ontreddering van de oorlog voor de gewone man te beschrijven. ‘Je zult zien: op een dag schrijf je toch nog dat ene boek waar iedereen op zit te wachten!’ Dat is in dit boek nog toekomstmuziek, want alle goede voornemens ten spijt geeft de hardnekkige verslaving zich niet zomaar gewonnen. Aan het slot zien we hoopvolle tekenen, wanneer Doll en zijn vrouw een nieuwe woning betrekken. In werkelijkheid zou hij inderdaad dat ene boek nog schrijven. Maar die ultieme oorlogsroman, Alleen in Berlijn, zou zijn zwanenzang blijken. Het schrijven had de door verslavingen en ongezonde levenswandel verzwakte auteur zozeer uitgeput dat hij vóór de roman verscheen, in een ziekenhuis was overleden.

    Met Een waanzinnig begin is weer zo’n typisch Falladaboek vertaald, waarin in een soepele en stijlvaste toon de onrust voelbaar is en waarin de lezer het verhaal wordt ingezogen vanwege de tragiek, echter zonder dat de hoop op beter het loodje legt. Naast de kunstmatige paradijzen biedt ook de liefde soelaas. De sterke band tussen Doll en Alma wordt door Fallada goed getroffen. Twee die elkaar blindelings vinden en in hun verslavingen elkaar even blindelings volgen. Deze auteur verstaat de kunst een verhaal met meesterhand te schetsen en zijn personages te bezielen met zelfdoorleefde hoop en wanhoop.

     

    Een waanzinnig begin

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Anne Folkertsma
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 22,90

  • Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Enkele weken geleden stond er in De Volkskrant een interessant interview met de Amerikaanse psycholoog Barry Schwarz over ‘keuzestress’. Schwarz vertelde dat vrijheid niet per se meer welzijn betekent, maar mensen ook ongelukkig kan maken. ‘De bevoorrechte generatie ervaart doelloosheid en heeft moeite om van de drugs af te blijven,’ zei hij. ‘Een fatsoenlijk leven leiden is tegenwoordig niet genoeg meer. Waarom zou je daar genoegen mee nemen als alles mogelijk is?’

    De nieuwe roman van Philip Huff, Boek van de doden, wordt bevolkt door leden van deze bevoorrechte generatie. Hoofdpersoon Felix Post, een jonge schrijver die enkele succesvolle boeken op zijn naam heeft staan, maar nu kampt  met een gebrek aan inspiratie en de gevolgen van een verbroken relatie, vult zijn dagen met het ophalen van herinneringen aan zijn ex-vriendin Victoria en het maken van afspraakjes met vrienden en gewillige vrouwen. Felix, het alter ego van Philip Huff, heeft weinig te klagen, zou je denken. Terwijl andere, meer ‘middelmatige’ mensen zich dagelijks afmatten met een negen-tot-vijf-baan en een stel eigengereide kinderen, werkt Felix aan zijn creatieve projecten en schuift hij aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk om zijn visie op de Amerikaanse schrijver Salinger te geven. Toch heeft hij de cocaïne van zijn ‘vriend’ Seth nodig om zijn lege dagen door te komen. ‘We nemen onze pillen en we leven nog.’

    ‘De Avonden, maar dan in het nu’, staat op de achterkant van de roman. Nrc.next presenteerde Huffs nieuwe roman als ‘het portret van een generatie’ en wijdde er een uitgebreid artikel aan dat met een grote foto op de voorpagina werd aangekondigd. Maar Boek van de doden is geen portret van een hele generatie (die van eind twintigers en begin dertigers), omdat het boek over een select clubje gaat. De aanstormende schrijvers, acteurs en andere creatieve geesten zijn kinderen van rijke investeerders of bemiddelde bankiers. Ze hebben allemaal hoge verwachtingen, proberen een voet tussen de deur te krijgen in de ogenschijnlijk aantrekkelijke wereld van de media, omdat ze anders ‘mislukt’ zijn. Het zijn de mensen uit  ‘Alles wat we wilden’, de documentaire over de gefnuikte dromen en verwachtingen van creatieve twintigers en dertigers. Huff werkte daar ook aan mee. Het is jammer dat geen enkel personage in Boek van de doden werkelijk op zijn bek gaat en wordt gedwongen om verder te kijken dan het zichzelf feliciterende wereldje waar de personages rondjes in draaien. ‘Felix, denk je niet dat het tijd wordt dat je dat schrijven naast iets anders gaat doen, zoals docent?’ probeert Felix’ moeder nog. ‘Mam,’ reageert Felix, ‘wil je in mijn bijzijn alsjeblieft geen smerige woorden gebruiken?’

    Net als De Avonden speelt Boek van de doden zich af tijdens de laatste dagen van het jaar. De dagen zijn kort, het is koud en de straten zijn uitgestorven. Huff heeft veel aandacht voor Felix’ gevoelens en beschrijft die op een gedetailleerde en beeldende manier (‘Mijn hard klopt hard en hoog in mijn borstkas. Mijn benen en billen voelen klam aan’). Maar door het gebrek aan humor en distantie, die zo kenmerkend zijn voor Reve’s meesterwerk uit de jaren veertig, krijgt de roman op een gegeven moment een benauwend, langdradig karakter. De verteller Felix registreert alleen, maar levert nooit commentaar. Felix neemt zichzelf erg serieus, er is geen moment waarop hij zijn eigen toestand relativeert. Daardoor lijkt alles heel zwaar en ernstig. Er is geen licht aan het einde van de tunnel, of het moet de mooie, getalenteerde Victoria zijn. Maar die is onbereikbaar.

    Tijdens een feestje spreekt een meisje haar bewondering uit over de romans van Felix. ‘Je eerste boek was zo prachtig. Het enige goede van de crisis. Het gaat om verloren materiële rijkdom, de zoektocht naar moraliteit in een immorele wereld.’ Felix heeft geen boodschap aan deze loftuiting, zoals hij zelden een boodschap heeft aan de complimenten die hij krijgt of de kansen die hem in de schoot worden geworpen. Is het valse bescheidenheid van de auteur? Want Huff werpt zich in de krant en op tv maar al te graag op als vertegenwoordiger van een ‘lost generation’. Niettemin heeft deze bewonderaarster een punt. Huffs tweede roman, Niemand in de stad (2012), was een prachtige, geslaagde roman vanwege de treffende beschrijvingen van het corporale studentenleven en de wanhopige pogingen van de personages om een zinvol leven te leiden. De spanning tussen de verwachtingen van de omgeving (ouders, studentenvereniging, vriendin) en de grillige, chaotische en verleidelijke realiteit (vrouwen, homoseksualiteit, literaire ambities) zorgde voor een tragiek die in Boek van de doden afwezig is. Hier heerst de volledige vrijheid en daarmee ook de zinloosheid. Huff doet er goed aan om wat meer om zich heen te kijken, want hij kan zoveel meer.