Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Les Murray en kaddisj zeggen.

    Eregast van literair tijdschrift Liter dit jaar is de Australische dichter Les Murray. Dat houdt de belofte in dat nieuw werk van Murray een primeur zal vinden in de komende edities van Liter van dit jaar. Zijn vertaler, Maarten Elzenga zal hem steeds, (volgens de redactie) daarbij begeleiden. In figuurlijke zin wel te verstaan.

    De eerste begeleidende bijdrage van Elzinga gaat over de nieuwste poëzie van Les Murray. En hoe hij sinds 1994, tijdens een vertalers meeting, steeds meer in de ban is geraakt van Murrays poëzie. Interessant is te lezen dat Elzinga altijd opnieuw door angst wordt overvallen wanneer hij zich voorbereidt op het vertalen van een gedicht van Murray. Hierbij maakt hij de vergelijking met de taak die de Griekse koning en stichter van Korinthe, Sisyphos door de onderwereld werd opgelegd. Namelijk: Een steenblok (lees taalbrok), naar de ijle hoogte te duwen waar de brontekst zich bevindt, en hopen dat dat blok weerspannig door de Nederlandse taal, niet helemaal terug rolt naar de voet van de berg. En het vertalen opnieuw kan beginnen. Voor de vertalingen die in dit nummer zijn opgenomen vroeg Elzinga dan ook vertaler Dorien de Vries te hulp. Deze samenwerking verliep zo goed dat volgens Elzinga niet meer met zekerheid te zeggen is wie voor welke ingeving/vertaling verantwoordelijk is. Een mooi bijdrage over hoe (poëzie) vertalers werken.

    Liter gelooft in mooie literatuur’ is het credo van dit christelijk literaire tijdschrift. Geloven in deze tijd kent vele aspecten waarbij een godsbeeld steeds meer wordt losgelaten. Het ultieme doel van nu is zich niet meer een weg te bereiden naar de hemel maar het aardse leven te behouden. Geloven in duurzaamheid. Lodewijk Dros, die regelmatig over dit thema essays publiceert, verwoordde dat eens als volgt: ‘(…) leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. (…) verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen. ‘ Wat hier ontbreekt is het verleden, van waar we komen. Het duurzame heden is de schakel tussen toekomst en verleden.

    Over de holocaust en de oorlog is al veel gezegd en geschreven. Maar niet eerder kwamen gedichten zo direct binnen, als de gedichtenserie Kaddisj van Jane Leusink. Heden en verleden met een wenk naar de toekomst waarin god nog wordt aangezegd. De serie van dertien gedichten wordt voorafgegaan door een zwart/wit foto waarop een man en een vrouw op een strand. De man in pak met in één hand een paar handschoenen. Hij kijkt alsof hij erg zijn best doet er goed ‘op’ te komen. Naast hem een vrouw, zittend in de omlijstende boog van zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Ze draagt een hoedje en kijkt wat ongelukkig, niet op haar gemak. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de dichter en na enig zoeken blijkt het uit het familie archief te komen van haar inmiddels overleden echtgenoot. Ook heeft ze bestaande teksten gebruikt zoals te begrijpen valt uit het 4e gedicht Een zoon is geboren. In cursief staat erboven “Wat zich verstopt hield / in mijn kogelronde buik aan botjes, spiertjes / in een kleine romp, ik kijk en kijk tot het klopt.” Waarna het gedicht vragend begint: ‘Ben jij het Gudes die dit zegt? Je stuurt een foto / als een hart. Uit de  kinderwagen (kap neer voor beter zicht) / kijkt je baby blakend toe, oogjes onder wenkbrauwboogjes // (…) Een kleine prins, meteen al in licht gegoten. Achterop / haast sprakeloos van ongeloof in Jiddisch, Duits en Nederlands tegelijk / dit is een foto van mijn lieve zoon en dat je die stuurt / als herinnering aan hem.’
    Waarbij  in de laatste regel de vraag oprijst of de ontvanger van de foto Eljie was, de man met wie ze trouwde, weer van scheidde en daar tussen in een kind met hem kreeg. Duidelijk is dat een leven in poëzie gegoten, evengoed een standbeeld is voor de nabestaanden.

    Nog even de jonge dichter Maarten Buser (1991) onder de aandacht. Vertegenwoordigd met drie gedichten waarin alles draait om de protagonist Claude en de ik persoon. De twee- of drieregelige strofen, waarin Buser zijn gedichten schrijft, geven op zich al genoeg beeld geven om mee voort te kunnen. Sinds iemand hem bezwoer dat ‘je niet kunt vereren / wat je niet kunt wiegen’, wil Claude // houtsnijder zijn. / nu praat hij over ‘een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken. (Uit: Naar de natuur).

    Genieten van zijn taalgebruik met regels als, ‘Tussen ons ontspon zich een stilte’, en ‘Ik zou nu graag voor hem bidden maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af’. De laatste regels zijn van het gedicht Kalmerend groen dat begint met: ‘Ik heb een beetje zeep in mijn pyjamamouw / geknoeid. (…).’ Ondanks de vreemde voorstellingen in de gedichten schrijft Buser duidelijke taal.

    Meer bijdragen van onder meer Daniel Rovers, C.S. Lewis, Els Meeuwse, Marianne van Reenen, Arthur Schnitzler, Jan Sonneveld en Nels Fahner.

    Lees meer (en een eigen exemplaar van Liter bestellen) via deze link: www.leesliter.nl

     

     

  • Geen verband gevonden

    Geen verband gevonden

    De verhalenbundel Viva L’Italia waarmee Van der Sluis debuteert is een merkwaardig boekje. Het bevat 20 korte verhalen die zich ieder afspelen in één van de 20 regio’s van Italië en die bijna allemaal eindigen met een misdaad.

    Van der Sluis is verbonden aan het literaire weblog TZUM waar hij de inleiding op zijn boek heeft gepubliceerd (en niet in de bundel zelf). Daar lezen we wat zijn bedoeling met deze bundel is. Hij schetst onder meer de verschillen tussen het romantische beeld dat vooral buitenlanders van Italië hebben –zon, cultuur, lekker eten, goede wijn, hartelijkheid, e.d. kortom la dolce vita- en het andere beeld van Italië: corruptie, de maffia, de bureaucratie, de schaamteloze lelijkheid van de stedelijke periferie, e.d. Dat gezegd hebbende, wil Van der Sluis in elk verhaal ‘het eigene van de verschillende regio’s tot uiting laten komen, ‘het onbekende, het perifere en soms duistere.’ En omdat de passie en warmbloedigheid toeneemt naarmate je zuidelijker komt, zijn misdaad en de dood dichtbij.’ Om die reden eindigt elk verhaal met een misdaad.
    Dat nu is merkwaardig wanneer je het eigene van een regio wilt benadrukken, alsof iedere regio zijn eigen misdaad kent. Bijna alle moorden spelen zich af in de relationele sfeer en staan min of meer los van de plaats delict.

    Na lezing van de bundel moet je concluderen dat Van der Sluis zijn ambitie niet waarmaakt. Noch het eigene van de diverse regio’s komt uit de verf, noch lezen de verhalen als misdaadverhalen. Sterker: de misdaad, meestal een moord, blijkt vaak als een verrassing aan het slot van het verhaal gepleegd en is niet altijd in verband te brengen met wat er aan vooraf ging. Er zitten ook verhalen bij waarvan de afloop niet direct duidelijk is, zoals ‘Ongehoorzaamheid in Veneto’. Dat verhaal speelt zich af in een klooster in Venetië waar de zusters krampachtig proberen de boze buitenwereld buiten de kloostermuren te houden. Maar dan moeten ze een groepje doofstomme jongeren, uit een instituut bij Verona, dat zich aan losbandigheid heeft overgegeven, op het rechte pad brengen. Uiteindelijk wordt dit kwaad, op verzoek van de pater van het instituut, opgelost in de lagune van Venetië…
    Het verhaal over ‘Le Marche’ gaat over twee IKEA medewerkers waarvan er een wordt ontslagen. Uit frustratie stelen ze een auto waarbij de eigenaar door de een wordt vermoord en zijn vrouw, ‘nadat ze genoeg van haar hadden’, door de ander wordt vermoord. Dit verhaal is niet specifiek voor Le Marche behalve dan misschien dat het Joegoslaven (bestaan die dan nog?) zijn en er een veerbootverbinding vanuit Ancona naar Kroatië bestaat. Van der Sluis legt evenmin een verband tussen deze autodieven en het eigene van de streek. Eigenlijk geldt dat voor alle verhalen in deze bundel.

    Hoewel Van der Sluis een goede pen heeft en een vlotte stijl, doet deze bundel nogal gekunsteld aan.

     

     

  • Der Tod und das Mädchen

    Der Tod und das Mädchen

    Amber Klein, de 12/13-jarige hoofdpersoon van de vierde roman van Marieke Groen, groeit op in een gezin met een vader, moeder en broertje. De beklemmende sfeer van dit gezinsleven spreekt uit een zinnetje als: ‘De vader zit al aan tafel. Ze [d.i.Amber] aarzelt even, maar gaat dan toch tegenover hem zitten. In zijn zicht, maar buiten zijn bereik.’ Het is niet de beklemming van een streng gelovig gezin, zoals bijvoorbeeld bij Franca Treur, want het gezin is niet gelovig. Maar het is de beklemming van een gezin dat bang is om (samen) te leven. Een angst die we bijvoorbeeld ook kennen uit de boeken van generatiegenote Annelies Verbeke.

    Amber is een meisje vol angst en fantasie. Ze is bang dat haar grootvader iets zal overkomen: ‘Er hoeft maar één automobilist de macht over het stuur te verliezen, één dakpan van een dak te vallen.’ Ze heeft soms medelijden met haar broertje dat scheel is en eczeem heeft, en ze ‘droomt van giframpen en aardbevingen. Van terroristische aanslagen en ongelukken. Ze zou er goed in zijn, ze zou uitblinken. Ze zou een van de weinige overlevenden zijn.’ Daar gaat het om: overleven.

    Het gezin waarin Amber opgroeit, is het soort gezin dat op straat wordt nagekeken: ‘Amber voelde de blikken als kiezelsteentjes tegen haar rug landen.’ De moeder correspondeert met ter dood veroordeelde Amerikanen. Eén ervan ontkomt aan de doodstraf. Dat komt, denkt Amber, omdat zij op de dag dat de executie zou worden voltrokken, aan hem heeft gedacht en omdat ze thuis hetzelfde galgenmaal aten als hij.

    Amber heeft geen vriendjes en vriendinnetjes behalve Jong, een ‘poepchinees’ die ‘overbleef toen de andere kinderen op school vriendschappen hadden gevormd.’ Ze spelen samen in een uitgebrand huis. Ze had de kinderen die er woonden graag gered, maar ‘de ouders zou ze laten liggen.’
    Amber voelt zich schuldig aan het feit dat ze er überhaupt is, omdat ze alle fut heeft gezogen uit haar moeders borsten (‘de moeder’ heet ze consequent). En omdat ze voor de helft afkomstig is van de zaadcel van haar vader (‘de vader’). Het kwaad zit met andere woorden in het gezin, en komt niet van buitenaf.
    Amber wil proberen los van de familie te komen, al is dat zwaar omdat de ouders geen naam, en daardoor als het ware geen eigen identiteit hebben, waardoor het moeilijker is om zich ergens tegen af te kunnen zetten. Ze zijn even leeg als het uitgebrande huis. Amber, Jong, twee vissen (Saskia en Jeroen), twee moerasschildpadjes (Schildje en Padje) zijn met de gedetineerden uit Amerika de enige levende wezens die in het boek een naam hebben. Al mogen ze figuurlijk geen naam hebben.

    Het boek is op een onderkoelde toon geschreven vanuit het perspectief van een alwetende verteller. Met een humor die een diepere laag heeft en soms vooruit wijst naar onheil dat spoedig zal volgen. Zoals in de passage over de vaat die de moeder opstapelt om naar de keuken te brengen: ‘”Alweer die afwas,” verzucht de moeder (…). “Ik heb zo’n zin om de boel gewoon uit mijn handen te laten kletteren.” De vader steekt een tandenstoker tussen zijn kiezen. “Dan doe je dat toch?” De moeder blijft stilstaan en kijkt hem aan. Het volgende moment klinkt er een enorme klap. Borden spatten uit elkaar, bestek vliegt alle kanten op. De stilte die erop volgt is oorverdovend. Amber knippert met haar ogen. De vloer is bezaaid met scherven. Op het raam zit een gebakken aardappeltje dat langzaam in zijn eigen vet naar beneden glijdt. De vader begint als eerste te lachen, en dan lachen ze allemaal, hard en opgelucht.’

    Wat volgt is een periode waarin de moeder kampt met overspannenheid. Dat komt, zegt de vader, door Amber. En daarom trekt hij zijn handen van haar af. Vanaf het moment dat hij dit aan Amber heeft meegedeeld, doet hij er het zwijgen toe. Dit wordt beschreven in passages die snijden door de ziel. ‘Haar leven heeft ze geprobeerd onzichtbaar voor hem te zijn, nu is ze het, en het voelt alsof ze dood is.’

    Eigenlijk zou Amber tot de andere familie Klein willen behoren, een oom en tante met hun zoontjes, die aan de overkant van de straat wonen. Daar is geen ruzie, heerst geen beladen stilte en kan iedereen tijdens het eten zijn/haar verhaal doen zonder bang te zijn een klap of een scheldkanonnade over zich heen te krijgen. Zoals er in het verhaal van Alice in Wonderland een verkeerde Alice (‘the wrong Alice’) en een goede Alice bestaat, zo is er in het ondermaanse een goede en een slechte familie Klein.

    De achtergrond van het boek wordt gevormd door een Darwinistisch idee van overleven: degene die niet opvalt, zich aanpast aan de omgeving en het sterkst is, is daartoe in staat. Telkens weer probeert Amber zich aan te passen, door te slijmen met de vader als zijn getreiter haar te erg wordt. Door een mooi cadeau voor hem te kopen van het voorschot aan zakgeld dat de moeder haar gaf. Maar dat mislukt, want ze verliest het geld ergens en kan het niet meer terugvinden. Ze geeft hem een vulpen die hij eerder zelf op straat had gevonden.

    Het boek is sterk, zowel qua stijl en taalgebruik als qua inhoud. De lezer zou bij eerste lezing kunnen denken dat het wellicht nóg meer aan kracht en een strakkere compositie zou hebben gewonnen, als bepaalde subtiele detectiveachtige elementen er niet doorheen waren geweven. Zo blijkt de grootvader een verhouding gehad te hebben met een Spaanse vrouw waaruit een dochtertje geboren is. Dat meisje logeert tijdelijk bij de andere familie Klein wanneer haar moeder is overleden. Maar bij herlezing zal opvallen waarom het tweede verhaal er staat zoals het er staat: een verhaal dat à la Shakespeare is ingevoegd, zoals het kind van de grootvader en de Spaanse vrouw wordt ingevoegd in de bloedverwantschap van de andere familie Klein. Terwijl Amber juist los van de knellende familiebanden probeert te komen. Dat lukt haar even, als ze geruime tijd bij de zieke oma logeert om die te kunnen helpen. Dat komt goed uit, op het moment dat haar eigen moeder overspannen is en de vader niet met haar spreekt. Maar dan sterft ook de oma. Niets blijft Amber bespaard.


    De andere familie Klein

    Auteur: Marieke Groen
    Verschenen bij: Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 18,90

  • Levensecht doch filosofisch icoon

    Levensecht doch filosofisch icoon

    De ‘baas’ is op weg naar Kreta, hij heeft er een concessie voor de winning van bruinkool. Er gaat ook een manuscript mee, daar kan hij op het paradijselijke eiland wellicht tussen de bedrijven door aan werken – een verhandeling over de Boeddha. In de haven van Piraeus, wachtend op de veerboot, heeft hij een bijzondere ontmoeting, een oude man van rond de vijfenzestig, boomlang, knokig… wat nog de meest indruk op me maakte, waren zijn spottende, droevige, onrustige ogen, een en al vuur. De man heet Alexis Zorbás en hij dringt zich op als reisgenoot, hij is bereid alles aan te pakken en heeft, naar eigen zeggen, vooral veel ervaring als mijnwerker: ik weet alles van erts, kan aders vinden, mijngangen openen, in gaten afdalen; ik ben niet bang. Een reddende engel, dus, de baas neemt hem prompt in dienst. De ontmoeting vindt plaats in het eerste hoofdstuk van Nikos Kazantzakis’ beroemde Leven en wandel van Zorbás de Griek, uit 1959. Er is zojuist een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van Hero Hokwerda bij Wereldbibliotheek.

    De ‘baas’ is de verteller van het verhaal, je komt veel van hem te weten, maar niet zijn naam en bitter weinig over zijn achtergrond. Alom wordt aangenomen dat hij veel overeenkomsten heeft met Kazantzakis zélf. Dat klopt in ieder geval voor de preoccupatie met de Boeddha en het Boeddhisme – de schrijver studeerde in Parijs bij Henri Bergson en hield daar een levenslange fascinatie met Nietzsche – en dus het Boeddhisme – aan over. Zorbás de Griek staat vol met mijmeringen over de Boeddha, over begrippen als vrijheid, onthechting, gebondenheid, verantwoordelijkheid. Je moet je van hartstochten bevrijden! Dat is blijkbaar het streven. De baas weet het, maar zoekt wanhopig naar wegen om die moeilijke les in praktijk te brengen. Op het strand van Kreta heeft hij soms de illusie dat het einddoel dichterbij komt. De heilige eenzaamheid strekte zich vilein en verleidelijk als de woestijn voor me uit. Het sirenenlied van Boeddha steeg op van de grond en omwikkelde mijn innerlijk. De vraag is steeds wanneer hij zich uit de wereld kan terugtrekken, vrij, zonder angst, een en al plezier, zonder begeerten. Wanneer? Wanneer? Wanneer? Af en toe zit hij hele dagen aan het manuscript te werken, dan weer legt hij het teleurgesteld terzijde. Tenslotte is het klaar, maar de baas (en de schrijver) doet er dan niets meer mee. Hij maakt er een pakketje van en zet zijn naam erop. Symbolisch?

    De baas heeft ruim tijd om zich te bekommeren over zijn filosofische kwesties, want Zorbás doet al het echte werk. Hij huurt mijnwerkers in, is opzichter en ingenieur tegelijk, kookt, zingt, danst en zorgt voor gezelschap. Beide heren verblijven in een primitief optrekje aan het strand, waar ze slapen, drinken, eten en keuvelen. Ze zijn de beste maatjes ondanks hun uiteenlopende posities: de kapitalist tegenover de proletariër. Bovendien is de baas geschoold, in feite een kamergeleerde. Dat wordt hem ook onophoudelijk ingepeperd: Zorbás ziet niets in boekenwijsheid, het échte leven is de beste, de enige onderwijzer. De baas is verpest door die ‘vervloekte boeken’. Het anti-intellectualisme zal vast typerend zijn voor zo’n Griekse oerkracht, maar Kazantzakis neemt er opmerkelijk weinig afstand van. Zorbás stuurt zichzelf, zijn (feilloze) morele kompas zit in z’n hoofd. Zijn levenslust en nuchterheid wekken bewondering en misschien zelfs jaloezie. Zeker bij de baas: Deze man, dacht ik, is niet naar school geweest en zijn geest is niet bedorven geraakt. Hij heeft veel gezien, veel uitgehaald, veel doorgemaakt; zijn geest heeft zich geopend en zijn hart heeft zich verwijd, zonder dat hij zijn primitieve manhaftigheid verloor. Alle ingewikkelde problemen die voor ons onoplosbaar zijn, hakt hij in één klap door. Zorbás, kortom, is de Nobele Wilde, net als de Vrijdag van Robinson Crusoe, de Sancho Panza van Don Quichot of de Huckleberry Finn van Tom Sawyer. Ruwe bolster, blanke pit.

    Maar Kazantzakis gaat de schelmenroman voorbij, Zorbás is ongetwijfeld met enige levensechtheid geportretteerd, maar is vóór alles een filosofisch icoon, een Nietzscheaanse Übermensch. Alle elementen uit Also sprach Zarathustra komen in het personage van Zorbás samen. Ook hij heeft eerst moeten lijden om te komen tot zijn huidige staat van ‘verlichting’. In zijn jeugd heeft hij tegen de Turken en Bulgaren gevochten in Macedonië en een lugubere reeks gewelddadigheden gepleegd – naar hedendaagse maatstaven zou Zorbás zonder meer als oorlogsmisdadiger veroordeeld kunnen worden. Maar nu heeft hij zich opgewerkt tot een niveau van kinderlijke onschuld en creativiteit. Als de stemming goed is, pakt hij zijn sandouri en danst hij een zeïbékikos of een chasápikos. Maar uiteindelijk is hij z’n eigen baas en laat hij zich door niets of niemand dwingen. Het is geen toeval dat Zorbás zich God voorstelt zoals hij zelf is, alleen langer, sterker, geschifter en onsterfelijk.

    Zorbás de Griek is teveel traktaat, te weinig roman, de charmes zijn er in de loop van de tijd teveel afgesleten – of misschien is iedereen op het verkeerde been gezet door de verfilming van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn in de rol van Zorbás, dat was één en al onbezorgde vrolijkheid. Beter dan het boek. Wat vooral opvalt is de grenzeloze vrouwenhaat die uit het boek walmt – ligt dat ook besloten in het Nietzscheaanse wereldbeeld of is dat authentiek Kazantzakis? Een probleem waarmee de baas en Zorbás voortdurend worstelen is of vrouwen eigenlijk wel mensen zijn. Zorbás maakt er niet al teveel problemen van: een vrouw is een bron, je drinkt ervan tot je botten ervan kraken en daarna komt er iemand anders die dorst heeft, en later weer iemand anders, zo zijn bronnen en zo is de vrouw. Vrouwen moeten gepakt worden en je pleegt een doodzonde als je dat nalaat. Verder zijn vrouwen zwakke en klaaglijke schepsels, beslist geen echte mensen. De kwalificaties die de voormalige hoerenmadam Hortense krijgt aangemeten liegen er dan ook niet om: zeug, lellebel, platgenaaide scheepsvaandel, vette, rotte sirene, heupwiegende zeekoe. Als de ‘weduwe’, het liefje van de baas, door de dorpelingen gestenigd wordt en onthoofd, kijkt hij zelf passief toe. Een dag later besluit hij dat het zo had moeten zijn, geen spoor van wroeging of ongemak.

    Kazantzakis is geen literaire hoogvlieger, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Vertaler Hokwerda wisselt nogal eens van register en heeft een vreemde voorliefde voor sommige archaïsche woorden, de een na de ander verkeert in agonie. In het dorp zijn geen tuinen maar gaarden. In zijn interessante nawoord gaat hij uitvoerig in op het leven en werk van Kazantzakis, minder op de vertaling. Hij wijdt hij een halve voetnoot aan de vrouwonvriendelijkheid en hij vindt het jammer als de lezer zich daaraan zou ergeren. Wie zich er al te zeer aan stoort, merkt Hokwerda op, moet misschien het geval in gedachten houden van Céline: een groot schrijver, maar dan moet je wel zijn antisemitische uitlatingen op de koop toe nemen. Dat roept vragen op. Bij voorbeeld: staan de antisemitische uitlatingen van Céline in de tekst van zijn boeken? En: is Kazantzakis wel zo’n groot schrijver?


    Leven en wandel van Zorbás de Griek

    Nikos Kazantzakis,
    Vertaald door: Hero Hokwerda
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: € 24,95

  • Knappe roman over beladen onderwerp 

    Knappe roman over beladen onderwerp 

    De debuutroman van Inge Schilperoord (1973) begint met een citaat van de Franse schrijver en filosoof Albert Camus: ‘De mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt’. Net zoals Meursault, de gesloten Franse Algerijn in Camus’ bekendste roman De vreemdeling, probeert de dertigjarige Jonathan, de hoofdpersoon in Muidhond, onopvallend zijn eigen leven te leiden, maar zit de wereld waarin hij leeft dat voortdurend dwars. Meursault en Jonathan ervaren hun bestaan als een opeenvolging van tragische gebeurtenissen waarover zij geen regie hebben. De werkelijkheid biedt geen houvast, maar is een ondoorgrondelijk moeras vol valkuilen en hindernissen.

    Aan het begin van Muidhond, de naam van de zwakke, geheimzinnige vis die Jonathan op zijn slaapkamer gevangen houdt, is Jonathan thuisgekomen van een kort verblijf in de gevangenis. Waarvoor hij is aangeklaagd, wordt pas in de loop van de roman duidelijk. In ieder geval heeft hij op een beslissend moment zijn zelfbeheersing verloren. Hij herinnert zich een buurmeisje met wie hij ‘te ver is gegaan’. ‘Nu moet ik opletten,’ denkt de gevoelige, sociaal onhandige jongeman voortdurend, alsof hij zichzelf tot de orde moet roepen.
    Jonathan probeert een ‘normaal’ leven te leiden met een baantje in de visverwerkingsfabriek. Met zijn eenzame moeder kijkt hij elke avond naar hetzelfde spelprogramma op tv, omdat ‘dat zo hoort’. Maar de verleiding is nooit ver weg, hoe fanatiek hij ook werkt aan zijn opdrachten die van hem ‘een beter mens’ moeten maken.

    Pedofilie is een gevoelig onderwerp in de literatuur. Romans over pedofilie vormen al snel het middelpunt van controverse of het mikpunt van spot. Zo werd Vladimir Nabokovs Lolita aanvankelijk door uitgevers geweigerd en werd het na publicatie in 1955 in Frankrijk enige tijd verboden. In Een honger, de onlangs verschenen roman van Jamal Ouariachi, houdt de hoofdpersoon een pleidooi voor pedofilie. Volgens de recensente van De Volkskrant wordt de roman een pamflet ‘als Ouariachi schoolmeestert over het beladen onderwerp pedofilie’. Wat Muidhond zo bijzonder maakt, zijn de kennis en het inlevingsvermogen waarmee de forensisch psycholoog Schilperoord haar hoofdpersonage portretteert. Zij beschrijft hoe Jonathan met de beste intenties zichzelf dwingt elke avond enkele opdrachten uit zijn ‘therapeutische werkboek’ te maken, totdat hij ervaart hoe groot de kloof tussen theorie en praktijk is. Als hij alleen is met een meisje voor wie hij wil zorgen, maar die hij ook lichamelijk wil bezitten, blijkt het stappenplan dat hem de juiste handelingen voorschrijft waardeloos. Op dat moment hoort hij alleen zijn oren suizen en ziet hij zijn handen trillen.

    Het is knap hoe Schilperoord, die als romanschrijver weinig ervaring heeft, erin slaagt om de spanning zo geleidelijk op te bouwen als in Muidhond. In de eerste helft van de roman lees je alleen over Jonathans inspanningen en zijn gedachten en twijfels bij de vooruitgang die hij boekt in zijn ontwikkeling tot een ‘normaal mens’. Jonathan moet zijn voorkeur voor kinderen inruilen voor volwassen vrouwen, zegt de psycholoog. Hij bouwt zijn dagen vol met rituelen en verplichte handelingen, zoals het uitlaten van de hond en koken voor zijn moeder. De schema’s die hij maakt en zijn therapeutische werkboek geven hem houvast in het onberekenbare, gevaarlijke alledaagse bestaan. Maar zijn doorzettingsvermogen en optimisme worden steeds meer ondermijnd door innerlijke onrust, omdat hij inziet dat hij niet in staat is om wezenlijk te veranderen. Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen, zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

    Je leert Jonathan kennen als een zonderlinge man die niet in staat is om richting te geven aan zijn leven. Hij heeft te weinig ambitie om de visverwerkingsfabriek te verlaten en het sobere, maar overzichtelijke en comfortabele leventje met zijn moeder weerhoudt hem ervan om risico’s te nemen en zijn eigen weg te gaan. Jonathan ziet het leven aan zich voorbij glijden, hoezeer hij ook moeite doet om er grip op te krijgen en er betekenis aan te geven. Hierdoor ontstijgt hij het profiel van de verwerpelijke, veroordeelde pedofiel en krijgt hij een algemeen-menselijk gezicht.

    Muidhond

    Auteur: Inge Schilperoord
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 17,50

  • Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Wel de roes, niet de hoofdpijn

    Een goeie drinkscène, daar knapt menig boek van op. Maar het zijn niet de gemakkelijkste om te schrijven. Zoals een acteur die een dronken personage op het toneel neerzet moet waken voor over-acting, zo moet een auteur ervoor waken dat zijn scène over the top wordt.

    Een goed voorspel is van belang – waarom grijpt het personage naar de fles? – maar meer nog de opbouw van de roes. De lezer moet glas voor glas worden meegevoerd in die roes, als het even kan naar een allesvernietigende apotheose. Waarin het nodige kapot gaat, zowel in materiële als relationele zin. Maar die roes is het allerbelangrijkste; wat is er mooier dan als lezer samen met het personage langzaam dronken te worden? En dan zonder pijn in je kop verder kunnen lezen.

    Glas voor glas, laat dat maar aan dichter/romanschrijver Erik Jan Harmens (1970) over. In zijn bekentenisroman Hallo muur beschrijft hij zijn – vijfentwintig – alcoholische jaren. Harmens slaagt er bij vlagen goed in om de lezer uit zijn luie stoel te trekken en mee te slepen naar de bar: ‘Nou vooruit, nog eentje dan. Nog één Westmalle Tripel.’ Is het bij de ik-figuur steeds het volgende glas dat blijft lonken, bij de lezer is dat steeds het volgende korte hoofdstuk. Want Harmens presenteert zijn verslag van bijna-zelfvernietiging niet in één lange, chronologische verhandeling.

    Hij biedt ons hapklare brokken van gebeurtenissen die afwisselend spelen in het heden en het verleden. Dat is slim. Die dosering zorgt voor de broodnodige variatie: het leven van een verslaafde vertoont immers weinig reliëf en dus is het inkijkje wat de schrijver ons biedt in beginsel saai. Ook al is Harmens personage nog in staat er een redelijke baan op na te houden – en iets wat op een gezinsleven lijkt – voor het overige zijn denken en doen beperkt. Die worden slechts door twee emoties gestuurd: verlangen en angst. Het verlangen naar de roes en de beheersing van de angst: ligt er wel genoeg in de koelkast om de avond door te komen?

    Hallo muur is, en dat klinkt gek als we het over verslaving hebben, een heel nuchtere bekentenis. In een onopgesmukte stijl, wars van pathetiek en zonder medelijden op te wekken, doet de schrijver eerlijk verslag van een rauw leven. Als een boekhouder, zo minutieus beschrijft hij wat hij aan alcohol inneemt op een dag. Zelfs al is de helft maar waar, dan nog vraag je je af of de schrijver überhaupt nog wel een lever heeft. Zelfs de therapeute van de verslavingskliniek schrikt als de ik-persoon opsomt wat hij zoal tot zich neemt op een dag. En dan houdt hij ook nog eens de helft achter. Die opsommingen, waar Harmens zijn boek veelvuldig mee heeft gelardeerd, doen wel afbreuk aan Hallo muur. Wie zoveel door elkaar drinkt, kan daar onmogelijk de volgende dag een magazijnlijst van opstellen. Maar we begrijpen wat Harmens zeggen wil: het was érg veel.

    Verslaafden zijn vaak goed in het bagatelliseren van het probleem. Slagen er voor de buitenwereld in het monster in wiens klauwen ze geraakt zijn af te schilderen als een vriendelijke fee. Harmens behoort tot die categorie en heeft dat heel mooi beschreven. Je ziet hem stiekem naar het schuurtje sluipen om de lege flessen te verstoppen. Je moet glimlachen om de trucs die hij uithaalt om een ander het idee te geven dat hij pas aan zijn eerste pilsje is.

    De ik-figuur doet zijn bekentenissen tegen een denkbeeldige muur. Vandaar de titel. In feite zijn u en ik, de lezer-luisteraar, die muur. Maar de muur staat voor méér. Zie het als de door de ik-figuur zelf opgerichte afbakening van zijn verslaving. Hij weet, zoals elke verslaafde het weet, dat minderen niet de oplossing is. Het is alles of niets: drinken of helemaal niet drinken. Dat glaasje wijn alleen bij het eten zijn er aan het eind van de week al twee. En dus is er de zelf gemetselde muur die Harmens nog eens prachtig laat terugkomen in de scène waarin hij met zijn gezin een tussenwoning betrekt waarbij aan weerszijden van de tuin de omheining ontbreekt. Dat is moeilijk wonen, je zo bespied te weten van beide kanten. Vanaf dat moment wordt dan ook het hoogste ideaal: een huis met een muur om de tuin.
    Hallo muur

     

  • Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Alphonse Badji, een vroegere Senegalese muzikant uit Brussel, werkt als zelfstandig klusser in een klein dorp aan de Belgisch-Franse grens waar hij met zijn (blanke) vrouw Kat sinds een jaar woont. Hoewel Kat af en toe droomt van teruggaan naar de stad, zijn ze er best tevreden. Aan werk heeft Alphonse geen gebrek. De ene klus – meestal schilderwerk – is nog niet achter de rug of de volgende dient zich alweer aan. De klanten bellen of mailen hem. Als hij voor de deur staat wordt hij een enkele keer plotseling geweerd, waarschijnlijk vanwege zijn donkere huidskleur.

    Meestal echter wordt hij verbazend snel in vertrouwen genomen over allerlei persoonlijke besognes van de klanten en vervolgcontacten hierover blijven niet uit. Al deze klanten, door de nuchtere Kat soms ‘patiënten’ genoemd, bellen Alphonse om ondersteuning, en de goedhartige schilder draaft braaf op om naar hen te luisteren, hen naar het ziekenhuis te brengen, hun hond in huis te nemen of de kinderen gerust te stellen. Hij laat zich de hulpvragen welwillend aanleunen, schept genoegen in de rol van reddende engel. Al snel is de klusser die de klanten nog maar een week of wat kennen hun grootste vertrouweling geworden.

    Het verhaal wordt luchtig verteld met mooie gedachten als: ‘Iedereen is een optocht, denkt Alphonse, en daarin neemt er een de leiding, of telkens een andere, afhankelijk van de situatie of van wie er per toeval een ruimte met je deelt. Er zijn tijden geweest waarin hij de wat ongezonde neiging had zich dommer voor te doen dan hij was, nieuwsgierig naar het soort leiders dat in andermans parade op zou staan. In zeldzame gevallen moet je je rug keren naar wat ze je tonen.’ En ironische frasen als ‘… en een café met een portret van de eigenaar die van het plafond op je neerkeek alsof hij in je bier wilde spugen.’ roepen een glimlach op.

    Verbeke heeft alles uit de kast gehaald om een levendig verhaal te schilderen. Achtergrond en interesses van de personages, zijweggetjes over bijvoorbeeld de tirailleurs uit de eerste wereldoorlog, het bezoek van vriend Amadou waarin de Brusselse periode wordt opgehaald en niet te vergeten de couleur locale van het stille dorp dat tegen het einde een onaangename hoofdrol blijkt te spelen, zetten een treffend verhaal neer. Ook de obligate seksscène, plastisch verbeeld met Alphonse in de hoofdrol, ontbreekt niet.

    Dat de klanten blijkbaar geen familie of vrienden hebben om hun problemen mee te bespreken, doet wat gekunsteld aan. De toevallige ontmoetingen van Alphonse met zijn beschermelingen wekken soms bevreemding en voor de lezer is het moeilijk te geloven dat hij als enige hen voor de ondergang kan behoeden. Sommige scènes, zoals die waarin een lompe journalist bij een geïnterviewde schrijfster thuis ‘zijn broek laat zakken’ en op het parket zijn behoefte doet, en, ja hoor, een zwangerschap binnen een ingewikkelde driehoeksverhouding, schieten wel erg door als het om geloofwaardigheid gaat.

    De situaties met de klanten doen aan een klucht denken die je niet al te serieus hoeft te nemen, net als het vechthuwelijk van Kats ouders dat geregeld uitmondt in Who’s afraid of Virginia Woolf-achtige situaties, maar dan lachwekkender. ‘Ze lusten elkaar rauw,’ schrijft Verbeke en zij laat Alphonse zich ‘operetteachtige taferelen’ herinneren ‘waarbij de twee elkaar verbaal en een enkele keer fysiek te lijf gingen’. Alphonse en Kat zelf daarentegen, hun vrienden en later de vluchtelingen die zij trachten te helpen doen wel weer waarachtig aan.

    Vele lijnen tekenen de gebeurtenissen in het dorp. Dertig dagen is een veelhoekige ster waarvan de punten vakkundig met elkaar zijn verbonden. Geen situatie blijft open en alle problemen vinden een soort happy end. Bijna alle, want Verbeke zou de affaires voor de romanlezer te onbevredigend gladjes hebben laten verlopen als er niet ergens iets behoorlijk mis gaat. Dat het noodlot volkomen onverwacht toeslaat, laat zien dat de auteur het plot tot het einde toe goed in de hand heeft. Ondanks de toevalligheden, de extremiteit en vergaande welwillendheid van Alphonse in de rest van het boek, heeft die gebeurtenis een honderd procent overtuigende logica in zich.

     

     

  • Het leven is zware bagage

    Het leven is zware bagage

    ‘Niemand kan op water lopen en daarom hebben de vissen ook geen voeten’.

    Wanneer Sigga de zee inloopt om zichzelf te verdrinken, redt de stiefmoeder van Ari haar. ‘Niemand gaat zichzelf verdrinken terwijl ik toekijk’.

    In deze poëtisch geschreven familiesaga staat het leven van Ari centraal. Hij groeit op in Keflavik, ‘de zwartste stad van IJsland’, trouwt en blijft daar wonen. Wanneer hij twee dichtbundels en romans heeft gepubliceerd, houdt hij op met schrijven –anderen zijn in zijn ogen veel beter- en wordt uitgever. Dan verlaat hij zijn vrouw en drie dochters en verhuist naar Denemarken. Hij sms’t aan zijn vriend: ‘het is niet altijd goed in een kleine gemeenschap adem te halen, het gebrek aan lucht kan benauwend werken en ik ga voordat ik stik’.
    Twee jaar na zijn vertrek is hij weer terug, zijn vader ligt op sterven. Daar begint het verhaal van zijn jeugd, van zijn familie, van de liefdesgeschiedenis van zijn grootouders, zijn vriendschap met de ik-verteller (wiens identiteit in nevelen blijft gehuld), zijn verhouding tot zijn vader en stiefmoeder, het gemis van zijn op jonge leeftijd verongelukte moeder, zijn spijt zijn gezin in de steek te hebben gelaten, zijn verliefdheid op Sigga die hij haar nooit heeft laten blijken.

    Deze familiekroniek die drie generaties omvat, is rijk aan mooie verhalen, verweeft de belevenissen van de familieleden met wat er in de wereld gebeurt (de dood van Ari’s vader en de dood van Tito), en dat alles tegen de achtergrond van het onherbergzame, zwarte, depressief aandoende IJsland. Het is ook een zoektocht naar de zin van het leven in het kille, koude land, een leven dat alleen maar bestaat uit vissen op zee en uit werken in de visindustrie. Dan is er ook nog de Amerikaanse legerbasis die de inwoners het gevoel geeft mee te kunnen profiteren van de rijkdom van de Amerikanen en in de jonge jaren van Ari voor de nodige levendigheid zorgt in Keflavik.

    Het boek heeft een sombere (onder)toon, het leven valt niet mee. ‘Vergeet net zoals ik niet dat de mens twee dingen moet bezitten om de last het hoofd te bieden, redelijk rechtop te kunnen staan, de glans van zijn ogen te kunnen behouden, de energie van zijn hart, de muziek van zijn bloed: een krachtige rug en tranen.’

    Stefánssons familiekroniek is heel mooi geschreven, op elke bladzijde staat wel een mooie zin, zoals: ‘Maar de sterren glinsteren aan de zwarte hemel, licht in de eindeloze verte dat boven ons fonkelt als licht van een leven dat wij nooit krijgen te leven’. Of: ‘Dicht bij de zee wordt al het verdriet verzacht’.
    Stefánsson weet de sfeer van het leven op IJsland heel goed te treffen en de onderlinge verhouding tussen de familieleden en vrienden trefzeker te karakteriseren.

    De roman is echter niet zo gemakkelijk toegankelijk door de structuur die de schrijver heeft gekozen. Hij wisselt nogal vaak van plaats en tijd waardoor je als lezer even de draad kwijt raakt, ook omdat deze familiegeschiedenis een hele eeuw omvat. Zo wordt de liefde tussen de grootouders van Ari breed uitgemeten en door het hele boek verspreid beschreven.

    Maar wanneer je de zinnen op je in laat werken en je laat meeslepen door wat er in deze familie gebeurt, ben je een hele mooie leeservaring rijker.

     

    Vissen hebben geen voeten

    Auteur: Jon Kalman Stefansson
    Vertaald door: Marcel Otten
    Uitgegeven door Ambo|Anthos
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 21,99

     

     

     

     

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ‘t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Een leven lang verstoppertje spelen

    Een leven lang verstoppertje spelen

    Cuba, 2004. Tin van Heel ligt in een soort middeleeuws martelwerktuig en bereidt zich voor op de dood. Een gebroken ruggengraat maakt dat hij geen kant op kan en er rest hem weinig meer dan zijn leven te overdenken. Hoe heeft hij hier terecht kunnen komen, in dit armeluisziekenhuis in de verzengende hitte, zonder familie die hem komt opzoeken? Automatisch gaan zijn gedachten terug naar de gebeurtenis die zijn leven in grote mate bepaald heeft: het oversteken van de rivier naar bevrijd gebied, in 1944.

    Zijn vader had hem goed voorbereid op de zwemtocht en hem verzekerd dat alles volgens plan zou verlopen. Maar waar bleef hij toch? Een dag en een nacht blijft Tin aan de oever wachten, tot hij zich neerlegt bij het feit dat zijn vader simpelweg ergens moest zijn waar hij níet was. Tegelijkertijd is hij bang dat zijn moeder daar geen genoegen mee neemt en hem het verlies van zijn vader altijd kwalijk zal blijven nemen. Was het zijn schuld? En was het aan hem te wijten dat het met die reis naar donker Afrika, dat hij in 1974 met zijn vrouw Vic bezocht, zo verschrikkelijk mis was gegaan? Hij was liever thuisgebleven, maar liet zich meeslepen door het naïeve idealisme van Vic. Het was Vic die zo nodig het Foster Parents-kind moest bezoeken, wiens leven – als ze de brieven geloven mochten – een heel andere wending had genomen dankzij de donaties van haar school. Tin liet zich overtuigen door de Fransman Jean-Luc, die hen als moderne koloniaal wel veilig door de binnenlanden zou voeren. Was hij maar standvastiger geweest, had hij zich maar meer verzet tegen de onrealistische ideeën van de mensen om hem heen. Hij had zelf moeten blijven nadenken.

    Maar was hij het wel waard om aan zichzelf te denken? Mocht zijn leven wel in het teken staan van iets anders dan ‘rechtzetten’? In De onderwaterzwemmer focust Thomése volledig op de belevingswereld van Tin. We lezen mee met de angst en het ongeloof van een jonge jongen in 1944, de ingehouden woede en onmacht van een verbitterde man in 1974 en tot slot met de twijfels van een grijsaard in 2004: waarom duurt zijn leven maar voort?

    ‘Daarom begrijpt hij zijn toestand niet. Hij was toch al dood? Twee keer zelfs. Hem kon niets meer gebeuren, had hij gedacht. Hij had zijn obolen voor de overtocht al lang en breed betaald. (…) Waarom ligt hij hier dan nodeloos te lijden?’ 

    Leven, maar eigenlijk alleen bestaan. Die wisselwerking tussen verschijnen en verdwijnen, zijn en niet (meer) zijn – dat is een van de belangrijkste bouwstenen van deze roman. En wellicht zelfs van zijn hele oeuvre: thematisch gezien komt Schaduwkind (2003), over het verlies van zijn dochter, hier nog het dichtste bij in de buurt. Maar ondanks de sombere thematiek (de alles overkoepelende schuldvraag) heeft Thomése in De onderwaterzwemmer een lichte en humoristische toon te pakken. Met name in het tweede deel maken we kennis met een nogal onsympathieke figuur, die ontevreden is en het nodig vindt werkelijk overal tegenaan te schoppen. Om een indruk te geven:

    ‘Het begint er al mee dat hun bagage niet is aangekomen.’

    ‘Dan hadden ze nu in hun gewone kleren kunnen zitten in plaats van in deze ridicule woestijnroverskostumering.’

    Hoe ernstig hij ook probeert niet racistisch te zijn en de inwoners met respect te behandelen, het blijkt sterker dan hemzelf. Afrika (‘die negers’) en hij (‘een witmens’) – die laten zich niet combineren.

    Je begint je steeds meer af te vragen waarom je ook alweer meeleeft met zo’n politiek incorrecte bangerik, maar dan is daar het antwoord: dat lyrische taalgebruik, de onwaarschijnlijke plotwendingen die de vaart erin houden en toch ook wel het medelijden met die jongen die zijn vader nooit meer terugvond – dáárom wil je verder lezen. En omdat je ook wel begrijpt dat het niet makkelijk moet zijn je in een stoffig, heet land verstaanbaar te maken in een taal die je slecht beheerst. Heel bewust laat Thomése sommige Franse zinnen onvertaald, daarmee de lezer die het Frans niet machtig is in net zo’n ontreddering achterlatend als Tin.

    Soms lijken het eindeloos trage gepeins van Tin en de absurde verhaallijn bijna onverenigbaar: je hebt het gevoel dat er iets niet in de haak is. Maar of je nu wil of niet, je herkent er een deel van jezelf in Tin. Dat weifelende, dat schuldgevoel, dat bittere stemmetje: misschien zijn het niet de beste karaktereigenschappen, maar het maakt je menselijk. En wanneer zo’n echt personage zich bevindt in een landschap van prachtige neologismen, poëtische zinsneden en doordachte motieven – dan vergeef je hem veel. Het schijnbaar gemankeerde leven van Tin blijkt toch zin gehad te hebben. Hij is gezien, hij is niet onopgemerkt gebleven – hoe onzichtbaar hij zich soms ook voelde.

    En langzamerhand neemt de onderwaterzwemmer een andere gedaante aan: waar die eerst voornamelijk een schuldgevoel leek te zijn dat in alle wateren huist, verandert hij naar het einde toe in een verlossing die, tegen de verwachtingen in, toch nog komt. Wat begon met water, een dramatische wending nam door een gebrek aan water, eindigt ook weer in een vliegtuig boven het water. De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

  • Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Marly Sanders treedt op bij de boekwinkel in haar woonplaats. Boekhandelaar Koos heeft gevraagd of ze Waldemar Prins wil interviewen, de biograaf van veelschrijver Tolbert. Geen onverdeeld aanlokkelijke opdracht, want ze heeft, zoals ze zelf uitdrukkelijk zegt geen verstand van literatuur. Tolbert is een geweldenaar, die man heeft wel zestig boeken geschreven, zijn kennis is ontzagwekkend. Als ze zich verdiept in zijn werk, raakt ze de wanhoop nabij, want ze begrijpt er niets van … al zou ik de woorden uit mijn hoofd leren en schreeuwend en zingend herhalen, ze kregen geen betekenis. Ze overweegt het verzoek te weigeren, want wat zou ze moeten vragen over de geleerde biografie? Noch boekhandelaar Koos, noch haar zuster Victoria, met wie ze alles in haar leven deelt, nemen haar aarzelingen serieus. Onzin, vinden ze. Je hebt kasten vol boeken gelezen, je schrijft zélf, je publiceert stukjes over schrijven en je geeft schrijfles – roepen ze uit. Het klonk logisch, dacht Marly, ik kon er eigenlijk niets tegen inbrengen.

    Marly Sanders is de hoofdpersoon en verteller van De halfbroer, het zesde boek van Nicolien Mizee. De schrijfster en haar personage hebben zo op het eerste gezicht opmerkelijk veel overeenkomsten, af en toe lijken fictie en werkelijkheid daarom in elkaar over te lopen. De gebeurtenissen in het boek spelen zich af in een duidelijk herkenbaar Haarlem, hier en daar worden gemakkelijk identificeerbare situaties beschreven – de biografie van Henriëtte Roland Holst door Elsbeth Etty komt ter sprake, een redactievergadering van het oudste literaire tijdschrift van Nederland, nogal doorzichtig Het baken genoemd. Maar het overgrote deel gaat over huis-, tuin-, en keukenaangelegenheden van de familie Sanders die een schijnbaar hecht netwerk vormt. Marly en Victoria zien elkaar dagelijks. Maar ze klitten ook aan het ouderlijk huis, het ligt allemaal bij elkaar in de buurt. Het gaat slecht met vader. Hij heeft het aan zijn hart en hij dementeert; moeder kan de verzorging niet alleen af en laat haar dochters bij ieder wissewasje opdraven. Ze kennen ook elkaars buren, vrienden, kennissen.

    Er wordt heel wat afgekletst in deze gemeenschap. Marly heeft een man opgeduikeld waarmee het misschien iets zal worden, oude familieverhoudingen worden opgerakeld, er worden uitstapjes ondernomen, vergaderingen bijgewoond, boeken gelezen, poezen gevoerd; er zijn problemen met slaap, drank, werk, kleding, huisdieren en er zijn, hoe kan het anders, liefdesperikelen. De nieuwe vlam van Marly flakkert, dooft uit, wordt weer ontstoken, dooft uit, dit alles met tussenpozen van hooguit een paar uur of een paar dagen – stof voor nieuwe gesprekken en beraadslagingen. Liefst in brede kring. De dood van vader is een climax. Na afloop van de receptie eet het gezelschap bij zus Victoria en in een paar bladzijden lezen we over tante Wanda, Trijntje, Gijs, Gezien, Marieke, Van Slobbe, Priem, Rob, Simon, Mary, Storm, de Haan, oom Piet, Gerlach, Jifke, Victoria. En dat zijn alleen de hoofdrolspelers, daaromheen cirkelt nog een leger figuranten – wie had ook alweer wat gezegd?

    Tussen al deze boompjes verlies je het bos uit het oog. Ook de rode draad, welke is dat. De toestand van vader; de problematische verhouding tot moeder; de ontluikende liefde van Marly en Rob? Hoeveel namen en gezichten er ook rondlopen, niemand maakt voldoende indruk om langer dan een paar bladzijden in leven te blijven. Wie was Victoria, Jifke, Koos, Jaap, Arthur? Alleen Marly zelf komt uit de verf door de nadrukkelijke en herhaaldelijke typeringen: ze weet niets van literatuur, ze is bang voor seks met een man, ze heeft geen oriëntatievermogen, ze begrijpt niets van wetenschap. Ik herken de straten en gebouwen, maar zie het verband niet en weet niet meer wat links of rechts, voor of achter is (…) In de lesstof (op school) kon ik evenmin enige lijn ontdekken. Kortom, het prototype van een onnozel wicht, geen inspirerende hoofdpersoon voor een roman.

    Maar des te stralender schijnt ze als ze de opgaven van haar bestaan toch tot een goed einde weet te brengen, schijnbaar moeiteloos uit de mouw geschud. Het interview met Waldemar Prins, waar ze als een berg tegenop zag, blijkt een doorslaand succes. Boekhandelaar Koos: Je hebt hem geweldig weerwerk gegeven. En wat had je je goed voorbereid! Ik ga je beslist vaker vragen!. Na de toespraak bij de crematie van haar vader krijgt ze allerwegen complimenten: prachtig je toespraak (…) ik vond het heel mooi wat je allemaal zei (…) je toespraak was geweldig. Als ze met Rob heeft geslapen, de eerste man na een jarenlange lesbische praktijk, belt hij haar de volgende dag enthousiast op: Dat was een grootse inwijding vannacht.

    Je zou er misschien voor kunnen vallen als de koketterie er niet zo duimendik bovenop was gesmeerd, een benauwde wollen deken die het literaire drama smoort en verstikt. Mizee is zodanig met haar Marly Sanders ingenomen dat ze de afstand uit het oog verliest, emoties vloeien over in platte sentimentaliteit. Is het de vorm? Wie weet. Mizee is op haar best in korte hoofdstukjes die op zichzelf kunnen staan, bondige typeringen van een situatie of een personage, één of anderhalve pagina. 

    En, o ja, dat is waar ook, laat nou net in de periode die Mizee beschrijft neef Arthur een DNA-test doen … is dat niet toevallig?! Uitkomst: de zojuist overleden vader blijkt eveneens Arthurs vader te zijn geweest. Hoe is het mogelijk. Marly Sanders heeft een keer met Arthur geneukt, toen ze nog jong en onschuldig waren. Dat was dus bloedschande, roept Marly uit, als ze de uitslag van de test hoort. Wacht eens even, De halfbroer … zou dat eigenlijk niet een leuke titel voor mijn nieuwe roman kunnen zijn?

     

     

     

  • Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam