Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Reliëf mocht niet groter zijn dan de woonkamertafel

    Reliëf mocht niet groter zijn dan de woonkamertafel

    De bewegingen ZERO en Nul, stonden recent weer in de aandacht door de fraaie expositie ZERO. Let us explore the stars, die vorig jaar te zien was in het Stedelijk Museum Amsterdam. De timing was uitstekend voor de expositie De werkelijkheid van Jan Schoonhoven in een ander Stedelijk, dat in Schiedam. Schoonhoven (1914-1994) is immers een van de opvallendste figuren die tot beide bewegingen gerekend wordt, en dat terwijl hij zo’n gewone man was (maar daarover straks meer). In verband met de Schiedamse tentoonstelling verscheen de fraaie monografie Jan Schoonhoven, geschreven door Antoon Melissen. Het omslag is ronduit prachtig: de voorkant ziet er precies uit als een van Schoonhovens kenmerkende reliëfs.

    Schoonhovens werk heeft iets paradoxaals. ZERO en Nul gingen uit van het idee om onpersoonlijke kunst te maken, waar zo weinig mogelijk bemoeienis van de kunstenaar in gezien kon worden. Schoonhovens witgetinte reliëfs zijn echter direct herkenbaar en eenvoudig tot hem te herleiden, of hij ze nu zelf heeft vervaardigd of daartoe opdracht gaf aan anderen. De reliëfs lijken op de strak witgeverfde monochromen die als vrij exemplarisch voor ZERO bekend staan. Materiaal en ordening staan voorop, kleur en persoonlijke achtergrond spelen geen rol. Het is jammer dat op de grote reproducties in het boek niet te zien is hoe lichtval een rol speelt in de reliëfs, maar dat is slechts een kanttekening. Je kunt niet verwachten dat een boek de echte kunstwerken kan vervangen. Waar ook aandacht aan besteed wordt: Schoonhovens tekeningen, een minder bekende kant van zijn oeuvre. Ook de tekeningen hebben iets hermetisch, maar op een heel andere manier, door opgebouwd te zijn uit vele kleine pen- en potloodkrasjes.

    Deze monografie is niet ontoegankelijk, maar ook niet bedoeld als gemakkelijk instapboek. Enige kennis van ZERO en Nul is zeker een pre. Jan Schoonhoven is naast een monografie over de titelheld óók een portret van die bewegingen, op een soms wat kwajongensachtige manier. De leden van een avant-gardebeweging zijn vaak helemaal niet zo hoogdravend en verheven als hun programma. De komst van de Tachtigers bijvoorbeeld luidde de moderne Nederlandse literatuur in (1880 wordt als het begin van de moderne Nederlandse literatuur gezien). Tegelijkertijd ging het om een groep studenten die elkaar gedichtenbundels van Engelse romantici uitleenden; de revolutie heeft iets studentikoos. Voor ZERO en nul geldt iets vergelijkbaars. Armando bijvoorbeeld kon zijn werk Autobanden (1962), dat bestond uit een aantal aan de muur bevestigde autobanden, maken doordat hij ervoor gesponsord werd door een fabrikant daarvan. Schoonhoven was een vernieuwer, en tegelijkertijd ontzettend burgerlijk. Dat hoeft elkaar natuurlijk niet te bijten. Hij was ruim dertig jaar lang ambtenaar bij de PTT, en kwam altijd op tijd op zijn werk. Thuis werkte hij aan zijn reliëfs, die zo anoniem mogelijk moesten lijken. Hij leek bijna het fotonegatief van de door hem bewonderde Jackson Pollock, die woeste, persoonlijke action paintings maakte en er een opvallend, weinig burgerlijk leven op nahield. Het formaat van Schoonhovens reliëfs hing bijvoorbeeld af van het niet al te veel geld hebben voor materialen, én omdat hij aan de tafel in de woonkamer werkte.

    Jan Schoonhoven is een monografie en zoomt in op zijn werk, maar dat wil niet zeggen dat er geen ruimte is voor smakelijke anekdotes. Tijdens een happening beschilderde kunstenares Yayoi Kusama Schoonhoven, die niets anders droeg dan sokken en zijn bril, met stippen. De PTT was niet blij met die uitspatting van hun werknemer. Het kostte hem zijn jaarlijkse loonsverhoging. Zulke anekdotes geven sjeu aan het toch al gewoonweg fijn lezende Jan Schoonhoven, dat niet het zoveelste een kunstboek met mooie plaatjes én summiere tekst is. Deze monografie is eerder een fijn leesboek geworden, dat ook nog eens mooi geïllustreerd is.

     

     

  • De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    De kracht van taal en aanpassingsvermogen

    Bij het lezen van deze laatste roman van Joke van Leeuwen dringt zich de vergelijking met de hedendaagse migrantencrisis al gauw op. Behalve vluchtelingen op de loop voor oorlogsgeweld zijn er andere buitenlanders die in Europese landen waar meer vrijheid en welvaart heersen dan in hun eigen land, een beter bestaan komen zoeken. Nog niet zo heel lang geleden waren het Nederlanders die met hetzelfde doel hun vertrouwde omgeving inruilden voor het onbekende.

    In De onervarenen gaat een groep kansarmen uit het Nederland van 1847 in op het aanbod van de Maatschappij voor Overzeese Volksplanting om elders een nieuw leven te beginnen – een historisch gegeven. Onder hen zijn Odile en Koben, een jong stel dat na een mislukte oogst hun boerderij moet verlaten. Odile is de verteller van het verhaal.
    Een van de andere emigranten is haar geletterde moeder. Aan het begin van het boek wordt deze sterke, eigenzinnige vrouw onterecht in een krankzinnigengesticht opgesloten, waar ze door haar intelligentie, observatievermogen en rechtvaardigheidsgevoel weer uit weet te komen. Op het schip begint zij de taal van het vreemde land alvast te leren.

    Vasthouden aan het bekende
    Odile heeft behalve haar moeders intelligentie ook haar kracht om zich aan de omstandigheden aan te passen geërfd. Hoewel zij zich zonder protest voegt naar de starre levensopvattingen van haar man, voelt de analfabete Koben zich haar mindere.
    Op de nieuwe plek krijgt de groep een stuk grond om te bebouwen toegewezen, maar de toegezegde ondersteuning blijft uit. Koben weigert de nieuwe taal te leren en houdt bazig vast aan het bekende uit het moederland. Door de leiding te nemen, aanvankelijk samen met de pragmatische Jacob, creëert hij zijn eigen houvast. De meeste Nederlanders  volgen hem omdat ze ook niet weten hoe het anders moet.

    Angst en oude waarden
    Het is de angst voor het onbekende en vooral de angst om in de nieuwe situatie ten onder te gaan, die mensen krampachtig laat teruggrijpen op oude waarden. Dat zien we overal ter wereld, ook in het huidige Europa bij zowel autochtonen als bij de nieuwkomers, waarbij de laatsten er het meest mee worstelen. In Van Leeuwens boek blijft Koben rotsvast geloven in de Enige. Hij weet zijn getrouwen te bewegen met hem te bidden tot zijn God, in wie zij al lang niet meer geloven. Zolang het maar lijkt alsof zijn waarden algemeen geldig zijn, kan Koben zich handhaven.

    Odile vertelt: ‘Vaak dacht ik dat alles beter was geweest als zij (haar moeder, AM) het in ons dorp voor het zeggen had gehad, zij luisterde naar de mensen die al hun hele leven in dit land woonden, terwijl Koben ons verplichtte alleen onze eigen taal te spreken en om een boom te dansen, omdat we dat thuis één keer per jaar deden als de kou voorbij was. Hier was het nooit koud, wat zouden we dan om een boom dansen, alsof we al niet genoeg zweet verloren met ons werk, maar het moest nog steeds van Koben, ook de paar kinderen die nog in leven waren moesten het, ze zongen er een liedje bij over de dooi, wat moesten die kinderen met een liedje over de dooi, dat hele woord dooi hadden ze nooit meer nodig.’

    Van subtiele zinsneden als deze moet de lezer het hebben. Daarin komt even het drama onverbloemd naar buiten, daarin proef je de wanhoop die er moet hebben geheerst. Want door de veelgebruikte indirecte rede (zij zei dat…, haar moeder vond…, toen Koben zag dat…) kijk je vooral tegen de buitenkant van de gebeurtenissen aan en blijven ook de personages aan de oppervlakte.

    Distantie
    Deze gedistantieerde benadering wordt nog versterkt door de haast terloopse manier waarop Van Leeuwen de geschiedenis weergeeft. Alles komt aan bod: armoede, vuil, slechte voeding, ziekte en dood, de woonplek, het onderlinge wantrouwen, terwijl woorden als herberg, meelzak en secreet de negentiende eeuw oproepen. Toch zou een diepgaandere beschrijving van zowel gebeurtenissen als personages en omgeving meer gevoel in het verhaal brengen. Nu komt de ellende slechts en passant voorbij. Net als in Feest van het begin – waarvoor Van Leeuwen de AKO literatuurprijs kreeg – is het compacte verhaal ondergeschikt aan de stijl. En al is die nog zo smaakvol, geen lezer zal hartzeer zal krijgen van het wedervaren van onze vroegere landgenoten overzee. Misschien is dat de reden dat De onervarenen behalve dat het je aandacht vasthoudt, ook ergernis teweegbrengt.

    Taal om het leven te bevatten
    Interessant is dat Van Leeuwen ook de taal tot onderwerp heeft gemaakt (‘woorden’ en ‘taal’ komen veelvuldig voor). De boodschap die zij meegeeft is dat het beheersen van een  taal onontbeerlijk is om het leven te bevatten. Hoe kom je er anders achter wat de regels en gewoonten in een samenleving zijn, wat er wordt bedoeld in officiële brieven, bij wie je met problemen terecht kunt en wat er van jou als nieuwkomer wordt verwacht? Dat geldt nu, dat gold toen. Mensen die openstaan voor de nieuwe omgeving verwerven grip op de omstandigheden, zijn niet zo ontredderd als degenen die de gang van zaken niet begrijpen of zich ertegen verzetten.

    Beloning voor de lezer
    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. Daarbij wordt ook duidelijk dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden. Koben delft het onderspit, Odile, haar moeder, Jacob en een paar anderen die zich weten aan te passen komen er het meest ongeschonden vanaf. De andere overgebleven Nederlanders sudderen door in de misère. Maar op het einde neemt het verhaal opeens nog een min of meer positieve wending. Omdat Van Leeuwen op de laatste pagina’s nog voor een verrassing zorgt, wordt met dit bescheiden happy end ook de lezer beloond.

     

     

  • Schuld en boete

    Schuld en boete

    Er zijn musicologen die zeggen dat componisten door de bank genomen pas met hun derde symfonie op hun best zijn. Ze hebben het genre dan afgetast en weten wat ze kunnen doen en laten. Iets soortgelijks lijkt op te gaan voor Iraida van Dijks debuut; het schijnt of ze in het derde hoofdstuk de berg beklommen heeft en op de toppen van haar kunnen is aangekomen.
    De eerste twee hoofdstukken lijken te lijden aan grammaticale onhandigheden en zijn wat stroef geschreven. Des te groter is de verrassing van het derde. De vraag is al lezend of en hoe dit zich dan doorzet en of de auteur het niveau kan handhaven. Maar nog meer vragen komen boven: schreef een schrijfster als Harper Lee in haar debuut ook niet stroef en onhandig, en zijn het misschien stijlmiddelen om iets te willen zeggen? Of raakt de lezer al lezend aan dit taalgebruik gewend? Vragen te over, en antwoorden die overdenkend langzaamaan bovenkomen.

    Het verhaal
    Het verhaal is gegoten in de vorm van een ‘memoir’ – fragmenten uit het verleden die met moeite zijn opgedolven en samengevoegd. Scherfstukken die worden verteld door verschillende stemmen, springend van heden (tot 2014) naar verleden (vanaf 1962). Het zou teveel en een te heftig verhaal zijn geweest voor één alwetende ik-persoon. En wat is alwetend in dit verband?
    Het verhaal leunt op een belangrijke gebeurtenis uit de Surinaamse geschiedenis: het sluiten van de Afobakadam in 1964, waardoor het Brokopondostuwmeer ontstond. Dat was de plaats waar de moeder van Alex, de hoofdpersoon werd geboren. De bewoners werden verdreven, heilige plaatsen kwamen onder water te staan.
    Alex zoekt vanuit een bootje naar goud. Maar dat niet alléén; zijn moeder, Béate, afgekort Bé, gaf hem de opdracht op zoek te gaan naar zijn afkomst. Waar hij gaandeweg op stuit, zijn familiegeheimen. Ze zuigen hem leeg, zoals de boot soms in de zuiging van een kolk terecht komt: ‘Met bonzend hart roeit hij tot de korjaal weer op veilige afstand van het rode gat komt en bindt hijgend de boot vast aan een van de kale takken die boven het water uitsteken.’ Eén woord keert telkens terug als een geheim dat moet worden ontraadseld: Dembeston.

    De plaats
    Het blijkt de inmiddels in het water verdwenen plaats te zijn waar moeder is geboren, en het is een bezwering als door een geest: ‘Met haar wijsvinger toont ze de weg. Ze kijkt hem recht in de ogen. “Dembeston, Dembeston”, zegt ze dwingend.’ De plaats ook waar verschillende verkrachtingen binnen de familie plaatsvonden.
    Het komt allemaal terug in nachtmerries en dromen, vol vragen en inzichten, en in gesprekken met de geesten van de voorouders. Niet dat er ooit een antwoord komt. Het verhaal dat Alex van zijn vader hoort en aan zijn grootmoeder ontfutselt, is als een biecht. Zijn moeder gaf hem de opdracht de geschiedenis van de Marrons (de afstammelingen van Afrikanen) en de familie te vertellen.

    Schuld en boete
    Met het fragmentarische, en niet-chronologisch opgeschreven verhaal staat de schrijfster, die afstudeerde aan de Schrijversvakschool in Paramaribo, in de recente traditie van de Surinaamse literatuur. Het is Astrid Roemer, winnares van de P.C. Hooftprijs 2016, die deze fragmentarische aanpak ook bezigde en daarmee brak met de traditionelere stijl van in Nederland bekende Surinaamse auteurs als Cynthia McLeod, Bea Vianen en Ellen Ombre. Waar ze niet mee breekt, is de aandacht voor de tradities van Suriname, zoals geestverering en dergelijke.
    Blijft de vraag naar de op het eerste gezicht grammaticale onhandigheden en een zekere stroefheid. Zoals een autochtoon, die op een gegeven moment, ver voorbij de eerste twee hoofdstukken, zegt: ‘En jij wist je ook geen houding, ongemakkelijk op één plek wiebelend. Weet je nog? De geur van smeerolie, vermengd met die van muskietenkaars. Die brand ik de hele dag, boy, anders dengue, malaria, van alles.’ Dit taalgebruik, dit taaleigen – want dat is het – blijkt gaandeweg niet alleen het voertuig van het verhaal, maar ook de uitdrukking ervan; die eerste twee hoofdstukken waren alleen maar een ouverture om ons in die taal, in het drama dat volgt te trekken. Een taal, die niet alleen is geworteld in Suriname, maar ook in alle hevigheid, soms door punten tussen elk woord te zetten, uitdrukking geeft aan de heftigheid van het verhaal en de moeite die het kost om het te vertellen.
    Als je dit beseft, rest alleen meer bewondering voor dit debuut. En schaamte dat je als Nederlander toch nog zo ver van de Surinaamse vertelcultuur blijkt af te staan. Schuld en boete, dat is het thema van dit boek. En de opdracht aan een lezer die uitziet naar het volgende boek van Van Dijk-Ooft.

  • ‘Darwin doet de mise-en-scène’

    ‘Darwin doet de mise-en-scène’

    De kleine Utrechtse uitgeverij IJzer legt zich sinds 1992 toe op de publicatie van boeken die bij grote uitgevers minder kans maken, maar het verdienen om een breed publiek te bereiken. Dat kunnen recente fictie of non-fictieboeken zijn, maar ook heruitgaven van grote auteurs als Samuel Beckett, Joseph Conrad, Albert Camus, Curzio Malaparte enzovoort.

    Onlangs verscheen bij IJzer De ziel van het gebergte van de verder onbekende Mireille Sidoine-Audouy. Het is een verrassende kijk in een deel van het leven van iemand die wél zijn sporen in de (Franse) literatuur heeft nagelaten: René Char. Het boek gaat in hoofdzaak over zijn rol in het Franse Verzet – de maquis onder de Vichyregering.

    De schrijfster van De ziel van het gebergte is de dochter van Louis Sidoine en Marcelle Pons. Het gezin woonde in Céreste, een dorp van destijds 650 inwoners, dat een verzetshaard tegen de Duitsers werd. Eén van de leiders daarvan was de dichter en schrijver René Char die naar het dorp was uitgeweken. Hij kreeg er snel een liefdesrelatie met Marcelle, die daardoor eveneens bij het verzet werd betrokken. Haar man Louis was toen al gemobiliseerd en zou pas in 1945 in Céreste terugkeren en merken dat zijn vrouw hem had verlaten voor de dichter.

    Het klikte niet alleen onmiddellijk tussen René en Marcelle, maar ook tussen hem en haar dochter Mireille, de auteur van het boek. Zij was 7 jaar toen Char in Céreste opdook en hield de hele oorlog een dagboek bij, soms geholpen door René, die haar behandelde als zijn dochter.

    Schetsjes
    Het nu verschenen boek is een terugblik, gebaseerd op dat dagboek. Mireille, inmiddels zelf moeder van een dochter en oma van kleinkinderen, schreef het in de beginjaren van deze eeuw, dus ongeveer 60 jaar later. Het verscheen in 2009 in Frankrijk.

    Het boek bestaat uit een lange reeks korte schetsjes en scènes uit de periode 1940 tot ongeveer 1948 als Char breekt met Marcelle. Ze zal niettemin zijn grote liefde blijven, zoals aan het slot blijkt. De schrijfster hanteert de pen van de oudere vrouw die ze intussen is geworden, maar weet de argeloosheid van het kind dat de gebeurtenissen in de oorlog registreerde te behouden. Het is daardoor nog steeds een verslag door de ogen van het jonge meisje dat in haar dagboek noteerde wat ze zag, zonder precies te weten wat er zich in het Verzet afspeelde. Daardoor lezen we ook weinig over de amoureuze verhouding tussen René en Marcelle, maar krijgen we wel een indruk van hoe liefdevol die relatie was in de ogen van Mireille en wat voor lieve man René voor haar als kind was.

    Verzet of liefde?
    Daarmee is het een boek geworden dat je op twee manieren kunt lezen. Dat wordt mooi geïllustreerd door de titelkeuze. Waarschijnlijk heeft de Nederlandse vertaler (Lex Plompen) er vooral een liefdesverhaal in gezien. De ziel van het gebergte is immers de naam die René Char aan Marcelle geeft in zijn Feuillets de Hypnos (uitgegeven in 1946 en bestaande uit aantekeningen uit de maquis).

    In het Frans is de titel echter Darwin fera la mise en scène. Dat is de codeboodschap die werd gebruikt voor één van de terreinen waarop de geallieerden hun droppings wilden uitvoeren. In die titel ligt de nadruk dus op de verzetsacties.

    Het boek is vanuit die laatste optiek interessant omdat het een onopgesmukte inkijk geeft in de sfeer in een dorp dat viel onder het Vichyregime, maar tevens een verzetshaard was. Voortdurend lag het verraad op de loer en diende men alert te zijn. Ver weg doet De ziel van het gebergte denken aan de spanningen in Rhoon, zoals die door Jan Brokken worden beschreven in De vergelding. En dan niet zozeer in het zoeken van schuldigen, maar in de manier waarop collaborateurs na de oorlog hun handen in onschuld wassen en de doorwerking van het oorlogsverleden in de persoonlijke levens. Zoals het in dit boek de naoorlogse beklemming van het dorp is die er toe leidt dat René en Marcelle met elkaar breken, hoezeer ze ook van elkaar houden.

    De ziel van het gebergte ontleent zijn bekoring aan het behoud van de kinderlijke blik. Als geschiedkundig en samenhangend verslag van een verzetsbeweging in de oorlogsperiode schiet het te kort. Wie weinig van ‘Vichy’ weet wordt er dan ook niet veel wijzer van. Maar die eis moeten we misschien ook niet willen stellen, want de schrijfster noteert aan het slot van haar boek: ‘Sinds de oorlog ben ik mijn leven lang altijd aan René blijven denken – “mijn valse papa”, zoals mijn kleinkinderen zeggen. Het is ook een beetje om hem dat te zeggen dat ik deze herinneringen heb willen vertellen.’

    Zo bezien is de Nederlandse titel nog niet zo gek gekozen.

     

     

  • Leven onder een stolp

    Leven onder een stolp

    In het Egypte van de derde eeuw stapt een man rond, Antonius die als kerkvader en stichter van het kloosterleven de geschiedenis in zou gaan maar zijn grootste bekendheid ontleende aan de verhalen omtrent zijn ‘bezoekingen’ door demonen, aan welke hij onderhevig was. De schilderkunst maakte dankbaar gebruik van het fraaie thema en ook de letteren kennen voorbeelden van navolging te over.

    De verzoekingen of ‘beproeving’, proeven of martelingen die het uitgangspunt vormen voor Jan-Willem Ankers bundel prozagedichten zouden wij tegenwoordig beter een stevige midlife crisis noemen.  Ankers demonen zijn een lekke band, een scheur in het asfalt, een bezoek aan een Waddeneiland, zijn eigen nietigheid en de troosteloze gang van de eenling. ‘Het ik, het ik, het luizigste van alle voornaamwoorden,’ werpt Anker als motto de lezer meteen maar bij wijze van handzaam sleuteltje voor zijn poëzie in de schoot. Erboven staat dan nog een handige leeswijzer in een motto van J. G. Ballard over de ficties van deze wereld en de dooddoeners van de huidige mediacultuur. In 50 korte prozagedichten, korte verhaaltjes veelal vanuit een ‘ ik’ verteld, doorlopen we de lauwe wereld van een teleurgestelde.

    Jan Willem Anker, auteur van drie eerdere bundels en een roman kan goede, aansprekende  soms zelfs swingende zinnen schrijven. ‘Ik overwoog mijn laatste geld te spenderen aan een reis naar Beiroet om daar bij een aanlandig windje stijlvol te verkommeren,’ is er zo eentje. Of: ‘omringd door het geheupwieg van zoveel singles voelde ik hoe voldoeninggevend de opvoering van je eigen wanhoop is.’ Wanhoop, veel van deze bundel ademt de diepe wanhoop van de redelijk welvaren, redelijk gezonde maar verveelde en niet uitontwikkelde dertiger. Daarmee kan Anker je soms in de taal naar de strot grijpen. Maar vaker druk je een gaapje weg met een I couldn’t care less.

    Dat is niet omdat Anker geen goede dichter is, het komt ook gedeeltelijk door de vorm die hij koos: de vrije regelval van het korte prozagedicht is hier toch bij uitstek het imperium van de onmacht. Had hij zich strengere eisen gesteld, dan was er voldoende spankracht geweest. Maar ja, strenge eisen… ‘Ik lepelde in een bordje ontbijtgranen. Terwijl ik mijn bord aan het leegvreten was, dacht ik “Dit is dus het leven.” En zo is het weinig van de dichter eisende prozagedicht ook de beste weerspiegeling van een laconieke depressie.

    De tijd waarin reactionairen het hadden over een schop onder de kont en langharig werkschuw tuig is wel voorbij, maar de dichter heeft zich in deze bundel te weinig laten leiden door de een veeleisende vorm. Hierdoor ervaart de lezer in plaats van een intense ‘levensleegte’ toch vaker de onverschilligheid van het gedicht. Over een lauw bestaan niet dwingend dichten, levert een lauw geheel op.

    In een aantal gedichten doet Anker het net iets anders, er zijn erbij die bijna ‘zen’ zijn, een enkele heeft een verfrissend licht absurdisme van Charms, of misschien veeleer Toon Tellegen in zijn korte dierenverhalen.

    Wanneer de dichter iets langer of iets dieper nadenkt, een iets gepolijstere zin formuleert treft hij wel eens doel. ‘Ik ben gedwongen voor altijd op het podium te blijven terwijl het donker van de zaal steeds meer bevolkt raakt met mensen van wie ik niet wist dat ze altijd al onbereikbaar voor me waren.’ Of ‘ Ik was nietig op het extreme af, eigenlijk al te gering voor een eerste persoon enkelvoud. Soms echter voelde ik me groots. Dan trok ik de gelukzaligheid aan haar staart en hield me voor dat alles maar spel en droom was en dat ik veilig was, zoals de kern van een vlam ’s nachts veilig is voor duisternis.

    Eerste persoon enkelvoud, de kortste samenvatting van deze bundel. Dit gedicht bezweert de demon van het niets, de leegte. En dit gedicht doet dat goed,  maar de bundel in zijn geheel slaagt daarin helaas te weinig. ’

    Confrontatie

    ‘Toen ik mezelf voor de zoveelste keer confronteerde met de al te menselijke onverschilligheid die mijn wedervaren binnen en buiten het publieke domein opriep, overwoog ik serieus de mogelijkheid er niet te zijn. Na een tijdje concludeerde ik dat ik er weliswaar was, doch in zeer beperkte mate.’

     

    Deze bespreking verscheen eerder in het poëzietijdschrift Awater

     

  • Je weet niet wat je leest

    Je weet niet wat je leest

    Om de chaos en rauwheid van het leven in Angola ten tijde van de onafhankelijkheid (na 400 jaar Portugese kolonisatie) en de daarop volgende 27 jarige burgeroorlog te beschrijven, heeft José Eduardo Agualusa (1960) het in werkelijkheid gebeurde gegeven  gebruikt van de vrouw die zich gedurende de burgeroorlog inmetselde in haar flat en zo de oorlog overleefde. Daaromheen wervelen personages waarvan het leven op drift geraakt is en die allen direct of indirect met de vrouw verbonden zijn.

    Van de in Angola geboren Portugese schrijver verscheen onlangs Een algemene theorie van het vergeten, zijn vijfde door Harrie Lemmens in het Nederlands vertaalde roman. De titel kan de indruk geven dat je een boek in handen hebt waarin een theorie over de werking van het geheugen uit de doeken wordt gedaan. Niets is minder waar. Geen weerslag van een studie naar vergeetachtigheid maar van verborgen geschiedenissen in Angola van de jaren 1975 tot 2002. Maar wees gewaarschuwd: Agualusa voert zijn personages in zo’n bevlogen verteltrant op dat er wel eens een enkele uit beeld verdwijnt. Wat overigens niets af doe aan de intensiteit van de vertelling. Die zit in de manier waarop Agualusa zijn personages opvoert, zonder uitgebreid in te gaan op plaats, tijd of herkomst, zijn ze er.  

    Pure fictie

    Het boek begint met een opmerking vooraf. Agualusa zegt dat hij de kopieën van tien schriften kreeg waarin de in 2010 op vijfentachtigjarige leeftijd overleden Ludovica Fernandes Mano, kortweg Ludo, een dagboek bijhield tijdens de eerste jaren van haar geïsoleerde leven. Hij zegt dat haar dagboeken en gedichten hem geholpen hebben het drama dat Ludo heeft beleefd, te reconstrueren. Om licht ironisch te besluiten: ‘Ze hebben me geloof ik geholpen haar te begrijpen. Desondanks is wat u zult lezen fictie. Pure fictie.’ En dat is het mooie aan de boeken van Agualusa, je weet niet wat je leest.

    Ludo lijdt sinds haar kinderjaren aan straatvrees. In haar jeugd is haar iets overkomen dat als ‘Het ongeluk’ wordt aangeduid waarna ze zich helemaal niet meer op straat durft te begeven. Wanneer haar ouders overlijden vertrekt ze met haar zus Odete en haar Angolese zwager Orlando vanuit Aveiro, Portugal naar Angola. Ze betrekken  een appartement op de elfde verdieping van een flat in Luanda. Als de onafhankelijkheid op het punt van uitbreken staat, vluchten de Portugezen massaal het land uit. Ook verdwijnen er Portugezen waar nooit meer iets van vernomen wordt, zoals ook Odete en Orlando die op een avond spoorloos verdwijnen. In de complete chaos die dan heerst ontstaat een burgeroorlog die 27 jaar zal duren.

    Uit angst voor plunderaars die de Portugezen willen verdrijven, metselt Ludo eigenhandig een muur (er is zand, cement en stenen voorhanden) om zich in haar appartement af te scheiden van de rest van de flat. Ze verbouwt groenten en druiven op het dakterras en om het appartement te verwarmen, verbrandt ze de meubels en duizenden boeken uit de bibliotheek van haar zwager. Haar leven geeft ze inhoud door een dagboek bij te houden en gedichten te schrijven : De dagen verglijden alsof ze / vloeibaar zijn. Ik heb geen / schriften en ook geen pennen meer. Ik schrijf met brokjes / houtskool korte gedichten op de muren / Ik ben zuinig met eten, water en woorden. //  (…).

    Overleven

    Wanneer de schriften vol zijn, gaat ze verder op de muren: (…) Als ik nog ruimte op de muren had, zou ik een / algemene theorie over het vergeten kunnen schrijven. (…) In dit huis hebben alle muren mijn mond.

    Er is onder andere sprake van een duif met een briefje in een kokertje aan zijn poot en diamanten in zijn ingewanden; een jongetje wiens moeder in haar strijd tegen handel in organen voor zijn ogen wordt doodgestoken; een lid van de geheime politie; een schaapsherder met zijn zoon: een witte hond met de naam Spook; een journalist die ‘De verzamelaar van verdwijningen’ wordt genoemd; een dochter die ter adoptie is aangeboden en een aap die Che Guavara heet. Een bonte verzameling aan gelukszoekers met hun eigen verhaal die aan het einde van het boek, (dood of levend) als bij de apotheose van een toneelstuk, over elkaar heen buitelen, dan toch nog hun plek krijgen.

    Poëtisch, humoristisch en verleidelijk

    Agualusa schrijft ogenschijnlijk zeer intuïtief, zonder vooropgezet plan. Zijn taal is poëtisch, humoristisch en verleidelijk. De grens tussen werkelijkheid en fantasie is flinterdun. Dat wat hij nodig heeft om zijn verhaal te kunnen vertellen, schrijft hij erbij: want alles dient het verhaal. Zoals wanneer Ludo het plan opvat zich in te metselen, lijkt hij ter plekke te verzinnen dat Orlando, voor hij verdween, het plan had een zwembad op het dakterras aan te leggen. Daarom liggen er zakken cement, zand en stenen op het terras. Die kan Ludo goed gebruiken om die muur te metselen. Die ze ook nog eens in één ochtend klaar kreeg. Fantastisch.

    Het geeft aan dat handelingen en hoe het verhaal in elkaar steekt ondergeschikt kunnen zijn aan het verhaal zelf. Het gaat om het zichtbaar maken van een leven in chaos. Terwijl in onze westerse samenleving alles is gericht op de toekomst – hoe het beter kan, meer en grootser – is het gros van de mensheid bezig met overleven. Dat is wat Theorie van het vergeten voelbaar maakt: wij hebben geen idee hoe het is te leven in een wereld waarin niets vast staat.

    Geloofwaardige fictie

    In het boek zijn twee gedichten, die het personage Ludo geschreven heeft, niet geschreven door de auteur, zoals te verwachten, maar door de Braziliaanse dichteres Christiana Novoa. Zij schreef die gedichten op verzoek van hem, aldus Agualusa in een dankbetuiging.
    Vertaler Harrie Lemmens verzorgde een mooi nawoord waarin hij onder meer vermeldt dat de fictie van Jose Eduardo Agualusa nog wel eens een eigen leven kan gaan leiden. Zo heeft de auteur in een van zijn boeken (Regenseizoen, 1996) een dichteres als personage opgevoerd. Hij deed haar zo geloofwaardig uitkomen dat de uitgever hem later vroeg een anthologie uit te brengen van het werk van de dichteres. De kunst om waarachtig te maken wat niet bestaat is Agualusa niet vreemd. Het kan dus zijn dat Christiana Novoa niet bestaat of, als ze bestaat, zijn die gedichten, waarvan hij zegt dat zij ze geschreven heeft, niet door haar geschreven. Maar dat terzijde. Voor wie zich wil laten overrompelen: lees dit boek.

     

     

  • Te hoog gegrepen

    Te hoog gegrepen

    In 2015 was het 25 jaar geleden dat Frans Kellendonk overleed. Arie Storm, een grote bewonderaar van zijn werk, heeft 9 jaar geleden in een onbewaakt ogenblik aan zijn uitgever toegezegd een biografie over Kellendonk te zullen schrijven; dat had hij beter niet kunnen doen. In 2015 komt hij tenslotte met een boekje van 144 pagina’s, dat een weinig verrassend, nogal dweperig en zeurderig pamflet is geworden.

    Storm heeft van het begin af aan gezegd dat hij geen klassieke biografie zou schrijven; de verwachtingen waren hoog gespannen en bovendien: had hij immers niet een knappe afstudeerscriptie over Kellendonk geschreven? Hij is nu gekomen met ‘een biografie die een roman is’. Een roman blijkt het evenwel ook niet te zijn; daarom laat hij verderop in het boek Kellendonk zelf zeggen dat het een testament is. Dat zou kunnen, althans wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat Kellendonk via Storm nog enkele gedachten en opvattingen over het leven nalaat die de moeite waard zijn.

    Zo lezen we: ‘deze tekst (…) is één lange en wanhopige poging u een notie te bieden in mijn voor u met niets te vergelijken toestand; waar ik nu ben.’ Dat belooft weinig concreets maar wanneer we dan even verderop lezen: ‘Ik schrijf óók om enkele zaken recht te zetten’, hoop je daar wel op. Maar helaas, welke zaken dat zijn blijft in nevelen gehuld. Die worden ook niet duidelijk wanneer je het boek uit hebt; dan voel je als lezer wel het wanhopige van deze poging in.

    De constructie die Storm heeft gekozen, namelijk dat Kellendonk via hem weer tot leven komt en oorspronkelijke gedachten uit, waarmee de lezer meer inzicht zou krijgen in de opvattingen van de schrijver, werkt niet. Daarvoor lezen we veel te weinig over Kellendonk en teveel over Storm.

    De Stichting Frans Kellendonk Fonds heeft wegens Storms werkwijze en geringe voortgang van zijn arbeid een tweede biograaf aangesteld, hoewel Storm niet in opdracht van dat fonds werkte. Het Fonds vindt dat Kellendonk recht heeft op een klassieke biografie en verwachtte, gezien de aanpak die Storm heeft gekozen, niet dat die er zou komen, vandaar. ‘Die tweede biograaf’ komt in dit boek overigens ook voor en wel als iemand waaraan Kellendonk een hekel heeft; waarom wordt evenwel niet duidelijk.

    Biografie, roman, testament, vertelling?
    Hoe het ook zij: nu ligt er dit boek waarin Storm zich als biograaf presenteert, Kellendonk neergedaald is op aarde, op de schouder van Storm zit en kijkt wat zijn biograaf ervan maakt en ook zelf aan het woord komt. Veel belangwekkends levert dat niet op. We komen niet alleen weinig te weten over Kellendonk, Storm grijpt dit boek ook aan om kritiek te spuien op de praktijk van de Nederlandse literatuurkritiek, op enkele schrijvers en critici in het bijzonder (Adriaan van Dis, Kees Fens) en op de gang van zaken aan de universiteit. Kwesties die niets met Kellendonk te maken hebben. Storm memoreert wel de rumoerige ontvangst van Mystiek lichaam, en dan met name de beschuldiging van Aad Nuis over vermeend antisemitisme in het boek. Maar over die kwestie is al veel gezegd en Storm voegt daar niets aan toe.

    Hij gaat zelfs zo ver Kellendonk te laten zeggen al het eerbetoon aan hem, met bijvoorbeeld de jaarlijkse Kellendonk-lezing, te verafschuwen: ‘die gaat steevast naar prutschrijvers’. Zou Kellendonk dat zo hebben beschouwd? Die mening lijkt meer van Storm zelf te zijn dan van Kellendonk.

    Debat?
    Je vraagt je af wat Storm met deze publicatie wil. Zelf laat hij Kellendonk zeggen, dat ‘deze biografie een debat is tussen hem en mij, door mij via hem geschreven.’ Een debat waarover dan? We lezen over de zielenroerselen van beiden, over de obsessie van Storm met Kellendonk, maar een debat? We lezen hoe Storm in het leven staat en hoe Kellendonk daarop –fictief- reageert, maar een debat? Eigenlijk kan dat ook niet, want beiden zijn het roerend eens over wat er mis is met het literaire wereldje in Nederland, over wat goed schrijven inhoudt etc. Dus waarover debatteren? Er wordt veel gepraat, dat wel.

    Een voorbeeld:

    En nu de grote vraag: ben ik hier, in dit nieuwe boek van mij, deze biografie die een roman is, nu al in het door mijzelf gecreëerde labyrint verdwaald? Ben ik in een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor terechtgekomen? Nee – ik ben juist beland bij de kern van de zaak. Schrijven, goed schrijven, is alles doen wat verboden is. Goed schrijven is een labyrint creëren. Goed schrijven is in een visioen stappen. Ergens van getuigen. Opstaan uit de dood. Met deze woorden stap ik weer in het leven. In deze biografie flakkert mijn bewustzijn weer op. In deze biografie word ik weer tot leven gebracht. Goed schrijven is altijd het leven zelf. Goed schrijven komt eruit voort en creëert het leven zelf. Maar meestal zit je als schrijver toch gewoon aan je bureau. In het leven zelf ben je een afwezige. Waarmee we terug zijn bij het grootste probleem van een biograaf.’

    Wat staat hier eigenlijk? (‘verdwalen in je eigen labyrint’, ‘een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor’?) Waar gaat dit over? Krijg je hiermee inzicht in het werk van Frans Kellendonk, in zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur? Werpt dit een nieuw licht op de schrijver, 25 jaar na zijn dood?

    Nawoord
    In zijn nawoord schrijft Storm dat zijn boek ‘ons allen, lezers, schrijvers, biografen, dienen te bewegen ons met nog meer waakzaamheid en visie toe te leggen op wat het betekent literatuur te schrijven en te lezen, en ons eigen belang daarbij zoveel mogelijk uit te schakelen.’ Hierin ligt de kern van de obsessie van Storm met Kellendonk: hij is namelijk een van de weinigen in Nederland die volgens Storm echte literatuur bedrijft; de rest valt daarbij in het niet.

    Dit boekje is geen moderne biografie over Kellendonk. Storm heeft natuurlijk alle recht om geen klassieke biografie te willen schrijven, maar is er niet in geslaagd een interessant alternatief te schrijven. Hij heeft zichzelf overschat.

    Het wachten is nu op de biografie van Jaap Goedegebuure.

     

     

  • Meer dan een magische vertelling

    Meer dan een magische vertelling

    Wat gebeurt er als de grenzen tussen onze wereld en de wereld van de fictie vervagen? Dan ontstaat er een oorlog waarin zelfs het onmogelijke mogelijk wordt. Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten doet verslag van de Oorlog der Werelden en zijn effect op de menselijke realiteit. Met zijn nieuwe roman weet Salman Rushdie thema’s als geloof en rede naar een hoger plan te tillen.’

    Dit zijn de eerste regels van de recensie die Ruby Wolthuis voor Literair Nederland schreef. Haar recensie was nog niet af toen zij begin januari onverwachts overleed. Ruby Wolthuis was nieuw bij Literair Nederland. Als eerbetoon aan haar en als dank voor haar bespreking over het nieuwste boek van Salman Rushdie, publiceren wij hier hieronder delen uit die eerste versie van haar recensie.

    Duizend-en-één-nacht
    Rushdie slaagt erin de Arabische mythologie hedendaags te maken. Zowel de traditionele geest in de fles als een tot leven gekomen digitale stripfiguur komen voorbij. Hij toont aan dat verhalen tijdloos zijn, omdat ze altijd in een moderne vorm kunnen worden gegoten.’

    In Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is er sprake van ‘Peristan, een wereld parallel aan de aarde, [die] wordt bevolkt door de jinns, die tegen alle wetten van de menselijke realiteit ingaan. Jinns kunnen in geestverschijning voorkomen, een menselijke gestalte aannemen of zelfs een mensenlichaam overnemen. Jinns kunnen zich razendsnel verplaatsen, voor mensen onhoorbare tonen waarnemen en maandenlang slapen. Verder zijn jinns onaandachtig, grillig en individualistisch.’

    De roman wemelt van de verschillende verhalen en personages. Als voorbeeld neemt Wolthuis het verhaal van de jinn Dunia die verliefd wordt op een aardbewoner en vele kinderen met hem krijgt.
    ‘Wanneer Dunia één van haar verre nazaten, hovenier Geronimo, ontmoet, herkent zij meteen het uiterlijk van haar grote liefde in hem. Op haar beurt probeert ze Geronimo’s wensen te vervullen door de gestalte van zijn overleden vrouw aan te nemen.

    Hij legde zijn handen om haar gezicht, en plotseling, ondraaglijk, voelde het verkeerd. Haar kin: een onverwachte verlenging. Je bent haar niet, zei hij, wie of wat je ook bent, je bent haar niet. Ze luisterde onder zijn woorden en veranderde iets. Probeer het nog eens, zei ze. (…) Zij kleedde zich in het lichaam van zijn geliefde vrouw, en hij besloot niet te merken dat Dunia’s stem niet die van Ella was, dat ze zich niet gedroeg als zijn vrouw, en dat de gedeelde herinneringen die een liefdespaar verenigen grotendeels ontbraken in haar gedachten.”

    Wolthuis schrijft dat Rushdie zijn personages door middel van een eigen taalgebruik herkenbaar neerzet. Ze vindt dat hij dat soms zo ver doorvoert dat het hinderlijk wordt, ‘bijvoorbeeld bij een jong personage dat wel heel erg ‘hip’ praat en veel ‘fuck’ gebruikt. Gelukkig gaat het om korte passages en is de rest van de roman prachtig geschreven, met relevante thema’s die Rushdie afwisselend groots en subtiel beschrijft.’

    Wolthuis sluit af met de volgende alinea:

    ‘Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is meer dan een magische vertelling: het gaat om de tegenstelling tussen liefde en haat, tussen feit en fictie en tussen geloof en rede. De roman laat ons zien tot welke gruwelen zowel liefde als haat kunnen leiden. Maar het laat ons vooral zien wat er gebeurt als we de rede laten varen en blijven geloven in de grote verhalen.’

     

    Ruby Wolthuis had een bachelor Psychologie en een bachelor Nederlandse taal en cultuur behaald in Nijmegen en was dit studiejaar begonnen aan een master Neerlandistiek, Redacteur/editor aan de Universiteit van Amsterdam.
    Zij had zich november 2015 aangemeld bij Literair Nederland als recensent. Uit haar CV en een meegestuurde proefrecensie bleek dat zij een aanwinst zou zijn voor onze website. Ruby Wolthuis werd 24 jaar.

     

     

  • Literatuur als leidraad

    Literatuur als leidraad

    In Het verdriet van anderen maakt Philip Huff, bekend van coming-of-age romans als Dagen van gras en Niemand in de stad, de lezer deelgenoot van zijn persoonlijke leeservaringen. De boeken die Huff sinds zijn middelbare schooltijd heeft gelezen, maakten hem los van zijn vertrouwde omgeving, met de bijbehorende tradities en verwachtingen en hielpen hem bij het volgen van zijn eigen weg. Volgens Huff kunnen romans daarom juist in deze tijd, waarin jonge mensen moeten vechten om een plaats in een maatschappij die succes hoog in het vaandel heeft staan, een moment van rust, bezinning en reflectie bieden, mits de lezer bereid is om daar de tijd voor te nemen.

    Je eigen leven
    Dat Huff in zijn eigen leven veel van literatuur heeft opgestoken, maakt hij overtuigend duidelijk. De romans van Sylvia Plath, Virginia Woolf, John McGahern en Jon Krakauer verkenden perspectieven, mogelijke manieren van leven, die Huff inspireerden om zijn eigen perspectief te ontwikkelen en niet dat van anderen klakkeloos over te nemen. Huff besteedt veel aandacht aan Krakauers Into the Wild, dat is gebaseerd op het tot de verbeelding sprekende leven van Chris McCandless, die zijn comfortabele leven in de Amerikaanse consumptiemaatschappij achter zich liet en zich terugtrok in de natuur van het ongerepte Alaska. McCandless is bij uitstek iemand die de normen en verwachtingen van de maatschappij naast zich neer legde en de moed had om een ‘authentiek’ leven te leiden. Dat de student hierin nogal overdreef en daarmee zijn eigen leven beëindigde, getuigt volgens Huff van naïviteit, maar McCandless werd wel een inspiratiebron voor een generatie twintigers en dertigers die ‘authenticiteit’ nastrevenswaardig vond. ‘Het is mogelijk in de korte tijd die je is gegeven een verhaal van je eigen leven te maken, een ander verhaal dan je is meegegeven, en jezelf te vinden.’

    Het leven van anderen
    Literatuur laat je delen in het leven, de pijn en het verdriet van anderen. Op die manier ontstijgt de lezer zijn eigen, beperkte ervaringen en leefomgeving en is hij in staat om een keuze te maken voor een andere manier van leven. Zo is Philip Huff schrijver geworden na het lezen van romans die indruk op hem maakten, terwijl zijn ouders wilden dat hij een reguliere, vaste baan zou krijgen. Bovendien kunnen romans je steunen in moeilijke tijden, omdat ze herkenning bieden. Toen Huff werd geopereerd aan zijn hart en zelfs vreesde voor zijn leven, wankelde zijn wereldbeeld. Hij keek op een afstand naar zijn eigen leven, zoals Helmer zich in Boven is het stil realiseert dat hij –na een leven vol teleurstellingen- het heft in eigen handen moet nemen. Omdat Huff zijn eigen beleving koppelt aan de verhalen waarover hij vertelt, krijgen die verhalen een nieuwe betekenis.

    De enige kanttekening die je bij Het verdriet van anderen kunt plaatsen, is dat de strekking niet zo verrassend is. Huff schrijft dat literatuur je stimuleert om je eigen weg te gaan, ‘je hart te volgen’, maar daar hoef je geen romans voor te lezen. Eenzelfde advies kom je tegen in popliedjes, reclames en Hollywoodfilms. De ironie wil dat de commercie de hang naar authenticiteit heeft eigengemaakt, waardoor het gemeengoed is geworden. Maar dat maakt Huffs nieuwste boek er niet minder overtuigend op.

     

  • Wrange getuigenis

    Wrange getuigenis

    Het aantal schrijvers, dat de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp voor een roman heeft gekozen is aanzienlijk. Boeken over de situatie in het Duitsland van de Weimarrepubliek in de jaren dertig zijn er ook legio. Maar Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) maakte die tijd van zeer nabij mee en daarmee is zijn roman De erven Oppermann een getuigenis. Eigenlijk is het het tweede deel van een trilogie, waarvan Succes het eerste en Exil het laatste deel is. Feuchtwanger zag al spoedig wat de nazi’s van plan waren en hij vluchtte via Frankrijk naar de Verenigde Staten. Het boek verscheen aanvankelijk in 1933 onder de titel Die Geschwister Oppenheim omdat een nationaal socialist met de naam Oppermann, niet met joden geassocieerd wenste te worden in het nazistische Duitsland. Ook de Nederlandse eerste druk van Querido heette De erven Oppenheim Na de oorlog heette het boek weer gewoon Die Geschwister Oppermann (De erven Oppermann) en het werd een groot succes.

    Fictieve werkelijkheid
    De personen uit het boek zijn door Feuchtwanger verzonnen. Dat had destijds al minstens één belangrijke reden: Feuchtwanger wilde bestaande personen niet in moeilijkheden brengen. Achterin het boek staat een ‘Naschrift’ van de auteur bij de eerste druk:

    Niet één van de personen uit dit boek heeft ‘bestaan’ in die zin dat zijn naam voorkomt in de archieven van de burgerlijke stand binnen de grenzen van het Duitse Rijk in de jaren 1932/1933. Tezamen vormen zij echter werkelijkheid.’

    En die laatste zin is essentieel, want ook al zijn de personages min of meer verzonnen, omdat Feuchtwanger de situatie in Duitsland meemaakte in 1933 kon hij alles in een huiveringwekkend echt decor plaatsen. Een decor overigens dat steeds benauwder en angstaanjagender wordt naarmate de tijd verstrijkt.

    De familie Oppermann wordt gevormd door de broers Gustav, Martin en Edgar en hun zuster Klara met aanhang en kinderen. Gustav en Martin zijn leidinggevende mannen in een meubelfabriek, destijds gesticht door hun grootvader. Gustav, Martin en Edgar zijn tegengestelde persoonlijkheden en dat jaagt de spanning in het boek op. Hoe gaan zij reageren op de dreigingen van het nieuwe bewind? Martin is een tobber, maakt zich voortdurend zorgen over het reilen en zeilen van het bedrijf. Gustav is luchtiger van aard, jaagt achter de vrouwen aan en hij zou graag een mooi boek schrijven, maar het ontbreekt hem aan discipline. Edgar staat buiten het bedrijf, is vooraanstaand medicus en heeft een nieuwe operatietechniek voor strottenhoofdkanker ontwikkeld.

    Woekerende schimmel
    Als een sluipend vergif druppelen de pesterijen en maatregelen van het naziregime de wereld van de broers binnen. Ze zijn joods en denken aanvankelijk nog de dans te kunnen ontspringen. Maar al spoedig krijgen ze te maken met een omgeving die in eerste instantie nog redelijk onschuldig lijkt, maar hen uiteindelijk buitensluit en brutaliseert. De joodse verkoper van het meubelhuis is een slachtoffer. Hij wil zich van zijn spaarcentjes nieuwe tanden laten aanmeten net zo glanzend als de ivoren wachters van zijn SA buurman. Aanvankelijk lijken ze nog aan elkaar gewaagd, want ze hebben nu allebei een stralend mooi gebit. Maar het bruinhemd is toch spoedig in het voordeel. Hij is geen jood, schreeuwt en bralt wanneer hij maar wil. Zo erg zelfs, dat het gebrul door de muur van het appartement van de verkoper heen klinkt. Het appartement van de SA-er wordt gratis door de bange huiseigenaar opgeknapt. De vochtplek op de muur van de joodse verkoper kan zich uitbreiden omdat diezelfde huiseigenaar er niets aan doet. Angstig als hij is om voor jodenvriend te worden uitgemaakt. De vochtplek, schimmel, staat ook voor het aantal aanhangers van het foute regime, dat zich steeds verder uitbreidt.

    Het land van Schiller en Goethe
    Gustav gelooft lange tijd dat het met het antisemitisme zo’n vaart niet zal lopen. Hij gelooft aanvankelijk nog in de redelijkheid van de mensheid en denkt dat die in Duitsland, het land van Schiller en Goethe, zal overwinnen. Aan een vriend leest hij stukken voor uit Mein Kampf en De protocollen van Sion. Het laatste boek De Protocollen van de wijzen van Sion is een van de meest anti-joodse en antisemitische geschriften ooit, graag geciteerd door antisemieten.

    De waarschuwingen voor het naziregime slaat Gustav in de wind. Dat komt omdat de fabriek aan het Duitse leger leverde tijdens de Eerste Wereldoorlog. De arme Gustav denkt dat dit in zijn voordeel zal werken, vooral omdat hij een portret van een veldmaarschalk in zijn kantoor aan de muur heeft hangen. En omdat zijn broer is gesneuveld in deze oorlog. Maar de nazi’s hebben daar geen boodschap aan. Ze pakken zijn geld af en sluiten zijn winkels.

    Er druppelen steeds meer berichten binnen van joden en communisten, die worden geïnterneerd en gemarteld. Na afloop van de behandeling moeten ze bedanken voor de goede behandeling en betalen voor het eten, dat zo smerig was, dat een varken het zou laten staan. Ook Edgar, beroemd arts en professor, wordt gedwongen zijn werk neer te leggen.

    Alles wordt aangegrepen om de familie te belasteren, zelfs een spreekbeurt op school  van Martins zoon wordt opeens gezien als ‘gevaarlijke antipropaganda.’ Het net sluit zich.

    Kapot gemaakt
    Wat in lange tijd is opgebouwd door de familie, wordt in korte tijd door de nazi’s kapot gemaakt. Er blijft hen niets anders over dan te vluchten. Weg te komen uit hun vaderland. Ze nemen de benen naar Parijs, Palestina, Bern, naar alle windstreken. De berichten die hen bereiken uit hun Heimat zijn een zwarte slagschaduw op hun bestaan. Ze zijn nooit helemaal verlost van angsten en frustraties. In Zwitserland probeert Gustav een soort verzetsbeweging te stichten, maar dat vindt maar weinig weerklank. En in Duitsland zelf al helemaal niet. De Duitsers moeten zorgen voor hun dagelijkse brood en voelen niet veel voor verzet tegen een alom aanwezig repressief regime.

    Een uiterst precies geschreven en huiveringwekkende getuigenis van een regime dat zoveel onheil bracht over de mensheid en waarvan de kiemen nog steeds in onze tijd aanwezig zijn, helaas.

     

  • Het ongewone zien in het gewone

    Het ongewone zien in het gewone

    Schrijven. Daar ben ik mee bezig geweest, een leven lang. Het was mijn beroep om wat ik waarneem om te zetten in woorden. Ik moest mijzelf daartoe dwingen want het is een vermoeiend karwei. Maar het was ook aanlokkelijk, ik verbond me met iets dat een geheim vormde tussen mij en wat ik dacht waar te nemen, want wat je ziet is niet wat het lijkt. De tekening lezen, daar gaat het om: een bloeddruppel, een gevorkte tak in de vorm van een mens, de schedel van een eekhoorn naast een dennenappel, dingen die zich in je vast steken en verbindingsdraden vormen. Stap voor stap je weg vinden in die wereld van onverklaarbare verschijnselen en die verklaarbaar maken. Dat schenkt voldoening. Het ongewone zien in het gewone en omgekeerd.’

    In De twee rivieren blikt Inez van Dullemen terug op haar leven en haar werk, en op haar relatie met toneelregisseur Erik Vos. Naar eigen zeggen is dit haar laatste boek: ‘Ik vind het goed zo’.

    Dagboeknotities
    Ze heeft altijd dagboek gehouden en op de daarin gemaakte notities is dit boekje gebaseerd. Ze begint in december 2014 en eindigt in mei 2015. Daarin vertelt ze over haar fascinatie voor de zee, haar drang tot reizen, over haar ouders en haar vader in de oorlog, ze schrijft over toneel en het Appeltheater in Scheveningen waar haar man prachtige voorstellingen heeft gemaakt, over toneelschrijver en regisseur Lodewijk de Boer, over haar hekel aan het Boekenbal, over ouder worden, over de dood en Freddy Mercury, over de dichters Jan Arends en Pablo Neruda, maar ook over haar kleinkinderen en haar tweede huis in Frankrijk. Bij dat huis kwamen twee rivieren samen, wat Van Dullemen prachtig vond om te zien.

    Laatste boek
    Maar nu ze ouder is (89), is haar leven veranderd. Vrienden worden ziek en overlijden, het reizen gaat haar moeilijk af, het huis in Frankrijk is verkocht en het schrijven kost haar te veel kracht. Maar uit de herinneringen die ze hier heeft opgeschreven, blijkt nog steeds haar grote zeggingskracht en beeldend taalgebruik. Haar scherpzinnig waarnemingsvermogen levert fijnzinnige details op in de herinneringen die ze op papier heeft gezet.
    Een mooi voorbeeld:

    Land’s End. Ik hou mijn ogen dicht om beter te kunnen zien. Ook zonder ogen kun je zien hoe de wereld draait’, zegt koning Lear. Ik probeer met de ogen van mijn kinderen naar de zee te kijken, naar het einde van de zee, het lukt me maar half want tegelijkertijd voel ik de schaduw van het water dat ons omringt, het besef van eindigheid. Het heeft iets van de laatste lente die je meemaakt terwijl je weet dat je ongeneeslijk ziek bent. Dan ervaar je de lente niet als één uit een reeks maar als uniek en onherhaalbaar. Ik maak een gestolde werkelijkheid mee omdat plotseling het eeuwig herhalingspatroon wordt doorbroken. Op dit soort momenten verdampt in mij de mist van de tijd, alsof ik dwars door die mist heen een schaduw volg: tot hier, tot aan de plek waar we stonden. Waar ik nu sta: Land’s End.’

    Mocht dit inderdaad Van Dullemens laatste boek zijn, dan heeft ze een mooi ‘coda’ aan haar omvangrijke oeuvre gehangen.

     

     

  • Zeer geslaagd debuut

    Zeer geslaagd debuut

    Het thema van veel gedichten uit het debuut van Maartje Smits is het opgroeien van een meisje naar jonge vrouw die daar eigenlijk nog niet aan toe is. Smits heeft regelmatig gepubliceerd in verschillende tijdschriften als De Gids, hard//hoofd en de Poëziekrant. Naast poëzie schrijft ze  prozateksten en essays en heeft ze een website waarop  filmpjes staan die ze ‘in beeld gevangen gedichten’ noemt. Ze is een onderzoekende dichter, nieuwsgierig en ongeremd en noemt zichzelf ‘een schrijvende detective’.

    Speelse gedichten
    Haar gedichten in deze bundel zijn speels als een jong meisje en vliegen alle kanten op; de dichter springt en associeert. Door het creatieve gebruik van het enjambement word je als lezer vaak op het verkeerde been gezet, lees je weer  terug dan ontdek je meerdere lagen. Smits loopt tegen de grote-mensen-wereld op: ‘je moet zo lang mogelijk een meisje zijn//maar een meisje mag nooit te laat komen’. En in het gedicht Een moeder een meisje probeert ze zich los te maken van huis en moeder:

    een meisje klampt
    een moeder weert
    een meisje krimpt
    een moeder scheert
    een meisje

    Haar taalgebruik is modern: social media-taal (‘een uitzicht refresht’), evenals woorden en uitdrukkingen uit het Engels, Duits en Frans (ik möchte een vrouwship//zijn shallow schouwdek weze//een beetje bitse lust objection). Ze noemt de dingen bij hun naam. Soms doet dat geforceerd aan en  kun je je afvragen wat daar de meerwaarde van is. Vaak werkt het vervreemdend en wordt er een betekenis aan een regel of een gedicht toegevoegd:

    met dikke dije
    dikes off all men deck
    deilig zandspuiters dijen die
    alles af teren teder gegen
    genegenheid halten

    Ook humor ontbreekt niet: je kijkt er gemakkelijk overheen, maar ontdekt uiteindelijk waar het om gaat:

    een animatieteam
    overstemt het sissen van boven
    benen op plastic grilplaten

    Er is een prachtig gedicht over een eetprobleem waarin ze het fantastische woord ‘uitslikken’ gebruikt voor braken. En ook: ‘theelepeltjes wekken de illusie dat je meer kunt eten’.

    Met name in de gedichten waarin ze seksueel ontwaakt, wordt nogal eens straattaal gebruikt. Daar het de taal van meisjes is, krijgt het meerwaarde en is het passend.

    In de hele bundel worden, behalve in titels, namen of Duitse zelfstandig naamwoorden, geen hoofdletters gebruikt. Op één uitzondering na: in het gedicht Zondagsgebied  ‘recreatie geeft richting maar moet wel doelloos blijven’ wordt U met een hoofdletter geschreven. Aan wie refereert ze? Het lijkt aan haar vader, maar het kan net zo goed een opperwezen zijn, of de natuur of het grote geheel dat haar aanstuurt en alle kanten opstuurt.

    Overtuigende poëzie
    Haar gedichten hebben een  mooi ritme, fijn om voor te dragen. Dat kun je als lezer gemakkelijk ontdekken door ze hardop te lezen. Wanneer je ze hardop voorleest, valt op dat het ritme soms verstoort wordt, ook hier weer net zoals bij het gebruik van enjambement, om je op het verkeerde been te zetten of je weer even bij de les te brengen. Ze doet dat bijvoorbeeld  door in twee kolommen een soort dialoog met zichzelf aan te gaan of door opmerkingen tussen haakjes te plaatsen. De gedichten kun je daarmee op verschillende manieren lezen en interpreteren.

    je kieuwvliezen verliezen
    aan een pingpongbal
                een potje
    dertien zijn stuurloos
                scheuren
    screwen
    scrol
    het antwoord vorderen
                scrol
    in de zoekgeschiedenis
                scrol
    van je vader
    de website vinden
    een pagina met een dozijn platte
    mensen

    Smits vliegt als een jong meisje alle kanten op. Deze bundel is behalve een humoristische en een overtuigende bundel ook een soort gebruiksaanwijzing,  en niet alleen voor meisjes: meisjes leren hoe vrouwen en vrouwen hoe meisjes en mannen hoe meisjes en vrouwen (soms) in elkaar zitten.

    Haar gedichten overtuigen door de thematiek, haar humor en de beelden (schaamschennis). Het is zeer leesbare poëzie en ook geschikt voor een wat jonger publiek.

    www.maartjesmits