Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Eenzaamheid als je enige bezit in de wereld

    Eenzaamheid als je enige bezit in de wereld

    Je gaat naar bed zoals alle andere dagen. Misschien slaap je in met de prettige gedachte dat je morgen een afspraak hebt met je liefje. Dan word je wakker, niet in je bed, maar op de harde grond in een donkere kamer, op een plek waar je nog nooit bent geweest. Op de tast vind je een deur, die je opent waarna je opnieuw in een duistere kamer belandt, met weer een deur die ook weer leidt naar een kamer…

    Zoiets als doodgaan zonder echt dood te gaan. Belanden in die veronderstelde tussentijd tussen zijn en niet zijn, op het snijvlak van bewustzijn en diepe slaap. Op een plek in ieder geval waar wat jij wil er niet toe doet, iets of iemand anders bepaalt de gang van zaken.

    Het is een oersterk begin van de roman De plaats van de Uruguayaanse schrijver Mario Levrero (1940-2004). Het is het eerste boek van de auteur dat in het Nederlands verschijnt. In eigen land een naam van betekenis, maar hier nog niet en uitgeverij Bananafish probeert daar verandering in te brengen.

    Kafka
    Lees je De plaats, dan gaan je gedachten naar het werk van andere auteurs. Franz Kafka bijvoorbeeld. In De gedaanteverwisseling legt zich een man te slapen en ook hij ontwaakt in een volstrekt andere situatie: hij is een insect geworden. Alles in De plaats zou je Kafkaiaans kunnen noemen: personages hebben geen invloed op de gebeurtenissen, een hogere macht lijkt alles te regisseren en wat normaal lijkt, is abnormaal. Denk ook aan Sartre’s verhaal over het lot, De teerling is geworpen, waarin zielen ronddolen in de natijd, of aan Kevin Brockmeier’s De kleine geschiedenis van de doden dat zich ook in een soort van hiernamaals afspeelt.

    Een mens die zich realiseert dat hij volledig wordt teruggeworpen op zichzelf, die bij niemand te rade kan gaan, die zich over moet geven aan de grillen van een macht buiten hem om, die ontmoet zichzelf. Zo gebeurt het bij de ik-figuur in De plaats. Dolend van kamer naar kamer, nog steeds zonder ramen, maar waar op een gegeven moment wel lampen gaan branden, zijn het aanvankelijk voor de hand liggende emoties die zijn humeur bepalen: woede en angst.  Maar dan volgt gelatenheid, de berusting in zijn lot: hij kan het toch niet veranderen. Een fase waarin hij zich gaat afvragen: wie ben ik eigenlijk? En: hoe ga ik in ‘de normale wereld’ om met problemen? Los ik ze op rationele wijze op of laat ik me meer door mijn emoties leiden? Hij trekt een belangrijke conclusie: de onmacht in de bijzondere situatie waarin hij zich bevindt, wijkt niet veel af van de onmacht in het dagelijkse leven. Ook al kan hij in het dagelijks leven allerlei keuzes maken en staan er allerlei middelen tot zijn beschikking, hij is er even machteloos. Alleen slaagt hij er daar beter in die onmacht te verhullen.

    Een simpele vaststelling die een ontnuchterend mensbeeld openbaart: de mens is nietig en machteloos.

    Eenzaamheid
    Verderop laat Levrero zijn hoofdpersoon concluderen dat eenzaamheid misschien wel zijn enige bezit is in de wereld. Nou, dan heeft zijn protagonist het dieptepunt van zijn dal wel bereikt. Tegelijkertijd bereikt de lezer van Levrero’s roman daar zo’n beetje het  hoogtepunt. Waar je in het eerste deel van de roman nog wordt meegenomen in een duizelingwekkende achtbaan, vind je je in het tweede deel terug in een kalm drijvend bootje op een kabbelende stroom. Jammer. De spanning is er vanaf, wat de hoofdpersoon dan nog meemaakt zijn verzinsels die er niet toe doen, waarbij de diepgang ontbreekt. Hij ontmoet er andere mensen. En wie weet, heeft de schrijver het zo wel bedoeld. Dat de kracht van het mens-zijn niet in zijn verhouding tot anderen schuilt, maar in zichzelf.

     

  • Mens

    Mens

    De biografie over uitgever Geert van Oorschot gaat voortvarend van start. Het levensverhaal begint met een vlucht, zomer 1926: God, wat wilde Geert van Oorschot graag weg uit Vlissingen. De inkt van zijn HBS-diploma was nog niet droog of hij pakte zijn fiets. Hij gunde zich pas rust toen hij vijftig kilometer van huis was. Ruim zeshonderd pagina’s verder zijn we in 1987.
    Van Oorschot heeft dan bijna tachtig jaar geleefd en is op, na een woest en soms losbandig leven. Een bestaan dat kan worden getypeerd door een uitspraak van de doorgaans zwijgzame dichter Jan van Nijlen, de onbetwiste favoriet van de uitgever: Het leven is moeilijk. Een essentieel zinnetje, vond Van Oorschot.

    Straatvechter
    Een groot deel van de moeilijkheden die Van Oorschot op zijn weg vond, werd door hemzelf veroorzaakt. De biograaf, Arjen Fortuin, laat er geen misverstand over bestaan, volgens hem was de uitgever een straatvechter die als het moest en ook als het niet moest, met iedereen ruzie maakte. Hij liet zich in laatdunkende termen uit over schrijvers in het algemeen (dom en ijdel), die van zijn eigen fonds niet uitgezonderd. Een bekend patroon was: eerst werden ze ingehaald en vertroeteld, gevleid en in de lucht gestoken, daarna de grond in geboord. Vaak om futiliteiten of misverstanden, vaak om niets. Van Oorschot eiste totale devotie en als dat niet lukte, dan maar vijandschap. Die overigens vaak even gemakkelijk na verloop van tijd weer in warme vriendschap kon veranderen. Het was thuis niet veel anders. Door zijn overmatig drankgebruik en agressiviteit was zijn vrouw in bepaalde perioden af en toe bang met hem alleen te zijn. Buitenstaanders wisten van niets, hij kon buitengewoon charmant en gastvrij zijn en tot op gevorderde leeftijd was hij een geduchte womanizer. 

    Uitgever
    Fortuin heeft een bewonderenswaardige hoeveelheid materiaal opgedoken. In de biografie passeert aan de hand van Van Oorschots leven een groot deel van de naoorlogse literaire geschiedenis in Nederland: niet alleen de schrijvers die bij de uitgeverij publiceerden of meewerkten aan Van Oorschots tijdschrift Tirade, maar ook de schrijvers die hij graag in zijn fonds had willen hebben, maar bij wie hij achter het net viste: Mulisch, Claus, Van der Heijden, of die hem na heftige conflicten–meestal over geld–de rug toekeerden, zoals Hermans en Reve. Daar blijft het niet bij, want ook de politieke verhoudingen in Nederland komen uitvoerig ter sprake. Van Oorschot was een strijdbare socialist, afkomstig uit kringen van geheelonthouders en would be-revolutionairen en is nauw betrokken gebleven bij de politiek, ook al werd hij ‘rechtser’ naarmate hij ouder werd. Hij was een groot bewonderaar van de politieke theoreticus Jacques de Kadt en persoonlijke vriend van Joop den Uyl. Tenslotte: ook Van Oorschot als dichter en romanschrijver (pseudoniem R. J. Peskens) passeert de revue, terwijl eveneens het uitgeverijbedrijf in engere zin belicht wordt: de betrekkingen met het personeel, de relaties met de drukkers, de woelige verhouding tussen Van Oorschot en zijn succesvolle boekontwerper Helmut Salden.

    Mens
    Het is geen sinecure om je weg te vinden door al die bergen informatie, anekdotes, gesprekken, briefwisselingen en literaire teksten en dat is dan ook niet altijd gelukt. Als de auteur er beter in was geslaagd hoofd- en bijzaken te scheiden, zou het boek vele tientallen pagina’s dunner en leesbaarder zijn geweest. Geert van Oorschot, uitgever, luidt de titel, maar Geert van Oorschot, mens zou ook niet hebben misstaan. Over het persoonlijke leven is intiemere, sprekender kennis bijeengebracht dan over het uitgeversbestaan, dat vooral van de buitenkant wordt belicht. Veruit het ontroerendste deel gaat over de zelfmoord van Guido, een van Van Oorschots zoons, en Fortuin laat zien hoe diep die gebeurtenis heeft ingegrepen in zowel het gemoed van de vader als dat van de andere familieleden; ook de overige zoons raakten vervreemd van hun vader. Een succesvol leven is niet noodzakelijkerwijs een gelukkig leven, zegt de biograaf, zeker is dat Geert van Oorschot hartstochtelijk ongeluk heeft gekend. 

    Biografie
    De biografie is globaal chronologisch opgezet, maar trekt daarbinnen vele dwarsverbanden die soms moeilijk te volgen zijn. Het hoofdstuk Dingen afmaken is een verzameling van ogenschijnlijk losse eindjes: de verhouding met Carola Kloos, de angst voor longkanker, de waardering voor Annie M.G. Schmidt, de brieven van Du Perron, het verzameld werk van Dèr Mouw. Meer hoofdstukken hebben zo’n karakter, alsof afzonderlijke schetsen en aantekeningen achteraf maar zo’n beetje bij elkaar zijn gezet. Het uitgeverskantoor was een onbeschrijflijke zwijnenstal waarin niemand zijn weg kon vinden en het wekt geen verbazing dat de uitgaven af en toe monumenten van slordigheid waren. Aan de inhoud was nog minder zorg besteed dan aan het uiterlijk, zegt de biograaf over een gedichtenbundel van Hans Lodeizen–in de bundel stonden maar liefst tien dubbel afgedrukte gedichten. De typische verdediging van de uitgever: niets aan de hand. Van belang, zou je zeggen, bij de beoordeling van Van Oorschot als uitgever, maar zoals gezegd staat zulke informatie schijnbaar willekeurig door het hele boek verspreid.

    Hier en daar komt de biograaf met bedrijfsresultaten aanzetten die tot achter de komma nauwkeurig lijken, maar een lezer zou zich kunnen afvragen hoe betrouwbaar zulke informatie is tegen de achtergrond van die chaos op de uitgeverij. In meer opzichten lijken de beweringen van Fortuin niet altijd goed gecontroleerd. Eén voorbeeld: de ‘affaire’ Joop en Liesbeth den Uyl. De jonge Liesbeth werd door Van Oorschot aangenomen als redactioneel medewerkster en hij begon een verhouding met haar die zijn huwelijk zou bedreigen. Hij kon Liesbeth vervolgens tot zijn opluchting slijten aan Joop den Uyl. Beide mannen kregen ruzie toen Den Uyl ontdekte dat Liesbeth eerst ‘met Geert’ was geweest. Onwaarschijnlijk verhaal. Hoe komt zo’n anekdote tot stand? De biografie is als wetenschappelijke dissertatie verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam, maar de auteur is met de wetenschappelijke regels nogal nonchalant omgesprongen. Het genoemde voorbeeld staat niet op zichzelf. Het zal te maken hebben met het onderwerp: een succesvolle schrijver en uitgever in het hart van het Amsterdamse roddelcircuit.

    Dat de biograaf emotioneel betrokken is geraakt bij zijn onderwerp is overigens onvermijdelijk, en dat heeft hem waarschijnlijk dicht bij de kern van zijn onderwerp gebracht. Je wilt van zo iemand nu eenmaal alles weten! Maar zijn oordeel over Van Oorschot lijkt af en toe uit de lucht gegrepen en al te zeer voor insiders bedoeld. Dat doet af aan de plausibiliteit van het betoog. Dat hij de uitgever talloze keren typeert als theatraal, zonder uitleg over wat hij daar nu eigenlijk onder verstaat, is krachteloos, maar hij betitelt hem tussen neus en lippen door ook als berekenend, leugenachtig, opportunistisch, gierig, dictatoriaal, drammerig, onoprecht, onhelder. Zonder duidelijke argumentatie lijkt dat niet op wetenschapsbeoefening, maar eerder op schelden, en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

     

     

  • Lofzang op het landschap en het platteland

    Lofzang op het landschap en het platteland

    Het landschap waarin een mens zijn leven doorbrengt is een van de meest fundamentele elementen die de waarde en de waardigheid van zijn leven bepalen. (…) Een landschap bestaat voor zijn bewoners behalve uit fysieke kenmerken uit een ongelooflijk complex weefsel van ervaringen, herinneringen, sporen, verhalen, kennis, tekens die hij nodig heeft om zijn weg erin te vinden, nieuwe ontdekkingen een plaats te geven, zijn keuzes voor de toekomst te kunnen funderen op lessen uit het verleden. Het landschap is een spiegel van het menselijk bestaan. Het is daarom van het grootste belang erover na te denken aan wie we de zorg ervoor toevertrouwen.’

    De verwoesting van het landschap
    Met deze persoonlijke filosofie opent schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn zijn essaybundel waarin hij zijn liefde voor het landschap en het platteland beschrijft. Dat doet hij door naar gebieden te reizen die door schrijvers als Louis Paul Boon, Cesare Pavese, Bert Schierbeek en anderen zijn beschreven om te zien wat er van geworden is. Dat is meestal niet best, de meesten zijn aangetast door de moderne tijd, die volgens van Toorn gekenmerkt wordt door het vrijemarktdenken. Dat denken verwoest het platteland. De toon waarmee hij de verantwoordelijke bestuurders veroordeelt voor het verloren laten gaan van het landschap en het platteland is ongemeen scherp. Zijn beschrijving van het mislukte project ‘Blauwestad’ in Groningen – ‘vervalsing van het landschap’ noemt hij het – laat dat duidelijk zien. Ook een project over het Groene Hart waar hij als adviseur bij betrokken was, deed hem versteld staan. Alras bleek namelijk dat het perspectief van waaruit naar het landschap gekeken werd, de stad was.

    Het landschap werd gezien als recreatiegebied voor stedelingen, niet als gebied met een historie waar mensen wonen. Van Toorn hield het snel voor gezien.

    Het Franse platteland
    Van Toorn bezit al heel lang een huis op het platteland in Frankrijk en in een aantal verhalen in deze bundel beschrijft hij de ontwikkelingen aldaar, de mensen die vertrekken, de mensen die er komen wonen. Wat opvalt is dat er nauwelijks sprake is van leegloop; huizen en boerderijen die leeg komen te staan worden verkocht aan jonge mensen en blijven bewoond door mensen met liefde voor de omgeving. Daar, in zijn ‘lieu-dit’ , het gehucht waar hij woont, ervaart hij de intimiteit van het nog authentieke leven op het platteland. Daar is het hedendaagse leven nog verbonden met de historie van het gebied. En dat is precies wat Van Toorn zoekt.

    Dilemma
    Op dat moment komt zijn persoonlijke dilemma om de hoek kijken. Omdat Van Toorn in Nederland in de grote stad woont, ervaart hij aan den lijve het verschil tussen de moderne stadsmens en de plattelander. Duidelijk is dat het leven op het platteland zijn voorkeur heeft, maar tegelijk wil hij het leven in de stad niet missen.

    Van Toorn verwondert zich erover dat hij aan de ene kant moet leven met de ‘in onbegrensde welvaart opgegroeide westers consumptiemens’, die in staat is ‘op veel plaatsen het geheugen van het landschap uit te wissen met gedachteloze megaprojecten’ en aan de andere kant laat hij zich ‘verrassen door een dorps echtpaar met twee halve varkens, mensen in wie de generatie van mijn grootouders onveranderd lijkt voort te bestaan. Ik lijk met die twee werkelijkheden te moeten bestaan’.

    En zo is het; toch maakt hij duidelijk dat de werkelijkheid van het platteland hem vele malen boeiender voorkomt dan welke modernisering dan ook. Wanneer hij het over dat laatste heeft, neemt zijn woede toe en moeten al degenen die geen oog hebben voor de historie en de schoonheid van het landschap/platteland het ontgelden. Hij beschouwt het landschap als iets dat ‘onder invloed van menselijke behoeften in een lange periode van aanpassingen op menselijke schaal is ontstaan’ en het nieuwe platteland als iets ‘van de tekentafel’. Met dit laatste doelt hij op de grote ruilverkavelingen in Nederland die het gevolg zijn geweest van het beleid van Sicco Mansholt. Voor zijn beleid heeft van Toorn geen goed woord over.

    Van Toorn beschrijft in heldere bewoordingen zijn liefde voor het landschap en het platteland. De verhalen over zijn leven in het Franse gehucht zijn mooi om te lezen, maar contrasteren wel erg met zijn aanklacht tegen de verwoesting van het platteland. Daarin schiet hij soms door, maar dat zij hem vergeven. Iemand zoals hij, die zich al zijn hele leven inzet voor het behoud van het waardevolle van het landschap, verdient ons aller waardering.

     

  • Schrijf alles op

    Schrijf alles op

    De tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver José J. Veiga (1915-1999), speelt in de jaren zeventig en beslaat een periode van zes jaar waarin het rustige stadje Taitara zich ontwikkelt tot een dictatoriaal staatje. Hoe dat zo ontstaan is, vertelt de zeventienjarige jongen Lucas (Lu) die door zijn moeder gezegd is ‘alles op te schrijven’, zelfs dat wat niemand mag weten.

    José Veiga debuteerde op vijfenveertig jarige leeftijd met een verhalenbundel. Met zijn debuutroman De drie plagen van Manirema, dat vorig jaar in vertaling verscheen, brak hij toentertijd door naar een groot publiek. Deze debuutroman gaat over een stadje dat ten prooi valt aan onbegrijpelijke gebeurtenissen. Ook in Onrust boven Taitara dat verscheen in 1972, en onlangs vertaald werd door Harrie Lemmens, blijft in de stad Taitara niets zo als het was.

    Lu is enig kind en elf jaar oud als de broer van zijn moeder, die hij alleen van foto’s kent, op bezoek komt. Oom Baltazar is opnieuw getrouwd met (tante) Dulce, is steenrijk maar van zijn verschijning schrikt Lu nogal. Deze oom klopt niet met het beeld dat hij van hem kent op de foto’s. Hij mist een arm, de linkerarm waarmee hij, op de foto die hij hen stuurde, achter het stuur zittend van een glimmende sportwagen, nonchalant mee over het portier leunde. Die foto was van hand tot hand gegaan, ‘Mam leende hem wel uit, zo aardig en ijdel was ze wel, maar als het wat lang duurde voor ze hem terugkreeg, moest ik hem gaan halen, zo’n belangrijk document mocht niet te lang in ongewijde handen blijven.’, en had enorm succes geoogst bij vrienden en kennissen.

    De fabriek

    Oom Baltazar heeft grootse plannen voor het opzetten van een bedrijf in Taitara. Al snel blijkt dat hij geen idee heeft wat daar zoal bij komt kijken. Wanneer uiteindelijk het bedrijf, Companhia Melhoramentos de Taitara (Maatschappij tot Verbetering van Taitara) een feit is, wordt oom Baltazar in de stad verafgood als grondlegger van de fabriek. Maar niet van lange duur. Op een dag werken de vennoten van de fabriek oom Baltazar eruit en vertrekt hij met zijn vrouw uit Taitara.
    Daarna verschijnen er van de een op de andere dag muren in de straten waardoor vrienden van elkaar gescheiden worden en het somber wordt in de huizen. ‘Door die vermoeiende en ontmoedigende muren overal was er moeilijk achter te komen wat er allemaal gebeurde in de stad, wat de mensen dachten en zeiden. Vroeger had ik mam na school altijd een hoop te vertellen, nu ging ik weg en kwam ik terug in het donker, (…).’ Veel arbeiders worden ontslagen en anderen worden onder voorwaarden in dienst genomen. De vader van Lu wordt, tegen ieders verwachting in, bevorderd tot controleur. Hij krijgt een uniform en ontleent status aan de macht die hij heeft de ander te helpen of tegen te werken.

    Verloren onschuld

    De roman is zo’n zeven jaar na de staatsgreep van 1964 in Brazilië, geschreven. Toen de militairen zich op het hoogtepunt van hun macht bevonden. Duidelijk is dat Veiga de onderdrukking van die tijd beschrijft maar desondanks is het geen zwartgallige roman geworden, eerder een luchthartig aanvaarden van wat op je pad komt. En dat komt doordat hij die onderdrukking gebruikt als decor voor de ontwikkelingen van Lu. De geschiedenis van Taitara is uiteindelijk de geschiedenis van een opgroeiende jongen die zijn onschuld verliest en de wereld om hem heen dramatisch ziet veranderen. Zijn vader wordt om onverklaarbare redenen gevangen genomen, zijn oom sterft en de veel jongere vrouw van zijn oom, (en dat is wat niemand mag weten) Dulce kruipt ‘s nachts bij hem in bed in de tijd dat hij bij hen logeert.’Soms wachtte ik op haar terwijl ik deed of ik sliep, andere keren sliep ik echt en werd ik wakker van haar gewoel, maar dan hield ik mijn ogen dicht.’

    Briesende paarden

    Veiga schrijft in een rustige, haast kale stijl. De glimmende sportwagen kent geen merk en tante Dulce is mooi zonder dat haar schoonheid beschreven wordt. Je kunt spreken van flat characters maar daarentegen zijn de overdenkingen van Lu metaforisch voor de sfeer waarin hij leeft. Als hij in een afbraakpand waar zijn vader, die zijn werk als controleur heeft neergelegd, een winkel wil beginnen, enige orde probeert te scheppen, stappen er twee mannen te paard het pand binnen om te schuilen voor de regen. Lu ziet een vergelijking tussen de briesende paarden en het volk in de stad: ‘(…) een opgetuigd paard dat op zijn baas wacht is een treurig beest, het heeft geen eigen wil, mag alleen maar daarheen waar het mee naar toe wordt genomen – net zoals wij op onze wegen tussen muren.’

    Onheil over Taitara is een ‘Coming of Age’ roman pur sang. Door het sobere en luchtige taalgebruik schittert deze roman in eenvoud en heeft Veiga in de stem van de jongen een toon gevonden die waarachtig klinkt, ook al zijn de gebeurtenissen die verteld worden bizar en ongeloofwaardig. Van deze magisch realistische schrijver wil je, na de vertaalde roman De drie plagen van Manirema en deze, beslist meer lezen.

     

     

  • Voer voor discussie

    Voer voor discussie

    ‘Het woord multicultureel bestond gelukkig nog niet’, zo zegt tv-persoonlijkheid Chazia Mourali over haar jeugd in het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje. Wat er precies mis is met deze term legt ze niet uit. Het is een feit dat het begrip multiculturalisme besmet is geraakt in het maatschappelijk debat. Maar in dat debat wordt nooit duidelijk waarom deze term eigenlijk niet goed zou zijn. De argumentatie van multiculti-haters komt meestal niet verder dan: ‘ik ben blank, dus andere mensen moeten ook blank zijn.’

    Waarom zou je tegen een cultuurdiverse samenleving zijn? Wat is er precies mis met het samenleven met mensen met een achtergrond die van die van de meerderheid afwijkt? Wat is hun maatschappelijke zichtbaarheid eigenlijk? Wat zijn hun de kansen op succes? Dat zijn vragen die de geïnterviewden bezig houden in dit boek. Vuijsje vat in zijn bundeling van meningen van ‘allochtonen’ de problematiek zo samen: ‘Hoe leven wij met elkaar samen in dit land, met alle verschillende soorten mensen die hier wonen?’ (63) In dat licht was het misschien goed geweest als er ook wat meer ‘autochtonen’ dan nu het geval is aan het woord waren gekomen, volgens het journalistieke principe van ‘hoor en wederhoor.’

    Vuijsje had zijn boek mogelijk een programmatische ondertitel als ‘Over multiculturalisme in Nederland’ mee kunnen geven, maar hij deed dat nadrukkelijk niet. In zijn inleiding geeft hij aan dat hij niet ‘politiek correct’ wil zijn maar ‘realistisch’. (11) Dat ‘politiek correct’ maar een ‘frame’ is, bedacht door mensen die wrevel voelen omdat ze op het morele gehalte van hun taal en gedrag worden aangesproken, meldt Vuijsje niet. Vuijsje werd zelf, zoals hij in Kaaskoppen ook opmerkt, overigens door sommigen als politiek incorrect neergezet na het verschijnen van zijn boek Alleen maar nette mensen. In de hoedanigheid van zowel (vermeend) politiek correct als incorrect lijkt hij een ideale gids langs de problematiek.

    Robert Vuijsje is een literator, geen wetenschapper. Hij biedt geen diepgravende analyse, maar zijn boek met fragmenten uit interviews (uit onder meer de Volkskrant) met ‘nieuwe kaaskoppen’ (mensen levend in Nederland die wel ‘allochtonen’ worden genoemd) bevat veel discussiemateriaal en zou niet misstaan op de leeslijsten van middelbare scholen.

    Vuijsje betoont zich in het eerste deel van het boek een voorzichtige commentator. Hij laat de meningen van de geïnterviewden vooral voor zich spreken. Een studie van de oorzaken van racisme in Nederland is dit boek niet. Vuijsje gaat bijvoorbeeld niet in op de cultus van ‘het benoemen van problemen.’ Het benoemen, uitvergroten en concretiseren van problemen maakt deze problemen doorgaans veel erger, zo wijst de geschiedenis uit. Bepaalde zaken worden ‘zegbaar’ omdat de taal ervoor voor handen is, zou Michel Foucault opmerken. Dit terwijl in plaats van de problemen op de spits te drijven en vast te leggen, pragmatisch doormodderen misschien beter zou zijn. Met bepaalde ‘benoemende’ termen wordt de werkelijkheid versimpeld. Denk aan begrippen als ‘allochtonen’, ‘islamisering’, ‘kutmarokkanen’, ‘massa-immigatie’ en ‘niet-westerse migranten.’ Wat is precies de heilzame werking van het gebruik van deze termen (geweest)?

    Neem de laatste term: ‘niet-westerse migranten’ (of ‘niet-westerse allochtonen’). Waarom zou je zo’n categorie gebruiken? Wil men daarmee misschien uitdrukken dat sommige migranten niet lijken op Westerlingen en dat dat een probleem is? Moeten deze migranten hun haar soms blonderen en blauwe contactlenzen dragen, zoals een van de geïnterviewde Nederlands-Turkse vrouwen doet? Opiniemakers die een term als ‘niet-Westerse migranten’ gebruiken worden geprezen omdat zij dingen ‘bespreekbaar’ maken. Het blijft vooralsnog onduidelijk waarom racisme bespreekbaar maken eigenlijk lovenswaardig is. Het gebruik van een dergelijke term draagt bij aan het scheppen van een basisvoorwaarde voor racisme, oftewel het creëren van een klimaat waarin de angst voor ‘het vreemde’ wordt begrepen of zelfs gevierd, in plaats van dat er geprobeerd wordt deze angst te verhelpen.

    Waar is links?
    Het politieke debat in Nederland (en eigenlijk in bijna heel Europa) wordt gevoerd tussen rechts en extreemrechts. De verwonderde waarnemer van het politieke midden mist een krachtig en effectief tegengeluid van de linkerzijde. Een democratie is gebaat bij pluriformiteit, daarom is het nodig dat linkse intellectuelen vlammende essays schrijven. Waarom is er in een landelijk medium nog geen stuk met de titel ‘Het extreemrechtse drama’ verschenen, een verlate reactie op Paul Scheffers ‘Het multiculturele drama’? Waarom zijn er bijna geen politiek geëngageerde schrijvers die durven te schoppen tegen de schenen van de tijdgeest? Waarom uit Robert Vuijsje zich bijvoorbeeld niet meer bevlogen? Hij maakt nu vooral zijn eigen ambivalente positie duidelijk. Dat is literair gezien geslaagd, maar een debat win je er niet mee.

    Mogelijk vererger je het probleem door een artikel de net genoemde titel mee te geven, door het probleem dus te ‘benoemen’, door te polariseren ook, maar een alternatieve aanpak is er niet. Naar gematigde mensen wordt immers niet meer geluisterd in een maatschappij van Nieuwe Hufterigheid. Appeasementpolitiek, zo weten we uit de geschiedenis, werkt niet. In het huidige ‘debat’ wordt extreemrechts naar de mond gepraat omdat men bang is anders niet populair te zijn. In de jaren negentig gold Bolkestein als uiterst rechts, aan het begin van het nieuwe millennium was die rol voor Fortuyn en nu zitten we met Wilders. Met andere woorden: rechts wordt steeds extremer, vooral ook omdat er geen tegengeluid is. In een goed functionerende democratie zouden links en rechts elkaars extremiteit moeten temperen.

    Niet alle vormen van ‘benoemen’ zijn overigens even laakbaar. Aan de ene kant zijn er diegenen die een ‘probleem’ aankaarten dat voortkomt uit intolerantie, een verbloemd ‘eigen volk eerst’-verhaal dus. Terwijl er aan de andere kant ook mensen zijn die (en dat is minder laakbaar) een probleem aankaarten omdat men kritisch is over precies die intolerantie (intolerantie niet alleen van extreemrechts, maar ook van moslimextremisten). In die zin is een debat over een onderwerp als dit oneerlijk. Men strijdt op moreel vlak niet met gelijke wapens. Men zou compassie moeten hebben met mensen, gehaaide debaters soms, die uiteindelijk niet in de geschiedenisboeken zullen komen als ‘de grootste Nederlander’, maar als mensen die simpelweg geen heilzame visie hadden, mensen die niet met het maatschappelijk belang maar met hun eigen egotrip bezig waren.

    Je gunt een man als Wilders klein levensgeluk: dat hij in zijn volkstuintje een vlag mag planten en ‘minder minder minder’ tegen zijn tuinkruiden kan roepen, maar hij kan de politiek beter aan verantwoordelijke mensen overlaten. Niet dat zijn terugtreden uit de politiek uiteindelijk veel zal helpen, als Wilders uit beeld verdwijnt zal een type als Rita Verdonk weer opduiken vanuit het Rijk der Vergetelheid. Dat geeft aan dat het probleem structureel geworden is. De maatschappij is verziekt, er is na de Fortuyn-revolutie geen normalisering opgetreden. Voor een dergelijke analyse van structurele problemen kun je niet terecht in Kaaskoppen, dat vooral heel veel citaten bevat, niet altijd met duiding. Vuijsje komt in het eerste deel van Kaaskoppen niet veel verder dan te stellen dat ‘dit land boos is, en in de war.’ (63)

    In het boek komt actrice Jasmine Sendar (1977) aan het woord. Ze vertelt dat ze in haar jeugd in Dordrecht gepest is: ‘Ik kwam daar in aanraking met pesten, het heeft tien jaar geduurd. Ze wachtten me op, scholden me uit voor Zwarte Piet, gingen met hun hand in mijn gezicht om te zien of ik af zou geven. Op school deed ik vaak alsof ik buikpijn had om naar huis te kunnen.’ (41) Politici die, nadat uit kiezersonderzoek is gebleken dat er racisme leeft onder het electoraat, dit racisme gaan aanzwengelen, zijn als docenten die meedoen met het pesten van leerlingen: zij maken uit eigen belang gebruik van slechtheid, in plaats van ervoor te kiezen deze slechtheid te bestrijden.

    De meeste mensen in Kaaskoppen kunnen hun mening vrij goed verwoorden. Waarbij opvalt dat de hoogst opgeleiden niet altijd de meest zinvolle dingen zeggen. Zo komt de in 2015 overleden arabist Hans Jansen aan het woord. Volgens hem gaat het politieke debat over ‘de vraag hoe je belastinggeld het beste kunt verdelen. De meeste mensen realiseren zich dat niet. Besteed je het belastinggeld aan de verzorging van ouderen of aan Marokkaanse gezinshereniging en allerlei onduidelijke gesubsidieerde clubs? Dat is waar politiek over gaat. Ik vind dat belastingpenningen moeten gaan naar de mensen die ze hebben opgebracht.’ (153). Met andere woorden: de rijken moeten worden gesubsidieerd, terwijl de sociaal zwakkeren het zelf maar uitzoeken. VVD-politica Samira Bouchibti (oud-PvdA) stelt: ‘Wie je ook bent en waar je vandaan komt: in dit land kun je iets van je eigen leven maken.’ (154-155) Dergelijke meningen zien we meer terug in dit boek: men neemt dan het eigen succes als norm en redeneert: als ik het kan, kunnen alle anderen dit ook. Dat is eenvoudigweg niet altijd (of eigenlijk: meestal niet) waar. Sommige politici hebben te weinig oog voor wat er allemaal mis kan gaan in een mensenleven, of voor het feit dat met het leven worstelende sociaal zwakkeren ook rechten hebben.

    Het tweede deel van Kaaskoppen is sterker dan het begin. Vuijsje behandelt erin heikele thema’s als het Zwarte Piet debat, moslimextremisme en de vluchtelingenproblematiek en komt met de volgende conclusie: ‘discriminatie en racisme bestaan in Nederland.’ (261) Hij stelt ook dat als men om zich heen kijkt men een land in ontwikkeling ziet. ‘Of dat nu als positief of negatief wordt gezien, het ís zo.’ Tegelijkertijd ziet men ‘dat veel autochtone landgenoten, bewust of onbewust, blijven doen alsof deze ontwikkeling niet bestaat. Alsof dit hetzelfde land is als vijftig jaar geleden.’ (261). Vuijsjes visie klopt, zo lijkt het: mensen die cultuurdiversiteit niet accepteren steken hun kop in het zand, het zijn mensen met een kinderlijke visie op de maatschappij, de geschiedenis en de onveranderlijkheid van de eigen cultuur daarin: zij accepteren de realiteit niet, namelijk dat streken, landen, continenten, zich nu eenmaal ontwikkelen en dat er altijd een wisselwerking zal zijn met mensen uit andere culturen. Grow up and deal with it.

     

     

  • De suggestie van de fotografie

    De suggestie van de fotografie

    Sommige boeken gaan alle verwachtingen te boven en dit De vele levens van Amory Clay van William Boyd is er zo één. Boyd is in de Engelse taal al lang een gevestigde naam en in Nederlands werd hij voornamelijk bekend als de auteur van Solo (een van de nieuwe delen van de James Bond serie) dat verscheen in 2013. Zijn andere werken die vertaald werden naar het Nederlands kregen niet veel aandacht, waarschijnlijk omdat het thrillers zijn. En eerlijk gezegd, wie op zoek is naar literaire ontroering zal niet snel een boek van een James Bond-auteur uitzoeken. Er is dus niets bijzonders dat hoge verwachtingen schept voor Boyd’s nieuwste boek, maar dit boek zal zelfs een strengere lezer aangenaam verrassen.

    Een echte heldin
    We leren de hoofdpersoon Amory Clay kennen als jong meisje en we maken haar hele leven mee. Met vallen en opstaan ontpopt ze zich tot (oorlogs)fotograaf, mens en als vrouw. Haar personage doet losjes denken aan Martha Gellhorn – de geliefde van Ernst Hemmingway die als oorlogscorrespondente als eerste vrouw op het strand in Normandië aankwam op D-day, door zich voor te doen als één van de medische mankrachten en zo eerder op het strand was dan menig ander journalist. Daarbij is het eerste fascinerende gegeven van dit boek dat Amory spreekt op een manier die ongekend is. Haar stem lijkt uit de 21ste eeuw te komen, terwijl haar verhaal begint in 1908. Niet zoals we gebruikelijk tegenkomen in de verhalen van toen vol met de dramatische of emotionele wanhoop van een vrouw die alleen maar gelukkig getrouwd wil zijn, verzorgd wil worden, maar een vrouw die deel uitmaakt van de echte wereld. Een vrouw die wat wil doen met haar leven en die, als ze te lang comfortabel niets doet, onrustig wordt en die zonder goed na te denken haar gevoel volgt… en zich een paar dagen later in Vietnam bevindt om weer een oorlog vast te leggen. Ook is er Amory Clay, de geliefde, die net zo onbeteugeld en hedendaags echt is. Verschillende mannen roepen passionele gevoelens op die de ruimte krijgen, maar de eigenzinnigheid komt niet in het gedrang. Ze is niet overgevoelig als het aankomt op zaken als affaires of ‘de ware’, ze is geen nymfomaan, ze is gewoon wie ze is.

    Haar karakter en de manier waarop ze door het leven gaat, doet je afvragen hoe de vorige eeuw er uit zou hebben gezien als vrijheden niet bevochten hadden hoeven worden, want Boyds schets is namelijk zonder die hele worsteling. Amory krijgt van hem de kans een volledig mens te zijn in de vorige eeuw, zonder dat het (weer) over de vrijheid voor vrouwen hoeft te gaan. Hij stelt niet de vraag naar ‘wat als…’, hij geeft gewoon het antwoord: waarschijnlijk een stuk interessanter.

    Ook passeert de geschiedenis van de vorige eeuw voor een belangrijk deel de revue. Hetgeen een caleidoscopisch beeld geeft. Dat doet een beetje denken aan De eeuw van mijn vader van Geert Mak, alleen minder accuraat en niet zo volledig of evenwichtig, maar met een Engelse invalshoek en spannender geschreven. Boyd heeft namelijk niet zijn pen als thrillerauteur volledig ingewisseld, terwijl hij wel een volwaardige literaire roman heeft geschreven.

    Geïllustreerd leven
    Opvallend is dat Boyd foto’s van Amory bij het verhaal heeft geplaatst. Maar Amory was toch niet echt? Nee, ze is niet echt, maar het beeldmateriaal werkt wel door: in hoeverre zou ze echt kunnen zijn? Ja, er zijn vrouwen geweest als Amelia Earhart en de al eerder genoemde Martha Gellhorn, en daarmee gerustgesteld is er ruimte voor de volgende vraag: waarom lijkt het verhaal zoveel meer waarachtig door een paar foto’s? Alle woorden ten spijt, is het beeld sterker? Het is een prikkelende gedachte die dit boek oproept. Soms steekt die de kop op, als Amory haar ideeën over fotografie vertelt of wanneer zo’n interessante prent door Boyd een plaats in het verhaal heeft gekregen.

    Een foto is een momentopname, een verhaal dat niet woordelijk verteld wordt, maar dat de lezer aangereikt krijgt om zelf in te vullen. Boyd heeft een verhaal geschreven bij deze foto’s en niet de prenten bij zijn verhaal gezocht, zo voelt het. Het geheel bestaat uit allemaal kleine verhalen, die benadrukken hoe een leven bestaat uit momenten. Elke keer leren we Amory weer een beetje beter kennen, ze maakt dingen mee, verandert, en wordt ervaren – ze wordt wie ze is en ze is wie ze wordt. Dat klinkt misschien verwarrend, maar is intrigerend en ronduit prachtig.

     

  • Menselijk onvermogen aan een bergbeek

    Menselijk onvermogen aan een bergbeek

    Wat een prachtig beeld van een doodsstrijd: ‘het ree struikelde toen de weergalm van het schot al op de hellingen wegstierf, alsof het toen pas besefte dat het geraakt was. De voorpoten knikten in en het schoof knielend in de richting van de stroom, de kop hoog opgericht. Het verkeerde in de paniek die ook een mens kan overvallen die opeens begrijpt dat hem iets vreselijks is overkomen maar nog niet weet wat het is. Slingerend en op drie poten probeerde het de overzijde van het dal te bereiken.’

    Het is de openingszin van Pierre en Adèle, de derde novelle uit Rivieren van Martin Michael Driessen. De scène krijgt later in dat verhaal een echo in een ongeluk van Pierre en nog weer later in een ontmoeting tussen hem en de dochter van Adèle bij de beek.

    Rivieren bevat drie novellen. Deze derde is de geschiedenis van een vete tussen twee families die al generaties lang voortduurt.

    Verdeeldheid
    Het geschil dat hen verdeelt, gaat over de eigendom van stukken grond aan weerszijden van het riviertje de Issou, in Noord-Frankrijk. Telkens als deze stroom door hoog water of door droogte zijn bedding verlegt ontstaan er ruzies over de juiste grens. Maar de rivier, niet meer dan een beek, is ook een scheiding tussen hugenoten en katholieken en tussen collaborateurs en patriotten.

    Pierre en Adèle is een bijna mythisch aandoend verhaal over jaloezie, trots en hebzucht, maar ook over onmacht. Driessen vertelt het als een springprocessie door de tijd, heen en weer bewegend tussen de generaties en gebeurtenissen. Hier speelt zich in het klein af wat in de buitenwereld gebeurt, gesymboliseerd door overvliegende vliegtuigen: van de vlucht van de pionier Santos-Dumont in het begin van de 20ste eeuw en de bommenwerpers in de Tweede Wereldoorlog tot de Mirages van nu, al naargelang de tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrekken. De parallellie tussen de buitenwereld en de vete langs de Issou komt ook terug in subtiele tijdsaanduidingen als ‘In het jaar dat de Fransen de Duitse Rijnoevers bezetten…’

    Hoe dramatisch het verhaal ook is, Driessen weet het tegelijk luchtig te houden door zijn prikkelende stijl en woordgebruik. Zo weeft hij er als het ware een running gag doorheen door van de notaris Eduard Salomon (!), die in het conflict een wijs oordeel geeft, in elk van zijn levensfases te vermelden welke schrijvers hij leest.

    Net als in dit verhaal zijn alle teksten in Rivieren doorspekt met toespelingen op de Bijbel, kunst, literatuur en muziek. Zo zijn de ondertitels verwijzingen naar het theater. Die van Pierre en Adèle,Er wird rein durch Feuer, Wasser, Luft und Erden’ zal zijn ontleend aan Die Zauberflöte van Mozart, de opera die net als deze geschiedenis, een verhaal van loutering is.

    Gevecht
    Ook het eerste verhaal (qua omvang van 21 pagina’s nauwelijks een novelle te noemen), getiteld Fleuve Sauvage, verwijst in de ondertitel, ‘Alles führt zu nichts’, naar een theaterstuk. Het is een zin uit Das Friedensfest. Ein Familienkatastrophe van Gerhard Hauptmann. Een zeer toepasselijke verwijzing voor het drama dat zich in dit eerste verhaal voltrekt rond de aan lager wal geraakte acteur die weet dat de door hem begeerde rol van Macbeth er nooit in zal zitten. Zijn vrouw, zijn zoon en zijn agent wil hij bewijzen dat hij van zijn alcoholverslaving af kan komen door een kanotocht te maken over de rivier de Aisne van Sainte Menehould naar Vouziers. Met zijn laatste fles wijn en zijn laatste Famous Grouse. De tocht kent een dramatisch verloop, met opnieuw plastisch beschreven beelden zoals het gevecht in de modder met een vaars en een jonge vrouw.

    Vervreemding
    Een mengsel van grimmigheid en aandoenlijke eenvoud biedt de tweede novelle, De reis naar de maan. Het is het verhaal van twee even oude jongens, Julius en Konrad, uit het gehucht Wallreuth bij Wallenfels in Zuid-Duitsland. Hun leven is verbonden met het afvoeren van tot vlotten gebonden boomstammen uit de bergen over het riviertje de Rodach naar het dal. Julius, wiens vader het bedrijf runt, is gymnasiast en Konrad dagloner. Het lijkt of beide jongens vrienden zijn, maar gaandeweg wordt duidelijk dat hun ontwikkeling hen uit elkaar drijft. Ze zijn gehecht aan elkaar, maar kennen elkaar niet wezenlijk. Dat wordt steeds schrijnender naarmate ze ouder worden. Julius vecht in de Eerste Wereldoorlog en verkent zijn persoonlijke grenzen, terwijl het leven van Konrad zich blijft afspelen rond de rivier. Hij heeft zes boeken, allemaal van Jules Verne (de titel van deze tweede novelle verwijst naar één van de boeken), die hem doen dromen van een reis over de Rodach via Main en Rijn naar de zee. Als die reis werkelijk plaatsvindt, begint Konrad zich vervreemd te voelen van Julius: ‘ze hadden allebei iets wat hen van de andere mensen in Wallreuth onderscheidde. Maar dat iets maakte ook dat ze elkaar niet kenden.’ En later: ‘Hij had het gevoel dat hij een vriend verloren had, terwijl hij toch nooit veel met Julius had kunnen delen.’ Aan het einde van de reis is het Julius die voor zichzelf vaststelt: ‘we waren knapen aan de beek, jongelingen op de Main, mannen op de Rijn. Ik heb van hem gehouden, ik heb hem verraden, mijn hele draaide om hem. Maar we zijn elkaar nooit nader gekomen dan nu, en over een paar uur bereiken we als oude mannen de zee, zonder elkaar te kennen.’

    Ook in dit verhaal schemert weer het wereldgebeuren op de achtergrond: de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het nazisme en de Jodenvervolging en de grote veranderingen in de scheepvaart. En ook hier weer de verwijzingen naar literatuur.

    Drie verhalen. Drie maal een kleine wereld met een rivier als levensader, als onoverbrugbare afstand, als voedster voor een katharsis. Driemaal een kleine wereld die de grote weerspiegelt. Misschien is het meest gemeenschappelijke in de drie wel het menselijke onvermogen om elkaar werkelijk te bereiken. En dat alles in een taal die je pakt en zinnen laat herlezen.

    Martin Michael Driessen is toneel- en operaregisseur. En schrijver. Als zodanig brak hij in 2012 door met zijn roman Vader van God. Die werd algemeen bejubeld om zijn fantasievolle aanpak en zijn frisse, humorvolle kijk op wat er van de wereld uit Gods handen geworden was. Toch zullen er ook lezers zijn geweest die de verhaallijn te bedacht vonden. Daardoor kon de spanningsboog af en toe verslappen. Van Rivieren kan dat beslist niet worden gezegd. De verhalen hebben een kracht waaraan je niet kunt ontsnappen en een taal en beelden van grote schoonheid.

     

     

     

  • Een bevroren spraakwaterval

    Een bevroren spraakwaterval

    Kent u die film over die Franse journalist die ten prooi valt aan het ‘locked-in‘ syndroom? Zijn hele lichaam is door een beroerte buiten bedrijf geraakt maar zijn geest is intact. Anderhalf jaar lang kan hij slechts communiceren door met zijn linkeroog te knipperen. Eén keer betekent ‘ja’, twee keer ‘nee’. Dankzij een verpleegster die ontdekt dat in het vrijwel levenloze lichaam een levende geest huist, lukt het de patiënt al knipperend een volledig boek te dicteren. De Franse film, in Nederland in 2007 uitgebracht als The Diving Bell and the Butterfly (De duikklok en de vlinder) is gebaseerd op dat boek. Een waargebeurde geschiedenis.

    Een levende dode
    In Guus Bauers roman De vogeljongen, waarin we eveneens de beeldspraak van de duikklok tegenkomen, is de naamloze hoofdpersoon, tevens de verteller, er nog slechter aan toe. In de loop van zijn relaas lukt het hem tweemaal een ooglid te bewegen maar niemand die het ziet. Voor de buitenwereld lijkt hij dood, hart en longen worden kunstmatig in beweging gehouden. Maar de monitor laat zien dat de hersenen actief zijn. Dit boek geeft ons een inkijkje in zijn brein. Zijn geestelijke vermogens functioneren op volle toeren.
    De patiënt observeert en becommentarieert wat er tot hem doordringt: de dingen die hij ruikt, hoort en ziet. Dat laatste is vanzelfsprekend beperkt tot wat zijn roerloos vooruit gerichte blik waarneemt. Bovenal overpeinst hij zijn jeugd en de levensweg die achter hem ligt. Zijn ouderlijk huis, zijn schooltijd en zijn aanleg voor handeldrijven die hem tot een puissant rijk zakenman heeft gemaakt. Hij leerde al jong niemand te vertrouwen, bedenkt hij, en ‘ging voor de centen’.
    Zijn afschuwelijke toestand, een soort Cogito ergo sum als wrange grap, is het gevolg van een gewelddadige straatroof. Het hele boek voltrekt zich in de schaduw van de dood (niet alleen de zijne). Er is de onafgebroken dreiging dat ‘de stekker eruit’ zal gaan.

    173 bladzijden lang zijn we aanwezig in de hersenpan van de patiënt. In enkele tientallen korte tot uiterst korte hoofdstukken springt de aandacht beurtelings naar verleden en heden. Doordat elk hoofdstukje op een nieuwe pagina begint, bevat dit boek veel wit. Het is zodoende een korte roman. Dat weerhoudt de auteur er niet van zware onderwerpen te behandelen, of liever: aan te snijden, want diep graaft hij niet. Bauer heeft zijn verhaal doorregen met een uitgebreid netwerk van verwijzingen, symbolen en suggesties, en de summier vertelde geschiedenis heeft daar nogal onder te lijden, doordat de lezer telkens opnieuw gedwongen is niet te lezen maar te puzzelen: waar hoort dit stukje nou weer thuis in het grote geheel?

    De jeugd van de verteller werd getekend door de oorlogservaringen van zijn ouders. Moeder, Jodin, heeft het concentratiekamp overleefd; vader, militair, zat ondergedoken. Moeder wordt katholiek en trouwt, maar blijkt als echtgenote en moeder een hardvochtige en gekwelde figuur die moet worden ontzien. In kleinigheden blijft ze haar joodse afkomst trouw. Vader is een lieverd en sterft veel te vroeg. De verteller zal hem blijvend missen.

    Als de verteller mislukt op het lyceum, moet hij het huis uit. Hij gaat naar kostschool, een Rooms-Katholiek internaat. De bange voorgevoelens die de lezer op dit punt bekruipen worden bewaarheid, maar dan niet met onze verteller als slachtoffer, maar zijn vriendje, de ‘vogeljongen’ waar het boek naar is vernoemd.

    Ondergedoken
    Vader in de onderduik, moeder ‘ondergedoken’ in een nieuwe identiteit, de verteller opgesloten in zijn roerloze lichaam: vormen van schuilgaan domineren het verhaal. Op het internaat heeft de verteller letterlijk een schuilkelder en als succesvol zakenman zorgt hij er angstvallig voor anoniem te blijven. Geen wonder dat hij nu tot het besef komt altijd op zoek te zijn geweest naar ‘een echt thuis van thuis’. (De formulering van deze gedachte – onbeholpen vertaling van ‘home away from home‘ – laat iets zien van het teleurstellende Nederlands van dit boek, maar daarover straks.)

    Op het eerste gezicht lijkt het onderduikmotief ook te gelden voor de ‘vogeljongen’ uit de titel. Hij heet Dolf, eigenlijk Adolphus, wat voor een pal na de oorlog geboren jongetje een opmerkelijke naam mag heten, en is tot aan zijn komst op het internaat geïsoleerd opgegroeid bij een rijke, excentrieke vader, een studeerkamergeleerde, in een kast van een huis compleet met huisleraar. Dolf spreekt een eigenaardig taaltje, ouwelijk en gekunsteld à la Bommel en Bomans. Voor de verteller was hij de ‘eerste echte vriend’, die niet alleen opviel door zijn taalgebruik maar ook door zijn vogelachtige motoriek en bovenal door zijn allesbehalve gedweeë gedrag. Zijn droevige einde bezorgt de verteller een blijvend schuldgevoel.

    Waarom verwijst de titel van de roman juist naar deze Dolf? Is hij de tegenpool van de verteller, is hij een onbevreesde jongen die zijn onwil om zich gedeisd te houden bekoopt met een gruwelijk einde? Wil de auteur zijn lezers hiermee de levensles van Willem Elsschot voorhouden: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’? Of is dat de les die de verteller zélf juist moet trekken uit de roofoverval die hem in het ziekenhuis heeft gebracht? Want hij had een bezoek gebracht aan het graf van een joodse oudoom (de man die ooit geprobeerd had moeder over te halen haar zoon een joodse opvoeding te geven); bij het weggaan vergat hij zijn keppeltje af te zetten en de jongens die hem vervolgens aftuigen en beroven gaan zich te buiten aan antisemitisch geschreeuw: hij is dus overvallen omdat ze hem voor een Jood hielden.
    Veelzeggend, dat bezoek aan het graf. Het ophouden van het keppeltje waarschijnlijk evenzeer. Maar wát moeten we er uit opmaken? Hier en op andere plaatsen in het boek wordt gezinspeeld op dingen die niet helder worden.

    Wat blijft er van een mens over in ‘opgesloten staat’? Omzien in verwondering en daarmee basta? Dan toch maar ‘de stekker eruit’? Nee.
    Om te beginnen vertoont de verteller een ongekende levenslust. Hij gebruikt de platen van het systeemplafond waar hij eeuwig en altijd tegenaan kijkt als hulpmiddel om zijn geheugen te ondersteunen (zoals lang geleden geheugenkunstenaars door imaginaire paleizen ‘liepen’ om de inhoud van hun geheugen te activeren). Hij heeft er ook een kalender op ‘aangebracht’ en wanneer hem op een dag de datum wordt verteld, blijkt hij zich maar één dag te hebben vergist. Hier denken we onwillekeurig aan Robinson Crusoe, de archetypische Grote Geïsoleerde, die op zijn onbewoonde eiland hetzelfde voor elkaar kreeg. Kortom, een helder brein en een verwoede poging ‘erbij te blijven’, ja, sterker nog, om zijn tegenslag te benutten voor een wending in zijn leven.

    Heel vroeg in zijn verhaal vraagt de verteller zich af: ‘Heb ik nog tijd om mijn leven te herschikken?’ Hier en daar in het verhaal vinden we aanwijzingen van wat hem voor ogen staat. Maar wat kan hij beginnen?
    Tegen het einde lijkt zich een allereerste begin van herstel aan te dienen. En, minstens zo belangrijk, de patiënt krijgt eindelijk zijn dochter op bezoek en ook zijn oude moeder. Wanneer dochterlief vertelt dat haar oom opnieuw heeft geopperd ‘dat de stekker er eigenlijk uitgetrokken zou moeten worden’, is moeders reactie afdoende: ‘Niet zolang ik leef’. De vrouw die hem uit huis verbande is nu zijn beschermengel: ‘Laten we hem de tijd gunnen’.

    Tot zover het minutieus geconstrueerde verhaal en het boeiende onderwerp – waar Bauer zoals hierboven gezegd veel te weinig mee doet.
    Het Nederlands dat Bauer schrijft is formeel en stijfjes. Zijn dialogen zijn slecht. (Een piepklein voorbeeld: ‘De kleinzoon van de oude beheerder, daar nu zelf aan het werk, zoekt me nog weleens op’, aldus moeder, wier spreektaal wordt onderbroken door een stukje uitleg van de auteur, iets wat hij vaker doet.) Ook staan er veel taalfouten in het boek, rare woorden, spelfouten: ‘rockkostuum’, ‘bewijslast’ i.p.v. ‘bewijs’, ‘des kinderen lot’, ‘kostwinnaar’. Een gloeiendhete douche heet ‘een verzengende moesson’, alsof het in de tropen kokend water regent.

    Ronduit storend is de onontwarbare chronologie van de jeugdherinneringen. Aanvankelijk krijgen we te horen: ‘Een nieuwbouwwijk in de jaren zestig. Ik ben zeven jaar’. Dat biedt de lezer een, weliswaar zeer ruim, oriëntatiepunt wat betreft de ‘vertelde tijd’. Op het lyceum zit hij één jaar of twee. Toch is onze held pas elf als hij daarna naar het internaat gaat. Erg onwaarschijnlijk. (De hele lagere-schooltijd ontbreekt. Is bij het herschrijven hier iets fout gegaan?)
    Op het lyceum heeft een klasgenootje een rekenmachientje; die waren pas in de loop van de jaren 70 voor particulieren beschikbaar. Op het internaat heeft de verteller een walkman; die kwam echter pas in 1979 op de markt. Beide verwijzingen naar de schooljaren kunnen niet allebei kloppen. Ergens in de jaren 60 is er sprake van ‘gevaarlijke RAF-leden’; de RAF bestond toen nog niet.
    Voor de lezer die deze jaren heeft meegemaakt is de warboel irritant. Jongere lezers zullen de anachronismen waarschijnlijk niet opmerken.
    Natuurlijk kunnen we dit alles op het conto van de verteller schrijven, wiens geest dan kennelijk tóch niet in puike toestand verkeert, maar gezien het beeld dat de auteur ons schetst van zijn hoofdpersoon is dat niet de bedoeling. Mocht er een tweede druk komen, dan moet hier de stofkam door.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • ‘Wat is al dat wit daar?’

    ‘Wat is al dat wit daar?’

    Dat de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal ons, volgens de achterflap, gaat vertellen dat ‘porselein meer is dan een verhaal van serviezen en beeldjes’, blijkt al uit het motto dat hij koos voor zijn ‘Verslag van een obsessie’: ‘Wat is al dat wit daar?’ (uit: Moby Dick van Herman Melville); we weten immers dat de witte walvis méér is dan alleen een dier.

    Het spoor van een idee
    De witte weg is eigenlijk een soort pelgrimstocht naar China, Duitsland en Engeland. Naar de bronnen waar porselein werd uitgevonden, ‘de bron van die rivier van wit.’ Alle drie op een witte heuvel. En is een berg niet een heilige plaats?
    De zoektocht wordt afgewisseld door verhalen over ervaringen met het zelf maken van porseleinen objecten, ‘mijn pogingen om iets duidelijk te maken’, aldus de auteur. Veertig jaar lang. Zoals hij de reizen die hij onderneemt ziet als ‘het spoor van een idee volgen.’ Wit staat immers voor het begin: een wit vel papier, een wit schilderdoek. Voor De Waal bestaat er geen einde, maar alleen telkens een nieuw begin. Immers: ‘Pelgrims weten niet wat ze moeten doen als ze eindelijk hun doel bereiken.’ Dat blijkt ook uit dit boek. Waarover straks meer.

    Kaoling
    De eerste witte heuvel is Kaoling bij de Chinese stad Jingdezhen. De Waal is verliefd op het porselein daar, wat blijkt uit een omschrijving als: ‘Ze pakt een kom en tikt ertegen. Het geluid is als een afbeelding van geluidsgolven in de lucht.’
    Als de vorm hem niet aanstaat (door een te nauwe hals bijvoorbeeld), ziet de auteur het als personificatie van de maker: kortademig, smakeloos. Een beetje doorgeslagen is de obsessie wel van een pottenbakker die ook potten in plaats van schaapjes telt als hij de slaap niet kan vatten…
    In ieder geval reden genoeg voor de auteur om te bekennen dat hij geen kunsthistoricus en sinoloog kan zijn, omdat hij verstikt is ‘in porselein als recept, porselein als beheersing.’ Porselein moet ‘perfect, evenwichtig en harmonieus’ zijn. Net als de verhalen die er de ronde over doen.

    Dresden en Meissen
    De Waal neemt zich voor om als tweede porseleinsteden Dresden en Meissen te bezoeken. Maar niet nadat hij eerst Versailles heeft aangedaan, waar de invloed van China aan het hof van Lodewijk XIV groot was. Aan de ene kant is het leuk dat en passant ‘ons’ Delfts blauw en ‘onze’ Spinoza ook even worden genoemd. Maar aan de andere kant werkt een dergelijke hang naar volledigheid ook vermoeiend. Het doet denken aan de detaillistische dossiers over Joh. Fr. Böttger die aan het hof van Dresden werkte. Haast voorlopers van Stasidossiers, als we De Waal mogen geloven. Böttger was arcanist, in beide betekenissen van het woord: bezitter van geheime kunsten en arbeider in de porseleinfabriek van Meissen.

    Plymouth
    De derde plaats waar De Waal wit porselein en de geheimen daarvan wil vinden, is zijn thuisland Engeland. De obsessie gaat door. Met het kopen van een boek van de groothandelaar in benodigdheden voor artsen en apothekers en quaker William Cookworthy hoopt De Waal uit een soort bijgeloof dat deze aanschaf ‘misschien een tremor kan overbrengen van alle aspiraties van de oude man.’ Maar de auteur raakt het boek kwijt. Zijn angst is dan of hij de kennis van porselein maken ook zal verliezen. De subtiel-symbolische beschrijving daarover die dan volgt, komt in zijn eenvoud sterker over dan de soms al te idolate verhalen over porselein die worden uitgesponnen. Al lijkt er een diepere laag onder te zitten, die je proeft in het levensverhaal van William dat De Waal besluit met: ‘Williams obsessie (….) was een manier om op de wereld gericht te blijven, om afstand te houden tot alle afwezigheden in zijn leven. Obsessies kunnen nuttig zijn.’

    Doel bereikt?
    Op zijn reizen heeft De Waal niet alleen wit porselein gevonden en zich in de levens van enkele makers daarvan verdiept, maar ook porselein dat in donkere tijden zoals onder het nazibewind in Dachau werd gemaakt. Eén van de vele zwart-witfoto’s in het boek toont Himmler met dit porselein. De Waal beschrijft hoe de vervaardiging hiervan de mist in kan gaan. Dat accepteerde Hitler niet; hij wilde louter vakkundig gemaakt werk. Af. Zoals hij een wereld met mensen zonder gebreken wilde. Deze context maakt ook dat dit hoofdstuk een symbolische lading heeft. Bovendien is het beklemmend geschreven.
    Alleen: waarom is dit hoofdstuk toegevoegd? Weer uit volledigheidsdrang, of omdat hij niet weet wat te schrijven nu hij zijn doel heeft bereikt? Er bestaat toch altijd, zoals De Waal schrijft, een nieuw begin?

    Al met al een boek dat soms in wat idolate beschrijvingen, maar soms ook subtiel en symbolisch, de lofzang van porselein bezingt.

     

  • Van Saulus naar Paulus 

    Van Saulus naar Paulus 

    ‘Zeg maar ja tegen het leven’

    Ilja Leonard Pfeijffer heeft in Brieven uit Genua zijn brieven uit de jaren 2012-2015 bij elkaar gebracht, die gericht zijn aan werkelijk bestaande personen, onder meer zijn vroegere geliefde Gelya, zijn moeder en officiële instanties, waaronder zijn uitgever. De auteur heeft dit brievenboek geconstrueerd tot een roman van het echte leven van Ilja Leonard Pfeijffer. De lezer neemt aanvankelijk deze constructie voor lief, totdat er een wending plaatsvindt, die de geloofwaardigheid van het boek enigszins op losse schroeven zet.

    Aanvankelijk is het lezen van dit brievenboek een spannend avontuur. In majestueuze brieven stelt de auteur allerlei zaken aan de orde die hij belangrijk vindt: zijn schrijverschap, zijn leven in Genua, zijn reizen, naar Nederland en naar Italiaanse steden, zijn liefdes en zijn vriendschappen. Verder becommentarieert hij belangrijke en minder belangrijke kwesties, zoals de Nederlandse politiek en het koningslied. In enkele, kort na elkaar geschreven brieven rond de kerstdagen van 2014, gericht aan zijn jongere ik, slaat hij een ronkende toon aan over zijn drankgebruik, zijn liefdesleven en zijn schrijverschap. Wie deze brieven als maatgevend neemt voor het geheel –zoals Volkskrantrecensent Arjan Peters doet – kan niet anders dan met afschuw over dit boek spreken. Maar het boek bestaat uit veel meer dan deze – vermoedelijk later toegevoegde – brieven aan zijn jongere ik.

    Gegrepen door de stijl
    Pfeijffers stijl is meeslepend en rijk, zijn taal versiert, betovert, omfloerst, stelt aan de kaak, ontwricht, snijdt, steekt, verfraait en spiegelt. De lezer die zich door hem laat meevoeren komt overal. Pfeijffer neemt de tijd om zichzelf en de wereld om zich heen, met name Genua, breedvoerig aan de orde te stellen, en hij lokt uit tot tegenspraak, instemming, overdenking, schouder ophalen. Hier is een schrijver aan het woord die de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking wil brengen met alle literaire instrumenten waarover hij beschikt.

    De achtbaan van zijn leven in deze brieven is geloofwaardig tot de grote wending, die wel aangekondigd wordt als literair-compositorisch middel, maar niet onvermijdelijk wordt gemaakt vanuit de ontwikkeling van de auteur die zich tot ons richt. Die omslag kan simpelweg worden weergegeven met de regel ‘Zeg maar ja tegen het leven’, verwijzend naar een liedje dat Wim Sonneveld in de jaren zestig zong. Na de omslag is de lezer niet meer onder de indruk van de prachtige zinnen, scherpe gedachten, ironische oprispingen en intellectuele opmerkingen uit de eerste 630 pagina’s van het boek, maar vraagt hij zich af of deze omslag wel geloofwaardig is.

    Teleurgesteld door de constructie
    De omslag houdt in, dat Ilja Leonard Pfeiffer, volgens een brief, gedateerd 31 maart 2015, helemaal gegrepen is door de liefde voor ene Stella (haar achternaam komen we niet te weten), waardoor hij eindelijk een echt mens wordt, in plaats van de geschreven, onechte persoonlijkheid die hij daarvoor was. Mede door haar uitdrukkelijke wens stopt hij met drinken, waardoor hij de gelukkigste mens ter wereld wordt omdat hij eindelijk ‘bij zijn gevoel kan’, zonder de deken der ironie die de drank hem verschafte. Stella is de nieuwe verslaving waardoor hij onaantastbaar wordt.

    Deze wending is zo totaal dat het leven dat hij voordien leefde er eigenlijk niet meer toe doet. Die ‘oude mens’ kan hij en wil hij niet meer worden. Al is de cold turkey hem op sommige momenten te veel en wordt hij hierdoor meerdere malen tot een zielig hoopje mens. Hij zal echter niet terugkeren naar zijn oude ik, dat is voorbij, voorgoed voorbij, zoals alleen een bekeerling kan zeggen dat het verleden voorbij is. De wending komt voor de lezer als een verrassing omdat de lezer in de eerste 630 bladzijden nergens het idee heeft dat Pfeijffer niet verder kan met zijn oude leven. In de eerste 630 pagina’s van het boek is hij in literair-theoretische zin op zoek naar de liefde, maar dit verlangen is ingebed in een kathedraal van taal zodat je ver moet zoeken naar de pijn die er blijkbaar al die jaren onder heeft gelegen. Hij lijkt gelukkig en overtuigd van zijn bestaan. Daardoor lijkt de wending op de bekering van een boef in Arendsoog, een serie jongensboeken van de rooms-katholieke schrijver C.P. Nowee. De omkering gaat zover dat Pfeijffer de dronkaard Don die hij een paar jaar geleden opvoerde als een held in zijn met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman La Superba nu afbeeldt als een loser, een aan lager wal geraakte man die eenzaam sterft op een ziekenhuisbed: ‘Op de dag van Dons dood heb ik beseft dat ik niet net als hij wil leven van de bijval voor mijn fictie, maar echt leven.’ Pfeijffer wil niet bekend blijven als de mythe die hij zelf heeft gecreëerd, maar als een echt mens. Hij zegt ja tegen het leven.

    Het brievenboek is de tegenhanger van La Superba waarin hij het leven van de hoofdpersoon Ilja Leonard Pfeijffer in Genua benadert vanuit de fantasie. Nu is de werkelijkheid het uitgangspunt, maar dan wel de werkelijkheid van deze schrijver die de taal en de drank hanteert om de werkelijkheid draaglijk te maken. In een brief aan zijn vroegere geliefde en huidige vriendin Gelya zegt hij dat de ware schrijver het werk niet modelleert naar het leven, maar omgekeerd. En dat doet hij inderdaad: hij laat Stella in zijn leven komen, omdat zijn brievenroman haar nodig heeft. Doet het ertoe of Stella echt bestaat? Doet het ertoe of hij echt gestopt is met drinken? Uiteindelijk is dat onbelangrijk, zolang de constructie voor de lezer geloofwaardig is. En op dat punt schiet het tekort. Hoe verpletterend mooi het brievenboek ook begint, de wending lijkt een literaire constructie, beter gezegd een deus ex machina, zonder een gerede aanleiding. Pfeijffer krijgt de compositie niet goed rond en de lezer blijft zitten met de paradox dat de persoon die hij leerde kennen, niet meer bestaat. Pfeijffer is als romanfiguur niet geloofwaardig als het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt.

     

  • Bill Bryson verkent opnieuw zijn tweede vaderland

    Bill Bryson verkent opnieuw zijn tweede vaderland

    Een nieuwe hogesnelheidslijn dwars door Engeland brengt je 20 minuten eerder in Birmingham. ‘Wat levert het op, behalve een aantasting van het Engelse platteland,’ vraagt Bill Bryson (1951) zich af in zijn nieuwe boek. ‘Denkt de overheid nou echt dat die 20 minuten per werknemer de economie een flinke boost zullen geven? Welnee. De gemiddelde werknemer zal, net zoals u en ik, die extra tijd gebruiken voor een extra kop koffie.’

    Het is maar één van de vele vermakelijke plaagstootjes die Bryson geeft in De weg naar Little Dribbeling. Een nieuw reisboek van de veelgelezen auteur van populair- wetenschappelijke boeken en reisverhalen. Je zou het als de opvolger kunnen beschouwen van het succesvolle Een klein eiland (1995), waarin de Amerikaan, die al meer dan 40 jaar in Engeland woont, in de vorm van een reisverslag de identiteit van het Engelse volk blootlegde. In zijn nieuwe reisboek keert hij terug naar een groot aantal van de dorpen, steden en bezienswaardigheden die hij jaren geleden beschreef. Hij vergelijkt de huidige situatie met die van toen en maakt de balans op. Die valt niet altijd gunstig uit.

    Kritiek
    Bryson is kritisch en soms vilein. Maar zijn lichtvoetige stijl en de typische Engelse humor– subtiele ironie, herhalingen, zelfspot en overdrijvingen – die de inmiddels tot Brits onderdaan genationaliseerde Bryson zich eigen heeft gemaakt, maken van zijn boek allesbehalve een zwartgallige afrekening van de moderne tijd. Integendeel, het is lachen geblazen met de toerist Bryson die zich, de ene keer gelaten en de andere keer verongelijkt, de merkwaardigheden van het Britse platteland laat welgevallen. Waar musea zomaar gesloten kunnen zijn op dagen dat je honderden toeristen zou kunnen verwelkomen. Waar je voor een veerpont naar het noordelijkste schiereiland volgens een telefoontje vooraf niet zou hoeven te reserveren, maar waar je bij aankomst, na een reis van anderhalve dag, zonder blikken of blozen wordt medegedeeld… dat je had moeten reserveren.

    Soms schrik je even. Wat zegt hij nou aan de telefoon tegen een winkelier die tegen de afspraak in gesloten was? ‘Je bent een kakkineuze, hersenloze kuttekop’. Oeps. Steekt daar toch nog een boers Amerikaans sentiment de kop op? Nee, je slaakt een zucht van verlichting als je verder leest: ‘Ik dacht het alleen maar. In plaats daarvan slaakte ik, echt op z’n Brits, een geprevelde verzuchting en hing op.’

    Leren
    Tussen de beschrijvingen door van wat brekebeen Bryson meemaakt tijdens zijn reisjes en wat hij als scherp observator noteert, leren we ook nog het een en ander. Bryson schrijft naast reisverhalen ook populair-wetenschappelijke boeken waarin hij ingewikkelde zaken op heldere wijze verklaart voor eenvoudige stervelingen die geen bètawetenschappen hebben gestudeerd. In Een kleine geschiedenis van bijna alles bijvoorbeeld legt hij, ook weer met veel gevoel voor humor, voor de leek uit hoe de aarde is ontstaan en wat sterrenstelsels zijn. In De reis naar Little Dribbling vertelt hij zijn lezer waar de stenen van Stonehenge vandaan komen en beschrijft hij heel aanstekelijk hoe amateurarcheologen de geschiedenis van het eiland bloot hebben gelegd. Maar ook over stormen die Britse marineschepen op de grillige kust hebben doen versplinteren, met honderden slachtoffers tot gevolg. Als een volleerd gids strooit hij droogkomische anekdotes in het rond. Geen bladzijde in het door Peter Diderich uitstekend vertaalde boek die niet minstens één glimlach ontlokt.

    De auteur is voorzitter is van een stichting die het Britse platteland wil beschermen. Dat merk je wel. Plannen om het groene gebied rondom de almaar uitdijende steden aan te tasten, voor een extra landingsbaan van Heathrow of de hogesnelheidslijn kunnen in zijn boek op fikse kritiek rekenen. Maar het wordt nooit storend, zijn kritiek ontstijgt de bijzinnen nooit, wordt nooit het hoofdthema. Bryson is ook geen purist die vindt dat alles bewaard moet worden. Hij maakt met zichtbaar plezier de 18.500 Engelse vrijwilligers belachelijk die de ruim honderd stoomtreinen rijdend houden. Ook de Engelse monumentenzorg krijgt er flink van langs omdat die club regeltjes volgens Bryson belangrijker vindt dan het werkelijke behoud van de monumenten en hij bespot de ongebreidelde groei van restaurants en souvenirwinkels in en nabij bezienswaardigheden.

    En toch zou je niets liever doen, nadat je de laatste bladzijde gelezen hebt, dan een ticket kopen. Snel naar Engeland.

  • Een fabuleuze vertelling

    Een fabuleuze vertelling

    In een villa bij Loenen aan de Vecht, leeft Neeltje Bruinjaar in een symbiotische relatie met haar vijfendertig jarige zoon Binnert. Hoewel het landgoed familie-eigendom is van vaders kant (in bezit gekomen door een spelletje whist), is vader al lang uit beeld. Binnert was vanaf zijn geboorte wat ‘raar’ en Neeltje houdt haar zoon consequent voor dat hij niet goed is en nooit aan het openbare leven zal kunnen deelnemen. Dat er meer iets met moeder aan de hand is dan met de zoon, is al snel duidelijk. De zoon is welopgevoed, virtuoos harpspeler, en leest wel drie boeken naast elkaar, zeer trouw aan zijn moeder, maar geniet van kleine verzetjes zoals ‘badjas’ blijven zeggen tegen de voorkeur in van zijn moeders zegswijze van ‘kamerjas’.

    “Mild verzet in een uitgestrekte jeugd vol gehoorzaamheid.”

    Tot zover niets aan de hand, ze zouden voor altijd en eeuwig zo door kunnen leven. Dan ziet  Neeltje het item sekszorg voor gehandicapten in het Journaal voorbij komen. Ze had haar zoon wel eens iets bijgebracht over masturberen aan de hand van een stengel bleekselderij (die later in de soep ging, zo gaat dat bij De Boer) en ze had hem, met behulp van een passer, haar ‘binnenste’ laten zien: “(…) maar daar lag wat haar betreft dan ook echt de grens. Een moeder kon ook té dichtbij komen.” Dit wordt in zo vanzelfsprekend en mooi proza verteld dat je er even bij stil moet staan. Het nog eens lezen, en dan komt de humor goed aan.

    Aanvankelijk leek het of Merijn de Boer (1982) zijn dolle, jonge honderigheid voorbij is, want de personages in zijn tweede roman zijn behoorlijk consequent. Dat was wel anders in zijn debuutroman De nacht, waarin de protagonist een grote fantast en leugenaar is. Maar denk aan de vos, die wel zijn haren verliest maar (gelukkig) niet zijn streken. Zijn proza is wat meer glad getrokken maar hij blijft volstrekt onvoorspelbaar in zijn vertellingen. De Boer fantaseert er met een lust op los die aanstekelijk werkt. Dat maakt van deze  roman een fabuleuze vertelling, die zowaar een moraal in zich herbergt.

    Rendez vous

    Vera is een jonge vrouw van midden twintig haar master geschiedenis heeft ze in Oxford gedaan. Ze wil een volwassen leven en een kind maar vindt de ware niet. Ze leert een voormalig prostituee kennen die de zorginstelling de ‘Drie Gezusters’ heeft opgericht, waarvan de slogan luidt: Futuimus ad vostram sanitaten, ofwel: ‘Wij vrijen voor u gezondheid.’ Het klantenbestand van de organisatie bestaat voornamelijk uit verstandelijk gehandicapten. Vera gaat voor hen werken en maakt in die hoedanigheid kennis met Neeltje Bruinworst, die haar uitnodigt voor een kennismakingsgesprek in ‘t Jagthyus. Van de zoon vangt ze een glimp op, verborgen achter een gordijn.

    Binnert stond achter het gordijn terwijl ik kennis maakte met zijn moeder. Ze wist niet dat hij daar stond en ik had het aanvankelijk ook niet door. (…) De zoom kwam tot zijn kuiten: hij droeg een gele broek, rode sokken en bruinrode brogues. Waardoor het leek alsof het gordijn voeten had.

    Een week later volgt het rendez vous  tussen klant en zorgverlener en zo gauw Vera hem ziet weet ze dat ze hem nooit meer zal laten gaan. Eindelijk de perfecte man: een intelligente geest in een goddelijk lichaam. Vanaf dat moment ontstaat er een strijd tussen moeder Neeltje en Vera om de exclusieve aandacht van de zoon.

    “Ik was alleen maar op hem gericht, op hem, op hem – met zijn mooie ogen en sterke lichaam. En ik heb hem helemaal voor mij alleen, dacht ik, niemand weet dat hij bestaat.”

    De weddenschap

    Vera droomt ervan met hem op de bagagedrager op het voorwiel van haar fiets, door Amsterdam te fietsen. Ze dringt op een avond de villa binnen en installeert zich op de kamer van Binnert terwijl die beneden met zijn moeder tv kijkt. Het is een sprookjesachtige passage, die de sfeer van Blauwbaard oproept als Vera om het wachten te bekorten, over de bovenverdieping zwerft en deuren opent waar ze niets te zoeken heeft. Het lukt haar uiteindelijk hem het huis uit te krijgen.

    Een verhaal uit de Russische literatuur dient als leidraad voor het leven van Binnert. Hij leest De weddenschap van Tsjechov gedurende vijfentwintig jaar, steeds weer opnieuw, waarin een jurist twintig miljoen roebel kan winnen als hij zich vijftien jaar laat opsluiten in het tuinhuis van een bankier. Verstoken van de buitenwereld. Met een muziekinstrument en alle boeken die hij wil lezen. Als hij na vijftien jaar de weddenschap wint, doet hij afstand van de twintig miljoen. De jaren in afzondering hebben hem meer wijsheid en levensinzicht gebracht, dan hij daar buiten ooit had kunnen vinden. En dan wordt je door De Boer een stukje van de ‘duidingspuzzel’ toegeschoven als hij schrijft: “Dit verhaal uit 1899 diende als verantwoording voor zijn bestaan.”

    Binnert leefde zijn leven als in De weddenschap maar droomde ervan aan het openbare leven te kunnen deelnemen. Wanneer het zo ver is en Vera hem meeneemt, mist hij zijn ‘binnenhuis’ leven. Na een paar dagen houdt hij het niet meer uit. Hij verlaat Vera en gaat op weg naar huis waarbij hij in zijn naïviteit de ongelukkige keuze maakt over het spoor terug te lopen. Maar misschien was het uiteindelijk de juiste keuze voor hem, want zijn leven zou nooit meer zijn zoals voorheen. Met het ongeluk dat Binnert tegemoet loopt, komt de volgende gedachte vrij: Waar twee vechten om een been gaat de derde ermee heen. Waarbij in deze de derde, dezelfde is als waarom gevochten werd.

    Arjan Peters schreef in zijn column (VK 19 maart) over dure schrijfcursussen op verre eilanden waar het schrijven niet te leren valt. Schrijven leer je door te lezen aldus Peters. Waaraan toegevoegd kan worden: Blijf lekker thuis en lees Merijn de Boer, een schrijver die alle schrijfconventies overboord gooit. Hij zou bij wijze van spreken een mus van het dak laten vallen zonder dat daar verder enige betekenis aan hoeft te worden gehecht. En dat levert heerlijk proza op.

    De moraal van dit verhaal voor wie het wil: ‘Liefde is niet voor de heb.’ Laat dat een les zijn voor de Vera’s en Neeltjes onder ons.