Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Nog pas gisteren

    Nog pas gisteren

    Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, opgetekend door hen die uit eigen geheugen putten, worden zeldzaam. Marcel Cohen, de schrijver van Het innerlijke toneel. Feiten, was vijf of zes toen hij, op 14 augustus 1943, als joods jongetje in Parijs meemaakte hoe vader en moeder werden opgepakt en hijzelf de dans ontsprong.
    Wat hij na zeventig (!) jaar (het Franse origineel is van 2013) nog meedraagt aan eigen herinneringen aan hen die nooit zijn teruggekomen is niet veel, en veel herinneringen zijn vaag of fragmentarisch. Voor dit boek is hij daarom ook te rade gegaan bij familieleden en andere direct betrokkenen, sommige zelf overlevenden van bezetting en vervolging. Maar ook hun herinneringen zijn schaars en bovendien verdacht eensluidend: de mythevorming is al lang geleden begonnen.
    Vader, moeder, de grootouders, een oudtante, een oom en een babyzusje: ze leven in meerdere of mindere mate voort in herinneringen en nu dan ook in dit boekje, dat soms de levende persoon oproept en soms niet meer vastlegt dan iets triviaals als het geluid van een ruisende jurk. Allemaal vermoord in Auschwitz. Voor hen is dit boekje een gedenkteken van grote soberheid.

    Herinneren
    Het boek toont de vergeefsheid van het ‘opdat wij niet vergeten’ dat elk jaar opnieuw wordt beleden wanneer we de oorlog herdenken, want het laat zien dat het vergeten onverbiddelijk voortschrijdt. Die foto van oudtante Rebecca, is dat eigenlijk niet haar zuster Suzanne? Van het zusje, Monique, bestaat zelfs geen foto, alleen een kettinkje dat ze waarschijnlijk nooit heeft gedragen.
    Het boek laat zich lezen als een poging tot verzet tegen het noodlottige vergeten en als een kleine studie van wat ons geheugen vermag. Het is een sympathiek boekje, dat laat zien dat een onderneming die tot mislukken is gedoemd – de vermoorde familieleden recht te doen – geslaagd mag heten doordat de lezer die ‘mislukking’ zo duidelijk voor ogen krijgt.

    De familie: uit Turkije afkomstige Joden, van kindsbeen af Frans-georiënteerd, na de Eerste Wereldoorlog geëmigreerd, de meesten rechtstreeks naar Frankrijk, het volgens de schrijver bij de Joden in Turkije indertijd zo geliefde land. ‘Niet alleen het land van Racine, de Verlichting en de Revolutie van 1789 waarbij – voor het eerst – burgerrechten aan de Joden werden verleend’, maar ook het land van de zaak-Dreyfus. ‘Haast overal elders ter wereld zou de kapitein na een standrechtelijk – of helemaal geen – proces zijn gefusilleerd, en niemand zou van hem hebben gehoord.’ Maar in Frankrijk zegevierde het recht. Oma borduurde als jong meisje kussens met de afbeeldingen van Dreyfus en Zola. Op naar Frankrijk! En dan komt de bezetting.

    Grote gebeurtenissen, kleinigheden, alles is vastgelegd, want het is alles wat de schrijver rest. Hoe moeder en baby gevangen zaten in het Rothschild-ziekenhuis en hoe de kleine Marcel op bezoek ging in de stampvolle ziekenzaal (waar moeder gevangen zat totdat de baby zes maanden zou zijn geworden, de minimumleeftijd waarop de Franse politie baby’s uitleverde). De rode bies rond het soepbord, die van hetzelfde rood was als de traploper. En de vele geuren, waar Cohen zijn leven lang naar op zoek is geweest, vaak met succes: de pommade van vader, diens eau de cologne, het pak van opa, moeders parfum.

    Behalve van de baby bevat het boek van elk besproken familielid een foto, plus geboorteplaats en -datum en de dag van het fatale transport (door de vertaalster ‘konvooi’ genoemd; de vertaling vertoont hier en daar een ongebruikelijke woordkeus). En er zijn zeven foto’s van voorwerpen, ‘documenten’ genoemd, die de tand des tijds hebben doorstaan en die, als relikwieën, de gestorvenen quasi-aanwezig doen zijn. Een eierdopje, een door vader speciaal voor zijn zoontje gemaakt hondje van wasdoek.
    De hoofdstukken zijn kort tot uiterst kort. De herinneringen van Cohen zijn schuin gedrukt om ze te onderscheiden van de gereconstrueerde verhalen.

    Zeggingskracht
    Het is niet veel wat Cohen heeft weten te verzamelen en in dit boek behoedt voor de vergetelheid, en dat weet hij: ‘Aan de gruwelijkheden uit het verleden kon onmogelijk het onrecht worden toegevoegd te laten geloven dat het materiaal te schamel was, de persoonlijkheid van de overledenen te wazig en, om een uitdrukking te gebruiken die erg pijnlijk is, maar waardoor ik duidelijk kan maken wat ik bedoel, te weinig “origineel” om een boek te rechtvaardigen.’
    Hij heeft gelijk, maar het levert geen literair hoogstandje op. De omslachtige wijze van uitdrukken die uit bovenstaand citaat blijkt, komt vaker in het boek voor, met name als de schrijver een analytische, beschouwelijke toon aanslaat. Soms is de toon wel érg nuchter. Zijn daar die zeventig voorbije jaren debet aan?
    Dit boek lees je niet voor de stijl. En die foto’s, ach. Nee, het gaat om de feiten en de zoektocht ernaar en om de herinneringen zelf, Het innerlijk toneel dus en de Feiten, en díe geven dit boek de zeggingskracht van een ‘Stolperstein’.

     

     

     

     

  • Maatje, zag je mij? 

    Maatje, zag je mij? 

    Tijdens de oorlog vond in Nederlands-Indië een driedeling plaats onder de Nederlanders:  alle weerbare mannen – meestal opgeroepen voor het leger – werden ingezet als dwangarbeider voor het aanleggen van spoorwegen (in Birma, op Sumatra) of het werken in de Japanse mijnen. Vrouwen, kinderen en bejaarde mannen werden geïnterneerd, tenzij ze konden aantonen méér dan 50% Indonesisch bloed in de aderen te hebben. Dan mochten ze buiten de kampen blijven, waar ze – de economie was ingestort – met het breien van sokken voor de Japanse soldaten of het verkopen van koekjes of het verpanden van huisraad moesten zien te overleven.

    De geïnterneerden maakten kennis met de hardhandige Japanse cultuur, waar hogergeplaatsten diepe buigingen van hun ondergeschikten verwachtten en slaan en schoppen een gebruikelijke bestraffing was. Elke Japanse soldaat was hier de meerdere van de gevangenen en ze maakten daar lustig gebruik van. Kinderen zagen hun moeder voor hun ogen vernederd en afgerammeld worden en tezamen met de steeds slechter wordende voeding – die aan het eind van de oorlog vaak slechts bestond uit wat doorzichtige tapioca-pap –  maakte dit de oorlog tot een zwarte herinnering. Een speciale sub-groep vormden de jongens die 10 jaar of ouder waren. Zij werden van hun moeder gescheiden en in aparte kampen gezet, waar zij de oude – vaak zieke – mannen moesten verzorgen. De herinneringen van die jongetjes aan de zelfzuchtigheid van de stervende bejaarden behoren tot de meest trieste van deze oorlog. Vanwege de zware arbeid die zij moesten verrichten kregen zij iets meer te eten en het kwam voor dat de zieke bejaarden uit nijd spuugden in de etensbakjes van de kinderen. Tot deze subgroep behoorde Willem Nijholt (1934) die een jaar voor het eind van de oorlog 10 werd en met zijn oudere broer Jan in zo’n mannen-kamp terecht kwam.

    Hij hield aan de oorlog bittere herinneringen over, niet alleen om wat hem was overkomen, maar ook om wat zijn moeder, zijn ‘maatje’ had moeten ondergaan. Eerder schreef hij dat al deels van zich af in een reeks brieven aan Hella Haasse. Gebundeld onder de titel Met bonzend hart.
    En nu verschijnt het autobiografische Een ongeduldig verlangen waarin Nijholt terugkeert naar zijn jeugd.
    De Indische Letteren waartoe dit boek zeker behoort, vormen een enclave in de Nederlandse Letteren, met schrijvers als Multatuli, Maria Dermout, Bep Vuyk, Vincent Mahieu. P.A. Daum, F. Springer en nog aardig wat anderen.
    Van oudsher bestond het contact tussen de in de kolonie wonende Nederlanders en hun familie uit brieven, waarin zij vertelden over hun leven in de Oost. De brieven-schrijfstijl was gebaseerd op spreektaal, losser en ook verhalender dan het zwaarwichtige Hollandse proza van de 19e en begin 20ste eeuw. En die losse, verhalende stijl werd het kenmerk van schrijvers met een koloniale achtergrond. Willem Nijholt maakt daarop geen uitzondering met zijn brievenboek.

    Rasverteller
    Ook in Een ongeduldig verlangen is een verteller aan het woord. Een rasverteller op zijn praatstoel.
    Nijholt springt ogenschijnlijk van de hak op de tak, maar zorgt er voor dat zijn verhaal zich afwisselend afspeelt in het aangename en gedetailleerd beschreven dorp Millingen waar zijn doodzieke Maatje en de kinderen na de oorlog warm werden opgevangen, het mooie Nederlands-Indië van zijn vroegste jeugd en het gehate Japanse Indië van de oorlogsjaren. Met als kers op de taart een prachtig relaas van zijn 3 maanden in Denemarken, het land dat aangeboden had de sterk vermagerde bleekneusjes uit de Oost op te vangen met roomboter en vette melk. Hij komt terecht in de boerderij van Karl en Anne en beleeft er als elfjarig jongetje voor het eerst een homo-erotische sensatie als hij Karl ziet slapen op de sofa en merkt dat er uit de scheur in diens werkbroek iets aan het licht komt:

    Nog nooit had ik de piemel van een volwassen man gezien. Door zijn liggende houding was Karls werkbroek strak om zijn dijen getrokken waardoor ik nu duidelijk door die scheur naast de gulp-rits zijn piemel kon zien opbollen. Toen ik uit de flauwte bijkwam, kreeg ik een sterke drang om die arme piemel, die zo in de knel zat, uit zijn gulp te halen en goed te leggen. Meteen liet ik dat idee varen. Gedachten en gevoelens streden om het hardst in mijn donder! Stel je voor dat Karl wakker zou worden. Wat moest hij dan niet van me denken! Hij zou mij vragen waar ik mee bezig was.

    Want het 11-jarige jongetje Nijholt had tot dan toe alleen verliefdheden gekend die op meisjes gericht waren: Ik had toch in Millingen een vriendinnetje, Corrie Sak, die op Doris Day leek en heel lange, blonde pijpenkrullen had. Tot op haar bips. Pijpenkrullen die altijd om haar heen dansten en haar ‘onbereikbaar maakten bijkans’, zoals Jan van Lier altijd zei als zij met nuffig neusje voorbijschreed.

    Een steeds terugkerend thema is natuurlijk de oorlog en wat dat met zijn Maatje en hemzelf maar ook zijn vader had gedaan. Vader, een Overijsselse boerenzoon, in de jaren dertig naar Indië getrokken en daar bij het KNIL exercitie-sergeant geworden had met moeite de Birma spoorweg overleefd en was daarna direct ingeschakeld in de oorlog tegen de Indonesische Nationalisten. Dat deed hem veel pijn, want hij – die ze vaak had opgeleid voor het KNIL –  zag ze als ‘zijn jongens’.  Als hij een paar jaar na de oorlog terugkeert in het gezin is hij een oude man geworden, zonder gezag over zijn puberende zoons. Nijholt doet zijn best om in herinneringen de klewang-held te laten herleven die zijn vader vroeger voor hem was. Vader ontwikkeld een goede relatie met het jongste kind Ria, de twee zoons zijn hem ontgroeid. Van die twee voelt Willi zoals Willem genoemd werd, zich inferieur aan zijn sportieve broer Jan, die al snel een praktische opleiding voltooit en geld gaat verdienen.
    Willi is een aarts-kwebbelaar die naar eigen gevoel altijd en overal mislukt. De HBS-B blijkt een verkeerde keuze en ook een korte tijd bij de Marine mislukt omdat hij toch te ánders is.
    Zoekend en tastend in het geheugen, zichzelf onderbrekend met verwijzingen naar zijn huidige staat (Nou ja, dat bordje pap onder mijn schedel is zo langzamerhand aan het verschalen, en niet meer op te kloppen) neemt Nijholt ons mee in de vaak verrassend levendige en gedetailleerde herinneringen aan de tijd dat hij nog zoekende was.

    Identiteit
    Adembenemend is de beschrijving van het moment waarop zijn seksuele identiteit gevonden heeft in contact met de klusjesman van het bejaardenhuis waar zijn oma woont.
    Frans, de klusjesman is een ‘ongeveer dertigjarige, lange man met een blozend hoofd, blonde krullen en een brede lach die een rij perfecte witte tanden liet zien.’
    Hij en Willi kunnen goed met elkaar overweg en als hij Frans een aantal jaren niet gezien heeft en hem als puber opzoekt gebeurt ineens het volgende:

    Toen ik de keldergang in was gelopen, had ik zijn naam geroepen: ‘Fráns, ben je daar?’
    Even was het stil en toen galmde mijn naam ‘Willi! Ziedde gij ut?!’ vanuit zijn werkplaats tegen de muur van de gang en weerklonk tot achterin door. (…) Frans was meteen de hoek om gekomen, nam de zon mee in een straal licht die vanuit het raam in de werkplaats tegen de gangmuur kaatste. Goud vonkte zijn haar, rood sloegen zijn wangen uit en de witte streep (tanden, HV) flitste breder dan ooit toen ik op hem toeliep. Hij opende zelfs zijn armen wijduit waarin ik me meteen nestelde, maar snel liet hij me weer los en wist duidelijk niet waar hij met zijn armen verder moest blijven. Ik kon even niets zeggen, zo verrast was ik door dit intens vreugdevolle welkom dat ik maar doorliep de werkplaats in en mijn billen op de werkbank schoof. Frans kwam langzaam binnen, bleef naar mij kijken en wist ook even niets te zeggen, maar lachte opeens en zei: ‘Willi, ge bint al een mooie, grote knul.’

    Een mooiere weergave van wat kortweg ‘het klikte tussen ons’ genoemd wordt, moet nog geschreven worden. En na het vinden van zijn seksuele identiteit begin Willi ook zijn talenten te ontdekken. Het ongeduldig verlangen dat hij in zijn jeugd voelde krijgt vorm en wat tot dan toe Spielerei leek (het naspelen van filmrolletjes en het verzinnen en regisseren van toneelstukjes voor de buurtvriendjes) blijkt ineens de kern te zijn van wat hij wil en kan. Zijn moeder zag niets in een carrière op het toneel en dat zij – jong overleden-  zijn debuut op de planken niet heeft kunnen meemaken is een terugkerende pijn in Het ongeduldig verlangen. Nijholts beschrijving van haar overlijden is diep ontroerend.

    Dat haar Willi ook nog schrijven kon heeft ze zelfs nooit kunnen vermoeden.  Als ze dit boek had kunnen lezen zou ze gemerkt hebben dat hij zijn belevenissen van vóór en na de oorlog met passie en in klein detail beschrijft, maar zodra het over de Japanse internering in de oorlog gaat nemen de woede en het verdriet Nijholts pen over en remt hij zichzelf na enige tijd af.
    Déze herinneringen in detail oproepen is ook na 70 jaar kennelijk nog te moeilijk. In de persoonlijke brieven aan Hella Haasse (gebundeld in Met bonzend hart) ging hem dat makkelijker af. Laten we hopen dat het met Nijholts late schrijverschap nog niet ‘En toen al’ is, de gebruikelijke afsluiting van een Indische vertelling. Dat er nog veel herinneringen mogen volgen. De laatste 60 pagina’s van Het ongeduldig verlangen gaat over zijn leven als acteur. Daar moet nog heel wat meer over te vertellen zijn.

     

     

  • Over eenzame mensen en onderdrukte talenten

    Over eenzame mensen en onderdrukte talenten

    Het is maar hoe je het bekijkt: de hoofdpersoon uit deze rijke, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog geschreven klassieke roman als een zon, waar de andere personages als satellieten omheen draaien. Of als een vlam, die insecten aantrekt. Beide interpretaties zijn mogelijk. De hoofdpersoon van de roman die Carson McCullers (1917-1967) op drieëntwintigjarige leeftijd schreef, is de doofstomme John Singer. De andere personages verwachten veel van hem. Zou hij hen uit de armoede en ellende in een Zuid-Amerikaans stadje, eind jaren dertig van de vorige eeuw, kunnen verlossen?

    Onvermijdelijk racisme

    John Singer wordt in alle liefde neergezet met de trekken van een verlosser: hij is tweeëndertig jaar (de leeftijd die Jezus volgens de Bijbel heeft bereikt), en ‘zijn tong voelde als een walvis in zijn mond’, zoals Mozes, die het joodse volk uit de ballingschap leidde, ‘traag van mond’ en traag van tong heette te zijn.
    Singer ontfermt zich over een dronkenlap die het café van Biff Brannon dreigt te worden uitgezet waar Singer drie keer per dag eet: ontbijt, lunch en diner. De man, Jake Blount, blijkt een idealistische Marxist te zijn. Dokter Benedict Mady Copeland behoort als zwarte arts tot de mensen die de toegang tot het café daadwerkelijk wordt ontzegd. Op die manier sijpelt het racisme in Zuid-Amerika indringend het verhaal binnen. Copelands dochter, Portia, werkt in het huis van de familie Kelly, waar John een kamer heeft gehuurd. Eén van de kinderen Kelly, de muzikale Mick, komt graag op de kamer van John en vertelt hem alles wat ze op haar hart heeft.

    Het is vaak een zoete inval bij John, want iedereen komt daar. Behalve Mick, Jake Blount en dr. Copeland ook cafébaas Biff Brannon. ‘Singer was bij iedereen altijd hetzelfde. Hij zat op een rechte stoel bij het raam met zijn handen diep weggezonken in zijn zakken, knikkend en glimlachend om zijn gasten duidelijk te maken dat hij het begreep.’ Zijn gedrag heeft iets raadselachtigs en laat de mensen niet los. ‘Zijn gezicht leek een beetje op het portret van Spinoza. Een joods gezicht.’ Hij heeft wat wordt omschreven als ‘ware kennis.’ ‘Hij was’, meent dokter Copeland, ‘een wijze man, die zoals geen andere blanke begreep wat het hoge doel in het leven was. Als hij luisterde was er iets zachts en joods in zijn gezicht, als iemand die weet dat hij tot een onderdrukt volk behoort.’ Luisteren natuurlijk met aanhalingstekens; het is meer een innerlijk begrijpen.

    Net als dokter Copeland tot een onderdrukt volk behoort. Hij heeft weliswaar longtuberculose, maar mag van zichzelf niet uitrusten, ‘want er was iets dat veel belangrijker was dan die vermoeidheid, en dat was dat hogere doel.’ Dat streven wordt verwoord door een zwart kind dat meedoet aan een schrijfwedstrijd, waarvan dokter Copeland de inzendingen altijd als eerste mag lezen: ‘Ik wil zo iemand zijn als Mozes, die de kinderen van Israël uit het land van hun onderdrukkers leidde. Ik wil een Geheime Organisatie oprichten van zwarte Leiders en gestudeerden. Alle zwarten zullen zich verenigen onder deze uitgekozen leiders en zich voorbereiden op de opstand.’

    Oplossing voor onderdrukking

    Volgens de zwarte bevolking van het dorp is Singer de enige die zich bewust is van hun armzalige toestand. Er doen zelfs verhalen de ronde ‘dat hij contact had met de geesten van gestorven mensen (…). De rijken dachten dat hij rijk was en de armen dat hij net zo arm was als zij. Aangezien de geruchten niet konden worden tegengesproken, werden ze steeds wonderlijker en heel reëel. Iedereen beschreef de doofstomme naar eigen goeddunken.’ Als enige oplossing voor de problemen in het Zuiden, racisme en armoede, is dat als mensen eenmaal de waarheid kennen, ze niet meer onderdrukt zullen worden.

    Of is er meer. Mick, één van de kleine Kelly’s, zoekt de oplossing in de muziek waar ze helemaal in opgaat. Ze gaat componeren, zo goed en zo kwaad als dat op haar jonge leeftijd en zonder scholing gaat. Ze luistert naar muziek, en één van de ontroerendste stukken in de roman is wanneer zij voor het eerste de Derde symfonie van Beethoven hoort en deze beschrijft.
    Ook dit is geen toeval: de symfonie van de revolutie (al heeft Beethoven zijn opdracht aan Napoleon later ingetrokken). Tegen het eind van het boek noemt McCullers alle revolutionairen die de mensheid wilden verlossen: ‘De stem van Jezus en van John Brown [de strijder tegen de slavernij, EvS]. De stem van de grote Spinoza en van Karl Marx.’ Alleen liep het allemaal slecht met ze af, ook met Singer overigens: Jezus werd gekruisigd, John Brown opgehangen, Spinoza in de ban gedaan en Marx’ visie werd in het marxisme geweld aan gedaan.

    Vlam met insecten

    In meer of mindere mate, roepen verlossers echter ook geweld op. Copeland erkent: het kwaad van het racisme moet worden bedwongen, maar ook de kwaadaardigheid in hemzelf, want ‘het hopeloze lijden van zijn mensen wekte een dolle woede in hem op’. Net als de beschrijving van het racisme sijpelen ook deze gevoelens en de uitingen daarvan het boek binnen.
    De dronken Jake Blount, die het café van Biff Brannon tegen sluitingstijd niet wil verlaten, maakt en amok. Hij haalt dokter Copeland, die als zwarte niet welkom is, naar binnen. Later komt Jake terecht in de buurt van een vechtpartij op de kermis en moet uit de stad vluchten. Erger is wat één van de kinderen van dokter Copeland uitspookt. Diens zoon Willie gaat met een jongen op de vuist voor een meisje, krijgt een scheermes toegespeeld en verwondt de jongen, waarna hij in de gevangenis belandt en tot negen maanden dwangarbeid wordt veroordeeld.

    Universeel verhaal

    Op die manier vallen in dit boek de kleine verhalen uit Zuid-Amerika, van families die te maken krijgen met racisme, armoede en geweld, maar ook met tekenen van hoop op een betere toekomst, samen met het grote wereldomspannende verhaal van de Tweede Wereldoorlog, die op uitbreken staat en waarin dezelfde elementen in alle hevigheid terugkomen.
    Maar dat niet alleen: het zijn elementen die nog steeds niets aan actualiteit hebben ingeboet. Zelfs de rol van muziek en ballet die in het boek van McCullers een grote rol spelen, maar niet tot wasdom kunnen komen doordat er ofwel geen geld voor een opleiding of een instrument is ofwel de aanleg in de knop wordt gebroken, is aan de orde van de dag.
    Deze elementen tilt dit boek van een drieëntwintig jarige schrijfster die pianiste had willen worden, ware het niet dat acute reuma en haar problemen met alcohol haar in de weg stonden, uit boven het genre van de Southern gothic novel, waartoe het wel wordt gerekend. Het hart is een eenzame jager is een oproep tot empathie met de gekleineerde en gemarginaliseerde medemens, alsookd een oproep tot waakzaamheid.

     

  • Op de vlucht naar moed

    Op de vlucht naar moed

    Voor een nieuwe Dave Eggers maakt elke boekhandel onmiddellijk ruimte vrij. De schrijver, die in 2000 met zijn romandebuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit de literaire wereld binnen stormde, bleef successen oogsten met onder andere Wat is de Wat (2006), Zeitoun (2009) en De Cirkel (2013). En nu is er Helden van de grens.
    Eggers staat met twee benen in de maatschappelijke vraagstukken en beschrijft invoelend hoe mensen die ondergaan. Zo komt de lezer in Wat is de Wat dichtbij de Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng en kan hij in De Cirkel griezelen bij de gedachte hoever de technologische mogelijkheden ons kunnen drijven tot handelen dat we eigenlijk niet willen.
    In het zojuist verschenen Helden van de grens slaagt Eggers er opnieuw in om een deuk te slaan in een leefwijze, vooral de Amerikaanse, die voldoet aan normen die de schijn van een hoge ethiek moeten ophouden, met als knots achter de deur de claimcultuur als het fout gaat. Onder die leefwijze ligt echter de vervreemding van de mens van zichzelf.

    We volgen in de Helden van de grens Josie, een jonge vrouw uit Ohio, op een trektocht door Alaska. Ze is weg bij de vader van haar kinderen, Carl, die zich druk maakt om milieu en maatschappij (hij steunt de Occupybeweging), maar geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gezin. Hun kinderen Paul van 8 en Ana van 5 zijn door Josie meegenomen zonder dat ze dat Carl heeft verteld. De kinderen kennen haar reisdoel evenmin; ze weten zelfs niet dat Carl en Josie uit elkaar zijn. De pientere Paul voelt zich ondertussen verantwoordelijk voor zijn jongere, ondernemende en impulsieve zusje.

    Camper
    Maar er ligt meer ten grondslag aan het vertrek van Josie. De reis is niet alleen een vlucht voor Carl maar ook voor spoken uit het verleden die, naarmate de rit door Alaska vordert, voor de lezer langzaam opdoemen: een jongen, Jeremy, die is omgekomen in Afghanistan, nadat Josie hem had aangeraden zich als militair aan te melden voor uitzending; en een patiënte, Evelyn, die een schadeclaim tegen Josie heeft ingediend omdat ze als tandarts niet heeft gezien dat zij (Evelyn) een dodelijke tumor ontwikkelde. Om van een slepende rechtsgang af te zijn heeft Josie haar praktijk verkocht. Met de kinderen en een beetje geld in een fluwelen zakje dat ze angstvallig verbergt, vliegt ze naar Anchorage in Alaska. Daar huurt ze  een aftandse camper waarmee ze naar haar halfzus Sam wil.

    Het wordt een bizarre tocht door de wilde natuur als een soort spirituele groei naar zelfinzicht. De rit voert haar langs verlaten plekken, brengt haar oog in oog met gevaren en levert bijzondere ontmoetingen met mensen en groepjes die een beetje buiten de maatschappelijke orde lijken te staan – in elk geval buiten de orde die Josie gewend is. Daarbij komt ze voortdurend zichzelf tegen.

    Moedig
    Haar argwaan en achterdocht spelen op als mensen juist heel vriendelijk voor haar zijn, ze neemt voortdurend verkeerde beslissingen en voelt zich de hele reis achtervolgd door Carl of een deurwaarder, hoewel ze er eigenlijk zeker van is dat niemand behalve Sam weet dat ze in Alaska rondtoert. Dat gedrag breekt haar ook bij Sam op – de halfzus die haar weer confronteert met hun vreemde voogdijgeschiedenis – want ook bij haar slaat ze weer op de vlucht.
    Bovenop die bekommernissen is er ook nog eens de grote bosbrand die juist tijdens haar verblijf Alaska teistert en haar uiteindelijk van de laatste hechting aan materie geneest.

    Daartussendoor confronteren de kinderen Josie door hun gedrag met haar falen als moeder. Tot aan het slot van deze roadnovel het inzicht doorbreekt, eerst tijdens een verblijf bij een muziekgroep en daarna in een soort parabel vol donder en bliksem. In een onstuimige klimpartij door de woestenij valt alles voor Josie, Paul en Ana tenslotte op zijn plek: ‘ze wilden moedig zijn, wisten dat er geen andere keuze was dan moedig te zijn, dat er niets groters was dan moedig zijn. Op dat ogenblik begreep Josie dat in plaats van een moedig mens te zoeken – en daar was ze al jaren naar op zoek, besefte ze – het veel beter was om mensen moedig te maken. Ze moest geen integere, moedige mensen zoeken. Ze moest ze maken.’

    Lafbekken
    Het is een directe terugverwijzing naar het begin van de roman als Josie net in Anchorage is geland: ‘Dus waar waren de helden? Ze wist alleen dat waar zij vandaan kwam de mensen lafbekken waren. Nee, er was één dappere man geweest en zij had aan zijn dood meegewerkt. Eén moedige man die nu dood was. Iedereen nam maar en nam maar en Jeremy was dood. Zoek iemand voor me die dapper is, vroeg ze de donkere bomen buiten. Iemand met inhoud, eiste ze van de bergen daarachter.’

    Het zijn ingrediënten voor een breed en diepmenselijk verhaal. Toch wil het Eggers maar niet lukken om de lezer in deze nieuwe roman blijvend mee te slepen. Om het maar eens simpel te zeggen: het boek had wel wat dunner gekund om er juist scherper in te hakken. Nu is de zoektocht naar zichzelf in de ongerepte natuur soms wat te zweverig en te soft en leidt de opeenstapeling van voorbeelden van Josie’s wantrouwen, onzekerheid en verkeerde keuzes eerder af dan dat ze lezer dichter bij haar brengt. Maar dat heeft er misschien mee te maken dat Helden van de grens ook wel erg Amerikaans is.

    Najaarszonnewende-meezingmiddag
    Dat zit hem primair in de keuze voor Alaska als gebied waar de reis zich afspeelt. Die staat heeft voor de Amerikaan de lokroep van het land waar nog wildernis te vinden is en de natuur nog zuiver is. Er is moed voor nodig om er te wonen omdat Alaska zo haaks staat op alle zekerheden en opgeblazenheid van de Amerikaanse burgermaatschappij. Waarover Eggers ook nu weer hilarisch schrijft, bijvoorbeeld als het gaat over de spagaat van moeders die willen werken en tegelijk 24 uur bij hun kinderen moeten zijn, zelfs bij activiteiten op school:

    Maar die andere ouders met hun oordelende blikken, wanneer werken die? Het is hun baan om al die activiteiten bij te wonen. Dat is hun werk, impliceren ze en ze laten ook doorschemeren dat jij en jouw reële werk oké zijn, maar ook treurig en nalatig. Maar dat zeggen ze niet. Ze zeggen: het geeft niet als je er niet bij kunt zijn, bij de najaarszonnewende-meezingmiddag en de eindewintersleeliederenbraderie-en-hapjesdag. Helemaal niet erg van dat ouder-en-kind-badmintondubbel-lentelichtjesavondfestijn (…) Hoeft niet, hoeft niet, hoeft niet, geeft niet, geen probleem, al ben je natuurlijk een egoïst en gaan je kinderen naar de verdommenis.’

    Nee, dan Alaska! Daar bestaat deze tweestrijd niet.

    IJspriester
    Er zit een mooie verwijzing naar de betekenis van Alaska in de ‘ijspriesterogen’ van Paul. Vermoedelijk zinspeelt Eggers daarmee op pater Bernard R. Hubbard (1888–1962), die in het begin van de 20ste eeuw veel aan het beeld van Alaska als ongerepte wildernis heeft bijgedragen en die door zijn ontdekkingstochten de bijnaam ‘The Glacier Priest’ kreeg.

    Een andere mooie vondst is dat Josie ook fysiek in haar uitgeleefde camper meedraagt wat ze juist dacht ontvlucht te zijn. Zo zijn er de problemen met de toiletafvoer, die de lezer doen denken aan Carl wiens darmen zo opspeelden dat hij voortdurend op de wc zat. En in de camper vindt Josie oude nummers van het tijdschrift Het Westen van Weleer, waarin ze steeds de rubriek ‘Vervaagde sporen’ leest. Daarin zijn mensen op zoek naar familie en hun verleden. Josie, die zelf geen familie heeft (haar vader en moeder zijn al vroeg uit de ouderlijke macht ontzet en broers of zussen heeft ze niet; Sam is alleen halfzus vanwege dezelfde voogdijvoorziening) leest in het blad juist steeds die rubriek.

    Eggers betoont zich in Helden van de grens opnieuw een scherpe en humoristische analyticus van de verhouding tussen de mens en de maatschappelijke ontwikkelingen. Maar mag het ietsje minder breedvoerig?

     

     

  • Met afgewend gezicht

    Met afgewend gezicht

    Op het strand van Blackpool verliest Thomas zijn massief gouden trouwring. Voordat hij ging zwemmen had hij hem afgedaan, als hij uit zee komt, is het ding spoorloos verdwenen. Ik heb hem aan jou gegeven, zegt hij tegen Mary, zijn echtgenote. Maar zij denkt dat hij hem in zijn broekzak heeft gestopt. Zij vergat geen dingen, zo zat ze niet in elkaar. Hij was de vergeetachtige, de verstrooide. Op de allereerste pagina van Thomas and Mary, de nieuwe roman van Tim Parks–zojuist in een Nederlandse vertaling uitgebracht– staan de lijnen uitgestippeld. Het verlies van de ring is een voorbode: het huwelijk van de protagonisten loopt op de klippen. Onafwendbaar.

    Blik op een huwelijk
    Ze leven in afzonderlijke werelden, de enige gemeenschappelijke ‘vriend’ die ze hebben is hond Ricky, een cockerspaniël, zorgvuldig uitgekozen door Mary. Ze wilde een hond omdat ze er nooit een had gehad. Om de mening van Thomas werd niet gevraagd. Hij schikte zich, de hond stelde hem in staat nog meer tijd te besteden aan zijn eigen activiteiten: tennis, voetbal op tv, amoureuze avontuurtjes. Maar inwendig was hij woedend, hij wilde die hond helemaal niet. Mary trakteert Thomas op verhalen over de andere hondenbezitters die ze leert kennen tijdens haar wandelingen met het beestje. Ze zegt: Mensen met honden zijn humaner dan mensen zonder. Thomas beseft dat hij bij de tweede soort is ingedeeld.

    Parks beschrijft de scènes uit het huwelijk met soms pijnlijke precisie. In het begin van de roman krijgen we een weekoverzicht. Maandag: om middernacht gaat Thomas naar boven, Mary ligt te slapen met haar gezicht naar de muur. Dinsdag: Mary laat de hond uit, Thomas heeft geen zin om op haar te wachten. Als ze thuiskomt ligt hij in diepe slaap, met het gezicht naar de muur. Woensdag: Thomas komt laat thuis van een avondje biljarten. Als hij in bed stapt, ligt ze te slapen met het gezicht naar de muur. Donderdag: Thomas gaat bijtijds naar bed, maar als Mary een uurtje laten ook naar bed gaat, doet hij alsof hij slaapt. Met het gezicht naar de muur. Vrijdag: Thomas gaat vroeg naar bed, Mary is naar het café. Hij wil de voorstelling van de vorige avond niet herhalen. Het maakt Mary niets uit: ze heeft niets te zeggen tegen een man die ze ervan verdenkt een verhouding te hebben. 

    Thomas werkt in de reclame, Mary doet klusjes voor tijdschriften en uitgeverijen. Ze hebben twee kinderen, de oudste een dochter, de jongste een zoon. Ze hebben elkaar voor het eerst ontmoet tijdens hun studie aan Durham University. Als Thomas een baan krijgt in Manchester gaat ze met hem mee, op voorwaarde dat ze trouwen. We krijgen alle details te horen, zij het niet in chronologische volgorde; het verhaal springt door de tijd heen en weer. Thomas and Mary is opgebouwd uit fragmenten–meest korte hoofdstukken–die schijnbaar willekeurig zijn gemonteerd. We horen niet alleen de stem van Thomas, maar ook die van zijn boezemvriend Alan, zijn moeder, Mary, zoon Mark, zijn overleden vader. Een procedé dat blijkbaar bedoeld is om het huwelijk letterlijk en figuurlijk van alle kanten te bekijken.

    Zo’n opzet werkt uiteraard alleen als het verhaal de aandacht vast kan houden, maar Thomas en Mary komen niet uit de verf en hun huwelijk is een en al cliché. In Engeland eindigt meer dan de helft van alle huwelijken in echtscheiding, in andere landen ligt dit getal nog hoger. We kennen de verhalen zo langzamerhand. Thomas gaat vreemd aan de lopende band, bij voorkeur met dames die half zo oud zijn als hijzelf. Mary lijkt al na haar tweede kind iedere illusie over hun verbintenis te hebben verloren. Je raakt hooguit geïntrigeerd door de vraag waarom ze de zaak nog zo lang rekken. De kinderen? Wie weet. Na een partijtje tennis spreken Thomas en Alan over de algehele situatie. Thomas heeft een bepaalde opvatting over het vrouwelijke orgasme en probeert die theorie aan Alan te slijten als verklaring voor zowel zijn gehechtheid aan Mary als zijn onblusbare drang om steeds nieuwe vriendinnen te veroveren. Een warrig betoog over het najagen van seks dat eigenlijk geen seks is maar iets anders. We luisteren ernaar vanuit het perspectief van de vriend: … ik begon er genoeg van te krijgen. Alan vraagt: ‘Iets wat je niet kunt omschrijven?’ ‘Precies’. ‘Achter seks’. ‘Ja’. ‘Onnoembaar en onuitsprekelijk?’ ‘Correct’. ‘Mijn god’. Tenslotte zegt Thomas:‘Ik heb besloten weg te gaan thuis’. ‘Dat werd tijd’, verzucht Alan.

    Literaire goden
    Aan het eind van de roman, als hij met zijn nieuwe liefde Elsa een nieuw leven begint, kijkt Thomas terug op het huwelijk met Mary. Hoewel we eerder hebben vernomen dat hij slechts kranten en tijdschriften leest en piekert over de economische crisis, de immigratiecijfers en de voetbalclub waar hij zijn hart aan verpand heeft, blijkt hij plotseling een gretig boekenlezer die op zoek gaat naar zijn eigen verhaal in de levens van de literaire personages uit de klassieke romanliteratuur. Thomas Hardy passeert de revue, D.H. Lawrence, Charles Dickens, Charlotte Brontë, Hilary Mantel, T.S Eliot, maar ook William Faulkner, Philip Roth, Gustave Flaubert en Henry James. Toe maar! Luisteren we nog naar Thomas, of heeft de literaire recensent Tim Parks het heft in handen genomen? Hoe meer Thomas op zoek ging naar vergelijkingen, hoe meer hij bedacht dat zijn huwelijk geen literair patroon had gevolgd. Het was echt hun verhaal, en het was echt gebeurd. De schrijver plaatst zichzelf met zijn boek pardoes middenin de wereld van de literaire goden. Mocht Thomas and Mary nog een zweem van betovering hebben gehad, dan is de lezer door deze zelfingenomenheid weer keihard met beide benen op de koude grond geland.

     

     

  • Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Wie dit boek ter hand neemt moet zorgen minstens anderhalf á twee uur de tijd te hebben. Want als je er eenmaal aan begint lees je het honderdeneen pagina’s tellende verhaal in één ruk uit. En je maakt dan als lezer één lesuur mee uit klas 3B van het Wittelsbacher Gymnasium in München. In het jaar 1928. Tijdens die les komt de rector het schoollokaal binnen, neemt de les over van de leraar Grieks en zorgt er door zijn wijze van overhoren voor dat hij twee leerlingen van zijn school kan verwijderen wegens arrogant gedrag respectievelijk falende kennis. Doet hij dat met voorbedachte rade?

    Eén van die twee leerlingen is Franz Kien, het alter ego van de schrijver van dit boek, de in Nederland onbekende maar in Duitsland gevierde auteur Alfred Andersch (1914-1980). Het is het waargebeurde verhaal van zijn eigen verwijdering van de school. De pijn daarover droeg hij zijn hele leven mee en schreef het op zijn sterfbed van zich af. Het verhaal heeft in de Duitse literatuur dezelfde status als Bint van Bordewijk in de Nederlandse.

    Waarom hij een alter ego nodig had legt de schrijver in een nawoord geduldig uit aan zijn posthume publiek en de recensenten. Het laten beleven van deze vernedering door Franz Kien gaf hem meer mogelijkheden dan wanneer hij de gebeurtenissen vanuit het blikveld van een ik-persoon zou schrijven: ‘Juist het vertellen in de derde persoon stelt de auteur in staat om zo eerlijk te zijn als maar mogelijk is. Het helpt hem remmingen te overwinnen waarvan hij zich maar nauwelijks kan bevrijden als hij ik schrijft’ En het werkt.

    Vanaf het moment dat de rector het lokaal binnenkomt beleven we een spannend lesuur met Franz Kien, een matige en luie leerling die eerst geniet als een arrogante medeleerling te grazen genomen wordt door de Rex (zoals de rector achter zijn rug genoemd wordt), maar tot zijn grote schrik uiteindelijk zelf slachtoffer wordt van het schoolhoofd. De Rex voert zijn schrikbewind uit met een verraderlijke combinatie van vriendelijke uitstraling en onverhoedse minachting en vernedering van zijn pupillen.

    En deze rector heet Himmler en is de vader van Heinrich Himmler, in 1928 al aanhanger van Hitler en later diens tweede man. Vader Himmler en zoon zijn gebrouilleerd, maar dat heeft vooral te maken met het feit dat vader weinig achting heeft voor de uit de heffe van het volk voortgekomen Hitler, want Duits-nationalistisch is hij vanzelfsprekend wel.

    De leerlingen van het gymnasium zijn, alhoewel pas veertien of vijftien jaar, allemaal op de hoogte van deze situatie en sympathiseren van de weeromstuit met Heinrich, die de moed heeft gehad tegen zijn strenge vader op te staan.
    Behalve een spannend verhaal dat rechttoe-rechtaan geschreven is en je tot de laatste regelt boeit – ook als je de afloop weet –  is De vader van een moordenaar ook een boeiende beschrijving van de omgangsvormen die in die tijd gehanteerd werden op een gymnasium-van-stand.
    Leuk was anders. Een op zichzelf staand citaat is moeilijk te vinden in het zinderende relaas van dit lesuur. Maar een terzijde herinnering van Franz Kien kan toch een aardig beeld geven van de sfeer en de verhoudingen op deze school.

    ‘Franz was in de pauze naar het toilet gegaan en juist nadat hij zijn grote boodschap had gedaan en weer de ruimte met pissoirs betrad kwam de Rex binnen. Dat was vreemd, Franz had nooit eerder gezien dat een leraar in de pauze gebruik maakte van de leerlingentoiletten, als zoiets gebeurde moest er wel sprake zijn van hoge nood die wetten brak, maar de Rex had zo te zien helemaal geen haast, hij leek de wc’s alleen maar te willen inspecteren (…) ik leek vast een idioot, dacht Franz, omdat ik ervan uitging dat de Rex op deze plek en omdat hij me zo vriendelijk aankeek, iets grappigs zou zeggen en dat grappige kwam ook, klonk op van nabij, zakelijk en op fluistertoon maar niettemin zo duidelijk dat ook de andere leerlingen in de pissoirruimte het duidelijk konden horen: “Je gulp staat nog open, Kien.”’

    Door in de titel van dit verhaal (De vader van een moordenaar) een connectie te leggen tussen de wreedheid van de Rex en de oorlogsmisdaden van de zoon doet Alfred Andersch beiden mogelijk onrecht. En met het verhaal heeft de titel ook niets van doen. Maar dat is dan ook het enige negatieve dat gezegd kan worden over deze zeer geslaagde novelle.

     

  • Wel een naam, geen karakter

    Wel een naam, geen karakter

    Nadat Gil op zijn achttiende het gymnasium heeft afgerond, kan hij zich volledig richten op zijn grote droom: toegelaten worden tot het conservatorium van Parijs.

    Pianist in spé
    Het komende jaar zal in het teken staan van de piano, maar  eerst gaat hij op vakantie met zijn beste vriend Olivier. Ze besluiten samen naar een oom van Gil in Uzès te rijden. Tijdens deze rit komt er een nummer van de Smithsonians op de radio. Gil vindt dit nummer geweldig en begint mee te zingen.

    Olivier kon er niet over uit. In opperste verwarring draaide hij zich naar Gil, alsof hij zeker wilde weten dat hij het was die zong. Gil, die gewoonlijk zo schuchter was. Zo in zichzelf gekeerd. Die altijd zo zacht praatte. Die alles altijd twee keer moest zeggen.

    Voor Gil is dit ook een geheel nieuwe sensatie. Het zingen, zijn stem zo krachtig en helder. Toch denkt hij er verder niets van. Wanneer hij thuiskomt moet hij aan de bak. Hij gaat twee keer per week naar zijn pianolerares en sluit zich acht uur per dag op in het tuinhuisje waar de piano staat. Hier luistert hij de lessen terug en blijft oefenen tot in juni de dag van het toelatingsexamen aanbreekt. Hij wordt als beste op het conservatorium aangenomen.

    Passie voor zang
    Op het conservatorium omvat het curriculum voor de piano niet alleen piano-, maar ook zanglessen. De docent, Jacques Kiepfer, is meteen getroffen door de zuivere klank van Gils stem. Samen gaan ze aan de slag om zijn techniek te verbeteren. En omdat Gil in korte tijd grote vorderingen boekt, stelt Jacques voor dat Gil zich laat overplaatsen naar de zangklas. Gil betwijfelt of hij goed genoeg is, maar wil het wel proberen.

    ‘Op een maandag, na de les van Vlado Blasko, ging Gil naar een van de repetitielokalen en sloeg de pianoklep open. Hij bleef staan zonder te spelen. Hij voelde hoe er iets in hem verschoof. Hij ging een eindje opzij van de piano staan en begon met een paar oefeningen die Jacques Kiepfer hem had geleerd om zijn stem op te warmen.’ 

    Hij doet opnieuw auditie, deze keer voor het onderdeel Zang en wordt weer aangenomen.

    Glanzende carrière
    En zo komt hij in de les van Lucienne Franck terecht. Hij verbetert zijn techniek en leert hoe hij correct moet ademhalen. Dankzij Lucienne en haar connecties bij verschillende operahuizen krijgt Gil kleine rollen aangeboden.Zijn zelfvertrouwen groeit, zijn rollen worden groter en zijn naam steeds bekender, maar er wacht nog een diep dal voor deze jonge tenor zijn hoogtepunt kan bereiken.

    Van Franse bodem
    Célia Houdart is een Franse schrijfster. Met Het talent van Gil de Andrade heeft ze haar vierde roman geschreven. Het is haar eerste roman die vertaald is naar het Nederlands. De boeken die ze hiervoor heeft geschreven zijn in Frankrijk goed ontvangen. Ze ontving de Prix Henri de Régnier de l’Académie Francaise voor haar eerste roman, en in 2012 ontvang ze de Prix Françoise Sagan voor haar roman Carrare.

    Droge opsomming
    Alhoewel Célia Houdart en haar boeken in Frankrijk de hemel in worden geprezen, lijkt alle lof bij dit boek niet echt op zijn plaats. Gil geeft de piano op om te gaan zingen, maar zijn beweegredenen blijven vaag. Hij valt flauw tijdens een zangles, maar het is niet duidelijk waarom dit gebeurt. Zo’n tekort aan informatie kan spanning opbouwen of mysterie creeëren, maar doet geen van beiden in dit boek. Het zorgt zelfs voor een gevoel van dissociatie. Je voelt niet met het hoofdpersonage mee, want je leert hem niet kennen.

    Door een gebrek aan dialogen en emotie blijft het boek een beetje droog. Het is meer een aaneenschakeling van gebeurtenissen, dan een pakkend verhaal. Eerst gebeurt dit en dan gebeurt het volgende, maar Houdart gaat niet in op de gedachtes of het gevoelsleven van de personages. Hierdoor hebben de personages wel een naam, maar geen karakter. Net als dit boek.

  • Een boeiende innerlijke exercitie

    Een boeiende innerlijke exercitie

    Recensie door Stefan Ruiters

    Jasper en zijn knecht is het nieuwste boek van Gerbrand Bakker dat onlangs werd uitgegeven in een van de weinige literaire reeksen die ons land rijk is, Privé-domein. Begonnen met Mary McCarthy in 1966, is dit deel, 50 jaar later, nummer 287 in de reeks. Bakker schreef eerder de  goed verkopende roman Boven is het stil (2006) en nog een aantal, in Nederland minder goed ontvangen, titels.

    In het dagboek van het jaar 2015, met een uitloper naar dit jaar, probeert Gerbrand Bakker een writer’s block en een depressie te overwinnen. Dat writer’s block wist hij in elk geval weg te schrijven, waarvan dit boek het bewijs is. De schrijver woont afwisselend in Amsterdam en in de Duitse Eifel. In een gehucht in Schwarzbach heeft hij een huisje gekocht en wordt er door de schrijver zelf  en onder andere zijn Tuinmaat Han, volop geklust. Ook enkele dorpsgenoten zijn Bakker behulpzaam.

    Daarnaast is hij sinds kort in het bezit van een hond, Jasper, een wispelturige zwerfhond van het Griekse eiland Thassos. De hond maakt moeilijk contact en rent weg op momenten die hem zelf uitkomen om dan vaak pas na uren weer terug te komen. Af en toe keert Bakker terug naar zijn ouders en geboortegrond. Hij worstelt zich door het leven heen, zo wordt wel duidelijk en daarover schrijft hij  onderzoekend. Als homoseksuele jongen in een boerengemeenschap onderging hij zijn existentiele crisis al van jongs af aan.  Zonder dat hij het echt doorheeft of beter: hij weet het wel maar kan het moeilijk plaatsen, want wie hij werkelijk is, is taboe in zijn directe omgeving. Kenmerkend is zijn verbazing als hij erachter komt dat niet elke jongen homo is. Nergens wordt er over gesproken. Als hij zich bewust is van zijn homoseksualiteit, zegt Bakker tijdens de gezamenlijke maaltijd thuis: ‘Ik ben zo vreselijk ongelukkig.’ Het blijft stil aan tafel. Ouders, broers, ze zwijgen. En dan zegt zijn moeder: ‘Aan ons heb je niets.’ Als lezer valt je mond open en zou je Bakkers moeder onmiddellijk van repliek willen dienen. Wat een horkerige opmerking is dat zeg.

    Bakker weet nu: ‘Ik moest het alleen doen, iets wat ik ergens allang wist.’ Daarom sluit hij zich af van de buitenwereld om zich te weren tegen de mensen en het leven zoals dat geleefd dient te worden. Een terugkerende depressie is het gevolg. Na een studie in Leeuwarden en Amsterdam en een opleiding tot hovenier, wordt Bakker schrijver en publiceert bovengenoemde bestseller die hem financiële armslag geeft om te leven zoals hij wil. En dat  gun je hem ook na zo’n jeugd en zijn verdere worsteling in dit leven.

    Bakker beschrijft zijn leven als schrijver. Recensies hebben zijn speciale aandacht. Opgaand in de dynamiek van het schrijverschap, lijkt hij zijn levensstijl te hebben gevonden. Al kan hij nogal zeuren over slechte recensies en andere schrijvers – Tommy Wieringa – zoals alleen schrijvers dat kunnen. Jaloezie, eerzucht, afgunst.

    Het huisje in de Eifel en hond Jasper geven hem een relatieve rust. Een routine van klussen, hond uitlaten, af en toe een lezing geven of een column schrijven. Met liefdevolle interesse probeert Bakker de strapatsen van zijn zwerfhond Jasper te begrijpen. Met alle macht wil hij met de hond een band opbouwen maar daar is de hond te eigenzinnige voor, die laat zich niet binden. Uiteindelijk knecht de hond zijn baasje en in de hond zijn trekken te ontwaren die van het baasje zijn. Wegrennen, maar ook altijd weer terugkeren.

    Als lezer van een dagboek weet je dat je je door een hoop trivialiteiten moet heen werken. Bakkers schrijfstijl is ook zeer prozaïsch, maar dat is inherent aan de dagboekvorm. Heerlijke woorden bevolken het boek als Hauswirtschaftsraum en Nimshuscheidermühle. Jasper en zijn knecht geeft ondanks de soms onverdraagzame dagelijkse lichtheid genoeg denkvoer. Het stemt tot nadenken hoe mensen, ouders zelfs, ongenadig afwijzend kunnen omgaan met anders-zijn. Zal het een biologische component in zich dragen? Ver van je afhouden van dat, wat je niet kent of begrijpt om te overleven. Als moeder je zoon afwijzen om wie hij in wezen is, omdat je zijn wezen niet kent, niet wilt kennen, is onbegrijpelijk. Maar dat maakt van dit dagboek van een schrijver die van ver is gekomen, wel een boeiende innerlijke exercitie.

     

     

  • Concrete en eigentijdse gedichten

    Concrete en eigentijdse gedichten

    De bundel Van groot belang, al een tijdje geleden verschenen, is een in meerdere opzichten opvallende bundel van dichter en prozaschrijver Nachoem M. Wijnberg (1961). Gestoken in een kaal, wit kaft dat 256, veelal dichtbedrukte bladzijden bijeenhoudt, verraadt de buitenkant niet dat het een dichtbundel betreft. Het etiket ‘gedichten’ heeft deze dichter al enige bundels geleden afgezworen, maar zijn vijftiende bundel is op het provocatieve af ook nog eens verstoken van een flaptekst of toelichting op het omslag.

    De titel wordt al met al op generlei wijze gehinderd voor zichzelf te spreken. Weinig dichters zullen zich dergelijke vrijzinnigheden durven veroorloven. Maar Wijnberg geniet een dusdanige reputatie als dichter  (o.a. VSB-prijs 2009 voor Het leven van) dat hij niet hoeft te vrezen onopgemerkt te blijven. Werd  in zijn qua omvang ook niet misselijke voorganger Nog een grap het fenomeen van de grap ontleed, zijn nieuwste gedichten kristalliseren zich rond politiek-economische vraagstukken. Niet vreemd voor een dichter die een hoogleraarspost cultureel ondernemerschap en management bekleedt. Goed beschouwd stonden veel van zijn dichterlijke motieven al in het teken van economische verhoudingen, zoals (ver)kopen, schenken, aannemen, schaarste en voorraad enz.. Maar in Van groot belang voeren de economische, politiek bestuurlijke besluitvormingen de boventoon. Ze zijn aanzet, drijfveer van veelal betogende dan wel bevragende zinnen, die meanderend over de pagina’s gaan en waar in eerste instantie alledaagsheid de lezer het zicht op poëzie kan benemen.

    In al deze gedichten is sprake van een zekere ‘je’ tegen wie wordt aangepraat. De stijl leest vlot als van iemand die niet alles op alles heeft gezet om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Aangezien de je-vorm consequent is volgehouden, is eenheid bewaakt, maar eentonigheid niet buiten de deur te houden. De bundel is dik maar daarmee niet veelstemmig. De aangesproken ‘je’ bevindt zich in een situatie (niet zelden economisch, of politiek bestuurlijk van aard) waarin hij beslissingen heeft te nemen. Het gedicht ontrolt zich vervolgens als de losgewoelde overwegingen en redeneringen van opgeworpen vragen. Het geeft zicht op de motieven tot handelen in dergelijke situaties. In het licht daarvan kan men deze gedichten zeker niet van enig belang verstoken achten.

    Maar de poëzieliefhebber is allereerst gediend met typische Wijnbergconstructies als:
    ‘Je leest een geschiedenis van iets waarin elke gebeurtenis vergeleken
    wordt met een gebeurtenis uit de geschiedenis van iets anders.’

     Of:
    Je weet dat je afscheid moet nemen
    van wat al bijna klaar is
    met afscheid van jou nemen,’

    Met zinnen die met weinig woorden een nieuw verschiet openen:
    Als je de wet was of misschien vergeving zou je zeggen: je ziet zo waar ik
    woon, het is het huis zonder voordeur.
    Je kwam op de dag terug en zag dat de deuropening leeg was.
    Eerst was je verbaasd, daarna verontwaardigd, daarna opnieuw verbaasd.’

    Dat deze dichter met zijn vorige bundel Nog een grap nog lang niet al zijn humoristisch kruit had verschoten bewijst een passage als:
    ‘als je de God beledigt van wie veel minder macht dan jij
    heeft en hij je vraagt of je die God wilde beledigen of dat je enkel bedoelde
    dat wat je over zijn God gehoord hebt niet overeenkomt met de
    waardigheid die zo’n God zou kunnen hebben, kun je beter die kans, die je
    niet vaak krijgt, nemen en zeggen dat je dat laatste bedoelde.’

    Ook zijn neiging om sommige gedichten hilarische titels mee te geven (Sigmund Freud op bezoek bij Constantinos Kaváfis, of omgekeerd, maar ze hadden tegen elkaar gezegd dat dat niet zou uitmaken), of titels die langer zijn dan het gedicht zelf, heeft hij niet opgegeven.

    Wat deze bundel anders maakt dan zijn voorgangers, is dat de gedichten concreter, eigentijdser zijn gestoffeerd. In weerwil van enige uitstapjes naar het verleden waarin onder andere Marx, Keynes,  en Kaváfis worden geciteerd, bieden deze gedichten genoeg aansluiting bij de eigentijdse problematiek. Uitgekleed van poëtisch taalgebruik en beeldspraak leggen de zinnen een alledaagsheid bloot die haar weerga niet kent:  ‘Je grootvader was een keer in zijn leven uitgenodigd om te lunchen met een directeur van wat toen de Amsterdamsche Bank was, later de AMRO, en nog later de ABN AMRO’.

    Men stuit ook op veel stukken die in een leerboek niet zouden misstaan: ‘Kapitalisme in de zin van dat de toe-eigening van arbeidsvoorwaarde door / de eigenaren van de productiemiddelen de belangrijkste bron van / investeringen is, ontstaat pas als en doordat er voldoende duurzame en / kostbare productiemiddelen zijn om in te investeren. / Vóór de negentiende eeuw zijn de meeste duurzame goederen geen / productiemiddelen en de meeste investeringen zijn om te handelen‘ enz. Wijnberg mag zich dan als eigenzinnig dichter manifesteren, de eigenzinnige poëzielezer heeft het recht zich af te vragen wat hij met zulke zinnen aan moet. Wijnberg komt de lezer tegemoet door hier en daar een Envoi in te lassen, maar men ontkomt niet aan de indruk dat de professor in deze bundel een thuiswedstrijd speelt.

    Van groot belang lijkt vooral een demonstratie van de verkennende rol van taal in ons begrip van werkelijkheid. Keer een vraag binnenste buiten en kijk welk soort logica komt bovendrijven, zoals in de laatste twee strofen van Worauf man in Europa stolz ist:
    Een grote overwinning,
    omdat bijna niemand die verwacht had,
    en wie die wél verwacht had,
    heeft die ook een prijs
    gekregen?

     En als hij gehoopt had
    dat wat hij verwacht had
    niet zou gebeuren,
    krijgt hij dan nog
    een dag?’

    Dit soort creatieve denkbewegingen strookt met de verwachtingen die men heeft van moderne poëzie en zeker die van Wijnberg die altijd al excelleerde in omkeringen en het blootleggen van de achterkant van logica. De oplossingen evolueren tot relativeringen van het probleem. Zijn gedichten tonen dat als men zijn verbeelding inzet in plaats van zijn logische denkwijze, de vraagstelling in een heel ander licht komt te staan, maar daarmee niet minder geldig wordt.

    Voor wie echter meent dat in poëzie de in zee geplengde druppel wijn door de zee moet worden gezuiverd in plaats van door diezelfde zee te worden verwaterd, is deze bundel te overwoekerend. Na verloop van tijd begint het oeverloze tegen te staan. Wijnberg lijkt dan op de cruisecontrol zijn gedachten alle kanten op te drijven met de ingesleten routine van het tegen elkaar uitspelen en omdraaien van tegengestelde begrippen in de mogelijke veronderstelling tussendoor genoeg poëzie te morsen. Resultaat komt dan uit op iets wat beneden zijn gemiddelde poëtische niveau ligt:

    ‘Een voorraad van iets hebben maakt het je mogelijk later iets te / beslissen omdat er iets gebeurd is en daarom wil je voorraden hebben voor / de belangrijkste gebeurtenissen waarvan je denkt dat ze mogelijk zijn. // Zo heeft elke gebeurtenis haar voorraad en omgekeerd, en kun je kiezen / met welk van de twee je wilt beginnen.’ 

    Overvloed werkt als een omgekeerde verrekijker: het haalt de gemorste schoonheid niet op, maar maakt die nietiger. Om bij een prachtige, ontroerende strofe als: ‘Is het goed als niemand/meer over je weet dan je jezelf/kunt herinneren?’ te komen moet men veel minder fraais voor lief nemen. Wijnberg heeft ooit gezegd van ieder gedicht wel tien versies te schrijven voor hij ze de wereld inzond. Het valt inmiddels moeilijk te geloven dat hij deze werkwijze nog steeds trouw is. Of wil deze poëzie toonbeeld zijn van wat hij zelf in Van groot belang poneert: ‘Maar het is een misverstand dat een gedicht van alle teksten het meest / voltooid is, het is juist wat het sterkst vraagt om beter te worden.’

     

     

  • Magistraal beschreven ellende

    Magistraal beschreven ellende

    Henk van Straten is een veelschrijver. Dagelijks publiceert hij stukjes proza op zijn FaceBook tijdlijn en in vijf jaar tijd publiceerde hij elk jaar een boek. Maar te snel naar hij zelf zegt, en echt debuteren heeft hij niet gedaan. Dat wilde hij alsnog goed maken en dat deed hij met de omvangrijke roman Bidden en vallen. Een rijk geconstrueerde roman rond zes personages die elkaar, maar vooral zichzelf, nogal in de weg zitten.

    Tom Kuiper is accountmanager bij een prestigieus horlogemerk. Hij lijdt aan overgewicht en drankzucht. Het verhaal begint op een zondagochtend in november en het is al direct duidelijk dat zijn echtgenote niet meer in hem gelooft, zijn kinderen bang voor hem zijn en hij een bloedhekel heeft aan zijn inwonende zwager en vriendin. Brak van de hoeveelheid drank van de vorige avond, ontvlucht hij zijn huis. Nadat hij vruchtensap heeft gekocht waarmee hij zichzelf tracht terug te vinden op een bankje in een nabijgelegen park, kondigt het noodlot zich aan in de vorm van een verslaafde Marokkaanse jongen. Voor je het weet, en dat is het knappe van Van Straten, hoe hij ongeloofwaardige dingen geloofwaardig laat zijn, staat Tom in de bosjes met zijn broek op de enkels en laat hij zich oraal bevredigen door deze jongen. Het overkomt hem ook maar, hij heeft zoiets  nooit eerder meegemaakt en voor hij beseft wat er gebeurt, wordt hij beroofd van zijn geld en dure polshorloge.

    Zijn vrouw, Els, ontmoette hij tijdens zijn werk in de horeca. Van het een kwam het ander en voor ze het wisten woonden ze samen, kwam er een kind, en nog een. Het leven werd hiermee onomkeerbaar en voor je het weet zit je in een situatie waarin je jezelf niet meer herkent. ‘De weg kwijt zijn’ is wat in Bidden en vallen op groteske en humoristische wijze wordt uitgewerkt.

    Op die vreemde, warme zondagochtend in november was een heilzame wandeling naar de supermarkt het enige wat Tom Kuiper (…) zou kunnen redden. Even weg hier. Even die plastic zak van zijn hoofd halen en ademhalen. Vijftien minuten heen, de wijk en het park door, dan vijftien minuten terug. Een route en een bestemming. (…) Daar zo’n fles vers sinaasappelsap uit de koeling pakken. De lichaamsbeweging zou de whisky uit zijn bloed spoelen, het zure sap zou hem wakker bijten. Kleine doelen en kleine successen, dat zouden de handvatten zijn waaraan hij zich uit dit dal zou trekken, terug de helderheid in, zijn kop eindelijk weer uitgestoken boven zijn eigen logge vlees en verwarring. Klaar voor de dag, voor zijn kinderen en zijn leven.’

    De roman is verdeeld in zeven delen waarvan het grootste deel aan Tom is besteed, de anderen figureren als bijrollen in een film. De delen zijn op zichzelf staande verhalen waarin de levens van de zes personages, in langere of kortere vorm uit de doeken wordt gedaan. Het gedeelte over Tom beslaat twee hoofdstukken, kortweg getiteld Tom. De epiloog is voor de jonge Marokkaan die hem beroofde van zijn maagdelijkheid wat mannenliefde betreft en van zijn ijdelheid (het horloge). Op zich hebben alle uitgelichte personages iets boeiends, maar het blijven op zichzelfstaande verhalen die alleen het hoofdpersonage Tom dienen.

    Het verhaal is zeer goed geschreven, maar dat maakt niet dat het prettig om te lezen is. Het is tenenkrommend hoe ieder op zich hoge aspiraties van het leven heeft maar er in werkelijkheid niets van maakt. Van Tom wil je, zo gauw je met hem hebt kennis gemaakt, alleen nog maar af. Een mislukkeling eerstklas, maar ook zo herkenbaar. Misschien daarom wel dat het moeilijk is om door te lezen: die herkenbaarheid. Chris, een semi schrijvertje, irriteert mateloos met zijn betweterige houding en gestook en zijn vriendin niet minder, die in een soort van slachtofferschap leeft. Ook de lethargische Els zou je willen toeschreeuwen: kap er toch mee!  Ze zijn allemaal zo ongelooflijk uitzichtloos bezig dat je van ergernis het boek van je af wilt werpen om bijvoorbeeld niet te hoeven toezien hoe Tom, na de dag dat ie in elkaar geslagen is, zich naar de luchthaven laat brengen om naar Hongkong te vliegen; omdat dit nu eenmaal zo is afgesproken! Dan denk je: man man man, die leert het nooit. Kent niet het principe van ‘Boem is ho’.

    Een struggle for live-verhaal, een blindelings doorgaan tegen beter weten in. Van Straten schrijft er op intrigerende wijze over, over dat leven op de rand. Hoe erg het ook is, het kan nog erger. En dan kun je bidden om hulp of je valt. Wanneer Tom zichzelf niet meer overeind kan houden, belandt hij in een coma en een soort surrealistische wereld waar hij Daniel Craig, (007) vindt, die hem bij de hand neemt en de weg wijst. Daniel Craig, zijn voorbeeld in alles wat schittert aan kracht, evenwicht en dure horloges in een wereld van je neus achterna gaan naar een onvermijdelijke ondergang.

    Het boek is opgedragen aan Selim Lemouchi, oprichter van de band The Devil’s Blood, stadsgenoot en mede-muzikant van Van Straten, die op 33-jarige leeftijd (2014) een einde aan zijn leven maakte. Lemouchi was het tegendeel van maatschappelijk succes najagen en had niets met huisje-boompje-beestje. ‘Je duwt jezelf in een rol die niet aan je is besteed. Dat gaat een keer mis,’ is een uitspraak van Lemouchi. Waarvan de Tom in dit boek dus moge getuige.

     

     

  • Onderkoelde humor en rillingen over de rug

    Onderkoelde humor en rillingen over de rug

    Deze roman van Mathijs Deen is al eens uitgegeven in 1997 onder de titel Moeder doen. Wat uitgeverij Thomas Rap heeft doen besluiten deze nogmaals uit te geven, is onbekend, maar het is wel een heel goede zet.

    Onder de mensen vertelt het verhaal van Jan en Wil. De een een eenzame boer in het noorden van het land (noordelijker kan niet: zijn boerderij ligt direct achter de dijk), de ander een vrouw met een verleden. Jan is op zoek naar een vrouw, voor de seks, maar ook om minder eenzaam te zijn en misschien wel voor een kind. Hij worstelt met de tijd: de boel aan kant, alles op orde: de dagen duren lang, er gaan dagen voorbij dat hij zijn eigen stem niet hoort. Zijn moeder heeft voordat ze op vakantie ging twee diepvriezers met eten achtergelaten, zijn vader een magnetron. Zijn ouders verongelukken: ‘Dat is nu vier maanden geleden en Jan heeft nog niet eens één halve vriezer leeg’. Hij is echt eenzaam en wanhopig.
    Ten einde raad besluit hij een contactadvertentie op te stellen: ‘Boerenzoon zoekt vrouw. Woont alleen. 80 Ha.’

    Wil heeft heel wat onverwerkt verleden. Ze wil weg uit het Gooi, heeft een aantal therapieën achter de rug. Van de laatste therapeut moet ze van alles opschrijven in haar dagboek. Ze heeft behoefte aan een overzichtelijk bestaan op een afgelegen plek en dat daar een man bij hoort: ach. Ze reageert onder vier verschillende namen op vier verschillende manieren op Jans advertentie. Jan kiest Wil (‘Ik weet hoe het is. Bel me. Wil’).

    Twee eenzame mensen
    De eerste ontmoeting is schitterend beschreven: twee nurkse mensen die eigenlijk helemaal niet willen, maar niet anders kunnen, die om elkaar heen draaien en bijzondere conversaties met heel veel stiltes voeren.
    Het lijkt niet te klikken en zeker niet te lukken. Wil gooit de inhoud van de vriezers in zee, Jan is kwaad op haar, Wil loopt weg. Jan is behoorlijk radeloos. Hij rijdt wanhopig rond in zijn auto, steeds verder van huis. Hij wil een pornotijdschrift kopen. De  gebeurtenissen tijdens deze autorit wekken medelijden op, zijn tenenkrommend, maar ook erg hilarisch. En fantastisch beschreven.

    Wil besluit uiteindelijk toch om terug te gaan en te blijven, ze neemt de touwtjes in handen op de boerderij en laat Jan zelfs een forse verbouwing uitvoeren: er ontstaat een slaapkamer met uitzicht over de dijk naar de zee.
    Zo nu en dan lijkt er een soort van geluk te ontstaan: hoewel hun relatie moeizaam blijft, vinden ze elkaar soms in hun eenzaamheid en verlangens en lijken ze elkaar zelfs af en toe te begrijpen. Maar op andere momenten is de spanning te snijden. Deen heeft dat prachtig beschreven in korte zinnen, waardoor je de stiltes en het ijs kan voelen.

    Wil wordt zwanger. Iets wat ze niet wil, iets wat niet overzichtelijk is, iets wat heel erg raar is. Ze gelooft het niet, gelooft de huisarts niet, zegt vooralsnog niets tegen Jan.
    Ze gaan op bezoek bij Wils moeder. Voor Jan een hele onderneming die reis naar het westen. Als ze bij Wils moeder zijn, krijgen we het een en ander te horen over het verleden van Wil. Dan horen we ook Wils echte naam.
    Hun zoon wordt midden in de winter geboren: het land voor en over de dijk is oneindig wit: overzichtelijk en uitgestrekt.

    Wat een prachtroman 
    Het verhaal van Jan en Wil is echt, schrijnend, mooi, invoelbaar. Dat komt voor een belangrijk deel door Deens prettige manier van vertellen. Hij schrijft in korte, beeldende zinnen. Hij vertelt nuchter, onderkoeld, met heel veel humor, zonder dat het een echt leuk boek is. Zijn humor is vol mededogen, zeker niet kwetsend. Mooi voorbeeld is het verhaal over het interview dat Jan op de radio geeft over een storm over het Groningse platteland: ‘Heb je het gehoord? Wat moet ik gehoord hebben? Het interview. Nee, dat heb ik niet gehoord. Waarom zou ik? Wat heb je gezegd dan? Gewoon …wat er gebeurd is. Daar was ik zelf bij toch? Waarom moet ik daar dan nog naar luisteren?’

    De lezer zit direct middenin de wereld daar in het hoge noorden, in de eenzaamheid, het isolement, de wind, de kou. Het verhaal is spannend, het verhaal is schrijnend: de rillingen lopen de lezer over de rug als bijvoorbeeld de eenzaamheid van beide karakters wordt beschreven of hun leven samen. Het is ontroerend: twee gekwetste zielen die om elkaar heen cirkelen, elkaar afstoten en aantrekken.
    En om misverstanden te voorkomen: het heeft niets van een zoetsappig verhaal à la Boer zoekt vrouw, met een happy end.

    Deens stijl is al veel vergeleken met die van Gerbrand Bakker en zelfs met diens roman Boven is het stil. Die gaat immers ook over een boerenfamilie en is ook in een nuchtere, sobere stijl geschreven. Deen is echter uniek: zijn bij vlagen hilarische humor, zijn onderkoeling, de scherpere randen van de roman wijken af van die van Bakker.

    Van Mathijs Deen verschenen eerder o.a. de novellebundel Drie dagen Wenen voor twee personen en De Wadden, een geschiedenis.
    Onder de mensen is zeker een herontdekking: voor de fijnproevers!

     

  • Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Hemingway’s laatste boek, Parijs is een feest, verscheen in een nieuwe vertaling door Arie Storm, en met nieuwe hoofdstukken uit de nalatenschap, die in 2009 werden vrijgegeven door de erven van de auteur. Een prachtboek vol rake zinnen en goede verhalen over Parijs in de jaren twintig; over schrijven, skiën, eten, beminnen, paardenraces en boksen – om maar wat te noemen. Een boek vol zonlicht en zomergroen, met af en toe een blik in de afgrond waaruit Hemingway zijn herinneringen opdiepte.

    In 1922 vestigde Hemingway zich met zijn vrouw Hadley Richardson in Parijs. Hij was een journalist met literaire ambities, maar ook een ambulance-vrijwilliger die gewond, gedecoreerd en getraumatiseerd was teruggekeerd uit de Italiaanse Eerste Wereldoorlog. Hemingway werkte hard, leverde tientallen artikelen aan de krant Toronto Star Weekly, stortte zich in het Parijse leven en raakte bevriend met expat-schrijvers als Scott Fitzgerald, Ezra Pound en James Joyce, die hij ontmoette in de salon van Gertrude Stein, of in de boekhandel-met-uitleenbibliotheek van Sylvia Beach. In 1926 brak hij door met The sun also rises, een sleutelroman over drie buitenlanders die vanuit Parijs afreizen naar de stierengevechten van Pamplona. Een affaire met Vogue-journaliste Pauline Pfeffer (Ms. Hemingway 2) betekende het einde van Hemingway’s huwelijk en in 1927 waren zijn Parijse jaren voorbij.

    Jachtpartij en elektroshock
    In de decennia die volgden groeide Hemingway uit tot literaire superstar. Hij schreef meesterwerken als For whom the bell tolls, A farewel to arms, The old man and the sea en ijzersterke verhalen als die in The Snows of Kilimanjaro and other stories. Hij leefde een celebrity-leven temidden van de rich and famous, vol vrouwen (vier huwelijken), drank, meesterwerken, bestsellers, boekverfilmingen, jachtpartijen, een burger- en een wereldoorlog, zeevis- en grootwildsafari’s, auto- en vliegtuigongelukken, en een Pullitzer- en een Nobelprijs in 1954. Hij was een levende legende, op het hoogtepunt van zijn roem, maar diep ongelukkig. Hij werd gesloopt door alcoholisme, depressies en elektroshocks die niet hielpen maar wel zijn hoofd verwarden. Papa Hemingway was de weg kwijt. Almaar meer drank bood steeds minder troost en in 1961 schoot hij zich dood met zijn jachtgeweer.

    Zijn laatste jaren bleef hij maar voorttobben met een boek dat onvoltooid bleef, hoewel hij al meer dan genoeg pagina´s had. Dat boek ging over 40 jaar eerder, de jaren twintig in Parijs, toen alles nog moest beginnen. Het werd 3 jaar na zijn dood gepubliceerd als A moveable feast en tot verbijstering van de critici was het vintage Hemingway.

    Hemmingway schreef proza zonder bullshit, waarin ieder woord zijn plek kent en bijvoeglijk naamwoorden verdacht zijn. Hij beschrijft Parijs, maar niet alleen dat. Het hoofdstuk ‘Mensen van de Seine’ begint:

    ‘Er waren vele manieren om van de rue Cardinal Lemoine naar beneden naar de rivier te gaan. De kortste was recht naar beneden door de straat, maar het was er steil en je kwam, nadat je het appartementengedeelte had gehad en het drukke verkeer aan het begin van de boulevard Sant-Germain had overgestoken, op een saai gedeelte waar een saai, winderig stuk van de rivieroever was met de Halle aux Vins rechts van je. Die […] zag er van buiten even vreugdeloos uit als een militair depot of een gevangenkamp.’

    Dus neemt de schrijver een route via boekenstalletjes, waar Engelse boeken goedkoper zijn dan Franse, omdat ze zo slecht zijn gebonden. En hij vertelt over boeken die mensen achterlaten in boten, die worden opgenomen in de scheepsbibliotheek. En hij wandelt verder naar het Ile de la Cité, dat uitloopt ‘in een punt als de scherpe boeg van een schip en er was een klein park aan de waterrand met mooie kastanjebomen, sommige heel groot en zich breed vertakkend, en in de stromingen en de vergeten hoekjes van de Seine waren uitstekende plekken om te vissen.’ Waarna hij voortschrijft over de vissers en waarom hij zelf niet vist (hij moet schrijven) en over waar in het seizoen goede plaatselijke vis wordt geserveerd. En hoe triest hij is als de lente teruggeslagen lijkt te worden door voorjaarsbuien. ‘Als de koude regens aanhielden en de lente vermoordden, was het alsof er een jong iemand was doodgegaan zonder reden.’ Het gaat al met al over de Seine en zijn oevers met paradijselijke trekjes: boeken uit stalletjes, een eiland als een schip en verse vis uit de rivier. En het gaat over de oorlog (militair depot, gevangenkamp, doodgaan zonder reden). En over hoe schrijven over het ene Hemingway troostte en hielp om te schrijven over het andere.

    De jacht op de ware zin
    Parijs is een feest is een goed boek, doortrokken van nostalgie en melancholie: een boek over leven in nobele armoede en over schrijven. Hoe de schrijver met de zakken vol mandarijnen en gepofte kastanjes naar zijn koude kamer gaat, de kachel opstookt en aan de slag gaat. Schrijven tot de eerste oprechte zin er staat, alle voorafgaande onzin weggooien, en voort met het verhaal. Als glanzend gewreven kralen toont Hemingway allerlei aspecten van zijn leven in de stad ‘die van alle steden het meest te bieden heeft voor een schrijver om te schrijven’: de huurkazernes, de paardenraces, het eten bij brasserie Lipp, de bokswedstrijden in een buitenwijk, de winterse skivakanties in Oostenrijk, en gesprekken met zijn zoontje over ‘ineenstorten door de oorlog’’. Wie wil kan met het boek in de hand nog steeds door Parijs zwerven, naar de Closerie des Lilas (onherkenbaar veranderd) waar Hemingway schreef bij een café crème, of langs de Seinekades met hun boekenstalletjes (niks veranderd).

    De literatuur als slagveld
    Bij herlezing beginnen patronen op te vallen, die het boek minder Parijs jaren 20 en meer Hemingway jaren 50 maken. Minder snoer van verhalen en meer memoir. Onherroepelijk treuriger, maar beter. Een boek waarin de kiemen naspeurbaar zijn van alles wat Hemingway uiteindelijk zou slopen. Alles dat verleidelijk is, van de paardenraces tot vissen in de Seine bedreigt zijn schrijven. En Hemingway maakt in Parijs is een feest korte metten met vrijwel alle literaire grootheden waarover hij schrijft. Het oude alfa-mannetje duldde geen concurrentie. Zelfs niet van de door hem hoog geachte Gertrude Stein, ook niet van de trouwe vriend Scott Fitzgerald en zeker niet van de goeie Ford Maddox Ford, die altijd loog en bovendien uit zijn mond stonk. Uitzonderingen waren Ezra Pound (fout in de oorlog, als gek opgesloten), en de onbekende Elvin Shipman, die jong stierf en die het niet uitmaakte of zijn gedichten werden gelezen. Succes leidt tot rijkdom, en rijkdom tast je aan en zorgt dat je als schrijver geen oprechte zin meer kunt schrijven. Wie succes heeft faalt onherroepelijk. Rijken, die slepen je mee naar dure tenten waar foute mensen komen en ze verpesten je ongerepte skihellingen.

    En dan zijn er vrouwen, Zelda Fitzgerald voorop: met afschuw vertelt Hemingway dat zij haar man belemmert te werken, omdat ze jaloers is op zijn schrijverschap. Hier wordt het pijnlijk. Hemingway beschrijft ook hoe zijn vrouw Hadley een koffer met ongeveer al zijn ongepubliceerde werk verliest in de trein. En hoe hij dat verschrikkelijk vindt, maar ook dat hij haar vergeeft. Wat hij schrijft over Zelda zou bij nader inzien wel eens kunnen zijn ingegeven door Hemingway’s al dan niet bewuste vermoeden dat Hadley onbewust jaloers was op zijn schrijverschap. Het lijkt de barst in hun relatie geslagen te hebben waardoor ‘die ander’ (Pauline) er in slaagt een verhouding met hem te beginnen ‘[…] en dat was het einde van de eerste periode in Parijs, en Parijs was nooit meer hetzelfde al was het altijd Parijs […].’
    Hemingway werd nooit meer de oude, zoals ook blijkt uit de laatste zinnen van sommige hoofdstukken. Bij voorbeeld,‘Alles wat me te doen stond was gezond en goed in mijn hoofd te blijven tot de ochtend als ik weer zou gaan schrijven. In die tijd dachten we niet dat daar iets moeilijks aan was.’ Of ‘”We hebben altijd geluk”, zei ik en ik was dwaas genoeg om het niet af te kloppen. Er was overal in dat appartement hout waarop je kon kloppen.’