Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Twee huizen

    Twee huizen

    We fietsten langs de IJssel en hadden wind mee. Voor we het wisten kwam Zutphen in zicht. ‘Zullen we meteen maar langs Eefde rijden’, stelde mijn metgezel voor. Eefde, daar heeft Ida Gerhardt gewoond. Van geen dichter of dichteres ken ik meer gedichten uit mijn hoofd. Hoogste tijd voor een literaire pelgrimage.
    Thuis hadden we alvast het adres opgezocht in Dwars tegen de keer, Mieke Koenens mooie biografie van de dichteres. In 1967 verhuisde Ida, samen met Marie van der Zeyde, haar levenslange partner, van Bilthoven naar Zutphenseweg 120, Eefde. Ze was 62 en net met pensioen, afgekeurd eigenlijk.
    We zagen het huis en maakten foto’s. In Engeland zou er een gedenkplaat hebben gehangen.

    De vriendinnen hadden in Bilthoven een ruim huis bewoond maar nu moesten ze ‘concessies doen’. Voor 53.000 gulden kochten ze dit huis aan een drukke rijweg met een bushalte vlakbij en als buren ‘een druk gezin, met veel gerij af en aan (…) en veel geroezemoes van de drie jongens.’ Maar het was een vrijstaand huis, met tuin rondom, dicht bij Zutphen en Deventer en vooral dichtbij de IJssel en haar uiterwaarden. Er waren bossen vlakbij om te wandelen en te vogelen. Een ‘burgerhuisje’, aldus Ida, waar veel aan moest worden opgeknapt. Niet dat Ida en Marie veel eisen stelden: het huis ‘werd uiterst sober en spaarzaam gemeubileerd’ en ‘een blind paard kon er absoluut geen kwaad  doen’, aldus de biografe.

    Het huis heeft aardige luiken en in de achtertuin staat een uitbouw die nieuw lijkt. De tuin is erg open, met een laag muurtje langs het trottoir. Ooit lieten Ida en Marie de heg die daar stond ‘enorm uitdijen, waardoor verkeer op de Teenkweg (…) geen goed uitzicht meer had.’ Er kwam een ongeluk van en de heg werd gesnoeid. Er staat een mooi boompje dat er vast al stond in Ida’s tijd. Ik raapte een verkleurd blaadje op om mee naar huis te nemen.

    Het was een markant koppel waar de buren mee te maken kregen. ‘Ze vielen nogal uit de toon door hun vergeestelijkte levenswijze en raakten snel geïrriteerd door muziekmakende of rondlummelende buurjongens. Zo nu en dan waren ze verwikkeld in ruzietjes (…)’.
    Ze hadden het er niet slecht: veel omwonenden waren behulpzaam en hielden zo nodig een oogje in het zeil, bijvoorbeeld als Ida en Marie de zomer in Ierland doorbrachten. Met Oudjaar brachten buren ‘een royale portie appelbeignets en kinderen kwamen een mandarijntje halen: een dorps en huiselijk geheel’, aldus Ida.

    Hier heeft het paar hopelijk de idylle genoten die Ida beschrijft in ‘Zondagmorgen’ (een gedicht overigens van nog voor de verhuizing):

    Het licht begint te wandelen door het huis
    en raakt de dingen aan. Wij eten
    ons vroege brood gedoopt in zon.

    Tot augustus 1992 – Marie was in 1990 gestorven – bleef Ida hier wonen. De laatste jaren waren buitengewoon zwaar doordat ze lichamelijk en geestelijk aftakelde. Eenzaam en vrijwel blind; wanen en hallucinaties; ‘aanvallen van paranoia en zelfs psychoses’. Ze was altijd al een moeilijke, argwanende en soms agressieve vrouw geweest. Ze verhuisde naar een verpleeghuis. Haar werk was gedaan.

    In de Eefdese periode verschenen onder meer De ravenveer, Vijf vuurstenen,  Het sterreschip, De zomen van het licht en De adelaarsvarens. Haar vroege bundels werden samengebracht in Vroege verzen en haar Verzamelde verzen verschenen. Haar faam groeide en de waardering voor haar werk steeg meer en meer. Ze verdiende de Nobelprijs, aldus Hans Warren.

    Als schutterige bewonderaars stonden we daar op de stoep. Zo’n tweemans-herdenking heeft iets onbeholpens, want je kunt moeilijk bloemen leggen bij een huis waar inmiddels iemand anders woont.

    Vanuit dit huis schonken Ida en Marie, gezamenlijk dit keer (Marie had zelf ook het nodige gepubliceerd, onder meer twee hagiografische studies over haar vriendin) iets heel bijzonders aan de Nederlandse literatuur. In 1972 verscheen, onder auspiciën van zowel het protestantse Nederlands Bijbelgenootschap als de Katholieke Bijbelstichting, hun psalmvertaling. Marie en Ida hadden er sinds 1966 aan gewerkt. Ida had er Hebreeuws voor geleerd. De eerste tien proeven van hun vertaalwerk verschenen in 1967, het jaar van de verhuizing, in het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Dat de psalmen Ida Gerhardt dierbaar waren, lijkt me niet alleen een kwestie van vroomheid en dichterlijke bewondering. Veel psalmteksten zijn klachten en verzuchtingen, tirades tegen vijanden, uitingen van wraakzucht aan het adres van ‘bozen’, ‘spotters’, ‘belagers’, ‘schenders’, ‘vervolgers’, ‘haters’, ‘verstoorders’, ‘kwellers’, ‘ontrouw volk’ dan wel ‘slinksen’. Dat is een toon die ze moet hebben herkend als de hare. De psalmen waren haar op het lijf geschreven, arme vrouw.

    De volgende psalmverzen, drie uit ontelbaar vele, sluiten volkomen aan bij Ida Gerhardts geharnaste houding tegenover haar medemens, zoals we die ook in talloze gedichten tegenkomen en waarvan de biografie voorbeelden geeft die bar en boos zijn.

    Heer, mijn belagers – hoè talloos,
    talloos, gekant tegen mij (psalm 3)

    Hoe hébben ze mij van mijn jeugd af bekneld,
    maar ze hielden géén macht over mij (psalm 129)

    Hoe smadelijk verslagen weldra
    mijn vijanden alle tesamen (psalm 6)

    Vanaf het begin waren er bezwaren tegen het archaïsche en ‘statige’ Nederlands. Maar bewondering, lof en blijdschap waren er veel meer. Het werd een komen en gaan van geleerden en  bewonderaars daar aan de Zutphense Weg 120, onder wie theologen, hebraïci en bijbelspecialisten en ook Kees Fens en Huub Oosterhuis, beiden al spoedig pleitbezorger van opname van hun vertaling in de op stapel staande nieuwe Willibrordvertaling. En dat gebeurde ook. (Later werden ze tot Ida’s tomeloze woede vervangen). Ze heeft naderhand nog heel wat truitjes gebreid voor de kleine Trijntje.

    En er gebeurde nog iets. In de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie werd er gewerkt aan een ‘Nederlandstalig getijdengebed’. Een werkgroep van benedictijnen en trappisten had deze taak op zich genomen. Ze wilden de vertalingen van Huub Oosterhuis gebruiken, maar dat waren er slechts 50 en hij kondigde aan de klus niet te zullen afmaken. De monniken benaderden nu Ida en Marie. Die waren verrukt over deze belangstelling. Ze logeerden al sinds jaar en dag regelmatig in kloosters. Natuurlijk was er meteen ook argwaan: ‘Mogen wij u dringend verzoeken om de reeds gekopieerde (…) psalmen in geen geval uit handen te geven (…)? Men weet immers nooit, langs welke wegen een tekst dan kan gaan, en wat er allengs mee kan gebeuren.’

    Alle 150 psalmvertalingen werden uiteindelijk door de componisten van de werkgroep op muziek gezet. Mocht u eens in de gelegenheid zijn een gebedsdienst bij te wonen in een klooster waar deze vertaling in gebruik is, dan zult u getuige zijn van de triomf van deze twee uitzonderlijke vrouwen, Ida en Marie. Dag in dag uit, meerdere malen per dag, worden daar hún psalmen gezongen. Allemaal. Jaar in jaar uit. Inmiddels alweer enkele decennia achtereen.

    We moesten verder. Zutphen lokte. We wilden voor de bui thuis zijn en het werd tijd voor borrels en bitterballen. In gedachten declameerde ik de beginregels van een van haar allermooiste gedichten, Onder de Brandaris:

    Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.
    Hij die er slapen wil hij zal er waken.

    Haar leven lang ervoer Ida Gerhardt het aardse bestaan als een ‘huis van duizend vrezen’. Telkens weer voelde ze zich genoodzaakt de strijd aan te binden met kwaadwilligheid, tegenwerking en miskenning. Ze kon een lastpost en een rare snijboon zijn en ze was de grootste Nederlandse dichter van de vorige eeuw. Dit jaar, op 15 augustus, is het twintig jaar geleden dat ze stierf.

     

     

  • Gepassioneerde discussies

    Gepassioneerde discussies

    De boezemvrienden Alessio Mainardi en Tarquinio Masséo leven in een eigen wereldje, zoals je wel vaker ziet bij scholieren van een jaar of zestien, zeventien. Ze fantaseren over het bestaan en richten hun omgeving in naar eigen maatstaven. Ze dopen de Piazza del Duomo om tot Parasang en gebruiken bijnamen voor klasgenoten en leerkrachten: zesjeskoningin, signora Formica, kikker, vroedvrouw. Het pension waar ze tijdens hun schooltijd wonen, is ‘protectoraat’, de gemeenschappelijke zitkamer ‘kamp’ en hun bedden ‘tent’. Hun universum is klein en overzichtelijk, gesitueerd in het centrum van het Siciliaanse stadje Siracusa, maar hun gesprekken gaan over wereldproblemen, literatuur en, onafwendbaar, de actuele politieke situatie in Italië. Mussolini is aan de macht, het fascisme drukt een zwaar stempel op het openbare leven, ook op ieders persoonlijke omstandigheden. Dit zijn de ingrediënten van Il garofano rosso uit 1948, door de Siciliaanse schrijver en criticus Elio Vittorini. Het werk is zojuist in een Nederlandse vertaling verschenen in de serie Cossee Century: De rode anjer. 

    Feuilleton
    Vittorini wordt in beschouwingen over de Italiaanse literatuur geprezen om zijn pogingen het ‘modernisme’ te verbreiden in de romankunst en poëzie, maar De rode anjer is een conventionele, burgerlijke roman over een korte episode uit het leven van Alessio Mainardi: een paar maanden op de middelbare school. En bepaald geen modernistisch meesterwerk. Het boek is samengesteld uit een reeks feuilletons die midden jaren 1930 werden afgedrukt en daar draagt het de sporen van. Sommige hoofdstukken worden verteld door de ik-figuur Alessio, andere bestaan uit fragmenten van dagboeken of brieven, soms geschreven door Alessio, soms door zijn vriend Tarquinio. Dat gaat ten koste van het ritme en de continuïteit.

    Ondanks de aanbevelingen die de uitgever op het omslag heeft afgedrukt: simpelweg geniaal en alsof Pirandello en Garcia Lorca elkaar de hand hebben geschud, valt nauwelijks te begrijpen hoe de hoofdpersoon zich verhoudt tot het fascisme. In bepaalde hoofdstukken prijst Alessio het fascisme vol trots aan als ‘revolutionair’ en ‘anti-burgerlijk’, beter dan het communisme, op andere momenten dweept hij met communisten als Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg en spreekt hij vol minachting over Giacomo Matteotti, de socialistische parlementariër die door Mussolini’s knokploegen in 1924 werd vermoord. Was het de bedoeling van de schrijver de ambivalentie van een jeugdige hemelbestormer te illustreren?

    Misschien weerspiegelt De rode anjer eerder het politieke opportunisme van de schrijver zelf. Als actief lid van de fascistische partij had hij direct te maken met Mussolini’s censuur: sommige hoofdstukken werden verboden. Nadat hij uit de partij werd gesmeten omdat hij zich uitsprak tegen Franco en zijn rol in de Spaanse burgeroorlog, heeft hij de nodige verwarring gesticht over de precieze redenen van de censuur. Werd zijn werk gezien als pornografisch? Daar is in deze versie geen enkele grond voor. Als politiek incorrect? Dat zou kunnen, want tot op de dag van vandaag wordt er in Italië getwijfeld of de schrijver politiek gezien wel zuiver op de graad was.

    Vrouwen
    Aanleiding voldoende. De vrienden van Alessio, allemaal scholieren, discussiëren over de mogelijkheid tot invoering van een Wetboek van de Liefde, waarin de doodstraf staat op prostitutie en overspel. Voor jongens moet er een internaat komen waar ze zich door relaties met beschikbare vrouwen kunnen voorbereiden op het huwelijksleven. Een ‘hygiënische maatregel’, zoals wordt opgemerkt. De vrouwen in het internaat zijn geen courtisanes, want ze mogen zelf hun jongens uitkiezen. Op een bepaalde leeftijd heeft de man behoefte zich aan een vrouw te onderwerpen, en wie daar niet aan toegeeft zal daar later berouw van hebben. Is het Wetboek van de Liefde een stokpaardje van Vittorini of is dit een weergave van de gangbare fascistische beginselen? Hoe dan ook, de schrijver neemt er op geen enkele manier afstand van.

    Vrouwen en prostitutie vormen de kern van De rode anjer. Alessio krijgt de bloem van Giovanna, het schoolmeisje op wie hij hopeloos verliefd is. Maar hij laat de anjer op zeker moment achter bij Zobeida, de hoer op wie zijn vriend Tarquinio verliefd is. Beide jonge vrouwen lopen in elkaar over, zoals de beide vrienden ook verwisselbaar lijken te zijn. Giovanna is voor Alessio onbenaderbaar, want ze heeft zich aan Tarquinio uitgeleverd. Alessio vindt troost bij Zobeida. Was jij ook maar Giovanna, zegt hij tegen haar. Kom we gaan!, zegt Tarquinio aan het slot van De rode anjer tegen Alessio. Je moet het niet erg vinden dat ik zo met Giovanna omga. Jij had tenslotte alleen met haar gekust. Heb jij die andere niet gehad?

    Waarom de uitgever dit curieuze boek nu heeft laten vertalen, mogen we raden. Barbara Kleiner is gevraagd om in een nawoord een rechtvaardiging te schrijven; wat haar specifieke deskundigheid zou zijn wordt in het duister gelaten. Ze prijst de vitaliteit van de schrijver. Met een verbluffend gevoel voor intuïtie streefde Vittorini zijn leven lang (…) maar naar één ding: praktische en intellectuele vitaliteit. Wat dit veelzijdige leven en werk in wezen bindt, gaat ze verder, is die onmiskenbare, instinctieve hang naar vitaliteit. Veel dure woorden zonder betekenis. Wie mocht aarzelen over de kwaliteiten van De rode anjer wordt streng terechtgewezen. Het boek is volgens haar een uniek tijdsdocument voor een typisch Italiaanse variant van het fascisme: een links fascisme met sterk anarchistische trekken. En dus… dat maakt verdere rechtvaardiging overbodig. 

     

     

  • Geloven in Amerika

    Geloven in Amerika

    Zelden heeft een schrijver zo veel prijzen gewonnen met een relatief zo klein oeuvre als Marilynne Robinson: ze schreef vier romans, die alle vier bekroond werden met meerdere prestigieuze onderscheidingen, waaronder de Pulitzer Prize for Fiction in 2005 en de National Book Critics Circle Award. In 2013 mocht ze uit handen van president Obama de National Humanities Medal ontvangen ‘for her grace and intelligence in writing.’ En in haar laatste werk, De gegevenheid der dingen, is de transcriptie opgenomen van een gesprek tussen Obama en Robinson, dat tot stand kwam op verzoek van Obama, die ‘gesprekken met mensen zou gaan voeren die ik echt graag mag, […] en jij was de eerste in de rij, […]’. Zo veel aanprijzingen maken vooral die lezers nieuwsgierig die nooit eerder iets van haar gelezen hebben. Haar laatste boek lijkt dan een goede keuze om mee te beginnen.

    Essayistische beschouwingen
    De gegevenheid der dingen is een verzameling essays die de weergave zijn van de lezingen die ze gegeven heeft in de afgelopen tijd aan een aantal universiteiten in Amerika. Het zijn essays die zich bezighouden met de twee zaken die Robinson zowel intellectueel als emotioneel lijken te beheersen: Amerika en het Christendom. Met titels als ‘Ontwaken’, ‘Neergang’, ‘Angst’ en ‘Bewijzen’ gaat ze de strijd aan die al eeuwenlang gevoerd wordt: die tussen religie en wetenschap. In een lenig proza en met overtuigende argumenten schaart Robinson zich overduidelijk aan de kant van de religie: ze voert aan dat intellectuelen die er oprecht voor uit komen in God te geloven, door wetenschappers steeds meer aan de kant worden geschoven als niet ter zake doende. De natuurwetenschappen zouden de strijd gewonnen hebben ten nadele van de geesteswetenschappen zoals cultuur, geschiedenis, filosofie, muziek. Robinson pleit voor het bewaken van een eigen identiteit vanuit intellectuele vrijheid en voor het opnieuw voorop stellen van de waarden van de mens boven de economische waarden.

    Geïnspireerd door Puritanisme
    Om tot deze conclusie te komen, laat Robinson zich al haar hele leven inspireren door het Christendom en dan vooral het Puritanisme, naast Amerika en Shakespeare haar grootste bronnen: ‘Ik buig voor niemand waar het gaat om mijn liefde voor Amerika en voor het Christendom. Ik heb mijn leven gewijd aan de bestudering van beide. Ik heb getracht mijn band met beide eer aan te doen.’ Dat blijkt ook uit haar werk: niet voor niets draagt het eerste essay de titel ‘Humanisme’ en het tweede ‘Reformatie’ en gaat het derde, ‘Gratie’ over Shakespeare’s Hamlet. Het zijn zeer erudiete, goed doorwrochte betogen. Maar het lezen wordt moeilijker naarmate Robinson meer voor eigen parochie gaat prediken: Amerika en Europa verschillen heel veel van elkaar wat betreft de invloed en de doorwerking van religie op de maatschappij: waar Amerika zich ook in de politiek en het dagelijks leven veelal laat leiden door de Schrift, heeft Europa daar in veel dingen afstand van gedaan en wordt er voorrang verleend aan de ratio.

    Calvijn

    Robinson veronderstelt een parate kennis bij de lezer, gelijk aan die van haarzelf, over specifieke onderwerpen als bijvoorbeeld Johannes Calvijn – die ze haar ‘persoonlijke heilige’ noemt – en het protestantisme, waardoor ze niet de moeite neemt iets uit te leggen of nader aan te duiden. Voor veel Amerikanen zal dat misschien inderdaad niet nodig zijn, maar voor lezers daarbuiten is het geen overbodige luxe om het boek van een aantal voetnoten te voorzien. De beste essays zijn dan ook die waarin meer algemene onderwerpen aan de orde komen, zoals de historische figuur van Christus, die immers voor zowel protestanten als katholieken van belang is.

    Moeilijk doordringbare tekst

    De gemiddelde lezer mag de benodigde intelligentie toegerekend worden die een vereiste is om aan dit boek te beginnen, maar het is onzin om er vanuit te gaan dat wij allen op hetzelfde intellectuele en universitaire niveau zouden staan als Robinson, zeker waar het een religieus of historisch perspectief betreft. Dat maakt het vaak noodzakelijk om iets op te zoeken, de betekenis ervan te ontdekken en er over na te denken; op zich geen onprettige bezigheden, maar het vertraagt het lezen op een hinderlijke manier. Ook verlopen de zinsconstructies in de tekst niet altijd even soepel, waardoor het lezen soms een zoektocht wordt tussen de diverse bijzinnen, alsof je gevangen zit in een spinnenweb, maar of dat aan de auteur of aan de vertaler ligt, blijft altijd de vraag.

    Amerika verlaagd
    Naast het Puritanisme wordt ook de tweede pijler van de essays, Amerika, niet beschreven voor de lezers van het oude avondland Europa, maar voor de Amerikanen zelf. Robinson weet precies de vinger op de zere plek te leggen als ze in het essay ‘Realisme’ stelt dat Amerika geen trots meer heeft en slecht over zichzelf denkt: het zou geen cultuur hebben, geen eenheid kennen, geen oude tradities hebben om op terug te vallen zoals Europa. Amerikanen zouden zichzelf vanuit een minderwaardigheidsgevoel te veel verontschuldigen voor hun vermeende gebrek aan beschaving. Robinson ontkracht dit denkbeeld in wat een van de beste essays blijkt te zijn, en noemt Emily Dickinson en Walt Whitman als voorbeelden die het tegendeel bewijzen.

    Wat ze Amerika wel verwijt, is het feit dat het zich schuldig heeft gemaakt aan het in stand houden van de slavernij, wat volgens haar de oorzaak is van de grootste problemen die Amerika nog altijd kent. Ook spreekt ze zich uit tegen de wet die elke Amerikaan toestaat een wapen te bezitten en het te gebruiken: ‘En ik neem Jezus’ leringen uiterst serieus, in dit geval waar hij zegt dat zij die leven door het zwaard ook door het zwaard zullen sterven.’

    Basis democratie
    Robinson registreert problemen en vraagstukken, probeert verklaringen te zoeken, belicht een onderwerp van alle kanten, en komt daarbij steeds terug op de Bijbel en op de geschriften van Calvijn als het gaat over wat het betekent een mens te zijn in onze tijd, zoals de ondertitel van het boek luidt; een ietwat vreemde titel als je bedenkt dat drievierde van de essays handelen over onderwerpen uit de geschiedenis. Maar Robinson weet aan te tonen hoezeer dat verleden nog steeds doorwerkt in het heden. De teneur van haar essays is optimistisch: ondanks alle angst en onzekerheid, is de mens het waard om moeite voor te doen en mensen willen in essentie ook het juiste doen, volgens Robinson: ‘de basis van democratie [is] de bereidheid […] om het beste van andere mensen te denken.’

    Gewone mensen
    Het gesprek met president Obama – dat een belangrijke aanvulling op de essays vormt – gaat vanzelfsprekend ook over Amerika: Obama wilde praten met ‘gewone mensen over de bredere culturele krachten die onze democratie en ideeën sturen en onze houding bepalen tegenover het burgerschap en de richting die dit land in zou moeten slaan.’ Had hij hierbij nog Calvijn genoemd of het Puritanisme, dan had hij met bovenstaande formulering exact aangegeven waar De gegevenheid  der dingen over gaat. Bovendien had hij geen betere gesprekspartner kunnen vinden.

     

     

     

     

  • Portret van een huwelijk

    Portret van een huwelijk

    De aantrekkelijkheid van het lezen van een biografie wordt onder meer gevoed door de interesse van de lezer – of misschien wel zijn fascinatie – voor de geportretteerd(n). Maar Bordewijk, vooral bekend van Karakter en van zijn fascinatie voor namen (voor-, achter- en straatnamen), schermde zijn privé-leven af tot in het extreme. Dat ging niemand iets aan, je moest hem via zijn schrijverschap leren kennen vond hij. Elly Kamp toont in deze biografie aan dat veel van Bordewijks werk voortvloeit uit wat hij in zijn privé-leven meemaakte, maar dat het voor haar bijna ondoenlijk was om feit en fictie in zijn werk te scheiden omdat hij zo’n grote verbeeldingskracht bezat.

    Kamp houdt daarom heel vaak een slag om de arm. Ze gebruikt veel beschrijvingen als ‘misschien’, ‘waarschijnlijk’ of ‘naar het lijkt.’ De persoon Bordewijk komt daardoor niet echt tot leven in deze biografie.

    Haar keuze om ook het leven van Johanna, de vrouw van Bordewijk, mee te nemen en een dubbelbiografie te schrijven waarin ook hun huwelijk een belangrijke plaats inneemt, is een goede. Zo ontstaat een boeiend portret van een kunstenaarsechtpaar, – Johanna is componiste- waar de liefde voor elkaar en voor de kunsten groot is. Bordewijk (ver)stopte kleine boodschappen voor Johanna in zijn boeken. En al zijn vrouwelijke (hoofd)personen kregen voornamen die eindigden op een a, volgens de biografe als eerbetoon aan Johanna. Je moet er maar op komen.

    Schrijver – en advocaat – Ferdinand (1884-1965) en Johanna (1892-1971) zijn in karakter en sociaal opzicht elkaars tegenpolen, in cultureel opzicht elkaars maatjes. Ferdinand was een stijve, formele, introverte, geremde, sombere en ontoegankelijke man. Johanna was aardig, charmant, spontaan, opgewekt en extravert. Beiden hadden veel gevoel voor humor, maar waar Johanna in een spontane lachbui kon uitbarsten, ‘vangen we bij Ferdinand niet meer op dan een glimp van een glimlach’. Hun relatie was goed en werd gekleurd door hun bondgenootschap in de kunsten. Ze beoordeelden elkaars werk voordat het naar buiten werd gebracht en ze hebben twee keer gezamenlijk een werk gemaakt: een opera (Rotonde in 1941) en een declamatorium (Plato’s dood in 1949). Zij waren elkaar tot grote steun, vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen hun werk de nodige kritiek ondervond en commercieel succes uitbleef. Pas eind jaren dertig en na de oorlog kwam de waardering.

    Antipathie tegen Joden
    In het werk van Bordewijk is zijn grote antipathie tegen Joden opmerkelijk. Kamp beperkt zich tot het vermelden ervan. Zo schrijft ze dat Bordewijk vindt dat de Joden tot een ander ‘ras’ behoren, met specifieke eigenschappen en uiterlijke kenmerken, waarover onbekommerd grappen gemaakt zouden mogen worden. Ze betoogt dat bepaalde antisemitische passages in bijvoorbeeld In de laatste eer over Querido’s grafrede, uit 1935, ‘in de tijd’ moeten worden geplaatst. Volgens haar ‘wordt die niet als antisemitisch beschouwd of dat wordt er niet in gelezen.’ In die tijd werd dat als betrekkelijk normaal gezien. Na de oorlog publiceert Bordewijk twee romans, Noorderlicht (1948) en De Doopvont (1952) waarin Joden voorkomen en de hoofdpersoon een antisemiet is. En ook in Bloesemtak uit 1955 speelt de verhouding tussen joden en niet-joden een belangrijke rol.

    Voor Renate Rubinstein voldoende reden om Bordewijk antisemitisme te verwijten. Kamp vindt echter dat Rubinstein dit nergens hard maakt,  maar gaat er zelf ook niet verder op in en neemt geen stelling.

    In het licht van de holocaust is het uiterst merkwaardig dat Bordewijk in zijn naoorlogse romans geen blijk geeft daar enig besef van te hebben. Cynisch gesproken: zijn antipathie tegen Joden lijkt niet te hebben geleden onder de oorlog. Later, in 1965, neemt Bordewijk publiekelijk afstand van zijn grove beschrijving van Joden en verwijdert hij De Joodse cel uit zijn selectie Fantastische vertellingen.

    Kamp beschrijft dat allemaal getrouw, maar verbindt er geen conclusies aan. Ze lijkt niet goed te weten wat ze ermee aan moet. Naar de redenen van zijn antipathie tegen Joden blijft het overigens gissen, maar van een biografe mag je verwachten dat ze over een dergelijk onderwerp duidelijkheid verschaft, inzicht geeft in de achtergronden en de oorsprong.

    Johanna had volgens Kamp ‘een scherp moreel kompas’, maar ze lijkt zich niet met Bordewijks houding jegens de Joden bemoeid te hebben, althans dat wordt niet vermeld. Kamp had dit moeten uitdiepen, nu ‘scheert’ ze er alleen maar over heen. Of Bordewijk heeft dit ook succesvol ‘ommuurd’…

    Johanna
    Als componiste is Johanna een autodidact, die zich in de jaren twintig van de vorige eeuw toelegt op het componeren van moderne muziek. In het begin krijgt ze daar weinig waardering voor, maar in de jaren dertig, wanneer de componist en dirigent Eduard Flipse (1896-1973) haar onder zijn hoede neemt, komt de aandacht voor haar werk in een stroomversnelling. Haar muziek wordt steeds vaker uitgevoerd en de waardering groeit, met name in en vlak na de oorlog.

    Tegenwind ondervindt ze wanneer ze na de oorlog lid wordt van de Ereraad voor muziek, die collega-musici die fout zijn geweest in de oorlog moet vinden en veroordelen. Dat wordt haar niet in dank afgenomen en leidt zelfs enige tijd tot een boycot van de uitvoering van haar werk.

    In de loop van de jaren vijftig begint Johanna geestelijk uit balans te raken. Zij zoekt spiritueel naar de zin van het leven. Ferdinand is voor haar een onvoorwaardelijke steun, maar voor Johanna is dat niet genoeg. Haar componeren lijdt er onder, in 1961 schrijft ze haar laatste werk.

    Maar aan waardering geen gebrek: in 1960 wordt ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, in 1962 wordt ze samen met de componisten Hendrik Andriessen en Oscar van Hemel gehuldigd ter gelegenheid van hun 70ste verjaardag.

    Waardering
    Ferdinand Bordewijk is niet de meest interessante figuur voor een biografie, maar door Johanna wordt het interessanter. Ferdinand is een saaie man, die zijn privé-leven sterk afschermde. En zijn biografe slaagt er maar ten den dele in tot hem door te dringen. De vraag waarom Ferdinand zo’n hoge muur optrok om zich te beschermen beantwoordt ze ten dele. Over de antipathie van Ferdinand tegen Joden weet ze geen uitsluitsel te geven. Dat is onbevredigend.

    Waar het gaat om het portret van hun huwelijk is het een mooie biografie, vooral omdat beiden hebben geleefd voor hun kunst, en ze ondanks hun grote verschillen tot aan Bordewijks dood gelukkig met elkaar zijn gebleven.

     

  • Vergeet niet naar de sterren te kijken

    Vergeet niet naar de sterren te kijken

    Er zijn boeken die je meteen het verhaal inslepen en je bij de strot grijpen. Er zijn er die je vanaf het begin een duidelijke verhaallijn in handen geven. Niets daarvan bij Iets ter grootte van het universum van de IJslander Jón Kalman Stefánsson. Dit is een boek dat je denkt te moeten veroveren, tot je het heft uit handen geeft en het ineens jou verovert.

    Al snel is duidelijk dat de roman een IJslandse familiegeschiedenis over meerdere generaties is. Maar Stefánsson maakt het je niet gemakkelijk om grip te krijgen op de gebeurtenissen en zijn personages. Ja, er is een stamboom achterin die enig houvast geeft voor de dramatis personae, maar die zegt niets over de onderlinge relaties en verwikkelingen. Hij roept zelfs al de eerste vragen op: waarom hebben Ari’s biologische moeder en zijn stiefmoeder geen naam? Waarom staat Ari’s grootmoeder van moeders kant als n.n. aangegeven?

    Stenmark
    In de roman springt Stefánsson heen en weer door de 20ste eeuw, met als vaste aanlegplaatsen de ‘oude tijd’, de jaren ’60, de jaren ’80 en ‘nu’. Verhaallijnen worden ineens onderbroken door andere of zelfs voortgezet in een heel andere tijd, als wordt voortgeborduurd op een herinnering. Onooglijke feitjes krijgen later ineens een betekenis die je eerder niet had vermoed.

    Stefánsson gebruikt daarnaast nauwelijks aanhalingstekens waardoor je af en toe niet meer goed weet wie er eigenlijk aan het woord is: lees ik hier wat de betrokkene zelf vertelt of is het de verteller die het verhaal doet over die eerste persoon? Die verteller…: hij staat dicht bij één van de hoofdpersonen en kent hem al dertig jaar, blijkt ergens. Maar we zien vrijwel niets van die ik-figuur. We weten zelfs niet of het een man of vrouw is.

    En tenslotte zijn er de raadselachtige hoofdstuktitels als ‘God is een oude teddybeer’, ‘Hebben Ian Rush en Ingemar Stenmark de sterren bereikt?’en ‘Hij leest cognac, drinkt verhalen – nacht’.

    Maar verdorie – wat is het een wondermooi boek!

    Hoe de feiten en feitjes, waarin je lezersantenne aanvankelijk vastigheid zoekt, precies liggen, wordt steeds minder belangrijk. Stefánsson is geen schrijver van belevenissen, maar van belevingen. Hij tekent sferen, gedachten, innerlijke worstelingen, de pijn van een relatie tussen vader en zoon waarin vooral wordt gezwegen (en af en toe een ferme klap wordt uitgedeeld), de vervreemding tussen een visser en zijn vrouw die in het geheim gedichten schrijft en publiceert, het verdriet van een moeder die haar kind verliest, een man die zijn grote liefde, de visserij, niet kan overbrengen op zijn kinderen. En dat alles in prachtig poëtische zinnen en aangrijpende scènes.

    Teddybeer
    Zoals het bezoek van Ari aan zijn vader Jacob in het ziekenhuis. Vader en zoon hebben elkaar drie jaar niet gezien.

    Ze hebben allebei behoorlijk lang geleefd, ze hebben het een en ander gelezen, Ari is redelijk goed thuis in Kierkegaard, heeft een enorme hoeveelheid romans gelezen, hij weet hoe ver het naar Pluto is, hoe een zwart gat ontstaat, en Jakob weet het zijne, hij heeft ruim zeventig jaar geleefd, heeft de wereld zien veranderen, mannen de maan zien veroveren, en toch staan ze daar, tegenover elkaar, en ze hebben geen idee wat ze moeten zeggen, hun valt niets in, alsof ze beiden experts in het zwijgen zijn, gekomen om elkaars boeken te vergelijken.

    De herinnering van Ari gaat terug naar de tijd dat zijn (biologische) moeder stierf. Toen had hij, 5 jaar oud, met haar en zijn vader, nauwelijks 30, zij aan zij voor het ziekenhuisraam naar de maan staan kijken ‘twee maanden voordat Neil Armstrong en Buzz Aldrin op haar oppervlak hupten, alsof ze bang waren dat de maankorst zou barsten’. Een van de weinige dingen die Ari zich van zijn moeder herinnert is dat zij daar voor dat raam zei: ‘Nu gaat het universum door ons drieën heen en daarom zullen we altijd één zijn.’ Het zijn

    de enige woorden van haar die hier op het aardoppervlak zijn achtergebleven, en vijfenvijftig jaar lang heeft hij ze op een veilig plekje in zijn geheugen bewaard, ze er ontelbare malen uit gehaald als kostbare robijnen of als een oude teddybeer om mee te slapen.

    Deken
    Er is veel kosmos aanwezig in deze roman – zie ook de titel. Dat biedt een ander prachtig tafereel waarin het dagelijkse leven op IJsland, vol van hard werken, gefnuikte idealen, liefde, eenzaamheid, dood, op een volkomen natuurlijke manier wordt doorgetrokken naar de bescheiden plek die we in het universum innemen.

    De sterren vormen ontelbare sterrenbeelden en hun namen hebben hun wortels in de oude beschaving van de mensheid, in oude verhalen, en voor degene die de verhalen kent verandert de nachthemel in een reuzegroot boek. Daarom keek de moeder van Ari’s stiefmoeder vaak naar de sterren toen ze er nog de ogen voor had, toen ze beduidend meer van de hemel zag dan haar eigen vingers.

    De moeder van Ari’s stiefmoeder deed haar leven lang haar werk. Maar als ze ’s avonds in de deuropening haar broodmagere armen over elkaar sloeg om naar de sterren te kijken, vergat ze alles om haar heen. Ze kwam pas weer bij zinnen als iemand haar een duw gaf. Maar soms werd ze zo door de sterrenhemel overweldigd dat ze het huis verliet en in de velden ging zitten kijken.

    Ze vergat dat het koud was, dat de koude poolwind door haar heen ademde, zonder overjas, blootshoofds, zonder handschoenen, zo mager dat de kou niet veel tijd nodig had om haar te doorboren. Mama is buiten, zei iemand als haar afwezigheid werd ontdekt (…) en haar man, een gezette, zwijgzame man, mompelde dan iets wat klonk als ‘alweer dat stompzinnige gedoe’, en hij pakte een wollen deken, een muts, ging naar buiten om haar te zoeken, vond haar in de duisternis, onder de sterrenhemel, legde de deken over haar magere schouders, streek heel eventjes over haar hoofd, zo snel dat je het misschien verkeerd had gezien, voordat hij de muts over hoofd trok. Dan stond hij een ogenblik naast haar en keek ook. Vervolgens ging hij weer naar binnen.

    Zachtjes
    Iets ter grootte van het universum is een vervolg op Vissen hebben geen voeten (op Literair Nederland besproken door Vic Veldheer). Hoewel het op dat eerste deel aansluit is het zeer goed afzonderlijk te lezen.

    In het Nederlands verscheen van Stefánsson eerder al de IJslandtrilogie bestaande uit Hemel en hel, Het verdriet van de engelen en Het hart van de mens (waarin de hoofdfiguur ook al naamloos blijft).

    Menig lezer zal niet alle touwtjes aan elkaar kunnen knopen als hij Iets ter grootte van het universum dichtslaat, maar dat doet niets af aan de werking ervan – dichtslaat is trouwens niet het goede woord. Dit boek vouw je dicht. Zachtjes. Je strijkt nog eens over de kaft. En blijft even verwijlen in de dromerige poëzie van een groot schrijver.

  • Grensverleggende poëzie en poëtica

    Grensverleggende poëzie en poëtica

    Literatuur op internet, essayist Hans Groenewegen – die er beslist geen tegenstander van was – noemde het verschijnsel een onderwereld, zo meldt Samuel Vriezen in zijn inleiding van Netwerk in eclips. De titel van zijn boek benoemt die literaire wereld eveneens als een onofficiële, als een die ondanks de interesse van talloze lezers (ver)duister(d) is. Er kleeft iets inferieurs aan literatuur op internet doordat iedereen er zijn zegje kan doen en serieus wordt genomen. Dat er geen poortwachters zijn in de gedaante van een redactie is wel het opvallendste verschil met de werkwijze bij vertrouwde media als tijdschriften en kranten. Geen reden om het fenomeen te kleineren. Integendeel, elke zons- of maansverduistering is het waard om in de gaten te worden gehouden.

    Internet poëtica
    Het blog Vriezen vindt (2006-2013) – waar Netwerk in eclips de neerslag van vormt – bevat maar liefst 120.000 woorden aan ‘posts’ en 100.000 aan reacties. Ook slibden er creatieve teksten aan waarmee de site een publicatiemogelijkheid bood voor poëzie die zelden of nooit in literaire bladen als Tirade of Hollands Maandblad worden aangetroffen. Poëzie die in de weidse beslotenheid van het internet geboren is en die zich daarvan zelfs bedruipt. Zo kan een gedicht uit een mengsel bestaan van op Google geplukte woorden of fragmenten.

    Volgens Vriezen zijn discussiërende bloggers – over bij voorbeeld de invloed van poëzie op de samenleving – zich bewust van hun activiteit als een alternatief platform voor traditionele media. Contact met die media is binnen de cultuur van posten en reageren op internet niet aan de orde. Wel hoopt men dat vroeg of laat een internet poëtica tot de bovengrondse doordringt en er wortel schiet. De kans daarop is altijd erg klein geweest volgens Vriezen. De interactie die de blogsites uniek maakte was tegelijk een zwakte: ‘de overmatige directheid’ van de mening liet geen ‘denktijd’ en werkte ‘verstikkend’. Een doortimmerde poëtica zoals in literaire tijdschriften werd dan ook niet gegenereerd op bekende sites zoals die van Jeroen Mettes (Poëzienotities) en van Chrétien Breukers (De Contrabas). Maar ook niet op sites waar een eenling victorie kraaide of kraait. Bij Lucifer in het hooi van Gerrit Komrij of bij ene A.IJ. van de Bergh die al vele jaren een ‘boeklog’ als een ‘eigen plaats’ in de lucht houdt.

    Poëzie als tekstkunst
    De essays die Vriezen in Netwerk in eclips bijeengebracht heeft, zijn ontstegen aan de vluchtige  internetcultuur. De posts zijn na intensief bewerken en opschonen een boek geworden en in het volle licht getreden. Het gevolgde traject voor Netwerk in eclips heeft zelfs geleid tot een internetpoëtica. “Ongetwijfeld, stelt Vriezen vast, ís er wel iets buiten tekst, netwerk, internet, alleen kan de wereld van tekst, netwerk, internet er zelf geen verbinding mee leggen. […] We mogen aannemen dat iets als ‘de werkelijkheid’ sporen trekt door de tekst (of door het netwerk). Maar het weefsel heeft alleen toegang tot wat er direct mee verbonden is.”
    In Vriezens beschouwingen draait het om ‘taal als complex van bemiddelende zones’ zoals woorden en zinnen niet alleen maar ook liedjes, boeken, kranten, flarden, kreten zijn. Dat alles is met elkaar verweven. De vorm en ‘de werkelijkheid waarover ze gaan zijn limieten van dit weefsel’. Taal is ‘zelf een medium voor verbinding, en poëzie als tekstkunst is een kunst van het verbinden. Deze taalopvatting kun je een internetpoëtica noemen.’

    Poëzie als beïnvloedend medium
    De posts zijn essays geworden en losgeweekt van de verlammende interactie. Veel van de stukken gaan over vrienden, in enkele stukken komen vrienden aan het woord, weer andere zijn geschreven als antwoord op vrienden. Onduidelijk blijft welke invloed die reacties op de uiteindelijke versie van de essays hebben uitgeoefend. De kiemcel – zo blijft niet in de mist – vinden de essays in de tussenkomst van Vriezen in een discussie die volgens hem al zo vaak gevoerd was in literaire kringen en zelden iets had opgeleverd. Het debat namelijk over de keuze tussen poëzie als ‘vrijblijvend spel’ of als een op de samenleving ingrijpend medium.

    Voorbij vorm versus inhoud
    Al in zijn eerste blog propageerde Vriezen vorm en inhoud als onafscheidbaar. Daarop voortbordurend in de zeven jaar dat hij met zijn site actief was, ontwikkelde hij een internet poëtica die voorbij was aan de aloude opvatting van vorm versus inhoud.
    De creatieve teksten in Netwerk in eclips van Vriezen zelf en van andere internet-dichters zijn in de jas gestoken van wat het meest nog herinnert aan de ‘readymade’. Dit is uiteraard geen terugkeer naar een vertrouwd procedé. Zelfs als er Roland Holst-achtige taal klinkt omarmt de dichter niet de traditie maar breekt hij ermee.

    Vriezen neemt zijn lezers bij de hand en informeert over de inhoud van de vorm en de vorm van de inhoud. In het commentaar laat hij vaak zijn muzikale onderlegdheid meespreken. Misschien had hij in zijn essays die ook andere kunstdisciplines – zoals fotografie – tot onderwerp hebben, de internet poëtica van de dichtkunst meer reliëf kunnen geven door haar te confronteren met de kritische principes van de postmodernen en hun voorgangers. Het laat zich waarschijnlijk makkelijk raden wat Vriezen van de vorm of vent-discussie vindt die in het tijdschrift Forum (1931-1935) en nog lang daarna is gevoerd. Hoe dan ook Netwerk in eclips is een boek dat er zijn mag en volop in de schijnwerpers van de ‘bovenwereld’ kan staan.

     

     

     

  • Het meisje, de gangster en het paard

    Het meisje, de gangster en het paard

    Het was even slikken, na lezing van de eerste pagina’s van De ruiter, van Jan van Mersbergen. Dat hier een paard aan het woord was, een door een manege afgedankte knol die zijn laatste jaren doorbracht bij een eenzame zonderling, tja… Hoe geloofwaardig is dat. Maar literatuur wil de verbeelding prikkelen dus neem het ongebruikelijke vertelperspectief voor lief.

    Het went niet echt. Een paard zal niet tot de domste aller dieren behoren, maar de observerende knol die Van Mersbergen zijn lezers presenteert, is wel erg bijdehand. Was het beest dat voortdurend, op elke pagina, dan ga je op een gegeven moment mee in dat perspectief. Dat doe je in sprookjes en fantasy immers ook. Maar wat stoort in deze roman, is dat op de ene bladzijde het vertellende paard overkomt als een wijze grijsaard en op de andere als een onwetende peuter die voor het eerst de wereld om zich heen ontdekt. Dat op de ene bladzijde vanzelfsprekend weet wat een auto of een windmolen is en even later grote ogen opzet als hij een huis ziet waar water onderdoor stroomt en waar een wiel aan bevestigd is (een watermolen dus). Die heel naïef voorwerpen beschrijft die hij voor het eerst lijkt te aanschouwen, terwijl het een fiets betreft of een trein op een spoorlijn.

    Experiment
    Die inconsequenties doen de geloofwaardigheid geen goed, maar afgezien daarvan is De ruiter een experiment dat de moeite waard is om te lezen. Van Mersbergen kan goed schrijven en hij geeft het paard een eigen, warme stem.

    In De ruiter wordt een pubermeisje uit de stad door haar vader afgeleverd op de boerderij van diens vader. Opa moet maar een tijdje op het kind passen want het meisje gaat met de verkeerde vrienden om en pa wil dat daar een einde aankomt.

    Wat heel goed werkt, en dat is echt een vondst, is de manier waarop de schrijver andere personages, zoals de grootvader en het meisje, zelf hun verhalen laat vertellen. Daar moest hij iets voor verzinnen want als je alleen het perspectief van het paard volgt, dan blijven de andere personages vlak als de poppen van een marionettenspeler. Steeds als een van de menselijke personages het paard aanraakt, ‘leest’ het paard de gedachten van die persoon. Op die manier komen de personages tot leven en leert de lezer wat er is voorafgegaan aan de situatie die in de roman tot een conflict leidt.

    Wapen
    Daarnaast is het verhaal dat hij door de ogen van het paard vertelt, – het pubermeisje blijkt in de ban van een criminele, gewelddadige jongen, de leider van een jeugdbende -, actueel én spannend. Eén van de structuurmiddelen die de schrijver toepast, is die van een wapen dat min of meer toevallig opduikt. De Russische schrijver Anton Tjechov meende dat alles, ook toevallige voorwerpen, in een roman dienstbaar moeten zijn aan de structuur. Als ergens in het begin van het boek een geweer aan de muur hangt, zei hij, dan moet dat wapen verderop in het boek ook een keer afgaan. Dat heeft Van Mersbergen goed begrepen.

     

     

  • Een andere bril opzetten

    Een andere bril opzetten

    In de televisiedocumentaire Het spoor naar Auschwitz (13 januari 2017, KRO) zochten Frénk van der Linden en Gisèla Mallant een antwoord op een vraag als: Waarom hebben de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog de spoorlijnen naar de vernietigingskampen niet gebombardeerd? Eén van de antwoorden was, dat we hier door de bril van onze tijd, waarin precisiebombardementen mogelijk zijn, naar kijken. Maar de overlevenden van Auschwitz keken daar anders naar. Waarom is het niet gewoon geprobeerd? Ze voelden zich enorm in de steek gelaten: ‘Er was gewoon geen interesse in ons.’

    Niet dat de Tweede Wereldoorlog vaak voorkomt in deze verzameling columns van documentairemaakster, activiste en schrijfster Sunny Bergman, maar de thematiek die ze aansnijdt (emancipatie, racisme e.d.) kan worden bekeken zoals NRC-columnist Zihni Özdil het beschrijft: ‘Welke bril hadden de tot slaaf gemaakten [uit Afrika]? Die bril zouden we ook kunnen opzetten.’
    Want daar draait het in veel van haar columns om: empathie en compassie, met de verdrukten der aarde, hoewel ze ook onderwerpen aansnijdt als klimaatactivisme (de rechtszaak die Urgenda in 2015 aanspande, en won, tegen de staat), consumentisme en vluchtelingen. Deze onderwerpen schaart Bergman echter ook onder het overkoepelende begrip social justice-issues, vergelijkbaar met racisme en seksisme. In wezen heeft ze daarin natuurlijk gelijk; bij consumentisme gaat het onder meer om dierenleed en de rechten van het dier, bij vluchtelingen om menswaardigheid en de rechten van de mens.

    Zwarte Piet
    Bergman is bij het grote publiek vooral bekend geworden door haar inmenging in de Zwarte Piet-discussie. Dat niet iedereen haar daarin kan volgen, blijkt uit een alinea waarin ze een telefoongesprek met Marian Minnesma (directeur van Urgenda) weergeeft, en die tevens kenmerkend is voor haar schrijfstijl: “’ Ik ben eigenlijk een soort collega’, opper ik hoopvol. ‘Aangezien ikzelf ook eens een rechtszaak heb gevoerd ten behoeve van een betere wereld. Een wereld zonder racisme in de vorm van Zwarte Piet. Dus ik geloof wel in juridische actie als activistisch middel.’ Minnema is stil. Even ben ik bang dat de verbinding is verbroken. Maar dan reageert ze afhoudend: ‘Ik vind Zwarte Piet geen racisme. En het feest is voor mij voorgoed verpest door de kritiek.’ Dit verwacht ik niet. Hoe kan zo’n slimme, betrokken, activistische vrouw niet begrijpen waarom Zwarte Piet moreel verwerpelijk is? Ik slik en leg haar in het kort uit wat het probleem met Zwarte Piet is. Zwarte Piet is een racistische karikatuur waarin de zwarte mens als dommig, jolig en clownesk wordt afgebeeld. Ze luistert geduldig en de sfeer klaart weer op.’

    Dat er behalve Minnesma meer slimme, betrokken (en ook zwarte) mensen bestaan die het niet met Bergman eens zijn, blijft uit recente interviews met Kwame Anthony Appiah naar aanleiding van de toekenning van de Spinozalens aan hem. Volgens hem is het productiever te wijzen op een systeem dat je niet zelf tot stand hebt gebracht. Het gaat er volgens Appiah om het systeem te veranderen waarin witte mensen het makkelijker hebben: om een baan te vinden enz. In zijn visie is de hele Zwarte Piet-discussie louter symptoombestrijding. Bergman vindt echter dat die houding duidt op een inflatie-van-leed argument, wat wil zeggen dat je de gevoelens van gekleurde mensen wél serieus moet nemen en niet moet terugbrengen tot klein leed. Maar geldt ook niet hier dat we deze hele discussie zouden moeten bekijken met een andere bril op, omdat – ook hier, net als Zihni Özdil in een ander verband meent – er voor zwarte mensen iets anders mee kan resoneren dat witte mensen niet aanvoelen?

    Relevantie
    De relevantie van de onderwerpen, de heldere, toegankelijke schrijfstijl én het zichzelf gelukkig ook kunnen relativeren, maken het waard dat de columns die Bergman voor vpro.nl schreef, samen met overigens de verkorte versie van de 26ste Annie Romein-Verschoorlezing, nu zijn gebundeld. Aan de actualiteitswaarde doet het niets af; wat er met iemand als Mitch Henriquez is gebeurd, en wat Typhoon als één van de vele mensen met een donkere huidskleur overkwam, staat in ons geheugen gegrift. Maar daar op één of andere manier in actie tegen komen, zoals Bergman doet, is, al ben je het misschien niet altijd eens met de manier waarop, in ieder geval beter dan het allemaal stilzwijgend laten gebeuren.

     

     

     

  • Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken

    Barbara de Lange is fulltime vertaler en geeft les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Sinds 1985 vertaalde ze onder meer werk van Margaret Atwood, George Steiner, John Irving, Simon Schama, Colin Thubron, Donna Tartt, D.H. Lawrence en Michael Ondaatje. Vorig jaar werkte ze tien maanden aan de vertaling van De jaren. We ontmoetten elkaar voor dit interview Barbara bij Grand café Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal. We praten over het vertalen van het werk van Virginia Woolf, over vertalen in het algemeen. En waarom iedereen – die iets van de wereldliteratuur wil meekrijgen – de kans moet grijpen om Virginia Woolfs De jaren te gaan lezen.

    Deze niet eerder vertaalde roman van Virginia Woolf (1882-1941) verscheen begin januari bij uitgeverij Athenaeum. De jaren is – naast dat het haar omvangrijkste werk is – met Mrs. Dalloway  ook haar toegankelijkste werk. Over De jaren schreef Virginia Woolf in haar dagboek (Schrijversdagboek 2 Privé-domein): ‘Aan niet één boek heb ik ooit zo hard gewerkt.’ Op 30 september 1934 schreef ze het slot van een roman waarvoor ze nog geen juiste titel had gevonden. Twee jaar werkte ze eraan onder de titel The Pargiters. Toen het boek zijn voltooiing naderde, overwoog ze het Here and Now te noemen of Sons and Daughters. Tijdens het herschrijven kwam de titel Ordinary People voorbij tot het boek ineens op 11 januari 1935 The Caravan heette. Door het uittypen van het manuscript en het (herhaaldelijk) herschrijven van hele stukken, constateert ze dat het boek een ‘samengaan is van het uiterlijke en het innerlijke’. Ruim een jaar voor de drukproeven op 31 december 1936 de deur uitgaan, dient zich op 5 september 1935 de titel The Years aan, en de The Years blijft het.


    Waarom liet de vertaling van The Years zo lang op zich wachten?

    ‘Het is vreemd dat dit boek zo lang is blijven liggen. Ik denk dat het door de oorlog kwam. Het boek is in 1938 uitgekomen. Daarna werd het meteen in het Frans vertaald, in het Hongaars en Zweeds. Het werd haar best verkochte boek. In Nederland verscheen in 1948 Mrs. Dalloway bij Van Oorschot en toen tien jaar niets meer van haar.
    Ik ontdekte dat The Years nog niet was vertaald en wilde het heel graag doen. Ik ben ermee naar uitgeverij Athenaeum gegaan omdat zij onlangs ook Mrs. Dalloway hadden uitgegeven in een nieuwe vertaling. Ze waren direct bereid het uit te geven. De jaren is een van de toegankelijkste boeken van haar. Wie bang is voor het werk van Virginia Woolf kan heel goed met De jaren beginnen. In Het Parool stond dit weekend een lovende recensie van Arie Storm die onder andere ook zei dat het zo’n toegankelijk boek is. Ik vond het heel leuk om te doen, het was een vertaling om me in vast te bijten. Virginia Woolf is een modernist en schrijvers uit die overgangsperiode hebben mijn voorkeur.’


    Was het ooit een keuze te gaan vertalen?

    ‘Het was meer iets wat ik gewoon ging doen. Ik was klaar met  mijn studie filosofie en samen met een vriendin zeiden we, we gaan vertalen. Ik heb geen Engels gestudeerd. Na enkele jaren non fictie te hebben vertaald, kwam pas de literaire kant. Omdat ik de opleiding niet had, vond ik het spannend. Heel lang heb ik gezegd als mensen vroegen wat ik doe: ik vertaal. Pas later werd dit: ik ben vertaler.’

    Alsof – als je iets uit passie doet, het leuk vindt – het een dingetje is wat geen naam mag hebben. Haar eerste literaire vertaling was een roman van Margaret Atwood en werd haar aangeboden. Ze deed het met veel plezier en, nadat ze de eerste tijd nog parttime bij een bibliotheek werkte, kon ze al gauw als fulltime vertaler aan het werk.


    Kun je, als vertaler, ervan meegenieten als een boek een succes wordt?

    ‘Ik kreeg het aanbod het eerste boek van Donna Tartt De verborgen geschiedenis te vertalen. Er was in die tijd (jaren negentig) waarschijnlijk meer geld bij de uitgevers want de schrijfster werd voor een week naar Nederland gehaald. Na de etentjes en de presentaties zat de schrijfster maar in haar hotel in Amsterdam. Ze was heel jong nog. Toen ben ik ook een avond met haar op stap geweest. Dat zijn hele leuke dingen om te doen. Soms denken mensen nog dat het boek er zo maar ‘is’, alsof de auteur op een of andere magische wijze het boek in het Nederlands geschreven heeft. Zelfs sommige recensenten negeren het feit dat het om een vertaling gaat.’

    Toch is er tegenwoordig meer aandacht voor vertalers, al blijven de betalingen achter op de prestatie die geleverd wordt en is vertalen zonder een bijdrage van het Nederlands Letterenfonds niet mogelijk. De erkenning is er steeds meer en vertalen wint aan status want; zonder vertalers geen toegang tot de wereldliteratuur.


    Hoe los je problemen tijdens het vertalen op. Neem je contact op met de auteur en is elke auteur ook bereid mee te denken.

    ‘Ik spaar de lastige, de problematische dingen altijd op en als ik er op geen enkele manier achter kan komen wat het is, neem ik contact op met de auteur. Bijvoorbeeld over een bepaald woord en hoe het gebruikt wordt. In het laatste boek van Anne Tyler dat ik vertaalde, lag er iets onder de struiken in de tuin, iets dat op ‘a diploma’ leek, een diploma dus. Het stuk ging over een waterpomp die in een kelder stond en  uitkwam op de tuin en dan opeens ligt daar een diploma onder een struik. Ik begreep er niets van. Vreemd was dat, en ik vroeg me af of dat erbij hoorde want binnen de context van het verhaal paste het niet echt. Maar haar reactie was, ‘Ja, hoor, daar leek het op, een diploma met een lintje erom, gewoon. Vaak kunnen auteurs zich niet helemaal voorstellen waar het probleem zit. Vroeger maakte ik bij woordgrappen wel eens een provisorische oplossing maar dan is het lastig om daar los van te komen en een betere oplossing te vinden. Tegenwoordig laat ik het open en houd het in mijn achterhoofd om er later nog eens rustig naar te kijken.’


    Hoe werkt dat bij een overleden auteur, zoals van De jaren.

    ‘Ik leg wel eens een fragment voor aan een collega om te zien hoe deze het interpreteert. En verder is het ook een kwestie van zoeken. Virginia Woolf gebruikte vaak woorden in een oude betekenis, die niet meer zo bekend is, ook niet in haar eigen tijd. 
Als een woord in meerdere betekenissen voorkomt of in het Engels andere associaties heeft, moet je kiezen en kun je het alleen maar benaderen. Wat ik ook doe is veel lezen over de auteur, haar achtergrond. Ze las Frans maar heeft jarenlang Proust niet durven lezen hoewel haar hele omgeving er weg van was. Ze was er een beetje bang voor, en toen ze hem uiteindelijk las vroeg ze zich ook af wat er voor haar nog te doen viel: hij had voor haar gevoel precies gedaan wat zij ook wilde. In De jaren zie je ook de invloed van Proust, of misschien beter: dezelfde affiniteit met herinnering en tijd als Proust had. Een andere invloed of affiniteit zie je bij Tolstoj. Woolf had Russisch geleerd en meegewerkt aan vertalingen van Tolstoj en Dostojevski. Het oorspronkelijke idee voor dit boek – met essays  tussen de hoofdstukken door – komt van Tolstoj’s Oorlog en vrede. Dat vind ik dan erg interessant maar ik heb er verder niet zo veel aan. Ik kan er niets van gebruiken, wel draagt het bij aan een algemeen inzicht, het werkt als een soort bedding voor het vertalen. Ik heb ook altijd iemand die meeleest. Die dingen ziet die ik over het hoofd zie. En ik begin elke dag met de tekst terug te lezen van de vorig dag.’


    Is vertalen het opnieuw vertellen van het verhaal en hoe vrij ben je in het vertalen.

    ‘Opnieuw vertellen wordt algauw parafraseren. Maar dat verschilt per taal waaruit vertaald wordt. Als je een taal hebt waarbij de zinsbouw totaal anders is dan wordt het meer een hervertellen. De Engelse taal  staat veel dichter bij het Nederlands dan bijvoorbeeld Chinees. Het zou heel interessant zijn te weten wat de fundamentele verschillen zijn tussen het vertalen uit verschillende talen. Ook bij het Italiaans, (wat ze in het begin ook  heeft gedaan Iv/dG), is het noodzakelijk de zinsopbouw los te laten. Bij het Engels ook wel, maar minder. En bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden. In een drukproef zie ik meestal pas waar het teveel of te geforceerd is en waar het er uit kan.’ 
Hoewel een vertaler niet het verhaal opnieuw hoeft te vertellen, blijven er dingen in het hoofd van de vertaler spelen gelijk als bij een auteur. Het zoeken naar de vertaling van een uitdrukking kan blijven doorspelen tot er zich de best vorm aandient, dat kan zijn als bij ingeving, zoals ook een auteur zijn tekst wikt en weegt.


    Het schijnbaar hoogste wat je kunt bereiken als vertaler (schreef een recensent over de vertaling door Erwin Mortier van Between the Acts van Virginia Woolf) is als de Nederlandse lezer vrijwel hetzelfde leest als de Engelse lezer.

    ‘Eigenlijk is dit onmogelijk, zegt De Lange. De beleving van een woord is in iedere taal verschillend. Het effect op een lezer in de jaren dertig is sowieso anders dan op die van nu, ook bij Engelse lezers. Ik begrijp dat die recensent de vertaler een compliment wilde maken maar het klopt niet. Natuurlijk streef je er wel naar om een boek in vertaling dezelfde waarde mee te geven, en de zinnen moeten natuurlijk lezen alsof ze in het Nederlands zijn geschreven. Maar als het boek exact hetzelfde effect op de Nederlandse lezer moet hebben als op de Engelse dan zou je wat ze noemen een Hema-vertaling moeten maken en alles vernederlandsen. De plaats- en straatnamen krijgen dan Nederlandse namen en een muffin wordt een bitterkoekje.
    Een voorbeeld: onlangs was er tijdens de Swchob-Leesclub van De jaren onder leiding van Elsbeth Etty een jongeman die bepaalde dingen miste in het boek. Hij had in het laatste hoofdstuk (dat in de jaren dertig speelt) wel meer willen weten over de oorlogsdreiging. Maar ik denk dat die er voor de lezers destijds, die er middenin zaten, duidelijk in aanwezig was, terwijl die dreiging voor de jonge lezer van nu (ook de Engelse) minder duidelijk is.’


    Als het boek vertaald is hoe dicht ben je dan het verhaal en de schrijver genaderd?

    Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken. Dan is het consistent. Het voelt heel eigen en bij een boek als dit, waarin de auteur echt het hele boek lang met één stem spreekt, in een heel bewust gekozen stijl, zou ik ook niet met iemand kunnen samenwerken.’
    Na het afronden van een vertaling volgt het afstand nemen en komt er weer ruimte voor nieuwe projecten. Barbara de Lange kan zich erop verheugen in de toekomst nog meer modernisten te vertalen, en noemt Henry Green. Ook het her(ver)talen van Jacob’s Room en To the Lighthouse van Virginia Woolf staan op haar lijstje.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Dichtersproza

    Dichtersproza

    Als dichters een roman gaan schrijven krijgt de lezer het moeilijk. Want een plot maken behoort niet tot de dichtersvaardigheden. En het schrijven van een vlotte tekst meestal ook niet. Dichter/schrijver Jacob Groot bewees dat al in zijn vorige twee romans, Billy Doper (2008) en Adam Seconde (2012) en nu opnieuw in Geloof in mij (november 2016).
    Hij schrijft prachtig proza in een mengeling van bloemrijke taal en ironische terzijdes. Maar lezers die dachten een verhaal voorgeschoteld te krijgen voelen zich als een luis op een teerton: het schiet maar niet op.

    Een voorbeeld: de protagonist gaat op weg naar zijn werk in een wijnhandel:
    Monter verliet hij het woonhuis in de friste des morgens, Aurora nog op de wolken, en toog hij volgzaam maar wakker per openbaar vervoer naar de plaats van delikt om onder toezicht te doen in opdracht waartoe was besloten op grond van samenspraak, praktijk voor contract in theorie, al dan niet ondertekend maar gewettigd met het oog op bekrachtiging die voortvloeit uit gemeenschappelijk belang, in eerste instantie van gever en nemer met betrekking tot het bewuste werk ter plekke, al snel, steeds ruimer, binnen grotere gehelen, van de ijver omwille van voorspoed in de omgeving, uitgestrekt tot de abstractie staat binnen de landsgrenzen, opgenomen en gewist door het metabegrip unie, in diverse continentale maten en soorten, hoewel mondiaal getoetst op rendement, zodat hij in de hoedanigheid van arbeider op de eerste werkdag tijdens de ochtendpauze al besefte dat hij weliswaar geld verdiende, maar het in feite tegelijk alweer uitgaf aan een niet door hemzelf gekozen doel, waarna wat hij overhield een fooi genoemd kon worden, mechanisch gedropt in het zakje van de loonslaaf die hij was, lot dat hij deelde door warmte te verspreiden, niet te versagen, van binnen muziek te maken, net als de negers op de plantages, in zijn geval een geneuriede nabootsing van tophits, en banden aan te knopen met genoten, bij voorkeur minderbedeeld met visie en slagkracht, omwille van de denkbeeldige broederschap in een heilstaat.

    I rest my case! Dichter, het woord zegt het al, is het tegendeel van opener.

    Jacob Groots proza is een genot als je houdt van traag lezen, woord voor woord, zin na zin, en geen behoefte hebt aan een begrijpelijk en meeslepend verhaal. De eerste vier hoofdstukken, samen bijna de helft van het boek laten zich als volgt samenvatten:

    Oude Aarde
    Dorpsstraat, Ons Dorp. Freddie Combo, postbode, en Teddie, huisvrouw, hebben één zoon.
    Dat is Eddie Combo die, als jongen al zwemmend in een groot meer bijna verdrinkt maar een stem hoort die hem aangeeft hoe hij zich kan redden.
    De stem van God? Dat kan niet want God bestaat niet.

    Bij wijze van voorbode
    Het gezin moet het dorp verlaten en gaat in een kleine stad in het Noorden des lands wonen. Freddie wordt portier en Eddie bezoekt de HBS en woont een optreden van Rex Gildo bij, een bekende Duitse Schlager-zanger.

    Toename in wijsheid
    Het is 1963. Eddie verstoort een catechisatie-klas door het woord te nemen en niet meer af te staan. Hij voelt dat hij een redenaar is. Hij maakt indruk op klasgenoot Heidi, maar vrijt niet met haar, al biedt ze zich wel aan. Later worden ze toch een stel. Maar uiteindelijk raakt het weer uit.

    Hogere School
    Eddie hoort de hit van de Monkees ‘I’m a believer’ en hij voelt zich door hun geloof aangeraakt.

    Ook werkt hij een dag in een wijnhandel, maar HET gebeuren van deze levensperiode is zijn toetreden tot de Nieuwe School van het Hoger Bereik. Hij houdt daar een lange rede en wordt verleid door Lucy, de vrouw van de Leider. Na een dag moet hij echter alweer vertrekken. De reden: hij stoort. In arren moede verdiept hij zich in het Jodendom.

    Op zoek
    Ook uit de rest van de hoofdstukken blijkt dat Eddie op zoek is naar het Ware Geloof en van alles probeert om dat te bereiken. En liever nog: het te verkondigen als een moderne profeet. Of dat lukt is aan het slot van Geloof in mij niet duidelijk, zoals veel zaken toch wat wazig blijven in deze roman. Maar wie houdt van bewerkelijk proza mag dit boek van Jacob Groot niet missen.

     

     

  • ‘De koeien geven melck en room’

    ‘De koeien geven melck en room’

    Nederland: gidsland, door God in Eigen Persoon uitverkoren. Als dit land in één opzicht uitblinkt, was het wel door deze onwrikbare overtuiging. Historici zijn het onderling eens dat de ontwikkeling van een nationale identiteit een (Europees) fenomeen van de moderne tijd is, met name de negentiende eeuw, maar de wortels van de Nederlandse identiteit reiken verder terug, zeker een paar honderd jaar. Dat is tenminste de stelling die de Nijmeegse historica Lotte Jensen verdedigt in haar Vieren van vrede. Het ontstaan van de Nederlandse identiteit, 1648-1815. Steeds als er een oorlog werd afgesloten met een vredesakkoord, wat nog al eens voorkwam, ging er niet alleen vuurwerk de lucht in, maar sloofden schrijvers en dichters zich uit in gelegenheidswerkjes waarin de betekenis van die vrede breed werd uitgemeten. De koeien geven melck en room, dichtte Joost van den Vondel, het is al boter tot den boôm. Men zingt al PAIS en VRE. De gelegenheid: de Vrede van Munster in 1648. De langdurige oorlog met Spanje was ten einde, de soevereiniteit van de Republiek een feit. De Staten-Generaal schreven op 10 juni van het vredesjaar een algemene dank-, vast- en bededag uit en overal vonden plechtigheden en feestelijkheden plaats: optochten in Wormer en Den Haag, vreugdevuren in Arnhem, Delft en Breda. Van meet af aan was duidelijk, schrijft Jensen, dat het hier om een belangwekkend moment in het bestaan van de jonge Republiek ging. 

    Imaginaire gemeenschappen
    Jensen bespreekt een aantal vredesakkoorden: Munster (1648), Breda (1667), Nijmegen (1678), Rijswijk (1697), Utrecht (1713), Aken (1748), Amiens (1802), het Congres van Wenen (1815) en steeds stuit ze op overeenkomstige elementen. Ten eerste zal er volgens tijdgenoten na de vrede een ‘gouden tijd’ van voorspoed en bloei aanbreken, ten tweede wordt de geschiedenis van het vaderland herschreven en tenslotte wordt uitdrukkelijk gewezen op de godsdienst (het Calvinisme) als bindende (of splijtende) kracht. Tezamen legden deze drie motieven het fundament voor een krachtig nationaal zelfbeeld, aldus de auteur over het jaar 1648, waarop latere publicisten steeds opnieuw zouden teruggrijpen. Bij de analyse van de ‘vredesliteratuur’ spelen verschillende theoretische begrippen een centrale rol. Invented tradition is het verschijnsel dat door rituelen, verhalen en mythen een historisch besef wordt ‘uitgevonden’: de oorsprong van de Nederlandse geschiedenis zou moeten worden gezocht bij de Batavieren die zich verzetten tegen de invasie van Romeinen, en in de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje werden de kiemen van de Nederlandse natie gelegd. Het was al eendracht en verbondenheid in de fantasie van politici en kunstenaars, zegt Jensen, maar daartussen zat helemaal niets: de middeleeuwen speelden geen enkele rol van betekenis. Alsof deze lange historische periode aan de Nederlanden volstrekt voorbij is gegaan. Imagined communities zijn gemeenschappen die uitsluitend in de verbeelding bestaan. De meeste inwoners van een natie kennen elkaar niet en weten niets van elkaar af, zegt Jensen, maar door de media wordt er desondanks een soort gemeenschapsgevoel opgewekt. Het begrip is hoogst actueel in het Nederland van vandaag, maar was dat de afgelopen eeuwen eveneens. Met bepaalde accenten werd dit gemeenschapsgevoel in verschillende richtingen gestuurd.

    Misschien zijn juist die accentverschillen de boeiendste onderdelen van Vieren van vrede. In het midden van de achttiende eeuw, bij de vrede van Aken na de Oostenrijkse Successieoorlog, voerde in de gelegenheidswerkjes de Oranjegezindheid opeens de boventoon, vermoedelijk mede ingegeven door de geboorte van de latere stadhouder Willem V. De geschiedenis wordt gepresenteerd als een langgerekte keten van causale gebeurtenissen, waarbij de vrijheid, God en Oranje onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Eind zeventiende eeuw daarentegen brak ook in Nederland de gedachte door aan een ‘Christelijk Europa’: in 1683 hadden de Turken voor Wenen gestaan en met hulp van de Heilige Alliantie moesten de Mahometsche Zwynen met grof geweld worden teruggedrongen. Europa zou anders met Kristen bloed en moord worden roodgeverfd. Jensen laat overtuigend zien dat het ontstaan van imaginaire gemeenschappen geen exclusief moderne aangelegenheid is, maar vele decennia, misschien eeuwen, eerder plaatsvond. Zeker in Nederland.

    Context
    Wat niet wegneemt dat Vieren van vrede de nodige vragen oproept. Wellicht dragen rijmpjes, toneelstukken en andere gelegenheidsgeschriften bij tot de karakterisering van een land, maar wat is zo’n identiteit precies? Je zou meer willen weten van de verspreiding en receptie van zulke geschriften in een omgeving die grotendeels uit analfabeten bestaat. Voor wie zijn de rijmpjes geschreven? Wie herkende zich erin? Waar waren de tegengeluiden? In hoeverre zijn de door Jensen geraadpleegde bronnen representatief? Het huis Oranje mag dan wel zijn stempel hebben gezet op delen van de Nederlandse geschiedenis, maar dat is bepaald niet zonder weerstand gebeurd. Er waren soms draconische maatregelen nodig om de oppositie te smoren: het lynchen van de gebroeders Cornelis en Johan De Witt, de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt. In het algemeen zou je als lezer meer moeten weten over de context om de betekenissen te kunnen duiden. In een land als Nederland waarin het overgrote deel van de inwoners nauwelijks weet wanneer de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden, zijn de staatkundige ontwikkelingen van afgelopen eeuwen terra incognita. Een pertinente vraag daarbij is uiteraard: in hoeverre wijkt de ontwikkeling van de Nederlandse identiteit af van wat er elders gebeurde? De gedachte aan een door God uitverkoren volk, om maar iets te noemen, is geenszins tot dit land beperkt.

  • Overleven op de armoedige hoogvlakte van Mexico

    Overleven op de armoedige hoogvlakte van Mexico

    De verwekking van Germán Alcántara Carnero is weinig zachtzinnig, zijn geboorte is rauw als een scène in een kerker van de Spaanse inquisitie en zijn leven is een aaneenschakeling van geweldserupties. Zelfs een zachte dood tussen satijnen lakens, omringd door geliefden, is hem niet gegund: hij zal eenzaam sterven in de woestijn, na een aframmeling door een stelletje ongeïnteresseerde rauwdouwers.  

    Alcántara Carnero is de hoofdpersoon in de roman De rauwe hemel van de Mexicaanse journalist Emiliano Monge (1978). Het is zijn eerste roman, verschenen in 2012, en nu buitengewoon knap vertaald. De rauwe hemel bevat de uitbundigheid die zo kenmerkend is voor Latijns-Amerikaanse schrijvers, maar valt op door de buitengewoon eigenzinnige stijl. Die doet negentiende-eeuws aan. Zo is, heel ouderwets, de verteller nadrukkelijk aanwezig. Af en toe popelt hij zelfs om deel te gaan uitmaken van het verhaal. Dan wekt hij de stellige indruk dat hij enkele alinea’s verder als personage zal opduiken. Vervolgens trekt hij zich op het laatste moment toch weer terug.  

    Bloederig
    Zoals negentiende-eeuwse schrijvers hun lezers wel aan de hand wilden nemen – ‘En nu, lezer, neem ik u mee naar de vestibule, waar u getuige zult zijn van de volgende gebeurtenis…’ – zo trekt ook Monge zijn lezers mee het verhaal in. Hij strooit kwistig met vooruitwijzingen en verklapt zonder aarzelingen hoe scènes die nog volgen zullen eindigen. Bijna zonder uitzondering bloederig.

    Aanvankelijk komt die stijl fris en verrassend over en blader je glimlachend naar de volgende pagina. Maar op een gegeven moment is het nieuwe  – of eigenlijk: het oude – er wel van af en ga je verlangen naar een meer lineaire vertelling. Dat wordt doorbijten. Wat vooral gaat vervelen is zijn omslachtige spel met namen. Zijn personages krijgen om de haverklap bijnamen die gelinkt zijn aan hun positie op dat moment in het verhaal. Dan heet Germán Alcántara Carnero ineens Gringo of Onzeman of Hijdiezoekt of Hijdieschreeuwt. En zijn moeder, tijdens de bevalling: Zijdiebinnenhoudt.

    Parallel
    Waarom is Germán Alcántara Carnero een interessant personage? Omdat zijn leven parallel verloopt aan dat van de jonge staat Mexico. Hij groeit op in een periode waarin Mexico afwisselend wordt gedomineerd door revolutionair en dictatoriaal geweld, waarvan, zeker op de hoogvlakte waar de roman zich afspeelt, de kleine man en vrouw steevast het slachtoffer zijn. Alcántara Carnero wordt al vroeg met dat geweld geconfronteerd. Als jongeman is hij met zijn hakbijltje in de weer op de nauwelijks vruchtbare grond als hij er getuige van is hoe de grootgrondbezitter, zonder met zijn ogen te knipperen, een andere landarbeider doodschiet. Alleen maar omdat die zijn mond opendeed. Wie verwacht dat ‘Onzeman’ zich aansluit bij de revolutionairen, heeft het mis. Hij ontpopt zich als een gewetenloze moordenaar, een werktuig in handen van de machthebbers, die het uiteindelijk tot districtshoofd zal brengen van een uiterst gewelddadige, repressieve organisatie.

    We hoeven dus geen medelijden te hebben met Monge’s protagonist. Maar toch… Op twee derde van zijn leven, als onze gewetenloze en anti-kerkelijke hoofdpersoon tegen een mooie vrouw aanloopt, ontwikkelt hij zich tot een ander persoon. Eén die geplaagd wordt door het gewelddadige leven achter hem, die denkt met zijn frisse echtgenote een heel ander leven te kunnen leiden. Een leven waarin het geweld wordt ingewisseld voor dat van het geluk van een gezinsleven. Maar het lot heeft anders met hem voor. Zijn eerstgeborene blijkt zeer ernstig gehandicapt te zijn en zijn vrouw wil niets van het ongelukkige kind weten.

    Geweld is in Mexico, zeker in bepaalde delen van het land, nog steeds aan de orde van de dag. Het land lijkt in de ban van een cirkel van geweld die niet te doorbreken is en De rauwe hemel is daar een afspiegeling van, maar dan geprojecteerd op de levens van eenvoudige zielen op de armoedige hoogvlakte van Mexico. De stijl van Monge zal misschien niet iedereen bekoren, maar zijn taal is adembenemend en zijn verhaal van belang voor een genuanceerde blik. Ook in een geplaagd land als Mexico zijn de keuzes niet vanzelfsprekend en zijn er veel gradaties tussen pikzwart en sneeuwwit.