Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Van een fascinerende wispelturigheid

    Van een fascinerende wispelturigheid

    Uitgeverij Athenaeum Polak & Van Gennep en Athenaeum Boekhandel zijn erfstukken van Johan Polak (1928 – 1992) zoals De Bezige Bij en Van Oorschot dat zijn van de mannen van het eerste uur in de naoorlogse uitgeverswereld in Nederland: Geert Lubberhuizen en Geert van Oorschot. Wie een boekje opendoet over deze kleurrijke figuren boort een cultuurtijdperk aan, een lente waarin een onbekende en later beroemde uitgever eigenzinnig een fonds begint op te bouwen. Hun biografie, prettige bijkomstigheid, zit propvol anekdotes rond het vuur der knetterende letteren waar zij als geen ander zó dicht bij gezeten hebben.

    Voer voor biografen
    Richtten Polak en Van Oorschot, beiden geporteerd door het uitgeven van prachtboeken, hun blik vooral op de ‘klassieken’ en hielden ze revolutionair modernisme af, zo had Lubberhuizen van De Bezige Bij van meet af aan trek in wat geen ‘oude kost’ was. Gemeen hadden die grote drie (Polak, Lubberhuizen, Van Oorschot) een karakter vol tegenstrijdigheden, een harde maar uitdagende noot om door een biograaf te worden gekraakt.

    Na de kostelijke levensbeschrijvingen van Lubberhuizen door Wim Wennekes en Van Oorschot door Arjen Fortuin is dan eindelijk de biografie van Johan Polak verschenen. In J.B.W.P. (de signatuur van Polak onder de tekstverantwoording in de door hem uitgegeven verzamelde werken) geeft Koen Hilberdink de hoofdfiguur zijn unieke plaats in de bijna vijftig naoorlogse jaren die hem nog vergund waren. Polak was hartpatiënt en stierf op 64-jarige leeftijd.

    Openheid in voorkeur
    Onder zijn joodse afkomst en homofiele geaardheid heeft hij zijn leven lang geleden. Het is een opzichtige draad door de biografie die zeer onderhoudend is. Ook, en misschien vooral in de precaire passages over de Amsterdamse homoscene in de jaren zestig.Het was een eclatante periode voor Polak als persoon en zakenman. Zijn voorkeur voor jongens hoefde hij niet meer te verheimelijken. Bovendien legde hij de stevige basis voor de Athenaeum boekwinkels en voor de uitgeverij Athenaeum- Polak & Van Gennep die thans meer dan een halve eeuw bestaan en uit de Nederlandse cultuur niet meer weg te denken zijn.

    Rond 1980 keerde het tij voor Polak en braken jaren aan waarin hij zich geplaatst zag tegenover het verval van de West-Europese cultuur, de aidsepidemie en opvlammende Jodenhaat. Levensangst en isolement die hem kort na de oorlog parten hadden gespeeld, staken weer de kop. Voor de buitenwereld echter schermde hij zijn kwetsbare positie echter zorgvuldig af. Als uitgever liet Polak zich niet leiden door de commercie maar door zijn persoonlijke smaak. Ook was hij boekhandelaar en handschriftenverzamelaar die ondanks eruditie, rijkdom en kunde werd bepaald door onzekerheid en levensangst.

    J.H. Leopold werd al vroeg zijn lievelingsdichter en geestverwant. Geen andere poëzie wist zó exact zijn eigen roerselen te verwoorden. En in de literatuur en cultuur van de oude Grieken en Romeinen bekoorden hem de onbeladen seksuele omgang tussen mannen en de knapenliefde, een van de redenen dat hij na een mislukte studie psychologie voor klassieke talen koos.

    Leven in fantasieën
    Het is niet Hilberdinks enige steekhoudende verklaring voor de beweegredenen van Polak. De biograaf beschouwt ongerustheid en schrik als onderliggende factoren van de bravoure en koketterie waarmee Polak zich in de media presenteerde. Schijnbaar geamuseerd placht hij uit te roepen dat hij joods, homo, en lelijk was. Zo ‘lelijk als een paard’. Bovendien was naar eigen zeggen zijn onmetelijke rijkdom, als grootaandeelhouder van het familiebedrijf van zijn moeder, geen pre. Met zulke uitlatingen kon hij zijn angst voor ondergang, antisemitisme, communisme en homohaat even van zich afschudden.

    Naast deze behoefte aan verkrampte grootspraak wijst Hilberdink op het belang van fantasieën voor Polak. Hij leefde ze naar hartenlust uit in gekochte relaties met jongemannen en in een zeer luxe en decadent leven. Hij bouwde – aldus is de eindconclusie van Polaks biografie – een glansrijke voorgevel om een gebroken binnenkant aan het oog te onttrekken.

    Overbodig te vermelden dat hij geen heilige was. Zwakke plekken in Polaks handel en wandel zijn niet aan Hilberdinks aandacht ontsnapt. Zo is er de inconsequente houding van Polak in zijn streven naar gelijkberechtiging van homoseksuelen. Hij was fervent behartiger van hun belangen binnen het COC maar evengoed gaf hij een studie uit over de genezing van homofilie.
    Als bezwaarlijk ondervonden zijn handelspartners het, dat hij persoonlijke en zakelijke belangen verstrengelde. Het is één van de redenen voor het uit elkaar gaan van Johan Polak en Rob van Gennep die overigens nog steeds zijn naam aan de door Polak nagelaten uitgeverij verbindt.

    Uitwisseling van genegenheid en vriendjes
    Behalve de meer bekende schrijvers uit de tweede helft van de vorige eeuw komt een markante stoet figuren uit de ‘tegennatuurlijke’ letteren in Hilberdinks boek voorbij: Antoine Bodar of de destijds felbegeerde hetero Hans Plomp, die over zijn ervaringen met Polak Een somber herenboek schreef. Zo is J.B.W.P. naast het portret van een uitgever ook een staalkaart van figuren-van-het-eerste uur in de literatuur- en cultuur van de Nederlandse homowereld.
    Polak was er een vooraanstaande speler in. Bevrediging vond hij niet in de intieme ontmoeting met jongemannen maar in de uitoefening van macht over hen die hij volop kon kopen.’

    Met Gerard Reve, van wie Polak de emancipatoire De taal der liefde, Lieve jongens en soortgelijke boeken uitgaf, wisselde hij zelfs vriendjes uit. Later is het tot een breuk gekomen met de grote volksschrijver zoals met andere metgezellen die niet langer Polaks onberekenbare karakter verdroegen. Een wispelturigheid die menig lezer van Hilberdinks biografie zal fascineren.

  • Een mens van vlees en bloed

    Een mens van vlees en bloed

    Het is niet vreemd dat juist nu een vertaling wordt uitgebracht van Chelsea Girls uit 1994 van de Amerikaanse dichter en schrijfster Eileen Myles. Het boek landt te midden van andere levensportretten, variërend van Midden in een jazztijd (1931) van Knud Sønderby tot Roaring nineties (2016) van Jannah Loontjens en Moskouse nachten (2017) van Nigel Cliff. De vorm verschilt: mémoires, roman, filosofie en biografie, maar het zijn allemaal portretten van een generatie.

    Individuele verhalen
    Het lijkt wel of lezers in de geglobaliseerde wereld behoefte hebben aan individuele verhalen, om het even uit Denemarken, Nederland, Rusland of Amerika. Niet alleen vanwege het specifieke van een bepaalde tijd in een bepaald land, maar ook om overeenkomsten tussen mensen te zien, of, zoals Nigel Cliff in zijn weergaloze biografie over de Amerikaanse pianist Van Cliburn te midden van het Russische muziekleven schrijft: ‘Hoe meer ze over hem hoorden, hoe meer ze vonden dat hij “net als wij” was.’ Het lijkt of we dat in onze tijd nodig hebben: er met ons neus op te worden gedrukt dat mensen mensen zijn, waar, wanneer en hoe ze ook maar leven en zijn, of zoals Eileen Myles constateert: ‘De kroegen in Bath zijn net als overal.’

    Dichter
    Niet dat ze zich niet onderscheidt van andere kroeglopers, op seks beluste drugs gebruikende, lesbische vrouwen die ze lief heeft: ze is dichter! Dat betekent voor haar altijd ‘heilige of held, het dansende personage op het glas-in-loodraam van mijn ziel, de hand die zich langzaam door de tijd heen opricht, het gezoem dat mijn materiaal vastlegt tegen het sterke licht, mijn god, waarvoor ik leef.’
    Eileen groeide op met een alcoholistische vader op wie ze vaak moest passen en een moeder die bang was voor alles wat niet normaal leek. Zelf was ze bang om alleen te zijn, voor sommige plaatsen, bijvoorbeeld de weg naar de afkick-dokter. Afkicken had de uitwerking ‘van het platte oppervlak van een glasplaat [die] gleed over mijn gevoelens, alles gladgestreken en visueel.’ Behalve over haar gedichten, want die stroom bleef onverminderd helder op gang, wat aan de andere kant wel weer haar vermeende vreemdheid bevestigde.

    Lamlendig bestaan
    Het is een lichtpuntje in een lamlendig bestaan, dat met uitzondering van poëtische zinnen zoals die hiervoor werden geciteerd, soms al even lamlendig wordt beschreven. Er wordt gewacht op van alles en iedereen, nogmaals gewacht en nog steeds gewacht, op geld, op een baan, tot de elektra wordt afgesloten.
    Soms zitten er tussen al die lamlendigheid opeens juweeltjes aan herinneringen aan de kindertijd, soms nog niet eens anderhalve pagina lang, zoals ‘Mijn litteken’, opgelopen nadat ze met haar knie op de bodem van een fles Walkers sinaasappellikeur was gevallen. Want schrijven, dat kan ze!
    In achtentwintig hoofdstukken staat telkens een ander onderwerp centraal, wat leidt tot mooi afgeronde verhalen en verhaaltjes over een hond, haar vader, over vrienden en noem maar op. Met als refrein het door haar moeder aangeprate idee dat ze ‘niet normaal’ was, ‘dat was mijn leed.’

    13 februari 1982
    Het centrale hoofdstuk in het boek, ’13 februari 1982’, gaat over het verschijnen van Myles’ eerste dichtbundel. Allen Ginsberg bedelt om een handtekening, Robert Mapplethorpe – van wie tot en met 27 augustus a.s. werk te zien is in de Kunsthal Rotterdam (‘vertolkingen’ noemt Myles het) – had al een foto van haar gemaakt die het omslag van het boek siert en waar ze een schrijnend hoofdstuk aan wijdt. Over hoe hij slingerde door het huis van haar moeder, die hem maar niet ophing omdat ze geen passend lijstje had.
    In Nederlandse vertaling kenden we haar – voor zover was na te gaan – tot nu toe alleen van het voorwoord dat ze schreef bij het op deze site ook besproken I love Dick van Chris Kraus. Ook de uitgever hult zich in stilzwijgen over deze al dan niet eerste Nederlandse vertaling van haar werk, door Evi Hoste en Anniek Kool. Je zou haast zeggen: dat werd tijd. Of misschien beter: de tijd is er rijp voor. Zulke boeken zijn in ons huidige tijdsgewricht meer nodig dan ooit tevoren.

     

  • Stinkende lijven en slapeloze nachten

    Stinkende lijven en slapeloze nachten

    Dit jaar is het een eeuw geleden dat de Russische Revolutie plaatsvond. Die speelde zich af in etappes, met als hoogtepunten de maanden februari en oktober. De Amerikaan John Reed was er in oktober 1917 bij in de toenmalige hoofdstad van het tsarenrijk, Petrograd (Sint Petersburg), dat na 1924 zou worden omgedoopt tot Leningrad. Hij bundelde in 1919 al zijn aantekeningen in Tien dagen die de wereld deden wankelen. Nu, 100 jaar later, herdenkt uitgeverij Schokland de revolutie met een heruitgave van Reeds verslag.

    De oktoberrevolutie dus. ‘Als er één boek is dat je hierover moet lezen, dan is het dát wel’, zei uitgever Nils Buis in een interview met Literair Nederland. En het moet gezegd: de lezer wordt door Reeds boek compleet meegezogen in de chaos en hectiek die voor de inwoners van Petrograd gekmakend moet zijn geweest. De bolsjewisten, die als betrekkelijk klein clubje begonnen, zetten Rusland in een maand tijd (de ‘tien dagen’ van Reed duurden in feite wel wat langer) compleet op zijn kop. Door de februarirevolutie was er natuurlijk al voorwerk verricht. Tsaar Nicolaas II had in die maand al afstand moeten doen van zijn troon en was daarna naar Jekaterinenburg verbannen, waar hij in 1918 met zijn gezin zou worden vermoord. Hij was vervangen door een Voorlopige Regering (daarvan zouden er tussen februari en oktober drie verschillende op het toneel verschijnen).

    Reed blikt in de eerste hoofdstukken van zijn boek terug op die tijd en wat er op volgde, om de lezer een kader te schetsen van de verhoudingen en de veelheid van partijen en stromingen die elkaar in oktober naar het leven zouden staan. Dat is niet altijd gemakkelijke kost, maar Reed komt de lezer te hulp met negen pagina’s uitleg over partijen en organisaties die allemaal een rol speelden. Bovendien hebben de bezorgers van het boek achterin een uitstekend register opgenomen met verklaringen van personen, facties enzovoort.

    In zijn voorwoord schrijft Reed dat hij objectief wilde zijn, maar hij verhult niet waar zijn sympathie lag: ‘In plaats van een vernietingsmacht, schijnt mij dat de bolsjewieken de enige partij in Rusland waren met een constructief programma en met de macht om dat aan het hele land op te leggen.’

    Het eigenlijke ooggetuigenverslag van Reed begint in hoofdstuk IV, waarin hij de val van de Voorlopige Regering beschrijft. Het is dan 7 november, omdat Reed de Gregoriaanse tijdrekening gebruikt in plaats van de oude Russische kalender. Tussen die twee zat dertien dagen verschil.

    Hollen
    Waar ging het om? Dat wordt kernachtig geformuleerd door Nils Buis en Koen Wijnkoop in hun nawoord bij deze heruitgave: Rusland kende ‘een schatrijke bovenlaag van adellijken, industriëlen, religieuze machthebbers, grootgrondbezitters en gegoede burgerij’. ‘Het grootste deel van de bevolking bestond uit boeren, die praktisch nog onder middeleeuwse omstandigheden moesten leven. Extreme armoede en analfabetisme waren de regel.’ Dat is een beschrijving van de situatie in de 19de eeuw, maar die bestond in 1917 ook nog goeddeels. Hij was al de lont voor het kruitvat van februari geweest, maar toen waren de grote mannen, Trotski en Lenin, niet in het land. Dat was wel het geval in oktober. En zij wisten de onvrede geraffineerd te kanaliseren tot de nieuwe uitbarsting die het einde van bourgeoisie zou betekenen. John Silas Reed, die de lezers zouden kunnen kennen uit de indrukwekkende film Reds van Warren Beaty uit 1981, had al een behoorlijke ervaring als oorlogsverslaggever, toen hij in Petrograd neerstreek. Hij besefte toen al, zo blijkt uit zijn verslag, dat hij hier op een keerpunt van de wereldgeschiedenis stond.

    Hij holde in de stad van congres naar congres, van het Winterpaleis (zetel van de Voorlopige Regering) naar het Mariinski-paleis (van de Raad van de Russische Republiek) en het Smolny-instituut (hoofdkwartier van de bolsjewieken) en aan het eind nog even naar Moskou. Ondertussen begaf hij zich in samenscholingen op straat en vroeg hij functionarissen van allerlei pluimage, maar ook burgers, boeren en soldaten het hemd van het lijf. Daarbij vergat hij niet om exemplaren van decreten en verklaringen, waarmee de stad bijna elk uur opnieuw werd volgeplakt, en natuurlijk edities van kranten en pamfletten van alle partijen te verzamelen.

    Reed bestookt de lezer met een overvloed van die authentieke teksten die, al naargelang de bron, de macht claimen en de ander zwart maken. ‘Ik ben vijfenveertig jaar en in heel mijn leven heb ik nog nooit zoveel woorden gehoord als hier’, schrijft Reed. Zoals hiervoor al gezegd: de inwoners van Petrograd moeten er gek van geworden zijn. Dat word je als lezer ook een beetje, maar het is tegelijk een bewuste keuze van Reed om zo de volstrekte anarchie in de stad te laten zien.

    Ongewassen lichamen
    Reed is daarnaast ook een observeerder, niet alleen van meningen, maar ook van gedragingen en sferen. Het leidt tot mooie impressies, zoals deze van een vergadering van Sovjets van Arbeiders- en Soldatenafgevaardigden: ‘Op de rijen stoelen, onder de witte kandelaars, opeengepakt in de gangen en langs de wanden, op alle vensterbanken en zelfs op de rand van het podium wachtten de vertegenwoordigers van de arbeiders en soldaten uit heel Rusland in angstvallige stilte en opgewonden op het luiden van de voorzittersbel. De zaal was niet verwarmd, maar er hing een benauwde warmte van ongewassen mensenlichamen. Een stinkende blauwe wolk sigarettenrook steeg op uit de massa en maakte de lucht zwaar (…). Petrovski maakte naast zich een plaats voor me vrij. Hij was ongeschoren en vuil en duizelig van drie slapeloze nachten werken in het Revolutionaire Comité’.

    Elders geeft hij de ondergang van het grote keizerrijk beeldend weer als hij loopt ‘langs de kerk waar de graftomben van de tsaren lagen, onder de slanke gouden torenspits en het klokkenspel dat nog maandenlang iedere dag om twaalf uur ’s middags het “God behoede de Tsaar” bleef spelen’. Wie moet hierbij niet denken aan Radetzkymars van Joseph Roth, waarin de ondergang van het Habsburgse Rijk op een gelijksoortige manier wordt beschreven?

    Een dergelijke krachtig beeld voor het establishment dat nog steeds angstvallig vasthoudt aan de oude orde zien we in de scène waarin twee soldaten hun legerfietsen vastmaken aan de treeplanken van een gevorderde auto: ‘De chauffeur protesteerde hevig, er zouden krassen op de lak kunnen komen, zei hij.’

    Het zijn dit soort passages die de reportage, zoals de auteur zijn verslag zelf noemt, een levendigheid en een kleur geven die je in historische analyses niet zult aantreffen. Reed schetst een ommekeer in de wereldgeschiedenis die zich voltrok tussen stinkende lijven en in slapeloze nachten. Uit de eerste hand.

     

  • De lezer blijft peinzend en knikkend achter

    De lezer blijft peinzend en knikkend achter

    Ilse Starkenburg is geen dichteres van de complexe, moeilijk te ontwaren metaforen – zoals veel, met name jonge puzzelpoeëten dat tegenwoordig vaak wel zijn. Toch kan Starkenburg met haar relatief eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik in een schijnbaar simpele vergelijking hele universa oproepen. Maar waar dat in eerdere werken met verve werd uitgevoerd, blijft de beeldspraak in De boom valt op mij veelal jammerlijk steken in het oppervlakkige.

    In lijn met eerder werk zoomt ook Starkenburgs jongste bundel in op de gemakken en ongemakken van het menselijk contact. In dit geval vooral de ongemakken, aangezien vooral gevoelens van vervreemding prominent door de regels dreunen. Dit is niet de vervreemding op de moderne manier zoals die vaak aan de kaak gesteld wordt: toenemende eenzaamheid, individualisering, afstomping en stress door social media en smartphones gepaard met een vervreemding van de fysieke wereld en maatschappij waar mensen deel van uitmaken. Kritieken hierop zagen we in recent poëtisch werk van Eva Rovers, Thomas Möhlmann en de duettenbundel van Ilja Leonard Pfeijffer en Erik Jan Harmens.

    Nee, de vervreemding die Starkenburg in haar hoofdletterloze gedichten belicht is van een zuiverder orde. Zo beschrijft zij in het naar een Grieks eiland vernoemd gedicht ‘Santorini’ hoe de mens natuur thans ziet als iets dat buiten de samenleving ligt, als een uitstapje waarvan je uiteindelijk weer terugkeert – in plaats van de leefomgeving waar wij inherent onderdeel van uitmaken:

    ‘ik bekijk de rotsen en de zee
    alsof ik in een dierentuin
    langs kooien loop waar
    rotsen en zee in opgesloten zijn’

    Ook de vervreemding die volwassenen ervaren ten opzichte van het leven als kind en jongere, waarvan de vaste zekerheden zijn weggevallen en hebben plaatsgemaakt voor eigen en opgelegde verantwoordelijkheden, komt aan de orde. Het gedicht ‘gedachteoefening’ begint typisch Starkenburg ogenschijnlijk met een doodgewone, haast zakelijke observatie:

    ‘gisteren was een feestdag
    vandaag is
    een gewone dag
    die zijn naam deelt
    met vele andere dagen

    alsof hij iets gemeen heeft
    met die naamgenoten’

    Ze beschrijft met zeer simpel en staccato taalgebruik hoe naamaanduidingen ogenschijnlijke overeenkomsten kunnen suggereren die er in werkelijkheid niet zijn. Dan, in de laatste strofe:

    ‘vroeger was dit de dag
    dat ik gymnastiek had
    maar ik heb geen gymnastiek meer
    terwijl, er bleven dinsdagen komen’

    Ineens gaat het gedicht tevens over verdwijnende zekerheden waar een mens voorheen nog op kon terugvallen. Met eenvoudige taal en korte regels weet Starkenburg beelden op te roepen waarin diepe inzichten en gevoelswerelden besloten liggen. Een zeer knappe gave, die ook in de gedichten ‘Horizontale boom’ en ‘Haputt’ kundig naar voren komt.

    Helaas zijn niet alle gedichten van bovenstaand niveau. Met name in de tweede helft van de bundel slaat de kracht van Starkenburg, het oproepen van complexe emotionele situaties met simpel en direct taalgebruik, om in een zwakte. Dan resteren vaak enkel wat eenvoudig geformuleerde regels – en blijft de diepgang achter. Zoals in het gedicht ‘De dochter van’:

    ‘ik ben bezig schriften na te kijken
    de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

    ik maak een krul, ik zet een streep
    de zon schijnt onverbiddelijk naar binnen

    lees ik hier dagboeken van andere kinderen
    ik lach ze niet uit, ik lach ze toe

    ik zit schriften na te kijken
    ik kom mijn eigen handschrift tegen

    welk cijfer moet ik mij nu geven
    ik maak een aarzelende krul’

    Ontbreken van dieper inzicht
    Het thema en de opbouw van het gedicht hebben alle ingrediënten voor een typisch Starkenburgiaans poëem, dat de lezer peinzend en knikkend achterlaat. Toch komt een eventueel dieper inzicht hier niet aan, omdat het ontbreekt aan die diepere laag. Aan deze kwaal lijden veel gedichten in de bundel, waardoor ze blijven steken in het oppervlakkige.

    Het meest spijtige aan De boom valt op mij is dat veel van de mindere gedichten wel schreeuwen van potentie. Dat is met name in het geciteerde ‘De dochter van’ te proeven. Had een iets meer gelaagde schrijftrant, een iets minder recht-voor-zijn-raap-stijl tot een bevredigender resultaat geleid?, aldus vraagt de lezer zich af.

    Het antwoord lijkt ja. En niet alleen omdat dit te voelen is in de gedichten uit de bundel die wel geslaagd zijn. In eerdere boeken bewees Starkenburg haar talenten al. Sla eens haar laatste dichtwerk van alweer tien jaar geleden, Gekraakt klooster, open. De ene na de andere poëtische parel passeert in die bundel de revue, met citaten als ‘we spraken / van die wittewijzinnen’. Mocht u die bundel in handen krijgen, lees dan het gedicht ‘met iemand wachten’, over een sleets wordende relatie. Of raadpleeg in de nieuwe bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer Starkenburgs gedicht ‘de misstap’, dat de plek in die imposante poëziecollectie dubbel en dwars verdiende.

    Hoewel De boom valt op mij een aantal echt indrukwekkende hoogtepunten kent, mag van een gedistingeerd dichteres als Ilse Starkenburg meer worden verwacht. De meeste gedichten blijven achter bij het niveau dat de auteur eerder toonde. De uitschieters in de nieuwste bundel bewijzen dat Starkenburg nog steeds over haar talenten beschikt. Hopelijk komen die in een toekomstige bundel weer prominenter naar voren.

     

     

  • Anekdotes en essays

    Anekdotes en essays

    Of het niet wat pretentieus is, je debuut Vroege werken noemen, is de vraag op de achterflap. Behalve van ironie, getuigt het ook van lef, wat eigenlijk wel past als het gaat om een essaybundel – niet bepaald het populairste genre in de letteren. Maar waarom ook niet? ‘Ik begin graag bij het begin en laat bescheidenheid liever over aan betere mensen,’ ‘antwoordt’ Jan Postma (1985) op deze vraag. In Vroege werken brengt hij vijftien essays bijeen, met uiteenlopende onderwerpen als zijn bewondering voor Josseph Brodsky, rood haar of een muizenplaag.

    Postma’s essays zijn soms scherp, soms wat lichtzinnig, in ieder geval vaak speels geformuleerd. In ‘Ga door, maak ons gek’ buigt hij zich over de tentoonstelling Selfmade die in 2014 te zien was in het Letterkundig Museum (inmiddels omgedoopt tot Literatuurmuseum) in Den Haag. De tentoonstelling bestond uit selfies van Heleen van Royen rond thema’s als, onder andere, liefde, seks, vergankelijkheid. Veel bloot, misschien meer dan je zou willen. ‘Ik kan de kut van Heleen van Royen dromen,’ opent Postma zijn stuk.

    Maar al snel verlegt hij zijn aandacht van het onderwerp van de foto’s en de reacties daarop (‘exhibitionistisch’) naar de omgeving van Van Royen. Het interessantste aan haar, schrijft Postma, zijn de mannen om haar heen. ‘Wat was er aan de hand? Heleen van Royen was in control. Ze hoefde niets te doen om de hele tafel [van De wereld draait door] tot een stelletje bumbling fools te reduceren.’ Mooie observatie.

    Verdwaling
    De meeste stukken in Vroege werken zijn (deels) eerder gepubliceerd, in literaire bladen als Das Magazin of De Gids, of in tijdschriften als De Groene Amsterdammer, waar Jan Postma ook redacteur is. Veel van de essays ‘neigen naar waargebeurde verhalen’, in Postma’s eigen woorden. Het zijn veelal verslagen van reisjes of vakanties en overdenkingen daarbij, zoals wanneer hij schrijft over de dorpsgemeenschap in Westkapelle of in het essay ‘Snorkelen in een massagraf’. In dit essay koppelt hij zijn reis naar Sicilië aan immigratieproblematiek en het werk van de essayiste Rebecca Solnit.

    Wat het essay is, is niet zo eenduidig. Het genre is weinig vormvast, wat door de beoefenaars juist ook als het wezenskenmerk wordt beschouwd, schrijft Postma in het inleidende stuk ‘Alledaags narcisme’. In zijn definitie is het, onder andere, ‘een verdwaling’ en ‘een wandeling waarbij zo nu en dan het een en ander wordt opgeraapt, niet per se om het te wegen of een oordeel te vellen, maar ook om het even te bekijken’. Zo moeten de essays in Vroege werken inderdaad gelezen worden.

    ‘Bewondering & ballingschap’ is met bijna vijftig pagina’s het langste essay uit Vroege werken. Het gaat over Joseph Brodsky, maar Postma verdwaalt graag tijdens deze wandeling. Stukken over de Russische dichter worden afgewisseld met particuliere anekdotiek, over een toevallige ontmoeting in het bos, de gelegenheden wanneer hij iets van Brodsky leest en een lezing van Zadie Smith. Waar Postma heen wil, wordt niet altijd duidelijk. Dat zou op zich ook niet zo’n probleem zijn als de omwegen die hij neemt dan in ieder geval de moeite waard zijn. Maar dat valt – ook in andere essays – helaas nog wel eens tegen.

    Het eigen, kleine narcisme
    Een persoonlijke inzet bij essays is te prijzen, maar niet geheel zonder gevaar. De mate waarin de schrijver aanwezig is in zijn teksten kent een delicate balans. De eigen ervaring kan een mooi vertrekpunt vormen, maar het wordt oppassen als het de reis zelf wordt. Exhibitionisme ligt al snel op de loer – precies de reactie op de foto’s van Van Royen. Had het meer te vertellen dan alleen het tonen van het eigen ik?

    Jan Postma gaat niet voorbij aan deze overwegingen: ‘Ik moet voorzichtig zijn. Narcisme is tenslotte iets.’ Maar de valkuil aanwijzen is niet hetzelfde als er met een boog omheen lopen. Van veel herinneringen, anekdotes en ontboezemingen is de vraag wat ze toevoegen. Een enkele persoonlijke noot is geen probleem, maar alles bij elkaar is het wel wat veel. Postma is op zijn sterkst als hij een ander onderwerp heeft om over te schrijven dan zichzelf.

    ‘Het mag niet verwonderlijk heten,’ schrijft Postma met de guitige ondertoon van ironie, ‘maar mijn eigen, kleine narcisme blijft me, in tegenstelling van dat van een amorfe groep anderen, gemakkelijk boeien.’ En dat blijkt in Vroege werken. Maar het is ook niet verwonderlijk, als dat voor de grote amorfe groep, de lezers, wellicht wat minder geldt.

     

  • Couperus op pad

    Couperus op pad

    Er zijn maar weinig Nederlandse schrijvers van het begin van de 20ste eeuw of  langer geleden die nog gelezen worden door het hedendaagse literaire publiek. En nog minder schrijvers hebben een Genootschap dat hun werk onder de aandacht probeert te brengen. Het Multatuli genootschap, is er één, ook du Perron heeft zo’n bewonderaarsgroep. En Louis Couperus natuurlijk. Zijn genootschap organiseert sinds 21 mei 2017 in het Louis Couperus Museum de tentoonstelling ‘De Oriënt verkend. Op reis met Louis Couperus en Marius Bauer’. En bij gelegenheid van die tentoonstelling bracht uitgeverij Bas Lubberhuizen het boek Couperus in de Oriënt uit, een bewerking van het in 2009 verschenen en door José Buschman geschreven Een dandy in de Oriënt. Louis Couperus in Afrika.

    Reizen in stijl
    We kunnen ons nu geen voorstelling meer maken van de wijze waarop vroeger gereisd werd door de beter gesitueerden van die tijd. Het dienstverlenende personeel werkte voor een schijntje en het was heel normaal dat reizigers hun bedienden meenamen. En de huidige beperking van kilo’s bagage was toen ook een stuk royaler: 160 kilo mocht mee in de trein. Couperus – die met zijn vrouw reisde, geen bedienden meenam, maar zich liever in luxe hotels  liet verwennen – vond dat wat weinig, maar het belette hem niet om heel wat reizen te ondernemen in West-Europa.

    Een bezoek aan de Oriënt viel nogal buiten dat stramien. Dat hij daar in 1920 toch voor een half jaar heen reisde was op verzoek van S.F. Van Oss, oprichter en hoofdredacteur van de Haagsche Post. De teruglopende verkoop van zijn boeken bracht Couperus in 1909 tot het besef dat hij zich moest toeleggen op het in kranten en bladen publiceren van feuilletons, schetsen en korte verhalen. Zijn reizen door Europa en zijn jarenlang verblijf in Italië en Frankrijk gaven voldoende stof voor anekdotische stukjes en de ik-vorm waarin ze geschreven werden maakte ze voor de lezer extra leesbaar.
    Ze verschenen in het dagblad Het Vaderland en het weekblad Haagsche Post.

    In 1920 wilde Van Oss zijn lezers trakteren op een reisverslag-in-feuilleton-vorm van zijn ster-medewerker en stelde voor dat Couperus naar Noord-Afrika zou gaan. Met een royale onkostenvergoeding en een – voor die tijd vorstelijk – honorarium van 400 gulden per aflevering.
    In oktober 1920 gingen Couperus en zijn echtgenote op reis en in de daarop volgende 6 maanden zond hij 20 reisverslagen naar Nederland.

    José Buschman, mede-samensteller van de tentoonstelling in het Couperus Museum, vat in Couperus in de Oriënt elk van die 20 reisverslagen samen in één of twee boekpagina’s.
    Dat maakt een wat vreemde indruk, want het lezen van Couperus eigen proza wordt daardoor eigenlijk overbodig gemaakt.

    Lichte kost
    Maar het past wel in de opzet van Buschman, die in haar boek vooral wil duiden wat Couperus met zijn stukken wilde bereiken. En dat was goedbeschouwd eigenlijk niet zo heel veel. De reis door Algerije en Tunesië  gaf hem de mogelijkheid met zijn pen te beschrijven wat hij zag en dat was vooral de schoonheid van de landschappen en steden en mensen van de Oriënt.

    Hoofdredacteur-eigenaar van Oss van de Haagsche Post wilde een serie lekker leesbare stukken over de Oriënt en daarin ook graag wat praktische reistips. En Couperus voldeed daar in ruil voor het royale honorarium graag aan. Kritische literaire tijdgenoten vonden wat hij in het blad schreef (en in boekvorm publiceerde)  nogal babbelig en overdreven enthousiast, maar het was wel precies wat van Oss de lezers van zijn blad wilde bieden. Om die reden – betoogt José Buschman – meed Couperus ook om zware onderwerpen aan te snijden. Het leven van de vrouw in dit islamitische land ging aan hem voorbij, al viel het hem wel op dat hij weinig vrouwen op straat zag. De islam zag hij vooral als een melancholieke godsdienst van mensen die het lot accepteerden zoals het kwam. En dat had iets verhevens in de ogen van deze verwende dandy en poseur. Ook de nogal hardhandige koloniale stijl van de Fransen zag hij niet, evenmin als de armoede van het grootste deel van de bevolking. Buschman draagt talloze voorbeelden aan van andere reizigers die zich beter hadden voorbereid dan Couperus, ook minder luxueus reisden en daardoor meer contact met de bevolking hadden. Ze spaart Couperus haar kritiek niet, maar reikt wel enkele excuses aan: Couperus kwam zelf uit een voornaam koloniaal nest en vond sommige zaken normaal waar anderen over vielen.

    Couperus-liefhebbers kunnen natuurlijk niet genoeg details lezen over wat hun favoriete schrijver allemaal beleefde en José Buschman heeft haar uiterste best gedaan hen te plezieren. Elk hotel dat Couperus bezocht wordt belicht, inclusief de andere groten die daar verbleven hebben. Elke kunstenaar die hij noemt in zijn 20 reisverslagen krijgt een biografie. Voor de gemiddelde lezer zal dit wat véél van het goede zijn en de neiging af en toe een paar pagina’s over te slaan is soms moeilijk te weerstaan. Maar toch, al snel wekt een afbeelding weer belangstelling voor de bijbehorende tekst in het relaas. Couperus in de Oriënt is een grondige, gedetailleerde en goed geschreven studie van wat eigenlijk géén hoogtepunt was in het oeuvre van Couperus. Maar dankzij de sympathiserende en toch kritische betrokkenheid van de schrijfster lees je haar zoektocht naar Couperus toch met genoegen. Dat deze uitgave een groot aantal illustraties bevat en zeer verzorgd oogt, draagt daar ook toe bij.

     

  • De caleidoscoop van Anna

    De caleidoscoop van Anna

    Betoverend mooi vonden we het als kind, zo’n bedrieglijk eenvoudige kijkbuis (waarvan de naam al net zo betoverend bleek te zijn) waarin aan het uiteinde gekleurde splintertjes zaten die, als je de kijker ronddraaide, steeds andere kleurige vormen aannamen – iedere keer weer anders maar telkens één symmetrisch geheel. Het maakte niet uit hoe je de kijker draaide, steeds opnieuw pasten de splintertjes precies in elkaar en maakten zo steeds een nieuw figuur.

    Een vergelijkbare ervaring roept het boek Anna in kaart gebracht van de jonge Tsjechische schrijver Marek Šindelka (1984) op. Deze roman verpakt als verhalenbundel is een caleidoscopische vertelling rondom het leven van Anna en haar ontwikkeling van jong meisje tot volwassen vrouw. De afzonderlijke verhalen passen, net als de gekleurde splintertjes in de kijker, steeds op een andere manier in elkaar en vormen zo gezamenlijk het totaalbeeld van dit boek, dat na elk gelezen verhaal in de bundel steeds weer iets verschuift en verandert. Anna is een kind van de generatie Y, waarmee haar levensverhaal ook gaat over onze moderne tijd en menselijke verhoudingen onder invloed van digitalisering, medialisering en globalisering. Aan de ene kant bevat het boek filosofische bespiegelingen over taal en betekenis, economische en politieke ontwikkelingen en de nieuwe virtuele werkelijkheid die we hebben geschapen met zoekmachines, facebookvrienden, elektronisch geld en avontuurlijke videogames. Verschillende personages merken op welk effect dit heeft op hun dagelijkse functioneren, hun relaties en hun herinneringen en toekomstbeeld. Hiermee wordt het geestelijk leven van de moderne mens getoond, waarbij de mate van intellectuele dan wel existentiële worsteling varieert per karakter. Daartegenover plaatst Šindelka nadrukkelijk het lichamelijke, door zintuiglijke waarneming en fysieke sensaties tot in de kleinste details te beschrijven. Deze twee elementen zijn factoren van belang in de zoektocht naar (de betekenis van) identiteit; hoe wordt die gevormd? wat of wie zien anderen als ze naar ons kijken? hoe verhouden we ons tot die anderen? en hoe zien wij onszelf?

    Fysiek
    Hoe Anna zichzelf ziet wordt niet helemaal duidelijk in dit boek, wel hoe zij zich verhoudt tot anderen: we kijken mee met de mensen om haar heen, zowel direct betrokkenen als personages die zijdelings of via een omweg verbonden zijn met Anna’s leven. Alleen in het titelverhaal naderen we Anna’s binnenste, als de verteller haar in de tweede persoon aanspreekt en Anna en haar leven betekenis geeft aan de hand van haar lichaamskenmerken; de lippen van haar moeder en grootmoeder, de linkermondhoek van haar vader, haar neus en handen en voeten die haar zo onzeker maakten tijdens de puberteit: ‘Je werd voor het eerst verliefd en je zag tot je schrik wat er onder zulke omstandigheden met het menselijk lichaam gebeurt. Alsof je rijbewijs voor je gestel wordt ingenomen. Je wordt plotseling onaangenaam alert op je eigen bewegingen, je handen reiken bijvoorbeeld naar een beker en je ziet: de handen van een idioot’. De verteller beschrijft Anna’s coming of age aan de hand van de kaart van haar lichaam, met aandacht voor kenmerkende delen die iets zeggen over bepaalde karaktereigenschappen, zoals het minuscule rimpeltje tussen haar wenkbrauwen, ‘een stempel van je intelligentie. Hij verscheen elke keer als je ergens twijfels over had, als je het ergens niet mee eens was of iets weigerde. Als je bereid was om dingen te veranderen, als je ondanks alles en iedereen je eigen weg volgde’. Het lichaam en het gezicht vormen de verbinding met en tegelijkertijd een buffer tegen de buitenwereld. Lichaamshouding en gelaatstrekken maken de betekenis van het innerlijk zichtbaar, zijn de uiterlijke ‘vertaling’ van gedachten en emoties, voor omstanders te lezen en te interpreteren – maar daardoor ook vatbaar voor misverstanden en onbegrip.

    Dat de indruk die wij hebben van de ander niet altijd overeen komt met de werkelijkheid wordt pijnlijk duidelijk in het verhaal De schelp. Hierin wordt de ongelukkige relatie tussen Sylvie en Martin beschreven, die meer uit wederzijds medelijden dan uit liefde bij elkaar blijven, maar dat niet van elkaar weten. Martin worstelt met Sylvies kilheid en eenzaamheid: ‘Hij zag Sylvies ijsgladde buitenkant, zijn handen gleden erop weg, er was niets om je aan vast te pakken, niets om je aan vast te houden’. Sylvie op haar beurt voelt weerstand tegen Martin vanwege zijn gemaakte en ongemakkelijke omgang met zijn eigen lichamelijkheid: ‘Martin was kwaad, maar op een compleet verkeerde manier. Hij kon het niet. Hij was net een kitten. Een woedend jonkie van iets. Met zijn woede eiste hij aandacht. Sylvie had al eerder gemerkt dat Martin zich volstrekt geen raad wist met zijn fysiognomie’. Verderop in de bundel blijkt dat Martins onvermogen om woede op de juiste manier te tonen erfelijk is, waarmee voor de oplettende lezer ook duidelijk wordt hoe dit echtpaar verbonden is met Anna.

    Gezichtspunt
    Het doorgeven, spiegelen of kopiëren van karaktereigenschappen of lichaamshoudingen is een terugkerend thema in Anna in kaart gebracht – zowel in de relatie tussen personages, als tussen de verhalen onderling. Op een geraffineerde manier versterkt dit het caleidoscopische effect van dit boek; dezelfde elementen die in een andere context of relatie tot elkaar worden geplaatst kantelen het bestaande beeld en geven het nieuwe betekenis. Voortdurend zijn er details die in of binnen verschillende verhalen opduiken en daarmee een laag toevoegen of een frisse blik op de zaak werpen en zo bijdragen aan het in kaart brengen van de wereld van Anna. In De estafette wordt prachtig beschreven hoe de subtiele irritatie die een treinreizigster (Anna?) opwekt, steeds verspringt van medereiziger naar medereiziger. In De architect wordt de afgang van een architect gespiegeld aan de opkomst van zijn opvolger, een jonge architectuurstudent die het verhaal eindigt zoals het voor de architect begon: met een vrijpartij en een bloedende lip. In het verhaal Een kopie ten slotte maken we kennis met Matěj die populair is omdat hij zich snel aan iedereen aan kan passen door hun gedrag en eigenschappen te kopiëren, maar daardoor zelf een lege huls blijft. Vooral dit laatste verhaal verknoopt op scherpzinnige wijze het leven van toevallige voorbijgangers met dat van Anna.

    Zo ingenieus als de constructie van Anna in kaart gebracht is, zo doordacht is ook de stijl waarmee deze omkleed wordt. Šindelka geeft blijk van een scherp observatievermogen en beschikt over een ruim arsenaal aan formuleringen en vergelijkingen waarmee hij uitdrukking en betekenis geeft aan dat wat hij voor zich ziet. Dat de kracht en de energie van Šindelka’s taalgebruik ook in het Nederlands overeind blijven is een grote verdienste van vertaler Edgar de Bruin. Op verschillende plaatsen uiten personages stuwende woordenvloeden in geagiteerde monologen, terwijl sommige dialogen juist droog en understated zijn – beide even overtuigend en zonder overigens de verhalen uit evenwicht te brengen. Het zijn juist precies in elkaar passende onderdelen van het symmetrische caleidoscopische geheel. Bedrieglijk eenvoudig en betoverend mooi.

  • ‘Onkreukbaar, rechtschapen, moedig en integer’

    ‘Onkreukbaar, rechtschapen, moedig en integer’

    Advocate Britta Böhler, bijzonder hoogleraar Advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam, heeft een idool: Atticus Finch. Hij is de hoofdpersoon in To Kill a Mockingbird, de klassieke coming of age-roman van Harper Lee. Een dapper man, die ingaat tegen de publieke opinie van het Zuidelijke stadje Maycomb door zich op te werpen als verdediger van een zwarte jongen die een blank meisje zou hebben verkracht. ‘Hij is het boegbeeld van de “goede advocaat”’, zegt Böhler over Finch: ‘onkreukbaar, rechtschapen, moedig en integer’. Het oordeel is te lezen op de eerste pagina’s van De goede advocaat, het boekje dat Böhler zojuist heeft geschreven bij wijze van antwoord op de veelvuldig gestelde vraag van studenten die na hun rechtenstudie overwegen om advocaat te worden: ‘wat is een goede advocaat’. Atticus Finch bestaat niet echt, verzekert de schrijfster, maar fungeert nog steeds als icoon. We weten inmiddels dat Finch met een klap van zijn voetstuk is gevallen. Boegbeeld? Hij heeft wel degelijk bestaan en was een overtuigd racist, lid van een plaatselijke afdeling van de Ku Klux Klan.

    Zou een advocaat met racistische opvattingen een goede advocaat kunnen zijn? Böhler laat zien dat een advocaat bepaalde grenzen moet kennen: hij mag niet liegen, hij mag niets doen wat bij de wet verboden is, hij mag zelf geen strafbare feiten plegen en hij mag ook zijn cliënten niet behulpzaam zijn bij het plegen van strafbare feiten. Het privégedrag van de advocaat gaat in principe niemand iets aan, maar het kan zijn beroepsuitoefening in de weg staan en dan kan hij tuchtrechtelijk op de vingers worden getikt. Een kwestie van afweging, niet zwart of wit. Een strafbaar feit is volstrekt onaanvaardbaar, maar een verkeersdelict kan er mee door, aldus Böhler. Ze signaleert verschuivingen in de opvattingen daarover: ‘Zo’n twintig jaar geleden vond de tuchtrechter nog dat een in een kroeg uitgedeelde klap (…) tuchtrechtelijk niet relevant was. Maar inmiddels worden advocaten die in een vechtpartij verwikkeld zijn geraakt wel degelijk door de tuchtrechter op de vingers getikt’. Het hangt er dus maar vanaf, hoewel Böhler zelf blijkbaar een hoge standaard hanteert. De advocaat moet zich privé ‘fatsoenlijk en liefst voorbeeldig’ gedragen, zegt ze. Het vertrouwen in de advocatuur mag niet worden beschaamd.

    We krijgen vooral de buitenkant van het advocatenbestaan te zien in De goede advocaat. Böhler bespreekt de advocatuur als professie, het advocatenkantoor, de relatie tussen advocaat en cliënt, aanklager en rechter, de rol van de advocaat in de media, de advocaat als hoeder van het recht en de toekomst van de advocatuur: geen systematisch opgezet handboek, eerder een luchtige causerie met af en toe wat voorbeeldjes uit de praktijk. Het beroep van advocaat is een professie, aldus de schrijfster, en ze laat zien welke volgens haar daarvoor de bepalende elementen zijn: een speciale deskundigheid, een eigen beroepsethiek, een vorm van dienstverlening en de realisering van een maatschappelijke waarde. De vraag is in hoeverre deze professie verschilt van andere beroepsgroepen. Ook beroepsdieven, dominees, fysiotherapeuten, makelaars en beroepsvoetballers vormen een professie, al kun je van mening verschillen over wat precies de ‘maatschappelijke waarde’ inhoudt. Een principieel verschil is in ieder geval de erkenning door de overheid en sanctionering door de wet. In dat opzicht hebben advocaten een geprivilegieerde positie.

    Veruit de boeiendste onderwerpen die Böhler aansnijdt betreffen de veranderingen in het Nederlandse juridische bestel: het strafproces ontwikkelt zich van een inquisitoir stelsel tot een accusatoir stelsel, oftewel er vindt een ‘verharding’ plaats van het klimaat. Het Openbaar Ministerie gedraagt zich steeds minder magistratelijk, volgens de schrijfster, en steeds meer als ‘partij’. Dat verstoort het evenwicht tussen advocaat en officier van justitie, waarvan de advocaat (en naar we mogen aannemen zijn cliënt) de dupe zou zijn. Ook de ontwikkeling waarbij de gang naar de rechter steeds meer wordt gezien als het enige middel om conflicten op te lossen, leidt tot ingrijpende consequenties: de rechtspraak wordt zo langzamerhand te duur. De toenemende invloed van de media hangt hier mee samen. Sommige advocaten hebben zich ontpopt tot beroemdheden die gretig aanschuiven bij praatprogramma’s op de Nederlandse tv. Böhler heeft daar zelf ook een handje van. Het is niet louter ijdelheid, stelt ze, maar het dient ook de belangen van haar cliënten. Tja, als je voor die belangen afhankelijk bent van gebabbel op de tv, is er ongetwijfeld reden tot zorg.

    In het licht van die advocatenglamour op tv zou je denken dat het antwoord op de vraag van Böhlers studenten nogal simpel kan zijn: een goede advocaat is iemand die zijn zaken wint, een hired gun die de rechtbank versteld laat staan met zijn onweerlegbare pleidooien, iemand wiens telefoonnummer iedere gangster uit zijn hoofd kent. Nou nee, Britta Böhler is van de beschaafde, ethisch bevlogen soort. Inderdaad, nog steeds de niet-bestaande Atticus Finch uit To Kill a Mockingbird: ‘de goede advocaat van de toekomst’, zegt ze, ‘is een advocaat met een groot ethisch bewustzijn en met voldoende professionele moed om de ethiek in de praktijk te brengen’.

     

     

  • Een rasechte lyricus aan het woord

    Een rasechte lyricus aan het woord

    ‘geen ander antwoord’ zijn drie woorden uit de verantwoording van deze bundel gedichten van Frans Kuipers (Vught, 1942). Gewoonlijk staat in zo’n verantwoording dat sommige gedichten in iets andere vorm elders al eens gepubliceerd zijn of wordt de aanleiding van een bepaald gedicht nader toegelicht. In dit geval is dat anders. Frans Kuipers schrijft in de verantwoording van de bundel Geen ander antwoord hoe hij tot de poëzie is gekomen. Een beginselverklaring tot slot dus, want de tekst is de laatste in het boekje. Bovendien besluit deze tekst de veertiende bundel (sinds 1965) die van Frans Kuipers verschijnt, we hebben hier dus – ondanks het beginsel – allesbehalve met een beginneling te maken.

    Of het veel verduidelijkt is een andere vraag, en het is zelfs de vraag of verduidelijking überhaupt wel de bedoeling is. Kuipers zegt in zijn verantwoording: ‘Dank ben ik verschuldigd aan stilte en straatgewoel’ en ‘Schatplichtig ben ik aan de raadselachtigheid van wereld en wezens en niet neergelegd heb ik mij bij de faillietverklaring van de fantasie door de eerste beste sterrennacht.’ Frans Kuipers is – dat moge terstond duidelijk zijn – een rasechte poëtische lyricus. Zijn vormentaal is gevarieerd, zijn vergelijkingen buitelen vol afwisseling door elkaar, het woordgebruik is dan weer uitbundig, dan weer stil. Aan neologismen geen gebrek. Een volle pagina dichterlijk proza past naadloos tussen de gedichten.

    Ik is het spookhuis, ik is het ongeregelde zootje,
    ik is de verenigde staten in voortdurende verandering,
    ik is de baas van het beestenspul maar niet heus.   

    Dit is heus: van oudsher oproerkraaiers kameraad,
    sympathiserend met outsider en zoetwaterpiraat,
    ik zei de gek zal u zeggen waar het om gaat:
    een paar regels recht voor zijn raap
    het duister in dichterlaaie te zetten.


    Knipogend

    Frans Kuipers’ gedichten zijn nu eens anekdotisch en autobiografisch, dan weer lyrisch, soms alleen maar talig en een andere keer vooral een observatie van de natuur. En onwillekeurig hoor je af en toe de echo van een andere dichter. ‘Ik ben je hei, je kroossloot en wei’… doet dat niet denken aan ‘Je bent de wolken en je bent de hei’ van J.A. dèr Mouw? Zijn de ‘Tabernakels juvenaten putlucht’ geen heimelijke knipoog naar Lucebert? De talrijke gedichten waarin de zee, de branding en de stilte hoorbaar zijn, in twee verschillende afdelingen die beide ‘Schapeneiland’ heten … beluisteren we daarin niet de weerklank van de prins der zeedichters A. Roland Holst? En aan wie doet het werk van Kuipers nog meer denken? Hanlo, Engelman, Achterberg, Kouwenaar …  Met zijn eigen mix van woorden, beeldcombinaties en dissonante wendingen vertolkt Kuipers echter een overtuigend eigen geluid.

    Tabernakels juvenaten putlucht,
    dat dorpje is verdwenen en de idioot is dood.

     Gebleven alleen
    de tjilpemus op zijn twijgje deinend.

     Uit droomstof bekokstoofd
    en eeuwig bent u: weegbree, herderstas.

     Putlucht juvenaten tabernakels,
    gisterens verloren zoon is vandaags verdwaalde vader.


    Voegend naar het leven

    Het is zoals vaak een kwestie van je openstellen voor een leeservaring. Dat ook een dichter als Kuipers, net als iedereen onvermijdelijk ouder wordend, zich voegt naar wat het leven kennelijk van je vergt blijkt uit de nostalgie die uit sommige anekdotische verzen spreekt. Zie bijvoorbeeld het prachtige gedicht op p. 42 waarin een herinnering aan vroeger verbonden wordt met de actualiteit van nu – en de toekomst: “… opeens de herinnering aan die andere bus // lang gelden genomen toen …”. En de dichter ging “… en gaat nog steeds.” Hijzelf beleeft daar kennelijk plezier aan, gezien de toenemende frequentie waarmee in de loop der jaren zijn bundels poëzie verschijnen. Op de vraag of de lezer daarmee z’n voordeel kan doen is er ‘geen ander antwoord’ dan: ja.

     

     

    ,
  • Vertaling jeugdwerk Paustovski herzien

    Vertaling jeugdwerk Paustovski herzien

    Konstantin Paustovski  (1892-1968) staat de laatste jaren weer volop in de belangstelling. In 2016 verscheen Goudzand. Verhalen, dagboeken, brieven. Begin 2017 is het eerste van drie delen van zijn hoofdwerk Het verhaal van een leven verschenen in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Eerder, tussen 1967 en 1984, bracht de Arbeiderspers dit werk al uit, in zes delen Privédomein. Wim Hartog is de man die Paustovski een Nederlandse stem heeft gegeven. Wim Hartog vertaalt niet alleen met grote toewijding het werk van zijn geliefde auteur, maar is ook verantwoordelijk voor annotaties en aantekeningen. Een citaat uit een artikel van Bert Wagendorp (de Volkskrant, 25 juni 2016) naar aanleiding van het verschijnen van Goudzand: ‘Als ik soms de Nederlandse Paustovski word genoemd, dan is dat voor mij geen aantasting van mijn ego, maar een geuzennaam.’

    Autobiografische roman
    Hartog tekent ook voor de vertaling van Paustovski’s eerste, sterk autobiografische roman, De romantici. Hij vertaalde het werk voor het eerst in 1995, een tweede druk is uit 2000. De derde herziene druk  (februari 2017) vult hij aan met aantekeningen en verwijzingen naar foto’s en brieven in Goudzand. 

    De oorspronkelijke titel van De romantici luidt Romantiki, roman. Bij de Nederlandse vertaling ontbreekt de ondertitel roman. Het boek bestaat uit drie hoofdstukken – Het leven, Hoe het begint en hoe het eindigt en Grauwe oorlogsdagen. Ter afsluiting een nawoord van Paustovski’s zoon Vadim en aantekeningen van de vertaler.

    Zwerversbende
    In Het leven maken we kennis met de studenten, Aleksej, Stasjewski, Garibaldi en Maksimov. Zij brengen het advies van hun leraar Duits op het gymnasium, ‘de oude Oskar’ in praktijk: ‘Conformeer je niet! Ga rondtrekken, wees een zwerver, bemin vrouwen, maar loop in een grote bocht om gevestigde burgers heen.’ Zij trekken als een ‘zwerversbende’ van stad tot stad. Uit hun lijflied: ‘Ons leven gaat van kroeg tot zee / van zee tot nieuwe havens. / In roezemoezige cafés, / Aan wodka overgoten tafels, / Verzuipen we ons wel en wee, / De nacht verscheurt aan ochtendrafels.’

    Maksimov is de schrijver van het stel, ‘de personificatie van Paustovski’, aldus Vadim Paustovski. Deze Maksimov beschrijft de havens, de zee, de oude kapiteins en hun verhalen en de kroegen van bekende en onbekende plaatsen op de Krim aan de Zwarte Zee.  Het is de tijd van stoomboten en straten met gaslantaarns, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Maksimov noteert zorgvuldig zijn indrukken van de stadjes en de zee. ‘De zee aan het einde van de tuin was als met melk volgegoten. De bladeren vielen. In de schemering van de grauwe hemel begonnen de gloeikousjes van de lantaarns te sissen en op de schepen gingen sobere lichten aan. De avond was duifgrijs, droevig en erg vochtig.’

    Op een avond ontmoet de schrijver in een van de kroegen een ‘wonderschoon’ meisje. Hij kende haar al van toen zij nog ‘een jong meisje’ was. Via haar krijgt de lezer een beeld van Maksimov: ‘Aan alle mannen zit wel een hoekige kant. Als je je eraan stoot, dan doet het pijn. U heeft zo’n kant niet. U bent anders. Iedereen voelt dat in u. Het komt maar zelden voor dat mensen echt kijken. Of ze staren je aan of hun blik glijdt langs je heen. Maar uw blik is rechtuit en kalm, alsof u iets zoekt wat anderen niet zien.

    Maksimov schrijft dat het lijkt alsof hij van haar begint te houden. Op een bijzondere avond, als er ‘zodiakaal licht’ boven de zee te zien is, vraagt hij haar of zij weet wanneer er eerder zulk licht te zien was… Ze moet hem het antwoord schuldig blijven. Maksimov: ‘In de nacht dat Dante Beatrice ontmoette.’ Chatidze noemt hem daarop een ‘mooiprater’. Maksimov verbaast zich erover dat er liefde in zijn leven is gekomen: ‘Op de een of andere manier vloeide alles dooreen: de lege tuinen, de zon boven de zee, het blauwe water, de rode bakken van de schoeners, de vreugde voortdurend zilte mist in te ademen… Boven dat alles rees de steeds sterker wordende liefde voor Chatidze uit.’  

    De combinatie nabije liefde en schrijven is voor hem geen gelukkige. Hij voelt dat hij afscheid van haar moet nemen: ‘Ik moet weg. Dan wordt mijn smartelijk verlangen naar Chatidze nog sterker en zal zij mij helpen met schrijven. Ik vraag mijzelf af of ik al voldoende heb geleden om schrijver te kunnen zijn.’ Daarop vertrekt hij naar Moskou. Chatidze blijft achter op de Krim.

    Moskou
    Het contrast met het zuiden had niet groter kunnen zijn. In Moskou is het winter. ‘Alles was onvriendelijk’, schrijft Maksimov, ‘In plaats van menselijke gezichten zag je bivakmutsen, in plaats van vrouwelijke lichamen vormeloze sleetse overjassen. Dit riep een gevoel van droefenis op maar daar groeide ik van en er schoten mij steeds vaker nieuwe, sterke ideeën te binnen.’ In zijn eenzaamheid komt hij weer tot schrijven. Hij werkt aan zijn boek dat Het leven moet gaan heten. Aan zijn vriend Semjonov legt hij uit waarover het moet gaan: ‘In het leven van eenieder – van onbekend tot groot, van ongeletterd tot gecultiveerd – schuilt altijd een schrijnend verlangen naar een ander, vreugdevoller bestaan. Daardoor wordt het verlangen naar het paradijs, naar het beloofde land geboren en ontstaan de droombeelden van dichters, de stelsels van filosofen en een van tijdperk naar tijdperk overlopend smachten naar onbereikbare oorden.’ 

    Chatidze is op afstand. Ze onderhouden weliswaar briefcontact, maar hij is desondanks bang haar te verliezen. Die angst lijkt bewaarheid te worden als hij Natasja, het zusje van Semjonov ontmoet. Zo komt Maksimov tussen twee vrouwen in te staan – Chatidze in het zuiden en Natasja in het noorden. Voor beiden koestert hij een sterke liefde. Aan Chatidze schrijft hij vanuit Moskou dat hij van zijn anker is geslagen: ‘Ik hou van u en van haar en begrijp niets van dit leven.’

    Polen
    Het laatste hoofstuk speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog. De vriendengroep is uit elkaar gevallen. Maksimov weet niet of hij hen zal terugzien. Hij is als ziekenbroeder gedetacheerd aan het front in Polen. Hij ziet de verschrikkingen van de loopgravenoorlog, de lijken van soldaten en paarden in de rivier. De oorlogsbeelden zijn ook zichtbaar in zijn natuurbeschrijvingen: ‘Verkoolde wilgen staken hun zwarte reusachtige armen naar de regenachtige hemel op.’  En: ‘De opgezwollen verstijfde lijken van paarden verhieven al hun vier poten hemelwaarts, alsof zij om genade smeekten.’ En: ‘In het westen smeulde de zonsondergang als een bloedige wond.’ Het zijn droefgeestige grauwe dagen. Tijdens een beschieting noteert hij: ‘Ik ben op het kruis geslagen van deze vervloekte grauwe oorlogsdagen, deze lange entractes voordat er totale verstandsverbijstering optreedt.’  Een van zijn romanfiguren laat hij verzuchten: ‘Wie heeft in hemelsnaam die oorlog bedacht? Daar heeft toch zeker niemand iets aan!’

    Dorst naar het leven
    Liefde en schrijverschap zijn de belangrijkste thema’s in De romantici. De liefde voor het leven en voor twee vrouwen. Deze liefdes, het lijden en de af en toe opduikende melancholie, heeft hij nodig voor zijn schrijverschap. Uit de briefwisseling met Chatidze blijkt dat ze hem aanmoedigt te schrijven. Hij kan verwoorden wat zij niet kan. Ze schrijft: ‘U schrijft over de dorst naar het leven. Hetzelfde overkomt ook mij nu, alleen ben ik niet in staat het te beschrijven.’ Natasja zegt iets soortgelijks over zijn schrijven: ‘Jij moet honderden mensen vreugde schenken.’

    In het nawoord schrijft zoon Vadim over de biografische achtergronden van De romantici. Alle hoofdpersonen hebben echt bestaan. Paustovski heeft heel zijn leven gebalanceerd tussen ‘echt en verzonnen.’

    In deze autobiografische roman zijn de natuurbeschrijvingen het sterkst. Hierin is de latere Paustovski al zichtbaar, de schrijver die vooral bekend is geworden door zijn natuurevocaties. In dit jeugdwerk blijft schrijver Maksimov enigszins op de achtergrond; alle gebeurtenissen lijken hem te overkomen. Vadim wijst erop dat zijn vader niet ingaat op de ‘psychologische complicaties’ van de liefde voor de twee vrouwen. Hij gebruikt deze liefdes als ‘stimulans voor zijn creativiteit.’

    Fijn dat Paustovski-vertaler Wim Hartog De romantici heeft herzien. Zijn vertalingen zijn goed verzorgd, met verrassende vondsten, zoals rinkinken (‘De trein stoof voort terwijl de koppelingen rinkinkten’), sproos, betekenis: ruw, gebarsten (‘Mijn lippen waren sproos’) en sit / sitsen (‘jurken van sits’ / ‘sitsen jurken’). Het boek is een welkome aanvulling op de eerdere Paustovskivertalingen.

    Tot slot een advies van Natasja: ‘Stop nooit brieven van geliefde vrouwen tussen de bladzijden van een boek.’

     

     

  • Een aanrader, behalve als je van plan bent naar Borneo te gaan

    Een aanrader, behalve als je van plan bent naar Borneo te gaan

    Boas is een jonge student die met vier biologen en twee inheemse gidsen op expeditie gaat in de jungle bij de Gunung Kinabalu, de op één na hoogste berg van het Maleisische deel van Borneo. De Gunung Kinabalu bestaat echt en voor de bevolking van Borneo is dit een heilige berg. Hij was in 2015 nog in het nieuws, toen een groep van tien toeristen hier heiligschennis pleegde door naaktfoto’s van elkaar te maken en door op de berg te urineren. Een paar dagen later werd precies dat gebied getroffen door een aardbeving, waarbij minstens twintig mensen omkwamen. Volgens de bewoners van het getroffen gebied was er geen twijfel mogelijk: de berg nam wraak.

    Het zal dus geen toeval zijn dat debutant Luuk Imhann deze berg heeft verkozen als plek waar Boas en het groepje biologen op expeditie gaan. Precies op deze berg vindt het ene na het andere mysterieuze voorval plaats. Is dat de schuld van de berg of zorgt de afzondering van de buitenwereld hiervoor?

    Mysterieuze verdwijningen
    De roman start op dag twaalf van de expeditie. De twee inheemse gidsen van de expeditie hebben de deelnemers al herhaaldelijk op het hart gedrukt dat de berg, waarop zij zich bevinden, leeft en ademt. Mythen over kannibalistische stammen zetten dit kracht bij en maken voelbaar dat hier een totaal andere flow heerst dan in de westerse wereld – door wetenschap en kapitaal gedreven maatschappij – gewoon is. Deze raadgevingen worden door de expeditieleden afgedaan als mooie verzinsels, ze lachen erom. Maar dat lachen vergaat ze langzaam als de één na de ander bezwijkt, gek wordt of verdwijnt.

    Naarmate de dagen vorderen, neemt de baardgroei van de mannen toe en de hygiëne neemt in dezelfde mate af. De hoeveelheid ongedierte wordt steeds groter en groter. Continu lopen er beestjes over de tenten, de ledematen en de gezichten van de expeditieleden. Soms in zulke grote kolonnes dat het de strijdkrachten van de Gunung zelf lijken. De toenemende hinderlijke aanwezigheid daarvan gaat gelijk op met de toenemende zorg om de veiligheid van de expeditieleden. Wat door Imhann goed is uitgewerkt; want het zijn vooral die continu terugkerende krioelende insecten die de verstikkende en warme lucht van de jungle beleefbaar maken. De leider van de groep heet niet voor niets Konraad Golding waardoor de link met Lord of the Flies van William Golding snel is gelegd.

    Ver van beschaving
    De expeditieleden worden teruggeworpen op zichzelf  in grillige omstandigheden. Er is geen beschaving om ideeën en gebeurtenissen aan te staven. De menselijke gekte lijkt de maatstaf; wordt een ziek geworden collega geholpen of wordt hij aan zijn lot overgelaten?  De abnormale omstandigheden en de individuele overlevingsdrang zorgt er in ieder geval voor dat er weinig keuzes vanuit compassie met de ander worden gemaakt. Wat uiteraard niet zonder gevolgen blijft.

    Door de beklemmende sfeer dringt de vraag zich op wat je zelf zou doen in zulke situaties. Net als Boas weet je niet precies wat er nu echt is en wat niet. Er wordt precies genoeg verteld (en weggelaten) om de spanning erin te houden. Deze roman doet je nadenken over de snelheid waarmee een mens kan veranderen van een weldenkend – in een paranoïde mens, als de omstandigheden maar vervreemdend genoeg zijn. Het laat zien wat het wegvallen van iedere vorm van beschaving en maatschappelijke kaders met mensen doet.

    Al met al is Paradijs een geslaagd en knap debuut. Wel blijf je gissen naar de achtergrond van de personages om de detective in jezelf meer te bevredigen, maar het antwoord op de vraag ‘wie heeft waar schuld aan?’ is hier niet de hoofdvraag. Wat aan de orde wordt gesteld is het psychologische effect van vervreemdende situaties op weldenkende mensen. Het is een raadselachtige onderneming en bij vlagen spannend. Waar de beeldende schrijfstijl zeer aan bijdraagt en waarin ook de theatermaker Imhann te herkennen is. Een aanrader, behalve misschien als je van plan bent naar Borneo te gaan.

     

     

  • Een literaire betovering

    Een literaire betovering

    ‘Ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp,’ schrijft de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector (1920-1977) in 1969 in een van haar kronieken. En dat is geen koketterie, want iemand die in staat is de houdgreep van ego en superego te omzeilen en haar gedachten vanuit het onbewuste rechtstreeks op papier te krijgen, moet wel met verbazing kijken naar wat haar hoofd en pen hebben voortgebracht. Typerend is dan ook wat ze over een collega-schrijver noteert: ‘Hij citeerde uit zijn hoofd hele zinnen van mij en ik herkende er niet een van.’

    Lispector lijkt een verdeelde persoonlijkheid te zijn: ten eerste de schrijfster, en daarnaast al het andere wat ze als mens was. Schrijven deed ze vanuit één deel van haar wezen, een verborgen deel dat zich veelvuldig manifesteerde en haar dwong haar gedachten op papier te zetten. Die gedachten wekken de indruk zich vanuit een ander universum te vermengen met de dagelijkse realiteit. Dat lezers en critici haar werk als mysterieus en hermetisch betitelen is alleszins begrijpelijk.


    Treffende representatie
    Voor Lispector is schrijven haar leven, ze kan niet anders, ze moet schrijven wanneer de drang daartoe in haar opwelt. Daarbuiten heeft het geen zin om te gaan zitten en zichzelf op te dragen te schrijven. Maar die opwellingen zijn talrijk en omdat Lispector wil ‘weten’, het leven wil begrijpen, tekent ze op wat uit haar geest ontspruit. Ze schrijft: ‘Schrijven is proberen te begrijpen, is proberen te reproduceren wat niet reproduceerbaar is.’

    Het uur van de ster, het laatste boek voor haar overlijden, is een treffende representatie van zowel haar manier van schrijven als haar visie erop. En hoewel een ik-verteller, ook al is het een schrijver, nooit zomaar met de auteur vereenzelvigd mag worden, is daar – bij Lispector – geen ontkomen aan.

    De ik-verteller van Het uur van de ster is schrijver. ‘Het verhaal – bepaal ik met mijn zogenaamde vrije wil – zal zo’n zeven personages tellen en daarvan ben ik uiteraard een van de belangrijkste. Ik, Rodrigo S.M.’ Inderdaad neemt de ‘ik’ zeker de helft van het boek in beslag. Tijdens het vertellen van het verhaal bericht hij onophoudelijk over zijn schrijfproces. Hij moet moeite doen het verhaal een verhaal te laten zijn, waarbij hij zich al te zeer bewust is van de vele mogelijkheden die de fantasie biedt. Door de beschouwingen daarover wordt hij steeds teruggeworpen op zijn eigen persoonlijkheid. ‘Neem me niet kwalijk maar ik ga nog even door over mezelf omdat ik een vreemde voor mezelf ben en er tijdens het schrijven tot mijn verbazing achter ben gekomen dat ik een doel heb.’ Een vreemde voor zichzelf en anderen, dat is Lispector ten voeten uit.

    Afstandelijk
    Dat doel is het schrijven van een fictief verhaal over een ‘meisje uit het noordoosten’, terechtgekomen in het grote Rio de Janeiro, van wie Rodrigo (Lispector) nog geen idee heeft wat hij haar zal laten overkomen, een vrijheid waarmee hij nauwelijks raad lijkt te weten. Welke keuze zal zich uiteindelijk aandienen? Zal hij Macabéa gelukkig laten worden of jong laten sterven? Even afstandelijk als hij zichzelf gadeslaat, zet hij het personage Macabéa neer: als een object. De lezer moet doordrongen worden van haar zwakheid en nietigheid. We moeten weten dat het meisje, een typiste met een klein inkomen en dito onderkomen, niet veel voorstelt, alsof het er niet toe doet of dit onnozele schepsel leeft of niet. Zelf is zij zich niet van haar onbeduidendheid bewust, noch van haar gebrek aan ontwikkeling: ze kan geen lange zinnen uitspreken, haar denken is zuiver intuïtief.

    Toch voel je dat het de schrijver er niet om te doen is haar als slechts armzalig af te schilderen. Hij is wel degelijk begaan met haar lot, voelt mededogen. Zo objectief mogelijk probeert hij te laten zien dat er zoveel mensen zijn als zij, onbelangrijke mensen met kleine baantjes, die niet per definitie ongelukkig zijn. Maar het lukt hem niet een goede toekomst voor ‘Maca’ te bedenken. Ondanks de schrijvers’ twijfel over zichzelf en zijn summiere verhaal wordt Macabéa toch een meisje van vlees en bloed, dat te begrijpen is en met wie je kunt meeleven.

    Dertien titels
    Ondertussen raakt de lezer bijna net zo begaan met de worsteling van de schrijver aangaande zijn keuzes als met het leven van Macabéa. Daarbij is het onmogelijk de werkelijke auteur los te zien van de fictieve. Ieder gepeins over het meisje uit het noordoosten doet de schrijver onmiddellijk verzinken in zichzelf. ‘Zullen ze wel of niet trouwen? Dat weet ik nog niet, ik weet alleen dat ze in zekere zin onschuldig zijn en dat hun schaduw op de grond weinig te betekenen heeft. Nee, ik lieg, nu zie ik alles: hij was helemaal niet zo onschuldig, […]’.

    Ook de titelpagina van Het uur van de ster laat zien hoe moeilijk het voor de schrijver was om te kiezen: er zijn nog dertien titels opgenomen. Je zou ook kunnen zeggen: hoe gemakkelijk alternatieven zich bij Lispector aandienden.

    Overstromend bassin van denkbeelden
    De afgelopen twee jaar zijn ook De ontdekking van de wereld (met Lispectors kronieken die ze tussen 1967 en 1973 schreef voor Jornal do Brasil) en haar biografie door Benjamin Moser in het Nederlands verschenen. In beide boeken is haar verdeelde persoonlijkheid goed te herkennen. De kronieken maken duidelijk hoe Lispector haar overstromend bassin van spontaan opkomende, soms abstracte denkbeelden tracht te kanaliseren en verwoorden. De gedachten gaan hun eigen weg, een die Lispector met begrijpelijke woorden probeert te plaveien. Dat pakt niet altijd helder uit. In De ontdekking van de wereld staat het raadselachtige verhaal De actualiteit van de kip en het ei. De kip herkent het ei niet in haarzelf, het ei weet niet dat het een ei is en de schrijfster begrijpt het ei niet. Er komen ook vermomde agenten in voor. ‘Alle agenten krijgen veel voordelen opdat het ei gevormd kan worden. Daar hoeft niemand jaloers op te zijn, want sommige omstandigheden, die slechter zijn dan de andere, zijn slechts de ideale omstandigheden voor het ei.’ En toch, en toch… voor wie openstaat voor andere zienswijzen, zijn best doet Lispectors associaties en dissociaties te volgen, ontvouwt zich in haar pogingen om de wereld rechtstreeks vanuit de ziel te benaderen een ware literaire betovering.

    Zelfonderzoek
    Mooischrijverij en effectbejag zijn Clarice Lispector vreemd. Haar woorden zijn – alle cryptiek ten spijt – doeltreffend, haar observaties scherp. In het verhaal The Dog (uit Complete Stories) beschrijft ze hoe een man zijn schuldgevoel over zijn door hem in de steek gelaten hond probeert te verminderen door een dode hond te gaan begraven die hij op een straathoek heeft gevonden. En in The Dinner observeert ze pagina’s lang een moeizaam dinerende man in een restaurant en ondergaat daarbij zelf de emoties die ze hem toedicht. Ook in andere verhalen bespeurt Lispector in een flikkering in het oog, een draai van het hoofd of een plotselinge handbeweging de innerlijke beroering. De geschiedenis van Macabéa is een eenvoudig verhaal, maar dat is wel in rake bewoordingen verteld. Onderwijl schuilt in de overpeinzingen van Rodrigo een nooit aflatend zelfonderzoek, waarvan de sporen in al Lispectors geschriften zijn terug te vinden.

    De recente revival van het werk van deze boeiende, wonderlijke vrouw, voor wie het woord ‘origineel’ een understatement is, betekent een verrijking van de literatuur. In Brazilië schijnen haar boeken inmiddels zo populair te zijn dat lezers ze zelfs uit automaten kunnen halen.