Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een bundel die de lezer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën

    Een bundel die de lezer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën

    Het Advertentiespel uit vroeger tijden was vermakelijk vanwege de vreemde advertentieteksten die konden ontstaan als de in stukken gehakte zinnetjes door toeval bij elkaar kwamen: ‘Aangeboden: vier nieuwe leden met grote kleefkracht’. Tussen zulke raadselachtige zinnen zal een zin als: ‘Dwangmatigheid / is een wind waaraan de niet-moderne kat / is vastgeniet’ bepaald niet misstaan. Laatste zin is echter niet van de spellenmakers van Jumbo maar van de Canadese dichter Ken Babstock (1970) en te vinden in de onlangs uit het Engels vertaalde sonnettenreeks SIGINT, een op zichzelf staande sectie uit Babstocks vijfde en meest recente bundel On Malice (2014).

    Vermaak staat daarin niet voorop. Daartoe is ook allerminst reden wanneer men bedenkt dat de dichter zich heeft laten inspireren door een uit de Koude Oorlog daterende Amerikaanse spionagebasis op de Berlijnse Teufelsberg. De hoogste van de negen kunstmatige heuvels die het voornaamste bestemmingsplan waren voor de miljoenen kubieke meters Berlijns oorlogspuin. Al gauw echter na de val van de Muur kwijnde het inmiddels uit gebruik genomen afluistercomplex weg om te verworden tot fossiel uit het vergane hoogtij van de Koude Oorlog. Toen werden met zulke radarkoepels de verste radiosignalen uit het Sovjet-imperium waargenomen.

    Signalen van een dystopie
    Alle gedichten uit On Malice, inzonderheid die uit SIGINT, putten niet rechtstreeks uit het allerindividueelste domein van de dichter maar vissen doelbewust in andere bronteksten. Babstock schrijft in het nawoord dat de sonnetten uit SIGINT ‘plaatsvinden’ in het verlaten afluisterstation. SIGINT is de afkorting voor ‘signals intelligence’, informatiegaring middels het onderscheppen van signalen. Het afsluitende distichon van deze sonnetten bevat steevast in kleiner lettertype afgedrukte ‘incident reports’ welke botsingen ‘verbeelden’ tussen een klein vliegtuig en een gierzwaluw, met vermelding van plaats, datum en tijdstip. Deze sonnetten zouden volgens Babstock vocabulaire ‘delven’ uit de aantekeningen die de cultuurfilosoof en geboren Berlijner Walter Benjamin maakte over het taalverwervingsproces van zijn zoontje. Maar deze pas de deux met Benjamins teksten wordt door het afluisterstation vakkundig door de mangel gehaald om, opgeluisterd met digitaal jargon als ‘malware’ en ‘glasvezelkabel’, de ether in te worden geslingerd. De taal wordt hier als afvalproduct gepresenteerd, dat door de onzichtbare hand van de dichter zelf tot een sonnettenmozaïek gerecycled is. Vanzelfsprekend levert het resultaat geen gedichten die de schoonheid van het menselijk bestaan bezingen. De sinistere sfeer van een dystopie is er meteen in het openingsgedicht:

    Het meest houd ik van / de dood. Dit is geen wachtkamer voor zielen (…) Kun je je niet voorstellen dat je bespied wordt, / dan kun je je niet voorstellen hoe goed ik ben.

    Poëzie die geen lezer nodig heeft
    Ik besta want ik word bespied. Een leven lang onopgemerkt blijven is de mens niet meer gegund; ‘de radio vraagt om nieuw misbruik’. Aan de spiedende blik van de moderne surveillancemaatschappij valt door niemand te ontkomen. We leven met ‘de coïtale koppijn van continu toezicht’ in een begluurde wereld en we weten het. Onze manier van communiceren wordt er mede door bepaald. Waar de een zal neigen tot onverschilligheid of exhibitionisme, gaat de ander er juist toe over zijn informatie te versleutelen. Op de menselijke maat is deze poëzie niet bemeten. In het digitale universum lijkt de mens te zijn verworden tot een supplementair ‘diertje’. Het is intussen maar de vraag of deze poëzie nog om een lezer vraagt.

    De gedichten bevatten een volledig platgeslagen en gelijkgeschakelde, autonome tekst. Zonder richtinggevend verdwijnpunt worden de zinnen voortgedreven door grammaticale logica die de lexicale betekenis ondergraaft. Met een overweldigend potentieel aan (on)vermogende woorden als resultaat. Maar net als onkruid onuitroeibaar is, bloeit op deze afvalberg van taalscherven als vanzelf betekenis op. Als een Feniks verrijst de taal uit zijn eigen as. De volhardende lezer die bereid is deze gedichten meerdere lezingen te gunnen, zal bemerken dat verbanden zich schoorvoetend beginnen prijs te geven. Hij zal echo’s waarnemen van eerder gelezen zinnen. Leest men bijvoorbeeld in het ene gedicht:

    Omdat het openbare lab er al stond, / verlegde ik maar de grenzen op het geheime / toilet.

    Dan zijn de oren gespitst waar het volgende gedicht verder orakelt:

    Zij die al gestorven zijn, zo bang
    op het toilet, moeten wel vragen:
    waar is vlees van gemaakt?

    Waar is een begraven jongen van gemaakt?
    Is hetzelfde vlees in het toilet niet de andere
    dode gedachte begraven in ‘ben braaf’?

    Digitale maatschappij
    Hoe onheilspellend is het dat het allerlaatste sonnet begint en eindigt met de zin ‘Nu ben ik braaf’? Aldus spant zich een fijn weefsel waarin een spoor, glimpend van opheldering, lijkt uitgezet. Zoals de radars de onderschepte signalen ooit op geheime betekenissen uitvlooiden, graast de lezer deze tekstflarden af op hun diepere betekenislagen, daar de veronderstelling dat dichters schrijfmachine hier simpelweg gekkenpraat zou hebben gemijmerd niet bevredigend is. In deze bundel hoeft men niet per se te verdwalen. Al lukt het waarschijnlijk niet overal een vinger achter te krijgen. Wie daarmee kan leven, zal onderweg genoeg moois kunnen lezen: ‘Jij geschiedt en wordt beschoten’, ‘Brave mensen maken geen inbreuk op het heden.’ of: ‘Misschien is denken de maan van een maan’. Zinnetjes die ons in een flits lijken te willen zeggen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit.

    Als deze bundel een kunstwerk was, betrof het niet een schilderij maar eerder een installatie die de toeschouwer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën die bij nadere beschouwing minder ver van ons af blijken te liggen dan de sussende woorden van de boven ons gestelden ons willen doen geloven in onze inmiddels o zo vertrouwd gemaakte, verdigitaliseerde maatschappij.

    Buiten staan twee schapen.
    ‘Moet’ bewaakt de schapen.
    ‘Misschien’ schudt aan het boompje.

    De kleine hond met een staf valt eraf.
    Brengen de vervloekte doorns voor volgend jaar genoeg op
    dan komt het zwarte schaap erop bijten.

    Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
    Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
    Wanneer hij slaat, jaagt hij een hond.

    Het regent hier in de kamer.
    Wat wordt geleerd van al dit geluister?
    Voddenkoppen in boeien met hun geëlektrocuteerde leden.

     

    04.35u, mei, hoogte onbekend, tijdens nadering Varna. Helder

     

     

  • Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

    Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

    Marije Langelaar weet hoe ze een gedichtenbundel moet beginnen, in: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ In de eerste zes regels van ‘Zand’ worden al veel intrigerende lijnen uitgezet, eigenlijk vooral door vragen op te roepen. Is de ‘ik’ een vogel geworden of altijd al geweest, en wat doet ze hier op het strand, dus op de grond? Prachtig gevonden is de formulering ‘hem zachtjes te graven’: moet hier ‘[in] hem’ gelezen worden, ‘hem zachtjes [in]/[uit] te graven’, of zelfs ‘te [be]graven’? De laatste drie opties zijn logisch, gezien de strandsetting, maar de eerste lijkt minstens zo mee te spelen:

    Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties, / het allervieste en eveneens een woord / tussen de zandhersens geklemd’.

    ‘Zand’ is de opmaat voor het vaak beklemmende eerste deel van Vonkt, ‘Een afgrond omsingelen’. Langelaar laat daarin de taal én beelden ontsporen – want hoe moet je eigenlijk een afgrond omsingelen? – om een surreële, ongemakkelijke sfeer neer te zetten. Formuleringen zijn vaak voor verschillende uitleggen vatbaar, zoals ‘Tellen de dagen dat het zin heeft’: is dit een ‘[We t]ellen’ of moet je ‘m parafraseren als ‘De dagen tellen (als in: meetellen) dat het zin heeft’? Het mooie is dat beide invullingen naast elkaar lijken te kunnen bestaan. Met een paar woorden weet Langelaar veel betekenis te genereren. Ook neologismen als ‘wolvenschrik’ of hard aankomende regels als ‘Had ik maar een nek en een bijl en een schuur’ dragen bij aan een donkere, mysterieuze sfeer: in het geschetste gezin is iets niet goed in de haak, al wordt nooit helemaal duidelijk wat precies.

    In het tweede deel lijken die problemen van tijdelijke aard te zijn geweest. Het surreële wordt eerder mythisch of religieus van aard, zoals in ‘Trommel’ waarin muziek aan het begin lijkt te staan van het leven als een soort letterlijk de la musique avant toute chose:

    ‘Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. […] Paf paf paf! De vogels vliegen op. / Paf Paf Paf! / Een nieuw seizoen. / Paf Paf Paf! / Weer een kind. / Paf Paf!’

    Echter, het blijft niet goed gaan: ‘Maar het kind bleef uit.’ De trommel wordt niet meer geslagen en er volgt uiteindelijk een fragment dat aan Adam en Eva herinnert op het moment dat ze zich bewust worden dat ze naakt zijn:

    ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats de trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?’

    Muziek en dieren blijven een rol spelen in deze afdeling, maar het donkere blijft. In een gedicht over een pratende kat wordt de lezer bijvoorbeeld heerlijk ruw aangesproken: ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten’.

    Het derde deel, ‘Love songs for the Absolute’, overtuigt minder. De beklemming van de eerste twee afdelingen maakt plaatst voor een vaak geëxalteerde toon, inclusief uitroeptekens. Een overgang daartussen is te vinden in het mooie gedicht ‘Het Oog’, dat sterk herinnert aan Odilon Rendons tekening waarin een oogbol een luchtballon is geworden en zo een alwetende uitstraling heeft gekregen. In Langelaars gedicht hangt er een oog in de kamer, en dat roept vragen op als ‘Is het god?’ Het is niet duidelijk hoe met dat oog om te gaan:

    ‘Ik wist niet wat te doen, mocht ik opstaan? Moest ik / spreken? Pleiten voor iets? Mijn leven verdedigen of / toelichten?’

    Maar tegen het slot van heet gedicht smelt de ‘ik’ samen met het oog (of zoals Langelaar het zegt: ‘ik smolt in het oog’), stijgen ze tezamen op en kijken naar alles dat er te zien is. Het blijde uitroepen dat daarop volgt is in ‘Het Oog’ nog vrij beheerst, maar Langelaar zit in andere gedichten vaak echt op het randje. Neem bijvoorbeeld het bijna-titelgedicht ‘Vonk’:

    […]
    Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
    vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
    vlammende en trillende slaap werd vlammend en
    trillend weer wakker.
    […]
    Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
    een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
    tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
    doof blind stom en leeg begon.
    Nu bedenk ik hinkel- en andere kinderspelletjes en
    bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
    eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

    Het enthousiasme van de verteller is zo aanwezig dat het niet helemaal wil overslaan. Om in de terminologie van ‘Vonk’ te blijven: veel gedichten in ‘Love songs for the Absolute’ willen net niet vonken of vlammen. Woorden worden minder economisch ingezet, gedichten waaieren uit en de taal stokt minder. Bovendien: het ongemakkelijke en het donkere ontbreken vaak, terwijl zij een goed contrastpunt voor het al te geëxalteerde hadden kunnen zijn. De subtiele metamorfoses in een hert of in een stoel zijn fraai, maar halen het uiteindelijk niet helemaal bij het panische, angstige ‘Houd je schil vast’ (uit de eerste afdeling), dat nog eens laat zien dat het echte vuur van Vonkt in het ongemak zit:

    Laat je niet lichten houd je schil vast
    houd je bril vast laat je billen niet los en houd de hand
    van de tijd vast en één twee drie kramp nu.
    Laat je niet ontkleden houd al je gebeden, hoofdsteden
    regels vast, zet je hart in een klem ja zo
    bind je hersens vast,

    prik wat met je stok
    één twee drie kramp nu

    ik pas deze jas.

     

    Odilon Rendons tekening

     

     

  • Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

    Variabele verhalen in prettige stijl geschreven

    Astronaut van Pieter Kranenborg stelt de recensent voor een dilemma: wel of niet beginnen over het geboortejaar van de schrijver? Er wordt soms teveel nadruk gelegd op een opvallende leeftijd van de auteur, vooral vanuit de marketing hoek. Terwijl dit gegeven uiteraard niets zegt over de kwaliteit van het geschrevene. Anderzijds valt een boek met deze informatie soms beter te plaatsen, of kan de schrijver worden geduid binnen een generatie. Dus vooruit maar: Kranenborg komt uit 1994 en was tweeëntwintig jaar oud bij het publiceren van zijn verhalenbundel Astronaut.

    Deze bundel bevat acht verhalen, de meesten zo’n 10-20 pagina’s lang met twee uitschieters: Lifter haalt de 70 en Nachtwolken gaat over de 50 pagina’s heen, de omvang van een kleine novelle. Dit zijn ook direct de beste stukken, waarin de speelse stijl van Kranenborg goed tot zijn recht komt en er tevens boeiende narratieve en thematische ontwikkeling plaatsvindt.

    Surrealistische elementen
    Lifter
    speelt zich af in Japan, waar de ik-persoon probeert rond te reizen, deels daartoe aangezet door zijn  vrienden. Hij lijkt vooral zoekende naar wat anderen zo aanspreekt in het reizen en vraagt zich af of er misschien een geheim is dat hij over het hoofd ziet. Na zelf gestrand te zijn in een hostel ergens onderweg, raakt hij gefascineerd door het blog van een man die te voet door Japan trekt. Hij besluit deze wandelaar op te wachten. De ontmoeting loopt uit op een soort confrontatie, en dat brengt de ik-persoon tot dit inzicht: ‘Je creëert met reizen een klein, extra leven, een leven binnen het leven, waar je altijd uit kunt stappen zonder dat je meteen doodgaat.’

    Het slotverhaal Nachtwolken bevat wat meer surrealistische elementen. Centraal staat een geheimzinnig feest dat af en toe onaangekondigd plaatsvindt; alleen de deelnemers weten waar en vooral wanneer. De trambestuurder die de hoofdpersoon is van het verhaal, ziet zijn vaste levensritme ontregeld wanneer hij eenmaal op zo’n feest verzeild raakt. Hij blijft herhaling van dit moment najagen, als een verloren graal. Ondertussen wordt hij omringd door meerdere buitenissige personages, zoals een blinde golfer en een meisje dat rondloopt in een trouwjurk en verliefd is op Nietzsche.

    Longread
    Een rode draad door de verschillende verhalen is het (on)vermogen om in het hier en nu te zijn. De protagonisten hebben moeite regie te voeren over hun eigen leven zonder te blijven hangen in het verleden of de toekomst te ontwijken. Dat dit niet altijd louter een individuele aangelegenheid is, wordt aardig geïllustreerd met het verhaal In Lieverlingelande komt de dood uit China, dat de vorm heeft van wat in de journalistiek inmiddels een ‘longread’ heet. De vergrijzing van het Nederlandse achterland wordt hierin afgezet tegen de onstuitbare ontwikkeling en urbanisatie van China. Goedkope grafkisten uit Azië splijten een Hollandse plattelandsgemeenschap in tweeën en dwingen de inwoners tot een keuze tussen het vertrouwde en het nieuwe.

    De titel van de bundel is afkomstig van één van de verhalen, maar sluit ook aan bij het hoofdthema: kunnen wortelen in tijd en ruimte. Een astronaut is bij uitstek iemand die zich buiten het dagelijkse plaatst. De ruimtereiziger creëert in extremere mate dan de wereldreiziger een tweede leven met ontsnappingsclausules, op een plek waarvandaan je de hele planeet kan vatten in de cirkel tussen je duim en wijsvinger. “Kijk niet om, ga steeds vooruit”, zo zingt Spinvis de astronaut toe in zijn gelijknamige song, terwijl Kranenborg zijn personages juist van een afstand hun blik laat focussen op het eigen bestaan.

    Vertelexperimenten
    De stijl is in de hele bundel prettig;  goedlopende zinnen, soepele overgangen, en geregeld een fraai beeld: ‘[…] de tijd is als een grote ritssluiting. Het heden is een hand die de glijder omhoog trekt en daarmee het verleden vastlegt, de momenten onherroepelijk in elkaar haakt. Intussen is de toekomst weids, nog ongebonden. […] Maar de hand met de glijder gaat steeds verder omhoog en trekt samen wat ooit volledig gescheiden was.’

    In de opzet en vorm van de verhalen zit vrij veel variatie, hoewel er bijna altijd geschreven wordt vanuit het ik-perspectief en in de verleden tijd. Kranenborg schuwt ook vertelexperimenten niet. Het titelverhaal bijvoorbeeld adresseert expliciet de onbetrouwbare verteller. Dat gebeurt al in de openingsalinea: één van de drie dingen die verteld worden in dit verhaal zal niet waar zijn. Maar al lezende blijkt het nogal wat complexer te liggen dan dat. Een ander stuk, De wolken in, is dan weer veel conventioneler en misschien meteen wel het minste verhaal uit de gehele bundel.

    Pieter Kranenburg schrijft goed en met lef, en dat niet alleen voor zijn leeftijd. Vooral zijn langere verhalen beloven wat voor de toekomst. Voor nu geeft deze auteur met Astronaut alvast een veelbelovend visitekaartje af.

     

     

     

  • Opgaan in de wereld of er buiten blijven staan

    Opgaan in de wereld of er buiten blijven staan

    Ruim twintig jaar schreef Jeroen van Kan gedichten onder een pseudoniem. Als Wesley Albstmeyer publiceerde hij in onder andere Het Liegend Konijn en Dietsche Warande & Belfort. Albstmeyer is de achternaam van zijn overgrootmoeder en Wesley koos hij erbij, omdat die naam er ‘zo mooi mee botste’, verklaart Van Kan in een interview van Maarten Moll in Het Parool. Hij voorzag Albstmeyer zelfs van een eigen leven met een voorgeschiedenis, een verblijfplaats en een Facebookpagina. Naast het plezier dat dit ongetwijfeld moet hebben opgeleverd, bood zijn alter ego bescherming tegen de vooroordelen van uitgevers: omdat Van Kan nieuwslezer op de radio is en medepresentator van het televisieprogramma Boeken, kreeg hij het verwijt dat hij ‘de zoveelste [was] die met zijn hoofd op de televisie kwam en dan ook zo nodig nog poëzie moest schrijven’. Als Wesley Albstmeyer voorkwam hij dat commentaar.

    Debuut
    In maart van dit jaar besloot hij onder zijn eigen naam verder te publiceren. De wereld onleesbaar is daarmee zijn debuut als Jeroen van Kan. De titel, gespiegeld afgedrukt op de voorkant, geeft aan wat het thema van de bundel is: er is iemand aan het woord die probeert de wereld om zich heen te begrijpen, een wereld die evenwel onduidelijk en verwarrend blijft.
    De bundel is verdeeld in drie afdelingen: de eerste is getiteld ‘ik’, dan volgt ‘de wereld’ en de laatste is ‘jij’ , alsof de wereld zich heeft opgedrongen tussen de ik en de ander. In de eerste afdeling gaan de gedichten over alleen zijn en het vergeefs proberen te begrijpen van een ander:

    ‘ik wil een lijst van
    alles wat zichzelf genoeg is en
    alles wat ander zoekt’

    Het verlangen om ‘tot [iets] te behoren’ wordt meteen getemperd door de wens zichzelf te blijven, alleen en autonoom. Het is aantrekken en afstoten: zodra de ‘ik’ de toegang tot de ander of tot de wereld verleend wordt, deinst hij daarvoor terug en bewaart de afstand. De keuze tussen het opgaan in de wereld of er buiten blijven staan, moet elke keer opnieuw gemaakt worden en de uitkomst is twijfelachtig. Steeds moet de plaats van de dichter ten opzichte van de wereld opnieuw gedefinieerd worden.

    Greep op de werkelijkheid
    De gedichten zijn geschreven zonder hoofdletters en interpunctie. Ze zijn niet gemakkelijk te doorgronden en geven hun betekenis ook na verschillende keren lezen niet altijd prijs: ook hier stelt de dichter er prijs op afstand te bewaren, ditmaal tot de lezer. Sommige gedichten blijven onbegrijpelijk, al probeer je ze van verschillende te benaderen. Dit geldt dan voornamelijk voor de gedichten die gekunsteld aandoen en waarvan er enkele in de bundel voorkomen.
    Veel gedichten gaan over de dood en de machteloosheid om je leven te leiden zoals je dat zou willen; toch is het geen sombere bundel geworden. Af en toe is Van Kan rechtstreeks humoristisch: het gedicht ‘zijn’  besluit hij met de strofe:

    ‘jeroen
    al was het maar
    een dag’

    In de afdeling de wereld denkt de dichter greep te hebben op de werkelijkheid:

    ‘ik zal je eens laten zien
    hoe dit alles werkelijk in elkaar steekt
    hoe ik dit universum afwisselend om je heen kan spannen
    en in je hand kan leggen’

    Maar al gauw blijkt dat het begrijpen van de wereld moeilijker is dan gedacht:

    ‘altijd weer groen maar niet
    bevraagbaar
    leesbaar
    niet stembaar
    wendbaar of
    duidbaar’

    Meest persoonlijke in derde afdeling
    Toch heeft de dichter een manier gevonden om zich staande te houden: in het gedicht ‘doodgedrukt’ heeft hij de wereld naar zijn hand gezet, maar haar tegelijkertijd vernietigd:

    ‘kijk het lijk van de wereld daar eens liggen op die tafel
    waarvan je morgen toch ook gewoon weer eten moet’

    De derde afdeling is de meest persoonlijke. Van Kan telt zijn doden en noemt ze bij hun naam in het gedicht Zorgvliet 1: ‘ik beheer jullie als een inventaris’. Over Wim Brands, die hij opvolgde als presentator van het programma Boeken van de VPRO, zijn vader en vrienden die ‘zichzelf het zwijgen hebben opgelegd’.

    Voor het eerst is er sprake van een ‘jij’ in relatie met de dichter, getuige een aantal gedichten waaruit bewondering en afgunst spreekt voor een: ‘jij die uit alle poriën leven ademt / jij die alles omvat waar ik geen deel aan kan hebben’, om tot de conclusie te komen dat er ook nu niets veranderd is, ‘jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend’.
    Zelfs de relatie met een ander maakt de wereld niet minder ver of bevattelijker, ‘jij’ en ‘ik’ vallen nooit samen:

    ‘we zijn elkaars kolonie
    we wachten tot
    we onafhankelijk worden verklaard’

    Ontroering en herkenbaarheid
    De gedichten uit deze afdeling zijn mededeelzamer dan de andere en spreken daarom meer aan. Ze zijn eenvoudiger geschreven dan sommige gedichten uit andere afdelingen en komen dichterbij dan de ingewikkelde, afstandelijke gedichten. Dat wil echter niet zeggen dat ze gemakkelijker te duiden zijn: langzaam en aandachtig lezen en de woorden proeven blijft een vereiste. Maar deze gedichten weten te ontroeren en zijn herkenbaar en maken de derde afdeling tot de mooiste.

    Rest de vraag of Van Kan anders schrijft dan Wesley Albstmeyer: een aantal gedichten uit deze bundel zouden nog door Albstmeyer geschreven zijn; er is alleen niet duidelijk welke dat zijn. Volgens Van Kan in het eerder genoemde interview, zou hij ‘als Albstmeyer niet anders schrijven dan als Van Kan’.  De laatste afdeling ‘jij’ lijkt zich te onderscheiden door meer openheid en het tonen van kwetsbaarheid. Het indrukwekkende gedicht vraagtekenvader is heel persoonlijk:

    ‘de dood was je laatste excuus
    om er niet te zijn

    voor mij
    moet daar eigenlijk op volgen want
    dat is wat ik bedoel’

    Het doet er ook niet toe onder welke naam Van Kan deze gedichten geschreven heeft, al zou hij dertig pseudoniemen gehanteerd hebben: uiteindelijk blijft hij dezelfde dichter: ‘ik ben dit alles en dit alles ben ik’.
    In het laatste gedicht moet Van Kan constateren dat zijn pogingen om de wereld te omvatten en erbij te mogen horen op den duur vruchteloos zullen zijn:

    ‘na mij zal alles weer nieuw zijn’
    […]
    na mij ben je buiten de muren bejaag je de velden die je nooit
    meer terug willen brengen naar hier het stilstaand midden
    het begin dat ik blijf’

    Die vergeefse strijd om de wereld te kunnen duiden heeft een mooie bundel opgeleverd.

     

     

  • Zorgenkind of zondagskind

    Zorgenkind of zondagskind

    Eigenlijk is het een goed idee om de lectuur van Herinneringen in aluminiumfolie, de nieuwe verhalenbundel van jeune premier Jamal Ouariachi, aan te vatten met het nawoord van de schrijver. Daarin heeft hij het over de lage status van het korte verhaal, het ‘zorgenkindje van de literatuur’. Commercieel gezien doen verhalenbundels het namelijk niet zo best, uitgevers staan er afkerig tegenover en er bestaan amper nog literaire prijzen voor het genre.

    Waar wringt de schoen? Welnu, Ouariachi stelt zelf de ‘schuldvraag’: ‘Hoe komt het toch dat het korte verhaal een kindje met vliegen in de ogen en een opgezwollen hongerbuikje is geworden?’ Zijn conclusie: het ligt aan de schrijvers. Die minachten de lezer, want sinds de romantiek is de verteller een autonome kunstenaar geworden die naar niets anders meer behoort te luisteren dan naar zijn eigen artistieke impuls. De lezer werd minder belangrijk, aldus Ouariachi. En door de gebrekkige (financiële) waardering voor het genre die daaruit voortvloeit, maken veel schrijvers zich ervan af met broddelwerk: ‘De publicatie van een slecht verhaal levert geen enkele reputatieschade op terwijl het wél geld oplevert. Tel uit je winst.’ Bij wijze van voorbeeld citeert Ouariachi een aantal ‘ongeïnspireerde flutzinnen’ uit schamele korte verhalen. Het moet gezegd: de man heeft wel een punt.

    Toch rijst de vraag of daarmee de kous af is. Die beperkte waardering voor korte verhalen, is dat geen typisch Nederlands fenomeen? Sinds de romantiek heeft een hele rits wereldwijd gelauwerde schrijvers zich toch met succes aan het genre gewaagd. Ouariachi verwijst zelf naar Raymond Carver, maar voor de vuist weg kan je ook Borges, Kafka, Hemingway en nog een heleboel anderen noemen. En hoe zit het dan met de poëzie, die ook de reputatie heeft om onverkoopbaar te zijn, maar niet zo’n lage literaire status heeft?

    In één opzicht heeft Ouariachi zeker gelijk: veel korte stukken proza die in het Nederlandse taalgebied als ‘korte verhalen’ worden gepresenteerd, zijn dat eigenlijk niet. Vaak gaat het ofwel om opzetjes voor mislukte romans, ofwel – erger nog – om breed uitgesponnen columns van het soort dat hoofdzakelijk van pas lijkt te komen als vulmiddel voor onverkochte advertentieruimte in kranten en weekbladen. Zo niet bij Ouariachi: hij schrijft wel degelijk échte korte verhalen, met een beperkt aantal personages en meestal een verrassende pointe. Geen richtingloos geneuzel dus, maar om hem nog eens te citeren: ‘Gewoon een goed verhaal. Ambachtelijk opgeschreven. Artistiek fascinerend. Experimenteel voor mijn part. Maar wel met feiten, details, actie, zintuiglijke indrukken, boeiende overpeinzingen.’

    Tot zover de theorie. De vraag is natuurlijk in welke mate Ouariachi zijn eigen poëtica kan waarmaken: the proof of the pudding is in the eating. Het titelverhaal begint alvast veelbelovend (‘Een plakje kort gebakken kastanjechampignon, daar leek het nog het meest op’), en draait rond een interessante gedachte die de schrijver met wetenschappelijke, maar speelse nieuwsgierigheid benadert – wat is de aard van het bewustzijn en het denken in relatie tot de hersenen? De aanleiding is in dit geval een plakje hersenen dat de huisgenote van het hoofdpersonage van haar werk heeft meegebracht.

    Ouariachi gebruikt zijn verhalen verder voor experimenten die waarschijnlijk moeilijk een hele roman vol te houden zijn, want ook dat is een dikwijls over het hoofd geziene mogelijkheid die het verguisde korte verhaal biedt. Zo is er het bizarre, schijnbaar aan Anthony Burgess’ A Clockwork Orange ontleende taaltje van Zopor: ‘koekel die zonderling daar, alleen aan een tafeltje, met zijn mismoedige moffel.’ Ook de vertelstandpunten zijn verre van conventioneel. Neem bijvoorbeeld Keuze, waarin we de actie zien door de ogen van een aasetend insect.

    Maar ook zonder absurde gekte kunnen Ouariachi’s verhalen nog boeien. De brug, een hilarisch verhaal over een onbeduidende ambtenaar van een dienst voor ruimtelijke ordening die zijn hele leven lang ijvert voor een brug om het fileprobleem in een tunnel aan te pakken, lijkt een humoristisch statement tegen ambtelijke waanzin.

    Het is alleen jammer dat tussen deze sterke verhalen een of twee afdankertjes staan. Het dieptepunt van dit boek is De toeristenslager, een horrorverhaal met een voorspelbare plot dat ooit al in een bundel met Halloweenverhalen stond. Het thema werd al uitgemolken in talloze B-films en valt hier nogal uit de toon.

    De eindbalans is echter zonder meer positief. Zo is er nog De Moslim Sportvissers Club, dat alleen al om de sterke grappen de moeite waard is. De rivaliteit met de Visbroeders en Ali’s Hengelsport Genootschap is een sterke vondst, maar maatschappelijk graaft het verhaal dieper en legt het iets bloot van de complexe realiteit waarin Nederlandse moslims hun weg moeten vinden. En ook de uitsmijter Sabotage, waarvan we de plot hier niet willen verpesten met een spoiler, is top. Kortom: dit boek is een sterke singlecollectie, alleen jammer van die B-kantjes. Al kan je die natuurlijk gewoon skippen.

     

     

  • Wachten op Godot aan de Moldau

    Wachten op Godot aan de Moldau

    De knorrige bejaarde Viktor Dyk probeert vanaf een bankje in een Praags park met zijn stok een kettingschallebijter (een kever) weg te slaan. Plotseling staat ‘een jong persoon van het vrouwelijk geslacht’ voor hem om de weg naar de Academie van Beeldende Kunsten te vragen. Die is vlakbij, maar de pesterige Dyk stuurt haar de verkeerde kant op. Later in de roman zal inspecteur Vilém Lebeda een zaak op zijn bureau krijgen van een jong meisje dat is aangerand. Hij gelooft haar niet als ze zegt dat het is gebeurd in een straat die helemaal niet leidde naar de Academie waarnaar ze beweerde op weg te zijn. Wat had ze daar te zoeken?

    Het is één van de raadselachtige verwikkelingen in Een afgedane zaak van de Tsjechische schrijver Patrik Ouṙedník. Een roman die de gedaante heeft van een detectiveverhaal, dat de lezer voortdurend het bos instuurt. Allereerst om de overvloed aan verwikkelingen: misdrijven die geen van alle worden opgelost (ondanks de titel Een afgedane zaak). Maar vooral omdat Ouṙedník het speurdersverhaal eigenlijk alleen gebruikt om ons als lezer te pakken te nemen. De roman gaat in wezen over de armoede van onze communicatie, de ontoereikendheid van taal, ja zelfs de zinloosheid van ons bestaan, die we proberen te verbloemen door elkaar verhalen te vertellen. En daarnaast maakt deze roman de balans op van de staat van Tsjechië na de Praagse Lente van 1968, die Ouṙedník als puber in de dop meemaakte. Dat alles in 160, nee: in 190 pagina’s, want het nawoord is in zekere zin deel van de roman. Maar daarover straks.

    Grabbelton
    Patrik Ouṙedník werd in 1957 in Praag geboren. Hij maakte er de illusie mee van een democratisering. Zijn kritische houding daarover werkte zo tegen hem dat hij in 1984 koos voor een vrijwillige ballingschap in Frankrijk. Daar werd hij een succesvol vertaler van Franse literatuur naar het Tsjechisch (Queneau, Beckett, Rabelais) en omgekeerd (o.a. Hrabal). Maar hij ging ook eigen romans publiceren, die stuk voor stuk laten zien hoe sterk hij is beïnvloed door de auteurs van wie hij werk vertaalde.

    Zijn eerste daverende succes werd Europeana uit 2001 – in Nederlandse vertaling verschenen in 2003 met de ondertitel Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw – boordevol anekdotes, dat eigenlijk meer gaat over onze omgang met het geheugen dan over de feiten zelf. In 2006 verscheen hier de vertaling van Het geschikte moment over de ondergang van een kolonie van anarchisten en gelukszoekers in Brazilië. In deze beide romans viert het absurdisme al hoogtij, maar dat is helemaal het geval in Een afgedane zaak (in het Tsjechisch Ad Act, schitterend vertaald door Edgar de Bruin).

    Welke leeservaring moet je erop plakken? Een grabbelton van genres, een duizelingwekkend toneel van kantelende ‘waarheden’, sarcasme en satire van de bovenste plank die je soms in schaterlachen doen uitbarsten. Maar bovenal een grenzeloos spel met mogelijkheden en tekortkomingen van taal en communicatie en een uitnodiging aan de lezer om zelf de roman in elkaar te steken.

    Niets
    Wat dat laatste aspect betreft, lezen we halverwege de roman: ‘Lezers! Vindt u dat ons verhaal alle kanten op schiet? Hebt u het gevoel dat er geen beweging in de plot zit? Dat er in het boek dat u in handen hebt al met al niets wezenlijks gebeurt? Wanhoop niet: of de auteur is een ezel, of u: de kansen zijn gelijk.’ En een paar hoofdstukken later: ‘De lezer heeft definitief begrepen dat hij definitief niets zou begrijpen: wat kan zorgen voor een zinvoller slot van een roman (…) We worden geboren in een roman, waarvan de betekenis ons ontgaat, en we verlaten de roman die we nooit hebben begrepen (…) Maar nee hoor: de voorstelling gaat verder, de roman gaat verder, gênant, nutteloos, saai.’

    Inspecteur Lebeda is al net zo’n zonderling figuur als de gemelijke Dyk uit het parkje. Hij heeft een fascinatie voor een moord die veertig jaar oud is en nooit opgelost: ‘Tja, ik heb een zwak voor zulke dingen. Onopgeloste criminele zaken, rebussen, raadsels, schaakproblemen en dergelijke.’ Geheel volgens die liefhebberij van Lebeda bestaat hoofdstuk 1 van Een gedane zaak uit niet meer dan een notatie van een Koningsgambiet uit een schaakpartij uit 1963, die 22 hoofdstukken later twee mogelijke eindes blijkt te kennen. In de ene wint wit, in de andere zwart. Het kan inderdaad alle kanten op, net als de roman zelf.

    Cellen
    De roman zit ook nog eens vol taalgrappen en hilarische redeneringen die doen denken aan de humor van Hrabal of de dialogen in Wachten op Godot van Samuel Beckett, van wie Ouṙedník, zoals gezegd, werk vertaalde.

    Zo is er de komische beschrijving van Lebedas functie en werk, als hij (pijprokend en psychologiserend heeft hij wat weg van Maigret), lezend in een boek van Ouṙedník, wordt geïntroduceerd. Zijn belangrijkste onderzoek gelden de ‘reclamevijandige en antikapitalistische’ posters overal in de stad, waarachter acties van ‘cellen’ worden vermoed, als Pacifisten Tegen Reclame, Trotskisten Contra de Agressie van het Kapitaal, Vrouwen voor Vrouwen en nog twee andere. Waarna volgt, let op het subtiele ‘onledig’,: ‘Behalve de reclame-uitingen hield Lebeda zich concreet onledig met de verkrachting van een kunstacademiestudente, met twee pogingen tot brandstichting in de plaatselijke bejaardensoos en met een verdachte zelfmoord.’

    Of de bijtende kijk op de Tsjechen wier schrijvers de traditionele handicap hebben dat ze hun boeken serieus nemen. En even verder: ‘Het spuien van jaartallen is in Tsjechië een geslaagde variant op het citeren van niet-bestaande bronnen (…) het getuigt niet alleen van grote intelligentie, maar ook van fervent patriottisme’. En ‘zakkerigheid’(…) is voor de Tsjechen de op één na hoogste ambitie, direct na het organiseren van een vruchtbare collaboratie met uiteenlopende machthebbers en het bouwen van rotstuintjes’.

    ‘Precies’
    Ronduit Beckettiaans tenslotte is een dialoog tussen twee bejaarden uit de soos over de vraag of Tsjechië nu eigenlijk wat is opgeschoten met de democratie:

    ‘Maar vroeger dachten de mensen ten minste na.’
    ‘Denkt u?’
    ‘Er werd min of meer nagedacht.’
    ‘Nou, nagedacht…’
    ‘Het mocht niet, maar ze deden het toch.’
    ‘Ik weet niet of ik het nou direct nadenken zou noemen.’
    ‘Misschien werd er niet nagedacht. Maar ze fantaseerden over van alles en nog wat.’
    ‘Dat gebeurt nu ook.’
    ‘Nu fantaseert niemand meer. Iedereen praat alleen maar.’
    ‘Dat komt door de democratie.’
    ‘Vroeger mocht het niet.’
    ‘Precies.’

    Montenot
    De laatste 25 pagina’s van de roman worden gevormd door een nawoord van ene Jean Montenot. Hij lijkt een gedegen sleutel te geven voor de detective die we hebben gelezen en een waardevolle literaire analyse van de romankunst van Ouṙedník. Tot je bij sommige zinnen het gevoel krijgt dat ze uit de pen van Ouṙedník zelf moeten zijn gevloeid.

    Wie is die Jean Montenot eigenlijk? (een vraag die de uitgever van de Nederlandse vertaling op de achterflap ook stelt). Googelen leidt naar een Franse filosoof, die ook nog gepubliceerd blijkt te hebben. Maar is het een mystificatie? Die vraag heeft blijkbaar lezers van Classé sans suite, de titel waaronder Ad acta in het Frans is uitgekomen, ook bezig gehouden, zoals blijkt uit een artikel in Liberation uit 2012. Ouṙedník zegt erover: ‘Jean Montenot est plus ou moins réel, selon les jours.’ Hij bestaat dus min of meer in werkelijkheid, afhankelijk van de omstandigheden. Er lijkt dan ook alle reden om het nawoord als deel van de totale roman te zien; als één van de genres waarmee Ouṙedník zijn werk uitvoert.

    En mocht u denken dat met bovenstaande de krenten wel uit De afgedane zaak zijn gepikt: niets van dat al. Lees deze roman en laat u meeslepen. En daarna: lees alles van Ouṙedník.

    Wat een schrijver!

     

  • Een kanjer

    Een kanjer

    ‘Wat een kanjer!’ Deze verzuchting slaakte ik bij het ter hand nemen van Kwaadschiks. Sinds Oorlog en Vrede van Tolstoj niet meer zo’n dik boek gelezen; 1280 bladzijden en dan te beseffen dat dit boek slechts een onderdeel is van de romancyclus De tandeloze tijd die inmiddels bestaat uit zeven boeken. Maar het is ook een verzuchting als teken van bewondering voor een groot schrijver. ‘Hoed af’ voor deze roman en voor Van der Heijden. Aanvankelijk terugdeinzend voor het volume, heb ik het boek uiteindelijk in één adem uitgelezen.

    Pieter Baan Centrum
    Opgezet als een raamvertelling behandelt het verhaal slechts één dag uit het leven van Nico Dorlas, een briljante reclameman die met zijn bijtend sarcasme in staat blijkt iedereen angst aan te jagen. Volgens het Pieter Baan Centrum, dat een rapport over hem heeft opgemaakt n.a.v. een poging tot moord op een prostituée, is Dorlas een ‘theatrale persoonlijkheid met narcistische trekken’, gewelddadig en behept met een ziekelijke verlatingsangst als gevolg van een traumatische jeugd. Hij lijdt aan een levensbedreigende slaapapneu, waarvoor hij beschikt over een speciaal beademingsapparaat. Voorts gaat hij gebukt onder een pijnlijke hernia in zijn rug en is hij verslaafd aan de drank (wodka) en de coke.

    Binnen, Buiten en Binnenstebuiten
    Het verhaal draait om Dorlas’ pogingen zijn geliefde, Désy, die voor hem is weggevlucht op te sporen en terug te krijgen. Hij deinst daarbij voor niets terug, zelfs niet voor grof geweld. In hoofdstuk XVII maakt Nico Dorlas in een gesprek met Staf, de baas van zijn stamkroeg en laatste steun en toeverlaat, buiten, staande in de regen onder een paraplu met een bierglas in de hand, de balans op van zijn pogingen. Hij concludeert dat hij tot dan toe vruchteloos gebruik gemaakt heeft van de ‘beproefde middelen. Drinken, snuiven, dreigen, liegen, bedriegen…. en tenslotte de twee rinkelende kogelhulzen op het tuinpad van zijn schoonouders b.d.’ Niets heeft hem geholpen Desy terug te halen. Nu gaat dat veranderen. Als het niet goedschiks gaat, moet het maar kwaadschiks. Psychologisch gezien ruilt Nico Dorlas nu de wereld van het veilige ‘Binnen’ in voor de wereld van het onveilige ‘Buiten’, begrippen die terugkomen in de hoofdstukindeling: Binnen, Buiten en Binnenstebuiten. Hij besluit voortaan ‘hoog spel te spelen met geheel nieuwe middelen’. Het wordt nu alles of niks. De persoonlijkheid van Nico Dorlas lijkt zo representatief voor een eigenschap die, volgens psychologen, veel meer voorkomt bij mannen dan bij vrouwen, nl. de gerichtheid op destructie en zelfdestructie.

    Tristan en Isolde
    Dorlas wil de voortdurende onrust en het lawaai in zijn hoofd bezweren door Désy mee te voeren naar zijn gedroomde wereld van rust en stilte door haar een, wat hij noemt, Onherstelbaar Verbeterd Leven (OVL) aan te bieden, een leven zonder geschreeuw, herrie, dreigementen, handtastelijkheden, eerst in de bestaande wereld, en als dat niet mogelijk blijkt, in de liefdesdood. Hij besluit Désy de keus te geven: samen leven, of samen sterven zoals in de beroemde opera Tristan en Isolde, een thema dat hem van kindsbeen af weliswaar al fascineerde, maar tegelijkertijd, mede door de te Duitse muziek, als 24-jarige jongeman nog veel te ver ging. Nu niet meer. In een dolle dronkenmansrit door de straten van Amstelveen gaat Dorlas op weg naar de grote kladderadatsch. Met de fles wodka als vaste partner in de bijrijderstoel en het apneutoestel voor zijn gezicht laat hij Staf en zijn café voor wat ze zijn en scheurt in zijn BMW naar de Van Zomerenlaan om Désirée zijn OVL over te brengen, achtervolgd door maar liefst drie zwarte Suzuki’s. Daarna volgen de ontwikkelingen elkaar, in een razend tempo op, als in een roadmovie: een schot, een dode, Désy???, een gijzeling, onderhandelingen met de politie, inrichting van een crisiscentrum en uiteindelijk de apotheose: zijn arrestatie.

    Van der Heijden
    Van der Heijden speelt met de tijd. Alles speelt zich af binnen een etmaal, maar door voortdurend uitgebreide flashbacks in te bouwen over bijvoorbeeld de relatie van Nico Dorlas met zijn vader, die op sterven ligt in het VU Medisch Centrum, en met zijn gehate stiefmoeder Hetty verhoogt Van der Heijden de spanning en intensiteit van het gebeuren. Deze verdikking van de tijd bevordert de psychologische diepgang van het verhaal. Het maakt de stress waaronder Nico Dorlas voortdurend gebukt gaat bijna voelbaar, maar draagt ook bij aan het ontstaan van een thrillerachtige spanning, zeker in het tweede deel als de gebeurtenissen over elkaar heen buitelen. Het wachten bij het sterfbed op de komst van zoon Nico vertraagt de tijd juist weer en vormt zo als het ware een soort contrapunt in het tempo waarin het verhaal zich afspeelt. Prachtig! Het doet sterk denken aan een compositie van Bach.

    Van der Heijden lijkt geen hoge pet op te hebben van het politiecorps. In het boek wordt de knulligheid van de politie breed uitgemeten en associaties met het politieapparaat van Rommeldam liggen voor de hand. Zo blijkt Dorlas in staat zowel zijn geconfisqueerde rijbewijs onder de ogen van de dienstdoende agent te stelen als er met zijn in beslag genomen auto vandoor te gaan. Het naleven van protocollen lijkt als hoogste goed te gelden bij het oplossen van noodsituaties, bijvoorbeeld als er een compleet 24-uurs crisiscentrum wordt ingericht onder leiding van de burgemeester om leiding te geven aan de goede afhandeling van de vermeende gijzeling, terwijl de meest eenvoudige initiatieven als goed navraag doen naar mogelijk betrokken personen achterwege worden gelaten. Het wordt zelfs lachwekkend als Dorlas na zijn arrestatie niet eens behoorlijk is gefouilleerd op een mogelijk verborgen wapen.

    Hoewel Kwaadschiks een onderdeel uitmaakt van de cyclus De tandeloze tijd, is het als roman een geheel onafhankelijk werk. Dat betekent dat er weliswaar sprake is van terugkerende figuren zoals de advocaat Ernst Quispel, een Bram Moszkowicz-achtige ijdeltuit en diens assistent, tevens schrijver van toneelstukken, Albert Egberts, maar het is geen bezwaar deze niet uit vorige delen te kennen.

    Van der Heijden neemt zonder twijfel een unieke plaats in de Nederlandse letteren in en dit boek is daarvan een schitterend voorbeeld. In alle opzichten is dit dan ook een kanjer van een boek geschreven door een kanjer van een schrijver.

     

     

     

  • Wondranden

    Wondranden

    Het zijn de geuren die het hem doen en het hele boek doortrekken. De geur van oude dekens in de gang van het verpleeghuis waar Gerrit Kouwenaar stierf, de geur van bloeiende lelies in de grote zaal van de Rotterdamse Doelen waar Anna Enquist Kouwenaar ruim tweeëntwintig jaar geleden voor het eerst ontmoette. Op de een of andere manier zijn ze makkelijk op te roepen, blijven ze je langer bij dan het beeld van iemand dat allengs ‘zal vervagen en uiteindelijk verdwijnen.’ Dat wilde Enquist met dit boek voorkomen. Daar helpen geuren bij, al weet ze niet meer zeker of ze die visgeur op de trap van de Kouwenaars nu echt heeft geroken of dat het ‘een verhaal over vroeger, van vóór onze tijd’ is. Een tijd die de collega-schrijfster stil wil zetten.

    Twee doden
    De verhalen die ze in dit boek vertelt zijn gestolde scènes of – zoals ze elders schreef naar aanleiding van de dood van haar dochter – als een sculptuur (in: Nieuws van nergens). Want natuurlijk gaat dit boek niet alleen over Kouwenaar maar evenzeer over Enquist zelf, en over de dood van haar dochter. Met zelfkennis geschreven: ‘Mildheid is niet mijn sterkste kant’, schrijft ze en zet deze karaktereigenschap tegenover Kouwenaar die dat juist wél had.
    Ook in een natuurbeschrijving van een uitstapje door Paula en Gerrit Kouwenaar met Anna Enquist en haar man Bengt Widlund klinkt het verlies door van de dochter van Enquist en Widlund: ‘Wat je nog hebt zijn de afschaduwingen, de overwoekerd rakende herinnering, de wondranden.’

    Emoties
    Gerrit Kouwenaar zou dit zelf nooit zo verwoorden, als hij zulke emoties al aan het papier toevertrouwde. In zijn romans kwamen die gevoelens nog wel aan bod, maar in de gedichten waar hij bekend en bekender mee werd zijn ze ‘begraven onder bouwsels van taal’ terwijl Enquist over haar eigen gedichten die zijn geschreven na de dood van haar dochter schreef dat ze eigenlijk maar wat deed. Er schemert in die woorden iets door wat elders vriendelijker wordt omschreven als: ‘Ik vraag me af wat we gemeen hadden, óf we veel gemeen hadden.’ Dat is een legitieme en ook interessante vraag, maar toch wens je als lezer dat Enquist meer op Kouwenaars gedichten zelf in was gegaan. Ze blijven nu een beetje teveel in de schaduw van het (auto)biografische en anekdotische van het boek, waarin overigens de mindere kanten van Kouwenaar ook niet worden verzwegen (egocentrisme en gemakzucht, om ze met Enquist bij name te noemen).

    De gedichten zelf
    Een enkele mooie alinea over Kouwenaars bundels of een gedicht daargelaten: ‘De kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld’ schrijft Enquist met een verwijzing naar Kouwenaars bundel Totaal witte kamer. Ook over het gedicht dat uitgeverij Querido liet afdrukken op de herinneringskaart die bij de begrafenis werd uitgereikt schrijft ze. De laatste strofe luidt:

    hier duurt zich wat bedierf, namaals is goudpapier
    dun als de vlinder die onwetend rouwt
    en in zijn mantel uit zijn vleugels valt – 

    ‘Het is een moedig gedicht over het einde geworden’, schrijft Enquist, ‘met afgekorte i-klanken aan het slot van de regels en me de terugkeer, op het laatst, van de bekende rouwmantel, die hier als stof verpulvert en het zinnebeeld wordt van de teloorgang.’

    Vooroordelen
    Meer van dergelijke beschrijvingen hadden het boek een meerwaarde gegeven en de kans was groot geweest dat daarmee de vooroordelen die er af en toe in staan met de mantel der liefde waren bedekt. Bijvoorbeeld over het debuut van Kouwenaar, Achter een woord, dat in 1953 verscheen in de beroemde poëziereeks ‘De Windroos’ van Ad den Besten, die Enquist eng met christendom associeert, wat ze moeilijk ‘kan rijmen met Gerrits levenshouding.’ Den Besten was echter méér, veel meer. Later in het boek schrijft ze iets soortgelijks over Huub Oosterhuis, waarvan Kouwenaar wel in staat was ‘om de poëziepromotor van de psalmenschrijver te scheiden’ maar zij dus niet.
    Voorts kun je je als lezer afvragen of het belangrijk is, of aanvullende informatie geeft, om te weten dat Kouwenaar worstelde met zijn gebitsplaatje en daardoor met eten? Het is jammer dat Enquist dit uitgerekend doet ten aanzien van iemand die er goed uit wilde zien, met mooie kleding en dure schoenen.

    Het zijn enkele tekortkomingen en smetjes op herinneringen die lezen als een trein, van een collega-dichteres en vriendin die zich in het nawoord ervoor verontschuldigd ‘geen biograaf en geen letterkundige’ te zijn. De hoop is nu gevestigd op iemand die het een of het ander wel is en het werk van deze grote dichter op die manier levend houdt.

     

  • Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

    Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

    De Nachtwacht heeft zijn eigen vluchtweg uit het Rijksmuseum. Bij brand kan het enorme doek door een even enorme spleet via de passage onder het Rijksmuseum rechtstandig in veilige haven worden gebracht. Schijnbaar eenvoudig, maar heel ingenieus. Misschien wel een kwalificatie die ook opgaat voor de korte roman Nachtschrijver van Jannie Regnerus.

    Hannah werkt als restaurateur in het Rijksmuseum. Met een loep en engelengeduld haalt ze stukje bij beetje het vernis van doeken weg om ze vervolgens hun originele kleur en vernislaag weer terug te geven. Hoewel het natuurlijk altijd de vraag is of we ooit zullen weten wat de originele kleur toen was. We kijken tenslotte allemaal naar een schilderij waarvan wij aannemen dat het er nog zo uitziet als de schilder het bedoelde toen– zeker weten doen we het niet.

    Hannah raakt gefascineerd door een blinde dichter, ze noemt hem Blindman, die ook moet afgaan op hoe hij aanneemt dat de wereld eruit ziet. Hij heeft de wereld ooit gezien maar kan het licht en de kleuren van het land en de hemel slechts veronderstellen: ‘Hij beheert een klein Rijksmuseum in zijn hoofd (…) Zalen en depots gevuld met stillevens en landschappen, weilanden vol klaver en paardenbloem. (…) Misschien zijn de kleuren in Blindmans herinneringen zo intens omdat ze in beslotenheid van zijn verduisterde schedel worden bewaard, geen lichtstraal kan de pigmenten vergelen of verbleken.

    De reukzin en het gehoor zijn bij blinde mensen daarentegen veel beter ontwikkeld; ziende kun je dus juist ook van alles missen dat je als blinde maar al te goed registreert. Zo verhaalt Hannah over haar jeugd waarin ze eens met een blinddoek een plakje leverworst moest zoeken in huis. De truc: zo langzaam mogelijk lopen en elk zweempje geur inademen. Je zou Regnerus’ roman kunnen lezen als een subtiele kritiek op het 21-eeuwse chronisch jachtige leven waarin snelle prikkels en smartphones vooral gelukkig lijken te maken. Daar was de passage over het feit dat niemand naar buiten kijkt op de veerboot misschien niet eens voor nodig: ‘de meeste mensen zitten met het hoofd naar voren geknikt, kin op de borst, de ogen gericht op hun handpalm waarin een schermpje oplicht’. Ook zij zijn blind voor al het moois om hen heen, maar zonder het rijke binnenleven van de dichter als wisselgeld.

    Nachtschrijver is een korte roman, en ergens is het jammer dat we niet nóg meer fraaie zinnen van Regnerus kunnen lezen. Daar staat tegenover dat geen enkel woord overbodig is. De uiteindelijke ontmoeting tussen Hannah en Blindman lijkt in eerste instantie niet echt te zijn uitgewerkt. Voordat we Blindman eindelijk ontmoeten zijn we beland op pagina 92 van de 110. De lezer krijgt maar 20 pagina’s van de ontmoeting tussen Hannah en Blindman mee; de proloog meegerekend. Was het daar niet juist allemaal om te doen?

    Het kan bijna niet anders of dit is Regnerus’ eigen ingenieuze manier om dit op het oog tamelijk eenvoudige verhaal in veilige haven te brengen. Het hele boek bestaat als het ware uit de gesprekken met Blindman en de daaruit voortkomende inzichten, gelardeerd met mooie observaties over wat, onder andere, het zicht vermag. We nemen in retrospectief kennis van de manier waarop Hannah te weten komt wat Blindmans geschiedenis is. En nog in schitterend, bij vlagen zinnelijk proza ook. Nachtschrijver prikkelt alle zintuigen en maakt blindheid inzichtelijker.

  • Het gitzwarte leven

    Het gitzwarte leven

    In deze derde roman van Boekwijt is het leven zwart en vol cynisme. Hoofdpersoon is de puber Gitta. We lezen over haar relatie met haar ouders: haar verzet tegen haar vader Anton, haar minachting voor Inez, haar moeder. Het gevecht met haar vader weet ze niet te winnen, maar ze kan ook niet los komen van hem. Gitta kan niet overweg met haar agressieve vader en evenmin met haar moeder – ‘een steppe waar niks op groeide’ -, alleen met haar broer is er een band. Ook hij wordt voortdurend door hun vader gekleineerd en beledigd. Wanneer Broer weer eens iets niet goed heeft gedaan, roept zijn vader : ‘“Hoe komt die jongen toch zoveel dommer dan ik? Een stel enen en nullen is hij.” Gitta had het gevoel in een brandnetelveld te staan. Het stak en het brandde. Eens moest het gif toch op zijn? Hoe kon een onkruid zich zo giftig verdedigen?’
    Maar toch staat ook Broer op enige afstand van haar, hoewel het optreden van beide ouders broer en zus wel dichter bij elkaar brengt. Een karakterisering van haar broer: ‘Broer maakte zich daar geen zorgen over. Hij was van lichtere stof gemaakt.’

    Over haar moeder schrijft ze : ‘Een glimlach van de moeder viel niet vaak te ontdekken. Er viel altijd een schaduw over haar heen. Zij had zo weinig te zeggen over hoe het haar verging. Zij had geen stem’. En: ‘de weinige keren dat Inez uit zichzelf iets opmerkte, gebeurde het zelden dat iemand iets terugzei.’ Dodelijker kan bijna niet. Over haar vader: ‘Anton had niet eens een geweten, die had slechts een talent voor leedvermaak.’ Wanneer ze haar vader een tijdje niet gezien heeft, beschrijft ze hoe ze hem bij het weerzien ziet : ‘De man die haar vader was zat tegenover haar aan de keukentafel en schilde aardappels. De ogen boos in het hoofd. (…) Hij had zichzelf opgerookt en wat achterbleef was iets dat wegrotte als een afgelegd slangenvel.’ Gitta wordt bevestigd in de benauwenis van haar ouderlijk huis, en wil dan ook zo snel mogelijk vluchten uit deze ‘kooi’.

    Kooi, vlucht, trek
    Het boek bestaat uit drie delen, Kooi, Vlucht en Trek. Het eerste deel gaat over hoe Gitta haar ouders ervaart en waarom ze daarvan wil wegvluchten. Het tweede deel vertelt over haar wens naar Denemarken te vluchten (Noordwaarts), in het derde deel lezen we over haar verblijf daar.

    De familie van haar vader, die ze regelmatig vanuit Nederland bezoeken, woont in Denemarken. De reis met de auto er naar toe is een ware bezoeking, vooral omdat de ouders zich in de ogen van Gitta misdragen. Zo’n reis beschrijft Boekwijt op niet mis te verstane wijze, daar wordt een kind niet vrolijk van. Vervolgens zijn er de familiebijeenkomsten, meestal feestjes, voor Gitta nu ook niet de meest vreugdevolle. Zij voelt zich vooral een buitenstaander.
    Op een van de feesten ontmoet Gitta het echtpaar Randi en Ole. Gitta herkent of zoekt in Randi de moeder die ze altijd heeft gemist, zoekt met haar contact, ze blijken elkaar te mogen. Ole ziet haar vooral als seksobject en probeert haar in bed te krijgen. Gitta wordt daar niet blij van en voelt zich schuldig tegenover Randi. Randi en Ole gaan uiteindelijk uit elkaar.

    Na haar eindexamen kiest Gitta er voor naar de familieboerderij in Denemarken te gaan, vooral om haar relatie met Randi voort te zetten. Ook bij Randi vindt Gitta niet wat ze zoekt. Beiden proberen nader tot elkaar te komen, maar vinden niet wat hen gelukkig kan maken. ‘Randi praatte wat mee. Luisteren deed ze niet. Ze knikte, en zei nee wanneer ze dacht dat de toon van de ander dat verlangde. Zij lachte veel en vaak, al kon ze geen vreugde in zichzelf bespeuren. De valsheid van het geluid echode lang na in haar gehoorgang.’
    Gitta wordt somberder en somberder en vraagt zich af hoe ze de dagen moet doorkomen. ‘Het lukte haar niet om bij de mensen te komen’.
    En zo eindigt deze existentiële roman in mineur.

    Waardering
    Boekwijt schrijft poëtisch, in prachtige zinnen die de lezer meeneemt in de emotionele carrousel van Gitta. Jammer is wel, dat belangrijkste karakters zoals haar moeder en vader, Randi wat vlak blijven waardoor niet altijd even duidelijk is wat de oorzaak is van de problemen die Gitta met hen heeft. Dat doet evenwel niets af aan de geloofwaardigheid van de existentiële strijd die Gitta voert. Die wordt heel invoelend verteld en mooi beschreven. Ook de symboliek die besloten ligt in de titel van het boek (Noordwaarts duidt nu niet direct op warmte) en in de naam van Gitta (gitzwart) is goed gevonden.

     

     

     

  • Het lot van een niet-joodse jood

    Het lot van een niet-joodse jood

    Een Nederlander, Carl de Ruiter, komt na jaren in de USA terug in Amsterdam en hoopt daar een vriend te hervinden die hij kende van de vele avonden doorgebracht in een kroeg genaamd Het Gewicht. En eigenlijk ook de vriendin die helaas voor die vriend koos en misschien wel de reden was waarom hij Nederland verliet. De vriendin vindt hij terug, de met haar getrouwde vriend is spoorloos. Als hij mag logeren bij de echtgenote vindt hij op de laptop van de verdwenen vriend een dagboek.

    Daarin filosofeert de vriend, Enzo Krijgsman, over literatuur en film en de gelijkenissen die het werk van Franz Kafka en Buster Keaton voor hem hebben. Maar tussen die notities door gaat wat hem en zijn gezin overkomt een steeds belangrijker  rol spelen in het dagboek.

    Enzo is naast zijn werk als leraar Duits ook schrijver. Zijn eerste roman getiteld De Heesakkers  had weinig succes, maar de tweede (Het lege theater) wordt een bestseller. Het gaat over de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam en het lot van die rampzalige plek na de oorlog, als het in verval is geraakt en kinderen er spelen. Eén van die kinderen, Sander genaamd is de joodse hoofdpersoon naast een oude jood, Sam de Wolff die het theater tot een gedenkplaats wil maken. De roman verkoopt goed, wordt vertaald en een verfilming gloort. Maar dankzij dit succes gebeurt er iets dat het leven van Enzo noodlottig gaat beïnvloeden. Bij een televisie-documentaire over het boek laat hij zich aanleunen dat het verhaal van Sander zijn eigen verhaal is, en dat hij dus joods is. Hij laat zich zelfs met een keppeltje fotograferen.

    Wat begon als een onschuldig leugentje-om-bestwil wordt een affaire waarbij hij aanvallen te verduren krijgt van zowel joodse als niet-joodse zijde. En erger nog, zijn dochter die op een ‘zwarte’ middelbare school zit, wordt gepest om haar jood-zijn.

    De afloop van dit drama verklappen zou zonde zijn van de inspanning die Martin Schouten zich getroost heeft om van Buster Kafka een roman te maken die tot het eind de aandacht van de lezer vasthoudt. En dat met een bijzondere aanpak want verteller Carl de Ruiter verdwijnt langdurig  uit het verhaal als hij het dagboek van zijn oude café-vriend vindt en daaruit 80 boekpagina’s citeert. Pas na dit omvangrijke citaat komt Carl weer terug in beeld als hij op zoek gaat naar Enzo en méér over hem te weten komt.

    Een ongebruikelijke aanpak voor een roman, maar het werkt en dat is het vermelden waard.

    Martin Schouten heeft een lange loopbaan als journalist gehad (NRC, Haagse Post, Volkskrant) en daaraan mogelijk de mooie droge schrijfstijl overgehouden waarin Buster Kafka is geschreven. Het verhaal staat voorop en de lezer wordt niet afgeleid door literaire vergelijkingen of andere verbale hoogstandjes. Dat scheelt ook een hoop ruimte, want  de roman telt slechts 138 pagina’s. Maar dat is méér dan genoeg voor een verhaal dat je van begin tot eind boeit en waarin en passant ook nog veel wordt verteld over Franz Kafka en Buster Keaton, die hun naam leenden aan deze roman.

  • Een Limburgse Rémi

    Een Limburgse Rémi

    Menige babyboomer genoot van De gouden jaren, de bestseller waarin Annegreet van Bergen verslag deed van de veranderingen in ons dagelijkse leven in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het boek riep bij veel mensen nostalgische beelden op. Herinneringen aan hoe het thuis was toen je nog kind was. Maar Van Bergen schreef met haar boek een min of meer economisch en sociologisch verslag op basis van literatuur, statistieken en persoonlijke herinneringen van geïnterviewden.

    Bij wie het onlangs verschenen De dagen van Frans Budé leest, zal af en toe een glimp van De gouden jaren oplichten (onder andere in de gebruiksvoorwerpen, compleet met merknaam), maar daarmee houdt de vergelijking wel op. Frans Budé, geboren in 1945, beschrijft daarin de persoonlijke herinneringen van een Limburgse jongen tot zijn 12de jaar. Maar hij doet dat op een indringende persoonlijke manier. Daardoor worden niet zozeer, als bij Van Bergen, de jaren ’50 zelf herinnerd, maar vooral het leven van een kind in de eerste pakweg 15 jaren na de oorlog. Dat levert een beeld op van de gemeenschap en de gang van zaken daarbinnen in die tijd, maar vooral van het gevoelsleven van een kind daarbinnen.

    Die samenleving is in die kinderwereld klein. Het is een katholiek provinciestadje, of beter: een buurt in die stad, geconcentreerd rond een winkelstraat, scholen en een kerk. Hoewel de naam van de plaats ongenoemd blijft valt er enigszins Maastricht in te herkennen, niet toevallig de geboorteplaats van de schrijver. Als het gezin een tochtje naar Aken maakt of naar familie in België gaat is dat voor ‘de jongen’ meteen een andere wereld.

    Inderdaad, ‘de jongen’. Zo wordt de hoofdpersoon in het boek voortdurend genoemd. Ook zijn naam komt in het boek niet voor, hoewel uit een voorval rond een servies dat hij krijgt ter gelegenheid van zijn Eerste Heilige Communie valt op te maken dat hij Paul heet. Hij groeit op in het huis achter de drogisterij van zijn vader in een gezin met nog een broertje en een zusje. Hun namen duiken wel veelvuldig op in het boek en dat versterkt nog eens het beeld dat je geleidelijk van ‘de jongen’ krijgt: een gevoelig, dromerig en enigszins in zichzelf gekeerd ventje, dat zich vaak erg alleen voelt. Aan het slot identificeert hij zich zelfs met Rémi uit Alleen op de wereld.

    Veel van wat hij in zijn jonge leventje te weten komt, ontdekt hij zelf. Vader en moeder zijn er met de beste bedoelingen op uit de kinderen het leed van hen zelf en van de wereld te besparen. Ze praten er liever niet over. Zo ontdekt de ‘jongen’ dat zijn ouders een kind liever niet vertellen over de Tweede Wereldoorlog. En er is de schokkende ontdekking, in het boek gedoseerd verteld, dat hij een zusje heeft gehad, Anna, dat kort na haar geboorte is gestorven. Het is een verlies waarover zijn ouders de kinderen niet willen lastig vallen om hen te ontzien, maar vooral omdat ze het zelf nooit hebben kunnen verwerken.

    Het boek houdt het midden tussen een roman en een bundel korte verhalen. Dat blijkt al uit de presentatie. De woorden ‘roman’ of ‘verhalen’ ontbreken  op het omslag of de titelpagina – op die laatstgenoemde bladzijde vinden we ook pas de ondertitel: ‘Belevenissen van een jongen.’ Een mededeling die welhaast even sober is als de omslagtitel De dagen.

    Diezelfde soberheid is er in de manier van vertellen van Budé. Gebeurtenissen worden niet tot in detail beschreven; de tekst lijkt er soms overheen te scheren. Om steeds terug te komen bij het effect dat het gebeurde heeft op de jongen. Hij leert bijvoorbeeld het verschil tussen zijn vader en moeder kennen in hun houding jegens het katholieke geloof door een onschuldig gesprekje over de mogelijkheid dat de paus tijdens zijn Paaszegen de hik zou kunnen krijgen. Maar voor de jongen blijft dat een kwestie die hij in zijn eentje overdenkt.

    Veel van de voorvallen gaan over grote vraagstukken, zoals de dood, lijden, eerlijkheid, liefde. Allemaal zaken die de jongen diep raken, maar die hij moeilijk bespreekt met anderen. De enige met wie hij ze soms, alleen op zijn kamertje, deelt, is zijn nooit gekende zusje Anna, van wie hij zich een beeld vormt als een engel die op hem toeziet. Of hij trekt zich, tijdens een verblijf bij familie, terug in een varkensstal, waar hij zijn verhaal doet tegen een zeug die hij de troetelnaam Balba geeft. De dood van dieren raakt hem diep: een paard dat op straat in elkaar zakt; een schaap dat na de slacht op de ladder hangt.

    Alles lijkt zich zijns ondanks te voltrekken en zich buiten hem om af te spelen. Tot aan het slot van het boek toe. Er ontstaat een bang vermoeden in hem als hij zijn ouders over ‘tekeningen’ en ‘bestek’ hoort praten, maar er valt een stilte als hij binnenkomt. De lezer weet wat er aan de hand is en korte tijd later laat zijn trotse vader de jongen de bouwplaats zien van een nieuw huis. Ver van zijn vertrouwde buurt. Hij is voor het laatst alleen in de drogisterij waaruit alles al is weggehaald, als hij nog één keer op een indringende manier aan Anna wordt herinnerd. Dan stapt hij de verlaten drogisterij uit: ‘Een laatste blik in de etalage. Leeg. De jongen ziet zichzelf weerspiegeld, beter dan ooit.’

    Budé weet de lezer met groot gemak mee te nemen in het gevoelsleven van de jongen, in een mooie taal en sobere schetsen. De jongen mag zichzelf dan vergelijken met Rémi, hij maakt er geen zielig ventje van.