Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Nieuw leven beschreven

    Nieuw leven beschreven

    Ongeveer 60 columns bevat Het Groeit! Het leeft!. Marjolijn van Heemstra (schrijver, dichter theatermaker) schreef ze voor Trouw in de periode dat haar zoon veranderde van baby tot peuter. Het moederschap is natuurlijk een prachtig onderwerp voor columns: elke dag, elke week, elke maand verandert er iets in de moeder, in het kind, in de verhouding van beiden met de buitenwereld. De onderwerpen liggen voor het opscheppen. Gelukkig is van Heemstra niet blijven steken in rapportages over wat er nu weer gebeurd is. Haar stukjes zijn merendeels filosofisch van aard en gaan over de ontdekkingen die zij doet nu zij voor het eerst moeder is geworden. Hoe je ineens altijd een onderwerp hebt om over te praten, hoe je lichaam verandert in een melkfabriek, wat je ziet als je kijkt naar je baby.
    ‘Soms als hij heel diep slaapt, zijn lijf zwaar en volledig ontspannen, zijn gezicht bijna bewegingsloos, dan zie ik een glimp van een jongen en soms zelfs van een man. Hij heeft een kleine, smalle neus, volle lippen, zijn ogen zijn twee schuine amandelen. Hij heeft een opgeruimd gezicht met iets van droefheid rond de mond. Een slapende man die op een ochtend, jaren hiervandaan, zijn ogen zal openen om niet mij maar iemand anders aan te kijken. Ik zie hem zelden, maar als ik hem zie stokt mijn adem, voel ik plotseling de gigantische afstand tussen hem en mij.’

    Het bestaan van een moeder is vervuld van het zoeken naar geruststelling: ben ik een goede moeder, is mijn kind in orde, doen we als ouders het wel goed?

    En in contrast daarmee is er ook altijd de sterke behoefte om het kind te zien als bijzonder, als uitzonderlijk, en elke stap voorwaarts te willen bijwonen en – in van Heemstra’s geval – op te schrijven.
    Het leidt in deze bundel tot mooie observaties en poëtische overpeinzingen, opgeschreven in onnadrukkelijk maar heel gevoelig proza.

     

     

  • Dichter van de werkelijkheid

    Dichter van de werkelijkheid

    Voor wie de Franse taal niet machtig is, zal de dichter Pierre Reverdy (1889-1960) misschien een onbekende zijn: tot nu toe was alleen de vertaling van Rein Bloem uit 1995 van de bundel De leien van het dak en een aantal van zijn prozagedichten verkrijgbaar in het Nederlands. Met deze vertaling van Jan H. Mysjkin van La lucarne ovale uit 1916 komt het vroege werk van Reverdy onder handbereik in deze tweetalige uitgave. De tekst ervan is gezet in het font Questa, waarbij de lettercombinaties st en sp door een boogje met elkaar verbonden zijn. Dat zou er niet toe moeten doen, maar de vorm leidt af van de inhoud en dat werkt storend bij het lezen van deze mooi verzorgde bundel.

    Reverdy werd geboren in Narbonne als zoon van een wijnboer. Het was de bedoeling dat hij in zijn vaders voetsporen zou treden, maar toen er in 1907 zo veel wijn geproduceerd werd dat de prijzen kelderden en boze boeren de wijn op straat lieten lopen, ging de zaak failliet en Reverdy kreeg de kans om naar Parijs te trekken. In Montmartre woonde hij vlak bij de kunstenaarsbuurt Bateau Lavoir (de Wasboot) waar hij schilders leerde kennen als Picasso, Matisse en Modigliani, maar ook Coco Chanel, met wie hij gedurende vijf jaar een moeizame relatie onderhield. Hun vriendschap hield echter meer dan veertig jaar stand.

    Het kubisme en later het surrealisme en dadaïsme uit de beeldende kunst hadden een grote invloed op hem, evenals de kennismaking met schrijvers als Apollinaire, Breton en Tristan Tzara. Zijn korte en fragmentarische gedichten werden gewaardeerd als het literaire equivalent van de schilderijen en beeldhouwwerken van de kubisten. Evenals zij hanteerde hij materiaal uit de dagelijkse werkelijkheid om de wereld visueel opnieuw te ordenen.
    Zijn gedichten gaan dan ook schijnbaar over eenvoudige dingen: de woorden die het meeste in zijn gedichten voorkomen zijn onder meer: tafel, raam, straat, wind, zon. Door deze te groeperen op zijn eigen manier wilde hij “de sublieme eenvoud van de echte realiteit” vinden:

    ‘Wanneer de lamp nog niet is ge-
    doofd, wanneer het vuur begint af
    te nemen en de zon gaat schuilen,
    zijn er toch nog mensen op straat
    die voorbijgaan.’

    De eerlijke werkelijkheid wilde hij ook oproepen met de emoties die hij in zijn gedichten verwerkte.
    Door middel van experimenteel rijm en ritme roept hij een spanning op die de doodgewone dingen in een ander daglicht stelt. Hij brengt losse beelden samen die op het eerste gezicht helemaal niet lijken samen te kunnen gaan. Daardoor krijgen zijn gedichten iets spookachtigs, ‘unheimisch’ en bevreemdends. Schots en scheef dient de werkelijkheid zich in fragmenten aan, als een afspiegeling van de omgeving die hij waarneemt. De gedichten lijken de weergave van een boze droom, waarin alle gevoel voor richting is verdwenen. Dat levert verrassende en surrealistische wendingen op:

    ‘Ik zou willen vluchten maar ik ben niet alleen
    Het lawaai volgt me
    We zijn eindelijk binnen en het is nacht
    Ik roep de morgen die mijn gordijnen opent en me
    wekt
    De zon
    Maar mijn ogen zijn geblust
    En hij heeft geen oren’

    Een ander aspect van diezelfde werkelijkheid dat opvalt bij het lezen van Reverdy’s poëzie is de afzondering en de eenzaamheid, die geschapen worden door het tegenover elkaar plaatsen van dingen die niet bij elkaar behoren: er ontstaat afstand, onbegrip, omdat ze niet kunnen doordringen tot elkaars wezen. Zich verloren voelen is een emotie die telkens weer doorschemert in de gedichten en groeit uit tot verbittering:

    ‘Je zou kunnen roepen
    Niemand die het hoort
    Je zou kunnen huilen
    Niemand die het begrijpt’

    De lucide begrippen die vaak voorkomen, zoals ‘lamp’, ‘ster’ worden naast tegenovergestelde voorwerpen geplaatst als ‘schaduw’ en ‘donker’ in een scherp contrast, als symbolen van de uiterlijke, verlichte wereld en de innerlijke, duistere werkelijkheid. Zo kan ook het ovale dakraam uit de titel gezien worden als een sprankje daglicht dat de hoop biedt op verlossing uit de diepe zwartheid:

    ‘Kwam er maar een beetje lucht
    Liet het buiten ons maar toe om klaar te zien
    […]
    We zijn alleen mijn schaduw en ik
    De nacht daalt neer’

    De gedichten in het latere werk worden meer en meer bezwerend en hallucinerender van toon. De inhoud steeds somberder, met afdalingen in het onbewuste en de ondoordringbare hoeken van de menselijke geest. Alsof een van Freuds patiënten zich er tijdens de psycho-analyse toe gezet heeft om de vrije associatie uit te drukken in poëzie.
    Het moet een verwarrende tijd geweest zijn met belangrijke industriële veranderingen, een snel veranderende maatschappij en een grote politieke onrust. Na de Eerste Wereldoorlog verkeerde de wereld in een verbijsterende toestand waarin veel oude waarden en mormen hun betekenis hadden verloren. Angst en onzekerheid namen van veel mensen bezit en kregen vorm in de kunst; ook de poëzie van Reverdy weerspiegelt de tijdgeest.

    Misschien is de gemoedstoestand waarin hij deze gedichten schreef mede de oorzaak geweest van zijn bekering tot het katholicisme in 1921. Maar over zijn motieven om zich te laten dopen is niets bekend. Vast staat dat Reverdy samen met zijn vrouw Parijs verlaat en gaat wonen in Solesmes in het departement Sarthe, een dorpje dat zelfs heden ten dage slechts 900 inwoners herbergt. Wel heerst er van oudsher een strenge katholieke traditie, de Liturgische beweging, gesymboliseerd door de benedictijner Abdij van Sint Pieter. Ook wordt het Gregoriaans hier in ere gehouden.

    Hier, diep verscholen in het platteland, blijft Reverdy drie jaar lang vanuit een strenge behoefte ‘aan het absolute’. Hij verbrandt diverse onuitgegeven manuscripten en schrijft aforismen, maar nauwelijks nog poëzie. Pas in 1937 verschijnt er een nieuwe bundel ‘Ferraille’. Maar even plotseling als hij zich bekeerd heeft, wendt hij zich ook weer van de kerk af, al verliest hij niet zijn persoonlijke geloof. Regelmatig gaat hij terug naar Parijs, maar hij blijft tot aan zijn dood in Solesmes wonen.

    ‘Een hoofd gebogen onder het gewicht van stralen
    En door lichtspijkers doorboorde handen
    Het bebloede voorhoofd rustend op de wolken
    Beide armen uitgestrekt om de doorgang te
    versperren
    De wereld ging onder je voeten voorbij
    Mens en God’

    Reverdy’s poëzie werd zeer gewaardeerd in kleine kring, maar grote bekendheid heeft hij daarbuiten nooit gehad. Daarvoor zijn zijn gedichten te moeilijk en te verontrustend. Ze laten zich lezen zoals een kubistich schilderij zich laat bekijken, waarin vanuit verschuivende standpunten een beeld wordt samengesteld, waarbij niet altijd op de waarneming vertrouwd kan worden. Maar al lijken ze deels te behoren tot de mystiek, toch blijven ze steeds verankerd in de alledaagse wereld. Niet voor niets luidde het credo van Reverdy: ‘De dichter moet de dingen zien zoals ze zijn en ze vervolgens tonen aan anderen zoals ze die, zonder hem, niet zouden zien.’ Met deze mooie bundel kan de kring van liefhebbers van de poëzie van Pierre Reverdy ook buiten het Franstalige gebied worden uitgebreid.

     

     

  • Een wonderlijk leerdicht 

    Een wonderlijk leerdicht 

    De Italiaanse arts en astronoom Girolamo Fracastoro geldt als de bedenker van de ziektenaam syfilis. Hij publiceerde in 1530 een leerdicht over de ziekte, dat nu uit het Latijn vertaald en ingeleid is door Julius Roos. Tegenwoordig is syfilis gemakkelijk te genezen met penicilline, maar voor 1947 gold de ziekte als vreselijk. Deze trof miljoenen mensen.

    Een andere naam voor syfilis was ‘de Franse ziekte’. Roos wijst er in zijn inleiding op dat de Fransen zelf het de ‘Napolitaanse ziekte’ noemden, de Polen de ‘Duitse ziekte’ en de Russen de ‘Poolse ziekte.’ Steeds kwam de besmettelijke ziekte dus van een volk van elders.
    Bij een leerdicht gaat het om didactische poëzie waarmee de lezer onderricht wordt. Fracastoro’s tekst gaat in op de oorzaken en de mogelijke remedies, volgens de kennis van begin zestiende eeuw.

    Fracastoro (1478-1553) raadt de lijders aan de ziekte aan ‘de uitgestrekte velden en het platteland’ op te zoeken en ‘de behaaglijke bries in de zonnige heuvels, evenals de zachte westenwind en de lucht die uit het noorden waait . Hier adviseer ik, moet men geen rust nemen, zich niet ontspannen, maar onverwijld, energiek en continu op wilde zwijnen jagen, en voortdurend op beren.’ Hij voegt er nog aan toe: ‘ook met touwtjespringen en stevig worstelen kan men uitzweten.’

    Hij geeft hiernaast voedseladviezen: ‘Laat je niet verleiden door rauwe komkommer en truffels, en stil je honger niet met artisjok en stop je niet vol met lustprikkelende uien.’ (93). Wel van nut zijn ‘alle uitdrogende substanties en alle harshoudende substanties die rottingsprocessen plegen tegen te gaan’ Men denke dan aan ‘mirretranen, wierook, ceder, rooibos, het eeuwig levende lange cypergras en de parapluplant met geurende stengels’

    De bron van syfilis was volgens Fracastoro niet het seksueel contact van de Spaanse bemanning van Columbus’ schepen met inheemse volkeren, maar eerder gelegen in een ‘conjunctie van drie hemellichaamen’ te weten Saturnus, Jupiter en Mars. Door deze conjunctie werd ‘een enorme hoeveelheid dampen’ aangetrokken die ‘gemengd met lucht en op diverse manieren geactiveerd, uiteindelijk het bederf hebben gebracht, waardoor die ziektekiemen ons bereikt hebben die analoog waren aan vieze slijmige lichaamsvloeistoffen, zoals dik, kleverig slijm’.

    De vertaling van het leerdicht door Julius Roos brengt je in contact met een andere tijdgeest, die van de vroegmoderne tijd toen men meer oog kreeg voor wetenschappelijke benadering van verschijnselen als ziekten. Toch kon de dichter zich ‘niet losmaken van wat hij geleerd had en wat al duizenden jaren werd onderwezen’, kennis uit de Oudheid die in de Renaissance tot voorbeeld werd gesteld. Volgens huidige inzichten zijn de adviezen van Fracastoro curieus en ook in zijn tijd waren er al waarnemers die de bron van de ziekte legden bij het contact met verre volkeren in de Amerika’s. Het is echter te gemakkelijk om met de kennis die we nu hebben te oordelen over achterhaalde inzichten als die van Fracastoro.

    Voor mensen die iets willen leren over de mentaliteit van het Italië in de zestiende eeuw is de tekst een rijke bron en ook op literair gebied komt de lezer aan zijn trekken. In de vertaling van Roos is sprake van een toegankelijke stijl. Fracastoro drukt zich, hoewel breedsprakig, niet overdreven archaïsch uit. Roos’ vertaling (De Latijnse teksten zijn ook opgenomen) biedt de lezer zowel aanleiding tot reflectie over voortschrijdend inzicht in de ziektewetenschap, als genoegen door de originele vorm waarin de tekst is gegoten.

     

     

  • Daar waar granaten fluiten

    Daar waar granaten fluiten

    Van buiten naar binnen: een prachtig omslag van Tomislava Juroš van iets dat in wezen verschrikkelijk is (verwoestingen) en het soort papier dat associaties oproept met voormalige Oostblok uitgeverijen en –boekwinkels. Het gaat om een roman, zijn achtste, van de sinds 1993 in Zagreb wonende auteur Anđelko Vuletić, vertaald door Sanja Kregar en uitgegeven door Uitgeverij KLIN, Kroatische literatuur in Nederland.

    Wat bij het doorbladeren ook opvalt, is dat de lay out in een geval die van een gedicht is:

    En, als men bedenkt dat het dit voertuig,
    evenmin als ons,
    niet gegeven is
    om meteen dood te bloeden,
    in puin te storten,
    in eigen vuur uit te branden.

    Dit doet je er als lezer meteen aan denken dat Vuletić ook dichter is, wiens gedichten in vele talen zijn vertaald, maar tot nu toe niet in het Nederlands. Misschien komt ook daar nu verandering in.

    Wraak
    De eerste regels van de roman trekken de lezer meteen in het verhaal: een begraafplaats in Sarajevo anno 1993, waar niet de vogels fluiten maar granaten. Een vriend van Pater, de ik-figuur wordt er begraven, net als hij een voormalig politiek gevangene. Op die plaats roept Pater opeens uit: ‘Wij moeten ons wreken!’ Wreken op de folteraars van de vriend en hemzelf. Door ze te martelen. Al was het er maar één: politierechercheur Kruik, de vreemdste van het stel. Wraak om geheeld te worden, uit een vorm van levensdrift.

    Als van een mitrailleur
    De auteur wisselt een poëtisch taalgebruik af met staccato-zinnetjes die hij als mitrailleurvuur op de lezer afstuurt, zoals: ‘Slapeloos [ook de bijnaam van een personage, EvS] versteende, ijskoud, sprakeloos’ en: ‘Geen druppel woord, geen druppel zucht. Verstomde stilte.’ Beschrijvingen, van Sarajevo of van de personages, zal je in dit boek echter niet vinden. Vuletić kruipt in de gedachten van de ik-figuur en volgt deze op de voet, afgewisseld met dialogen.
    Uit de dialogen spreekt de eenheid tussen de dagelijkse, rauwe werkelijkheid en de hoop op een beter leven of een leven überhaupt, zoals die bij het bed van een bij een bomaanslag ernstig gewonde vriend tussen een verpleegster en Pater in ook weer korte staccato-zinnetjes: ‘Jij hebt hier niets te zoeken.’ ‘Ik wil hem helpen.’ ‘Hoe dan?’ ‘Ik tel de druppels’ van het infuus.

    Oog om oog, tand om tand
    In zo’n dialoog wordt ook vaak gediscussieerd over de vraag of het wel goed is wat de vrienden doen. Ze roepen de hulp in van Luka, een medeslachtoffer die weliswaar halfblind is maar zegt visioenen van Kruik te hebben. Hij leidt hen op een dwaalspoor. Vervolgens vragen ze raad aan een priester, die ook Luka heet. Hij raadt ze aan te vergeven. Het zijn wake-up calls: reken op jezelf, op je eigen innerlijke kracht, leer zelf te zwemmen. Maar telkens komen ze uit op het idee oog om oog, tand om tand en op het punt dat er wraak genomen móet worden.
    Er wordt niet langer om hen heen geschoten, maar de gevechten vinden binnen in henzelf plaats, tot het inzicht aanbreekt dat ze door hun oud-folteraar te martelen, zij ook zichzelf martelen. ‘Van binnen vraten wij ons op, omdat wij niet een einde aan alles konden of wilden maken: de gevangene, zijn gevangenschap, zijn geheime dienst en zijn walgelijke hoongelach.’ Telkens herhaalt Pater dat vergeven ‘slechts een vorm van verheven wraak is.’ Uiteindelijk is hij meer met zichzelf bezig dan met Kruik.

    Afloop
    Zonder dat wordt verklapt hoe deze hele actie afloopt, doet het eind denken aan hoe Bach wel de cantates afsluit waarin eerder sprake was van vernietiging van de vijand – in geestelijke of reële zin, dat blijft soms in het midden. Maar het slotkoraal slaat een andere toon aan.
    Zo vallen er meer vergelijkingen te trekken. Bijvoorbeeld met het denken van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, die in haar studie Woede en vergeving ook schreef over wraak, woede en vergeving. Alleen graaft Vuletić dieper. Want waar Nussbaum zegt dat ofwel een voorval zo misdadig is dat we straf aan de rechterlijke macht moeten overlaten, ofwel zo triviaal dat we niet op wraak moeten zinnen, is het in dit geval duidelijk dat de rechterlijke macht in Kroatië corrupt was en dat er van trivialiteit geen sprake was. Overigens benadert Nussbaum ook, net als Vuletić, het begrip ‘vergeving’ kritisch. Volgens haar is dit in de kern egoïstisch, omdat de getroffene zich op die manier in een moreel verheven positie beweegt.
    Waarvan zouden Pater en zijn vrienden het volgens Vuletić en Nussbaum dan moeten hebben? Daarin zijn ze eensgezind, maar dat zou een spoiler zijn. Het is aan de lezer om hierachter te komen en blij te zijn met het feit dat dit indrukwekkende boek dat tot nadenken stemt in het Nederlands is vertaald. Inderdaad: een boek van een auteur die ook filosofie heeft gestudeerd.

     

     

     

  • Op avontuur met de beste dichters van 2017

    Op avontuur met de beste dichters van 2017

    Het voelt wat vreemd, een architect als samensteller van een bundel waarin een selectie van de gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017 is opgenomen. Maar waarom zou een architect niet met poëzie verbonden kunnen worden? Is een gedicht niet, net zoals een bouwwerk, ook een stapeling van elementen? Een ruimtelijke samenstelling van onderdelen die in hun verscheidenheid toch een eenheid vormen? Een onderkomen voor de menselijke verbeelding? Daar zou met gemak een fraaie en romantische vergelijking over geschreven kunnen worden, maar kennelijk niet door Francine Houben, één van Nederlands bekendste architecten. In haar voorwoord komt deze juryvoorzitter niet veel verder dan haar medejuryleden te bedanken en vast te stellen dat in architectuur, zowel als in poëzie, alle zintuigen worden beroerd: ‘Als het goed in elkaar zit voel je emotie’. Daarnaast stipt ze wat gemeenplaatsen uit haar geliefde Rotterdam aan: Jules Deelder op de vuilniswagens, Ramsey Nasr op de luchtsingel en Lucebert op een flatgebouw. Iets meer bevlogenheid zou je van een artistiek vertegenwoordiger uit de hoogste regionen van de vaderlandse cultuur wel mogen verwachten. Gelukkig bestond de jury ook uit enkele zwaargewichten uit de literaire wereld zoals Rozalie Hirs en Ilja Leonard Pfeijffer.

    Bladerend door de bundel valt direct de grote diversiteit aan gedichten in het oog. Het Nederlandstalige dichterschap wordt naar hartelust beoefend en levert bijzondere poëzie op. De genomineerden voor de VSB-prijs zijn goed vertegenwoordigd: de scherpe actualiteit van Rodaan Al Galidi, het zelfonderzoek van winnares Hannah van Binsbergen, de speurende evolutie van Ruth Lasters, de beheerste hysterie van Delphine Lecompte en de verbeten moraal van Nachoem M. Wijnberg. Een uitstekende afspiegeling van de stand van zaken in de dichtkunst.

    Dat afgevinkt hebbende is het een verrassend avontuur om de rest van deze editie door te spitten. Vooral waar dichters hun woorden toetsen aan een werkelijkheid die niet binnen handbereik ligt, het doorlopend najagen van kronkelende gedachten die in hun uiteindelijke vorm tot een indringend gedicht leiden. Nog mooier wordt het als de dichter zichzelf op de hak neemt, de vileine zelfspot die zo nu en dan onontbeerlijk is in de verheven woordenbrij (‘De poëzie uitlachen: dat is pas poëzie!’ zoals Erik Spinoy in een van zijn gedichten laat weten). Dan valt direct de bijdrage van Menno Wigman in het oog, zijn ontnuchterende ‘Rien ne va plus’ is een feest om te lezen tegen het einde van een bundel vol doordachte woorden:

    Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.
    Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
    Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
    onder vijandig licht. En ‘s avonds op je kamer
    zit je hardnekkig je verwekkers stuk te schrijven,
    je dicht en heerst in het geniep over het leven,
    een spotziek joch met een duivel tussen zijn dijen
    dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
    ja en je hand die nu zo fel papier bekrast
    houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
    Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
    het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
    trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
    Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
    en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
    En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
    door poëzie van alles om je heen vervreemd,
    nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
    Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
    Had je maar nooit een gedicht gezien.

    Met een knipoog naar Slauerhoff weet Wigman ambitie, onzekerheid, bravoure en schaamte in woorden te vatten. Kortom, de zwalkende kunstenaar in optima forma, die juist door te twijfelen aan z’n eigen professie de dichtkunst op een hoger plan brengt. Het streven naar grootsheid van de eerzuchtige jeugd die wordt ingehaald door de nuchterheid van het volwassen leven. Toch kiert de liefde voor de poëzie haast wanhopig door deze regels.

    Persoonlijke hevigheid maakt even snel weer plaats voor bescheiden uiterlijkheid zoals de Vlaamse Marleen de Crée laat zien. Altijd een verademing, poëzie die zich naar de ruimte toe draait, beschrijvend en observerend. Noem het klassiek of cliché, tussen alle navelstaarderij is een poëtische schildering van de buitenwereld een fijne ervaring. De Crée legt in ‘Voices’ de vinger op ruimte en tijd, ze kijkt in de toekomst en schrapt ter plekke de woorden die te veel zijn:

    het ochtendlicht lekte uit de wolken.
    een onbestemde vogel in het bos
    viel uit een boom. waarschuwde.

    dunne minuten tikten uren los,
    een geluid van afgemeten tijd,
    van een lijn die uitloopt in de luwte.
    geroffel van water, vlucht tussen
    druppel en punt.

    Hier wordt, met een fraaie interpunctie, het leven beschreven alsof het een futiele aangelegenheid is. Zó klein en tegelijkertijd van een immense omvang, te groot om te omarmen. Als een pneumatische machine die de rijkdom van deze poëzie laat zien: een doorlopende pompbeweging die van klein naar groot, van binnen naar buiten en ja, van leven naar dood vibreert.

    En dan zijn we in één grote armzwaai bij de laatste pagina van deze bundel beland. Alle opwindende nieuwigheid, experimenteerdrift, debutantengedoe en vormexplosies ten spijt, hier eindigen we haast sacraal met een indrukwekkende showstopper: wijlen Joost Zwagerman (met Zw dus hij is echt de laatste) en zijn haast Reviaanse woorden in het intieme gedicht ‘Droom’:

    Een eeuwigheid geleden
    leende ik aan God mijn stem.
    Sindsdien schalt Hij basso
    continuo over stad en land.

    Een enkeling herkent mijn stem
    en meent dat God in tongen
    spreekt. Zijn eenzang, mijn
    timbre, het is een misverstand.

    Om minder is wel achterdocht
    gewekt. Bedeesd hul ik mij
    in het tomeloze zwijgen dat
    Hem tot aanbeveling strekt.

     

     

    N.B. Dit zal de een na laatste De 100 beste gedichten bundel zijn, een uitgave in het kader van de VSB Poëzieprijs. Vorige week werd namelijk bekend dat het VSBfonds na 24 jaar hun naam niet meer wil koppelen aan deze Poëzieprijs. In 2018 zal de laatste keer zijn dat deze prijs wordt uitgereikt onder de naam VSB. De komende jaren wil het VSBfonds zich nog meer richten op actief burgerschap en initiatieven/projecten die ernaar streven de onderlinge verbinding tussen mensen tot stand te brengen of te herstellen, daarbinnen past een prijs voor een bundel van een individu niet meer.

     

     

  • Belcampo revisited

    Belcampo revisited

    Etgar Keret is een internationaal veelgeprezen Israëlische verhalenschrijver van wie een aantal titels in het Nederlands is vertaald (bv. Superlijm en Zeven vette jaren).
    Uitgeverij Podium heeft nu een heruitgave uitgebracht van de verhalenbundel Verrassing uit 2011, aangevuld met een aantal nieuwe verhalen, wellicht om deze schrijver weer eens onder de aandacht van de Nederlandse lezer te brengen. Keret is immers wereldberoemd, waarom dan niet in Nederland?

    Keret staat bekend om zijn absurdistische verhalen, waarin hij de werkelijkheid elke keer weer naar zijn hand weet te zetten. Een meisje ontdekt een rits in de mond van haar vriend. Een man verdwaalt letterlijk in zijn leugens. Een man wordt ontvoerd, krijgt zijn kinderkleren aan en wordt bij zijn moeder afgeleverd die hem als een schooljongen behandelt. En zo verder. De verhalen hebben geen duidelijke pointe, ze lijken geschreven te zijn op het effect van onverwachte en absurdistische feiten.
    Wat is de boodschap van deze verhalen? Dat je het leven naar je hand kunt zetten? Dat je de regie van je leven moet pakken en houden? Dat absurd hetzelfde is als humoristisch?

    Deze verhalen doen in een aantal opzichten denken aan die van Belcampo, een bijna vergeten (Nederlandse!) schrijver die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw talloze verhalen schreef waarin ook zulke absurdistische zaken een rol speelden. Bijvoorbeeld het verhaal De dingen de baas, waarin letterlijk gebeurt wat de titel zegt. Overigens: Belcampo schreef een verhaal dat De surprise heet.
    De verhalen van Belcampo zijn, ondanks het feit dat ze in de jaren vijftig en zestig zijn geschreven, nog heel goed leesbaar.  De verhalen van Keret wringen: namen en plaatsen zijn voor ons als Nederlandse lezers nietszeggend, onderlinge verhoudingen tussen de personages anders dan wij kennen, de couleur locale is afwijkend van die van ons. En dat maakt deze verhalen lastiger leesbaar dan die van Belcampo.

    Maar het is ook zeker zijn gevoel voor humor dat de lezer dwarszit. De verhalen zijn weliswaar absurd, maar ook erg gezocht: de absurditeit is tot doel verheven en is geen middel om een boodschap over te brengen, tenzij de boodschap juist de absurditeit is. Want dat is wat je kunt bedenken: het leven is absurd en niets is merkwaardig. Positief is dat zijn dialogen levendig en boeiend zijn: ad rem, bevlogen.

    Keret staat bekend als een schrijver die in het dagelijks leven geen blad voor de mond neemt over de politiek. In een recent interview laat hij zich ontvallen dat de literatuur een belangrijke rol speelt in het Joods-Palestijnse vraagstuk. Opvallend dus dat hij in deze bundel daar weinig woorden aan besteedt, nergens neemt hij een standpunt in over links of rechts in de politiek, over de keuzes die het land maakt in de omgang met Palestijnen. Nergens zijn deze verhalen maatschappijkritisch. Natuurlijk: het is zijn goed recht om een ander soort verhalen te schrijven en geen maatschappelijk belangrijke onderwerpen te behandelen. Keret is echter wel erg uitgesproken over zijn wereldbeeld op allerlei fronten, waarom dan niet in deze bundel?

    In 2004 publiceerde Keret samen met de Palestijnse schrijver Samir El-Youssef de verhalenbundel Gaza Blues. Dat was ten tijde van de Tweede Intifada een statement dat er niet om loog: in een boek konden een Israëli en een Palestijn vreedzaam samenleven. Merkwaardig dus dat er in deze bundel nauwelijks een standpunt is te destilleren over deze kwestie.

    Verrassing bevat leuke verhalen, maar ook niet meer dan dat. Ze lezen gemakkelijk weg, maar de inhoud beklijft niet.

     

     

  • Fraai verzorgde biografie over een moeilijk mens

    Fraai verzorgde biografie over een moeilijk mens

    Jacques Perk is Nederlands ultieme jonggestorven dichter, De nieuwe gids is het ultieme Nederlandse revolutionaire literaire tijdschrift, de Tachtigers zijn de jonge, dichterlijke hemelbestormers par excellence.  Te midden van dit alles: Willem Kloos, schrijver van een handvol onvergetelijke sonnetten, drinkebroer, intrigant, halfgare zwerver, poète maudit.

    Hoezeer ook het beeld van de Beweging van Tachtig in de loop der jaren op grond van talrijke publicaties is verduidelijkt, genuanceerd en ook wel verbleekt, de reputatie ervan blijkt onverwoestbaar. En ziedaar: opeens is er dit nieuwe boek over Kloos. Mooi uitgegeven, kloek van omvang, met veel foto’s en citaten uit vele brieven, dagboeken, dichtbundels en artikelen. De auteurs Peter Janzen en Frans Oerlemans schetsen een beeld van de dichter Kloos dat wij wel zo’n beetje kennen, maar dat aan de hand van de goedgeschreven tekst en zorgvuldig gekozen citaten uit originele bronnen nieuwe contouren krijgt. Kloos’ eenzame jeugd, Kloos’ eigenzinnige en eigenmachtige redacteurschap van De nieuwe gids, Kloos’ geldgebrek en drankzucht en uiteraard zijn hartstochtelijke gevoelens voor vrienden en collega’s als Jacques Perk, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Albert Verwey, Willem Witsen en Hein Boeken. Gevoelens van affectieve aard, die onder invloed van de gebeurtenissen net zo makkelijk konden omslaan in bittere vijandigheid. Met aansluitend als apotheose of, zo men wil, het begin van het einde: Kloos’ huwelijk in het jaar 1900 met Jeanne Reyneke van Stuwe en onder haar streng-beschermend bewind, de bedaarde Haagse jaren tot aan de dood van Willem Kloos in 1938.

    In het kort komt het neer op het volgende: dit is een boeiend boek over een moeilijk, zeg maar gerust, onaangenaam mens. Natuurlijk mag een 19de eeuwer als Kloos niet een-op-een beoordeeld worden naar de maatstaven van 2017, maar toch vraagt de lezer van nu zich wel eens af waarom Kloos nooit werd gewezen op zijn ‘eigen verantwoordelijkheid’. Het schaamteloze gemak waarmee hij er vanuit ging dat er wel voor hem zou worden gezorgd en (dus) over alles en bij iedereen mopperde, klaagde en om geld zeurde – zelfs bij vrienden die hij in bespottelijke en afschuwelijk slechte sonnetten dodelijk had beledigd – is ‘met de kennis van nu’ onvoorstelbaar.

    Een kleine tien jaar na de dood van Kloos, in 1947, verscheen Het menschelijke beeld van Willem Kloos, geschreven door zijn weduwe dat zo berucht onwaarachtig-hagiografisch van aard was, dat het zijn doel volkomen miste. De auteurs van Willem Kloos stellen daar een publicatie tegenover die uitgaat van het ‘ziektebeeld’ van Kloos waarbij de term ‘borderline’ valt. In dat kader passen alle karaktertrekken die zo uitvoerig aan bod zijn gekomen: stemmingswisselingen, neerslachtigheid, wraakzucht, zelfmoordneigingen, verlatingsangst, drankzucht, zich willen hechten – en dit alles met als overkoepelend element een intensiteit die Janzen en Oerlemans benoemen als onmatig. Opmerkelijk is dat dit inzicht steeds ruimschoots aanwezig blijkt bij Kloos’ vrienden en tijdgenoten. Willekeurig voorbeeld: Frederik van Eeden schrijft in een brief uit 1896: ‘Hij [= Kloos] heeft nog altijd maar een zorg, zijn eigen figuur op te houden, zijn eigen houding te idealiseren als die van de grooten, sterken martelaar.’

    Dit omvangrijke en fraai verzorgde boek is een bewerking – althans dat kan worden verondersteld, want vermeld wordt dit feit nergens – van twee nog meer uitgebreide publicaties waarop de beide auteurs Janzen en Oerlemans in 2013 tegelijkertijd promoveerden, en waarin Kloos’ Amsterdamse jaren (1859-1900) gedocumenteerd werden in meer dan 800 pagina’s. Dat het nu bij uitgeverij Vantilt verschenen boek tot minder dan de helft is teruggebracht is maar goed ook, want het is welletjes zo. En toch, en toch … het spannendste aan dit boek is misschien wel de vaststelling, dat het vuur van de reputatie van de Beweging van Tachtig, gesymboliseerd door de merkwaardige, centrale dichtersfiguur Willem Kloos, na bijna honderdveertig jaar nog altijd niet is gedoofd.

     

     

  • Goed geschreven geschiedenis met individueel geluid

    Goed geschreven geschiedenis  met individueel geluid

    De romancier Peter Lenssen (1957) is geen regelmatig publicerend auteur maar heeft wel twee omvangrijke boeken op zijn naam. Zowel in Toplöss (1989) als in het zojuist verschenen Bitterdagen raakt hij over de historie van Limburg, zijn provincie van herkomst, niet uitgepraat. Mogelijk is het betrekkelijk late debuut en de lange pauze tussen de twee werken te verklaren uit het streven naar perfectie. Bitterdagen is goed geschreven en de opbouw van het verhaal over de geestelijk verminkte hoofdpersoon met de ironische naam Sjef Sonneschein is voorbeeldig.

    Deze zonderlinge gepensioneerde geschiedenisleraar, geboren in 1927, is vanaf de eerste bladzijde van Bitterdagen aan het woord als een causeur. Zijn leven lang heeft hij gezwegen over het trauma van zijn jeugd. Bij stukjes en beetjes ontrolt zijn persoonlijke geschiedenis die tegelijk het ‘totale’ verhaal is over kolonialisme, Tweede Wereldoorlog, steenkolenmijnen en door overheid en geestelijkheid in stand gehouden maatschappelijk onrecht. Het verhaal tevens over de mens die nooit leert van de geschiedenis, zijn naaste niet liefheeft en hartgrondig haat.

    Lenssen moet al jong gefascineerd zijn geraakt door getuigenissen van zijn ouders en grootouders over de Duitse bezetting en de daaraan voorafgaande roerige jaren. De jaren dertig en veertig van de vorige eeuw roept hij via de hoofdfiguur namelijk op alsof hij er zelf middenin gestaan heeft. Hij laat Sonneschein met een ‘grote bek’ en schijnbaar emotieloos de hoofdstukken vertellen met veel oog voor, niet altijd functionele, details. De hoofdstukken hadden hier en daar zeker beknopter gekund. Zo heeft de beschrijving van een dagje in de jaren dertig met zijn vader in Aken aanvankelijk te veel van een toeristisch verslag.

    In datzelfde hoofdstuk krijgt de lezer overigens een van de hoogtepunten in Bitterdagen voorgeschoteld: de brutale schoffering van een straataccordeonist als aankondiging van grootschalige nazistische misdaden tegen de menselijkheid. Via de vertellende ik-figuur bouwt Lenssen in de roman een spanning op die de lezer doet snakken naar de ontknoping van de treurige geschiedenis, naar Sonnescheins afrekening met zijn intense verbittering. Bovendien vraagt de geleidelijk aangescherpte sfeer van dood en verderf om een catharsis.

    Bitterdagen heeft door het komen en gaan van generaties iets weg van Sartre’s Walging en van het proza van Wolkers over het menselijk bestaan als een druppel op een gloeiende plaat. Het wekt voorts reminiscenties aan de nog niet zo lang geleden druk beoefende bewustzijnsromans waarin de hoofdpersonen hun gedachten ‘ongestructureerd’ de vrije loop laten. Al of niet beïnvloed door zulke voorbeelden heeft Lenssen een individueel geluid. Vanaf de eerste bladzijde ontsnapt aan de hoofdpersoon een eigenzinnige toon:

    Ik heb mijn eigen burcht gebouwd […] Ik heb het de gemeente laten weten. Sindsdien komt er nog meer tuig aan de deur. Overheidsslaven. Regelzeikers. […] Kijk, daar achter, daar leeft die gek, een dwaas figuur. Iemand die niets van anderen wil weten. Dat kan toch niet. Daar moeten we iets aan doen.’

    De in Zuid-Limburg opgroeiende Sjef Sonneschein is ertoe voorbestemd te leven in een grensgebied waarin na het uitbreken van de oorlog twee dicht bij elkaar liggende en voorheen gescheiden werelden in elkaar schuiven. Het gezin Sonneschein en familieleden uit de nabije Duitstalige regio krijgen te maken met nazi’s, met horrorachtig lieden zoals ze in Bitterdagen trefzeker maar nogal ongenuanceerd worden uitgebeeld.

    Later, als de hoofdpersoon aan het eind van zijn leven gekomen terugblikt, is hij net als in zijn jeugd in twee verscheurde realiteiten opgesloten, nu die van heden en verleden. Gebieden zonder grenzen. Heden en verleden accorderen, legt Lenssen een van de personages in de mond. ‘Waarom ging je eigenlijk geschiedenis studeren?’ vraagt Sjors. ‘Omdat je me vertelde dat het heden vooral ook verleden is.’

    Sonnescheins enige gezelschap in het voor immer duistere hier en nu bestaat uit zijn honden en een vriendin, een paria als hij. Af en toe bezoekt zij haar makker om, lijkt het, samen ten onder te gaan. Zij prostitueert zich om aan drugs te komen en de ring rond Sjef wordt almaar nauwer door oprukkende  Alzheimer.
    Van meet af aan is duidelijk dat het grote zwijgen over een buurman die mede schuldig is aan Sjefs oorlogstrauma, eerder laat dan vroeg zal worden verbroken. Ongewis wordt dit wanneer het flink begint te spoken in het hoofd van Sonneschein. Kort vóór het slot verscheurt hij bladzijden uit boeken zonder er zich later iets van te herinneren.

    Dan volgt zijn laatste daad. Hij verlaat zijn huis om definitief af te rekenen met het verleden en doet daar tot in de puntjes verslag van. Met zijn korte termijn geheugen is dan kennelijk niets meer mis.
    In deze slotfase verzuimt Lenssen het aangrijpend relaas te voegen in het verloop van de romanwerkelijkheid die hij tot dan toe rond Sonneschein heeft gesponnen. Maar Bitterdagen is van begin tot eind zó ontroerend dat zulks voor het eindoordeel over het boek nauwelijks gewicht in de schaal mag leggen.

     

     

     

  • Verzamelbundel over dichters en poëzie

    Verzamelbundel over dichters en poëzie

    Wiel Kusters is een gedreven en actief publicist in het land der Nederlandse letteren, met kennelijk een extra warm plekje voor de provincie Limburg. Zijn literaire bezigheden sluiten ook aan bij zijn werkzame leven als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Maastricht.

    Kusters debuteerde in 1976 rond zijn 30ste levensjaar en relatief laat, met een bundeltje gedichten van drie bladzijden. Vanaf dat moment verscheen er haast elk jaar  nieuw werk van hem , dikwijls in kleine oplage bij zogenaamde margedrukkers. Wel steeds op mooi papier, genummerd en gesigneerd. Vaak met illustraties en ter gelegenheid van  bepaalde gebeurtenissen, verjaardagen, jaarwisseling of jubileum. Het boek Leesjongen. Verzamelde gedichten 1978-2017, is een overzicht van zijn poëtische uitgaven .

    In deze verzamelbundel van 300 bladzijden heeft Kusters zijn gehele poëtische oeuvre opnieuw overzien en voor de gelegenheid thematisch geordend. Zelf noemt hij het ‘de kern van mijn dichterlijke werk tot nu toe’. Aldus is een soort dichterlijke autobiografie ontstaan: de rubrieken waarin gedichten zijn ondergebracht zijn getiteld: ‘Dicht bij huis’, ‘Amor en de schedel’, ‘Ik ging eens niet graag dood’, ‘Mijn handen in een droom’, ‘Lezen in de nacht’ en ‘Het halve woord’. Alle poëzie van een leven lang (Kusters is dit jaar zeventig geworden) heeft zodoende ook een nieuwe plaats. De bestaande gedichten zijn uit hun oorspronkelijke verband losgemaakt en hebben een nieuwe , overkoepelende context gekregen. Een goede gelegenheid dus om de poëtische Kusters  te leren kennen. Voor het bestuderen van de ontwikkeling van de dichter Kusters blijkt  deze presentatievorm echter minder bruikbaar.

    In het geval van een dichterlijke autobiografie ligt het min of meer voor de hand dat ‘verhalende’ gedichten overheersen: de gedichten die de lezer iets meedelen over Kusters’ eigen leven. Daarnaast bevat dit boek opvallend veel gedichten over dichters en poëzie.

    ‘Oor’
    Op straat legde ik vaak
    een oor aan de grond

    bewoog daar beneden
    een vader of een zoon?

    Et voilà: een simpel gedichtje met een kinderherinnering, die in luttele woorden (ook) het beeld oproept van Limburg als het land waar de mijnbouw beoefend werd.

    ‘In volle vaart’

    De boot glijdt langzaam over het gladde water.
    Ik ben het kind dat mij heeft ingehaald.
    Almaar sneller roeiend word ik als mijn vader,
    die tussen oeverstruiken is verdwaald.

    De vijver rust gelaten op zijn gronden.
    In niets beweegt hij uit zichzelf vandaan.
    Tot op de bodem ligt de tijd ontbonden,
    in zomerdaglicht hangt een bleke maan.

    Toen en nu zijn hier als steeds vervlochten.
    Zo leeft de dood in ieders ver verleden.
    Je roeit en ziet voortdurend waar je was
    en elke slag verander dadelijk in zopas;
    al had ons hart dat nog zo graag vermeden,
    verliezend telkens wat we net nog zochten.

    Andermaal een verhalend gedicht, vast van vorm, tijdloos naar inhoud. Lyrischer, speelser ook, is ‘Orgel aan zee’.

    Van alle kanten, niet van zee
    brengt de dag een orgel mee:

    drie orgelschelpen op een rij.
    De wind blaast vrij in allebei.

    Het tweetal meeuwen dat hier vliegt,
    krijst dat alle zonlicht liegt.

    De ene die overblijft ten slotte,
    omdat het weggaan niet zo vlotte,

    strijkt op het zwijgend orgel neer,
    kijkt mij aan en is niet meer.

    Aan zoiets, maar bijvoorbeeld ook aan het merkwaardige ‘Villa massimo 1984’, met regels als, De silben stroomden glad naar /  grimm / piano tonies xylofoon / azijn en olie suikeroom, kan de lezer merken dat Wiel Kusters een dichter is, die met zijn gevarieerde vormentaal  verschillende registers bespeelt. Een bonus bij deze uitgave is een CD waarop we Kusters kunnen horen voorlezen. Deze selectie van ruim dertig gedichten vormt dan weer, kan worden aangenomen,  de persoonlijke voorkeur van de dichter zelf uit het grotere geheel. De dichter brengt dat dus nog dichterbij: zíjn selectie, uit zijn eigen poëzie, door hemzelf voorgelezen. Beluister zijn rustige voordracht, hoor zijn uitspraak met de onmiskenbare zachte g. Kusters is niet het soort performer wiens voordracht iets toevoegt, zoals bv. Bart Chabot. Het gedicht ‘Kniettewies’ in het Kerkraads, veroorzaakt een uitgesproken regionaal accent. Aldus maakt de lezer kennis met een veelzijdige Nederlandse dichter, schrijver en academicus, die begint en  eindigt in de provincie.

     

     

  • Een zondaar in een Britse kolonie

    Een zondaar in een Britse kolonie

    Dit bekende werk van Graham Greene uit 1948 vertelt het verhaal van Scobie, assistent-commissaris in een Britse kolonie in West-Afrika. Hij is een man van eer en integriteit, religieus, maar zit vast in een huwelijk dat eigenlijk voorbij is. Wanneer zijn bevordering tot commissaris tot verdriet van zijn vrouw Louise niet doorgaat, – overigens niet tot zijn verdriet – stuurt hij haar op reis. Tijdens haar afwezigheid raakt hij verstrikt in de tentakels van de diamantsmokkelaar Yusef en wordt hij verliefd op Helen, een jonge weduwe. Zijn leven krijgt dan een heel andere wending.
    Zijn omgeving houdt hem voortdurend een spiegel voor en heel geleidelijk begint hij te beseffen dat hij niet meer terug kan. Hoezeer hij ook probeert om een integere oplossing te vinden voor zijn omgang met de diamantsmokkelaar of voor zijn overspel, hij slaagt daar niet in, met fatale afloop.

    Naar eer en geweten
    De dilemma’s waarvoor Scobie zich gesteld ziet en de consequenties van zijn keuzes vormen het belangrijkste bestanddeel van dit spannende boek. Greene sleept de lezer mee het verhaal in en hij laat je niet meer los. Zozeer, dat als je niet oppast, je medelijden met hem krijgt en begrip krijgt voor de verkeerde keuzes die hij maakt.

    Zo probeert de diamantsmokkelaar hem te paaien, terwijl Scobie hem probeert te betrappen. Om de buitenlandse reis van zijn vrouw te kunnen betalen, sluit hij  evenwel een lening bij hem af. Dat is niet slim en loopt ook niet goed af. Zijn bevordering tot commissaris gaat onder meer niet door vanwege zijn banden met deze Yusef.

    Vanaf het begin van zijn verhouding met Helen weet hij dat deze geen stand kan houden. Deze ‘zonde’ verdraagt zich overigens ook niet met zijn religieuze opvatting, maar hij verzint telkens een argument waarom het geen zonde zou zijn. Zo gaat hij er – tegen beter weten in – vanuit dat zijn vrouw niet meer zal terugkomen. Hoe langer zijn verhouding met Helen duurt, hoe groter zijn innerlijke worsteling. Bovendien kan hij zijn relatie in de kleine koloniale gemeenschap niet geheim houden. Zijn loyaliteit aan Louise maar ook aan Helen maken het leven van Scobie tot een hel en ook zijn geloof biedt hem weinig houvast. Het leven glijdt hem langzaam uit handen.

    Waardering
    Na bijna 70 jaar heeft dit werk weinig van zijn waarde verloren. Het is zeer verhalend geschreven, zit knap in elkaar, is spannend om te lezen en werkt geleidelijk toe naar het onontkoombare einde. De belangrijkste personages zijn mooi gekarakteriseerd. De dilemma’s waarvoor Scobie zich gesteld ziet of die hij eigenlijk zelf creëert, worden uitvoerig beschreven, zowel in zijn mogelijke oplossingen als in de uiteindelijke consequenties. In die zin zit er een mooie filosofische laag onder deze politiethriller. De schrijfster en filosofe Désanne van Brederode typeert dit boek in haar voorwoord om die reden als meer dan een ‘spannend jongensboek’. En zo is het. Dat is het knappe van Greene.

    Hoewel het spannende verhaal goed te lezen is, is de stijl niet meer geheel van deze tijd. Greene gebruikt veel woorden en is soms wat langdradig door een teveel aan uitweidingen.

    Dat alles neemt niet weg, dat deze hernieuwde kennismaking met Greene de moeite waard is.

     

     

  • Knikkerbestaan

    Knikkerbestaan

    De kans is groot dat de naam Erich Maria Remarque u niet meteen vertrouwd in de oren klinkt, maar het is een van ’s werelds meest gelezen, vaakst vertaalde en meest verfilmde Duitse auteurs. Toch zijn er in het Nederlands maar twee titels beschikbaar: Van het westelijk front geen nieuws, wellicht zijn bekendste werk, en De nacht in Lissabon. De oorspronkelijke versie van het laatstgenoemde boek dateert uit 1963, de Nederlandse vertaling volgde enkele jaren later en verscheen onlangs in een nieuwe uitgave.

    Het boek vertelt het verhaal van een man die op de vlucht voor de nazi’s in 1942 het neutrale Portugal bereikt en via Lissabon hoopt naar Amerika te kunnen ontkomen. Een mysterieuze landgenoot die zich voorstelt als Schwarz – een schuilnaam – biedt hem niet alleen tickets voor de overtocht aan, maar bovendien ook zijn paspoort met bijbehorend visum. Eén voorwaarde stelt hij slechts: die nacht met hem doorbrengen in de kroegen van Lissabon en een luisterend oor bieden voor zijn verhaal.

    Wat volgt, is een verhaal waarin de informatie zeer gedoseerd wordt vrijgegeven, als een puzzel die langzaam wordt gelegd. Schwarz leeft voor de oorlog in Osnabrück met zijn arische vrouw Helen. Haar broer Georg, een fanatieke SS’er, zorgt ervoor dat Schwarz in een concentratiekamp terechtkomt. Later kan hij toch ontkomen naar Frankrijk, waar hij een levensgevaarlijke beslissing neemt: in het geheim terugreizen naar Duitsland om zijn vrouw te zien. Het is een periode waarin het gevaar voortdurend om de hoek loert en de angst elke seconde van zijn bestaan beheerst: ‘Het is wonderlijk dat, als je helemaal in een paniekstemming geraakt, je gelooft dat er overal schijnwerpers op je gericht zijn en de wereld niets beters te doen heeft dan naar je te zoeken. Je hebt het gevoel of alle cellen van je lichaam voor zichzelf willen beginnen, je benen een zenuwtrekkend benenrijk stichten, je armen niets dan afweer en klappen willen zijn en zelfs je lippen en je mond sidderend nog maar net de omgevormde schreeuw kunnen tegenhouden.’ Samen met Helen begint Schwarz aan de lange terugreis naar de vrijheid, op de hielen gezeten door Georg. Maar er is één belangrijk feit dat Helen voor hem heeft verzwegen en dat het verhaal een dramatische wending zal geven…

    Remarque was een felle tegenstander van de nazi’s: hij hoort thuis in het illustere rijtje schrijvers van wie de boeken op de brandstapel belandden en werden verboden, ook wel bekend als de Exilliteratuur. In 1938 verloor hij zijn Duitse staatsburgerschap en een jaar later emigreerde hij naar de Verenigde Staten.

    Dit boek heeft ogenschijnlijk alles in zich om een klassieker te zijn, en toch overtuigt het niet helemaal. Is het omdat Remarque in zijn poging om de massapsychose van het nazisme te belichten, niet echt tot de diepte doordringt? Ligt het aan de verhaallijn, waarin de personages net iets te vaak weer op het nippertje ontkomen? Of heeft het te maken met de niet altijd geslaagde dialogen, die nu eens zwaar op de hand en gekunsteld klinken (‘Of wil je aan verbittering en verzuring van het leven sterven?’), dan weer te sentimenteel (‘Ik hou veel meer van je dan je ooit zult kunnen weten. Vergeet dat niet! Nooit!’)?

    De belangrijkste reden moeten we elders zoeken. Een oordeel over een bepaald boek wordt gedeeltelijk gevormd door andere boeken die indruk hebben gemaakt en als bakens of ijkpunten fungeren; een lezer is geneigd om verbanden te leggen. In dit geval is dat nadelig, niet alleen omdat de Duitse literatuur zo rijk is, maar ook omdat de lat zo hoog ligt voor de Exilliteratuur: zie bijvoorbeeld de hernieuwde aandacht voor het werk van Joseph Roth. Hoewel De nacht in Lissabon verre van slecht is, haalt het boek niet het niveau van de hoogtepunten waar je het onvermijdelijk mee vergelijkt.

    Kortom, deze lezenswaardige roman over een ‘knikkerbestaan’ (‘Een bestaan dat nergens kan blijven, dat zich nooit mag vestigen, dat altijd moet blijven rollen. Het bestaan van de emigrant.’) heeft zijn verdienste, maar kan niet uit de schaduw van echte literaire reuzen treden.

     

  • Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    In april 2017 is er bij Van Oorschot een nieuwe vertaling verschenen van Mijn gevangenissen van Silvio Pellico, een Italiaanse klassieker uit 1832.

    Tien jaar gevangen
    Tussen 1800-1860 werden de Italiaanse gebieden overheerst door het Frankrijk van Napoleon Bonaparte en de Oostenrijkse Habsburgers. Silvio Pellico (1789-1854) is al een bekende dichter en schrijver van toneelstukken (o.a. Francesca da Rimini uit 1818) als hij op 13 oktober 1820 wordt gearresteerd op last van de Oostenrijkse machthebbers. Hij wordt opgesloten in de Santa Margherita-gevangenis in Milaan. Als een medegevangene hem vraagt waarom hij vastzit, antwoordt hij dat hij van ‘carbonarisme’ wordt beschuldigd. ‘Wat zijn dat eigenlijk, carbonari?’ Pellico: ‘Ik ben er zo slecht mee bekend dat ik het u niet zou kunnen zeggen.’

    Tijdens zijn ruim twee jaar durende voorarrest wordt Pellico overgeplaatst van Milaan naar de ‘Piombi’, de staatsgevangenis in Venetië. Daar wacht hij zijn vonnis af. In eerste instantie wordt hij ‘ter dood veroordeeld’, maar dat wordt veranderd in vijftien jaar ‘streng arrest.’ De Keizer van Oostenrijk halveert later het aantal strafdagen van vierentwintig naar twaalf uur. Dat betekent dat Pellico na zijn voorarrest nog zeven en een half jaar gevangen zal zitten in een kerker van kasteel Spielberg in Brünn, het tegenwoordige Brno. Dat is de strengste gevangenis van de Oostenrijkse monarchie. Staatsgevangenen zijn veroordeeld tot streng arrest: ‘ze moeten werken, een ketting aan de voeten dragen en slapen op kale planken. Het voedsel is ‘abominabel.’ Na ruim tien jaar krijgt Pellico gratie. In 1832 publiceert hij Le mie prigioni; in 1833 in het Nederlands vertaald als Tien jaren gevangenis, of Gedenkschriften. De laatste vertaling, uit 1906, is van Frans Erens en heeft als titel Mijne gevangenissen. 

    De nieuwe vertaling heeft op de omslag een foto van kasteel Spielberg. Mijn gevangenissen is het autobiografische verslag van Pellico’s ontberingen in meerdere gevangenissen.

    Geen politiek
    Pellico laat zich niet uit over de politieke achtergronden van zijn gevangenschap. Over zijn detentie in Milaan schrijft hij dat hij werd verhoord, maar daarover zal zwijgen: ‘Net als een geliefde die slecht is behandeld door zijn beminde en het plechtige besluit heeft genomen haar de rug toe te keren, laat ik de politiek voor wat ze is en zal ik het over andere zaken hebben. /…./’

    Andere zaken, dat zijn vooral filosofie en geloof: ‘Wees christen! Erger je niet langer aan de misstanden! Geef niet langer af op een enkel lastig punt in de kerkdoctrine, want het voornaamste punt is glashelder: heb God en je naaste lief. In de gevangenis besloot ik eindelijk die stap te zetten en die conclusie te aanvaarden. Ik aarzelde een weinig bij de gedachte dat mensen zich, als ze erachter kwamen dat ik geloviger was dan voorheen, genoopt zouden voelen me voor schijnheilig te houden, voor iemand die was ontmoedigd door tegenslag. Maar omdat ik voelde dat ik schijnheilig noch ontmoedigd was, nam ik me voor geen enkele aandacht te schenken aan mogelijke onverdiende blaam, en besloot ik vanaf dat moment christen te zijn, en daar ook voor uit te komen.’

    Dit komt overeen met wat Pellico in zijn voorwoord schrijft: ‘Ik wilde trachten een enkele ongelukkige een hart onder de riem te steken door uiteen te zetten welk leed ik heb ondervonden en uit welke vormen van vertroosting ik bij de grootste tegenslagen bleek te kunnen putten.’

    De vraag of Pellico een ‘carbonaro’ was, blijft onbeantwoord. Hij schrijft dat zijn politieke beginselen van zijn jonge jaren nooit ‘ontaardden in demagogie of minachting voor de oude wetten./…./ Mijn vurige vaderlandsliefde ging niet zover dat ik verlangde naar een nationale regering en naar het verjagen van de vreemdeling die hier de baas speelt.’

    Pellico overlijdt in 1854, zeven jaar voor de Italiaanse eenwording in maart 1861.

    Vriendschap verzacht het lijden
    Pellico’s tijd in de gevangenis is enorm zwaar. ‘Ach voor iemand die beschuldigd wordt van staatsvijandigheid brengt een strafproces afschuwelijke zorgen met zich mee! De vrees om anderen te schaden!’ Pellico houdt zich aan zijn voornemen het niet over politiek te hebben en laat alles weg wat betrekking heeft op zijn proces. Hij schrijft over zijn erbarmelijke omstandigheden, de kou, het slechte eten, de eenzaamheid en de vertroosting die hij vindt in de spaarzame contacten met anderen – zijn bewakers (‘secondini’), zijn medegevangen (waaronder Piero Maroncelli), aalmoezeniers en paters. Over de paters die hem al die jaren bezoeken in Spielberg, schrijft hij altijd in positieve bewoordingen. Pater Battista is een ‘engel van barmhartigheid’. Pellico noteert verder over hem: ‘Na de biecht bleef hij altijd lang met ons praten en in al zijn woorden klonk een rechtschapen, waardige ziel door, vervuld van liefde voor de grootsheid en de heiligheid van de mens.’

    Pellico schrijft daarnaast met veel mededogen over een doofstomme jongen die hij vanuit zijn cel kan zien, over het meisje Zanze dat hem koffie brengt en over de zingende Maddalena (‘Wie schenkt de arme deerne / Opnieuw een sprank geluk?’). Hij noteert: ‘Vriendschap verzacht het lijden’. Ook de liefdevolle gedachten aan zijn ouders, twee broers en twee zusters houden hem op de been, al weet hij niet of hij hen ooit zal terugzien.

    Historische context
    De lezer van nu is minder goed bekend met de historische achtergronden van het boek dan de lezer van bijna tweehonderd jaar geleden. Daarom is het goed dat in het boek een verhelderend nawoord van Maarten Asscher is opgenomen.

    Asscher legt uit dat Pellico zijn gevangenismemoires hoogstwaarschijnlijk opzettelijk heeft ingekleed als een ‘bekeringsgeschiedenis’ om het boek langs de politieke en kerkelijke censuur van die tijd te kunnen loodsen.

    Hij legt uit dat Pellico niet te expliciet kon zijn, anders zou zijn boek op de Index librorum prohibitorum terechtkomen.  Op deze lijst met verboden boeken stonden werken die de rooms-katholieke kerk als verwerpelijk beschouwde. Vandaar ook dat Pellico alleen maar lovend is over het gevangenispastoraat. Asscher: ‘De corrupte rol van de gevangenispriesters in de Spielberg /../ die zich kennelijk hadden geleend voor controle en spionage als het ging om de gedragingen en uitingen van Pellico en de tientallen andere politieke gevangenen, was niet iets waarover in de door de Oostenrijkers beheerste noordelijke staten van Italië gepubliceerd kon worden.’

    Asscher schrijft dat het boek toch nog op de verboden lijst komt als Pellico’s medegevangene Piero Maroncelli in 1835 een serie ‘Aanvullingen en historische aantekeningen bij Mijn gevangenissen’ publiceert. In Alle mie prigioni di Silvio Pellico, addizioni beschrijft Maroncelli de ‘misdragingen van het katholieke gevangenispastoraat’ in de Spielberggevangenis.

    Pellico’s boek was nationaal en international een groot succes. Italiaanse vrijheidsstrijders beschouwden hem als een held. Zijn boek sloot aan bij het verlangen naar vrijheid en staatkundige eenheid dat in veel landen uit die tijd bestond. In de Italiaanse literatuur behoort zijn boek tot de klassiekers. Asscher schrijft dat Primo Levi een groot bewonderaar was van Pellico’s boek. Hij acht het aannemelijk dat Levi de openingszin van zijn boek over zijn ervaringen in vernietigingskamp Auschwitz Is dit een mens? (‘Op 13 december 1943 werd ik door de fascistische militie opgepakt’) naar de openingszin van Mijn gevangenissen (‘Op vrijdag 13 oktober 1820 werd ik gearresteerd in Milaan’) modelleerde.

    De religieuze en politieke situatie in Italië aan het begin van de negentiende eeuw blijkt complex. Asscher geeft daar een goed beeld van, hoewel meer informatie over nationalistische verzetsgroepen zoals de carbonari welkom was geweest.

    Het boek van Pellico staat vol namen van bekende en minder bekende schrijvers en tijdgenoten. Het is jammer dat een personenregister ontbreekt.

    Eigentijdse vertaling
    Het is terecht dat Maarten Asscher Mijn gevangenissen een boek noemt dat een ‘eigentijdse vertaling’  verdient. Yond Boeke en Patty Krone leverden samen een mooie vertaling af met eigentijdse uitdrukkingen zoals ‘kommer en kwel’ (Marten Toonder): ‘Wat een heerlijk moment was het voor mijn vriend en mij om elkaar na een scheiding van een jaar en drie maanden en na zoveel kommer en kwel weer terug te zien!’

    Mijn gevangenissen laat zien dat de wilskracht van de mens om te overleven enorm groot is, hoe erbarmelijk de omstandigheden ook zijn. Vriendschap en het geloof in God houden hem op de been. Niet voor niets heeft het boek als motto een regel uit het bijbelboek Job (14.1): ‘Een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen.’ Na de zorgen de verlossing.

    Mijn gevangenissen is een indrukwekkend boek over ontberingen en lijden tijdens gevangenschap. En over overleven dankzij religie, vriendschap en hoop. Deze nieuwe vertaling van deze Italiaanse klassieker verdient een groot lezerspubliek.