Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Ik wil zijn!

    Ik wil zijn!

    Voor de mensen die onder de communistische regimes in Oost-Europa hadden geleden en zich een paar weken bevrijd voelden na de Val van de Muur, openbaarde zich al snel de nieuwe werkelijkheid die in bezits- en klassenverhoudingen weinig onderdeed voor de vorige. De oude bazen hadden zich gewoon een nieuw maatkostuum aangemeten en gingen vervolgens op de oude vertrouwde voet verder.

    Dit is het thema in de onlangs in het Nederlands verschenen jongste roman van de Tsjechische schrijver Jaroslav RudišHet volk boven. Rudiš werkt dit uit aan de hand van het hoofdpersonage Vandam: ‘Ik word zo genoemd omdat ik me net als Vandam tweehonderd keer kan opdrukken.’
    De Belgische actieheld Jean-Claude van Damme transformeert in Rudiš’ roman tot een anti-held die in het post-communistische Tsjechië zijn plaats niet heeft kunnen vinden, evenals zovelen van zijn landgenoten.
    De plaats die Vandam in de maatschappij inneemt wordt vooral bepaald door diens afwijzing van de nieuwe, heersende moraal of ideologie: ‘Ze maken je wijs dat je gelukkig moet zijn en altijd breed moet lachen en opgeruimd en attent en aardig moet zijn’, zegt hij in een lange monoloog tegen zijn zoon, van wie Vandam hoopt dat die in zijn voetsporen zal treden.
    ‘Ze maken je wijs dat alleen wie schulden maakt, bestaat. Als je schulden maakt, heb je een toekomst, omdat je moet afbetalen. Opeens is er plek voor jou op deze wereld.’

    Vandam wil en kan daar niet aan meedoen. Hij heeft andere ideeën over de waarden in het leven. Want loopt de meerderheid niet opnieuw in het gareel, zoals ten tijde van de communistische dictatuur? Die is ingeruild voor de totale consumptiemaatschappij, maar de dwang om in het gareel te lopen is gelijk gebleven. Niet meedoen, betekent sociale uitsluiting. Maar je kunt je ‘s ochtends wel aankijken in de spiegel, zonder schaamrood op de kaken te krijgen.

    Vandam is een vechter, die problemen het liefst met de vuist oplost. Aan (te veel) praten heeft hij een broertje dood en al helemaal aan gladde praatjes.
    Zijn broer, een studiehoofd, heeft het wél gemaakt in de nieuwe maatschappij. Die woont in een villawijk, waar huizen zwembaden hebben, maar waar de bewoners niet per se gelukkiger zijn dan Vandam in zijn stalinistische flatwijk.
    Volgens zijn eigen zeggen heeft Vandam de Fluwelen Revolutie in gang gezet, door de eerste klap uit te delen, maar anderen (of waren het dezelfden?) hebben van de val van de communisten geprofiteerd.

    Het bos, dat voor een deel heeft moeten plaatsmaken voor de nieuwe flatgebouwen, is een mythisch oord, waarop Vandam zijn voorstelling van een onbedorven geschiedenis projecteert. Er vinden gevechten plaats tussen Germanen en de Romeinen. Vandam ziet zichzelf als de laatste Romein, die het onbedorven verleden wil transponeren naar de huidige tijd, ‘waar de boel net als gletsjers smelt’, ‘waar de boel net als de regenwouden van de Amazone in brand staat.’

    Waar het om gaat, vindt Vandam, is de vastgelopen wereldgeschiedenis weer in beweging te zetten, met een paar goedgerichte klappen in het geval van Vandam, om te laten zien dat mensen zich aan de regels moeten houden. Rechtvaardigheid en fatsoen, dat wil hij.
    Maar niet iedereen is daarvan gediend. Lucie, de caféhoudster van de Poolster, het stamcafé van Vandam en zijn vrienden, schreeuwt hem op een cruciale nacht bij hem thuis toe, nadat ze na sluitingstijd met hem mee is gegaan om te vrijen: ‘Wie denk je wel dat je bent? Achterlijke idioot, debiel. De laatste klote-Romein die soldaatje speelt. Redder van de mensheid. Ik hoef niet gered te worden. Wat denk je wel dat je bent, man?’

    ‘Litteken’ heet het enige hoofdstuk dat geen nummer heeft maar een titel, waarin het nachtelijke gesprek tussen Lucie en Vandam wordt weergegeven, niet als een monoloog, maar waarin een verteller het woord neemt. Hierin komen we meer over Vandams persoonlijke geschiedenis te weten, meer dan in alle pagina’s ervoor. Vandam blijkt een dromer, veel gevoeliger dan hij meestal wil toegeven.

    Het volk boven is de tweede roman die van Jaroslav Rudiš, na Het einde van de punk in Helsinki in het Nederlands is vertaald, beide door Edgar de Bruin. Deze prachtige vertalingen zijn een aanwinst voor de Nederlandse literatuur. Als Nederlandstalige lezer wordt je blik gericht op Midden-Europa, dat door Rudiš opmerkelijk dichtbij wordt gebracht. ‘Ik wil niet hebben, ik wil zijn’, zou je Vandams machteloze schreeuw kunnen samenvatten. Dat riep Youp van t Hek ook al in 1995 in diens show ‘Spelen met je leven’. En over spelen met je leven gesproken, dat doet Vandam ook aan het slot van deze roman, met fatale gevolgen, zoals blijkt uit de weergaloze sterfscène aan het slot.

     

     

     

  • Waarom de muze niet gewillig is

    Waarom de muze niet gewillig is

    Nieuwjaarsdag – Mensje van Keulen ziet dat Lon, haar man, in een hoekje zit met C. ‘Om me heen deed iedereen of er niets aan de hand was en ik probeerde te luisteren en af en toe deel te nemen aan het gesprek en mee te lachen, terwijl mijn hart als een gek tekeerging.’ In de nacht van eerste op tweede Paasdag vertelt dezelfde Lon, de neurofysioloog en fotograaf Lon van Keulen, ‘over een film die hij had gezien (…). Het maakt me gelukkig hem zo enthousiast te zien. Hij zag er daardoor lief en knap uit.’ Toch voelt Mensje niets als ze hem zoent.

    Verlies
    Het is net zoiets als hun vrienden Maarten en Eva Biesheuvel in een brief schrijven:
    ‘Met ons gaat het lang niet kwaad (Eva).
    Het gaat slecht met mij (Maarten).’
    In het ene geval, bij Lon en Mensje, gaat het over een relatie die stukloopt en in het tweede, bij Maarten en Eva primair over gezondheid. De overeenkomst is, dat het dubbele gevoelens betreft. Een gevoel van verlies van een relatie of van gezondheid. Het je afvragen wat er mis is en mis gaat, terwijl je weet – om de titel van een ander boek van Mensje van Keulen aan te halen – dat liefde geen hersens heeft. ‘Nu, zonet, gisteren, de afgelopen weken, al zo lang ervoor. Ik kan het niet meer verklaren, niet analyseren. Ik wou dat ik het in een paar woorden kon in dit schrift, dit daggeschrift dat ik uit vind, waarvan ik wou dat ik er nooit aan was begonnen (…). Het is alsof er een gaas tussen ons hangt, een overwoekerend gaas met hier en daar een klein gaatje waardoor we elkaar nog net kunnen zien en horen.’

    Om jeuk van te krijgen
    Een van de redenen van de verwijdering tussen Mensje en Lon, die we al kennen uit Alle dagen laat, het dagboek over 1976, komt hier terug: zij wil een kind, hij niet. Om haar verdriet vanwege het vreemdgaan van Lon te verdrijven, drinkt ze en snuift soms wat.
    Toch moet hieruit niet worden geconcludeerd, dat het dagboek alleen maar uit het beschrijven  van ellende bestaat. Het verslag van de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Simon Carmiggelt is kenmerkend voor haar beknopte stijl en ronduit geestig: ‘Minister Van Doorn sprak veel te lang, Caro van Eyck acteerde als de beste van Klas 3b, Herman van Veen zong teksten van Carmiggelt “op zijn chansons”, om jeuk van te krijgen.’
    Niet alleen de stijl is mooi, het boek zelf kent ook een fraaie opbouw – haast als het eerste deel van een klassieke symfonie: een langzame inleiding, gevolgd door twee thema’s (personages) die een ontwikkeling doormaken en een coda, het staartstuk van het deel.
    Wat niet wegneemt, dat het met schrijven, het ‘echte’ schrijven naast dit dagboek, minder wil lukken. De auteur vraagt zich af ‘waarom de muze niet gewillig is en de fles des te meer.’ Hoewel: het dagboek is meer dan een dagboek. Er zitten ook dialogen in, en enkele lange gedichten. En, voor deze uitgave, ook foto’s van personen die in het leven van Mensje van Keulen een rol spelen, zoals Hans Warren, Gerrit Komrij, Theo Sontrop, Henk Spaan en Bibeb.

    Remco Campert
    Wat ze over hen en andere contacten opdist, geeft een goed tijdsbeeld van de jaren zeventig met zijn drank, drugs & rock ‘n roll. Al is dat laatste bij Mensje van Keulen vervangen door een voorliefde voor Italiaanse bel canto-opera’s. Dit tijdsbeeld tilt het verhaal boven het persoonlijke uit en maakt dit boek de moeite van het lezen waard.
    Zo is er bijvoorbeeld een veelzeggend gedeelte over Remco Campert: ‘Later, op De Kring, zat Campert tegenover me. Hij zei dat hij het prettig vond me te ontmoeten. Insgelijks, zei ik (herinnerde me wel iets minder aangenaams van hem tegen Gerrit in Café Paté). Er zat een velletje aan zijn lip dat naar voren stak als een kleine tandenstoker. Hij wilde wel een sigaartje van me en lustte ook een tweede, dus ik gaf hem nog een derde voor later. Achter hem zag ik zijn Debbie hangen om de nek van een man, terwijl ze schold naar Thera Westerman en een andere vrouw. Mimi Kok ging op het biljart liggen roepen dat ze een man wilde.’

    Coda
    Het boek eindigt ermee dat Mensje van Keulen toch zwanger raakt en een zoon baart. Bij vlagen begint ze ook goede hoop te krijgen dat het wat wordt met haar nieuwe boek: Overspel. Bij de geboorte van de baby huilde Lon. En bij het lezen van het manuscript in wording ‘zei hij hoofdstuk 3 en 4 (…) goed, erg goed zelfs’ te vinden.

     

     

  • Achtergelaten leegte

    Achtergelaten leegte

    Soms maken goede schrijvers het zichzelf en de lezer nèt wat te moeilijk. Dat geldt voor Na Mattias, de derde roman van de jonge schrijver Peter Zantingh. In de acht hoofdstukken van het boek worden stukjes uit het leven van zes personen en twee echtparen beschreven. Als lezer voel je wel dat die personages enige samenhang zouden moeten vertonen, maar pas na het lezen van de achterflap wordt duidelijk wat de intentie van de schrijver is. Want in Na Mattias gaat het om mensen die veel of weinig of soms niets van doen hadden met Mattias en wat zij na zijn dood beleven.

    Contouren

    Op zich is het een mooi idee om een overleden persoon weer tot leven te brengen door het gat te beschrijven dat zijn dood achterliet. Die leegte bepaalt dan de contouren van het personage. Maar Peter Zantingh lijkt erg zijn best te doen om te tonen dat de dood van Mattias de meeste van de in deze roman opdravende personen niet of nauwelijks geraakt heeft. En al lezend kom je eigenlijk ook maar weinig over hem te weten. Hij was iemand die graag nieuwe plannen maakte, maar ze zelden uitvoerde en als hij ze uitvoerde zelden tot succes bracht. Zoveel wordt duidelijk uit de hoofdstukken over zijn vriendin Amber, zijn vriend Quentin en zijn grootouders Riet en Hendrik. Nathan en Issam die daarna volgen zijn boeiende personen, maar zij hebben Mattias niet gekend en wat hun verhaal met hem van doen heeft begrijpt de lezer pas aan het eind van het boek. Maar die lezer begint wat ongeduldig te worden als hij bij het bereiken van de helft van het aantal pagina’s nog maar weinig weet over Mattias en niets over zijn dood.
    Pas als moeder Kristianne aan de beurt is, op twee derde van het boek, begint het de lezer te dagen dat Mattias een onverwachte en gewelddadige dood is gestorven en dat die iets te maken had met zijn bezoek aan een popconcert. En de daarna volgende hoofdstukken maken duidelijk dat op de een of andere manier iedereen die in Na Mattias voorkomt direct of indirect iets met die dood te maken heeft.

    Constructie

    Het is op zich een knappe constructie die Peter Zantingh hier op zijn lezers los laat. Toch zullen de meesten zich wat bekocht voelen. Deels omdat over Mattias al met al weinig bekend wordt, hij blijft een onbekende. Deels omdat Peter Zantingh in de meeste hoofdstukken romanpersonages schept waar hij na een korte en best interessante kennismaking afscheid van neemt omdat de volgende aan de beurt moet komen.
    En dat is geregeld heel jammer. Zoals het stuk over de grootouders, een prachtige beschrijving van de wijze waarop twee bejaarden voort stumperen in de ouderdom, vastgeroest in gewoonten en in de ergernis over het feit dat alles steeds minder wordt bij henzelf. Om dan bij een ongelukje thuis te ontdekken dat de liefde er nog is, onder een dikke laag voorbije tijd. Een prachtig verhaal, vol weemoed, waarin Mattias eigenlijk niet voorkomt.

    Peter Zantingh kan schrijven, dat is duidelijk. Maar hij heeft zich in Na Mattias laten verleiden een doolhof te maken van een op zich simpel verhaal. Wie Mattias laat voor wie hij was en de hoofdstukken leest alsof het korte verhalen zijn, komt gek genoeg als lezer wel degelijk aan zijn trekken!

     

     

  • Chantage in het kwadraat in Kroatië

    Chantage in het kwadraat in Kroatië

    De wederzijdse chantage in De pelikaan, de vierde roman van schrijver en regisseur Martin Michael Driessen, wordt in gang gezet door een contactadvertentie. Een jongere vrouw zoekt een ‘zorgzame, charmante heer’. Josip Tudjman, de bestuurder van een kabeltrein in een Kroatisch stadje aan het einde van de jaren tachtig, zoekt een uitweg uit zijn liefdeloze huwelijk met een schizofrene vrouw en begint met haar een verhouding. De plaatselijke postbode Andrej onderschept de liefdesbrieven, maakt foto’s van het vrijende stel en begint Tudjman ermee af te persen.

    De afperser afgeperst
    Aan de hand van Andrej en Josip ontvouwt Driessen een wereld van wederzijds bedrog, afhankelijkheid, vermeend heldendom, sluimerend nationalisme en vriendschap. Op de achtergrond speelt de Tweede Wereldoorlog mee, toen Josips strijdmakkers hem met gevaar voor eigen leven meedroegen. Josip was doodziek en kon niet meer op eigen kracht verder. Hij houdt hier een schuldgevoel aan over en wil graag iets terugdoen. Dit verlangen naar het verrichten van een goede daad vormt een van de belangrijkste bouwstenen van deze bijzondere roman, die hoofdzakelijk drijft op de dunne scheidslijn tussen goed en fout. Josip wordt weliswaar afgeperst door Andrej, maar daarmee wil de postbode Josip op het goede pad terugbrengen. Bovendien vindt hij het verwerpelijk dat Josip geld uitgeeft aan kleren en sieraden van zijn minnares, terwijl Andrej er goede daden mee kan verrichten. Josip vindt het op zijn beurt gerechtvaardigd om van Andrej maandelijks een bedrag te eisen, omdat hij erachter is gekomen dat de postbode geld uit enveloppen steelt. Daarnaast heeft hij het geld nodig om zijn afperser te betalen. Driessen laat de lezer een blik werpen op de achterliggende motieven van de hoofdpersonages. Morele oordelen zijn niet aan de orde.

    Perspectiefwisselingen
    Daarbij maakt hij veel gebruik van perspectiefwisselingen om de intenties en beweegredenen van Josip en Andrej duidelijk te maken, waardoor ze mensen van vlees en bloed worden. Josip vergist zich bijvoorbeeld in de persoon die hem chanteert en Andrej is ondanks zijn verwerpelijke, egocentrische daden een sympathieke, zonderlinge jongeman die affiniteit heeft met de zwakkeren in de samenleving. Uiteindelijk is het Andrej die bij het heldenmonument een heldendaad verricht. Een enkele keer zorgen de plotselinge perspectiefwisselingen voor verwarring, omdat ze plaatsvinden in opeenvolgende alinea’s. Driessen weet er ook een humoristisch effect mee te bereiken wanneer hij de lezer deelgenoot maakt van de gedachten van de verwaarloosde hond Laika, die bang is voor haar nieuwe baasje Andrej.

    Symbolen en vergelijkingen
    De pelikaan
    is thematisch een sterk verhaal, waarin zelfopoffering, schuldgevoel en eenzaamheid op verschillende manieren aan bod komen. Driessen verwerkt op een subtiele manier symbolen (de pelikaan, het heldenmonument, de wederopstanding) in zijn roman, maakt prachtige en originele vergelijkingen en bedenkt treffende aforismen. Een voorbeeld: ‘Een principe los kunnen laten betekende misschien eenvoudigweg dat hij zich verder ontwikkeld had als mens’. Een voorbeeld van een vergelijking: ‘Een pelikaankuiken (…) stond op het kadaver van zijn moeder of vader, zelf tot aan het snaveltje zwart van de olie, als een kind na een mislukte verkleedpartij’. Een metafoor, tot slot: ‘Zijn stad die ooit een witte dame was geweest, moest dulden dat de zoom van haar rokken in het slijk hing’. Voor de literaire fijnproever is De pelikaan een feest om te lezen.

    Personages belangrijker dan verhaallijn
    De enige zwakte van deze uitzonderlijke roman is het gebrek aan een dwingende verhaallijn. Driessen heeft de uitwerking van de personages centraal gesteld en schetst met veel gevoel voor detail een kleurrijk beeld van een Joegoslavisch stadje aan het eind van de jaren tachtig, maar het verhaal kabbelt lange tijd voort: de hoofdpersonen raken verstrikt in een absurde situatie en de dreigende burgeroorlog stelt de vriendschap van oude kennissen op de proef. Pas op het einde gaan de remmen los en worden Andrej en Josip voor de leeuwen geworpen, hoewel Driessen overal zijn afstandelijke, licht ironische verteltoon behoudt. Dat begon al met die contactadvertentie.

     

  • Meesterlijke vermenging van feit, fictie en reflectie

    Meesterlijke vermenging van feit, fictie en reflectie

    Levensberichten van Sander Kollaard is geen avondboek voor de al langzaamaan induttende lezer – daarvoor bevatten de zes verhalen te veel verhalen-in-verhalen en filosofische bespiegelingen. Wie wakker is, geeft zichzelf echter een onbetwist cadeau: een diepgravende doch heldere onderzoeking van de aard van dat wat waar en verzonnen is.

    Levensberichten is na zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012) en de roman Stadium IV (2015) Kollaards tweede verhalenbundel en derde boek. Eerder in zijn oeuvre vermengde Kollaard, die met zijn debuutbundel de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs won, al een feitelijke toon met een fictionele. Wel deed hij dat in een wat andere vorm: in Stadium IV – dat in 2015 werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door – liet hij de wetenschap aan het woord, in de vorm van uiteenzettingen van het innerlijke vernietigingsproces dat zijn hoofdpersonage Sarie naar het einde van haar ziekte – kanker – droeg. Nu betreffen feiten de fictie: zo verhaalt Kollaard onder meer over de levensloop van Fernando Pessoa, en de invloed van diens werk op de vriendschap tussen twee hardlopers. Hun ongelijkwaardige prestaties verhinderen hun niet tot een even grote bewondering van deze Portugese dichter. De vermenging van hun verzonnen verhaal met Pessoa’s levensfeiten roept echter wel een belangrijke vraag op: waar loopt de scheidslijn tussen feit en fictie? En hebben we die grens wellicht al eerder in Sander Kollaards werk, bijvoorbeeld bij de klinische beschrijving van Saries ziekteproces, al dan niet terecht, getrokken?

    Kollaard verleidt ons, met motto’s van de centraal staande schrijver aan het begin van ieder hoofdstuk, met zijn feitelijke titels (‘Over de merkwaardig lichte gang van Fernando Pessoa’, ‘Leven en werken van Ivan Aguélo (1869-1917)’), met zijn introducties (‘Laat ik eerst de feiten geven’), zijn jaartallen, toon, en bovenal natuurlijk met de naam van zijn verhalenbundel: Levensberichten, dat zijn net zo goed klare levensfeiten als subjectieve vormen van communicatie.

    Kollaards hoofdpersonages werpen zich op als de biografen van de auteurs die ze volgen, maar blijven tegelijkertijd dichtbij. Zo verblijft de protagonist van ‘De vrijwel volledige vernietiging van ons leven’ op hetzelfde cruiseschip als de door hem beschreven Weemoed Mausoleum, een schrijver die, zo wordt ons verzekerd, met deze naam geboren is. We zijn geneigd Kollaard te geloven: eerder spiegelde hij ons tenslotte een verhaal over een alom bekende schrijver en dichter voor. Mausoleum blijkt, zo lezen we in de verantwoording, gebaseerd op Het onberekenbare Europa van Nico Randeraad. De openingszinnen heeft Kollaard zelfs letterlijk overgenomen. En ook deze fictieve romancier baseerde zijn werk wederom op het schrijven van een andere auteur, de (bestaande!) Belgische statisticus Adolphe Quetelet. Zelfs het gefotografeerde knutselwerkje op het omslag komt in dit verhaal voor. Wie Kollaards bundel nu nog niet metatekstueel durft te noemen, mag inpakken.

    Afgeleid door al deze literair-reflexieve versieringen zou de lezer bijna over het hoofd zien dat Kollaards ik-personages zelf genoeg te vertellen hebben: al dan niet op basis van citaten van hun literaire helden filosoferen ze er lustig op los, vaak met de literatuur als object van interesse. Wiens ideeën we lezen, die van het ik-personage of die van de auteur in kwestie, is niet altijd meer duidelijk. Het gegeven dat ‘feit en fictie zich complex verhouden’ blijft hierbij niet onder de oppervlakte liggen, maar wordt meermaals geëxpliciteerd.

    Bovengenoemde parade aan al dan niet fictieve auteurs levert ons mooie nieuwe inzichten op. De verschillende redenen die een schrijver kan hebben om het leven zo nauwkeurig vast te leggen, bijvoorbeeld. Deze lopen uiteen van een kanalisering van emoties tot een ‘neurotische behoefte aan verslaglegging’, van een zegbaar maken van het onzegbare tot een intense behoefte via het schrijven te worden gekend.

    Hoe meer de ik-figuren hun idolen laten leven, des te minder komen ze zelf aan bod. Ze nemen daarmee de beschouwende, marginale posities in die we van de schrijvers die zij portretteren gewend zijn. Dat directe, indirecte en vrije indirecte rede bij hun uiteenzettingen in elkaar overlopen, is dan ook niet voor niets: soms vallen zij dusdanig samen met de schrijver in kwestie dat ze hem zelfs beginnen te imiteren, ‘zijn stem, hoe hij schreef, hoe hij koffie dronk’.

    Ook al laat Kollaard in Levensberichten meer dan ooit een parade aan zelfreflexieve trucs toe, hij vliegt nergens uit de bocht. En dan voegt hij op de valreep, in het voorlaatste verhaal, ook nog eens die tedere liefde en die verbluffende natuurbeschrijvingen toe die we uit Stadium IV kennen. Het ware en het verzonnene, het harde feitelijke en het kwetsbare persoonlijke, alles is in Levensberichten vertegenwoordigd.

     

  • Liever het zwembad dan de zeven zeeën

    Liever het zwembad dan de zeven zeeën

    Als je een poëticaal statement wil maken, is het openingsgedicht daarvoor een handige gelegenheid. Sasja Janssen past die strategie toe in haar laatste bundel Happy met de openingssectie getiteld: ‘Aan de lezer’ (hallo Baudelaire). De afdeling bevat één gedicht, met een titel die al aangeeft dat het een gedicht over poëzie is: ‘Ballade van de dichteres’. Maar er is iets vreemds aan die titel, je kunt haar ook lezen als ‘Ballade óver de dichteres’. Het gedicht laat vervolgens zelf ook zien hoe het met de dichter(es) aan de haal gaat. Die beweert eerst nog: ‘De zeven zeeën zie ik graag, maar een zwembad ommuurd / met bomen en uitstulpende bloemen aan de rand is genoeg’.

    Naar een poëtica-statement kan dat als volgt vertaald worden: het afgebakende, overzichtelijke en kunstmatig gestructureerde wordt verkozen boven het natuurlijke, woekerende en daardoor wellicht onoverzichtelijke of moeilijke. Toch gaat Janssen in Happy steeds weer de kant op van de zee – alsof de bundel niet wil gehoorzamen aan de opgelegde poëtica en de taal haar eigen weg gaat. ‘Ballade van de dichteres’ is bijvoorbeeld een gedicht dat overkomt alsof het op een stromende wijze (om bij de watermetaforen te blijven) is geschreven. Het brengt een karakteristiek in gedachten die Thomas Vaessens (hoogleraar Nederlandse letterkunde) eens van de gedichten van Lucebert gaf: ‘poëzie die zijn eigen ontstaansproces laat zien. […] Sommige van zijn gedichten gaan niet alleen over hun ontstaan […], maar ze zijn het [proces] ook. Bijvoorbeeld omdat ze dezelfde zichtbare, lineair-associatieve voortgang vertonen als de solo van de jazzmusicus.’

    Bij Janssen is er op vergelijkbare wijze eerst de zee, dan het zwembad, en dan frases als ‘ik geloof enkelen wilden me afdrogen’, ‘Ze omklemden me als een zwemband’ ‘ik zag hoe mijn kleine rog naar de bodem zwom’ en ‘Een vrouw dook mijn borst op en drukte de vinnen op mijn huid’. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe zee en zwembad al die andere water-associaties oproepen. Hoewel ze aanvankelijk als tegenpolen worden gepresenteerd, raken ze bovendien met elkaar vermengd: ‘rog’ en ‘vinnen’ verwijzen naar vissen, en die heb je natuurlijk niet in een zwembad. De zee wint uiteindelijk toch.

    In dat stromende zit zowel de kracht als het pijnpunt van Happy. Er zitten fantastische regels bij, maar die bevinden zich niet zelden in iets te wijdlopige gedichten die nogal ondoordringbaar lijken met hun ophoping van beelden en associaties. Zoals uit het vijf pagina’s overwoekerende titelgedicht:

    Naar Roemenië moest ik, om de stuifwolken van koren
    op de wegen, verliefde kleur voor bijen en horzels
    ik vroeg waarom, het is daar de heet gewassen hemel
    omdat je er nooit weer komt, zoveel weet jij wel.
    Thuis leg ik het ruwe kleed van Sapâna onder de jachttafel
    waaraan ik met blijven zitten begin.

    Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
    ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
    zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
    Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
    graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
    dat denken in mensen in dierenkoppen.

    Het is nogal wat om te behappen, en dat kan wrevel opleveren. Maar eigenlijk past een dergelijke mateloosheid wel bij deze bundel waarin er steeds een strijd tussen natuur en kunst(matigheid) gesuggereerd wordt, zoals zee versus zwembad.
    Happy kent een opvallend grote hoeveelheid dieren – onder meer een rog, koeien, een dood hondje, vogels, wespen, mieren –, én diverse verwijzingen naar kunstenaars als Shinkichi Tajiri en Henri Matisse. Ook zijn er diverse (mogelijke?) echo’s van auteurs als Ashbery, Rimbaud, Nijhoff, Kees Ouwens en Borges. In de lijn van taalfilosoof J.L. Austin stelt ze: ‘Als onze taal happy is, dan ook onze daden’. Kort door de bocht want taal representeert niet alleen de wereld om je heen, maar schept die ook. Wie echter denkt dat het voor een dichter vrij logisch is om de eigen praktijk (onvoorwaardelijk) op één lijn te stellen met de kunst komt bedrogen uit.

    Het gedicht ‘Mindfuck’ is een mooi voorbeeld van hoe natuur en taal met elkaar verbonden worden. Het begint met de suggestie van een bijenkolonie: ‘Wanneer de koningin zegt het woord naar binnen / te dragen, is weelde ons antwoord, overal werk / slepen met werk, bladkamers bouwen’. Omdat de eerste regel gelijk de taal in het gedicht betrekt, echoën de bekendste bijen uit de Nederlandse poëzie mee: Nijhoffs ‘Het lied der dwaze bijen’. Daarin gaan deze insecten op zoek naar het hogere – ‘hoger honing’ –, dat ze niet weten te bereiken. Janssens gedicht eindigt wel succesvol: ze laat een mens – een dichter – een kolonie insecten inzetten om samen te scheppen:

    Thuis open ik de post.
    De werksters die ik heb besteld zijn goed
    aangekomen, maar in plaats van een koningin valt het woord
    uit de envelop. Terugsturen is gratis, maar het woord bijt
    zich vast in mij.
    Het idee, dat wij scheppen.

    Misschien is de lezer wel degene die à la Nijhoffs dwaze bijen het hogere – of diepere – niet bereiken, of misschien is het de dichter zelf. Het woord verving immers al de koningin en nu neemt het ook nog eens de dichter over. De taal kiest haar eigen daden. ‘Mindfuck’ laat zich om meerdere redenen lezen als Happy in het klein (stiekem ook een beetje vanwege de titel): poëzie als een bijenkorf of een mierennest. De indruk van zo’n insectensamenleving kan chaotisch zijn, maar de dieren weten wat ze moeten doen. Happy heeft wellicht ook zo’n interne logica – of die nu van de dichter is of van de poëzie zelf – die van buitenaf soms moeilijk te zien of te begrijpen is. De bundel laat zich moeilijk benaderen, maar als je doorzet openen zich diverse lagen die  beklijven.

     

     

  • Moeder gaat dood

    Moeder gaat dood

    De 57-jarige linguïst Thomas Sanders is op een congres van fysiotherapeuten in Amersfoort over het bestrijden van chronische bekkenpijn, wanneer zijn zus hem een berichtje stuurt dat zijn zieke moeder binnenkort zal overlijden. Zijn moeder verblijft in een hospice in Londen. Thomas verlaat hals over kop het congres en vliegt naar Londen. Hij wil zijn moeder nog iets vertellen voor ze sterft. Maar de communicatie met zijn moeder is al zijn hele leven problematisch; hij is er nooit in geslaagd met haar een echt gesprek te voeren. Haar sterk beleden geloof stond een werkelijk gesprek met de atheïstische Thomas in de weg. Hij werd daar heel onzeker van. Wanneer hij zijn moeder ging bezoeken, wist hij nooit of hij dat nu wel echt wilde. ‘Mijn moeder bezoeken betekende een moment van maximale verwarring over wie ik ben.’ Hij kreeg van zijn moeder nooit de erkenning en waardering die hij als zoon zocht.

    Besluiteloosheid
    De naderende dood van zijn moeder doet hem zijn leven overdenken. Over de verhouding met zijn vader (die is jong gestorven) en moeder, met zijn broer en zusje. Die zelfreflectie leidt hem af van de dingen die hij moet doen, hij gaat over alles twijfelen, wat leidt tot grote besluiteloosheid. Iedere afleiding is voor hem voldoende om geen besluit te nemen dan wel het uit te stellen tot morgen. Moet hij zijn plasproblemen oplossen met anale therapie zoals dr. Sharp hem in Amersfoort had geadviseerd? Hij is gescheiden, heeft een 30 jaar jongere, knappe vriendin in Madrid, maar moet hij niet terug naar zijn ex in Edinburgh? Moet hij een crisis in de familie van zijn beste vriend oplossen terwijl zijn moeder aan het sterven is? Moet hij een goed betaalde openingsspeech op een taalcongres in Berlijn afzeggen omdat zijn moeder net gestorven is? Hij weet het niet en laat zich leiden door zowel de omstandigheden als de besluiten van anderen.
    Die besluiteloosheid is typerend voor Thomas. Hij realiseert zich dat ook, wat het leven er niet eenvoudiger op maakt: ‘En toen moest ik bedenken dat ik bijna elke beslissing die ik neem snel betreur, met als gevolg dat ik niet alleen altijd het gevoel heb dat ik de verkeerde beslissing heb genomen, maar dat ik eigenlijk helemaal geen beslissing heb genomen. Of geen hele.’ Dat leidt ook tot vele zelfverwijten: ‘Waarom doe ik nooit eens iets goed?’

    Titel
    De titel van het boek verwijst naar veel gedrag van de personages, dat als extreem is te betitelen. Zijn moeder is extreem in het belijden van haar geloof; zijn broer is naar het andere einde van de wereld geëmigreerd en vindt het eigenlijk niet nodig om voor de begrafenis naar Engeland te komen; Thomas zelf is extreem in zijn besluiteloosheid; de vrouw van zijn beste vriend bestookt hem met berichtjes om met haar zoon te praten omdat hij zijn vader bedreigt, terwijl ze weet dat Thomas’ moeder op sterven ligt. Zo heeft ieder zijn eigen obsessie.

    Over de schrijver
    Tim Parks (1954), opgegroeid in Engeland, woont al sinds 1981 in Italië; eerst in een klein dorp bij Verona en nu in Milaan waar hij als linguïst verbonden is aan de universiteit. Zijn ervaringen van het leven in Italië hebben geleid tot een aantal hilarische boeken over het functioneren van de Italiaanse samenleving, zoals Italiaanse buren. Ook zijn verbazing over het kopen van een treinkaartje heeft geleid tot een hilarisch boek over de werking van Trenitalia. Daarnaast heeft hij boeken van onder andere Moravia en Calvino vertaald uit het Italiaans in het Engels. Hij levert ook regelmatig bijdragen aan the New York Review of Books en the London Review of Books.

    Waardering
    In deze prachtig geschreven roman weet Tim Parks van begin tot eind te boeien. Zijn schrijfstijl is mooi, scherpzinnig, droevig maar ook humorvol. Zo zijn zijn beschrijvingen van het nut van anale therapie ter ontspanning van de bekkenbodem hilarisch. Maar vooral in de beschrijving van zijn gevoelsleven en van zijn houding tegenover de mensen om hem heen blinkt Parks uit.

    In extremis is grotendeels autobiografisch en stoelt op de ervaringen van Parks zelf tijdens het overlijden van zijn moeder. In een interview met The Guardian vertelt hij dat zijn verhouding met zijn zus en broer anders is dan vroeger. Zijn vroeg overleden vader was dominee, zijn moeder erg actief binnen de kerk. Waar de broers al vroeg atheïstisch zijn geworden, bleef zijn zus gelovig. Waar de broers het ouderlijk nest vroeg hebben verlaten en allebei naar het buitenland vertrokken, bleef de zus in de buurt van haar ouders wonen. Dat is in het boek ook zo. Parks laat zien dat de broers en zus dichter bij elkaar komen en meer begrip voor elkaar krijgen. De dood van een ouder kan de relatie van de kinderen soms radicaal veranderen.
    Het is een prachtig en krachtig psychologisch portret van een man op middelbare leeftijd.

     

     

     

     

  • Dingen die getuigen van diepe emotie – feminisme 1.000 jaar geleden

    Dingen die getuigen van diepe emotie – feminisme 1.000 jaar geleden

    Wat is er aan werklui nodig om deze scène te realiseren:

    ‘Een ware schoonheid, in een purperrood, enigszins verdoft gewaad, met daaroverheen oranjegeel brokaat of een flinterdun jakje, is nog maar net op, want vannacht heeft ze door het razen van de wind geen oog dicht gedaan. Op haar knieën glijdt ze een eindje vanuit haar kamer naar de veranda toe; haar lange haren, die over haar schouders vallen, zijn in de war en bollen zachtjes op door de wind – een schitterend tafereel. Diep bewogen bekijkt ze de ravage in de tuin en prevelt: “Geen wonder / dat de wind in de bergen…”, waaruit mag blijken hoe fijngevoelig ze wel is.’

    Voor haar prachtige kleren zijn mensen nodig die de verfstof maken, die de stoffen verven, in oranjegeel en purperrood. Haar gewaden moeten geweven worden. Haar kamer is door deskundige timmerlieden gemaakt, evenals haar veranda, ze zullen worden schoongehouden door meisjes met bezems. De ravage in de tuin wordt straks opgeknapt door een legertje tuinlieden. Haar haar wordt op zeker moment gecoiffeerd. We spreken nu nog niet over de lui in de keukens die maaltijden moeten toebereiden die aan haar smaak voldoen, de vissers en de boeren die de ingrediënten verzorgen. In zeven regels tekst zijn al zo’n honderdtal werklieden verborgen.

    In Het hoofdkussenboek van hofdame Sei Shōnagon is de werkman echter grotendeels afwezig. In dit boek zien we een van de exponenten van de zogenaamde ‘hofcultuur’. Een extreem verfijnde cultuur die is ontstaan vanuit een feodale samenleving. Ons klassieke Europese voorbeeld is natuurlijk dat van de Franse zonnekoning, Lodewijk XIV. Wat is er nodig voor zo’n cultuur? In het Japan van de tiende en elfde eeuw was verregaande differentiatie in rangen en standen het gevolg van een grote horige boerengemeenschap, een uitgebreid ambachtsvolksdeel, een groep gewapenden die steden en hoven beschermden, een enorm grote ambtenarij. Dit is kort gezegd de situatie buiten de keizerlijke paleizen in Kyoto, waar Sei verblijft. Vanwege alles waarmee keizer en gevolg zich niet hoeft bezig te houden: werk is immers uitbesteed, vult de dag, het brein, het gevoel van de hofmens zich met schoonheid, poëzie, protocol, gekonkel en hiërarchie.

    Sei Shōnagon leefde van 966–1017. Jos Vos vertaalde Het hoofdkussenboek en gaf haar daarmee een heel moderne en frisse stem. Het boek bestaat uit rond de driehonderd ‘secties’ kortere of langere hoofdstukjes die een overweging zijn, een herinnering, de beschrijving van een intrige, of een festival, een gesprek of een lijstje van ‘dingen die heel vervelend zijn’ of ‘waar ik niet tegen kan’ of ‘onbenullen die ook een keertje mogen stralen,’ ‘zeldzaamheden’ soms met een aforistische kwaliteit, soms van een extreme idiosyncrasie.

    De toon die Vos haar heeft weten te geven is geweldig sprankelend, Sei is een interessante en intelligente vrouw met veel humor, fascinerende luimen, creativiteit, esprit, een goed oog voor haar omgeving en een uitgebreide kennis van haar cultuur, speciaal de poëzie. Het is moeilijk de rol van poëzie in het hofleven in Japan te overschatten. En daarmee is het moeilijk de rol die de vertaler heeft gespeeld in het begrijpbaar maken van deze tekst te overschatten. Jos Vos heeft de tekst heel uitgebreid geannoteerd. Bij bovengaand citaat staat bijvoorbeeld een noot achter deze zin: ‘Diep bewogen bekijkt ze de ravage in de tuin en prevelt: “Geen wonder / dat de wind in de bergen…”, waaruit mag blijken hoe fijngevoelig ze wel is.’

    Die noot luidt dan: ‘De herfstige schone citeert een gedicht uit de Kokinshū (nr.49): Zodra de wind uit de bergen / gaat waaien / kwijnen alle herfstgewassen; / geen wonder dat hij ‘storm’ wordt genoemd! Het Chinese karakter voor “storm” is samengesteld uit de karakters voor “berg” en “wind”.’

    Door deze noot wordt er minstens een laag extra aangebracht. We zien niet alleen de schoonheid van deze mooie vrouw na een slapeloze nacht door de aan de bamboe rukkende winden – we zien door haar ogen en haar geletterdheid een herinnering aan een vers dat zich tot deze storm verhoudt. We zien kortom dat wat de hofmens van de rest onderscheidt: de gelegenheid zijn wereld met kunst betekenis te geven. En tenslotte zien we een vertaler die ver boven zijn stof staat, Vos weet verschrikkelijk veel te herleiden en dat maakt het boek tot een tweezijdig meesterwerk: de toon van Sei is luisterrijk, en de inzichten die de vertaler in zijn noten kwijt kon zijn magnifiek. (Aardig is juist door de volledigheid van Vos deze nog. Als noot bij een lijstje ‘angstaanjagende dingen’: schrijft Sei: ‘Kanamochi – onmiskenbaar angstaanjagend’. Noot: ‘De betekenis van kanamochi is helaas verloren gegaan.’ Wat kanamochi nog angstaanjagender maakt!)

    Sei haar leven wordt gestuurd door de bewegingen van de seizoenen, er zijn festiviteiten rond de eerste sneeuw, de bloesems, de regens, de vruchten, de zang van de vogels (onder welke de kleine koekoek haar favoriet is) en haar leven wordt geregeerd door de rituelen die bij de keizerlijke rang van haar heerseres horen, haar ‘Onthoudingsdagen’ en de andere zeer specifieke gebruiken die de lezer in verbazing brengen. Neem de ‘geblokkeerde richting’: door de bewegingen van de goden zijn sommige windrichtingen op sommige dagen taboe, en als je dan naar het noorden moet, dan ga je dus naar het oosten en dan naar het noordwesten. Met alle gevolgen van dien, want je overnacht dan op een plek die je niet verwachtte.

    De lezer van Het hoofdkussenboek vindt zijn genoegen in dergelijke onbekende culturele fenomenen en in de hilarische lijsten van Sei waarin ze aangeeft wat haar irriteert, of juist enorm charmeert. Hoe zij denkt over haar positie als hofdame is een enkele keer te lezen als feminisme 1.000 jaar geleden. De soms onbegrijpelijke protocollen (hoewel steeds goed uitgelegd door Vos) krijgen zo nu en dan iets vermoeiends: get a life! Maar Het hoofdkussenboek levert een enorme rijkdom aan cultuurinzicht, poëzie, psychologie, levenskunst. Een monument van een boek.

  • Lofzang op de verbeelding

    Lofzang op de verbeelding

    Een vaak geciteerde uitspraak van Albert Einstein is: ‘Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal’. In De vrolijke verrijzenis van Arago, de nieuwste roman van Tomas Lieske, komt Einstein een paar keer voor, maar niet met dit citaat. Toch zou het uitstekend dienst hebben kunnen doen als motto voor Lieske’s verhaal, dat een geweldig pleidooi is voor wat Einstein debiteerde. Bovendien laat Lieske zien dat de verbeelding daadwerkelijk een rol heeft gespeeld in grote ontwikkelingen in de natuurwetenschappen aan het begin van de 20ste eeuw. Er werd (en wordt) alleen een andere term voor gebruikt: gedachte-experiment.

    Lieske gaf er al eerder blijk van dat hij houdt van grillige associaties, absurde humor en vermenging van fictie en werkelijkheid. De jury van de Libris Literatuurprijs 2001 had daar (in meerderheid) zoveel waardering voor dat ze diens Franklin bekroonde. Met De vrolijke verrijzenis van Arago zou er wel eens een nieuwe nominatie in kunnen zitten; althans als de jury vatbaar is voor de aanstekelijke vertelstijl van Lieske.

    Fiat 519
    De Arago uit de titel is niet de Franse natuur- en sterrenkundige François Arago (1786-1853), hoewel Lieske, gezien de thematiek van zijn roman, vermoedelijk wel aan hem heeft gedacht toen hij diens naam leende voor een vos. Dit dier duikt in de roman op bij een aanrijding in 1999. Roel Pacqué en Angélica Bredius, de ouders van de vijftienjarige Joys, verongelukken met hun gehuurde antieke beige-met-zwarte Fiat 519 op een bergweg in de Dolomieten na een botsing met de vos. Joys raakt in coma en wordt opgepikt door twee zonderlinge mannen met een boerenkar die haar afleveren bij een ziekenhuis in Vipiteno (Oostenrijkse naam: Sterzing). In haar coma ‘ziet’ Joys hoe de vos zich uit het wegdek opricht en haar naar het bos leidt. Joys en de vos worden vrienden en het meisje creëert met hem haar eigen wereld die de lezer terugvoert naar de jaren 20 van de vorige eeuw. De vos (die ze inmiddels Arago heeft genoemd) en Joys (die haar geheugen en haar naam kwijt is) komen terecht op een boerderij bij de Oostenrijkse Simone Werner. Zij neemt haar aan als haar kind en noemt haar Lise. Simone is het die ontdekt dat het meisje een Nederlandse oorsprong moet hebben en getweeën gaan ze op zoek naar haar identiteit. Dat brengt hen naar Leiden waar Paul Ehrenfest, familie van Simone, hoogleraar is. Hij is al in het begin van de roman geïntroduceerd in dezelfde beige-met-zwarte Fiat 519, waarin de ouders van Joys verongelukten, waarmee deze auto als het ware een tijdmachine is. In de zoektocht naar de Lise’s identiteit is een foto waarop een intrigerende vrouw staat een belangrijke sleutel.

    De Sitter
    Simone en Lise trekken de lezer mee in de academische wereld van de vroege 20ste eeuw in Leiden. Allereerst natuurlijk die van Paul Ehrenfest, geboren in 1880, maar ook die van zijn vrienden Einstein, geboren in 1879, Niels Bohr, geboren in 1885 en vooral Willem de Sitter, geboren in 1872, allemaal veertigers dus. Het is een boeiende reconstructie van de natuurwetenschappelijke wereld van die dagen, zoals die door Lieske wordt ingekleurd. Een in historisch opzicht zeer herkenbare werkelijkheid, zoals in de beschrijving van het gezinsleven van Ehrenfest – een bij wijlen zwaarmoedige man, die zichzelf vond falen en grote moeite had om met het Downsyndroom van zijn jongste zoon Vassik om te gaan (hij schoot hem in 1933 dood en pleegde daarna zelfmoord, maar die tragedie laat Lieske buiten beschouwing).
    Bijzonder roerend is de vriendschap die Lise ontwikkelt met de astronoom en natuurkundige Willem de Sitter. Ze stimuleren elkaar te geloven in de kracht van de verbeelding. Net als Joys in haar echte leven zoekt Lise in dat gefantaseerde van haar steeds de randen van wat mogelijk is op (ze balanceert ook fysiek, op touwen of richels). In de gesprekken met De Sitter leert ze dat niet alleen zij, maar ook de wetenschap fantasie nodig heeft. Door zijn geduldige uitleg krijgt Lise, en daarmee ook de lezer, inzicht in bijvoorbeeld de relativiteitstheorie en het heelal en het daarbinnen geldende tijdsbesef.

    Een soort Engels
    Het kan niet anders of Lieske zelf moet eveneens een bijzondere sympathie voor deze Willem de Sitter hebben. Hij bezorgt hem als het ware postume lof voor zijn aandeel in de verbreiding van de ontdekkingen van Einstein. De laatste kreeg zijn ideeën, die hij in het Duits had opgeschreven, zo kort na de Grote Oorlog niet in een Duitsvijandige wereld aan de man gebracht. Hun enorme belang werd in Amerika pas bekend doordat De Sitter er een Engelse vertaling van publiceerde. Daarna stond met koeienletters in de krant: EINSTEIN WINT VAN NEWTON.
    Grappig is ook de passage waarin Lieske De Sitter woorden in de mond legt over de Nederlandse taal die in onze tijd heel actueel zijn: Nederlands is de taal van de plassen en de polder. Die mag je nooit laten verdringen door hakkelend Duits of door een soort Engels. (…) Je dient je taal correct te bewaren. Zeker op universiteiten.

    In De vrolijke verrijzenis van Arago worden voortdurend tijdsprongen gemaakt tussen het Leidse leven van Lise en het ziekbed van Joys in Vipiteno, waarin duidelijk wordt hoezeer Lise het geluk ervaart dat Joys ontbeerde. Vooral in die ziekenhuisscènes, speelt Lieske op de gulle lach van de lezer in het kolderieke gedrag van de twee mannen die Joys na het ongeluk vonden en die haar tenslotte naar de sterren voeren.

    De verrijzenis van Arago is een heerlijk boek en een loflied op de fantasie. Als dit geen nominatie voor één van de grote literaire prijzen oplevert….

     

     

  • De liefdeslevens van millennials

    De liefdeslevens van millennials

    Uitgeverij Das Mag richt zich uitdrukkelijk op jonge schrijvers, een enkele uitzondering als Charlotte Mutsaers niet te na gesproken. Tot voor kort gaf ze ook een succesvol literair tijdschrift uit met een ongewoon hoge oplage. Wat voor Das Mag pleit, is dat de uitgeverij erin slaagt om een jeugdig publiek te bereiken – ze organiseert evenementen waar de gemiddelde leeftijd een stuk lager ligt dan gebruikelijk – en haar schrijvers ook daadwerkelijk te promoten, wat een zeldzaamheid is in uitgeversland. De bij momenten ietwat irritante communicatiestijl, die wemelt van de superlatieven, uitroeptekens, emoji’s, ballen en sterretjes, moet u wel voor lief nemen, evenals de jolige scoutssfeer, inclusief zomerkampen en dergelijke.

    Een van de jongste uitgaven is De antwoorden van Catherine Lacey (1985), die een van de meest veelbelovende jonge Amerikaanse romanschrijfsters wordt genoemd. In dat boek is hoofdpersoon Mary, net zoals Lacey afkomstig uit het diepe zuiden van de Verenigde Staten, op de dool in New York City. Ze heeft een afstompende baan, gaat gebukt onder schulden en kampt met allerlei mysterieuze kwalen. Ten einde raad klopt ze aan bij ene Ed voor Pneuma-adaptieve Kinesthesie (PAK), een peperdure, bizarre alternatieve geneeswijze. Dat geeft aanleiding tot een heleboel esoterische hipstertalk van het soort dat je vooral hoort in horecagelegenheden waar mensen naar hun Macbooks staren onder het genot van een kopje zwaar overprijsde koffie (nou ja, organische latte macchiato): ‘Chandra had PAK voorgesteld, noemde het feng shui voor het energetisch lichaam, een guerrillaoorlog tegen negatieve vibes, en hoewel ik soms sceptisch was over Chandra’s gepraat over vibes, moest ik haar deze keer gelijk geven.’ Parodiërend bedoeld of niet, er staat te veel van dat soort prietpraat in dit boek: ‘Nadat Chandra en ik hadden gemediteerd, of liever gezegd nadat zij had gemediteerd en ik had gedaan wat het ook was dat ik daar op de vloer deed, serveerde ze maté in kalebassen en rauwkostsalade met zelfgemaakte allergenenvrije, veganistische pasta van gekiemde pompoenpitten die ze had bereid terwijl ze voedende vibes naar mijn astraallichaam had gestuurd.’

    Om haar dure PAK-therapie te kunnen betalen, gaat Mary op zoek naar een bijbaantje. Ze reageert op een geheimzinnig bericht, doorloopt een lange sollicitatieprocedure met bizarre tests en wordt uiteindelijk aangenomen voor een experiment met filmster Kurt Sky, die het geheim van de liefde wil doorgronden: ‘Hij wist zeker dat er een manier moest zijn om de ongeorganiseerde reacties op paarvorming te decoderen en te begrijpen hoe het kwam dat twee mensen elkaar op een bepaald moment zo onvoorstelbaar gelukkig konden maken om niet meer dan een paar jaar, maanden of weken later een nieuw dieptepunt van ellende of verveling te bereiken.’

    Mary krijgt in het experiment de rol van Emotionele Vriendin. Daarnaast heeft Kurt ook nog een Boze Vriendin, een Moederlijke Vriendin, een Banale Vriendin enzovoort. De vrouwen worden vol sensoren gehangen, moeten bepaalde scenario’s en regels volgen en worden onderworpen aan Internal Directives, een systeem om met behulp van elektromagnetische stroomstootjes ‘data’ in te voeren in het lichaam. Zo kunnen de onderzoekers hen bijvoorbeeld op afstand laten huilen (‘Je kunt toch niet denken dat een menselijke emotie meer is dan informatie, elektrische impulsen die onder de juiste omstandigheden beheersbaar zijn’).

    Vanzelfsprekend loopt het experiment volledig in het honderd, kunnen de emoties van de deelnemers niet volledig worden gecontroleerd en blijkt de geheime code van de liefde onbereikbaar. De vraag over hoe ‘liefde’ en emoties functioneren in een menselijk brein, is verre van oninteressant, maar eigenlijk hebben neurologen daar zinnigere dingen over te zeggen.

    Afgezien van het ongewone onderwerp is De antwoorden in feite een vrij conventioneel verhaal, literaire vernieuwing komt immers niet tot stand door personages met de jongste trends te laten meelopen. Dat is jammer, want van jonge auteurs verwacht je toch vooral dat ze een knuppel in het hoenderhok gooien. Een literaire vadermoord op zijn tijd is gezond en houdt de schrijverij levendig, maar vooralsnog lijkt zich in de Engelstalige landen nog geen jeugdige lefgozer aan te dienen die de gevestigde orde aanvalt. Dat was in de jaren vijftig en zestig, met wild om zich heen schoppende beat-auteurs als William Burroughs en Jack Kerouac, wel even anders. In de jaren tachtig en negentig had je nog hemelbestormers als Bret Easton Ellis, Douglas Coupland of Chuck Palahniuk, maar zij lijken hun belangrijkste boeken te hebben geschreven. En David Foster Wallace, misschien wel de meest veelbelovende Amerikaanse schrijver van zijn generatie, is in 2008 helaas veel te jong gestorven. Voorlopig is het dus nog uitkijken naar een brutale jonge wolf (m/v) die de alfamannetjes van de roedel naar de keel durft te vliegen om een nieuwe richting aan te geven.

     

     

     

     

  • Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Het hoofdpersonage uit Joke J. Hermsens nieuwste roman, Ella Theisseling –  en ook haar zoon Tobias, kennen we al uit onder meer haar roman De profielschets. Kunsthistorica Ella Theisseling is in Rivieren keren nooit terug nog even zenuwachtig dan in De profielschets, waarin ze bij een psychiater liep omdat ze toen al niet goed bij haar herinneringen kon komen.

    Herinneringen
    Die poging onderneemt ze in Rivieren keren nog steeds. En het moet gezegd: met meer succes. Had Ella in De profielschets een schriftje waarin ze haar herinneringen opschreef, in Rivieren keren is het schriftje in twee delen opgedeeld: Herinneringen’ en ‘Reisjournaal’. Een verdeling waarvan Ella hoopt dat ze ergens bij elkaar zullen komen, net zoals ze hoopt de twee kanten van haar vader – de leuke en agressieve kant –  gedurende een reis door Frankrijk bij elkaar te brengen.
    In Rivieren keren nooit terug begint Ella aan een zoektocht naar de schilderijen van Vladimir Cazals.

    Ella put hoop uit herinneringen en uit tal van kunstuitingen, die in dit boek over elkaar heen buitelen en met die herinneringen samenvallen. Kunst als big mind en herinneringen als small mind. Taal, beelden, muziek, dat alles is familie’ concludeert Ella op het eind van het boek.

    Reisjournaal
    Je zou het boek, van Parijs naar de Gard, aan de hand van het boek kunnen nareizen, naar de streek waar Ella als kind kwam en haar herinnert aan haar ouders en haar vriendje Marc. De Gard met het aquaduct, met de Gardon ook, de rivier die je over kunt zwemmen, de ene oever (de kindertijd, de dood van de vader, de kloof met de moeder) achterlatend, maar ook nog niet wetend wat er aan de overkant wacht. Ella voelt zich op die manier een tussenwezen, want: ‘hier gaat het om, om dit tussen twee oevers staan, tussen twee tijden, twee stemmen, met mijn blote voeten in het water, balancerend op gladde keien.’ De tijd stroomt de ene kant op, de herinneringen de andere kant.

    Ella droomt veel tijdens haar reis die ze met haar auto onderneemt, waarin ze net zoveel tijd lijkt door te brengen als ze ook in De profielschets deed. Op een gegeven moment hoort ze het suizende geluid van een vallende man van een brug. Dat lijkt op een detectiveachtig element in het boek, zoals ook een zinnetje als ‘Ook Ella dacht dat ze het ergste nu wel achter de rug zou hebben’ aan een cliffhanger doet denken, maar beide elementen, deze droom en dat zinnetje, wordt niet op terug gekomen. Op die manier werkt het beeld van die vallende man eerder als een intertekstuele verwijzing naar in dit geval Camus’ La chute, waarin hoofdpersoon Jean-Baptiste Clemence een luide plons en een gil hoort nadat een vrouw van een brug de Seine is ingesprongen.

    Kunstgeschiedenis en filosofie
    Bij de keuze om een andere richting in te slaan, speelt het getal vijf een grote rol. Niet alleen de vijf zintuigen, waaronder horen en zien zoals ze symbolisch voor komen op de zestiende-eeuwse tapijten van de Dame met de eenhoorn in het Musée de Cluny, maar ook doordat de kerkklokken vijf uur slaan op het moment dat het Ella duidelijk wordt dat ze niet verder komt met louter herinneringen. En tenslotte natuurlijk in de opbouw van de roman, doe uit vijf delen bestaat: Het afscheid, Onderweg, Het zwart beweegt, Altijd het zuiden en Rots, steen, rivier.

    Zien komt natuurlijk duidelijk naar voren in het feit dat we Ella kunsthistorica is. Zo laat ze zich ook in deze roman kennen, zoals ze over het houtwerk in de St. Jean le Baptiste in Autun schrijft: ‘Begin veertiende eeuws, schatte ze het (…), maar ze kon er een halve eeuw naast zitten.’ Maar ze is ook in filosofie geïnteresseerd, gezien niet alleen het onderwerp van haar proefschrift, maar ook door haar stellingname als tussenwezen. Zij lijkt dit begrip namelijk te hebben ontleend aan de filosofie van Hannah Arendt. Arendt wees daarbij op het contact tussen mensen, Hermsen in de persoon van Ella op het contact tussen verschillende families, taal, beelden en muziek. Deze kunnen volgens Arendt een nieuw begin vormen. Dat doen ze ook in dit boek. ‘Je moet altijd een ander “tussen” opzoeken’, meent Ella, ‘als je met een nieuw verhaal op de proppen wilt komen.’

    Tijd en hoop
    Dat nieuwe verhaal vertelt Hermsen en het is een verhaal dat hoopvol eindigt. ‘Is tijd iets als “hoop” (Bloch)?’ was een vraag die de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden plaatste in een aankondiging van een cursus die Joke J. Hermsen er in 2010 gaf. In deze roman laat Ella Theisseling de lezer zien dat dit zo is: tijd is hoop.
    In Leusden zei Hermsen op een gegeven moment: ‘Zonder hoop geen verandering, weet ook Obama in de voetsporen van de filosoof van de hoop, Ernst Bloch.’ En: ‘We moeten ons over de hoop buigen, omdat de wereld niet klaar is.’  Het personage Ella Theisseling is nu niet alleen onderdeel geworden van een groter verhaal dat in verschillende romans wordt verteld, maar ook het verhaal van taal, beelden en muziek als één grote familie. Ella lijkt niet alleen haar doel te hebben bereikt, maar ook – met dank aan Hannah Arendt – aan een nieuw begin te staan. Ze keert niet terug naar haar jeugd, waaraan zowel gelukkige als nare herinneringen kleven, zoals rivieren nooit terugkeren, maar is een ander geworden. Misschien zelfs minder zenuwachtig als ooit tevoren.

     

  • Tuin als romantische valkuil

    Tuin als romantische valkuil

    ‘Ik heb niets interessants te vertellen, maar dat went’. Het zelfverkozen isolement dat Vincent van Meenen (1989) in zijn novelle Tuin beschrijft, leidt bij de hoofdpersoon niet tot interessante bespiegelingen of inzichten. De ik-persoon mag dit dan gelaten accepteren, menig lezer zal dit niet doen.

    De naamloze hoofdpersoon bevindt zich in een ommuurde tuin aan de rand van een stad. Al op de eerste pagina meldt hij dat hij niet weet hoe lang hij zich daar al bevindt en dat hij de tuin alleen zal kunnen verlaten door haar (sic!) van zich af te schrijven, haar een stem te geven. Zijn verblijf is een zelfverklaarde daad van verzet. Er wordt slechts spaarzaam iets losgelaten over de tijd voorafgaand aan de tuin: hij heeft op een kantoor gewerkt, er waren demonen, vervreemding heeft hem hiernaartoe gedreven. Hoewel beschreven wordt hoe hij zich in leven houdt met wat hij in de vervallen serre aantreft, is van meet af aan duidelijk dat de tuin een allegorie betreft.

    Vervolgens begint de beschrijving van de tuin die stilistisch gezien enigszins doet denken aan de observaties van Stefan Hertmans ‘Hoe langer ik stilsta bij het verkleuren van de bladeren, hoe intenser de tinten op me inwerken. Geel van woestijnzand, oker en roodtinten die aan verroest ijzer doen denken. Een zacht wiegen alsof elke boom een slapende baby draagt.’
    Maar waar de landschappen van Hertmans bezield worden door het verleden, door een verhaal dat tergend langzaam uit de doeken wordt gedaan, blijft dat verhaal hier uit. Waar is het Van Meenen dan wel om te doen?

    De lezer plezier laten beleven aan poëtische observaties van natuurschoon als inspiratie voor scherpzinnige bespiegelingen over het leven? Dat valt tegen. Veel is banaal: kale bomen die vergeleken worden met het ‘verticale verlangen dat zich gewoonlijk ophoopt ter hoogte van de geslachtsdelen’, quasi-diepzinnig: ‘hoe langer iets al bestaat, hoe groter de kans dat het nog veel langer zal bestaan’, onbegrijpelijk: ‘de menselijke inzoombeweging is er een die alleen beperkingen blootlegt’ of potsierlijk: ‘Natte vingers zijn ideaal om mee door je haren te strijken of in je ogen te wrijven’. Als er  al eens een interessante observatie is, wordt die niet uitgewerkt. De hoofdpersoon stelt zichzelf liever vragen als ‘hoe hoog kan het gras groeien?’ en ‘hoeveel dagen kan ik hier doorbrengen zonder iemand te zien?’ en geeft zelf toe dat hij niet verder komt dan dat.

    Dit onvermogen van de hoofdpersoon – en dit is interessant – wordt expliciet in verband gebracht met de tekortkomingen van het verhaal. Hoofdpersoon en schrijver vallen samen in bespiegelingen over de tekst zelf: ‘Wie ben ik en door wiens mond spreek ik? Waar is het personage, waar is het conflict?’ De verteller zegt niet te willen verzanden in een narratief waarin hij niet gelooft. In plaats van een verhaal te vertellen, probeert hij de boel te begrijpen, verdedigt hij zichzelf tegen criticasters uit het verleden die hem verweten te veel van de hak op de tak te springen.

    De ommuurde tuin verbeeldt de – beperkingen van de- eigen binnenwereld die de auteur wil doorgronden en beschrijven. Met jezelf opgescheept zitten is geen feest, betoogde Sartre al in Walging waarin het ik van Antoine Roquentin bijna geheel uitdooft en een leeg bewustzijn dreigt over te blijven. Sartre besluit zijn roman met een positieve boodschap: Roquentin spreekt de hoop uit zichzelf te kunnen accepteren als hij een roman zal schrijven: alleen het niet bestaande kan het bestaande rechtvaardigen.

    Het is Van Meenen gegund zijn bestaan te rechtvaardigen. De geschetste paradox (door te schrijven ben je tot jezelf veroordeeld, het resultaat betekent de ontsnapping) is interessant, maar biedt de lezer geen plezierige ontsnapping aan zijn eigen bestaan. Van Meenen weet weliswaar bij tijd en wijle een mooie zin met een goede cadans op papier te zetten (De nacht gooit Japanse blauwe inkt over de tuin waarin ik mijn vingers doop), maar tegelijkertijd wekt zijn proza ergernis vanwege te weinig scherpzinnigheid, te veel pretentie (Aan het eind van de rit sterf ik, om herboren te worden in het bewustzijn van alle mensen) en een gebrek aan humor: de valkuilen van romantische literatuur.