Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.

  • Krijg de tering met je privatisering *

    Krijg de tering met je privatisering *

    ‘Het spookt in Europa’. Met deze onheilspellende woorden opent de Vlaamse schrijver Geert van Istendael zijn, wat hij noemt, ‘manifest tegen de grote verkilling’. Geïnspireerd door de woorden uit het Communistisch Manifest van Karl Marx: ‘Er waart een spook door Europa’, roept hij op tot een fundamentele bezinning op de kernwaarden van onze West-Europese maatschappij. Voor hem is dat de sociale zekerheid, verankerd in de verzorgingsstaat. Naast de Franse kathedralen, de symfonieën van Beethoven en de schilderijen van Vermeer, is dit een kroonjuweel van de Europese beschaving.

    Verkwanseling van de sociale zekerheid en kaping van gedachtegoed

    Gewapend met het vlammende zwaard van de retorica trekt Van Istendael als een oudtestamentische Mozes ten strijde tegen de valse profeten van het neoliberalisme, verwoord door de Amerikaanse econoom Milton Friedman en in de jaren tachtig in Europa vooral politiek vertaald door de conservatieve Britse premier Margaret Thatcher. Deze zag het als haar grootste opdracht af te rekenen met het begrip ‘solidariteit’ door de macht te breken van de Britse vakbeweging. Van Istendael laat zien hoe daarna Labour onder leiding van Tony Blair de zogenaamde Derde Weg, New Labour, inslaat, een poging tot consensus tussen neoliberalisme en sociaaldemocratie. In Nederland wordt dit overgenomen door de PvdA en door Wim Kok gekwalificeerd als, ‘het afschudden van de ideologische veren’. Feitelijk bekeerden de sociaaldemocraten zich tot het neoliberale marktdenken. Margaret Thatcher zei het zo, toen iemand haar vroeg wat zij zag als haar grootste verwezenlijking: ‘Tony Blair and New Labour. We forced our opponents to change their minds’. Dodelijker antwoord is, aldus Van Istendael, niet mogelijk. Hij laat zien dat deze ontwikkeling zich in alle belangrijke West-Europese landen vanaf de jaren tachtig en negentig heeft voorgedaan, binnen de eigen nationale context natuurlijk. Van Istendael concentreert zich vooral op de sociaaldemocraten, omdat zij, volgens hem, naast de christendemocraten, in de eerste plaats de dragers en de hoeders zijn van de sociale zekerheid. Deze partijen zijn verantwoordelijk voor de verkwanseling van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat aan een onverantwoordelijk marktdenken. Op deze wijze hebben zij zich vervreemd van hun natuurlijke achterban, wat momenteel overal in Europa duidelijk zichtbaar wordt bij verkiezingen. Mensen voelen zich in de steek gelaten en zoeken hun heil bij doorgaans extreemrechtse populistische groeperingen die goed aanvoelen door welke ongenoegens zij bewogen worden. Het is dan ook niet zo vreemd dat de sociale paragraaf van het Front National van Marine LePen verdacht veel lijkt op die van de vroegere Franse communistische partij. Iets dergelijks zien we natuurlijk ook in Nederland bij de partij van Geert Wilders.

    Dieventaal en verloedering

    In Nederland werd deze verkwanseling gemunt met de term ‘participatiesamenleving’, een huichelachtige term om, zoals Jeroen Dijsselbloem onomwonden verklaarde, ‘de economie weer in evenwicht te brengen’. De valse suggestie die van de term uitgaat, namelijk de burgers meer deelgenoot te laten uitmaken van het democratische proces door hen te laten meedenken over- en meedoen met het lenigen van de behoeften in de samenleving, zet Van Istendael weg als ‘koorknapengeleuter’. Het gaat om neoliberale marktwerking, keiharde bezuinigingen dus. Hij veegt de vloer aan met figuren als Mario Draghi van de Europese Centrale Bank en diens kompaan Jeroen Dijsselbloem, paladijnen van een ongeremd kapitalisme en ‘herauten van de grote verkilling’. Jeroen Dijsselbloem, door Van Istendael weggezet als ‘nulpunt van luciditeit en verdwijnpunt van zelfinzicht’, wordt als neoliberale heelmeester van de Europese Unie verantwoordelijk gesteld voor de uitzichtloze situatie waarin het grootste deel van de Griekse bevolking zich thans bevindt. Hij heeft de ‘kersverse Griekse regeerders van Syriza geframed als ‘de nieuwe ideologen in Athene’ en gebruikt woorden als ‘gestaald kader, veelal marxisten’, terwijl het programma dat zij voorstaan bij monde van hun minister van financiën, Iannis Varoufakis (een ‘ideologische scherpslijper’, aldus Dijsselbloem) toch alleszins acceptabel wordt geacht door gezaghebbende wetenschappers en bankiers.’

    Sorry, we missed you

    Terwijl dienstverlening aan die burgers juist de kerntaak van de overheid moet zijn, wordt marktwerking heiligverklaard, altijd ten koste van de burgers. De zogenaamde efficiency van het particuliere bedrijfsleven is, volgens Van Istendael, doorgaans een mythe en maar al te vaak het product van ‘naakte uitbuiting’. Hij laat dit zien aan de hand van Bpost (spreek uit: ‘biepoowst’), zoals de Belgische posterijen sedert enkele jaren heten. Bpost doet aan georoute waarbij iedere beweging van de postbode wordt gechronometreerd: 5,760 seconden per brief. ‘Bpost vindt de metingen objectief. De vakbondsman zegt: Bpost vermaalt menselijk potentieel tot appelmoes. (Zie in dit verband de onlangs uitgebrachte, prachtige film van Ken Loach, ‘Sorry, we missed you’, waarin een soortgelijke problematiek behandeld wordt bij de Britse pakketbezorging.)

    De financiële markten zijn, aldus Van Istendael, ten diepste onethisch, immoreel. Dit in tegenstelling tot het ethische begrip ‘sociale zekerheid’. ‘Wie werkt aan de sociale zekerheid geeft blijk van een grote morele en maatschappelijke verantwoordelijkheidszin.’

    Noodzakelijk, maar vermoeiend

    Geert van Istendael analyseert in zijn boek het feilen van de sociaaldemocratie in West-Europa en de ogenschijnlijk onweerstaanbare opmars van het neoliberale marktdenken. Maar hij is ook een gelovige die voortdurend getuigenis lijkt af te leggen. Hij roept op het tij te keren en de sociale zekerheid, ‘dit kroonjuweel van de Europese beschaving’, te redden en wereldwijd uit te rollen. Van Istendael doet dit met veel verbaal geweld in een hartstochtelijk betoog dat zeer goed onderbouwd is. Hij legt doorlopend kruisverbanden tussen financieel-economische ontwikkelingen, milieukwesties, klimaatcrisis, vluchtelingenproblemen, opkomend nationalisme versus Europese eenwording, racisme en multiculturele samenleving. Kortom, het is een hoogst actueel en goed boek waaraan één nadeel kleeft: zijn in verbaal geweld verpakte woede is ook vermoeiend en gaat soms ten koste van de leesbaarheid.

  • De dromende dichter

    De dromende dichter

    In het ene oog de maan, in het andere de zon, de nieuwe bloemlezing van het werk van Paul Éluard (1895-1952), roept associaties op met – als u die ooit hebt gezien – de surrealistische schandaalfilm Un chien andalou van Luis Buñuel en Salvador Dalí . Ogen, manen, zonnen: het zijn stuk voor stuk vaak terugkerende beelden bij surrealisten. En warempel: toeval of niet, maar in de inleiding van de bloemlezing lezen we zowaar dat Dalí’s muze Gala voorheen getrouwd was met… Paul Éluard. Altijd handig, zo’n inleiding, want ook al maakt de opvatting dat poëzie voor zich moet spreken nog steeds opgang, een minimum aan duiding is niet overbodig. Niet dat je dwangmatig alles moet proberen te begrijpen – dan loop je in mijn ervaring vaak onherroepelijk vast – maar een beetje houvast is aangenaam. Natuurlijk kan je meteen op hoop van zege in het diepe duiken, maar een paar zwemlessen voordat je het water in duikt, kunnen geen kwaad.

    Zoals we in de inleiding kunnen lezen, trachtte Éluard het leven op te roepen zoals het zich ‘ongefilterd door de rede’ voordoet. Daarvoor deed hij veelvuldig een beroep op ‘droomachtige situaties en beelden’. Vandaar dus die ogen, zonnen en manen. Bij dat laatste substantief zullen lezers die bekend zijn met het werk van de Spaanse dichter Federico García Lorca een aha-erlebnis krijgen. Overigens was Lorca op zijn beurt weer een aanbidder van… Dalí. Le monde est petit! En toch ging Éluard na verloop zijn eigen weg: zijn opvatting dat de taal een doel op zich kan zijn, leidde tot een breuk met de surrealistische gangmaker André Breton.

    Opvallend is ook dat – nog steeds volgens de inleiding – Éluard in Frankrijk bekend zou staan als facile. Zijn vocabulaire is in vergelijking met het vaak vrij vergezochte woordgebruik van de symbolisten weliswaar vrij eenvoudig, maar die eenvoud doet zich enkel voor op woordniveau. Met vrij eenvoudige termen – zon, maan, hand, wolk – construeert hij behoorlijk complexe beelden en associaties die veel verbeelding en inlevingsvermogen vergen van de lezer.

    Variatie

    Voor deze bloemlezing werden gedichten gekozen uit drie belangrijke bundels van Éluard: Capitale de la douleur (1926), La vie immédiate (1932) en Le livre ouvert (1938-1944). Al bij de selectie gedichten uit de eerstgenoemde bundel valt de variatie in de vorm en de prosodie op: Éluard werkt nu eens met vrije verzen of prozagedichten, kiest dan weer voor vormvaste gedichten, wisselt korte verzen af met lange, schakelt heel vlot van een jachtig, naar een traag en slepend ritme. Het zou ondoenbaar zijn om die rijke variatie in kort bestek te behandelen, dus kiezen we er maar het evocatieve gedicht De verliefde uit. Het begint vrij toegankelijk, maar gaandeweg wordt de lezer steeds verder in Éluards surrealistische droomwereld getrokken.

    ‘De verliefde

    Ze staat recht op mijn oogleden
    En haar haar ligt door het mijne,
    Ze heeft de vorm van mijn handen,
    Ze heeft de kleur van mijn ogen,
    Ze verdwijnt in mijn schaduw
    Als een steen tegen de lucht.

    Ze heeft haar ogen altijd open
    En laat me niet slapen.
    Haar dromen op klaarlichte dag
    Laten de zonnen verdampen,
    Laten mij lachen, huilen en lachen,
    Praten zonder ook maar iets te zeggen.’

    Éluard liet zich uitgebreid inspireren door de beeldende kunsten. Niet onlogisch, want hij was bevriend met heel wat schilders, beeldhouwers enzovoort. Zo passeren Ernst, Dalí, Picasso, Man Ray, Picabia en Joan Miró de revue. Wie bekend is met het werk van die laatste schilder – overigens een veel lichtvoetigere surrealist dan Dalí, die nogal zwaar op de hand en dikdoenerig kon zijn – zal misschien spontaan aan de libellen van zijn schilderijen denken bij het lezen van deze regels:

    ‘Prooizon gevangene van mijn hoofd,
    Haal de heuvel weg, haal het bos weg.
    De lucht is mooier dan ooit.
    De libellen op de druiven
    Geven hem welomlijnde vormen
    Die ik in één gebaar verjaag.’

     Sagan

    En soms is er plots de schok van de herkenning. Neem bijvoorbeeld de openingszinnen van Amper gehavend, uit de bundel La vie immédiate:

    ‘Vaarwel droefenis
    Gegroet droefenis
    Ik lees je in de lijnen van het plafond
    Ik lees je in de ogen die ik bemin’

    ‘Gegroet droefenis’, dat is toch… Jawel, Françoise Sagan heeft voor de titel van haar debuutroman Bonjour tristesse leentjebuur gespeeld bij Éluard. Met schaamrood op de wangen moet ondergetekende ruim twintig jaar na een eerste lezing ontdekken dat Sagan die titel niet zelf heeft bedacht. Enfin, zeg van de Fransen wat u wilt, maar ze eren wél hun dichters, nu eens met een staatsbegrafenis, dan weer in de populaire cultuur of een of ander chanson.

    Asile de Saint-Alban

    Tot slot moeten we het onvermijdelijk over de laatste bundel hebben die in deze bloemlezing aan bod komt: Le livre ouvert. Dat boek stamt uit de woelige oorlogsjaren, een tijd van verzet en onderduiken voor Éluard. Dwongen de omstandigheden een dromerige surrealist om toenadering te zoeken tot de concrete werkelijkheid? Op het eerste gezicht niet, al wordt de toon wel grimmiger. Een van de hoogtepunten is Het gekkenkerkhof, dat Éluard in 1943 schreef. Het handelt over de begraafplaats bij het Asile de Saint-Alban, een ziekenhuis voor geesteszieken in het Zuid-Franse Lozère waar hij tijdelijk onderdook.

    ‘Het gekkenkerkhof

    Dit kerkhof gebaard door de maan
    Tussen twee golven zwarte hemel
    Dit kerkhof archipel van het geheugen
    Leeft van verdwaasde winden en geesten in puin

    Driehonderd graven op rijen in de barre grond
    Voor driehonderd doden gemaskeerd met aarde
    Naamloze kruisen zonder naam mysterievolle lijken
    De aarde geblust en de mens verdwenen

    De onbekenden zijn uit de gevangenis gekomen
    Getooid met afwezigheid en zonder schoenen
    Niets te hopen over
    De onbekenden zijn in de gevangenis gestorven
    Hun kerkhof is een redeloze plek’

    Opvallende afwezige in deze bloemlezing is het gedicht Liberté, dat bijvoorbeeld wel als enige gedicht van Éluard is opgenomen in de bloemlezing De tuin van de Franse poëzie – een canon in 100 gedichten (Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2011). Het is door zijn lengte en vorm echter wat atypisch voor deze grote dichter en is waarschijnlijk vooral bekend door zijn historische belang: tijdens de oorlog werd het door Engelse vliegtuigen uitgestrooid boven het bezette Frankrijk. Al is dat op zich natuurlijk wel een prachtig, poëtisch beeld. Ziet u nu nog een oorlogvoerende natie die tactiek gebruiken?

  • Een ode aan de cyclus van het leven

    Een ode aan de cyclus van het leven

    Sinds het verschijnen van haar debuut De Appelmoesstraat is anders (1978) heeft de in Antwerpen wonende schrijfster Joke van Leeuwen een niet aflatende stroom van boeken geschreven, zesenvijftig in totaal. Haar nieuwste bundel Levenslust is in feite één lang gedicht, bestaande uit tachtig strofen van tien versregels. Vooraan in het boek staan vijf tekeningen van de auteur, terwijl als een rode draad een getekend lint door de bladzijden getrokken wordt om de afdelingen te markeren, met af en toe een knoop erin. Van Leeuwen is een veelzijdig auteur die zich op allerlei terreinen begeeft: schreef ze in het begin alleen voor kinderen, al gauw begonnen de leeftijdsgrenzen voor haar boeken te vervagen en nu schrijft  ze verhalen die door zowel kinderen als volwassenen zeer gewaardeerd worden. De illustraties verzorgt ze ook zelf.

    Haar werk is veelvuldig vertaald en bekroond in binnen- en buitenland. Ook legt ze zich toe op toneel, romans en dichtbundels, waarvan Levenslust haar achtste voor volwassenen is. Bovendien werd ze in 2015 uitgeroepen tot Dichter der Nederlanden. De functie, die bestaat naast die van Dichter des Vaderlands, is door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) in het leven geroepen om de verbondenheid tussen Nederland en Vlaanderen te stimuleren.

    Herinneringen en observaties

    De titel zegt genoeg: dit gedicht is een ode aan het leven. Joke van Leeuwen neemt de lezer mee vanaf het allereerste begin: de verwekking en de groei van een kind in de baarmoeder, de geboorte en de babytijd. De observaties zijn onpersoonlijk en van toepassing op iedereen; pas later worden ze gekleurd door persoonlijke herinneringen en ook dat is zoals het in het echte leven gaat: het geheugen van een kind komt pas later op gang. Maar zelfs dan worden de herinneringen algemeen gemaakt door het gebruik van de voornaamwoorden ‘men’, ‘wij’ als pluralis modestiae en een onpersoonlijk ‘je’:

    ‘je eerste bal toen je gekostumeerd
    komen moest kwam je als schemerlamp’

    De herinneringen die Van Leeuwen oproept, zullen herkenbaar zijn voor mensen van haar generatie. Wat volgt is een kolkende rondleiding door de cyclus van het leven: opgroeien, werken, verliefd worden en zelf weer nieuw leven scheppen, tot de dood erop volgt. Dit gebeurt niet chronologisch, maar willekeurig via invallen, gedachten, gebeurtenissen en associaties. Daarin is ook plaats voor ingrijpende en serieuze onderwerpen als oorlog, kindersterfte, natuurrampen. Ook God krijgt een stem en geeft zijn mening over het leven dat hij zelf geschapen heeft, overwegend of hij opnieuw zal beginnen.

    Van enkeling tot mensheid

    Naast het leven van een enkeling breidt Van Leeuwen haar beschrijving uit naar dat van de gehele mensheid en stipt ze de ontstaansgeschiedenis van de mensheid aan, beginnend in de oertijd en eindigend in de toekomst.
    Maar bij alle fragmenten staat het optimisme centraal, het aanvaarden van ervaringen en vooral verder gaan en opnieuw beginnen. Niet voor niets eindigt het gedicht met:

    ‘(…) – blijf nog
    blijf blijf, heb geduld als het wit
    van erkannogvanallespapier’

    Kenmerkend in het werk van Van Leeuwen is de humor en het jongleren met taal, wat soepele en originele vondsten oplevert:

    ‘(…) – napoleon, hem
    heeft die ingres zo weten te schilderen dat
    het verdwijnpunt het roodhermelijnpunt
    het zowilikzijnpunt precies is
    te vinden op keizermans pik’

    Levenslust is één lang gedicht, zonder hoofdletters of punten, slechts een enkele komma of een gedachtestreepje en af en toe een uitroepteken. Ook ontbreekt eindrijm, maar het consequent aangehouden metrum van de dactylus is zo ritmisch en zo melodieus, dat dit nauwelijks gemist wordt. De strofen zouden hardop gelezen moeten worden om ze volledig tot hun recht te laten komen:

    ‘(…) de dieren die gillend
    van slachtangst niet snappen met
    wat voor verlangen de vachtloze
    wezens met sierlijke klauwen hen
    rauw aan een haak willen hangen’

    Niets is toevallig

    Het gedicht is zeer doordacht geschreven, niets wordt aan het toeval overgelaten. De compositie is ingenieus, met lange zinnen die vaak doorlopen over meerdere strofen en met veel enjambementen. Dat werkt overrompelend, de stroom van woorden is overweldigend en maakt dat je (soms) naar adem moet happen. Er zijn weinig rustpunten in het gedicht: met behulp van de komma’s en de cadans moet de lezer die zelf aanbrengen. Bovendien gaat het om één lang gedicht en zou je alle strofen achter elkaar moeten lezen om te kunnen bepalen waar het over gaat.

    Het is niet wenselijk zomaar ergens te beginnen met lezen, dan is de samenhang tussen de strofen verdwenen en wordt het onmogelijk om te weten wat het onderwerp is van het betreffende fragment. De strofen zijn met elkaar verbonden als kralen aan een ketting, als je er eentje tussenuit haalt is de verbinding weg.

    Joke van Leeuwen heeft op een speelse manier een aantal serieuze zaken vorm weten te geven. Als een uitbundige gids voert ze de lezer mee langs niet alleen de toeristische trekpleisters van het leven, maar ook langs kleine, alledaagse en herkenbare gebeurtenissen die een mensenleven kenmerken en zonder meer belangrijk zijn.

  • Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Om de zoveel tijd komt  een ervaren lezer wel eens een boek tegen waarvan de bedoeling hem niet helemaal duidelijk is. Ofwel heeft hij er niets van begrepen, ofwel is het precies de bedoeling van de auteur om verwarring te scheppen en de lezer aan het denken te zetten. Dat laatste is waarschijnlijk de opzet van het nieuwste boek van de Amerikaans-Franse schrijver Jonathan Littell. Een oude geschiedenis liet lang op zich wachten. Littell teerde nog voort op het gigantische succes van zijn controversiële De Welwillenden, winnaar van de Prix Goncourt in 2006, wat hem meteen een plaats bezorgde bij de nieuwste generatie van topauteurs.

    Littell zat de voorbije twaalf jaar echter niet stil, maar schreef vooral non-fictiewerk over zijn ervaringen in oorlogsgebieden als de Balkan, Tsjetsjenië en Syrië. In De Welwillenden voerde Littell de perverse Max Aue op, de SS-officier die de grootste gruwelen niet uit de weg ging. Tegen wil en dank ging de lezer zich identificeren met deze verdorven geest. Dat kon omdat Littell, ondanks alle ziekelijke gebeurtenissen, de lezer meenam in een verhaal waarin hij duidelijk wilde maken tot wat de mens, in de persoon van een nazi, in staat is.

    Verontrustende leeservaring

    In Een oude geschiedenis gaat Littell een stapje verder. Hij schreef een eerste versie van het boek in 2012 die bestond uit twee hoofdstukken. In deze Nieuwe versie, de subtitel van zijn roman, breidt hij het uit tot zeven hoofdstukken, omdat hij ‘op een dag merkte dat de tekst, als een geest, op raadselachtige wijze door bleef werken. Ik moest dus opnieuw beginnen met schrijven, alsof er nog geen boek was. Vreemde ervaring.’ Vreemd is het ongetwijfeld ook voor de lezer die geconfronteerd wordt met een verontrustende en onrustige leeservaring waarin alle donkere kanten van het menselijk bestaan naar boven gehaald worden.

    De zeven hoofdstukken volgen allemaal dezelfde structuur. Elk hoofdstuk bestaat nog eens uit vijf al dan niet geconnecteerde onderdelen waardoor je een soort van muzikale compositie krijgt van vijfendertig stukjes die eigenlijk variaties zijn op hetzelfde thema. Veel ingrediënten komen telkens terug: een elektrische stroomstoring, een reproductie van De dame met de hermelijn, appels, dekbedovertrek met een afbeelding van groen gras, borden vol rauwe vis en gekonfijte groenten, een groen-met-goudgeel deken, en zo kunnen we nog even doorgaan. Elk hoofdstuk begint en eindigt ook op dezelfde manier. Het ik-personage komt uit het zwembad, dwaalt in een lange, kromme gang en ontwaart plots een blinkende deurklink waardoor hij in een heel andere ruimte komt. De 35 stukjes spelen zich telkens af in een andere ruimte na het openen van een deur. Op het einde van elk hoofdstuk belandt het personage opnieuw in het zwembad, wat gerust gezien mag worden als een vorm van loutering na de ‘avonturen’ die hij heeft meegemaakt.

    Machtswellust

    Het hoofdpersonage wisselt ook telkens: nu eens een man, dan weer een vrouw, dan een kind, verschillende genderfluïde personages, maar telkens worden ze geconfronteerd met hetzelfde: ze komen in een wereld terecht waar de chaos overheerst en worden het slachtoffer van de manipulaties van anderen (of van de schrijver?) en hun eigen onzekere seksuele identiteit. De ruimtes lijken gevuld met psychopaten die het beste van zichzelf geven. Het is alsof Littell ‘la condition humaine’ in zijn meest duistere vorm tracht vast te leggen en de lezer om de oren wil slaan met zijn visie over het menselijk bestaan. De mens is een verdorven machtswellusteling, lijkt hij te willen zeggen. Alles draait om macht en wellust en de personages bevinden zich ofwel in  een machtspositie of in een onderdanige positie, al toont hij ook aan dat dit snel kan wisselen.

    Identificatie onmogelijk

    Seksscènes verworden tot gewelddadige pornoscènes, het seksuele genot draait uit op sadistische machtspelletjes waarbij hij het grove geweld niet uit de weg gaat. Bloed, sperma en stront spatten van de pagina’s om de lezer niet tot identificatie te laten komen, maar om hem eerder een gevoel van afschuw en walging te geven, alsof hij daarmee zijn grote gelijk wil halen. Identificatie is dus niet mogelijk, en dat maakt het zo moeilijk om in dit boek te geraken. De vervreemding zorgt ervoor dat de lezer af en toe, toegegeven ook uit misprijzen, het werk aan de kant moet leggen, maar toch is er iets wat hem ertoe dwingt het weer op te nemen. Ook de stijl draagt bij tot die vreemde leeservaring: Littell gebruikt een uiterst koele, zakelijke stijl die zeer precies en gedetailleerd is en waar alle emoties nauwkeurig uitgefilterd zijn. Deze klinische, zintuiglijke vorm van schrijven maakt het geheel nog afstandelijker waardoor de lezer geen kans krijgt om zich betrokken te voelen. De vele avonturen vol seks en geweld zijn vooral gericht op een mix tussen lust en afschuw, al lijkt het laatste absoluut de overhand te krijgen. Littell drukt de lezer met de neus op de feiten of liever: lijkt zelf een neus te zetten naar de lezer.

     

  • De donkerte onder het genot

    De donkerte onder het genot

    Op een zeldzame uitzondering na zijn Nederlandse auteurs doorgaans geen krullendraaiers. De literatuur van de lage landen moet het niet echt hebben van mooischrijvers. Die nuchterheid zal misschien aan de volksaard liggen, maar anderzijds is het wel opvallend dat de schrijvers van dit land heel wat gedenkwaardige personages hebben voortgebracht. Van Frits van Egters tot pakweg Alfred Issendorf of Jörgen Hofmeester: als de Nederlandse literatuur ergens in uitblinkt, is het wel in het neerzetten van sterke, geloofwaardige romanfiguren. Aan dat lijstje mag ook Maris Coppoolse toegevoegd worden, protagonist van Oek de Jongs roman Zwarte schuur.

    Pijnlijke herinneringen

    Maris is een kunstschilder die zijn leven op het eerste gezicht aardig voor elkaar heeft. Zeker, de relatie met zijn vrouw Fran vertoont ernstige barsten, maar er wordt een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum aan hem gewijd en zijn werk wordt internationaal gewaardeerd. Toch sluimert er een diepgeworteld, onderhuids ongenoegen in de kunstenaar: ‘Het gevoel van wachten werd elke dag sterker. Onder de mensen deed hij wat hij moest doen, professioneel, vol energie, met een lach, maar zodra hij alleen was zakte hij in. De catalogus van zijn tentoonstelling wilde hij niet meer zien – het leek hem een grafzerk. Hij kon zich er niet toe zetten ook maar één artikel over zijn werk te lezen. Het weerzien met zijn schilderijen riep herinneringen aan zijn jonge jaren in hem op, vooral de pijnlijke herinneringen, de pijnlijke momenten.’

    Een van die pijnlijke momenten is Maris altijd blijven achtervolgen in zijn leven. Het gaat om wat zich ooit afspeelde in de zwarte schuur uit de titel, een bouwsel in het Zeeuwse boerendorp waar Maris zijn jeugd doorbracht. Het hele boek, zeg maar Maris’ hele leven draait daarom, en tegelijkertijd is de concrete informatie over wat daar werkelijk is gebeurd beperkt. Wat weten we uiteindelijk over die schuur? Maris belandt er op zijn veertiende met Matty, een meisje uit de buurt. Het is een zondagmiddag, er hangt elektriciteit in de lucht, de twee klimmen op een hooizolder, binden elkaar beurtelings vast. De licht erotische sfeer slaat om als ze aan zijn prille mannelijkheid durft te twijfelen, ‘Jij bent geen echte jongen,’ zei ze. ‘Meer een soort meisje.’ Maris geeft Matty een duw, het meisje valt van de hooizolder en overleeft de klap niet.

    Twijfel over de waarheid

    Een ongeluk, zegt Maris. De verteller lijkt daar ook van overtuigd te zijn. Maar zijn zij betrouwbaar?  Zou het kunnen dat de informatie over het voorval niet alleen met mondjesmaat wordt vrijgegeven om de spanning op te bouwen, maar ook om twijfel te zaaien? Zo zijn er nog wel een aantal zaken in dit boek die vragen doen rijzen. Er lijkt bijvoorbeeld een confrontatie op til te zijn met Corné Tramper, de broer van Matty en Maris’ zwarte beest, een man van wie hij werkelijk bang is. Maar uiteindelijk blijkt Corné toch niet zo’n geweldenaar te zijn. Wat als Corné’s overtuiging dat zijn zus werd vermoord, klopt? Hoe moet het dan op hem overkomen als Maris een schilderij maakt over de schuur waar Matty stierf? De twijfel over Maris’ oprechtheid wordt nog groter als er nog een incident met een heroïnehoertje volgt waaruit blijkt dat hij soms zijn zelfcontrole verliest en opeens gewelddadig kan worden.

    We weten echter niet hoe de vork precies in de steel zit, en die spanning maakt Maris zo interessant: hij is niet zwart of wit. Er is alleen zekerheid over de onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn achtergrond, over de Zeeuwse klei die hij niet van zich af krijgt geschud. Maris gelooft niet in ‘opnieuw beginnen’. Er is een schaduw die hem altijd volgt, ‘Maar onder het genot lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’
    Hij weet dat hij niet aan zichzelf kan ontkomen, ook al rijdt hij in een opwelling naar Frankrijk, op de vlucht voor zijn demonen en op zoek naar loutering bij het door hem bewonderde werk van de vijftiende-eeuwse schilder Grünewald: ‘Met de punt van zijn schoen hakte hij een gat in het ijs. Hij boog zich voorover om met zijn hand het water op te scheppen en er zijn gezicht mee te wassen. Een paar seconden was de onrust er niet, een paar seconden was er alleen de zon die hem verwarmde, de schittering van het ijs en zijn hand die water schepte op een plek waar hij nog nooit eerder was geweest.’

    Zoals het leven zelf

    De lezer krijgt dus geen netjes afgerond verhaaltje, geen eind goed al goed en ze leefden nog lang en gelukkig, want zo zit het leven niet in elkaar. Evenmin pretendeert De Jong met dit boek volledige duidelijkheid te scheppen over de mens en zijn drijfveren, over wat er zich werkelijk afspeelt in het bovenkamertje en onder de motorkap, als alle beschermlagen weg zijn en de schone schijn wordt doorgeprikt. Met Maris heeft hij een personage gecreëerd dat je af en toe in staat stelt om misschien een glimp op te vangen van die waarheid, of daar op zijn minst over laat nadenken. De fragiliteit van Maris’ bestaan, het besef dat het onheil altijd om de hoek loert en het einde nooit ver weg is, komt bijvoorbeeld tot uiting in de passage, waarin Oek de Jong zijn hoofdpersonage confronteert met het plotse sterfelijkheidsbesef dat een mens opeens kan overvallen:

    ‘Maris reed rustig, zorgvuldig, met soepele bewegingen, en vaker dan nodig was keek hij in zijn spiegels. Bij het verlaten van de tunnel wierp hij een snelle blik op de plek waar hij had kunnen verongelukken. Hij had de vangrail van de tunnel op een haar na gemist. Een autowrak met een volledig in elkaar geperste voorkant had daar nu kunnen staan, de snijbranders hadden hun werk gedaan, de ambulance was weg, er was een kraanwagen gearriveerd, politiewagens met blauwe zwaailichten waren nog ter plaatse, een agent was bezig het versplinterde glas bij elkaar te vegen.’

    Great Dutch Novel

    De stijl van Oek de Jong is essentieel voor de mistige sfeer die hij schept. Je zou hem kunnen omschrijven als een schrijver van de bedrieglijke eenvoud, van een misleidend less is more. Want terwijl de openingszin, ‘Zwijgend zaten ze in de trein.’ nog niet meteen argwaan wekt, volstaat iets eenvoudigs als, ‘Maris wendde zijn blik af’, verderop in dit boek al om de lezer zijn oren te laten spitsen. Kortom, je krijgt nooit echt hoogte van die ongrijpbare man, maar hij laat wel een diepe indruk na. Mocht de term Great Dutch Novel niet zo potsierlijk en on-Hollands klinken, je zou haast zeggen dat Zwarte schuur voor die titel in aanmerking komt.

     

  • Spannende portretten van gewone mensen

    Spannende portretten van gewone mensen

    Sanneke van Hassel (1971) staat bekend als pleitbezorger van het korte verhaal. Ze publiceerde meerdere romans en verhalenbundels en won in 2013 de Anna Blamanprijs voor haar gehele oeuvre. Nederzettingen is haar meest recente verhalenbundel met zestien korte verhalen die allemaal gaan over een thuis of juist het gebrek daaraan.

    Van Hassel schrijft geen epische verhalen met grootste plotwendingen. Haar stijl doet denken aan de geschreven portretten op Instagrampagina Humans of New York, waarop dagelijks een foto verschijnt van iemand die de fotograaf is tegengekomen op straat. De personages van Van Hassel kun je ook zomaar tegenkomen: het is degene die gaat kijken bij een ongeluk, uit de tram stapt bij halte Javabrug of een busbestuurder in Rotterdam. In elk van de zestien verhalen uit Nederzettingen spelen zulke mensen een hoofdrol.

    Hoewel Van Hassel schrijnende gebeurtenissen beschrijft die op een drama kunnen uitlopen, wordt het nergens ongeloofwaardig. In het verhaal ‘Plastic man’ vindt een zwerver bijvoorbeeld een lijk: ‘Ik zag het drijven. Met zijn gezicht naar beneden. Het was een man in een beige jack. Het jack was een ballon. Zijn handen, grauw en opgezwollen. Zijn haar waaierde om zijn hoofd. Ik heb hem met een stok in de richting van het pad geduwd.’ Juist deze simpele zinnen zijn doeltreffend: niet alleen zie je het lijk drijven, ook zegt dit veel over de zwerver. Kennelijk kan de zwerver geen hulp halen of iemand bellen, maar niets doen is ook geen optie.

    Naderend onheil

    Een ander voorbeeld van goed uitgewerkt drama is het verhaal ‘Ik hoor het wel als we gaan inpakken’, over een gezin dat uit de stad vertrekt om landelijker te gaan wonen. De hoofdpersoon en haar man zijn goed bevriend met dit gezin: ‘In een van de laatste verhuisdozen die in de hal stonden, stopte Flip een fles champagne die ze bij het openmaken zouden vinden.’
    Een paar pagina’s verder, wanneer de hoofdpersoon en Flip op bezoek gaan bij het gezin, is de sfeer omgeslagen: ‘Ze liep voor ons uit als een makelaar voor een koppel waarvan ze vermoedt dat ze niet werkelijk geïnteresseerd zijn, plichtmatig deuren openend, verlichting aan en uit doend. In het huis was alles wit, de muren, de meubels, de kleden op de vloeren.’
    Hoewel het verhaal geen horrorelementen bevat, is Van Hassel erin geslaagd het dreigend te maken. De verhoudingen tussen de personages staan op scherp en ieder moment kan er iets vreselijks gebeuren.

    In meerdere verhalen schuilt een dreiging. Het eerste verhaal uit de bundel, ‘In onze straat’, gaat bijvoorbeeld over een ongeluk met een scooter waarbij verschillende nationaliteiten betrokken zijn en de hoofdpersoon gaat bemiddelen. ‘Het zwijgen breidde zich uit. Hoe iedereen elkaar vijandig aankeek – “Mijn fiets,” ik probeerde luchtig te klinken, “was een keer per ongeluk tegen een busje gevallen, en toen heeft de verzekering alles vergoed. Dat ging heel gemakkelijk.” Iedereen bleef zwijgen.’
    ‘It’s not how good you are’ speelt zich grotendeels af tijdens een bijeenkomst voor zelfstandig ondernemers, waarbij de sfeer steeds verstikkender wordt: ‘Ze ging in een hoek zitten, zo ver mogelijk van de deur. Achter de glazen pui waren de mistflarden uitgegroeid tot een wolk, die hen van de wereld afschermde.’

    Alles klopt

    De meeste verhalen zijn gesitueerd in Rotterdam. We zien de stad niet alleen door de ogen van de zwerver, een buschauffeur of een moeder, maar in ‘De geur van mandarijnen’ ook door de ogen van een Schotse vrouw: ‘Anderhalf jaar werkte ze hier nu maar ze kende niet veel meer dan een handvol restaurants en winkels hier in de buurt. Haar appartement was een paar flatgebouwen verder, de trein naar het vliegveld ook.’ De hoofdpersoon zal een jaar later worden overgeplaatst naar Londen, maar wanneer ze na haar werk naar een café gaat, ontdekt ze toch iets wat haar aan deze stad bindt.

    Alle zestien verhalen zitten goed in elkaar. Van Hassel  benadert haar onderwerp vanuit verschillende invalshoeken  en dat maakt de bundel zeer afwisselend. Ieder verhaal onderscheidt zich, geen enkele vertelling had weggelaten kunnen worden en het boek leest als een geheel; het klopt precies. Bij ieder verhaal zit je binnen drie zinnen in het hoofd van de verteller. Meestal heb je geen idee hoe het zal aflopen, maar wanneer je het denkt te weten, heb je het zonder uitzondering mis. Het boek bevat geen pretentieuze taal, iedere verteller heeft een eigen stem waardoor de verhalen tot leven komen.
    Niet alleen is Sanneke van Hassel pleitbezorger van het korte verhaal, Nederzettingen is ook een fantastisch uithangbord voor dit genre.

     

  • Taal moet swingen

    Taal moet swingen

    Jean Rhys schreef buitenstaanders literatuur; haar overwegend vrouwelijke personages zijn outsiders op Dominica, in Engeland, Parijs en Midden-Europa. In swingende stijl worden hun verhalen verteld.
    Rhys kreeg bekendheid door haar roman De wijde Sargassozee (1966). Lang daarvoor schreef ze echter al kortverhalen, waarvan de eersten werden gepubliceerd in 1927. Op dat moment leidde de geboren Dominicaanse een bohemien bestaan in Parijs. Gedurende haar leven trouwde ze driemaal en woonde op verschillende plekken in Europa. Alle verhalen verzamelt het werk uit drie verschillende bundels, aangevuld met enkele losse teksten, en is daarmee de eerste integrale uitgave van Rhys’ kortverhalen in het Nederlands. Naast haar debuut The left bank and other stories (1927) gaat het om Tigers are better-looking (1968) (beide nu vertaald door Lisette Graswinckel) en Sleep it off, lady (Mens, slaap je roes uit) (1976) (al eerder vertaald door W.A. Dorsman-Vos).

    Europese dromen

    De vroegste verhalen tellen doorgaans maar enkele pagina’s en spelen zich voornamelijk af in Parijs, of preciezer; Montmartre en Montparnasse. Het gaat vaak over jonge vrouwen die, op zichzelf aangewezen, het hoofd boven water proberen te houden. Ze dansen voorzichtig op het slappe koord boven een afgrond van financiële onzekerheid maar moeten ook bedacht zijn op het kleinburgerlijke oordeel. Deze precaire balansoefening wordt met veel inzicht op papier gezet. Voor hen die falen is de wereld meedogenloos. Opvallend genoeg wordt de burgermoraal meestal belichaamd door een personage uit Engeland, met vaste wortels en overtuigingen. De protagonisten daartegenover zijn nergens thuis en moeten hun eigen denken en handelen vormgeven.

    Indruk maakt het langste verhaal uit dit deel, getiteld ‘Vienne’, gesitueerd in midden-Europa. Uit de opening blijkt dat het om een terugblik gaat, de beschreven tijd is vervlogen, zelfs bijna uit het geheugen verdwenen. Frances verkeerde met haar geliefde, Pierre, in de betere kringen van Wenen. Het is de tijd dat Japanse officieren als militair attaché de stad bevolken begin 1920, zodat een vrij bonte verzameling karakters de revue passeert. Al vrij snel blijkt dat dit leven op grote voet slechts van tijdelijke aard kan zijn omdat de financiële basis van Pierre niet zo solide is als hij voorwendt. Het paar ziet zich uiteindelijk gedwongen om uit te wijken naar Boedapest. Maar de echte vraag moet nog aan bod komen: kunnen ze met z’n tweeën ook slechte tijden het hoofd bieden? ‘Vienne’ is, met z’n dertig bladzijden, een rijk verhaal dat de lezer betovert en meevoert door een verdwenen Europa. De vloeiende stijl van Rhys komt helemaal tot z’n recht dankzij de gevarieerde setting en het vrije plot.

    Benauwend Engeland

    De tweede verhaalverzameling is geschreven in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, toen Rhys teruggetrokken leefde op het Engelse platteland, waar zich ook enkele verhalen situeren. In ‘Al noemen ze ’t jazz’ volgen we Selina, die haar huurhuis wordt uitgezet wanneer ze het voorschot op een dag niet kan betalen. Ze ontmoet een man die haar, naar het lijkt met kwestieuze motieven, een vervallen woning aanbiedt. Hele dagen op zichzelf aangewezen, grijpt ze naar de drank en krijgt al snel ruzie met een stel kleingeestige buren. Dit komt haar uiteindelijk op een gevangenisstraf te staan. Onderweg naar de cel wordt ze begeleid door een vrouwelijke agent: ‘Ik pak haar hand vast want ik ben bang. Maar ze trekt ‘m weg. Koud en glad glipt d’r hand weg en haar gezicht is van porselein, glad als ’n poppengezicht en ik denk: dit is de laatste keer dat ik iets van wie dan ook vraag. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’
    Tijdens het luchtuur in de gevangenis hoort ze een vrouwenstem zingen. Het is een lied van moed en hoop, het Hollowaylied zoals ze later ontdekt, en betekent een ommekeer in haar gemoedsgesteldheid: ‘Ik ijsbeer op en neer en ik denk: ooit hoor ik dat lied met trompetten en dan vallen deze muren om, voorgoed. Ik wil hier zo graag vandaan dat ik wel op de deur kan beuken, want ik weet nou dat niks onmogelijk is en dat ik niks meer wil missen doordat ik hier opgesloten zit’.

    Cadans van de zin

    In het titelverhaal ‘Tijgers zijn aantrekkelijker’ worstelt de hoofdpersoon, een schrijver, met het vinden van de juiste toon voor zijn werk. Want ‘taal moet swingen, zoals iedereen weet’. Jean Rhys zal deze opvatting vast delen met haar personage: er valt praktisch geen stroef lopende zin te vinden in de eerste twee verhaalbundels. Het proza van Rhys kent veel snelheid en een fijne cadans. Nergens is haar formulering formeel, de korte zinnen zijn niet puntig en de lange nooit wollig. De laatste verzameling verhalen (Sleep it off, lady) maakt wat minder indruk qua stijl, wellicht dat dit samenhangt met de oudere vertaling. Een erg aardige tekst hier is ‘Troebel water’, dat zich afspeelt op Dominica. Het beschrijft de geschiedenis van een zekere heer Longa, die beschuldigd wordt van kindermishandeling. De verdedigers van Longa beweren echter dat er sprake is van een complot tegen hem vanwege zijn socialistische sympathieën. Het debat wordt deels uitgevochten in de krantencolommen van de Dominica Herald. Voor de rechter noch voor de lezer valt de waarheid van het gebeurde te achterhalen. Zuivere koffie wordt er door Rhys zo’n vijftig jaar na haar debuut nog steeds niet geschonken.

    De integrale uitgave van Alle verhalen van Jean Rhys is een aanwinst voor ons taalgebied en biedt een laagdrempelige mogelijkheid kennis te maken met deze auteur. De verhalen laten zich goed los lezen omdat ze zeer trefzeker zijn opgeschreven, maar door de thematische samenhang is het geheel ook meer dan de som der delen. Van een outsider wordt Rhys langzamerhand vanzelf literaire canon.

     

  • Biografie aan de hand van schaarse bronnen

    Biografie aan de hand van schaarse bronnen

    Op de achterflap van de biografie De jonge Rembrandt staat, ‘Onno Blom, gelauwerd biograaf’. Waarbij de uitgever ongetwijfeld met dat gelauwerd Bloms biografie van Jan Wolkers (Het litteken van de dood) bedoelt, al ging zijn promotie daarop niet zonder slag of stoot. De vraag is dan ook hoe hij het er met betrekking tot Rembrandt vanaf heeft gebracht. Tekenend is het wel dat Blom zijn proloog begint met het woordje ‘ik’:  ‘Ik trok de deur achter me dicht en wandelde de stad in’, in dit geval Leiden, de woonplaats van Blom en geboortestad van Rembrandt. Of zoals de auteur schrijft: ‘Ik had het gevoel of ik bij hem naar binnen keek. Alsof niet alleen zijn leven als een film voorbij trok, maar ook dat van mezelf’.

    Intiem en wereldwijs

    Onno Blom begint zijn biografie met historische gegevens over Leiden, om te kunnen concluderen dat de stad waarin de schilder werd geboren ‘intiem en wereldwijs’ was. Daar past het beeld bij van een jongetje dat ‘eindeloos krijttekeningen zal hebben zitten maken bij het laatste licht van de walmende olielamp’. Het is mooi verwoord, maar net zo speculatief als de zin ‘De spiegeling van de zon in de Rijn, dat was het eerste licht dat de ogen van Rembrandt moeten hebben gevangen’. Het verhaal in Leiden moet immers kloppen. Als er had gestaan: ‘De spiegeling van de zon in de ogen van Rembrandts moeder’, Cornelia Willemsdr van Zuytbroeck, had het echter ook geklopt. Niet zozeer met twee respectievelijke schilderijen uit de vroege periode van de Leidenaar, maar als kenmerk van het werk van de barokschilder in het algemeen.

    Hier en daar nuanceert Blom zijn eigen beweringen: ‘Rembrandt hield van honden. In elk geval hield hij ervan ze te tekenen, etsen en schilderen’ staat er dan bijvoorbeeld. Dat laatste valt te bewijzen, het eerste niet.
    Als hij al te enthousiast wordt, bijvoorbeeld ten aanzien van de volumen inscriptionem uit 1622 (inschrijvingslijst van de Leidse Academie), waar in 2019 Rembrandts naam op werd teruggevonden, wordt zijn schrijfstijl wat slordig. Of er sluipt wat goedkope humor in het verhaal; wanneer in het verlengde van de in vuur en vlam staande onderwereld – geschilderd door Rembrandts eerste leermeester Jacob Isaacz van Swanenburg – wordt gesproken over het chiaroscuro dat Van Swanenburg in Napels zag bij Caravaggio, waarover hij ‘ongetwijfeld’ (!) had verteld, en dat wordt omschreven ‘als de vonk in een kruitvat’.

    Schaarse bronnen

    Aanmerkelijk sterker is het hoofdstuk waarin Blom Rembrandts vroege Amsterdamse werk vergelijkt met dat van zijn latere leermeester Pieter Lastman. Hier toont hij ook bescheidenheid, als hij tal van interpretaties van Het Leids historiestuk (1626) de revue laat passeren en concludeert dat hij niet zou durven zeggen welke de juiste is. ‘De kunsthistorici durven het wel, maar die spreken elkaar dus tegen.’ Hier laat Blom de schilderijen van leermeester en leerling zelf spreken en passen de vraagtekens die hij erbij zet.

    Blom weet deze biografie goed op te bouwen op grond van enkele schaarse bronnen, veel fantasie en een literaire schrijfstijl. Het is nog net geen spel met echt en nep, zoals Ilja Leonard Pfeijffer dat rond de laatste drie schilderijen van Caravaggio doet in zijn roman Grand Hotel Europa. Wel zijn er overeenkomsten: de woorden ‘misschien’ en ‘heel wel mogelijk’ komen in beide boeken opvallend vaak voor. Het verhaal over Caravaggio’s laatste werken – dat ook in de biografie van Rembrandt wordt genoemd – is bij Pfeijffer verwerkt in een roman die heel Europa beslaat; het leven van Rembrandt als biografie is beperkt tot Leiden, met een uitstapje naar Amsterdam. Dan zijn er de vele herhalingen, bij Pfeijffer tot vervelens toe over onder meer het reukwater dat hij gebruikt, in beide boeken. Ook hanteert Pfeiffer eenzelfde soort humor: Venetië is een zinkende stad, die ‘geen alternatieve economie meer [heeft] waarmee de stad drijvend kan worden gehouden’.

    Ondanks de vele speculaties over Rembrandts leven in deze biografie zou het niet verbazen als de vlot lezende en verzorgde uitgave van De jonge Rembrandt met zijn vele kleurenafbeeldingen niet ook voor een of meer prijzen wordt genomineerd. Zoals de roman van Pfeijffer genomineerd werd voor de Libris Literatuur Prijs  en de NS Publieksprijs 2019.

     

  • Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Na zijn grote succes met De acht bergen krijgt ook het eerdere werk van Cognetti nu de aandacht die het verdient. Na De buitenjongen uit 2013 dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, beleeft Sofia draagt altijd zwart in 2019 de ene na de andere druk. Kan De buitenjongen worden gezien als een vingeroefening voor De acht bergen, Sofia draagt altijd zwart gaat over de moeizame volwassenwording van Sofia.
    Haar geboorte is prematuur en ze moet worden gereanimeerd. Sofia wacht geen gemakkelijk leven en blijkt altijd op de vlucht: voor haar ouders, voor haar vrienden, voor haar geliefden maar bovenal voor zichzelf. Op haar zestiende doet ze een zelfmoordpoging en wordt ze opgenomen in een kliniek.

    Evenals in De acht bergen weet Cognetti het thema prachtig te beschrijven, met veel inlevingsvermogen. Je begrijpt de worsteling van Sofia met haar existentie, met haar ouders, – vooral haar moeilijke verhouding met haar depressieve moeder speelt haar parten -, met haar zoektocht naar geluk en de zin van het leven.

    Constructie

    Vanaf haar geboorte tot aan haar zevenentwintigste jaar lezen we over het leven van Sofia. Cognetti heeft daarbij gekozen voor een bijzondere constructie om het verhaal te vertellen, wat het voor de lezer niet altijd gemakkelijk maakt.
    Allereerst gebruikt hij verschillende invalshoeken. Hij schrijft vanuit haar eigen perspectief als ze nog jong is, vanuit het perspectief van haar ouders (gezamenlijk en apart) en nog door dat van een aantal anderen (o.a. minnaar, tante, studievriendinnen). In de tweede plaats kijkt hij in die verschillende perspectieven voor- en achteruit in de tijd. Daarmee brengt hij in feite een tweede laag in het verhaal aan, die de lezer wat in verwarring kan brengen. Niettemin blijft het boeiend om te lezen over Sofia’s pogingen om gelukkig te worden.

    Eigenlijk zijn de afzonderlijke hoofdstukken meer als scènes uit een film waartussen niet veel verband bestaat. Misschien zit de documentairemaker Cognetti de schrijver Cognetti in de weg. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
    Wanneer Sofia met haar vader een paar dagen op vakantie is, schrijft Cognetti: ‘Zittend op een rots bestudeerde Roberto Muratore, acht jaar en een paar maanden voor zijn dood, zijn dochter terwijl hij net deed of hij de krant las.’ Met die mededeling doet hij in het desbetreffende hoofdstuk niets en verder in het verhaal komt zijn overlijden ook niet voor.Zo zijn er andere voorbeelden te geven van de manier waarop Cognetti de chronologie van de vertelling onderbreekt door vooruit te lopen of terug te blikken op de gebeurtenissen.

    Waardering

    Bovenstaande kritiek laat onverlet dat Cognetti prachtig schrijft. Niet alleen heeft hij een mooie stijl, hij weet ook in elk hoofdstuk te boeien en met veel inlevingsvermogen het ‘donkere’ leven van Sofia – ze draagt niet voor niets altijd zwart – uit te beelden. Met veel emotionele zeggingskracht en psychologisch inzicht beschrijft Cognetti de worsteling van Sofia om gelukkig te worden.

     

  • Niemand is wie hij denkt te zijn

    Niemand is wie hij denkt te zijn

    Twintig jaar geleden debuteerde de Vlaamse schrijver Christophe Vekeman met Alle mussen zullen sterven. Sindsdien maakt hij deel uit van de literaire wereld. Met Cruise is hij aan zijn tiende roman toe en haalt hij alle registers boven van het groteske. Want dat is het geworden. Anders dan zijn twee vorige romans, Hotel Rozenstok (2015) en Mensen als ik (2018) heeft dit keer het autobiografische geen aandeel in zijn boek, maar voert hij veertien dolgedraaide figuren op die samen op een boot verzeild raken. Niet autobiografisch, maar misschien toch: Vekeman ontpopte zich op vele literaire podia tot een fantastische performer, en dat is wat hier precies gebeurt, maar dan op papier.

    Kalme chaos

    De veertien personages die het cruiseschip Calm Sea bevolken, hebben zich ingeschreven voor een bezinningscruise. Want dat is het nieuwe concept van kapitein Verdussen: een bezinningscruise zonder de overdaad aan entertainment, zonder overvloedige culinaire uitspattingen, maar vooral met rust. Het idee slaat echter niet aan en meer dan de helft van de kajuiten staat leeg. Toch wordt het wel een verhaal van overdaad, maar dan wel een aan de kant van de losbandige, over-the-top karakters die allemaal aan eenzelfde kwaal lijken te lijden: ze worstelen met hun ware aard of hun identiteit. Op deze cruise verkennen ze de grenzen van hun eigen bestaan en komen ze tot nieuwe inzichten. Zo is er onder meer een hamburgerverkoper die niet tegen de geur van uien kan, een detective-in-spe die telkens de bal misslaat, een homoseksuele psychiater die hetero is en een priester die alleen maar aan seks denkt. Gedurende de reis komt hun ware aard boven en transformeren ze in nieuwe persoonlijkheden die vaak slechter af zijn dan hun vorige ik. De auteur wil duidelijk maken dat  heel wat mensen op zekere ogenblikken in hun leven geconfronteerd worden met een of andere identiteitscrisis. Hoe men ermee omgaat kan zeer verschillen. Dat bewijzen de van de pot gerukte karakters en scènes in Cruise.

    Stilistisch en schokkend pareltje

    De manier waarop Vekeman dit gegeven brengt is hilarisch, losgeslagen, ongeremd, maar ook aangenaam om lezen. Ondanks de soms lange zinnen is het uiterst leesbaar en blijft het amusant. Neem de beschrijving van een figuur als Barteke Courtois, een notoir onderzoeksjournalist die tot het inzicht komt dat hij eigenlijk in hart en nieren een racist pur sang is. Vekeman houdt zich niet bezig met politieke correctheid. Hij gaat er zo over dat de lezer niet anders kan dan inzien dat het hier gaat om parodie, ironie en sarcasme. Naast scènes die de grenzen verkennen van racisme, seksueel misbruik en geweld besteedt Vekeman veel aandacht aan opvallende en beestachtige seksscènes waarbij hij grof taalgebruik niet schuwt. De lezer valt van de ene verbazing in de andere en vraagt zich vaak af in welke wondere wereld hij is beland. De bezinningscruise is een broedplaats voor aberrant gedrag waarbij alle remmen zijn losgeslagen. Soms waant de lezer zich in een scène uit een  film van Tarantino waarbij de overdrijvingen zo grotesk zijn dat je alleen maar kunt bulderen van het lachen en niets au sérieux neemt.

    Toch schuilt er meer achter de humor dan je zou denken. Impliciet bekritiseert Vekeman alles wat met bezinning en meditatie te maken heeft en zwaait hij de lof voor plezier en genot, twee vermaledijde gevoelens waarin het in deze tijd soms ontbreekt. Hij tast alle grenzen af en waakt erover dat de lezer meegaat in het afwijkende gedrag van de personages. Vekeman maakt vaak gebruik van de innerlijke monoloog waarbij de lezer een inzicht krijgt in het bizarre denkpatroon van het personage. De lezer kan zijn eigen conclusies trekken en de grenzen aftasten van het aanvaardbare.

    Maatschappijkritisch

    Het is niet makkelijk een antwoord te geven op de vraag waarover het boek nu eigenlijk gaat. Is het een aaneenschakeling van humoristische karakters en scènes of schuilt er meer achter? De lezer kan zich niet van de gedachte ontdoen dat Vekeman op zijn geheel eigen manier en in zijn geheel eigen stijl de draak wil steken met mensen die zich anders (lees: beter) voordoen dan ze eigenlijk zijn. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ De mens hoeft zich niet anders voor te doen dan hij is. Alleen gebruikt hij het perfecte medium van de satire om dat heel overdreven uit de doeken te doen, zonder zelf met het vingertje te wijzen. Iets wat hij verschillende van zijn personages ongetwijfeld verwijt. Hij doet er bovendien nog een schepje bovenop en toont dat er best gelachen en genoten mag worden in het leven. Vekeman bewijst eens te meer dat hij een literair buitenbeentje is, net zoals zijn generatiegenoot Dimitri Verhulst. Beiden hebben een eigengereide manier van schrijven, maar dat is ook hun handelsmerk. Beiden lijken ze de lezer te zeggen: take it or leave it.

     

  • Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Weinig dichters verraden zich  na een paar regels. Al heb je voor het raden van dichters als Armando, Kouwenaar of Faverey  niet veel nodig. Sinds de bundel Nog een grap uit 2014 heeft Nachoem Wijnberg (1961) zich ook in dit groepje geschaard, met de voor hem zo karakteristiek geworden vragende vorm. Niet dat hij er voorspelbaar op geworden is. Integendeel, juist in zijn latere bundels verkent Wijnberg iedere keer een nieuw onderwerp dat hij vragenderwijs analyseert. In zijn negentiende en nieuwste bundel Afscheidswedstrijd waagt de dichter zich op en rond het voetbalveld. Een aantal gedichten van deze P.C. Hooftprijslaureaat beleefde een voorpublicatie in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het leverde hem een blurb op van niemand minder dan Henk Spaan.

    Meer afscheid dan wedstrijd

    In Afscheidswedstrijd worden geen hijgerige odes geserveerd aan vedettes die met hun wonderschone en legendarische doelpunten een staat van onsterfelijkheid verwierven. Er worden geen sport-filosofische inzichten ontvouwd. Wat dat aangaat is het meer ‘afscheid’ dan ‘wedstrijd’. Een greep uit de motieven die wél worden aangesneden: wachten, oefenen, verliezen, of beter gezegd: niet willen winnen, verguisd worden, laatste worden, niet kunnen kiezen, niet gekozen worden. Wijnberg hanteert vaak de comparatief en superlatief en speelt zo tegenstellingen tegen elkaar uit: ‘Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk / zo weinig als alle anderen samen’. Er wordt veel in extremen gedacht, met bijpassende woorden als: eerste, laatste, niemand, geen, niet, meer, minder. Het wemelt daarbij van bijwoordelijke bijzinnen en uitweidende vergelijkingen.

    De zinnen springen van het ene onderwerp naar het andere. Wijnberg is een denkende dichter, die voortdurend schakelt tussen de probleemstellingen om vat op de materie te krijgen. En dat in een consequent volgehouden parlandostijl maakt dat dit alles leest alsof je iemand hardop hoort denken. ‘Je wilde / dat je pas over je hoort dat je een minder goede verliezer bent dan iemand dacht / wanneer je niets meer te verliezen hebt.’
    Alles in de je-vorm, alsof er geen ontkomen aan is. Maar wel met de dichterlijke pen in de aanslag, om de zin een wending te geven die de schoonheid van het denken dient: ‘jullie kregen net zoveel kansen als jullie tegenstanders / van die dag om te doen waardoor de wereld dichterbij gebracht was waarin jullie / één kans meer gehad hadden.’

    Melancholische ondertoon

    Er zijn veel variaties op het thema ‘voetballen voor verliezers’ want een sukkel is de je-persoon in kwestie zeker. In de meeste gedichten schuilt een schlemielige vorm van humor met een melancholische ondertoon, die niet zelden ontroert: ‘En als jullie zeggen, / wijs maar een van ons aan / laat ik dat liever doen door een geblinddoekt kind (ik zou eerst om een vrouw vragen, / dan om een blinde, dan om een kind van wie de ouders toestemming gaven dat het geblinddoekt werd)’. In een gedicht waarin zowaar sprake is van winst, wordt champagne geserveerd: ‘Champagne in een koeler / midden in de kleedkamer. Eén glas voor iedereen? De wisselspelers die niet dachten // dat ze nog in het veld zouden komen zijn al weg en de anderen douchen liever thuis. Willen ze niet meer / naakt gezien worden? Word je daar bedroefd over / om het ergens anders / niet over te zijn?’ Dat elders ook weer champagne opduikt schept een zekere samenhang tussen de gedichten, die verder niet gegroepeerd en zonder inhoudsopgave in deze bundel zijn ondergebracht.

    Als hoogleraar economie van beroep kent Nachoem Wijnberg de waarde van uitstel van behoeftebevrediging als geen ander. Als dichter keert hij het begrip binnenste buiten. ‘Het is er een die zegt, laat mij, / voor de verandering, één keer krijgen wat ik nog niet kan zeggen dat ik wil hebben.’
    Met een motief als schaarste kan hij ook goed uit de voeten, zoals bijvoorbeeld in Om te lezen:

    ‘De volgende keer geef ik je een boek mee en je kan het uitlezen
    voordat je het doorgeeft of zou je dan bang worden
    dat er op een dag geen boeken meer zijn die je nog kan lezen? Zoals
    wanneer je in een bibliotheek loopt

    en alle boeken die je ziet heb je al gelezen
    en je vraagt of er niet nóg een deel
    van de bibliotheek is
    voor wie ouder dan jij is.’

    Bedwelmende gedichten

    Een fijn netwerk van vragen spreidt zich uit over deze gedichten , die daarmee iets bedwelmends krijgen. Zeker wanneer men bedenkt dat de meeste gedichten paginavullend zijn en in vaste formaties van vier strofen, 105 pagina’s lang over het papier waaieren. De gedichten lijken ‘aus einem Guss’ opgeschreven, al verkondigde Wijnberg ooit dat zijn poëzie vele kladstadia kent. Het leest in ieder geval alsof het allemaal  makkelijk is geschreven. Hierin lijkt zijn poëzie op het echte voetbal, waarin wat eenvoudig oogt, het moeilijkst te spelen is. Het associatieve in deze gedichten zie je als het ware onder je ogen plaatsvinden, als in De opstelling:

    ‘Of je nog opgesteld wordt of niet
    (of je ongesteld wordt of niet, omdat je het oneerlijk vond dat alleen meisjes dat mochten zeggen,
    wat de gymleraar bozer maakte dan wat je verder zei om niet mee te hoeven doen)
    en als de trainer je zegt buiten het veld te gaan zitten

    is dat ook een deel van de opstelling, want zoals op de lagere school tegen je gezegd werd
    wanneer de rest van de klas ging zingen,
    het enige wat samen gedaan werd, een of twee keer per jaar, er moet ook iemand luisteren
    en jij bent vandaag de luisteraar (…)’

    Overdaad schaadt niet

    Wijnbergs stijl behoeft een zekere overdaad om tot bloei te komen. Deze gedichten hebben verhalende aanzetjes nodig om het ontregelende, het vervreemdende te kunnen schragen. Je kunt als lezer gegrepen worden door zinnen als ‘maar je speelt toch tegen de hemel aan de kant van de aarde?’ Of wrevelig vaststellen dat het nergens naartoe gaat. Maar in deze poëzie gaat het vooral om waar gedachten, als in een schijnbeweging, haast terloops in gedichten overgaan. Vragenderwijs denken als sparring partner van poëzie. Dwingt Wijnbergs manier van dichten zulke ontregelende vragen af? Of woelen deze vragen poëtische lagen bloot?
    Dat Wijnbergs poëzie voor moeilijk wordt versleten is eigenlijk een groter raadsel dan zijn poëzie zelf. Het is niet het soort dat lezers op het verkeerde been zet. In wezen vraagt ze de bereidheid om op een vraag niet met een antwoord, maar met een andere vraag genoegen te nemen.

    Zinnen die willen schitteren

    Dat deze gedichten niet langer dan een pagina zijn, is een beperking die zijn poëzie ten goede komt. In zijn zeer uitgedijde bundel Van groot belang uit 2015 overspeelde de wetenschapper Wijnberg hier en daar zijn dichterlijke hand met al te wijdlopige gedachtestromen, waaraan het belang van de poëzie ondergeschikt leek. Iets ouderwets Wijnbergiaans zit nog in enkele langere titels van gedichten als Het mooiste verlies waarover je weet of Als er iemand anders geweest was had je zijn beide benen kunnen breken. Verreweg de meeste gedichten hebben beduidend kortere titels en een meerderheid daarvan heet gewoon Afscheidswedstrijd. Heel treffend voor een bundel waarin ieder gedicht voor typerend door kan gaan.

    In ieder gedicht schuilen zinnen die willen schitteren. Sommige lukt dat beter dan andere. ‘Hoe maak je een afscheid / zo groot als een juweel dat je probeert in te slikken als het al te laat is om / weg te lopen?’ levert niet echt een schitterend beeld op. Maar daar staat een waarlijk juweeltje van een wandtegelwijsheid tegenover: ‘Wie zegt, je hebt maar één leven, // moet lang hebben zitten tellen.’ En daarmee maakt deze dichter op overtuigende wijze het winnende doelpunt!