Een Surinaamse roman, een reis door Iran, een kleine roman in beperkte oplage en een debuutroman.
Door Ingrid van der Graaf
De Nederlandse literatuur kent weinig schrijvers met een Surinaamse achtergrond die over Suriname en zijn bewoners schrijven, Astrid Roemer en Clark Accord daargelaten. De in Amsterdam geboren schrijver Tessa Leuwsha (1967), van Surinaams/Nederlandse afkomst, verhuisde in 1996 naar Suriname en publiceerde eerder al twee romans die zich daar afspelen. Ze is een gedreven schrijver van verhalen die autobiografische aspecten bezitten. Fansi’s stilte gaat over haar oma Fansi, die in 1971 nogal onverwacht naar Nederland kwam. Een vrouw uit de tropen die maar niet kon wennen aan het leven in Nederland en die in alle talen zweeg over haar achtergrond. Leuwsha is op zoek gegaan naar het verhaal van haar grootmoeder en haar ooms en tantes die deels in Paramaribo en Nederland wonen. Met Fansi’s stilte haalt zij haar grootmoeder, kind van een Engelse zendelingsdochter en een zwarte man dichterbij waarmee ze tegelijkertijd een indrukwekkend tijdsbeeld van Suriname weergeeft. Uitgegeven bij Atlas/Contact, 224 blz. € 19,99.


Krijn Peter Hesselink (1976) was vertaler (o.a. Breyten Breytenbach) en debuteerde in 2008 met de dichtbundel Als geen ander, waarna nog drie bundels volgden. In zijn debuutroman Moederziel weet hij met ingetogen stijl de gevolgen van een gemankeerde jeugd invoelbaar te maken waarbij hij behendig switcht tussen heden en verleden, waan en werkelijkheid. Jonathan, de hoofdpersoon, zit op de brink van het Drentse dorp waar hij vakantie viert. Als daar een oudere dame aan komt schuifelen, is er iets in haar verschijning dat hem intrigeert. Plotseling ziet hij het: het is zijn verloren gewaande moeder. Een eeuwigheid geleden stond het ouderlijk huis ineens vol dozen en liet zij hem en zijn vader in de steek. Nu zal alles op zijn plaats vallen, als hij maar de moed kan opbrengen om haar aan te spreken en mee te nemen naar het huisje waar hij zijn vader en zijn vriendin die nacht heeft achtergelaten.
Het omslag van de oorspronkelijke uitgave van Naar huis, Pulang, is een stuk minder lieflijk dan die van de Nederlandse uitgave. De opgestoken vuist illustreert waar de roman over gaat, de gebeurtenissen in Indonesië in de bloedige jaren zestig van de vorige eeuw toen er jacht werd gemaakt op (vermeende) communisten en veel jonge Indonesiërs geen andere uitweg zagen dan te vluchten. Het is een dapper boek. De Indonesische overheid heeft altijd de officiële geschiedschrijving over deze tijd verdraaid en gekleurd. Generaties lang kreeg iedereen vervormd onderricht over dit onderwerp. Ook schrijfster Leila S. Chudori.

Bij uitgeverij Atlas Contact is verschenen Mijn gedichtenschrift van Benno Bernard. Het is een bloemlezing uit de internationale poëzie. Bernard heeft gedichten opgenomen die hem raakten, (deze vertaald) en van commentaar voorzien. Dit commentaar gaat over het gedicht, maar ook over de tijdgeest. Sarcastisch en melancholisch.


















Het nieuwe boek van Mike Boddé is er één voor de liefhebber. Het is voor Boddé zelf een reactie op zijn vorige boek Pil waarin hij schreef over de zwarte periode in zijn leven waarin hij depressief was. Zupheul, Febbo en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan heeft hij geschreven om zichzelf aan het lachen te maken. Of zoals hij het zelf schrijft: ‘Hij werd lijfsgewijs omvangrijk, huwde een rondborstige joopdraagster, plantte zich genoegzaamlijk voort, en tekende een kroniek op met betrekking tot zijn zwartgalligheid: Pil. Dit foliant ging vijftigduizend malen over de kooptoog.
