• Bruno Schulz en de kleur van de herinnering

    De Joods-Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) was een meester van de mythische herinnering. Zijn verhalen, zijn beschrijvingen, zijn impressies, gehoorzamen niet aan de natuurwetten. Hij verzet zich in de dunne verhalen roman De kaneelwinkels en andere werken tegen de rationaliteit van de moderne tijd met zijn verwetenschappelijking, technologisering en vooruitgangsgeloof. Locaties kunnen van plaats veranderen in het universum van Schulz, hij koppelt geuren aan kleuren, feeëriek licht aan de jeugd. Schulz’ proza is poëtisch tot in het extreme. Wie houdt van een strakke plot of van uitgebeende taal, zal niet vatbaar zijn voor de bekoring van Schulz’ beeldspraak. Zijn taal is taal uit een wereld die verdwenen is, een wereld die te lokaliseren is in Drohobycz, een Poolse provinciestad (nu gelegen in Oekraïne), maar vooral ook in het hoofd van de literator. De schrijver zelf noemde De kaneelwinkels een autobiografisch werk.  De lezer beleeft de stad van Schulz’ jeugd, ervaart zijn herinnering en vooral de vervorming van deze herinnering.

    ​‘Life imitates art’ schreef Oscar Wilde ooit. Zo ervoer men in de negentiende eeuw mistflarden pas werkelijk toen deze waren vastgelegd op de doeken van schilders, of toen ze in literatuur werden beschreven. Daarvoor werden ze als het ware niet waargenomen. Wie het verleden door de bril van Schulz beziet, ziet schoonheid die mogelijk meer in diens geest zat dan in de stad van zijn jeugd. Tijd en ruimte zijn in deze teksten ondergeschikt gemaakt aan wat literatuurwetenschapper Karin Dulaimi de ‘Schöpfungsordnung’ van Schulz noemt. In het oeuvre van Schulz domineert het fantastische, hij herschiep het verleden van de provinciestad van zijn jeugd net zolang totdat het voldeed aan zijn wensen.

    Symbolist en expressionist

    Schulz is weleens een symbolist genoemd, maar ook een expressionist, een magisch realist of een auteur horend bij de brede stroming van het modernisme in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het modernisme was een reactie op het moderne leven, de moderniteit. Modernisten hadden aandacht voor zaken als het onvolmaakte aspect van de moderniteit, voor de vervreemding ervan. De literator en politicus André Malraux stelt dat er in moderne kunstvormen sprake is van het scheppen van een alternatieve wereld door afwijzing van de werkelijkheid. Dit mechanisme is aanwezig in Schulz’ proza. De afwijzing zit hem in de vervorming, in het herscheppen van het verleden, van de kindertijd, als reactie op de onvrede over het leven in en om de volwassen schrijver, die onder meer kampte met eenzaamheid.

    ​Veel bewonderaars worden geroerd door wat Schulz zijn ‘spirituele genealogie’ en ook wel een ‘mythologisch delirium’ noemt. De aandacht voor Schulz in het proza van diverse auteurs, van John Updike tot Jonathan Safran Foer en David Grossman is niet onopgemerkt gebleven. Men mijmert erover wat Schulz nog meer had kunnen betekenen in de Europese literatuur als zijn leven anders was gelopen.
    In dit stuk wil ik twee aspecten van Schulz’ oeuvre die nog niet veel besproken zijn onderzoeken: zijn gebruik van kleuren om sfeer te scheppen en, daarmee verband houdend, de kwestie of zijn teksten over een jeugd, die in relatie staat tot de zijne, nostalgisch zijn, of dat men deze teksten anders moet typeren.

    Mythisch oerland met een historische laag

    De literatuurwetenschapper Krzystof Stala gaat (erg) beknopt in op het gebruik van kleuren door Schulz en scheert in zijn panoramische dissertatie over representatie in het oeuvre van Schulz langs het begrip nostalgie.
    Zoals opgemerkt zal een liefhebber van objectieve natuurwetenschappelijke duiding van het leven mogelijk problemen hebben met Schulz’ teksten. Wetten, grenzen en hiërarchieën worden volgens Dulaimi aan de laars gelapt.  Neem de volgende passage waarin het jonge hoofdpersonage door zijn ouders om een boodschap is gestuurd:

    ‘Nadat ik een paar stappen had gedaan, merkte ik dat ik zonder jas was. Ik wilde omkeren, maar even later leek dat onnodig tijdverlies, aangezien de nacht helemaal niet koud was, integendeel, zij was geaderd in stroompjes wonderlijke warmte, die ademtocht van een onechte lente. De sneeuw was samengetrokken in witte schapenwolkjes, in een onschuldig en lieflijk vlies dat naar viooltjes rook. In net zulke schapenwolkjes was de hemel opgelost, waarin de maan zich verdubbelde en verdrievoudigde en in die vermenigvuldigingen al haar fasen en standen toonde. De hemel legde die dag de constructie van zijn innerlijk bloot in vele, als het ware anatomische preparaten, die de spiralen en nerven van het licht, de doorsneden van de bleekgroene nachtmassa’s, het plasma van de ruimte, het weefsel van de nachtelijke dromerijen toonden.’

    Universele herinneringen

    Het gaat Schulz veel meer om een beschrijving van zijn kneedbare werkelijkheid dan om het uitdiepen van de persoonlijkheid van de personages, die als fantastische creaturen worden neergezet. Het zou gaan om antipsychologisch proza (Dulaimi 193) In die zin sluit zijn werk meer aan bij de mythische, archetypische wereld van tijdgenoot Carl Gustav Jung, dan bij die van Sigmund Freud. Schulz schrijft: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat de wortels van de individuele geest, indien ver genoeg achtervolgd, uiteindelijk in een soort mythisch oerland verdwijnen. Dat is de laatste bodem en verder kan men onmogelijk komen.’

    Het verschil met de archetypische oerbeelden van Jung, die zonder culturele beïnvloeding zouden worden overgeërfd, is dat het mythisch oerland van Schulz wel een soort historische laag van het persoonlijk ervarene kent. Het oerland van Schulz is strikt individueel, alleen hij had het zo kunnen beschrijven als hij deed, terwijl  er bij Jung sprake is van universele herinneringen van heel de mensheid, die in zekere zin tijdloos en ahistorisch zijn. Volgens Dulaimi wordt iemand pas werkelijk mens in het oeuvre van Schulz als de ‘Seinsituation’ van de werkelijkheid wordt overschreden. (62) Met zijn kunst vormt Schulz de natuur tot schoonheid, dwingt hij zijn woorden tot symboliek. Toch zijn er ook auteurs die zelfs de strikt persoonlijke mythologie van Schulz als iets universeels zien. De Russische filosoof Nicolas Berdyaev meende dat iedere mens een microkosmos is, waarin een schat van mythisch materiaal verborgen gaat. In iedere mens is als het ware een ahistorische ‘geschiedenis’ van heel de mensheid terug te vinden, als men er maar diep genoeg naar zou graven. Het werk van Schulz wijkt van dergelijke universele mythevormen af omdat hij het verbindt met een Heimat die daadwerkelijk op de kaart is terug te vinden: een ingeslapen provinciestad.

    Reservoir van indrukken

    ​Schulz beschrijft een wereld die verdwenen is en die hij niet zozeer tot leven wil wekken, als wel aanpassen aan zijn behoeften tijdens het schrijven. Zijn jeugd is voor hem het reservoir van indrukken, die hij als volwassene steeds opnieuw vormgeeft:

    ‘Ik weet niet hoe we in onze jeugd tot bepaalde beelden komen die voor ons van beslissende betekenis zijn. Ze spelen de rol van die draden in een oplossing waaromheen voor ons de betekenis van de wereld kristalliseert’ Hij schrijft verder: ‘Zulke beelden vormen een programma, ze leveren ons het kapitaal van de geest, dat heel vroeg in de vorm van intuïties en halfbewuste gewaarwordingen wordt gegeven. Mijns inziens zijn we de rest van ons leven bezig die inzichten te interpreteren, ze in de gehele inhoud die we verwerven te ontrafelen, ze in ons intellect te verwerken, in alles wat we kunnen omvatten. Die vroege beelden geven de grenzen van de creativiteit van de kunstenaar aan.’

    ​Wie het werk van Schulz leest, waarin elke zin een kunstwerk op zich is, waant zich een archeoloog van de geest, die betekenislaag na betekenislaag opdiept, de verborgen oerbetekenis, de essentie van woorden en beelden. Werelden worden woorden en woorden worden werelden (Stala 81). Dit doet je vergeten dat het beschrevene ook een relatie heeft met de geografie van de werkelijkheid.

    Galicië en Kakanië 

    De landstreek Galicië (niet te verwarren met de Spaanse regio), waarin Drohobycz ligt maakte gedurende de jeugd van Schulz deel uit van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Dit was geen eenvormige natie maar een samenraapsel van vele volkeren die met wisselend succes bestuurd werden. Het rijk werd door Robert Musil in zijn Der Mann ohne Eigenschaften ‘Kakanië’ genoemd. Er was sprake van een kakofonie van talen, religies en gemeenschappen.

    ​Galicië, dus deel van ‘Kakanië’ is een land van wonder en betovering in het proza van Schulz, het is een imaginair land, veel eerder dan dat de historische realiteit wordt getoond.  De beschrijving van de Galicische nacht en rijke vegetatie zouden voor een regionale sfeer zorgen (Budurowycz), maar het is toch vooral de kleuring door de geest van Schulz die het landschap bijzonder maakt.

    Een anoniem en tragisch leven

    Schulz’ psyche werd gevormd en steeds opnieuw hervormd door zijn band met deze Heimat. Het was de stad van zijn jeugd die de grondstof van zijn neiging tot vertekende herinnering leverde.
    Schulz was naast schrijver ook beeldend kunstenaar. Hij was een vereenzaamde tekendocent aan een plaatselijk gymnasium en begaf zich niet veel in literaire contreien, maar kreeg wel erkenning van zijn vakgenoten. Schulz was zijn leven als Jood niet zeker toen de nazi’s zijn geboorteplaats bezetten. Hij werd uiteindelijk vermoord door een SS’er.

    ​Het werk van Schulz maakt duidelijk dat een gevoel van persoonlijke onvolkomenheid en eenzaamheid kan worden gekanaliseerd tot schoonheid. Freud zou het over sublimatie hebben.
    Schulz’ magnum opus, dat bijna voltooid was, heeft, net als hij zelf, de oorlog niet overleefd. Als er meer van Schulz’ werk bewaard was gebleven en hij ook langer had kunnen scheppen, had hij mogelijk behoord tot de allergrootsten van de Europese literatuur. Dit gegeven, gevoegd bij zijn niet vervulbare seksuele wensen en fantasieën maken van hem een tragische figuur.

    ​Dulaimi ziet diverse tegenstellingen die naar voren komen in de psyche van Schulz. Ze spreekt van de begrippenparen: eenheid-veelheid, ik-wereld en tijdelijkheid-ruimtelijkheid. De grenzen ertussen worden in het proza van Schulz steeds overschreden. De werkelijkheid neemt volgens haar in Schulz’ werk slechts schijnvormen aan, als scherts of spel. Of als aanpassing van het individu aan de werkelijkheid (80). En omgekeerd: een aanpassing van de werkelijkheid aan het individu. Stala onderscheidt nog andere tegenstellingen, te weten ‘subject-object, truth-fiction, imitation-creation, repeatability-unchangeability, matter-form, matter-idea’ (9). Hier is vooral het verschil tussen materie en vorm en idee interessant: de geest van Schulz betovert objecten en de natuur tot meer dan ze zijn.

    De rol van de vader

    ‘Wanneer vader in grote ornithologische compendia las en de kleurige tabellen ombladerde, leek het of die gevederde fantasmata daaruit opvlogen om de kamer met hun fleurige fladderen te vullen, met vlokken purper, flarden saffier, groenspaan en zilver. Onder het voeren vormden ze op de vloer een kleurig en golvend bloembed, een levend tapijt dat uiteenviel als iemand onvoorzichtig binnenkwam, dan uiteenvloog in bewegende bloemen, klapwiekend in de lucht, om vervolgens in de hoogste regionen van de kamer een plekje te vinden’, zo lezen we in De kaneelwinkels. Het boek leest, onder meer, als een lofzang op de fantasie van de vader die de saaiheid van het leven in een Poolse provinciestad net zolang verkleurde voor het hoofdpersonage en zijn familie tot er wonderlijke schoonheid ontstond. In de beschrijving van Schulz is sprake van mythische herinneringen aan een verleden dat nooit werkelijkheid is geweest, maar dat een betoverend effect heeft op de lezer. De vader is of wordt vogel, schorpioen en  magiër. De fixatie op de vaderfiguur toont mogelijk dat de hoofdfiguur zich niet heeft los kunnen maken van diens invloed en in zekere zin in zijn jeugd is blijven hangen. Er is ook een soort vermenging van de psyche van de hoofdfiguur (die in verband staat met Schulz als kind) en de vader.

    ​Schulz wordt weleens vergeleken met Kafka, niet alleen omdat transformatie een rol speelt in het werk van beiden, maar ook om de betekenis die wordt toegekend aan de vaderfiguur. Het verschil tussen de twee zit hem in het deels ophemelende karakter van Schulz’ werk, als hij de jeugd uitvergroot en wonderlijk maakt. Kafka zal niet snel met nostalgie in verband worden gebracht.

    Schildering in woorden

    De dichter W.B. Yeats heeft ooit een verband gelegd tussen vorm en kleur en emoties: ‘Because an emotion does not exist, or does not become perceptible and active among us, till it has found its expression, in colour or in sound or in form, or in all of these, and because no two modulations or arrangements of these evoke the same emotion, poets and painters and musicians, and in a less degree, because their effects are momentary, day and night and cloud and shadow, are continually making and un-making mankind.’  Dit proces van herscheppen en emotionaliseren zien we ook in het oeuvre van Schulz, die veelal kleurwoorden gebruikt om een sfeer te creëren van bonte schoonheid. Hij beschrijft bijvoorbeeld een tuin uit het domein van de jeugd als volgt:

    ‘Daar was een grote verwilderde, oude tuin. Hoge perenbomen, wijd vertakte appelbomen stonden hier en daar in imposante groepen, gehuld in zilveren geritsel, in een schuimend net van witte schitteringen. Het gras, welig, wanordelijk en ongemaaid, bedekte het golvende terrein met een donzige mantel. Er groeiden gewone weidegrassen met vederpluimpjes als aren, de fijne filigreinen  van wilde peterselie en wortel, ruwe gerimpelde blaadjes van hondsdraf en dovenetels ruikend naar munt, taaie, glanzende weegbree met spikkels roest en oprijzend in trossen van dikke rode grutten. En dit alles, vervlochten en donzig, was doordrenkt van een milde lucht, gevoerd met blauwe wind en verzadigd van hemel. ‘

    Schulz spreekt van ‘zilveren geritsel’, ‘witte schitteringen’, ‘dikke rode grutten’ en ‘blauwe wind.’ (59) De kleurenwereld van Schulz moet men in kleine dosissen tot zich nemen. Wie er teveel van achterelkaar leest, wordt meegevoerd in een werveling van gevoelstinten die imponeren, maar door zijn bontheid te overdadig kan werken. Misschien komt een dergelijke leeservaring voort uit een cultuur van dedain voor kleur. Volgens de kunsthistoricus John Gage was in westerse samenlevingen een veelheid aan kleur een teken van weinig raffinement; zwartwit fotografie wordt nog altijd als meer kunstzinnig gezien dan kleurenfotografie.

    Pigmentbeeld en kleurwoord

    Dat neemt niet weg dat veel schrijvers bewust met kleur spelen. Zo wilde Gustave Flaubert de kleur paars uitwerken in Salammbo en grijs in Madame Bovary. De plot was daaraan ondergeschikt. Het ging hem om het oproepen van beelden en sfeer in de hoofden van de lezers. ‘The image is the poet’s pigment’ schreef Ezra Pound ooit. En wanneer het pigmentbeeld wordt verbonden met een kleurwoord is er sprake van dubbele kleuring. Er is dan in zekere zin sprake van het plaatsen van een hyperbolisch uitroepteken bij de gekozen beelden, wat sobere stilisten als een ‘te veel’ zullen typeren. Als men de volgende passage leest, raakt men zowel doordrongen van de kracht en pracht van het proza van Schulz, als van de tekortkomingen, doordat hij geen maat lijkt te kunnen houden in zijn kleurimpressies:

    ‘Door de diepblauwe bekleding met het gouden patroon was het donker en fluweelachtig in de kamer, maar in het koper van de lijsten van de schilderijen, de deurklinken en gouden sierranden trilde ook hier nog een echo van de vurige dag, hoewel gefilterd door het dichte groen in de tuin.’

     

    Recensent Reinjan Mulder brengt de sfeer van het werk van Schulz in verband met de schilderijen van de Joodse voormalige shtel-schilders Caïm Soutine en Marc Chagall. Met name de kleurige vervormde landschappen van Soutine roepen inderdaad een sfeer op die vergelijkbaar is met die van Schulz’ bonte beschrijvingen waarin de werkelijkheid tot iets anders wordt gemaakt dan ze was, waarin vooral gevoel en sfeer belangrijk zijn en waarin alles vertekend is, niet uit onvermogen, maar omdat deze vertekening voor de schepper zowel essentieel als persoonlijk is. Ook in het werk van Chagall gaat het duidelijk niet om naturalisme, denk aan het niet-perspectivische karakter ervan, maar wel om nostalgie naar een verloren Joodse cultuur. Anders dan Soutine en Chagall liet Schulz zijn roots niet achter zich; hij begaf zich niet veel buiten zijn geboortestad en stond enigszins los van de Poolse en literaire traditie, al correspondeerde hij wel met diverse schrijvers, onder wie Thomas Mann. Waar Soutine en Chagall nostalgisch waren naar hun geboorteland na emigratie (het ging dan mede om een afstand in plaats), blikt Schulz, die niet veel reisde, terug op het andersoortige verleden (een afstand in tijd).


    Nostalgie een veelvormig verschijnsel

    ​Ik wil de omgang met grenzen, belangrijk in het werk van Schulz, in verband brengen met nostalgie. De behoefte aan begrenzing kennen veel nostalgische mensen, zij willen hun ervaringswereld beperkt houden, omdat de wereld in zijn totaliteit hen teveel prikkels toezendt. In het werk van Schulz worden grenzen overschreden, er is sprake van een bewuste transformatie van het verleden en van de mensen die dit verleden bevolkten. In die zin lijkt zijn oeuvre in eerste instantie niet nostalgisch. Ook het gegeven dat de geheugensporen in de geest van Schulz in diens artistieke verwerking ervan worden overgroeid met nieuwe betekenissen en fantasieën, zoals Stala laat zien (69), lijkt daarop te wijzen.

    ​Maar misschien is het schijn die bedriegt.  Nostalgie is een veelvormig verschijnsel met vele varianten en definities. Ik onderscheid vier, deels overlappende, nostalgische wijzen van het op je in laten werken en herwerken van het verleden: in sommige nostalgische omgang met ‘vroeger’ is ten eerste sprake van het reduceren tot de geïdealiseerde ‘essentie’door het schrappen van storende elementen. Ten tweede worden soms zaken toegevoegd om tot een vervolmaakte ‘verbeterde’ versie van ‘vroeger’ te komen. Een derde vorm is het vervormen of het maken van iets andersoortigs op basis van wat echt geweest is. Een vierde nostalgische manier om te ‘nostalgiseren’ is hercontextualiseren, waarin elementen uit het vroegere een nieuwe samenhang wordt gegeven (denk aan een museum). In het werk van Schulz is, mijns inziens, sprake van het derde type: het gaat bij hem om een extreme vervorming of vertekening van het verleden, in de vorm van hallucinaties, fantasieën, droombeelden, uitingen van quasirealiteit en poëtisering (Stala 98). Het is een strikt persoonlijk ‘vroeger’ waarover Schulz niet had kunnen schrijven als hij er geen herinneringen aan zou hebben. Het gaat om individuele nostalgie, die meer over de psyche van Schulz zegt dan over het leven van de Joden in de Shetl.

    Het verleden inkleuren

    Bij Schulz is volgens Dulaimi het liquideren van een gebrek in het heden door middel van vervormende herinnering belangrijk, iets wat ze ‘Gegenwartsverdrängung’ door  transformatie van het verleden noemt. Deze zou anders functioneren dan bij Proust die vooral tot herinterpretatie zou komen. Bij Schulz had zijn poëtische proza een functie in het omgaan met eenzaamheid, verveling en het alledaagse.

    Het als onvolkomen ervaren van het eigen heden is een van de factoren die tot nostalgie kan leiden. Deze onvolkomenheid kan teruggaan op veranderingen in de leefomgeving, waar in Drohobycz sprake van was, maar er kan ook sprake zijn van onvolkomenheden in het karakter van een nostalgicus met een neiging tot regressie. Schulz transformeert en voegt kleur toe aan het verleden, eerder dan dat hij het terug wil brengen tot zijn essentie. Ook dat is nostalgie. Schulz is een schepper die de werkelijkheid van het verleden in het heden aanpast aan zijn eigen noden. In artistiek opzicht is zijn visie op zijn Heimat belangwekkender dan de verleden werkelijkheid van de Poolse stad zelf. In alle literatuur is sprake van vertekening, maar voor Schulz’ proza geldt dit in extreme mate.

    Kleurenrijkheid

    In het werk van Schulz is het visuele heel belangrijk, hij was niet voor niets ook beeldend kunstenaar. In stijlhandboeken heeft men het bij het beschrijven van auteurs als Schulz wel over ‘word painting’ of men spreekt van (met een meer negatieve lading): ‘bloemrijk taalgebruik.’ Deze kleurenrijkheid, zowel letterlijk als figuurlijk, staat, naast het mythische aspect, centraal bij mijn typering van het oeuvre van Schulz. In heel het verzameld werk in de rijke vertaling van Gerard Rasch, wordt naar mijn smaak een interessante koppeling gemaakt tussen mythologie en nostalgie, tussen collectieve, universele en individuele herinnering. Er is mij geen andere auteur bekend die precies die koppeling zo overtuigend maakt als Schulz.

    ​Zintuiglijkheid en vertekening, het compenseren van een onvolkomen heden en het putten uit esthetiserende jeugdherinneringen, maken zijn teksten nostalgisch. Maar Schulz heeft zijn werk ook een fantastische lading meegegeven, die op het eerste gezicht niet nostalgisch is. Toch spreekt ook uit dit kleuren van het verleden, een verlangen naar de wereld van het kind, het kind dat nog irrationeel mocht zijn. Het stilistisch arsenaal van de volwassen Schulz is natuurlijk veel rijker dan dat van een kind. Zo ontstaat een complexe mengvorm van herinnering en verbeelding, van persoonlijke geschiedenis en persoonlijke mythologie, van regressie en schoonheid.

     

    Olivier Rieter promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij is nu onder meer bezig met het schrijven van een essaybundel over de relatie tussen literatuur en nostalgie. Dit essay is daar onderdeel van.

     

     

     


    Gebruikte literatuur

    69. Adams, ‘Intertextuality and the trace of the other: specters of Bruno Schulz’, in Symbolism 12/13, 49-69.
    70. Budurowycz,  ‘Galicia in the Work of Bruno Schulz’
    71.  Van Campen, Gekleurd verleden. Verhalen over het geheugen van de zintuigen(Utrecht 2012)
    72.  Van Deel, ‘Eeuwig op zoek naar het mytisch oerland’, www.trouw.nl
    73.  Dulaimi, Der Mythosbegriff im Werk von Bruno Schulz(München 1975)
    74.  Ellmann en Ch. Feidelson jr, The modern tradition. Backgrounds of modern literature(New York 1965)
    75.  Gage, Colour and meaning. Art, science and symbolism(1999)
    76   Lukas, ‘Mythos, Archetyp und Translation. Die Prosa von Bruno Schulz im Kontext der Ideen von Thomas Mann und Carl Gustav Jung,’
    77.   Mulder, ‘Het ijzeren kapitaal van de geest; De zelfverloochenaar Bruno Schulz’ (nrc.nl/nieuws/1992)
    2.   Müller-Funk, P. Plener en C. Ruthner ‘Kakanieen revisited: das eigenen und das fremde (in) der Osterreichischen literatur,’
    3.   Schulz, Verzameld werk. Vertaald door Gerard Rasch (Amsterdam 1995, vierde druk 2006)
    4.   Stala, On the margins of reality. The paradoxes of representation in Bruno Schulz’s fiction (Edsbruk 1993)
    (wikipedia)

     

  • In memoriam György Konrád 1933 – 2019

    De Hongaars-Joods schrijver György Konrad is vrijdag 13 september op 86-jarige leeftijd in Boedapest overleden. Konrád werd gezien als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw en was een groot voorstander van individuele vrijheid, wat in het communistisch Hongarije van de vorige eeuw een onmogelijkheid was. Veel van Konráds boeken, waarin hij op enige wijze kritiek uitte op de staat waren tot 1988 verboden. Waarna hij ze ondergronds liet drukken en verspreiden.

    Joodse bourgeoisie

    De eerst elf jaren van zijn leven verbleef György Konrád in het stadje Berettyóújfalu in Oost-Hongarije. Zijn vader handelde in ijzer en zijn Roemeense moeder stamde af van Joodse bourgeoisie. Als kind ging hij naar de lokale Joodse school en voor een jaar naar de middelbare school, tot de Duitsers in 1944 ook Hongarije bezetten. Later studeerde hij literatuurwetenschappen, sociologie en psychologie aan de universiteit in Boedapest.

    Als jongen spijbelde Konrád van school, liet hij in een interview met Piet de Moor voor Knack weten, hij ging liever naar de bibliotheek. Een leraar die hem daar zag, vroeg waarom hij niet op school kwam. Hij keek naar het boek dat Konrád terugbracht en zei: ‘Dat prul is geen goede reden om te spijbelen.’ Konrád vroeg: ‘Welk boek is dan wel een goede reden om van school weg te blijven?’ Waarop de leraar de bibliotheek in ging en terugkwam met boeken van Dostojevski, Gogol, Tolstoj en Stendhal.

    De dood naderbij

    Over de dood was Konrád duidelijk, het leven was een langzame mars naar de dood. In datzelfde interview vertelde Konrád dat hoe ouder hij werd, de dood hem naderbij kwam. ‘Soms heb ik echt de indruk dat het volstaat. De belangrijkste ervaringen heb ik meegemaakt. Alles wordt herhaling. En toch, wat me achteraf nog het meest verbaast, is dat het leven zo kort is geweest.’

    In zijn boeken gebruikte Konrád belangrijke elementen uit zijn leven. In Nederland werd hij voor een breed publiek bekend door de interviewserie Nauwgezet en wanhopig uit 1989 onder regie van Wim Kayzer. Hij werd een van de meest vertaalde hedendaagse Hongaarse auteurs. Van de eenentwintig titels die er van hem in Hongarije verschenen, werden er zestien in het Nederlands vertaald, waaronder zijn debuut De bezoeker, (vertaling Hans Hom, 1974) Tuinfeest, (vertaling Henry Kammen, 1989), De Stedebouwer, Nalatenschap, vertaling Mari Alföldy (1999) en zijn laatste boek uit 2008 Slingerbeweging, (vertaling Mari Alföldy ,2011). Zijn werk werd uitgegeven door Van Gennep en later bij De Bezige Bij.
    De bezoeker en Tuinfeest werden in dertien talen vertaald.

    Anekdote

    In 1988 was interviewer Peter Olsthoorn voor Trouw in Hongarije voor een vraaggesprek met György Konrád. Eerst was hij naar Konráds geboortedorp geweest waar hij foto’s van zijn ouderlijke huis en de Joodse begraafplaats, het decor van Tuinfeest, had gemaakt. Toen hij Konrád in Boedapest thuis bezocht, kwam deze in pyama aan de deur, het kon niet doorgaan, zijn vrouw was jarig, dat was hij vergeten.
    Achtentwintig jaar later in 2016, was Konrád in Amsterdam en kreeg de interviewer opnieuw de kans hem te bevragen. Dat gesprek is hier terug te lezen.

     

    Bron: Knack

    Lees ook: Hongaarse auteur György Konrad overleden

     

  • Ted van Lieshout bekroond met zeldzaam toegekende literaire prijs

    Onvermeld bleef nog dat tijdens de Uitmarkt, vorige week zondag in Amsterdam, bekend werd gemaakt dat het boek Ze gaan er met je neus vandoor (Uitgeverij Leopold) van Ted van Lieshout (1955) bekroond is met de Boekensleutel. De Boekensleutel is een jeugdliteratuurprijs die sinds 1979 en bij hoge uitzondering toegekend wordt aan een bijzonder kinderboek. En een bijzonder boek is het want de boeken die in aanmerking komen, moeten niet te vatten zijn in een genre, door de gebruikte techniek, de vormgeving of anderszins en opmerkelijke kwaliteit bezitten.

    Dit jaar zat er één boek tussen alle gegadigden dat zich niet in een genre deed vangen en dat volgens de Griffel- en Penseeljury een boek is dat ‘qua techniek, vorm, inhoud én de combinatie hiervan een unieke plek in het Nederlandse kinderboekenlandschap opeist.’ In Ze gaan er met je neus vandoor wordt de lezer ‘meegenomen in het conflict tussen de zoekende zwarte letters en de rode letters die hun plaats opeisen in het boek en zich niet weg willen laten jagen.’ Daarbij worden de gedichten die erin staan ‘adembenemend mooi’ genoemd. Ze ‘versterken de zinloosheid van de oorlog en geven het vormexperiment een historische lading’. Kortom een ‘kunstwerk van taal’.

     

    Tot nu toe is de Boekensleutel pas acht keer toegekend. De laatste keer was in 2012, voor het boek Het Dierelirium van professor Revillod (Uitgeverij De Harmonie) van de Spaanse makers Javier Sáez Castán en Miguel Murugarren, in een bewerking en vertaling van Professor E.I. Kipping (alias Kees van Kooten).

    Dat Ted van Lieshout dit jaar de prijs krijgt uitgereikt, is de tweede keer dat een Nederlandstalige auteur hiervoor in aanmerking komt. In 1981 werd Ik heb geen naam (Uitgeverij Leopold)  van Dagmar Hilarová en Miep Diekmann bekroond. Wat het winnen van deze prijs zeer bijzonder maakt. Van harte Ted van Lieshout!

     

  • Met de neus in de poëzie bij Dichters in de Prinsentuin

    Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.

    Face to Face

    Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.

     

     

    Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
    De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.

     

     

     

    Gevleugelde woorden

    Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
    ‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
    ‘moeders zijn de ware alchemisten’
    ‘kijk ik heb een typemachien’
    ‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
    ‘ik vond in veren en botten warmte’
    ‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
    ‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
    ‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
    ‘de allermooiste reden’
    ‘naar het land van zeil en tegels’
    ‘kleuren vluchten uit bloemen’
    ‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
    ‘herinneringen moesten worden opgelaten’
    ‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
    ‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’

     

    Enkel de dichter

    Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.

     

     

    Noodzakelijkheid van poëzie

    Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.

     

    Foto’s © GrootWassink
    (Gershwin Bonevacia, Babs Gons, de loofgangen, Astrid Lampe, Paul Demets)

    Kijk op Dichters in de Prinsentuin als je wilt weten wie de dichters waren die dit jaar hebben meegedaan.

     

  • Voor het eerst in vierentwintig jaar twee winnaars ANV Debutantenprijs

    Tachtig debuten werden er ingestuurd voor de ANV Debutantenprijs.  Daaruit stelde een vakjury een shortlist van drie titels samen voor de lezersjury. Van deze drie genomineerden won Mirthe van Doornik met Moeders van anderen (Prometheus) de publieksprijs en Marieke Lucas Rijneveld met De avond is ongemak (Atlas Contact) de vakjuryprijs. Beiden wonnen een bedrag van 3000 euro.

    Dit alles gebeurde tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Dordrechts museum waar de drie genomineerde schrijfsters werden geïnterviewd door journaliste bij de Standaard, Jelle Van Riet. Naast deze twee winnaars was Persis Bekkering met Heldenleven (Prometheus) de derde genomineerde, zij ontving (een normbedrag voor alle genomineerden) een bedrag van 1000 euro.

    Beide winnaars spraken hun vreugde uit over het winnen van de prijs op social media.
    Van Doornik plaatste de kreet: ‘Twee winnaars dit jaar van de ANV Debutantenprijs!! Een van de mooiste dagen van mijn leven (en ook een van de langste en vreemdste).’
    Rijneveld tweette: ‘Zo trots als een koe met zeven uiers: met De avond is ongemak de ANV Debutantenprijs 2019 gewonnen!!’

    Rijneveld overtuigde de vakjury met haar ‘indringende beschrijving van de gruwelijkheden die volgden op het overlijden van Matthies.’ De lezersjury werd ingepakt door Van Doorniks ‘vlot geschreven verhaal, waarin de schrijfster met een zekere luchtigheid toch zware thema’s durft aan te pakken.’
    Heldenleven van Persis Bekkering werd door veel lezers, vooral door muziekliefhebbers, zeer gewaardeerd, maar kreeg net iets te weinig stemmen. Alle drie de boeken werden omschreven als ‘fantastische’ boeken.

    De literaire onderscheiding, ook wel bekend als de Dordtse Boekenprijs, is bedoeld voor schrijvers die het afgelopen jaar hun eerste boek uitbrachten. Eerdere winnaars waren onder andere Peter Buwalda, Anna Enquist en Jessica Durlacher.
    De vakjury bestond uit Jelle van Riet, Mirjam Piters, Kees Snoek en Arjan Peters en Erica van Buuren als voorzitter. De organisatie van de ANV Debutantenprijs was in handen van DordtLiterair en wordt gesponsord door het Algemeen Nederlands Verbond en de gemeente Dordrecht.

     

  • Winnares overtuigt met goed gecomponeerde tekst

    Francis Nagy (1995) won eerder dit jaar de voorronde van Write Now! in Nijmegen. Van de vijftien landelijke finalisten werd Nagy de uiteindelijke winnaar van de twintigste editie van Write Now! Het winnende verhaal, Vruchtval schreef ze, zoals alle finalisten in de weken voorafgaande aan de finale die op 30 juni jongstleden plaatsvond in Rotterdam.

    In het winnende verhaal is er een verteller die de gedachtegang van fruitvliegjes volgt, hoe ze ongeduldig wachten om de keuken te overvallen: ‘Strategieën doorsprekend over wie wat bestormt. Prullenbak, koelkast, de la met crackers en ontbijtgranen, gootsteen en uiteindelijk de woonkamer.’ Eigenlijk volgt de verteller het spoor van Aurélie door hun gezamenlijke huis. Aan de kom waaruit ze yoghurt at, kan hij zien hoelang geleden het is dat ze ontbeten heeft. Soms ontbijt ze om half vier, dat kan hij zien. Er is iets gebeurt in het leven van de verteller en Aurélie waardoor hij haar observeert op een manier die benauwend werkt. Het gaat in Vruchtval, het verhaal waar Francis Nagy de twintigste editie van Write Now! mee gewonnen heeft, om vergankelijkheid en verlies. Op een manier beschreven die misleidend is, afstandelijkheid wordt getoond aan de hand van de stand van fruitvliegjes: ‘Soms wanneer Aurélie de keuken in loopt, kijk ik of de vliegjes naar haar toegaan. Fruitvliegen ruiken rottend fruit nog, voordat wij dat kunnen. Al zouden het er drie of vier zijn, ik wil ze om haar heen zien zwermen.’

    Er is een verlies te betreuren dat twee mensen – geliefden – uit elkaar drijft. In zintuiglijk proza beschrijft Nagy hoe de een het gedrag van de ander analyseert. Hoe er betekenis gegeven wordt aan het planten van een perenboom, en het eten van de vruchten, (jaren later) tot iets lugubers maakt. De peren, waarover de buurvrouw vraagt: “Doen jullie iets met de peren?’Een verhaal over grote literaire thema’s: de liefde en de dood. Een verhaal dat je direct pakt en meerdere betekenissen laat zien.

    Francis Nagy wint een MacBook, een schrijfopleiding bij de Schrijversacademie of Creatief Schrijven, optredens op Geen Daden Maar Woorden Festival en Tilt, en publicaties in VakTaal en op Hebban.

    De tweede prijs ging naar Aragorn Furhmann, hij won een iPad, en de derde prijs, een boekenpakket ging naar Lennert De Vroey. Beiden krijgen ook een coachingsgesprek met redacteur Bertram Mourits en mogen een workshop of schrijfdag volgen bij de Schrijversacademie of Creatief Schrijven.

    Write Now! bracht al vele schrijvers voort, zoals Lize Spit, Jonathan Griffioen, Roman Helinski, Marijn Sikken, Maartje Wortel en Raoul de Jong om er maar een paar te noemen.

    Lees hier het hele verhaal van Francis Nagy.

     

    Foto: Vera Cornel
    (V.l.n.r. Aragorn Fuhrmann (tweede prijs), Francis Nagy (eerste prijs) en Lennert De Vroey (derde prijs).)

     

  • Feestelijke afsluiting Poetry International met vier laureaten

    De uitreiking van de eerste Grote Poëzieprijs (voorheen VSB Poëzieprijs) vond zondagavond plaats tijdens het slotprogramma ‘Prijs de poëzie!’ van Poetry International. Tijdens dit slotprogramma werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt. Naast de Grote Poëzieprijs werd de C. Buddingh’-prijs, de School der Poëzie-Communityprijs en de Jongerenprijs van diezelfde school uitgereikt.

    Dichteres Radna Fabias (1983), die met haar debuutbundel Habitus al drie prijzen heeft gewonnen – waaronder vorig jaar de C. Buddingh’-prijs – won de Grote Poëzieprijs 2019. Waarmee haar bundel de meest bekroonde dichtbundel in de Nederlandse poëziegeschiedenis geworden is. De Grote Poëzieprijs is in Nederland de grootste onderscheiding voor de beste dichtbundel van het jaar.

    Volgens de jury dicht Radna Fabias ‘vitaal, ritmisch en klankrijk’ over de afkomst en status van een Antilliaanse zwarte migrant in Nederland. En is er sprake van ‘sterk aardse en lichamelijke poëzie’ ook maakt Fabias ‘het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk’. Fabias is de derde dichter op rij die met een debuutbundel de prijs wint. In 2017 won Hannah van Binsbergen met Kwaad gesternte en vorig jaar was het Joost Baars met zijn debuut Binnenplaats die de eer te beurt viel.

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2019 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Adriaan van Dis, Cindy Kerseborn en Maud Vanhauwaert. Andere genomineerden voor de Grote Poëzieprijs waren Maria Barnas  met Nachtboot, Joost Decorte met Stalker, Roelof ten Napel  met Het woedeboek, Willem Jan Otten  met Genadeklap en Xavier Roelens  met Onze kinderjaren.
    Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.

    C. Buddingh’-prijs

    De prijs voor het beste debuur van het jaar, de C. Buddingh’-prijs, werd gewonnen door Roberta Petzoldt met haar bundel Vruchtwatervuurlinie. De jury sprak over ‘weergaloze gedichten en tijdloze regels’. En ook: ‘We kijken mee met een turende, glurende, loerende dichter, die naar eigen zeggen door het staren ontstaat, en die niet alleen haar eigen blik maar ook onze blik op scherp zet. (…) Als een omgekeerde beeldenstormer verbindt Roberta Petzoldt in Vruchtwatervuurlinie scheermesscherpe observaties, gebeurtenissen, personen, tijden, gedachten en thema’s op ingenieuze wijze met elkaar in een wereld vol absurde beelden die toch kloppen (…)’

    De jury van de C. Buddingh’-prijs bestond uit Els Moors, Tsead Bruinja en Kila van der Starre. Overige genomineerden waren Obelisque van Obe Alkema, Dwaallichten van Gerda Blees en Het woedeboek van Roelof ten Napel. Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden.

    School der Poëzie-Communityprijs en Jongerenprijs

    De ‘School der Poëzie-Communityprijs ‘ ging naar Ted van Lieshout voor Ze gaan er met je neus vandoor. Roelof ten Napel kreeg de Jongerenprijs voor Het woedeboek dat ook genomineerd was voor De Grote Poëzieprijs én de C. Buddingh’-prijs.  De jury bestond uit drie commissies van jongeren tussen de 14 en 25 jaar van de School der Poëzie.

     

  • Man Booker International Prize voor Omaanse schrijfster Jokha Alharthi

    De Omaanse auteur Jokha Alharthi heeft met Celestial Bodies, vertaald door Marilyn Booth, de Man Booker International Prize gewonnen. Daarmee gaat voor het eerst de prijs naar een boek dat uit het Arabisch naar het Engels vertaald is. Alharthi gaf na de prijsuitreiking te kennen het geweldig te vinden dat met deze erkenning ‘een deur wordt geopend naar de rijke Arabische cultuur’. Jurylid Bettany Hughes sprak tijdens de plechtigheid in Londen van: ‘Een boek dat zowel het hoofd als het hart verovert’.

    Celestial Bodies gaat over drie zussen die getuigen over de langzame evolutie van de Omaanse samenleving na het koloniale tijdperk en waarin slavernij een rol speelt, welke in Oman in 1970 werd afgeschaft.
    Vertaalster Booth zei in een interview, nadat bekend was dat Celestial Bodies op de longlist was geplaatst, dat ze verheugd was dat de Omaanse literatuur door deze nominatie onder de aandacht kwam van een breder publiek.Waar ze aan toevoegde dat Arabische fictie geneigd werd te zien als: ‘a road map to the Arab world rather than first and foremost as art, as imaginative writing, pushing the boundaries of what can be thought and said’.

    De overige vijf genomineerden waren: The Years van Annie Ernaux, The Pine Islands van Marion Poschmann, Drive Your Plow Over The Bones Of The Dead van Olga Tokarczuk, The Shape Of The Ruins van Juan Gabriel Vásquez en The Remainder van Alia Trabucco Zerán.
    De Dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa stond op de longlist van dertien genomineerde boeken, maar haalde de top zes niet.

    De prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan de schrijver van een boek dat vertaald is in het Engels. Het is de enige literaire prijs waarbij schrijver en vertaler gelijkelijk worden beloond. Dit jaar krijgt ieder de helft van het prijzengeld van 50.000 Britse pond (58.000 euro).

     Afbeelding: L. Jokha Alharthi; R. Marilyn Booth

     

  • Carolina Trujillo wint Jan Hanlo Essayprijs 2019

    In 2014 verscheen het eerste verhaal van schrijfster en columnist Carolina Trujillo (geb. Uruguay) in het literair voetbaltijdschrift Hard gras. Er volgden nog zes verhalen waarin ze de rol van sport beschrijft tijdens haar integratie in Nederland. Deze  werden gebundeld in Meisjes in blessuretijd (2017, Ambo|Anthos) en won deze week de grote Jan Hanlo Essayprijs (7000 euro).

    De Jan Hanlo Essayprijs bestaat uit een kleine- en een grote prijs. De kleine essayprijs ging naar Tom Springveld (1500 euro) voor een nog niet eerder gepubliceerd essay met dit jaar het thema ‘Ieder is zijn eigen broer’. Hij won met zijn essay De ongewone zoon, dat binnenkort in de Groene Amsterdammer zal verschijnen.

     

    In Meisjes in blessuretijd vertelt Trujillo, die op vijfjarige leeftijd met haar moeder en zusje vanuit Uruguay naar Nederland kwam, haar levensverhaal. Mooi is dat Trujillo een hardnekkig weetje uit de wereld heeft geholpen met een van haar verhalen. ‘En un momento dado’ (op een gegeven moment) werd gemunt als uitspraak van Cruyff en zou in het Spaans niet bestaan. Dat blijkt dus niet zo te zijn. Wie van buiten komt kijkt met andere ogen en kan de boel nog wel eens op een heerlijke manier wakker schudden. Haar humor wordt geroemd en ook wordt gezegd dat ze altijd een ‘doelpunt’ maakt met haar verhalen. Dagblad Trouw over Meisjes in blessuretijd: ‘Een proza van graniet, intensiteit en talent.’
    Sinds januari dit jaar is Trujillo sportcolumnist bij het NRC.

    De overige vijf genomineerden waren: Kester Freriks – Stilte, ruimte, duisternis (Athenaeum), Thomas Heerma van Vos – Plaatsvervangers (Thomas Rap), Jan Postma – Vroege werken (Das Mag), Marja Pruis – Genoeg nu over mij (Nijgh & Van Ditmar), Simon(e) van Saarloos – Enz. Het Wildersproces (Atlas Contact).

    De Jan Hanlo Essayprijs is een tweejaarlijkse prijs die in 1999 voor het eerst werd uitgereikt, na de dertigste sterfdag van de schrijver.

     

  • Rob van Essen wint Librisprijs voor roman die ‘ons verleidt en van zich afduwt’

    Na het lange diner, de vele en formele gesprekjes over ‘wie denkt u dat er gaat winnen’, ‘heeft u een dankwoord voorbereid’ werd na tien uur gisteravond bekend dat de jury van de Librisprijs De goede zoon van Rob van Essen (1963) tot beste boek koos van 2019. Waarmee het een verrassende, maar ook terechte keuze maakte. De schrijver zelf was totaal overrompeld. Even daarvoor had hij nog uitgesproken dat hij verwachtte dat de schrijver met het grootste boek over Europa zou winnen. Toen hij geacht werd zijn dankwoord uit te spreken, begon de schrijver met te zeggen ‘dat het even wennen was’. Waarna hij een enkel ‘Dank’ uitsprak, kort maar zeer gemeend.

    De goed zoon is het twaalfde boek van Rob van Essen (1963) en speelt in de nabije toekomst waarin iedereen een basisinkomen krijgt, lijdzaam zijn tijd uitzit en computers en robots een grote rol spelen. Waarin de zestigjarige hoofdpersoon, het alter ego van de schrijver, rouwt om de dood van zijn dementerende moeder. Zich afvragend of hij wel een ‘goede zoon’ is geweest.

    De jury sprak lovend over het boek als een ‘sprankelend werk van literaire verbeelding’. Jet Bussemaker omschreef de roman tijdens de presentatie van de zes genomineerden als ‘Een roman die ons op het verkeerde been zet en op de hak neemt, ons op een schitterende wijze confronteert met de tekortkomingen en uitdagingen van ons eigen leven.’

    De andere genomineerden waren Jan van Aken, Johan de Boose, Esther Gerritsen, Bregje Hofstede en Ilja Leonard Pfeijffer. Vorig jaar won Murat Isik de prijs met zijn roman Wees onzichtbaar.

    De jury bestond uit Sigrid Bousset, programmamaker Erica van Boven, hoogleraar letterkunde Dries Muus, literair criticus en Petra Possel, journalist/presentator, onder voorzitterschap van Jet Bussemaker.

     

    Foto: Screenshot NPO

  • Bart Moeyaert wint internationale prijs ook wel Nobelprijs voor de jeugdliteratuur genoemd

    Op de Internationale Dag van het Kinderboek in Bologna werd vandaag bekend gemaakt dat de Belgische auteur Bart Moeyaert (1964) de Astrid Lindgren Memorial Award (ALMA) heeft gewonnen. De prijs staat ook wel bekend als de ‘Nobelprijs voor Jeugdliteratuur’. Bart Moeyaert werd gekozen uit een lijst genomineerden uit meer dan zestig landen en was voor de zestiende keer naar voren geschoven als kandidaat. Dat hij de prijs nu ook werkelijk ontvangt, is natuurlijk fantastisch en een enorme opsteker voor de Vlaamse (jeugd)literatuur. Uit het juryrapport: ‘Moeyaerts gecondenseerde en muzikale taal vibreert met onderdrukte emoties en onuitgesproken verlangens. Hij portretteert relaties in crisis met een filmische directheid. […] Moeyaerts sprankelende werk onderstreept het feit dat boeken voor kinderen en jongeren een vanzelfsprekende plaats hebben in de wereldliteratuur.’

    Bart Moeyaert debuteerde op negentien jarige leeftijd met Duet met valse noten. Het boek werd direct een topper. In de afgelopen decennia groeide Bart Moeyaert uit tot één van de bekendste (jeugd)schrijvers van Vlaanderen en Nederland en zijn werk werd in meer dan twintig landen vertaald. Grote inspiratiebron voor Moeyeart is de Britse jeugdboekenauteur Aidan Chambers.

    De ALMA werd in 2002 ingesteld door de Zweedse regering ter ere van de Zweedse schrijfster Astrid Lindgren (1907-2002) en gaat naar een auteur, illustrator of organisatie die volgens de jury in de geest van Astrid Lindgren werkt. Aan de prijs is een bedrag verbonden van 5 miljoen Zweedse Kroon (480.000 euro) en is daarmee de grootste prijs ter wereld op het gebied van kinder- en jeugdliteratuur. De uitreiking is over twee maanden in Stockholm.
    Eerder werd deze prijs gewonnen door onder andere Kitty Crowther, Shaun Tan, Wolf Erlbruch, Guus Kuijer en Philip Pullman.

     

  • Herman de Coninckprijs voor dichteres Radna Fabias

    Radna Fabias is uit zes genomineerden gekozen tot beste dichteres van 2018 en won met haar debuutbundel Habitus de Vlaamse Herman de Coninckprijs voor Poëzie. Ze werkte tien jaar aan dit debuut, waarvoor ze eerst enkel materiaal verzamelde en vervolgens nog twee jaar aan schreef.
    Volgens de jury is Radna Fabias een talent dat ‘zich buiten alle grenzen wurmt’. De thema’s die ze hanteert gaan buiten de geijkte lijntjes en hebben als thema’s de positie van nieuwkomers en de vrouw.
    ‘Deze dichter reikt over de grenzen van het geslacht heen, ze pelt de schil van de mens en maakt iedereen gelijk. Het is kortom’ zo zei de jury: ‘poëzie met borsten en ballen.’

    Radna Fabias maakte vanaf haar eerste optreden een diepe indruk met haar poëzie. Ze ontving de onderscheiding in Antwerpen. Er waren in totaal honderdtwaalf poëziebundels ingezonden.
    De overige genomineerden op de shortlist waren Frouke Arns, Maria Barnas en de drie Vlaamse dichters Paul Bogaert, Paul Demets en Stefan Hertmans.

    Herman de Coninck (1944-1997) was een Vlaams dichter. Hij overleed overwacht aan een hartstilstand op 22 mei 1997 op straat in Lissabon. Ter zijner gedachtenis wordt sinds 2007 de Herman de Coninckprijs toegekend.
    Aan de prijs is een bedrag van € 7.500 verbonden.