• Liefde voor ingekleurde non-fictie

     

    Marjet Maks, schrijfster en recensent bij Literair Nederland en Jong Literair Nederland, vertrok in 2000 met haar partner vanuit Nederland naar Andalusië. Eerst gingen ze er met vakantie, werden verliefd op een oud dorpshuis met tuin, waarna de keuze snel was gemaakt. Ze gingen wonen in een authentiek bergdorp in de Sierra Nevada en begonnen er een bed & breakfast. Daarmee liet Marjet haar Utrechtse Tuinatelier achter zich en begon ze met een nieuwe creatieve uitdaging: koken en de aanleg van een mediterrane tuin. Tekenen en schilderen waren al geliefde bezigheden en in Andalusië kwam er tijd voor schrijven bij. Haar laatste boek, Kimonomeisje, gaat over de schilder George Hendrik Breitner en zijn muze, Geesje Kwak, het model op de schilderijen ‘Vrouw in kimono’.

    We spreken elkaar via een videoverbinding, want voorlopig is Marjet niet in Nederland. Bij haar is het zonnig, droog en warm. ‘We hadden een zomerse kerst, zoals steeds vaker,’ vertelt ze. ‘We wonen hier nu drieëntwintig jaar, hebben nooit spijt gehad. Het dorp hebben we behoorlijk zien veranderen, van authentiek ruraal Spanje met oude mannetjes en hun ezels met traditionele landbouwmethodes naar Europees hedendaags en modern leven. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger en warmer, dat is wel zorgelijk, maar het is interessant om die verandering van oude naar nieuwe tijd mee te maken. Ik heb er columns over geschreven voor het tijdschrift Vruchtbare Aarde, die zijn gebundeld in twee boekjes. Het dorp raakt ontvolkt, de herder met zijn schaapskudde is verdwenen. Er wonen steeds minder mensen, de jongeren trekken weg want er is hier onvoldoende werk. De bar is dicht en de winkel is nu in het nieuwe jaar ook gesloten. Sinds de pandemie staat onze bed & breakfast op een laag pitje, en dat vinden we wel even rustig na twintig jaar veel gasten over de vloer gehad te hebben.’

    Marjet en haar man zijn beiden creatief, daarnaast vragen huis en tuin en hun drie honden ook aandacht. Marjet is actief met schrijven en mixed media – ze maakt collages en kunstzinnige boekjes met zelf bedrukt textiel en papier die ze verfraait met een vorm van vrij borduren.

    Je schrijft behalve blogs en korte verhalen vooral historische romans. Wat trekt je daarin aan?

    ‘Dat is gekomen door mijn eerste boek De zucht van de Moor, een verhaal met een stuk Spaanse geschiedenis dat zich onder andere hier in deze vallei afspeelt. Bij uitgeverij Historische Verhalen verschenen ook drie korte verhalen van mij, ik vind de kapstok van historische feiten ingevuld met fictie leuk en leerzaam.

    Maar mijn liefde voor de historische roman is vooral voortgekomen uit de familiegeschiedenis van mijn voorouders van vaders zijde. In 2014 publiceerde ik Voor onze tijd, kroniek van een Amsterdamse familie. De naam Maks stamt af van een Hollandgänger uit Duitsland die in 1740 in Amsterdam neerstreek als bakker. Zijn zoon werd tapper. Dat kwam vaker voor, bakkers en tappers gebruikten hetzelfde graan voor hun producten, brood en bier. Vervolgens heb ik me verdiept in alle beroepen die voorkwamen in mijn familie, naast bakker, tapper/kroegbaas, ook aannemers en tabakshandelaren. Die beroepen beschreef ik tegen de achtergrond van de geschiedenis van Amsterdam. Machtig interessant. Ik ben er zo’n vijf jaar mee bezig geweest. Mijn overgrootvader was aannemer en heeft onder andere de fundamenten van het Rijksmuseum gebouwd. Dat en de anekdotes die in de familie rond gingen werden de aanleiding voor het verhaal. Het speelt van 1780 tot 1926. De historische achtergrond berust zoveel mogelijk op feiten, maar hoe mijn voor- en grootouders met elkaar leefden en wat ze zeiden vulde ik zelf in. De genealogische en andere research ging vooral via internet. Hoe men bijvoorbeeld omging met cholera, dat is er allemaal te vinden. De verhalen hebben zeker een waarheidsgehalte, ik noem het ingekleurde non-fictie.’

     

    Lees je wel fictie? 

    ‘Zeker, vooral Nederlandse en Engelstalige literatuur, onder meer wat ik voor Literair Nederland lees, inclusief de kinderboeken, om te recenseren. Het is boeiend om zoveel verschillende boeken te lezen, die ik zelf in eerste instantie niet zou kiezen, maar ik heb zo al heel wat juweeltjes mogen leren kennen. Het leuke van recenseren is dat je intensiever leest, je moet woorden geven aan je kritiek. Mild of ferm, het moet onderbouwd zijn. Ik vind het ook belangrijk om auteurs die soms jaren over een boek hebben gedaan, te erkennen, te laten weten dat ze iets hebben losgemaakt. Vroeger stuurde ik schrijvers wel eens een persoonlijk bericht via de uitgever, nu doe ik dat met recenseren.’


    Hoe kwam je aan het plan voor Kimonomeisje?

    ‘Ik kwam op het idee door het boek Schilderslief van Simone van der Vlugt, dat gaat over Geertje Dircx, een geliefde van Rembrandt. Ik vond het een goed idee om de mensen rond een historische figuur uit te lichten en een stem te geven. Bij mij kwam meteen de Amsterdamse kunstschilder Breitner op, ook omdat er een relatie lag met de kunstschilder Kees Maks, een neef van mijn grootvader. Maks was een leerling van Breitner en is ook aardig bekend, er hangt een groot doek van hem in de Stopera en in diverse musea in Nederland, zoals Singer in Laren. De twintig jaar jongere Maks kwam Breitner op straat tegen in Amsterdam. Ze maakten een praatje en Maks wist Breitner over te halen hem les te geven. Daar eindigt Kimonomeisje mee. De vader van Kees Maks was ook aannemer en bouwde in 1902 een atelier op het Prinseneiland voor zijn zoon en Breitner. Het is in Nederland het eerste kunstenaarsatelier dat speciaal voor kunstenaars gebouwd is. Maar het boek gaat primair over Breitner en Geesje Kwak.’


    Kimonomeisje
    is een lief, aardig boek, prettig om te lezen. Eerder gaf je aan dat je vond dat er te weinig conflict in zat. Was je achteraf niet zo tevreden?

    ‘Jawel, toch wel. Ik heb het ook bewust zo gedaan omdat ik de feiten die over Breitner bekend zijn zoveel mogelijk wilde gebruiken. Over Geesje was nauwelijks wat bekend, behalve dat ze een naaister of hoedenmaakster was en dat ze naar Zuid-Afrika emigreerde waar ze vrij snel op haar tweeëntwintigste stierf. Dat ze bleef doorleven in kimono op die schilderijen vond ik een mooi gegeven. Verder zal er niet zoveel gebeurd zijn. Ik dacht, ik kan ze wel samen in bed laten belanden, maar dat vond ik banaal. En het is waarschijnlijk nooit gebeurd, het blijkt nergens uit. Dus ik heb er een vader-dochter idee van gemaakt, een thema dat veel terugkomt in mijn verhalen. Geesje groeide doordat ze keek naar zijn schilderijen en luisterde naar wat hij zei; hij raakte dankzij haar uit een depressie nadat hij hersteld was van een oogziekte. Zij was gewoon zijn muze, tussen 1893 en 1896. Breitner stierf in 1923. In de hoop op wat extra aandacht voor zijn honderdste sterfjaar schreef ik Kimonomeisje dat bij uitgeverij Ellessy verscheen.’

    Ellessy heeft ook Marjets Riviermist uitgegeven dat ook als e-book en luisterboek is verschenen. Haar eerder verschenen boeken gaf Marjet in eigen beheer uit, zoals Naar het land van het lopend licht, een uit vijf delen bestaande familieroman. ‘Veel werk en geen vetpot. Ik ben er niet goed in om mezelf te verkopen. En ik vind het ook niet zo belangrijk meer. Het schrijven is leuk, het onderzoek is interessant en natuurlijk is het een mooie erkenning als je boek gelezen wordt.’ Literaire uitgevers wezen haar boeken af. Marjet noemt zichzelf een ‘semi-literaire schrijver’, toegankelijk voor een breed publiek. ‘Ik wil goede, prettig leesbare en originele romans schrijven en dankzij Ellessy kunnen we nu een paar keer per jaar uit eten,’ lacht Marjet.


    Riviermist
    heeft een aparte insteek, het is losjes gebaseerd op Wagners opera Der Ring der Nibelungen. Hoe zit dat?

    ‘Twee vrienden, die je kunt zien als Wodan en Alberich, vinden een juwelenkistje, dat staat voor het Rijngoud. Ook andere personages uit de Ring staan voor personages uit Riviermist. Na allerlei verwikkelingen wordt “Siegfried” opgevoed door “Brünnhilde”. In mijn verhaal is Siegfried Zyss, een kind van een broer en zus, hij heeft een bochel en is een beetje simpel maar heel muzikaal. Hij speelt accordeon in Amsterdam en is uiteindelijk een goed mens, ondanks dat hij uit het kwaad is voortgekomen. Mijn grootmoeder was operazangeres, zij zong voor haar huwelijk in 1910 de rol van Brünnhilde in de Ring. Met mijn neefjes en nichtjes speelden we met haar toneelkostuums, zoals de maliënkolder van Brünnhilde. Het verhaal intrigeerde me als kind al. Ik heb eerst de hele Ring geanalyseerd en de plotlijn vertaald naar het heden. Het speelt deels ook tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste personages heb ik eruit gepikt en hun psychologie en achtergronden uitgewerkt naar hedendaagse problematiek. Het is pure fictie en een beetje bizar, want enigszins ongeloofwaardig. Maar in literatuur kan dat. Als je Der Ring der Nibelungen kent, kun je dat verhaal wel in mijn boek terugzien.’


    Waar ben je nu mee bezig?

    ‘Ik schrijf niet zoveel nieuws meer. Er liggen nog een paar onaffe manuscripten, ik kan nog wel even voort. De eerste versie schrijf ik met de hand, heb wel dertig kladblokken vol. Daarna typ ik het verhaal uit en dan ga ik herschrijven. Dat vind ik het leukste, de tekst steeds beter maken. Ik probeer wel ieder jaar iets te publiceren, maar het is geen must meer.’

    Momenteel is Marjet vooral bezig met papier en stof bedrukken, borduren, schilderen, collages maken. Op haar website staat: ‘”Met een drukpers print ik met reliëfcollages structuren, met oud roest maak ik gekke vlekken in stof, ik borduur met wilde steken en creëer pagina’s die ik samenbind in een boekje, al dan niet met teksten van mezelf of anderen.” Het is allemaal geëxperimenteer, toch wil ik wel wat laten zien.’

    Op de achtergrond blaft een hond, in beeld komt een kwispelende staart. Alsof hij weet dat we aan het einde van het interview zijn. ‘Dit is Vidal,’ zegt Marjet. ‘Zijn zus heet Lucia, Leven en Licht. Hun vader en moeder waren zwervers die we jaren geleden opnamen, twee fantastische honden, die per ongeluk een nestje kregen. De moeder heet Felisa, wat geluk betekent. Het is tijd om uitgelaten te worden, maar ze kunnen best nog even wachten.’

     

     

     


    Kimonomeisje en Riviermist verschenen bij Uitgeverij Ellessy

     

  • Lieke Marsman krijgt Eline van Haarenprijs 2023

    Lieke Marsman heeft de Eline van Haarenprijs 2023 ontvangen voor haar bundel In mijn mand, dat in 2021 bij uitgeverij Pluim verscheen. De jury oordeelde over haar bundel: ‘Ouderwets goed, dit is wat wij van poëzie verwachten. […] Een imponerende bundel.’

    De Eline van Haarenprijs is een vijfjaarlijkse poeziëprijs voor vrouwelijke dichters onder de vijfendertig jaar uitgereikt door uitgeverij Conserve. De prijs wordt sinds 1988 uitgereikt en is vernoemd naar de dichteres Eline van Haaren, wier postuum verschenen bundel Leef de dag (1983) de eerste publicatie van de uitgeverij vormde.

    De andere genomineerden zijn Iduna Paalman met de bundel De grom uit de hond halen (uitgeverij Querido) en Lilian Zielstra met de bundel Mijn dochter draagt een steen (uitgeverij Passage).

    In 2013 was Lieke Marsman genomineerd voor de Eline van Haarenprijs met de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010 Van Oorschot), die toen naar Kira Wuck ging.

    In 2008 kreeg Ester Naomi Perquin de prijs en de laatste winnares in 2018 was Mieke van Zonneveld.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 1.250 euro.

     

     

  • Eén jaar Jong Literair Nederland!

    Vandaag is het een jaar geleden dat Literair Nederland startte met Jong Literair Nederland. Met andere woorden: Jong Literair Nederland viert haar eerste verjaardag!

    Waar staan we nu?

    Wekelijks publiceren we drie tot vijf recensies, tweewekelijks een nieuwe column, zo nu en dan een interview, elke week nieuwe boeken in de Jonge Oogst, en de titels die in de klas gelezen kunnen worden, komen aan de orde in de rubriek Jonge Oogst Speciaal.

    Er is een groeiende groep selecte kinderboekliefhebbers die voor Jong Literair recenseren. Een aantal van hen schrijft ook voor Literair Nederland.

    We worden gesteund door een deskundige Raad van Aanbeveling (Liselotte Dessauvagie, Helma van Lierop-Debrouwer, Aad Meinderts en Oliver Schmidt-Reps).

    De kinderboekenwereld heeft er echt een speler bij, en daar zijn wij trots op!

    Winactie

    Ter gelegenheid van die eerste verjaardag gaat er vandaag, vrijdag 15 december, aan het eind van de middag via het Instagram van Jong Literair Nederland een winactie van start. Kijk op onze Insta-pagina, waar we inmiddels bijna 1000 volgers hebben, en doe mee!

    Cadeautje

    Wilt u ons met een verjaardagscadeautje steunen? Klik dan hier of op de rode knop hier onder.
    Jong Literair Nederland is net als Literair Nederland een vrijwilligersorganisatie en is voor een belangrijk deel afhankelijk van de steun van bezoekers.

     

  • Oprichting lesbiqueer uitgeverij Velvet Publishers

    Goed nieuws! Er is een nieuwe uitgeverij opgestaan: Velvet Publishers is een kleine, onafhankelijke les-bi-queer uitgeverij die zich richt op les-bi-queer klassiekers, moderne vertaalde literatuur en een Pulpature-reeks. Die laatste is geïnspireerd op de lesbian pulp fiction uit de jaren 50 in de VS, en zal nu geschreven worden door Nederlandstalige les-bi-queer schrijvers. Ook zal er een reeks ‘lesbische-queer romantische verhalen,’ uitgegeven worden.

    Renée van Marissing, van wie onlangs haar derde roman Gelukkige dagen verscheen, zal voor Velvet Publishers de eerste pulpature schrijven: Ontkiemende liefde. Een verhaal dat zich afspeelt op de moestuin, met erotische scènes in de broeikas.

    De Vlaamse schrijver Fleur Pierets brengt een roman over een ‘lesbian love triangle’: Amants féminins, ou, La Troisième (Vrouwelijke minnaars, of, De Derde Vrouw) van Nathalie Clifford Barney opnieuw onder de aandacht.
    De Amerikaanse Clifford Barney was een natuurkracht. In Parijs richtte ze een lesbische literaire salon op die werd bezocht door beroemde Franse en buitenlandse schrijvers. Ze ontmoette en verleidde er honderden vrouwelijke minnaars, waaronder Djuna Barnes en Liane de Pougy. In haar roman beschrijft Clifford Barney ze hoe ze zichzelf verliest in een lesbische driehoeksverhouding.

    Om de verschillende plannen van initiatiefnemers Daphne de Heer, Lian van de Wiel en Anna Krans te kunnen realiseren, startten ze een crowdfundingsactie met een bedrag van 20.000 euro als einddoel. Dat doel is nu bereikt, maar de actie loopt nog 33 dagen door. Want een goede uitgeverij heeft altijd een uitgeefplan in de kast liggen dat wacht op de juiste financiële middelen om gerealiseerd te worden.

    Steun dit initiatief via: Voor de kunst

    Kijk hier het promo filmpje: velvet-publishers-promo.min_.mp4

     

     

  • Dichterbij dan waar je kijkt

    Het leven lijkt zich altijd elders te bevinden dan waar ik mij ophoud. Ik tuur ernaar, soms kom ik het nader. Waarom ik me er dan toch weer van afkeer, afstand zoek, weet ik niet. Wil ik enkel reiken, turen naar daar waar ik niet ben? Ben ik verslaafd aan verlangen, ‘Sehnsucht’, hartepijn? Nog een vraag. Wat is het toch dat ik zo graag lees, verlang naar een boek? Dat vroeg ik me af toen ik in het prachtige boekje Je keek te ver van Marjoleine de Vos stuitte op de vraag, ‘Wat is het toch dat je zo kunt verlángen naar wandelen?’ 

    Het afgelopen weekend had ik in Den Haag bij Crossing Border zullen zijn. Bij het interview met Zadie Smith, wat een ‘heerlijk gesprek’ moet zijn geweest. Ik had erbij zullen zijn. Ook bij het gesprek met de Palestijnse schrijver Adania Shibli, bij Michel Faber die een boek over muziek had geschreven. Ik zou het gehoord hebben als de interviewster aan Zadie Smith vroeg hoe haar schrijfdag eruit zag. ‘Ik breng mijn kinderen naar school, ga schrijven en haal mijn kinderen weer van school.’ Van zo’n overzichtelijk leven wens ik subiet schrijver te zijn. Maar goed, mijn kinderen zijn geen kinderen meer die gebracht en gehaald moeten worden. En er was sprake van hartepijn.

    Vorige week donderdag liep ik naar de winkel, het stormde. Het hart joeg me voort, wind sloeg de panden van mijn jas alle kanten op, woelde mijn sjaal los. Gebogen stapte ik voort langs tuinen met op maat gecultiveerde bomen, struikige planten, grind en tegels. Mijn oog viel op een stuk stof tussen de struiken, bont leek het. Een knuffeldoek van een kind, verloren toen het achterop de fiets zittend voorbij kwam. De storm nam het mee, bracht het hier. Ik keek nog eens, zag hoe de stof iets levends werd. Een konijn, nee, een haas. De lange lepeloren gestrekt over zijn rug. Donker bolle ogen, wijdopen neusgaten. Het lag er doodstil.’ Toen, nog voor ik ‘Hee, haas’ kon zeggen, was het verdwenen. Ik keek het na, dacht, ik heb een haas gezien. Ik was er buiten adem van.

    Zaterdagochtend zat ik, enigszins bedeesd (angsthaas) omdat mijn galopperend hart mij tot thuisblijven dwong, aan tafel. Ik las hoe de Israelische schrijver Edgar Keret in een interview vertelde dat hij, op de ochtend van 7 oktober, toen al dat verschrikkelijks in de kibboetsen in het zuiden van Israël gebeurde, er vanuit Tel Aviv naartoe wilde rijden. Om te helpen, mensen te redden. Tot hij bedacht dat hij geen auto reed. ‘Ik kan niet rijden. Ik kan niet eens een verband aanleggen. Ik kan gewoon niet zoveel.’ Dit blootleggen van zijn onvermogen iets te kunnen doen, bracht mij dichter bij de vreselijkheid van dit alles dan welk nieuwsbericht ook. Het willen reiken naar al wat we weten, wat we zien, iets willen doen, helpen. Het is als je tanden stukbijten op een stuk hout, deze realiteit.

    Marjoleine de Vos denkt tijdens een wandeling over het Groningse platteland na over een lezing over duurzame spiritualiteit. Ze ontmoet een vijfentachtigjarige, bijna blinde boer, vraagt hem, ‘Kunt u me zeggen: wat maakt het leven de moeite waard?’ Waarmee ze duurzame spiritualiteit vertaalt naar waardevol leven. ‘een houding die je vooruit helpt in het leven, een kijk op de wereld die het de moeite waard maakt haar te zien zoals ze is. “Nou”, zei hij, ‘dat is wel een héél gemakkelijke vraag.” Hij zweeg even en ik vroeg me af of hij eigenlijk wel begrepen had wat ik vroeg. Maar hij zei kalm: “Het gaat erom voldoening te hebben in wat je doet en in harmonie te leven met je omgeving.”’
    Je keek te ver, ik kijk te ver. Zoveel begreep ik wel.

     

     

    Je keek te ver / Marjoleine de Vos / wandelreeks ‘Terloops’ / Van Oorschot.


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Nieuwe poëzieprijs in het leven geroepen

    Goed nieuws voor de poëzie! Vanaf volgend jaar reikt de stichting Johan Polak Poëzie Prijs ieder jaar op 25 mei, de sterfdag van uitgever Johan Polak (1928–1992) deze grote prijs uit. De prijs bedraagt 50.000 euro en is bestemd voor de auteur van de beste oorspronkelijk Nederlandstalige dichtbundel. In het reglement voor de uitreiking van de prijs staat dat de bundel moet zijn verschenen in de drie jaren voorafgaand aan de uitreiking. De Johan Polak Stichting tot Instandhouding van het Bijzondere Boek zorgt voor de financiering en garandeert het voortbestaan van de prijs voor tenminste 25 jaar.

    Johan Polak was een bekende uitgever en boekhandelaar. Met Rob van Gennep richtte hij in 1962 uitgeverij Polak & Van Gennep op, in 1968 werd dat Athenaeum – Polak & Van Gennep. Polak stond bekend als uitgever van mooi uitgegeven gebonden boeken.

    Meer informatie over de prijs en het reglement is te lezen op de website johanpolakpoezieprijs.nl.

     

  • Welkom in Stockholm!

    De meest gammele bus die je ooit hebt gezien arriveert op de plaats van bestemming: Stockholm. Hij stopt midden in de stad op Sergel’s Torg, het drukbezochte plein dat toegang geeft tot het centrale metrostation. In de bus zitten negen mannen, illegale migranten uit Turkije. De chauffeur zamelt hun paspoorten en geld in om werk voor hen te gaan regelen. Hij maant de mannen de gordijntjes dicht te houden en niet naar buiten te gaan. De film waar dit het begin van is heet Otobüs. Het is de debuutfilm van Tunç Okan, uit 1975. Via de migranten krijgen we een onthutsend satirisch kijkje op het land dat ze bezoeken. En dat land is natuurlijk niet Zweden, ook al speelt het verhaal zich daar af, maar onze hele westerse wereld. Je zou Otobüs een reisverhaal kunnen noemen in de geest van Gulliver’s Travels.

    De buschauffeur, het zal u niet verbazen, komt niet meer terug, want hij is een ordinaire mensenhandelaar. Terwijl de mannen, uit angst voor ontdekking, niet naar buiten durven, lopen er mensen langs de bus alsof die er niet staat. Wat je niet ziet, bestaat immers niet. Anderen kijken ernaar als naar een curiositeit, om schouderophalend weer verder te lopen. Welkom in Stockholm!

    Regisseur Okan (1942) studeerde in 1963 af aan de Faculteit Tandheelkunde van de Universiteit van Istanbul en kreeg een jaar later via een gewonnen acteerwedstrijd zijn eerste filmrol. In minder dan twee jaar tijd speelde hij in dertien populaire avonturenfilms. Maar in 1967 was hij het beu. Hij verweet de filmindustrie dat zij de Turkse samenleving verdoofde en in slaap wiegde, verliet Turkije en vestigde zich als tandarts in Zwitserland. Met Otobüs maakte Okan zijn entree als onafhankelijk filmmaker met een missie. Er volgden nog drie andere films, de laatste in 2013. Vier films in achtendertig jaar, dat is niet veel. Des te opmerkelijker is het dat over deze weinig bekende regisseur en zijn kleine oeuvre in 2020 in Leiden en proefschrift verscheen van de hand van Tayfun Einar Luxembourgeus, die Okans films ‘grensoverschrijdende cinema’ noemt. 

    ’s Avonds als het donker is geworden wagen de mannen zich naar buiten, op zoek naar iets te eten, water, een wc. Op hun omzwervingen worden ze geconfronteerd met de zelfkant van een wereld die hun volkomen onbekend is. We volgen ze gedurende en aantal dagen. Hun belevenissen zijn rauw en schrijnend zijn, maar soms, plotseling, ook onweerstaanbaar grappig. Zo zijn de scènes op de roltrap – een noviteit voor de mannen – ‘Tatiesk’ hilarisch. 

    Grenzen overschrijden gebeurt zelden ongestraft. De migranten uit Otobüs komen er slecht vanaf: uiteindelijk worden ze door de politie ontdekt en opgepakt. Maar de film zelf lukt het uitstekend. Hij werd bekroond met vijf prijzen, waaronder (op het internationale filmfestival van Karlovy Vary) de Don Quijote Award. Wat een schitterende prijs voor een regisseur met een missie! Inmiddels is de situatie voor illegale migranten er bepaald niet beter op geworden. Zodat Otobüs behalve een sterke, ook een halve eeuw later nog altijd een actuele film is.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Martin Bossenbroek wint Libris Geschiedenis Prijs 2023

    Tijdens een speciale live-uitzending van OVT op NPO Radio1 maakte juryvoorzitter Kathleen Ferrier vanmorgen bekend dat Martin Bossenbroek voor zijn boek De Zanzibardriehoek, Een slavernijgeschiedenis 1860-1900, de Libris Geschiedenis Prijs 2023 krijgt. Volgens de jury is het boek, ‘zowel een publieksboek dat leest als een avonturenroman als een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving over het slavernijverleden. Op meeslepende wijze weet het een bekende en onbekende geschiedenis met elkaar te verbinden’.

    En ook: ‘De meeste boeken over het slavernijverleden gaan de laatste jaren over de trans-Atlantische slavenhandel en het plantagestelsel in Amerika, maar Martin Bossenbroek focust zich op de slavernijgeschiedenis van een Afrikaans eiland. In De Zanzibardriehoek laat Bossenbroek niet alleen zien dat hij een meesterlijke verhalenverteller is, maar brengt hij ook nieuwe feiten aan het licht. In een geschiedenis vol cliffhangers en persoonlijke verslagen wordt duidelijk hoe Britse abolitionisten op Zanzibar de wegbereiders werden van het imperialisme.’

    Aan de Libris Geschiedenis Prijs is een bedrag van 20.000 euro verbonden. Het is niet de eerste keer dat Bossenbroek de Libris Geschiedenis Prijs krijgt, in 2013 won hij de prijs al voor zijn boek De Boerenoorlog.

    De Libris Geschiedenis Prijs bekroont historische boeken die een algemeen publiek aanspreken. De criteria zijn dat het boek een oorspronkelijk onderwerp heeft, prettig leesbaar is geschreven en op gedegen historisch onderzoek stoelt. Aan de prijs is een bedrag van € 20.000 euro verbonden. De niet-winnaars krijgen een bedrag van € 1.500 euro toegekend, als waardering voor hun prestatie.

    De jury wordt dit jaar gevormd door: Arnoud-Jan Bijsterveld, hoogleraar Cultuur in Brabant aan Tilburg University; Karin van den Born, eindredacteur NTR-televisie; Rob Hartmans, historicus en journalist; Emily Hemelrijk, emeritus hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam; Jan de Hond, conservator Geschiedenis bij het Rijksmuseum; Nelleke Noordervliet, schrijfster; Inge Schriemer, conservator Ontwikkeling, Zingeving en Ontspanning bij het Nederlands Openluchtmuseum.

     

     

  • Sorry

    Hard/Hoofd, Verhaal van de Maand, Kluger Hans, De Optimist…, de combinatie van beeldende kunst en taal op deze literaire platforms is kennelijk een onverbiddelijke trend, versterkt door grafisch vormgevers die hun jubelende best mogen doen als deze merken stollen in fysieke vorm. Bij ‘Aaah’ bijvoorbeeld, het laatste Hard/Hoofd magazine, is nauwelijks een verhaal in dezelfde letter gezet, heeft de schilder zoveel mogelijk verfpotten over het papier uitgestort en kunnen kunstenaars niet wild genoeg hun gang gaan.

    Jarenlang pleitte ik, als professioneel bladenmaker, bij uitgeverijen van vakbladen voor meer en vooral beter beeld en probeerde ik vormgevers ertoe te verleiden niet steeds een foto in de hoek linksboven of rechtsonder op de pagina te plaatsen. In eerste instantie werd ik daarom blij van de aanpak van ‘Aaah’. Maar nadat ik dertig keer een pagina had omgeslagen, verlangde ik bijna terug naar de saaie vakbladen van vroeger, met hun voorspelbare bladspiegel en hun weinig onderscheidende rubrieken.

    Het was alsof ik bij iedere nieuwe feature mijn neus moest dichtknijpen, mijn ogen met een zonnebril moest bedekken en mijn adem moest inhouden voordat ik een volgende plons in het ‘Aaah’ kon nemen. Vertwijfeld bladerde ik door. Nergens rust te vinden. ‘Aaah’ werd mijn particuliere schreeuw om hulp, een verlangen naar stilte, naar contemplatie. Want is dat niet wat kunst vermag? Dat het lezers, kijkers en luisteraars een moment van verstilling brengt? Van (zelf)inzicht? Dat het een tintel brengt van huiver, van verlangen, van ontroering. In plaats van een oorverdovend scherm van paukenslagen waarin elke nuance op den duur verloren gaat.

    De makers van Hard/Hoofd magazine hebben na een intensieve en bewonderenswaardig effectieve marketingactie naar eigen zeggen meer dan 1600 betalende abonnees geworven, die elk 2,50 euro per maand automatisch laten incasseren. Ik ben er één van. Dat levert zo’n 50 mille per jaar op. Ik gun de makers de bescheidenheid om met dat geld straks juist minder uit te pakken. Dat het thema van het volgende nummer ‘sorry’ is, stemt hoopvol.

     

     


    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column.

     

  • Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.

     

     

     

  • In memoriam Wessel te Gussinklo (1941-2023)


     

    Met Wessel te Gussinklo verliest de Nederlandse literatuur een volstrekt unieke stem. Het duurde lang voor de in Utrecht geboren auteur erkenning kreeg. Het stigma ‘miskend genie’ kon zeker op hem gekleefd worden. Toen hij in 2019 de BookSpot Literatuurprijs ontving voor De Hoogstapelaar, leerde ik de schrijver en zijn werk beter kennen. In de eerste week van het nieuwe jaar maakte ik een afspraak met hem voor een interview voor Literair Nederland. Hij nodigde me uit naar zijn woonplaats Kamperland in Noord-Beveland, Zeeland te komen. Het was bar koud, zijn vrouw Odilia zou erwtensoep maken waaraan we ons konden warmen, zo zei hij. 

    De avond voor ons interview belde Te Gussinklo of we het interview niet per telefoon konden doen. De heisa van de voorbije maanden rond de BookSpot had zijn tol geëist. Hij was moe en had zijn rust nodig. Het werd een telefonisch interview dat enkele uren duurde. Zowel de schrijver als ikzelf genoten enorm van dit onderhoudende gesprek.


    Van miskend naar laureaat

    Het werk van Te Gussinklo was tot dan toe onder de radar gebleven, de BookSpot had daar verandering in gebracht. Nochtans was te Gussinklo geen onbekende in het literaire wereldje. Na zijn studies psychologie in Utrecht en Zürich besloot hij zich al gauw te wijden aan de literatuur. Hij schreef essays die gekenmerkt werden door hun maatschappijkritiek en zijn eigenzinnige filosofische denkbeelden. Zelf hield hij meer van zijn romans. Het was een lange weg om daar gehoor voor te vinden. Pas na tien jaar vond hij een uitgever voor De verboden tuin (1986), waarvoor hij prompt de Anton Wachterprijs kreeg. In dat boek voert hij voor het eerst Ewout Meyster op, een tienjarige eigenzinnige jongen die leeft in zijn eigen paradijselijke wereld. 

    Ewout Meyster kan gerust het alter ego van Wessel te Gussinklo genoemd worden en zal daarna nog in nog drie andere boeken verschijnen. De tetralogie rond dit hoofdpersonage wordt ook wel het magnum opus van Te Gussinklo genoemd. In De opdracht (1995) gaat de veertienjarige Ewout naar een zomerkamp voor kinderen van oorlogsslachtoffers. Ewout Meyster probeert door de jaren (en de boeken heen) te ontsnappen aan zijn dominante moeder en afwezige vader. Ook hier zien we de parallellen met de schrijver. Te Gussinklo’s vader werd in 1944 door de Duitsers geëxecuteerd. De opdracht kende meerdere herdrukken, werd genomineerd voor De Gouden Uil en de Libris literatuurprijs en kreeg drie andere literaire prijzen. 


    Periode van stilte

    Daarna wordt het wat stil rond de schrijver. Er worden nog een aantal essays gepubliceerd en als in 2008 zijn toenmalige vrouw sterft door een ongeval, is het gedaan met schrijven. Hij is zijn inspiratie en zijn pen kwijt. Tot hij zijn tweede vrouw Odilia ontmoet. Zij wordt zijn muze en moedigt hem aan opnieuw te gaan schrijven. Wessel te Gussinklo probeert verder te werken aan zijn Ewout Meyster-cyclus, maar het lijkt hem niet te lukken. 

    Dan verschijnt in 2014 Zeer helder licht. Hijzelf vond dit ongetwijfeld zijn beste roman, maar voelde zich gepasseerd. Hij had, naar eigen zeggen, zonder enig voorbehoud de AKO-literatuurprijs hiervoor moeten krijgen, maar die ging naar Oorlog en terpentijn van Hertmans. Ik kende Zeer helder licht niet, maar na het interview stuurde Wessel te Gussinklo me het boek met een mooie opdracht. Het blijft een van de mooiste herinneringen aan een empathische, en in eerste instantie miskend schrijver.

    Het boek is inderdaad een parel, een eigenzinnige, maar luchthartige liefdeshistorie. In 2015 verscheen zijn controversiële, maar zeer gewaardeerde essay We zullen aan God gelijk zijn. Ondertussen werkte de schrijver ijverig verder aan zijn Ewout Meyster-boeken. In 2019 publiceerde hij, bijna vijfentwintig jaar na het eerste deel, De hoogstapelaar, een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur. Ewout is ondertussen zeventien en een snoever. Een buitenstaander die zijn weg probeert te vinden, die iets wil bereiken en zich vergelijkt met Churchill, Roosevelt en zelfs Hitler. 

    Dichter bij zijn alter ego komt Wessel te Gussinklo niet. Net als Ewout dweept hij met Sartre: ‘Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Sartre was helemaal nieuw, modieus, schokkend, verrassend. Ewout  is gewoon iedereen voor, hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout herkent zichzelf in de ideeën van Sartre. Hij is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf in Sartre. Hij heeft een soort van schok van herkenning in Sartre, wat ikzelf ook heb gehad. Zo zit het dus in elkaar!’


    Tetralogie voltooid

    En nog was het niet gedaan met Ewout. In Op weg naar De Hartz (2021) maakt hij de laatste keer zijn opwachting. De nu 23-jarige Ewout leert de liefde en de filosofie kennen, maar wordt geteisterd door verraad en bedrog. Te Gussinklo kon de Boekenbon literatuurprijs zelf niet meer ophalen. Hij was toen al te ziek: een leveroperatie en hartproblemen teisterden zijn toen al tanende gezondheid. Hij bleef echter verder schrijven tot het eind. 

    Het werk van Wessel te Gussinklo neemt  in de Nederlandse literatuur een unieke plaats in. Dat het grote publiek niet volgde, deerde hem niet. Hij vond zichzelf wel de betere literator in ons taalgebied en liet zich wel eens laatdunkend uit over de stijl van Pfeiffer, Uphoff of andere populaire schrijvers. Hij zocht het mediacircus niet op en bleef altijd zijn eigengereide zelve. Hij was evenwel de ideale gesprekspartner, hij nam zijn tijd, bleef geïnteresseerd en schuwde de discussie niet. Zijn dwepen met Sartre en Mulisch en zijn eigendunk maakten hem misschien minder geliefd bij zijn collega’s. 

    En wat te zeggen over zijn boeken? Zijn moeilijk toegankelijke en ietwat archaïsche stijl hebben een inlooptijd nodig. Eens gewend aan de stijl, word je als lezer omvergeblazen door zijn virtuositeit. Hij ontdoet zijn onderwerp van alle franjes en graaft naar het ongrijpbare en onnoembare. Hij gebruikt daarvoor een taal die volstrekt uniek is, alleen al het woord ‘hoogstapelaar’ getuigt daarvan. 

    Toen ik hem aan het eind van ons interview vroeg hoe hij wilde dat zijn schrijverschap herinnerd zou worden, antwoordde hij, ‘Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel  een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus, nou ja.’

    Wessel te Gussinklo overleed woensdag thuis in Kamperland, waar hij sinds 2007 woonde. Hij werd 82 jaar.

     

     


    Lees hier het interview uit 2019.
    Auteursfoto via uitgeverij Koppernik.



  • Moreel kompas

    Ik laat het boek dat ik heb gekocht aan een vriendin zien, The running grave, deel zeven van de Strike-detectiveserie van Robert Galbraith. De vriendin trekt haar wenkbrauwen op en vraagt of ik wel weet dat de auteur een pseudoniem is van J.K. Rowling, schrijver van de Harry Potter-boeken. Die zich openlijk negatief heeft uitgelaten over transgenderpersonen en dat ik daarom haar boek niet moet kopen. Ik moet er afstand van nemen, anders geef ik aan dat ik het met haar eens ben, zegt de vriendin. Ik wijs in mijn boekenkast naar schrijvers die zich ook niet wilden richten naar de kompasnaald van haar morele verontwaardiging. François Villon, dief en inbreker, Gerrit Achterberg, moordenaar, Jan Hanlo, pedofiel, Louis-Ferdinand Céline en Roald Dahl, verstokte antisemieten, George Simenon, schuinsmarcheerder die vaker in het bordeel dan in zijn eigen bed lag. En wat dan nog, vriendin. Hun boeken zijn onvergetelijk.

    Hoe ver reiken vooroordelen naar de wereldliteratuur. Malcolm Lowry en William Faulkner, alcoholisten; Gerard Reve, Jean Genet, homo. Mag dat ook niet? Er zijn genoeg voorbeelden van schrijvers die zich niet conformeerden aan de waarden en normen van de maatschappij waarin ze leefden. Incorrecte, immorele schrijvers, maar mogen hun boeken daarom niet gelezen worden. Mijn boekenplanken zouden aardig leeg raken. Afstand nemen? Heeft literatuur dan niet meer de functie om je kennis te laten maken met een andere wereld, een andere mening dan die van jou. Moet een boek niet op zijn merites beoordeeld worden. Een boek is zijn schrijver niet. Een schrijver is zijn boek niet. Shakespeare was geen koningsmoordenaar omdat hij de vader van Hamlet liet vermoorden. Nabokov, Ted van Lieshout en Pim Lammers zijn geen pedofielen omdat ze er een boek over schreven. 

    Oscar Wilde, die ook buiten de gebaande paadjes liep die de Victoriaanse samenleving voor hem had uitgestippeld, heeft gezegd dat er maar twee soorten boeken zijn, ‘goed geschreven of slecht geschreven’. Dat criterium zou moeten gelden voor elk kunstwerk. Natuurlijk draagt elk kunstwerk sporen van de kunstenaar, maar de kunstenaar hoeft niet met zijn werk vereenzelvigd te worden. Het werk moet los van de persoon gewogen worden. Picasso moet een enorme klootzak geweest zijn in zijn relaties met vrouwen, toch sprongen me de tranen in de ogen toen ik voor de eerste keer in het Prado in Madrid zijn ‘Guernica’ zag hangen. Zoals P. Hawinckels liet zien in zijn gedicht ‘half twee na christus’ kunnen hoog en laag naast elkaar bestaan in zowel schrijver als boek.

    ‘in de buien voor en na
    de dolstdriest denkbare dronkenschap
    schiep de dichter
    de meest onvergankelijke verzen
    en eenieder zal er zich terecht over verbazen
    hoe ook hier weer het hoogst verhevene
    met het laagst gezonkene
    hand in hand gaat
    als twee glazen aan een bril’

    Ga naar huis vriendin, en lees een stichtelijk boekje van een smetteloze auteur aan wie je je geen buil kunt vallen, als die tenminste te vinden is. En laat mij mijn boeken van onaangepaste, incorrecte schrijvers lezen.

     

    Uit: Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, 1988


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.