Hedda Martens (1947) heeft met haar bundel, Bij wijze van leven (uitg. Querido) de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023 gewonnen. Het was de achtste maal dat de prijs, vernoemd naar de schrijver van korte verhalen, J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), werd uitgereikt. De eerste keer werd de prijs in februari 2015 uitgereikt aan Rob van Essen met zijn bundel, Hier wonen ook mensen. Dat jaar werd er ⏠4867,- door crowdfunding bijeen gehaald. Hedda Martens kreeg dit jaar een cheque uitgereikt van ⏠5172,-.
Uit tweeëntwintig ingezonden bundels haalden deze vier de shortlist:
Mischa Andriessen: Probeer de hemel mijn huis te maken (Querido)
Joep van Helden: Jerrycan (Atlas Contact)
Hedda Martens: Bij wijze van leven (Querido)
Joke van Vliet: Wanneer de herten komen (Querido)
De jaarlijkse prijs voor de beste literaire korte verhalenbundel van het voorgaande kalenderjaar is een initiatief van Irwan Droog, Arjen Fortuin, Daphne de Heer, Esther Kuijper, Roos van Rijswijk en Edith Vroon. Het prijzengeld wordt volledig gefinancierd door crowdfunding om aan te tonen dat dit literaire genre wel degelijk bewonderaars en liefhebbers kent.
De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2023Â bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Ilse Josepha Lazaroms en Dieuwertje Mertens.
Op vrijdag 2 december ontving  schrijver Raoul de Jong de Anna Blaman Prijs uit handen van locoburgemeester Faouzi Achbar als bekroning voor zijn auteurschap in Rotterdam. De prijs wordt driejaarlijks uitgereikt aan een schrijver die met zijn of haar oeuvre heeft bijgedragen aan de kwaliteit van het literaire klimaat in de regio Rotterdam. Volgens de jury maakt Raoul de Jong zich, âNet als Anna Blaman in haar tijd, […] op vele fronten cultureel-maatschappelijk en journalistiek verdienstelijkâ. De uitreiking vond plaats in de Burgerzaal van het stadhuis van Rotterdam in het gezelschap van genodigden en een aantal Rotterdamse scholieren en docenten. Aan de prijs is een bokaal en een geldprijs van ⏠15.000 verbonden.
De Jong (1984) publiceerde acht boeken. In 2005 debuteerde hij met Het leven is verschrikkulluk!  In 2006 verscheen Stinknegers, waarvoor hij de Dick Scherpenzeelprijs, een prijs voor grensverleggende buitenlandjournalistiek, ontving. De grootsheid van het Al werd onderscheiden met ‘Het Beste Rotterdamse Boek’ en stond op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Zijn boek Jaguarman (2020), werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, de European Union Prize for Literature, de Boekenbon Literatuurprijs en de Boon. Daarnaast schrijft De Jong voor theater en toneel en publiceert hij in Vrij Nederland, Het Parool en NRC Handelsblad.
In zijn dankwoord zei De Jong: ‘Ik doe het niet om deze prijs te winnen, maar voor die achttienjarige jongen op de fiets die ik toen was en anderen die nu op hem lijken. Tegen hen wil ik zeggen: je bent niet gek, het is de wereld die anders moet – je kunt er zelf een mooi verhaal van maken, dat heeft wel degelijk zin.’Â
Ik stuitte er op toen ik op zoek ging naar de achtergronden van The Spark Papers, een keurig verzorgd boekje â hardcover, stofomslag â van nog geen veertig paginaâs, dat ik lang geleden op een boekenmarkt vond. Het bevat onder andere drie spreekbeurten van Nederlandse geleerden tijdens de Willem Spark-herdenking op 24 juni 1943. De teksten gaan over William Horace Lawrence Spark (1801-1843), een Nederlandse componist. De enigszins cabareteske formuleringen en de vermelding dat de Amsterdamse Willemsparkstraat naar hem is genoemd, maken duidelijk dat het om een grap gaat.
Gegijzelden met veel vrijheid
Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat sommigen op de foto toehoorders waren van die spreekbeurten. Ze waren gijzelaars in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. De Duitse bezetter hield er vanaf 1942 prominente Nederlanders gevangen die het gevaar liepen te worden geëxecuteerd als elders in het land verzetsacties zouden worden gepleegd waarvan geen daders konden worden gevonden. Onder de prominenten waren hoogleraren, directeuren van bedrijven, Kamerleden enzovoort, zoals Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Frits Philips, Jan De Quay en Wim Schermerhorn. Ze hadden ongewoon veel vrijheid zolang ze maar geen Duitsvijandige acties ondernamen.
Er werd muziek gemaakt, film gekeken, geschilderd en gediscussieerd in de bar âDe dorstige gijzelaarâ waar de foto is gemaakt. Maar vooral: er was door de gegijzelden een druk programma opgezet met tal van cursussen en lezingen, gegeven door deskundigen in hun vakgebied. Er was zelfs sprake van bijzondere tolerantie van de Duitsers. De filmcommissie mocht rolprenten laten zien die door de censuur kwamen, maar omgekeerd kwamen er geen represailles toen die commissie weigerde de Duitse aanbeveling op te volgen om Olympia van Leni van Riefensthal te programmeren. Er bestaan tal van voorbeelden van boeken die zijn geschreven in gevangenschap: Mein Kampf van Hitler, Pilgrimâs Progress van John Bunyan, Don Quichot van Cervantes en De Profundis van Oscar Wilde, De 120 dagen van Sodom van De Sade en vele meer. Hoe streng het regime ook kon zijn, er was ruimte om aan schrijfgerei te komen en er was vaak bezoek mogelijk. Geen van deze genoemde boeken zijn ontstaan in situaties waarin zoveel geesteskracht moest worden aangesproken als in krijgsgevangenschap, in een concentratiekamp of in SiberiĂ«.Â
Beekvliet was een behoorlijk humaan kamp. De gegijzelden beschikten over boeken en andere media, kregen pakketten toegestuurd en hadden erg veel bewegingsvrijheid binnen het terrein. Hitlers HerrengefÀngnis noemde de latere diplomaat Max Kohnstamm Beekvliet in het gelijknamige brievenboek over zijn verblijf daar. Toch was er de angst: zeven gijzelaars werden daadwerkelijk afgevoerd en geëxecuteerd.
Activiteiten in communistisch gevangenschap
Ik was echter verbaasd over de voorbeelden die ik uit mijn leesmemorie kon opgraven over studieactiviteiten in veel rigidere kampen. Mira Feticu bijvoorbeeld schrijft in haar Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal: âIn de Roemeense politieke gevangenissen zaten veel schrijvers die het niet eens waren met de lijn van de enige Partij. Schrijvers, theologen, filosofen, hoogleraren. Er werden daar, in de communistische hel waar je zero vrijheid, zero eten, zero van alles had, taalcolleges gegeven. Gedetineerden onder elkaar, tussen de martelingen door onderwezen ze elkaar, er werden gedichten in hun geheugen geschreven, conferenties gehouden van een niveau dat de ‘âvrijeâ communistische academische wereld in RoemeniĂ« niet kende’.
Vertaler (onder andere van Berlin Alexanderplatz) en verzetsman Nico Rost, die in Dachau terecht kwam wist daar een clandestiene leesclub te organiseren. Hij kon door zijn baantje in de ziekenbarak bij de vele boeken, Duitse en Franse literatuur, die hij verslond en met anderen besprak. Wat hij daar las is allemaal te lezen in zijn Goethe in Dachau. Dagboek 1944-1945. De Franse filosoof Paul Ricoeur werd in 1939 opgroepen voor het Franse leger, maar zat al vanaf het begin van de oorlog als krijgsgevangene in Offlag II-D in Pommeren. Met enkele andere intellectuelen in dat kamp slaagde hij er in daar lezingen te organiseren en lessen te verzorgen. Hij begon er bovendien aan een vertaling van Ideeën van zijn Duitse vakgenoot Edmund Husserl.
En dan vind ik in De verdwenen pianoâs van SiberiĂ« van Sophy Roberts nog dit over de dekabristen, de opstandelingen tegen de autocratie van de tsaar in Rusland in 1825, waarvan de leiders werden opgehangen of naar SiberiĂ« verbannen: ze âstichtten gezamenlijk een kleine academie in ballingschap. Ze richtten werkplaatsen op om te timmeren, te smeden en boeken te binden. Ze gaven colleges (âŠ). Ze begonnen een bibliotheek, die ze vulden met duizenden boeken die hun verwanten stuurden (âŠ) De gevangen verzonnen verhalen over denkbeeldige landen en verre zeereizenâ. In al die gevallen werd de dorst gelest door een bijna niet te vatten geesteskracht.
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geĂŻnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.
Zonder dat er veel ruchtbaarheid aan werd gegeven is Hannemieke Stamperius, vooral bekend onder haar pseudoniem Hannes Meinkema, op 22 november in haar slaap overleden in haar woning te Amsterdam. Ze werd 79 jaar.
In de zeventiger jaren was dat wel anders. Stamperius debuteerde in 1974 met De maaneter, een roman over de ondergang van een vrouw die zich bovenmatig betrokken voelt bij alles wat er om haar heen gebeurt. Ze koos ervoor te publiceren onder de mannennaam Hannes Meinkema om zogezegd de te verwachten achterstand die vrouwelijke schrijvers in die tijd hadden, hiermee te slechten. Onder dit pseudoniem  verschenen acht verhalenbundels, elf romans en een gedichtenbundel. Met En dan is er koffie (1976), door sommige critici als ‘triviaal’ gekarakteriseerd, verwierf ze grote bekendheid onder jonge vrouwen die zich in haar boeken (soms op hilarische wijze) herkenden.
In 1977 promoveerde Stamperius cum laude met het proefschrift Marsmans Verzen. Toetsing van een ergocentrisch interpretatiemodel aan de Universiteit in Utrecht. In 1978 richtte zij samen met Ethel Portnoy het op vrouwen gerichte tijdschrijft Chrysalis op, waarin publicaties van vrouwen voorrang hadden en dat een korte duur van bestaan had. In 1980 verscheen haar eerste poeziebundel, Het persoonlijke is poëzie. Ook publiceerde ze artikelen en verhalen in onder andere Opzij. In 1989 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar hele oeuvre.
Stamperius publiceerde meer dan dertig boeken. Onder haar eigen naam schreef ze kinderboeken, over literatuurtheorie, religie, adoptie en was samensteller van prozabundels van vrouwelijke schrijvers. Later schreef ze onder het pseudoniem Justa Abbing nog een viertal detectives.
Een leven in autarkie
Stamperius schreef in haar romans en verhalen over de worsteling van de vrouw zichzelf te mogen zijn. Haar vrouwen zijn slachtoffer van de heersende moraal in de jaren zestig en zeventig, en van een meisjesopvoeding die zich richtte op dienstbaarheid. Haar vrouwelijke personages onttrekken zich daaraan en willen macht over hun eigen leven. Stamperius wilde âautarkieâ voor de vrouw, zoals in haar laatst verschenen roman De heiligwording van Berthe Ploos (2007). Waarin Berthe als reactie op haar onvervulde verlangens naar liefde, veiligheid en erkenning, kiest voor een leven in het âkale land van de autarkieâ. In deze roman is een kaasschaaf burgerlijk. En burgerlijkheid was de vijand van de vrouw.Â
In 1987 adopteerde Stamperius een Braziliaans meisje. Als alleenstaand ouder begon ze in 1995 – omdat adoptie in Nederland niet mogelijk was voor alleenstaanden – een proefproces om haar dochter, die ze vernoemde naar Vita Sackville West, legaal te kunnen adopteren. Sindsdien is adoptie voor alleenstaanden mogelijk volgens de Nederlandse wet. Over de adoptieproblematiek schreef ze Moeders kindje. Het moederschap inspireerde haar om het uitzinnige geluk alsook de alledaagse frustraties in haar boeken te verwerken. Stamperius verdiepte zich de laatste jaren steeds meer in religie, getuige ook haar laatste hierboven genoemde roman. In 2011 verschijnt nog het non-fictie boek God en de verlichting, over religiefilosofie.
Sinds 1997 leed Stamperius aan een botziekte die een voortdurende pijn veroorzaakte. Ze schreef nog steeds maar er was geen uitgever die in haar werk geĂŻnteresseerd was. Te hopen is dat haar boeken een nieuw leven beschoren krijgen, een schrijfster van haar kaliber verdient het niet in de vergetelheid te verdwijnen.
De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had âmet een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuurâ. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheenin Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen.Zijnroman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poĂ«ziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.
Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt.Â
Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.
Wat betekent een huis voor u?
âIn ItaliĂ« is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in ItaliĂ« ondenkbaar.
Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.â
Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, âBij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.â Â
Wat wilt u hiermee aantonen?
âTegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.âÂ
Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.
Waar vond dit boek zijn oorsprong?
âIn 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar ik ben geboren. In het boek is dat het âHuis onder de Grondâ. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is. Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: âIk gaat wandelen.â Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’
Waarom moest het hoofdpersonage âIkâ genoemd worden?
âDie eerste zin âIk gaat wandelen.â, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon. Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.â
Zijn huizen herinnering bewaarders?Â
âDe enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd.Â
De hoofdstukken âHuis van de Dode Dichterâ en âHuis van Gevangeneâ, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?
âIk besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is. Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren. Bij Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben. Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’Â
De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajaniâs boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.
Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?
âZonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zoân kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.âÂ
Er is een zus die Ik probeert te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?
âJe bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.âÂ
Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?
âIk ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajaniâs boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen. Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.â
Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?
âIk geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.âÂ
Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?
âElk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.â
Foto: Emiliano Ponzi
Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot
Op 18 november, de 59ste geboortedag van schrijver Joost Zwagerman, maakte de jury van de Joost Zwagerman Essayprijs bekend dat Falun Ellie Kroos  van de vijf genomineerden de winnaar is met het essay Bruiklener. Een essay over klassenverschillen, hoe je je verhoudt tot de elite, maar ook tot het gewone leven als het je niet allemaal is komen aanwaaien en je – middels een studie – een weg naar boven werkt.
In het winnende essay vertelt Falun Ellie Koos over hun (Koos is non-binair), ervaring als postbode, student en schrijver. In een goed geschreven stuk maakt hen invoelbaar hoe maatschappelijke stijgers hun leven in sociale schizofrenie door kunnen brengen: âNa het stijgen groeit het besef dat wat je achterlaat niet ânormaalâ is. Je ontdekt je eigen afwijkingen en voelt hoe je niet in de nieuwe wereld pastâ. Als je in je opvoeding niet had geleerd vragen te stellen, tekent dit je houding voor je verdere leven: ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn. Ik was gewend om alleen de hoognodige informatie te vergaren, dat wat nodig is om je te redden. Daar zit een deur, daar een raam. Dat is de vluchtroute.’
Uit het juryrapport: âEen essay dat over een maatschappelijke kwestie gaat en tegelijk een persoonlijk verhaal vertelt, dat ontroerend, aangrijpend, grappig en ernstig is, en heel goed geschreven.â
De prijs, een initiatief van de Van Bijleveltstichting en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, is bedoeld voor beginnende essayisten en werd uitgereikt in Theater de Vest in Alkmaar. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van ⏠7.500 en publicatie in verschillende media. De overige genomineerden wacht een publicatie in de Nederlandse Boekengids.
De jury bestond uit: Barber van de Pol, Manon Uphoff, Merlijn Olnon en Aleid Truijens (voorzitter).
Het winnende essay en de andere vier genomineerde essays zijn hieronder te lezen.
In het radioprogramma Kunststof werd gisteravond bekendgemaakt dat Marion Bloem de Constantijn Huygens-prijs 2022 krijgt toegekend. Op twitter liet Bloem weten dat ze ‘beduusd maar blij is’ en verwijst naar haar ‘voorouder’ J. C. Bloem, die in 1949 dezelfde prijs ontving. Ook noemde ze haar man, Ivan Wolffers die in oktober overleden is, ‘Ik mis mijn grootste fan natuurlijk, maar weet dat hij ergens meegeniet.’ Hij leed sinds 2002 aan prostaatkanker.
Marion Bloem (1952) ontvangt de Constantijn Huygens-prijs 2022 voor haar meer dan achtendertig boeken waaronder romans, verhalenbundles en gedichten. Haar internationaal gelauwerde debuut Geen gewoon Indisch meisje uit 1983, wordt door meerdere generaties lezers gekoesterd. Bloems productiviteit, niet alleen als schrijver, maar ook al kunstenares en documentaire maker, is overweldigend. Bloem schrijft vanuit een grote maatschappelijke betrokkenheid, zoals het onlangs verschenen Indo. Vanaf haar eerste boek geldt dit voor haar gehele oeuvre. In januari 2023 zal haar nieuwe roman Meisjes uit het dorp verschijnen, dat met Geen Gewoon Indisch meisje en Een meisje van honderd een drieluik vormt.
De jury bestond uit: Aad Meinderts (voorzitter), Jeroen Dera, Rashif El Kaoui, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Mathijs Sanders, Jeannette Smit en Sarah Vankersschaever.
De prijzen zijn toegekend door de Jan Campert-Stichting, opgericht op 18 augustus 1947 en vernoemd naar de dichter Jan Campert die lang in Den Haag woonde en het beroemde verzetsgedicht schreef, âDe achttien doodenâ. Door de jaarlijkse toekenning van de Haagse literatuurprijzen draagt de stichting bij aan publieke erkenning en een grotere bekendheid van belangrijk geacht literair werk of oeuvre.
Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden. De uitreiking van de Constantijn Huygens-prijs 2022 vindt plaats tijdens het internationaal literatuurfestival Writers Unlimited / Winternachten op zondagmiddag 12 februari 2023 in theater aan het Spui in Den Haag.
Klik op de foto zie de achtergrondfoto in zijn geheel
Donkere wolken boven het centrum van Rotterdam. Het is 14 mei 1940, twee uur in de middag. Een half uur eerder is het allesvernietigende bombardement begonnen, waardoor de oude binnenstad grotendeels is weggevaagd. Wonderlijk dat zoveel destructie in zoân korte tijd, niet meer dan veertien minuten, plaats heeft kunnen vinden. Het Duitse bommentapijt zorgt vooral voor grote branden en een verstikkende rookontwikkeling. Als de bommenwerpers zijn verdwenen, zal het nog dagen duren voor deze vuurzee kan worden bedwongen.
Mensen die de brandende hel overleven en weten te ontvluchten, al dan niet met in de haast bijeengeraapte bezittingen, verzamelen zich op de open vlakte aan de westzijde van het centrum. Het is de dichtstbijzijnde plek om de overweldigende hitte te ontlopen, op slechts tweehondervijftig meter van de brandgrens. Met een blik op de enorme rookwolken wacht men in onzekerheid af op wat komen gaat. Gezinnen zitten bij elkaar, buren zijn opgelucht elkaar te zien – het zou zomaar een aangename bijeenkomst kunnen zijn, ware het niet dat onder de inktzwarte wolken de stad met de grond gelijk is gemaakt.
Die open vlakte wordt een veilige plek voor honderden getroffenen. Het zogenaamde Land van Hoboken ligt midden in Rotterdam. Ongeveer achtenvijftig hectare weiland tussen de Nieuwe Binnenweg en de Westzeedijk. Het landgoed is sinds het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie Hoboken, een geslacht van rijke scheepvaartondernemers. Aan de kant van de Westzeedijk staat Villa Dijkzigt, het woonhuis van de familie â het huidige Natuurhistorisch Museum. De stad Rotterdam heeft zich door de jaren heen om het Land van Hoboken heen gekruld, omdat de familie lange tijd weigerde het landgoed aan de gemeente te verkopen. Een stuk polderland omringd door stedelijke bebouwing, de steeds meer uitdijende stad die pas op de plaats moet maken voor eengroene plattelandsoase. In de lente ziet men vanuit de huizen aan de Westersingel de lammetjes door het gras huppelen, in de zomer hoe de pachtboer zijn hooi binnenhaalt.
Pas in 1924 bereiken de gemeente en de familie Hoboken toch overeenstemming over de verkoop en wordt begonnen aan een stedenbouwkundig plan om het gebied met de omringende stad samen te laten vloeien. Allereerst is er de bouw van Museum Boymans van Beuningen aan de grens van het gebied. Het plan voor de rest van het openliggende terrein kost veel tijd, wordt lang onderbroken door de oorlogsjaren en wordt pas echt in gang gezet vanaf 1955.
Ter Apel 2022 – opnieuw hebben honderden mensen zich verzameld op een randje gras. Ditmaal niet voor een villa, maar voor het COA aanmeldcentrum. Hier zal de nacht weer doorgebracht moeten worden door vluchtelingen die zich door het overvolle centrum nog niet hebben kunnen aanmelden als asielzoeker. Het overgrote deel komt uit gebieden waar ze geen zekerheid hebben over hun eigen veiligheid of de veiligheid van hun dierbaren. De wereld van deze mensen is gekrompen tot de vierkante meter waar ze nu op verblijven. Overgeleverd aan de wispelturigheid van de politieke besluitvorming. Ook hier zal een kopje thee geen wonderen doen. Wat medemenselijkheid wel.
Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geĂŻnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.
Literair Nederland moest onverhoopt verstek laten gaan bij de Nacht van de Poëzie, maar Sophie Mulder & Edo Storm, twee studenten uit Utrecht waren bereid deze Nacht voor ons te verslaan.
‘Ik twijfel niet / aan wie ik ben / maar wie zijn al die anderen?’, zo prijken de dichtregels van Andy Fierens in de dichtbundel van de 39ste Nacht van de PoĂ«zie. Dit poĂ«ziefestival is voor velen niet enkel een zeven uur durende lof op de hedendaagse gesteldheid van de Nederlandstalige poĂ«zie, maar ook een feest van herkenning, zowel van de namen op het podium, als van de gezichten in de wandelgangen.
De 39e Nacht van de Poezië was voor ons respectievelijk de eerste en de vierde Nacht die we bijwoonden. Overdag kwamen we al bekende gezichten tegen in de stad, die voor dit evenement naar Utrecht waren afgereisd. Toen de nacht dan eindelijk viel, sloegen we met enige verwondering gade hoe de hele literatuurwereld bijeen was gekomen in de grote zaal van het Utrechtse Tivoli Vredenburg. De gangen bruisten en in de zaal hing een gezonde spanning. We twijfelden of dit marathon evenement ons wederom consistent zou weten te boeien, maar de eerste drie dichters vlogen al snel aan ons voorbij. Joke van Leeuwen sprong eruit als veteraan, die zich de kunst van het voordragen duidelijk op de meest originele manier eigen heeft gemaakt. Ze maakte ons bekend met de praktijk van dolfijnen die zonder schaamte en zonder taboes elkaars clitorissen stimuleren.
Jong en oud
Wat ons opviel, terwijl we het publiek in ons opnamen, was de curieuze verhouding tussen oud en jong. Dit werd vooral zichtbaar tijdens het optreden van de band Broken Brass. Terwijl in de âpitâ de zogenaamde jeugd op uitbundige wijze danste, kabbelde dit als een golf uit naar de bovenste hoeken van de zaal, waar het oudere publiek hier en daar werd aangestoken tot een bescheiden dansje. Bewonderenswaardig, aangezien de stoelen van de grote zaal in Tivoli niet bepaald uitnodigend zijn voor enige beweging. Tijdens de avond zagen we dan ook enkele mensen die zich een weg probeerden te banen door de doolhofachtige zaal onderuit gaan.Â
Na de eerste entrâacte begaven we ons even buiten de zaal. De doeleinden van het jonge en respectievelijk oudere publiek leken lijnrecht tegenover elkaar te staan. Middelbare scholieren en studenten bewezen door hun aanwezigheid hun volwassen en verfijnde culturele smaak, terwijl de ouderen zich schijnbaar te trots voelden om zich onder de jeugd te begeven, bij dit evenement dat tot diep in de nacht duurde. In de wandelgangen werd druk genetwerkt, door beide generaties en de algehele sfeer was levendig. Ivo de Wijs, die de tweede ronde van dichter afsloot, viel op door zijn humor en speelsheid, die alle elitaire pretenties een moment deed verdwijnen. Jong en oud genoten van zijn lofzang op de nare jeugd van tegenwoordig. Rond elf uur was eindelijk het moment daar, waar iedereen, ook al zullen ze het misschien niet toegeven, op had gewacht: Hans Klok. We kwamen er deze zaterdag zelf pas achter dat deze opvallende naam op de website prijkte. Dit soort unieke entrâactes maken de Nacht van de PoĂ«zie tot wat het is.
Het was juist tijdens het optreden van Klok dat de scheiding tussen jong en oud enigszins vervaagde. Naar onze mening was het Klok die het publiek weer even voorzag van wat broodnodige energie en verwondering om de mooie, maar soms uitputtende avond te âoverlevenâ. Bovendien vinden we het prachtig dat de organisatie door de inclusie van Hans Klok in het programma, de harde lijn tussen âhogeâ cultuur, waar poĂ«zie toch nog steeds onder valt, en de âlageâ variant, trachtte te overschrijden. Een doelstelling die ĂŒberhaupt het hart lijkt te vormen van de Nacht waarin poĂ«zie op levendige wijze toegankelijk wordt gemaakt.
Klokâs energie werd voortgezet door een eveneens blonde (poĂ«zie) magiĂ«r, Marieke Lucas Rijneveld. Hij nam de tijd en brak met zijn zorgvuldig geselecteerde strofes de Nacht doormidden. Enkel met ingetogen woorden, zonder hulp van vuur en schaars geklede vrouwen, wist hij het publiek tot een oorverdovende applaus te beroeren.âBetoverendâ is misschien wel de beste beschrijving van de staat, die deze poĂ«tische marathon opwekt. Na enige tijd kom je als publiek terecht in een soort trance die de overgang tussen act en entrâacte, zaal en wandelgang en jawel, jong en oud doet vervagen. Wederom, slaagde de Nacht van de PoĂ«zie erin om door middel van woord en cultuur een verbroederende en saamhorige sfeer te creĂ«ren die weinig andere evenementen weten te evenaren.Â
Zangeres Maria Farantouri neemt het publiek mee naar niet bestaande Griekse landschappen.
De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.
De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- âhet meest opmerkelijke werk met een idealistische trendâ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, NormandiĂ« – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over. De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.
Een goudmijn
âEchte gedachtenâ, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, âvallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.â Echte gedachten, vervolgt Ernaux, âzijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.â Echte gedachten, âhebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.â Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten.Â
Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn.Â
Ernauxâ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: âDe betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.â Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zoân ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Ăribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Ădouard Louis schatplichtig aan Ăribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux.Â
In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij âecht wasâ. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: âZe kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school â een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.â
Wachten op het sterven
In De jaren schrijft ze over die tijd: âIn alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift âeen engel in de hemelâ, fotoâs die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.âÂ
Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’ Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.
Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta MĂŒller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).
Deze twintigste editie van NK Poetry Slam werd gewonnen door de Belgische Tom Driesen. Tijdens de grote finale van het NK Poetry Slam in TivoliVredenburg, namen acht woordkunstenaars uit Nederland en Vlaanderen het tegen elkaar op: Angelika Geronymaki, Bekvegter, KMR, Ko de Kok, Linde van Wingerden, Madelief Lammers, Suzanne Krijger en Tom Driesen. Zij verzekerden zich van een plek in de finale door tien dagen geleden de halve finale van het NK Poetry Slam te winnen. Tom Driesen mag zich na vanavond Nederlands Kampioen Poetry Slam 2022 noemen.
Vooraf waren er voorrondes in Nederland en Vlaanderen waaruit de acht halve finale winnaars naar voren kwamen die op 24 september tijdens het International Literature Festival Utrecht, het tegen elkaar opnamen. Tom Driesen nam het in de finale battle op tegen Linde van Wingerden en veroverde de nationale titel en won zowel de meeste publieksstemmen als de jury voor zich. Hij ontving de Gouden Vink wisseltrofee, vernoemd naar Simon Vinkenoog en een cheque van duizend euro.
De jury bestond dit jaar uit spoken word artiest Esohe Weyden, dichter Joost Oomen en muzikant Thijs Boontjes. De presentatie was in handen van Daan Doesborgh en Sophia Blyden. De jury was unaniem over de winnaar: ‘Tom ademt poĂ«zie.’
Tom Driesen schreef ooit een stoepgedicht van vijf kilometer lang als stadsdichter van Turnhout, stond recent met een symfonisch orkest op de planken en mocht al eerder als halve finalist aantreden bij het NK. Zijn inspiratie haalt hij naar eigen zeggen uit een potje Nutella. In 2022 won hij de voorronde van Mensen Zeggen Dingen in België.
Humor is wat mij betreft een prominente kunstvorm in Confrontaties. Een docent Nederlands weidt op zeker moment uit over intelligente humor, de grenzen ervan, ironie. Wat vind jĂj goede humor?
âDat varieert. Een goede grap vind ik net zo bijzonder als een goed gedicht. Ik neem humor best wel serieus. Zoiets als Atlanta van Donald Glover vind ik goeie satire, hoewel ik er niet om moet lachen. Mijn familie houdt van leedvermaak. Best pijnlijk om toe te geven. Ik kom uit de internetgeneratie, dus ik lach ook om de domste online-filmpjes. Het laatste boek waar ik om heb gelachen, is Houthakken van Thomas Bernard. Een enorm grappig en zwartgallig verhaal.â
Wat het publieke debat de laatste tijd domineert, is de opvatting dat ironie alles gladstrijkt. Hoe denk jij hierover?
âEr is een kantelpunt gekomen, waarin de publieke tolerantie voor bepaalde uitingsvormen is veranderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar cabaretiers en stand-up comedians die het idee hebben dat ze ‘niks meer kunnen zeggen’, dan vraag ik me weleens af: wie houdt je dan actief tegen? Is het echt zo dat je niks meer mag of kan zeggen of is het meer dat je minder wordt geroemd in de mainstream media om wat je zegt en dat je daar niet tegen kunt? Wat mij opvalt: hoe meer men zich vastbijt in de overtuiging ĂĄlles te moeten kunnen zeggen, hoe minder grappig hun werk wordt. Bitter. Dat bewijst voor mij dat hun ego belangrijker is dan hun werk, humor. Dan verliest het zijn humoristische waarde. Dus ik vind die opmerking een makkelijk argument om jezelf toe te blijven staan alles te zeggen zĂłnder dat je daarbij kritiek wenst te incasseren.â
Tegengas is een soort muilkorf, volgens hen?
âJa, terwijl: die macht hebben veel mensen helemaal niet. Bovendien worden veel zaken ironisch genoemd, die potentieel gevaarlijk zijn. Denk aan hoe extreemrechts en andersoortig radicalisme hiermee speelt. Ik kan loyaal zijn aan makers die ik goed vind, dus ik blijf lang nieuwsgierig naar nieuw werk. Maar naar sommigen zit ik niet meer met plezier te kijken, omdat ik een innerlijke verandering bij hen bespeur. Want Ricky Gervais is in The Office geweldig, maar zijn recente stand-upâŠâ
Welke opvatting over, of lezing van Confrontaties verraste of bevreemdde je?
âOp twee manieren ben ik verrast geweest door de receptie ervan. Ten eerste typeerden nogal wat recensenten het werk als een heel ernstig boek, een âaanklacht tegenover een racistisch systeemâ. Dat begrijp ik ook, maar dat is een best serieuze en eenzijdige interpretatie. Voor mij bevat het boek veel luchtigheid en humor. Van veel lezers kreeg ik dat ook geregeld terug, maar geen enkele recensie die ik erover las, noemde het.
Ten tweede haalde Rasit Elibol mij aan in De Groene Amsterdammer, in een essay over âimposter syndromeâ**. Dat schijnt onder mensen van kleur die op hoge posities terechtkomen of veel positieve aandacht voor hun werk ontvangen, vaak voor te komen. Dat deed mij veel, omdat hij mijn werk eervol vermeldde. Ik hou van zijn stukken, dus dat voelde als erkenning.â
Ik kan me voorstellen dat bepaalde vragen ook een zekere focus leggen op datgene wat je âimposter syndromeâ in de hand werkt. Zo ben je weliswaar half-Kameroens, maar ook half-Zeeuws. Naar dat laatste wordt waarschijnlijk niet vaak gevraagd.
âTerwijl dat gedeelte prominent aanwezig is in Confrontaties, mag ik wel zeggen.â
Hoe?
âAan mijn oma, de moeder van mijn moeder dan, moet ik vaak denken omdat ik haar gedrag onbewust nastreef in het schrijven. Onverbloemd kunnen spreken, zij was erg direct. Niet altijd vriendelijk, maar daarin wel liefhebbend. Ze geloofde in wederzijds respect en beet regelmatig op haar tong, doorzag mensen scherp, voelde zich niet altijd geroepen om brandjes te blussen, maar kon daarin heel grappig zijn. Consistent eerlijk. Soms vervelend, maar het kan mooi zijn. Ik probeer dat in mijn werk ook.â
Welke vraag over dit boek heb je nooit gehad, maar zou je wel graag wĂllen krijgen?
âNiet per se een vraag, maar iets anders. Ik vind het interessant dat het personage Frits meteen door iedereen keihard wordt veroordeeld, terwijl ik denk: het is nu juist zoân personage bij wie je moet nagaan: heb ik ook ooit op deze manier in het leven gestaan of ben ik zo weleens met iemand omgegaan? Ik vind het veelzeggend als mensen zo keihard doen van: âVreselijke vent, alles wat er mis is met de maatschappij.ââ
Dan reken je je zelf automatisch tot de groep die alles doorheeft.
âJa, dat je gelooft: ik ben in elk geval niet zĂł slecht. Ik denk juist dat vervelend genoeg iedereen zich wel eens als âeen Fritsâ heeft gedragen. Dat is het confronterende. Dat je totaal blinde vlekken hebt voor je eigen privileges of voor die van een ander. Dat vind ik wel grappig.â
Toch maak je hem ook sympathiek. Hij probeert toenadering te zoeken.
* Agency: term uit de sociologie. Betekenis: de handelingsmogelijkheid van een individu.
** Imposter syndrome: diepgewortelde overtuiging niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen en jezelf, waarbij bovendien de angst bestaat te worden ontmaskerd als een bedrieger. Dit negatieve zelfbeeld wordt gekenmerkt door zelftwijfel, een gevoel van ontoereikendheid, ondanks een hoge opleiding, relevante ervaring en tastbare successen.