• Carmiggelt en vakantiedingen

    Deze vakantie waren er nogal wat eerste dingetjes. Zo dronk ik voor het eerst thee zoals Engelsen doen. Het was aan de kust van Dorset. Ik was dorstig en het was warm en dan blijkt thee met melk een goede dorstlesser. Eerder die dag had ik begrepen dat je niet zomaar uit Londen wegkomt. We deden er die warme zaterdag in juli ruim anderhalf uur over voor we in de file naar Dorset terechtkwamen. Waarna we in 5 uur een afstand aflegden die je, zonder verkeer op de weg, in twee uur rijdt. Toen begreep ik pas waarom Zoon, die al tien jaar in Londen woont, zo weinig naar ‘buiten’ ging. Deze vakantie heb ik ook  begrepen (een levenslang proces) dat je je nooit moet bemoeien met hen die je lief zijn. Je moet ze alle credits geven inzake wat dan ook. En dat  leverde wat op. Ik heb me nog nooit zo Zen gevoeld. Wat meteen weer een ‘eerste’ dingetje werd: Zen te zijn met jezelf en je omgeving.

    Maar toen moest Carmiggelt nog komen. Ik fietste door Gelderland. Kwam door De Steeg, wat het favoriete vakantieoord van Carmiggelt was. Hij is er vereeuwigd, zittend op een bankje met zijn vrouw Tiny. Ik was er vaak voorbij gekomen met de auto maar had hen nooit opgemerkt. Nu passeerde ik ze op een meter afstand en riep: ‘Kijk nou’. ‘Daar zit Carmiggelt!’ en zette mijn fiets aan de kant.

    Daar zaten ze dan. Hij stijf in zijn veel te ruime regenjas en Tiny met degelijke pumps die parmantig enkele centimeters boven de steentjes zweefden. Zo levensecht alsof ze tijdens het poseren versteend waren geraakt. Waardoor de aanblik wat lugubers kreeg. Er lag een schrijfblok op Carmiggelts knieën dat hij met een hand vasthield en met de andere licht beroerde. Je kon je opeens voorstellen dat hij daar helemaal niet had willen zitten, zo donker en stijf. Thuis pakte ik zijn boekjes erbij en voor ik het wist zat ik in de Carmiggeliaanse Way of seeing.

    Een paar dagen later bevond ik mij in de sanitaire ruimte van een camping in het Oosten des lands. Er stonden twee rondborstige vrouwen van meer dan gemiddelde lengte toilet te maken. De vrouw links poetste haar tanden elektrisch en bewoog de roterende borstel driftig in haar mond heen en weer waarbij ze veel schuim produceerde. De vrouw rechts werkte met een föhn haar kapsel bij onderwijl haar hoofd koket alle kanten opdraaiend. Ik voegde me tussen hen in, wat gezien de breedte van de wasruimte niet eenvoudig was. De vrouw met de föhn begon over ‘irritatie’ in haar liezen. Het was rood en ‘jeukte as de neten’. Ik herkende het accent dat Loes Luca in Het Schaep in Mokum bezigt. De poetsende vrouw murmelde dingen als, ‘Grumbllele en tjejjee seg’. Waarop de vrouw met de föhn zei dat haar man haar had meegenomen voor een fietstochtje. Ik begreep dat ‘meneer’  blij mocht zijn dat ze met hem mee naar ‘hier’ was gegaan. Ze begreep niet wat m bezielde. Veertig jaar op camping Bakkum gestaan en nu wilde meneer ineens iets anders.

    En nu meneer hier toch was wilde hij de omgeving leren kennen. Hij huurde twee fietsen en het ‘stukkie’ fietsen werd een tocht van ‘zestig kilometer!’ riep de vrouw met de steeds verhitter rakende föhn in haar hand. ‘Ik had m wel door hoor, de smiegt. Ging inenen voor me uit fietse zodat ik m nie bij kon houwen. Meneer was gewoon verdwaald. Maar toegeve, ho maar.’ De poetsende vrouw schuimde verontwaardigd: ‘E ou oe ijii oob e bhajen idde.’ ‘Precies’,’ zei de vrouw met de föhn en draaide haar hoofd nog eens koket in het rond. Ik pakte mijn toiletspullen en zei: ‘Goedemorgen,’ maar ze hoorden me niet. Dat was de eerste keer dat ik met twee Amsterdamse dames een wasruimte deelde. Carmiggelt had er wel raad mee geweten.

     

     

  • De koelte van een kerk

    Op een van de warme dagen deze zomer, zocht ik de koelte van een kerk en bezocht een orgelconcert. Met mij nog zo’n zestig, meest oudere mensen. Stuk voor stuk hadden we de vader of moeder van de organist kunnen zijn. Op het programma stonden werken van Schumann, Brahms, Bach en Rheinberger.

    Een ook al wat oudere heer in een frivool T-shirt heette ons opgewekt welkom en begon omstandig te vertellen over de twee zielen die in Schumanns borst huisden: Floris ( Florestan) en – hij moest even spieken – Eusebius. Toen kwam de al dan niet Platonische liefde tussen Clara Schumann en Brahms aan bod. Net toen ik het ergste begon te vrezen over het vervolg, Rheinberger, bijvoorbeeld over diens slechte gezondheid, stapte hij over op de heugelijke mededeling dat ons volgend concertseizoen iets nieuws staat te wachten: een projectiescherm in de kerk, waarop we de verrichtingen van de organist levensgroot zouden kunnen volgen! Of misschien zelfs méér dan levensgroot, dat weet ik niet meer.

    De organist, die voor iedereen duidelijk zichtbaar achter de klavieren zat, begon voortvarend met een Fuga van Schumann. Naast me nam nog snel een mevrouw op stevige wandelschoenen plaats. Haar Nordic walking stokken legde ze behoedzaam op de grond. Een knoflookwalm wasemde me gedurende de rest van het concert met regelmaat tegemoet.

    Nadat de laatste klanken van een Sonate van Rheinberger haddden geklonken, kwam de oudere heer die ons verwelkomd had,  naar voren en vroeg bezorgd of we het allemaal wel hadden kunnen volgen; de organist had veel zomaar achter elkaar door gespeeld, vond hij. Ik dacht het niet; er was ook zonder scherm duidelijk te zien geweest dat hij tussen de stukken eigenhandig, zonder hulp van een registrant, registers uittrok dan wel induwde.
    De organist werd naar beneden gewenkt. Niet om hem de les te lezen, gelukkig, maar om een bos bloemen te overhandigen.

    Ik hoopte vurig dat het hierbij zou blijven, de knoflookwalm was niet meer te verdragen. Ik raakte er van overtuigd dat het  de toch wel aangename lucht van sinaasappel, die bij elke uitademing uit de mond van een arts ontsnapte en door de ik-figuur in Philippe Claudels De boom in het land van de Toraja geassocieerd werd ‘met een zeker geluk. Een naseizoen’, in walging ver voorbij streeft.

    Nee, een volgende keer dat ik naar een concert in deze kerk ga, neem ik een neuskapje en een slaapmaskertje mee. Zo eentje als in de film L’échappée belle van Emilie Cherpitel: met kunstwimpers. Niemand zal nog naast me willen zitten.

     

     

  • Verhaallijn onbepaald

    Bij sprookjes is de volgorde van het verhaal simpel. Het begint altijd met “er was eens” en eindigt met “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Met daartussen een vrij lineair verlopend meestal niet al te ingewikkeld verhaal. En hoewel begin- en eindzinnen in romans vaak gecompliceerder en creatiever zijn, het verhaal door flashbacks en verschuivingen van perspectief in complexiteit toenemen, blijven ook romans uiteindelijk lineair. Je begint op de eerste pagina en leest tot het einde. Niemand leest immers een boek door lukraak naar pagina 32 te gaan, vervolgens een paar regels van pagina 3 te lezen, door te stoten naar pagina 254 en dan te eindigen bij pagina 57. Het zou een uitermate verwarrende manier van lezen zijn. Maar wel een manier waarbij je het dictaat van de schrijver doorbreekt en gaat meebepalen in welke volgorde een verhaal tot je komt. Waarbij toeval en eigen keuzes een grotere rol gaan spelen, zodat iedereen al lezende zijn eigen verhaal creëert. Steeds weer een ander verhaal. Het democratiseren van literatuur ten top.

    Dit lijkt misschien literaire abracadabra, maar het is minder ondenkbaar dan je denkt. Althans, als schrijvers moderne technologie gaan inzetten. Zoals al gedaan wordt door moderne beeldende kunstenaars, zoals Floris Kaayk (Tiel, 1982). Hij creëerde bijvoorbeeld het online kunstwerk www.themodularbody.com. Op deze website introduceert Kaayk in tientallen youtube-filmpjes Oscar, het prototype van de nieuwe modulaire mens. Oscar is gemaakt uit lichaamscellen van de innovatieve bioloog Cornelis Vlasman en komt in vele filmpjes op de de website tot leven, waarbij een praatprogramma, LinkedIn profiel, en natuurlijk Oscar zelf langskomt, op vier benen rondscharrelend, met verder een kunstmatig hart, longen en lever.

    Oscar klinkt (en is) misschien wat griezelig, maar de verhalen die Kaayk over hem vertelt zijn fascinerend. En de wijze waarop hij zijn verhaal vertelt is dat al helemaal. Kaayk legt namelijk geen dwingende verhaallijn op maar stelt zijn publiek in staat om op zijn website zelf hun eigen verhaal over Oscar samen te stellen. Hij heeft daartoe een vernieuwende interface ontwikkeld, die iedereen individueel in staat stelt te kiezen waar het verhaal begint en hoe het verder gaat. Zo bepaalt iedereen zelf zijn ‘leesvolgorde’. Alsof je dus een boek leest door te beginnen op pagina 32, verder te lezen op pagina 3, gevolgd door 254 om te eindigen op pagina 57.

    Als schrijvers deze werkwijze zouden gaan hanteren zou literatuur nooit meer hetzelfde zijn. Gedrukte boeken verdwijnen (wat ik wel jammer zou vinden) en e-boeken krijgen een complete make-over. En de rol van de lezer zou veel belangrijker worden. Natuurlijk blijft de schrijver cruciaal, omdat hij de bouwblokken voor het verhaal aanreikt. Maar het zouden niet meer zijn dan de startblokken waarmee de lezer zelf aan de slag gaat. Om steeds opnieuw zijn eigen verhaal te creëren. “Er was eens” is niet langer het gedoodverfde begin en het is volstrekt onvoorspelbaar of er een “lang en gelukkig” einde zal zijn. Wat overigens misschien wel zo spannend is.

     

     

  • Uit de tijd vallen

    Terwijl ik de lijstjes, die nog voor de vakantie moeten worden afgewerkt, met kracht aan de wand prik, denk ik opeens aan een verhaal van Anton Koolhaas. Waarin een woedende vrouw een punaise in de buitenmuur van haar flat drukt waardoor de muur splijt en zij vervolgens naar beneden stort. Niet dat ik dood wil maar toen ik met een punaise die lijstjes in de muur prikte, stelde ik mij in een fractie van een seconde voor, dat die muur zou meegeven en ik, met al mijn kracht in mijn duim verzameld op die punaise drukkend, voorover viel. Het leek me wel heerlijk om in het oneindige te storten. Dat die lijstjes dan van generlei belang blijken te zijn. Ik dacht aan de zweefduik die de vrouw uit het verhaal maakte. Zo diep zou ik niet vallen. Ik zou struikelend en onder het stof van vallend gesteente in de voortuin tussen de hortensia’s terechtkomen.

    En terwijl ik Mijn lief en mijn kinderen de vakantiestress bezorgde waarvan ik zei die zelf niet te ervaren, wilde ik alleen nog maar vallen. Zoals Angelique in de roman Onheilig van Roos van Rijswijk, die steeds het gevoel van vallen ervaart wanneer ze eigenlijk even van de kaart zou willen verdwijnen. Het beste wat mij kan overkomen is een migraine aanval die minstens twee dagen duurt. Wanneer je hoofd totaal gecrasht is dat je zelfs het gefilterde zonlicht door de bladeren van de dichte lindeboom voor het raam niet kunt verdragen, is het tijd om alles te laten vallen.

    Toen de lijstje om me heen fladderden en de dagen wegvielen dacht ik: ‘Zo is het gebeurd, zo is het gebeurd’. Een van de mooiste titels van een verhaal van de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg, geschreven in een taal zo sober dat je opeens begrijpt dat echt goede verhalen in stilte geschreven zijn. Hoe verzin je een vrouw die met een man trouwt om de simpele reden dat ze altijd wil weten waar hij is? Voor ze deze veel oudere man leerde kennen, fantaseerde ze over haar toekomstige leven. ‘Ik fantaseerde altijd van alles als ik languit op mijn bed lag in het pension. Ik dacht hoe prettig het zou zijn als ik getrouwd was en een eigen huis had. (…) en verbeeldde me dat ik lui achterover in een grote fauteuil zakdoekjes zat te borduren. De man met wie ik zou trouwen zag er nu eens zus en dan weer zo uit, maar zijn stem klonk altijd eender en in mijn hart luisterde ik naar die stem, die steeds weer dezelfde ironische en tedere dingen zei.’

    Ginzburg voert mensen op die hun huis nooit verlaten om de eenvoudige reden dat hun schoenen knellen. Haar verhalen zijn behoorlijk armzalig en tragisch. Als ik die eerste passage lees waarin het hoofdpersonage in een tiental onschuldige zinnen haar echtgenoot introduceert terwijl hij een trein tekent, wat rook uit de locomotief en een mannetje dat zwaait uit het raam van een coupé. Haar echtgenoot kan tekenen en dat is leuk om in een huwelijk te communiceren via tekeningen. Dat het zwaaiende mannetje haar echtgenoot verbeeldt die haar vaarwel zegt, is minder leuk. Na die tien onschuldige zinnen staat daar opeens: ‘Ik heb op zijn ogen geschoten’. Dan wil je pas goed door lezen. Over hoe deze kleurloze jongedame haar leven schwung gaf door haar echtgenoot neer te schieten. Langzaam kwam ik weer in de dag. Echt goede verhalen brengen de tijd weer op gang. Nu die lijstjes nog afwerken en de vakantie kan beginnen.

     

     


    Inge Meijer schrijft over boeken als steunpilaren en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Bladlof

    Er was eens een tijd dat de nacht pikzwart was en de nachthemel een fonkelend schouwspel dat met stomheid sloeg. Vrees en verwondering hielden de mens in hun greep, een besef van volstrekte nietigheid en kosmische verbondenheid tegelijk:

    Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk,
    Maan en sterren die gij daar stelde,
    Wat is dán de mens dat gij acht op hem slaat.

    (Psalm 8, vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

    Die tijd ligt achter ons en komt nooit meer terug. De hemel boven Nederland zien wij ‘s nachts als door een smerig venster. U kunt uw vakantiebestemming kiezen op grond van de afwezigheid van lichtvervuiling, en dan nog krijgt u slechts een flauwe afspiegeling te zien van de sterrenhemel die de psalmdichter voor ogen had.
    Alleen op volle zee bestaat het nog. Cees Nooteboom zei eens in een interview: ‘Als ik midden op de Stille Oceaan aan de reling sta en naar de sterren kijk, vraag ik me niet af of ik nog kauwgom heb’.
    Is er iets anders dat ons diezelfde ervaring van overweldigende grootheid kan bieden? Iets dat onze aandacht van kauwgom naar de kosmos leidt? Al het water in de zee, alle zandkorrels op het strand? Maar die zijn zo weinig ‘aanwezig’, zo gemakkelijk te negeren.

    Ik stel voor: boomblaadjes.
    Kijk even uit het raam. Geheid dat u blaadjes aan de bomen ziet. Vijf maanden geleden waren ze nergens te bekennen. Dat alleen al geeft reden tot verwondering. Hoezo ‘doodgewoon’. Hoeveel blaadjes zien wij op een dag? En hoeveel bomen zouden er eigenlijk in heel Nederland zijn? Daar zijn cijfers over. Vraag me niet hoe de geleerden het hebben klaargespeeld – een bron van verwondering op zichzelf – maar de teller stond een paar jaar geleden op 3.040.288.194.283 bomen ‘van meer dan tien centimeter dik op borsthoogte’ op onze hele planeet. Dat zijn er dus ruim 3040 miljard. Daarvan staan er 344 miljoen in ons land. Er zitten natuurlijk ook naaldbomen bij. (Deze cijfers komen uit ‘Nature’ en op YouTube vindt u er een filmpje over. Bedenk wel dat er jaarlijks wereldwijd 15 miljard bomen verdwijnen door menselijk toedoen.)

    Maar hoeveel blaadjes heeft nu een boom? In Het bomenboek van Koos van Zomeren lees ik: ‘Een beetje beuk heeft er 300.000’. De schrijver zegt dat in een passage waarin hij zijn licht opsteekt bij een bomenprofessor uit Wageningen. Natuurlijk is niet elke boom ‘een beetje beuk’ maar het geeft een indruk.
    Sta er even bij stil. Het rekenwerk laat ik graag aan u over. Begint het u te duizelen? Hier past slechts één woord: ‘ontzaglijk’. Want daar gaat het hier over: ‘ontzag’. Is het niet verbijsterend dat dit verschijnsel zich jaar in, jaar uit aan ons voordoet? Is het niet bizar dat het zich rondom ons afspeelt zonder dat we erbij stilstaan? In Japan is het bloeien van de kersenbomen aanleiding tot ingetogen feestelijkheden. Protestanten kennen een ‘Dankdag voor het gewas’. En het Jodendom heeft Toe Bisjvat, het ‘Nieuwjaar der bomen’.

    Er zou veel te vertellen zijn over de rol die boomblaadjes spelen in de Nederlandse poëzie, van het blad als vanitas-symbool bij Adriaan Roland Holst tot het ’doodgewone’ boomblad bij Chris van Geel.
    Het mooiste bladgedicht is echter van de grote Guido Gezelle. Bij hem is een blaadje op het water een beeld van de eenheid tussen ziel en godheid, uitdrukking van het zelfde kosmische besef als van de psalmist:

    Zoo rompelend en zoo rimpelend
    als water
    Zoo lag ‘t gevallen bladjen op
    het water
    En m’ ha’ gezeid het bladjen ende
    ‘et water
    ‘t En was niet ‘t een een bladje en ‘t an-
    der water
    Maer water was het bladje en ‘t bla-
    dje water
    En ‘t viel ‘ne keer een bladjen op
    het water

     

     

  • Tien atleten om in de gaten te houden

    De NOS stort deze zomer een waterval van sporten over onze hoofden uit. De EK’s Voetbal en Atletiek, Wimbledon, Tour, Olympische Spelen. Ik mag er graag naar kijken, maar kan niet tegen de overdaad. Die benadrukt vooral de enorme leegte die er omheen hangt.

    Het helpt ook niet dat ik een chauvinistische kijker ben. Nederlandse successen in de Tour en op Wimbledon zijn vaak meevallers. Om mee te kunnen leven moet ik me betrokken voelen. Die kans is, voor zover het mijn patriottische sentimenten betreft, op de Olympische Spelen groter dan op andere evenementen van deze zomer. Maar deze keer is er een andere reden die mijn aandacht naar Rio trekt: het Refugee Olympic Team (ROT).

    Tienonbekende atleten  die uitkomen op de Olympische Spelen in Rio. Wat ze gemeen hebben is dat ze vluchteling zijn. Sterker nog: ze maken deel uit van één team dat louter uit vluchtelingen bestaat. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) besloot tot de vorming van het ROT op verzoek van de UNHCR. Bij de presentatie zei IOC-voorzitter Thomas Bach daarover:

    Dit zal een symbool van hoop zijn voor alle vluchtelingen in onze wereld en het zal iedereen meer bewust maken van de omvang van de crisis. Maar we willen er ook een signaal mee afgeven dat vluchtelingen net als wij mensen zijn en een verrijking voor de maatschappij’.

    Mooie woorden. Maar ik hoor ze met enige reserve aan. De goede intenties van het IOC worden deze keer echter duidelijk onderstreept door de keuze van de atleten. Hoewel ze waarschijnlijk geen kans maken op podiumplaatsen, voldoen ze aan de Olympische kwalificatie-eisen. Serieus werk en geen etalagepoppen die geruisloos door de achterdeur verdwijnen als het applaus voor goede bedoelingen is binnengehaald.

    Dit team zal tijdens de openingsceremonie de stoet deelnemende landen voorafgaan. Op 7 augustus komt het tijdens de openingsceremonie als eerste het stadion binnen, nog vóór het organiserende land Brazilië. Deze atleten hebben allen een eigen verhaal.

    Zwemmer Rami Anis is 25 en gevlucht uit Aleppo, woont in België. Hij bleef trainen, maar dat voelde alsof hij zich kapot studeerde maar nooit examen mocht doen. Hij zwemt de 100 m vlinderslag.
    Yich Pur Biel is 21, vluchtte in 2005 naar Kenia waar de verveling in het vluchtelingenkamp hem er toe bracht te gaan hardlopen. Zonder schoenen, want die had hij niet. Hij loopt de 800 m.
    James Nyang Chiengjiek, ontkwam op 13-jarige leeftijd aan een ontvoering door rebellen in Zuid-Soedan, vluchtte eveneens naar Kenia. Daar ging hij, om wat te doen te hebben, lopen met oudere jongens. Nu is hij 28 en start in Rio op de 800 m.
    Yonas Kinde, is 36 en loopt de marathon. Hij vluchtte uit Ethiopië naar Luxemburg. Zijn persoonlijke record staat op 2 uur en 17 minuten.
    Angelina Lohalith ontvluchtte toen ze zes was Zuid-Soedan en heeft haar achtergebleven ouders sindsdien nooit meer gezien. Ze ontdekte in het vluchtelingenkamp in Kenia dat ze goed was in hardlopen. Ze is nu 21 en neemt deel op de 1.500 m.
    De 23-jarige Rose Lokonyen weet pas ruim een jaar hoe goed ze kan hardlopen. Ze ontvluchtte Zuid-Soedan toen ze 10 was en zat tot voor kort in een vluchtelingenkamp in Kenia. Ze komt uit op de 800 m.
    Paolo Lokoro is 24. Hij heeft in zijn land alleen maar oorlog gekend en ontkwam naar Kenia. Daar werd in het vluchtelingenkamp zijn looptalent ontdekt. Hij loopt de 1.500 meter.
    De 28-jarige Yolande Makiba is 28. Ze is Congolese en woont in Brazilië sinds ze daar haar coach ontvluchtte die haar jarenlang had misbruikt. Ze judoot in de middengewichtklasse.
    Yusra Mardini, 18 jaar, was in Syrië al een bekende zwemster voor ze vluchtte. Toen het rubberen bootje waarin ze van Turkije naar Lesbos overstak, dreigde te zinken, sprongen zij en haar zus overboord, om het gammele bootje met de andere vluchtelingen al zwemmend naar de kust van Lesbos te duwen. Ze woont nu in Duitsland. Ze komt uit op de 200 m vrije slag.
    De Congolees Popole Misenga, 23, vroeg in Brazilië asiel aan nadat hij, net als Makiba, was ontkomen aan de coach die hem terroriseerde. Hij is judoka in het middengewicht.

    Deze zomer zijn er naast de Nederlandse deelnemers, deze tien atleten die ik in de gaten houd. Ik weet iets van hun levens en hun ambities. Dat helpt. Meer nog dan chauvinisme.

     

     

  • Van hoofd naar hart

    Het was tijdens een recent concert van het Koninklijk Concertgebouworkest in samenwerking met het Holland Festival dat er een link werd gelegd tussen klassieke muziek met zowel beeldende kunst als popmuziek.
    In het voorprogramma vertelde Jeroen Krabbé over de invloed van popmuziek die hij had ondergaan terwijl hij zijn Magnum Opus op vier panelen schilderde. Na de pauze trad Son Lux op, de driemansformatie van Ryan Lott.

    Op een gegeven moment speelde Son Lux alleen en had het orkest niets te doen. Mijn oog viel op concertmeester Vesko Eschkenazy, die liefdevol de vingers van zijn linkerhand over de snaren van zijn viool liet gaan. Van beneden naar boven en weer terug. Vanuit – leek het – zijn hart naar zijn verstand. En ook een beetje zoals een popgitarist een glissando speelt. Even later zat Ryan Lott, een multi-instrumentalist, achter de vleugel en speelde met zijn rechterhand. Zijn linkerhand hield hij in een stand waarop een gitarist zijn instrument bespeelt. Beide houdingen leken elkaar te spiegelen.

    Het beeld van die spiegeling voerde me terug naar een uitvoering van Bachs Matthäus Passion in hetzelfde Concertgebouw. In de aria ‘Komm, süsses Kreuz’ uit het tweede deel boog de bespeelster van de viola da gamba haar hoofd naar het instrument. Zij deed dat op hetzelfde moment dat één van de orkestmusici zijn oor richting viool neigde. Voor mijn geestesoog verscheen opeens Rogier van der Weydens beroemde schilderij ‘Kruisafname’. Waarop het hoofd van de dode Jezus opzij gezakt is afgebeeld, en Maria haar hoofd eveneens buigt. Zeer ingetogen weergegeven: Pathos-formeln wordt dat in de kunstgeschiedenis zo mooi genoemd. Jezus en Maria spiegelen elkaars houding als het ware: passie en empathie. Zoals de vooral in klassieke muziek thuis zijnde Vesko Eschkenazy en de primair als popmusicus werkzame Ryan Lott dat onbewust ook deden in hun passie voor muziek, klassiek en pop.

    Jeroen Krabbé, wiens voordracht helaas een beetje aan mij voorbij ging, hoopte het al: dat er gedurende het concert kortsluiting in de hersenen van de concertgangers zou ontstaan. Bij mij gebeurde dat inderdaad. En dat was eigenlijk best een aangenaam gevoel dat oversprong van hart naar verstand. Zoals dat ook zo vaak gebeurt bij het lezen van een boek dat je qua inhoud emotioneel en qua vormgeving rationeel treft.

     

  • Retorische strijdmakkers

    Vandaag kreeg ik weer de vraag van iemand die naar de vierduizend boeken keek die ik in mijn boekhandel aan huis heb staan: ‘En, heb je alle boeken gelezen?’ Ik geef nog netjes antwoord ook elke keer. Typisch een vraag van een niet-lezer. Waarschijnlijk stel ik net zulke domme vragen aan iemand die bijvoorbeeld fiscalist is of in aandelen doet.

    Ik lees gemiddeld twee boeken per maand en, nou ja, eigenlijk, om eerlijk te zijn, lees ik er geen een uit. Wel lees ik een paar boeken tegelijk. Ik laat me leiden door de verleidingen van de intertekstualiteit van boeken. Als ik in bijvoorbeeld een boek van Friedrich Nietzsche begin, lees ik ook een stuk uit de biografie van Safranski en door Safranski lees ik ook weer iets van Sloterdijk en door Sloterdijk weer iets van Heidegger of Paul Celan en door Paul Celan pak ik een boek van de kunstenaar Anselm Kiefer en die brengt me weer bij een essaybundel van een kunstcriticus die … en zo houdt het gelukkig nooit op.

    Ik kwam tijdens mijn studietijd iemand – beter gezegd: een fenomeen – tegen waarvan je het intimiderende idee had dat hij ook echt alles las wat in zijn huis stond. En daar stond heul veul, heb ik eens mogen aanschouwen tijdens een studieborrel bij hem thuis. Hij stond erom bekend weinig te slapen, om zoveel mogelijk te lezen, te schrijven ook. Ik kreeg van hem het werkcollege Betogend schrijven aan de UvA, ergens halverwege de jaren negentig. Das Phänomen heette Michaël Zeeman, een ook weer veels te vroeg gestorven man der letteren. Dichter, romancier, journalist, tv-presentator (Zeeman met boeken) en docent, al was hij dat bij een studie die hij eigenlijk niet bliefde las ik in een necrologie van Carel Peeters over Zeeman: Culturele Studies (of die Carel Peeters niet bliefde).

    Ik, jongen uit de nieuwbouwwijken van het Noord-Hollandse Huizen, zonder enige noemenswaardige culturele achtergrond, durfde bijna geen zin uit te brengen tijdens de colleges van Zeeman. Wat kon ik voor zinnings zeggen? Bij zijn eruditie, zijn kamervullende gestalte, zijn bassende stem, ik verbleekte erbij. Volgens mij las ik Ave verum corpus van Désanne van Brederode en moest daar een recensie over schrijven. Ik denk dat hij over zijn hart heeft gestreken, een onvoldoende werd toch een voldoende.

    In die tijd lag hij verbaal nogal in de clinch met enfant terrible Theo van Gogh. Sla ik mijn vrouw wel hard genoeg, was de titel van een van Van Goghs boeken, refererend aan de roddel dat Zeeman zijn vrouw fysiek onheus had behandeld. Ik was niet tegen Zeeman, maar vooral een fan van Van Gogh en dan vooral van zijn polemiserende pen. Naast films maken, kon hij polemieken schrijven die hem een regelrechte nazaat maakte van de hoestende en veroordelende literator uit Parijs, Willem Frederik Hermans. Enfin, de jaren negentig, de fitties waren toen niet van de lucht. Maar ze zijn dood, Zeeman, Van Gogh, Hermans. Opgestegen naar de Parnassus voor een eeuwigdurende retorische strijd.

     

     

  • Een bronzen schone

    Steden zijn net boekenkasten: ze staan vaak vol vergeten parels. Bijzondere parels, die we zonder aandacht passeren, opgaand in de drukte van het dagelijkse bestaan en de altijd aanwezige zucht naar het andere en het nieuwe. Waardoor we het hier en nu voor lief nemen en er onnadenkend aan voorbij razen.

    Langs mijn vaste fietsroute in Den Haag staat zo’n parel. Een beeld uit 1956, van de Nederlandse beeldhouwer en tekenaar Theo van der Nahmer (1917-1989). Een bronzen beeld van de grande dame uit de Haagse literatuur, Eline Vere. Een prachtig beeld. Statig leunt ze op haar parasol, getooid met cape en sjieke hoed. Rank en rijzig tuurt ze over de Groot Hertoginnelaan, als een trotse en verbronste versie van Couperus’ woorden aan het begin van het derde hoofdstuk van zijn roman:

    Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en ogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige van haar gebaren, gaven haar iets van een lome odaliske, die droomde.

    Het is een beeld waar ik in een vreemde stad naar toe zou trekken. Dat ik bij mijn voorbereidingen zou spotten in de één of andere kunst- of reisgids. Een beeld waar ik een stadswandeling aan zou weiden om me te laven aan haar prachtige contouren. Maar zo niet in mijn thuisstad Den Haag. Daar gaat Van der Nahmer’s Eline tijdens mijn dagelijkse fietstocht op in het behang waar ik langs fiets. Onnadenkend en zonder aandacht.

    Net zoals ik mezelf er vaak op betrap dat ik onnadenkend en zonder aandacht langs mijn eigen boekenkast loop. Of die in een boekhandel. Vol vuur voor de nieuwste hype en smachtend naar het onbekende. Terwijl er zoveel bekende maar vergeten parels in staan. Zoals Eline Vere van Louis Couperus. In mijn kast staat deel I van een pocket-uitgave van tien van zijn ‘grootste werken’, samengesteld in opdracht van Company of Books. Een simpele, compacte uitgave van één van de grootste romans uit de Nederlandse literaire geschiedenis. Het staat in mijn kast, maar ik ben eerlijk gezegd vergeten of ik het ooit gelezen heb. Wat waarschijnlijk betekent dat dat niet zo is. Onbegrijpelijk natuurlijk, voor iemand die in Den Haag woont, er weliswaar niet geboren is, maar zich toch zo Haags voelt dat hij zonder te liegen Couperus beroemde woorden kan herhalen: ‘Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar.’

    Maar wel een Hagenaar die in de dagelijkse hectiek net zo langs de Eline Vere in zijn boekenkast raast als langs haar bronzen evenbeeld aan de Groot Hertoginnelaan. Wat natuurlijk niet kan. Gelukkig staat de zomer voor de deur. Het perfecte moment voor wat geluier aan het Haagse strand. Misschien wel in zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Opgaand in die vergeten parel die ik als Hagenaar natuurlijk lezen moet.

     

     

  • Op de dag van de Brexit

    Ik was bij Latei aan de Zeedijk. Bij binnenkomst bestelde ik koffie en appeltaart. Altijd appeltaart bij Latei, met grote parten appel en volkorendeeg. De lucht was vochtig en zwaar, de regen overvloedig, ook in Engeland. En terwijl de Britten niet wisten waar ze nu eigenlijk voor stemden, legde ik mijn laptop voor me op tafel. Keek naar de gekleurde formicatafeltjes. De jaren zestig afbeeldingen, in lijstjes aan de muur. Borduurwerken van twee naakten. Dacht aan Rob Scholte die in De Fundatie in Zwolle de muren van het museum volgehangen had met de rafelige achterkant van zulk gelijksoortige borduurwerken, op thema. Een confronterend tijdsbeeld van duizend borduurwerken. Nog nooit zoveel stoffigheid bij elkaar gezien. Het was van een indrukwekkende benauwdheid.

    Ik trok de krant naar me toe. Filmrecensies. Ik las over de nieuwe film van de Zweedse regisseur Hannes Holm, Een man die Ove heet. Een gepensioneerde spoorwegingenieur, net weduwnaar en ‘topchagrijn’, niemand doet het in zijn ogen goed. Op alles heeft hij wat aan te merken. Dan krijgt hij een nieuwe buurvrouw, uit Iran. Zij herkend zijn gemopper niet. Zij is gevlucht en heeft geen tijd voor mopperen alleen voor overleven. Ze brengt hem eten. Zo zorg je voor elkaar, met voeding (wat is er met ons westerlingen mis dat wij elke muntje uitsparen en karige maaltijden bereiden zodat er nooit iets te delen is?). En hoe die mopperpot daarvan opknapt, weer belangstelling voor het leven krijgt.

    Toen moest ik aan Walt Kowalski denken. De Korea-oorlogsveteraan in Gran Torino van Clint Eastwood. Een brombeer die niks moet hebben van zijn Aziatische buren en de tijd waarin hij leeft verafschuwt. Ook hij krijgt weer menselijke trekken als zijn buren hun eten met hem delen. Met een schaal met voedsel kwamen ze bij hem binnen. Ik herinnerde me opeens de tijd dat ik naast een jong Marokkaans gezin woonde. Ze kwamen uit het Rifgebergte.

    De jonge vader en de twee kinderen met zwarte krullen. De krullen van de kinderen waren zijdezacht. Ik streek ze wel eens over het hoofd als ze door de heg onze tuin in kwamen. De zwarte krullen van de jonge vader zagen er dik en stug uit. De veel jongere moeder droeg een hoofddoek. We groetten en glimlachten naar elkaar. Veel verder kwamen we niet. Tot mijn jongste dochter geboren werd, een thuisbevalling. Toen bezocht de jonge moeder me aan het kraambed. Ze bracht een zelfgebakken brood en een zak sinaasappelen mee. We spraken elkaars taal niet maar ik weet nog dat ze dit tegen me zei: ‘Het brood is om op krachten te komen. Dat is nodig. En de sinaasappelen doen de zonnige kant in je ontwaken.’

    Aan dat formicatafeltje bij Latei bedacht ik dat we allemaal een Aziatische/Arabische of Afrikaanse buur nodig hebben. En dat we met de gerechten die we bereiden, stille oorlogen zullen overwinnen. Niks geen Brexits of Nexits want het delen van zacht geurende kokosgerechten, pittige currystoofpotten, knapperige loempia’s en zelfgebakken brood, zal ons verbroederen.

     

     

  • Dichten op de korte baan

    Chris van Geel was een specialist op de korte baan, maar soms maakte hij het wel bont. In zijn verzameld werk komen vijf gedichten voor van slechts één regel. Kan zoiets nog een gedicht heten?

    Jawel, althans volgens het Lexicon der poëzie van Cees Buddingh’. Een eenregelig gedicht heet een ‘monostichon’ en als voorbeeld geeft hij Spreuk van L.Th. Lehman: ‘De vogel Valdood vliegt ook tegen beter weten’.
    Hm, ‘monostichon’, nooit van gehoord. En de titel Spreuk suggereert dat we hier niet zozeer met een gedicht te maken hebben als met iets anders. De spreuk, het spreekwoord, de sententie, het grafschrift, de krantenkop, de toverformule, het gebed – allemaal vormen van taal op de korte baan die we niet meteen geneigd zijn op hun dichterlijke merites te beoordelen. Terug naar Van Geel. Zijn aller-allerkortste gedicht luidt:
    Eenvoudig, de duinen, eenvoudig
    Het komt uit de bundel Het zinrijk. Ik durf deze regel niet tussen aanhalingstekens te zetten; de tekst zou eronder bezwijken.
    Beschouwen we deze vier woorden in formele zin als gedicht, dan valt ons op: 1) het gedicht heeft geen titel, die ons zou kunnen helpen het gedicht te begrijpen; 2) metrisch bestaat het uit drie amfibrachen; 3) syntactisch bestaat het gedicht uit drie zinsdelen; 4) de zinsdelen vallen samen met de versvoeten; 5) de drie delen kunnen we van plaats laten verwisselen zonder dat dat voor het begrip iets lijkt uit te maken; 6) het gedicht bevat geen werkwoord, waardoor we niet weten wat ‘de duinen’ voor zinsdeel is; 7) als dichterlijke kunstgrepen herkennen we naast het metrum de herhaling en de alliteratie.
    Lezer, zo komen we er niet. Want het vergaat u ongetwijfeld net als mij. De overwegende indruk blijft: Wat betekent dit? Wat bedoelde die man? Waarom zoiets gepubliceerd?
    Nu is het bekend dat Van Geel dol was op de duinen. Hij woonde er een groot deel van zijn leven. Vaak maakte hij nachtelijke wandelingen door de duinen. Veel van zijn natuurobservaties vinden daar hun oorsprong. We mogen daarom aannemen dat in dit gedicht ‘eenvoudig’ niet misprijzend is bedoeld.
    In het dagelijks taalgebruik wordt ‘eenvoudig’ wel gebruikt in de betekenis van ‘dat spreekt voor zichzelf’, ‘dat ligt voor de hand’. Misschien is dat hier ook zo. ‘Zeg Chris, waarom ga jij niet in de stad wonen?’ ‘Nou, eenvoudig, de duinen’. ‘Wat een rare tekening, Chris. Wat moet dat nou weer voorstellen?’ ‘Eenvoudig, de duinen, eenvoudig’.
    Het gedicht krijgt zo beschouwd iets polemisch; de dichter moet iets zeggen dat wat hem betreft niet gezegd zou hoeven worden omdat het zo vanzelfsprekend is.
    Je kunt uitweiden over de kwaliteiten van je geliefde en daarbij ervaren dat woorden tekort schieten. Misschien waren de duinen voor Van Geel ‘te mooi voor woorden’. We kunnen ‘onuitsprekelijk gelukkig’ zijn. Ook kan iets ‘onnoembaar’ zijn in de betekenis van ‘zeer groot’ (mijn oude Van Dale geeft de fraaie voorbeeldzin ‘onnoembare driften sloopten hem geheel’).

    In de mystiek is ‘het onuitsprekelijke’ zelfs het allerhoogste, iets wat Gerard Reve kort en bondig onder woorden bracht toen hij zei ‘Er moet een God zijn, geen gelul’. Je wilt wel iets zeggen maar je kunt het niet en toch moet je. Of beter gezegd, hét moet, het moet eruit. Uit arren moede zeg je dan maar iets onbegrijpelijks of iets banaals. Denk aan Gorters ‘ik wil u zeggen een zo lief wat, maar ‘k weet niet wat’.

    In het Zen-Boedhisme krijgen leerlingen naar het schijnt een ‘koan’ ter overpeinzing, een soort raadselspreuk waar het analytische verstand zijn tanden op stuk bijt. Als de frustratie en verbijstering niet meer te harden zijn, is de leerling rijp voor de verlichting. Satori! Zou ook dat in dit gedicht besloten kunnen liggen? Dat we beseffen hoe hoog de dichter tracht te reiken?
    Nooit zullen we het zeker weten, maar laten we dit gedicht opvatten als de nietige expressie van iets kolossaals. Om met William Blake te spreken: ‘a world in a grain of sand’. De vier woorden van Van Geel lijken het best te parafraseren als: Ah! Oh! Aaaaaaah!!! Een schreeuw van extase, een zucht van verrukking, een gesmoorde kreet over de ontoereikendheid van de taal. Alledrie. En dat in vier woorden.
  • Kees Fens

    Kees Fens woonde bij ons antiquariaat om de hoek. Wij – mijn compagnon en ik – begonnen in 2001 een antiquariaat in de Hartenstraat, een van de negen straatjes in het centrum van Amsterdam. Menig bekende Nederlander en veel bekende en minder bekende schrijvers hebben we in onze winkel over de vloer gehad. Johan Cruijff, Rem Koolhaas, Connie Palmen – waarvan we ook boeken kochten – en Gerrit Komrij om er een paar te noemen. Martin Bril was een van de graag geziene klanten. Mijn compagnon ging om de zoveel jaar bij Bril langs om boeken uit zijn collectie mee te nemen, veel literatuur, biografieën en muziekboeken. Ik stond een keer met Bril voor de etalage te praten en naar buiten te kijken en ineens schoot hij de straat op en riep nogal luidruchtig: ‘Kees, Kees, wacht even.’

    Met grote passen stapte hij op een man af in een lange creme-kleurige overjas en dito gekleurde hoed op. Daar liep Kees Fens  door de Hartenstraat op weg naar zijn huis op de hoek van de Keizersgracht. Hij begroette de druktemaker hartelijk. Samen liepen ze verder. Dat moet rond 2006 zijn geweest. Kort daarna was ik bij Fens om boeken te kopen, die opgestapeld stonden langs de kasten met poëziebundels en andere parels. Tot aan zijn dood kocht en las hij alle poëzie die uitkwam in Nederland, van debutant tot gevierde dichter. Wat een hongerige geest had hij, tot vlak voor zijn dood in 2008. De boeken die ik meekreeg had hij vaak enige tijd daarvoor gerecenseerd voor de Volkskrant, niet alle boeken kon hij meer in zijn kasten kwijt. Als ik kwam moest ik meestal eerst even met hem zitten en dan bespraken we de actualiteit – vaak voetbal – en het verbaasde me steeds weer dat ik – dertiger damals – met deze erudiete man een evenwaardig gesprek kon voeren.

    Fens nam je als gesprekspartner serieus. En dat zal vast niet zijn gekomen doordat ik zulke scherpe en intelligente opmerkingen maakte, maar eerder door zijn eigen open houding naar jou, als mens toe. Ik begin er bijna filosofisch-christelijk over te spreken, maar zo ging het wel. Naastenliefde, om in religieuze temen te blijven, moet hoog bij hem in het vaandel hebben gestaan. Fens toonde me dat je met onbevooroordeeld zijn en open naar alles wat er om je heen gebeurt, je tot op hoge leeftijd soepel van gedachten kunt zijn. En daarmee ook blijft deelnemen aan het leven. Zo kan ik me herinneren dat Fens eens in een tv-programma zat met Bas Heijne als presentator. Rudy Kousbroek en Henk Hofland zaten ook aan tafel en ze hadden het over het woord ‘leuk’. Kousbroek en Hofland zaten letterlijk en figuurlijk als oude mannen onafgebroken af te geven op dat woord dat zou staan voor de vervlakking in de samenleving. Het cultuurpessimistische gepruttel was niet van de lucht. Maar Kees Fens vond dat allemaal wel meevallen en liet een veel minder somber geluid horen. Hij was eerder een kritische relativist dan een somberman. Het voedde mijn sympathie voor hem. Als ik aan Kees Fens denk, dan weet ik weer hoe in het leven te staan. Wat een leuke man was dat.