• Meesterlijk beschreven

    Had ik nu echt tijdens een borrel tegen een schrijver gezegd dat ik aan een boek werk? Op de gekste momenten komt het bij me naar boven. Als een pop-up op de online pagina van een dagelijkse krant. Het verstoort mijn denken, zou het willen wegklikken.

    Het is dat hij het vroeg, de schrijver. Tijdens die borrel werd hij geïnterviewd over zijn boek Het archief. Na afloop vroeg hij (indringende blik) wat ik meer deed dan redactiewerk, columns. Alsof ik iets op te biechten had, zei ik het, van het boek. Hij knikte, ‘Ja, ja.’ Alsof hij het wel gedacht had. 

    Als iemand me in ‘real life’ aanspreekt op dingen die online verschenen zijn, hakkel ik me erdoorheen, spreek met stompe woorden. Zoiets. Ik vrees dat het ook werkelijk een boek gaat worden. En dan. Hoe houd je de dingen uit elkaar.

    Nog een geluk dat ik niet over zijn moeder begon. Niet dat gesprek voerde dat fietsend vanaf het station naar de borrel zomaar in mijn hoofd ontstond. ‘Goh, ik zag je moeder afgelopen zomer op Terschelling.’ Dat hij zou zeggen, ‘Oh, wat leuk, ja, ze heeft daar een huisje.’ Ik onderbrak mezelf: ‘Oh nee, geen sprake van. Je zegt niet dat je zijn moeder op een vroege ochtend bij een duinopgang op Terschelling zag.’ 

    Ik ging die ochtend met de jongste dochter zwemmen in zee. We kwamen niemand tegen.Toen zag ik haar aankomen fietsen. Ze stopte bij duinopgang Formerum, juist waar wij naar boven moesten. Ze zag er ontspannen uit, mooi ook, ze droeg iets in zwart wit. Mijn dochter had geen idee. Ik fluisterde, alsof het een zeldzaam duinvogeltje betrof dat ik niet wilde doen opschrikken, ‘Kijk, daar staat een belangrijk feministisch schrijfster, weduwe van die en die.’ Bij het zien van haar aanwezigheid, begreep ik opeens dat het wegvallen van een partner verdrietig en bevrijdend kan zijn. Het Beladen huis was nog niet verschenen. 

    Eigenlijk wilde ik het hebben over Het archief. Ik loop er al maanden mee, maar dan verschijnt die pop-up weer in mijn hoofd. Nee, dat is niet het ergste, wel het ontbreken van de juiste omschrijving van dit boek. Steeds denk ik, het is meer dan een geweldig knap geschreven boek over een literair tijdschrift. Het gaat om hoe de dingen samenvallen. De schrijver met zijn verhaal, het alter ego van de schrijver met de vader, de moeder uit Het archief, en dat weer met het dus later verschenen Beladen huis. Dat het oprechte personages zijn, er oprechte verlangens spelen. Dat verlangens een drijfveer zijn om ergens te komen. 

    Het alter ego van de schrijver wil van betekenis zijn in de literatuur. Al is het maar in de marge, als redacteur van het literaire tijdschrift Arabesk bijvoorbeeld.  Even was het alter ego bang dat hij gevraagd werd op de merites van zijn bekende vader. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk de goedkeuring van zijn vader voor hem is. Hij legt het aanbod zijn vader (oud-hoofdredacteur opinieweekblad, programmamaker, acteur, schrijver) voor. Die zegt: ‘Mijn advies: gewoon ja zeggen.’
    Als je daarvoor gevraagd wordt, zeg je geen nee. Vertel mij wat.

    Maar dat de dingen zich niet laat dwingen, ook niet in een literair tijdschrift. Literatuur op zich is geen ‘spread the word’ ding.

    Ik lees over de nauwgezet beschreven redactievergaderingen, kwaliteit van ingezonden stukken, presentaties nieuwe edities, hoop (die gaandeweg vervliegt) op meer abonnees, zoeken naar een nieuwe uitgever, weer een nieuwe uitgever.En daar tussendoor de uitzonderlijk tedere beschrijvingen van de vader. De meesterlijk beschreven observaties. Zoals de dag dat zijn vader de diagnose kanker stadium vijf krijgt. De specialist zegt: ‘“(..) ik kan me voorstellen dat dit alles u nu een heel onwerkelijk, akelig gevoeletje geeft. Maar ik zou u willen vragen: heeft u een fijn leven gehad?” Mijn vaders handen belanden op de stoelleuningen, vielen ervan af, hij knipperde druk met zijn ogen. (…)
    “Jawel”, zei mijn vader. “Alleen het was nog niet helemaal klaar. En… ik ben niet zo geneigd tot grote tevredenheid.”
    “Het gras is groener aan de overkant?” vroeg de specialist.
    “Het gras is gewoon niet zo groen.’”

    De vader die daarna in het  ziekenhuiscafé bibberend een kopje thee drinkt. ‘Pas in de taxi naar huis vloekte hij. “Godverdomme zeg,” doorbrak hij de minutenlange stilte. “Had die arts het nou over een gevoeletje?”’
    Dat de vader overal bovenuit stijgt, daar kan een literair tijdschrift niet tegenop. Ik heb het over een zeer goed boek. 



    Het archief / Thomas Heerma van Voss / 274 blz. / DasMag


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en ziet.

     

  • Geen rozen zonder doornen

    Ik heb nooit geluk met rozenstruiken in mijn tuin. Of ze gaan onmiddellijk dood, of ze zitten al na een week vol met luis. Ze willen niet bloeien en ontwikkelen in plaats van knoppen alleen zwarte valse scheuten met doornen van een duim dik. De rode stamroos die ik nu in de tuin heb staan – die ik niet op de mesthoop kan gooien omdat ik hem van een vriendin gekregen heb – heeft zich ontwikkeld tot een vervaarlijke hydra met meer uitsteeksels en prikkers dan zelfs Hercules zou kunnen bevechten.

    Toch ben ik op een zonnige middag de strijd aangegaan, gewapend met een scherpe snoeischaar die ik achter mijn rug verborgen hield. De struik loerde vals naar me uit al zijn oogjes en stond in gevechtshouding, klaar om zich te verdedigen. Het duurde niet lang of ik was overdekt met schrammen en krassen waar het bloed uit sijpelde, alsof ik was aangevallen door een boosaardig creatuur met enorme klauwen en tanden. Uiteindelijk behaalde ik de overwinning en was de struik gesnoeid, maar nog dagenlang droeg ik de sporen van de slacht en werd me gevraagd of mijn katten echt zo vals waren.

    Hoe had zo’n gemene bloem ooit het symbool van de romantische liefde kunnen worden? Ik kon niets vinden in de literatuur dat wees op de duistere kant van deze plantaardige harpij. Ik herkende wel iets in het vreemde, enigszins masochistische gedicht van Nijhoff, al waren het niet de rozen zelf die zich agressief gedroegen:

    ‘ De rozen 

     Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen
     Bloeiend zijn, groot en rood –
     Zoolang zal ook mijn liefde
     Bloeiend zijn, groot en rood’.

      Ze stonden stil in de vazen,
     De rozen van mijn geluk:
     Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
     Toen kuste ik zijn rozen stuk. 

     Ik heb in de bloemen gebeten,
     Ik proefde het bittere bloed –
     En hij nam de doornige steelen
     En sloeg mij – en dat was goed.’

    Alleen in het gedicht van Goethe uit 1789, ‘Heidenröslein’, door Schubert op muziek gezet, wordt iets verteld over de dreiging die van een roos kan uitgaan. Als een jonge knaap een roosje wil plukken – symbool voor het verlies van maagdelijkheid – en de roos haar doornen gebruikt om hem te steken. Het viel me op dat bij zowel ‘der Knabe’ als ‘das Heidenröslein’ het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval gelijk is: ‘ihm’ , waardoor het niet duidelijk is op wie de laatste strofe betrekking heeft:
    ‘Und der wilde Knabe brach/ ’s Röslein auf der Heiden;/ Röslein wehrte sich und stach,/ Half ihm doch kein Weh und Ach, / Musst’ es eben leiden.’

    Ik dacht ook altijd dat de gestoken knaap het slachtoffer was, maar nu denk ik dat het de roos is. Heeft Goethe daarmee echt een gedicht geschreven over een brute verkrachting? Er zijn weliswaar meerdere interpretaties, maar nu zal ik het lied nooit meer anders kunnen lezen. Daarom wil ik de rozenstruik volgend jaar liever niet meer snoeien, beter voor de roos, maar ook voor mijzelf.

     

    Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Prometheus (1990)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • Verschuivingen

    Dat ik steeds minder veranderingen verdraag. Ik, die niets liever doet dan de woonkamer anders indelen. Columnisten die verdwijnen, ergens anders weer opduiken. Sylvia Witteman weg bij de Volkskrant (onbestaanbaar). En waar blijft Stephan Sanders? En een boekenprogramma waarbij het publiek onzichtbaar is. Na het verdwijnen van het radioprogramma De Avonden ben ik eigenlijk uit de koers geraakt. Nu switch ik als een op hol geslagen paard van podcast naar podcast. Ik verlang naar oogkleppen. Nu de zon zo fel de lente verkondigt, sluit ik de gordijnen, treed gezonnebrild naar buiten. 

    Ik hecht dus aan dingen, aan gewoonten. Waarom dan die woonkamer. Schuiven met kasten en tafels door de kamer, eerst de chaos. Dan wordt het een andere beleving, die kamer. Soms wekelijks, naar gelang het seizoen, weertype ook. Humeur heeft er ook wel mee te maken. Tot zover de zelfanalyse. Het ontbreekt me aan een onderbouwing.

    De vrouw van Nick Cave doet hetzelfde, my sorrowful wife / Who is shifting the furniture around’. Hij vindt het niet leuk die veranderingen. ‘Dus gebeurt het als ik niet thuis ben’. Dat vrouwen dat dus gewoon zijn te doen, de dingen om zich heen verschuiven, ‘the furniture around’. Dat daar geen plan aan ten grondslag ligt.

    Er is nog iets wat ik niet verdraag. MarjaPruis heeft haar column plek in De Groene Amsterdammer afgestaan. Er staat: ‘Op deze plek wordt Marja Pruis de komende tijd vervangen door Maartje Wortel’. Dat niet weten hoelang de komende tijd gaat duren.

    Terug naar Nick Cave. Hij bezocht een psychiater om velerlei redenen. Uiteindelijk hadden ze het alleen maar over zijn vrouw, Susie. ‘Die veel interessanter is dan ik’, volgens Cave. De psychiater zei dat herinrichten iets is dat vrouwen doen als ze niet doen wat ze eigenlijk moeten doen. En wat ik daarvan moet denken. Dat ik ga schuiven als ik eigenlijk moet schrijven. Alsof een veranderde omgeving de ideale zal zijn.    

    Ik dacht er weleens over om in therapie te gaan. Te onderzoeken waar die onbedwingbare drang om banken en kasten van hun plek te verslepen vandaan komt. Nick Cave vertelde over een man wiens vrouw dit ook deed. De man timmerde alle meubelen aan de vloer vast. De vrouw rukte ze weer los, ze scheidden. Dwang is niet met dwang te bestrijden. Dat ik er wel eens van droom een schuurtje midden op een kaal stuk land te betrekken. Of en nieuwe taal te leren.

    Dan, terwijl ik aan dit stukje typ, klik ik naar Tirade.nu. Oh, afleiding, dit online open veld is niet te weerstaan. Klik, en weg ben ik, lees. ‘Net buiten de dammen op de hoogte van Ooltgensplaat begon de wind in de zeilen te blazen en begon het schip te lopen. De meeste binnenvaarders waren al snel uit het zicht; een verschillende manier van tijdsbeleving. Tango klonk op het achterdek en toen de zon doorbrak werd een gitaar buiten gebracht. De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’

    Verscholen in een aantrekkend blog van Wiebe Radstake staan namen als ‘Ooltgensplaat’, begrippen als, ‘en begon het schip te lopen’. En deze zin, ‘De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’ Een woord als ‘kluiver’, ‘aangeslagen en gehesen’, geeft me vleugels, tilt me op. En dan die tango en gitaar op het achterdek, betoverend gewoon.

    Kunst werkt evenals het verschuiven van meubels, van woorden het gemoed te verlichten. Depressieve jongeren in Brussel krijgen al langer van hun arts een recept voor museumbezoek. Deze week volgde Zwitserland met dezelfde receptuur. We moeten van de bank af, of die bank tegen een andere muur zetten, liefst midden in de kamer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en ziet.

  • Kunst en literatuur in Suriname

    Op 14 januari werd aan Cynthia Mc Leod een belangrijke Surinaamse Cultuurprijs, vernoemd naar de Surinaamse dichter Trefossa, uitgereikt. Kevin Headley schreef erover voor de Surinaamse krant De Ware Tijd.


     

    De Henri Frans de Ziel (Trefossa) Cultuurprijs 2025 is dinsdag uitgereikt aan de gerenommeerde schrijfster en cultuur ambassadrice Cynthia Mc Leod. Naar mijn mening geheel verdiend. Tante Cynthia, zoals ik haar ook respectvol noem, heeft door haar boeken, maar ook door haar onderzoek en presentaties, Suriname steeds waardig gepresenteerd. Daarbij blijft ze kritisch. Ze is nog steeds een bron van inspiratie voor velen, ook voor mij.

    De samenleving van Suriname is in ontwikkeling en moet geprikkeld worden met diverse bronnen om kritischer te worden. Kunst en literatuur zijn daarbij belangrijke onderdelen. Veel mensen in Suriname weten nog te weinig over hoe je naar films of beeldende kunst kunt kijken, hoe je literatuur kunt interpreteren en hoe je zowel kunst als literatuur kunt inzetten om vraagstukken van de samenleving zichtbaar te maken en te bespreken. Het is vrij makkelijk om dit op het bord van het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur te leggen, terwijl wij als samenleving er zelf ook wat aan kunnen doen.

    Het stimuleren van kunst en literatuur kan al vroeg beginnen. Samen tekenen en kleuren met onze kinderen, met hen naar goede en educatieve films kijken, boeken lezen en daarna met hen praten over wat ze hebben gezien of gelezen, zijn simpele acties die kinderen en jongeren kunnen prikkelen om zelf op zoek te gaan naar kunst en literatuur. Denk bijvoorbeeld aan het voorlezen van klassiekers zoals ‘Hoe duur was de suiker’ van Cynthia Mc Leod of verhalen van Edgar Cairo. Deze verhalen kunnen niet alleen een inkijkje geven in onze geschiedenis en cultuur, maar ook een basis leggen voor kritisch denken en waardering voor het geschreven woord.

    Naar de mensen toegaan met kunst en literatuur is meer dan ooit een must. Velen focussen zich nu vooral op overleven door de economische crisis en hebben nauwelijks ruimte voor culturele uitstapjes die juist belangrijk zijn voor de mentale gesteldheid. In het verleden heeft zowel Readytex Art Gallery als Villa Zapakara kunstprojecten uitgevoerd waarbij zij scholen bezochten. Gedurende deze projecten kregen jongeren de kans om kunst te ervaren en samen te werken met kunstenaars, wat resulteerde in de creatie van diverse kunstwerken. Ook projecten zoals het Jongeren Boekenweek Festival hebben de doelgroep in aanraking gebracht met Surinaamse schrijvers, waardoor literatuur tastbaarder en relevanter werd.

    Kunst en literatuur zijn altijd belangrijke onderdelen geweest in mijn leven. Als kind volgde ik tekenlessen op de Nola Hatterman Art Academy. Daarnaast heb ik veel geleerd door gesprekken met schrijvers en kunstenaars zoals George Struikelblok, Marcel Pinas, en Sri Irodikromo. Mijn waardering voor literatuur is gegroeid door ontmoetingen met schrijvers zoals tante Cynthia, maar ook Chris Polanen en Robby Parabirsing, beter bekend als Rappa. Ook gesprekken met filmmaker Pim de la Parra hebben mijn appreciatie voor filmkunst verhoogd.

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

     

     

  • De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Huldebiet

    Wat ik gehoord heb, kan ik me later niet goed meer herinneren, maar wat ik gelezen heb, vergeet ik niet meer. Daarom ben ik geen liefhebber van voordrachten en werken luisterboeken niet voor mij. Als ik een tekst goed wil begrijpen, wil ik die graag zelf lezen. Dan ontstaat er ook geen misverstand doordat ik iets verkeerd verstaan heb. Zoals vroeger op school tijdens de catechese, waar we vragen en antwoorden van buiten moesten leren. Op de vraag ‘Waarom kunnen wij God niet zien?’ gaf ik met volle overtuiging het antwoord: ‘Hij heeft geen licht aan.’ Dat het ‘lichaam’ moest zijn, had ik niet verstaan. Zo liet ik ook Kortjakje uit het kinderliedje met een ‘broek vol zilverwerk’ lopen in plaats van een ‘boek’. Muntgeld bewaarde je toch in je broekzak? En het meisje in ‘Daar was laatst een meisje loos’ werd ‘een meisje boos’, want het woord ‘loos’ was me niet bekend. Dit soort vergissingen, waarbij je zelf invult wat je denkt te horen, wordt Mondegreens genoemd, naar een Schotse ballade uit de 17e eeuw, waarin de volgende strofe staat:

    ‘Ye Highlands and ye Lowlands,
     Oh, where hae ye been?
     They hae slain the Earl of O’ Moray,
     And laid him on the green.’

    De laatste versregel werd verkeerd verstaan en is de geschiedenis ingegaan als: ‘And Lady Mondegreen.’ Zo’n aanpassing ontstaat als de luisteraar niet goed bekend is met de brontaal, als woorden niet begrepen worden of als de spreker niet duidelijk articuleert. In het lied ‘Hallelujah’ van Leonard Cohen speelt David op zijn harp voor koning Saul, die door Cohen in mijn oren ‘the battle king’ genoemd werd en soms, bij twijfel, ‘the barefoot king’. Toen ik de tekst opzocht, bleek het ‘the baffled king’ te zijn. Ik was net zo verbijsterd als de koning zelf.

    In het Nederlands wordt de term ‘Mondegreen’ vaak aangeduid door ‘mama appelsap’, naar een verkeerd gehoorde regel van een lied van Michael Jackson. Maar mooier vind ik de vondst die taalkundige Nicoline van der Sijs voorstelde: ‘Huldebiet’, omdat in het Liedboek voor de Kerken het lied ‘Neem mijn leven’ de versregel bevat: ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied/ U, mijn Koning, hulde biedt.’ Een jongetje wilde weten wie koning Huldebiet eigenlijk was. 

    Een gedicht dat je niet goed verstaan hebt, kan een huldebiet opleveren; Toon Tellegen schreef een gedicht dat een huldebiet als onderwerp heeft:

    ‘Ik schreef je dat je geen illusies…
     ik heb het je meteen gezegd, de eerste keer,
     ik had het bij me op een briefje
     en ik schreef het op de rand van een krant
     en op een kalender aan je muur,
     en ik zei het in je oor, in de deuropening,
     en op straat, aan een kade,
     ik riep het naar je over het water
     in het licht van een zwiepende straatlantaarn,
     en jij riep terug;
     “Ik ook van jou”.’

    Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig, zegt men, maar een slechte heeft aan een heel gedicht nog niet genoeg. Daarom geldt voor mij: liever lezen dan luisteren.

     

    Uit: De andere ridders (1984) / Toon Tellegen


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Schermeriaanse wijze

    Marijke Schermer staat op de shortlist van de Librisprijs. Ik veerde op van de bank toen de goednieuwsbrenger met het goudkleurige tasje van de Libris Literatuurprijs bij haar de trap opliep. Schermer zei, ‘Oh, oh, oh, oh’ (vier keer). Toen vroeg ze of ze de eerste was die ze bezochten (maandagochtend voor 9 uur). ‘Uhm’, zei de goednieuwsbrenger en het beeld ging van Marijke Schermer naar een opname van Maurits De Bruijn, die uit eenzelfde tasje een pakket boeken haalde, bij opening Schermer bovenop vond. ‘Oja, Marijke Schermer met in het oog’. 

    Ik riep naar de man in de keuken dat het een geweldig boek is. Over een vrouw, (Nicola) pragmatisch als een  timmerman die bij het zien van een losse trapleuning hamer en spijkers pakt. Nicola deed me wel wat aan de man denken. Vooral in de conflictoplossing. Ik liep naar de kast, legde In het oog naast me op de bank. Keek naar de beelden van de andere genomineerden. Daar was Schermer weer in beeld. Voor haar op tafel lagen de vijf boeken. Ze tikte ze een voor een aan. Zei, (tik op Joost de Vries) ‘Ik heb deze gelezen’, (tik op Ellen Faun), ‘Deze gelezen’, (bij Safae el Khannoussi) ‘deze heb ik al wel maar nog niet gelezen’. Bij het eerste en laatste boek, ‘Niet gelezen, niet gelezen’. ‘En wie wordt de winnaar?’, vroeg de goednieuwsbrenger alsof hij met een van de juryleden sprak. ‘Tsja’ zei Schermer (ik zag haar denken), ‘Daar zeg ik… daar doe ik geen uitspraak over.’ 

    Ik houd van de romanfiguur Nicola, om haar onconventionele manier van leven. Haar relaties lijken niet te slagen omdat ze niet op zoek is naar geborgenheid (weten we eigenlijk wel wat geborgenheid doet met de mens?). Haar geliefde ‘trekt’ dat niet meer, verlaat haar. In een poging het uit te praten, dacht Nicola: ‘Bee zag er mooi uit en een beetje verhit en ze had al een tijdje niets gezegd, geloof ik. Of was ik aan de beurt? (..) ‘Zullen we naar bed gaan vroeg ik.’ Ze dacht als we tegen elkaar aanliggen, komt het wel goed. Vertel mij wat. In elke relatie is er een natuurlijke verdeling. De een houdt de boel in beweging, de ander beweegt mee, of niet. Niks mis mee. Tot die ene vindt dat die ander ook weleens in beweging mag komen. Ik denk geregeld aan Rudger Koplands ‘Geluk is gevaarlijk’. Toen ik dat voor het eerst las, leefde ik ervan op. Door In het oog moest ik daar weer aan denken.

    Over liefdesrelaties schrijft Schermer: ‘…begeerte is vaak de motor achter liefdesrelaties en daarmee ook het net waarin je gevangen kunt raken. Het opent allerlei zuchtigheid, of wakkert die aan, zoals het verlangen naar geborgenheid bijvoorbeeld.’ Zie hier, geborgenheid in de betekenis van geestdodend middel. En ‘zuchtigheid’, wat een prachtig woord om verlangen, aanbidding mee te vervangen.
    Marie, de dochter van Nicola is actievoerder voor het klimaat. Hoe Schermer het doet weet ik niet, maar naast het belang van liefde, dringt de teloorgang van alles dat vaststond, waar we op bouwden, tot ons door. En dan het einde, dat niet het einde is. ‘Dit is nog maar het begin.’, schrijft ze. Ik bewonder de schrijfster die zulke boeken schrijft. Dat je hoopt dat op 19 mei, als… dat dan… Omdat het een knap boek is, met verhaallijnen die steeds kantelen, ten goede, ook als het niet goed gaat.
    Lees dit boek. Wordt gelukkig op Schermeriaanse wijze.



    In het oog / Marijke Schermer / 191 blz. / Van Oorschot
    Lees ook: interview Marijke Schermer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

  • Kleine details

    Boeken verzamelen zich op de keukentafel, tussen de kommen op het schap aan de muur, de trap naar boven, naast de bank, in vensterbanken. Soms valt er een stapel om, struikel ik erover. En dan. De man begon steeds meer te lezen. Eerst merkte ik het niet zo. Tot ik zag dat hij alweer in een ander boek begonnen was. Hij las meer boeken dan ik kon weglezen in een week. Dat alles omdat ze voorhanden waren (is dit geen tip?). Een goed gesprek was niet meer mogelijk, hij hummend vanachter de kaft van een boek. Daar moest iets mee. Ik begon met de boekenkasten. Stopte boeken van Brouwers, Roth, Van der Heijden, een deel van Palmens oeuvre, Primo Levi, Flaubert en veel van wat daar tussen stond in dozen. 

    Met die boekendozen verdween er een bepaalde zwaarte naar zolder. Zoals de woede van Antonius, een personage in een verhaal in de bundel Tussen de mazen, in een scheur in het plafond verdwijnt. Geweldig om iemands woede in een scheur in het beton te laten verdwijnen. Dat kan een schrijver. Dat doet Mariska Kleinhoonte van Os.

    Dagelijks bezorgt de post hier boeken (jaja, vandaar). Vorige week werd Tussen de mazen  bezorgd. Ik begon er meteen in te lezen. Niet elk boek is direct pakkend, deze verhalen lieten niet los. Door de details, de beschrijvingen die onder een eerder geschetst beeld worden gezet. Voornamelijk mannen in deze verhalen. Verloren mannen, achtergebleven in een leven waarin ze in de steek gelaten werden door hun vrouw, de dood of hun geest. Wat de verhalen beslist niet een van hetzelfde soort maakt. De verschillende vertelstemmen boeien me bovenmatig.

    In ‘De Onwetende’ gaat een dochter haar vader in een verzorgingshuis bezoeken. ‘Ik overwin mijn weerzin en stap de spruitjeslucht in, mijn voetstappen worden gedempt door hoogpolig tapijt waar ik onder geen beding met blote voeten op zou willen lopen.’ Dit zet iets in beweging, doet me aan Jeroen Brouwers denken. Aan iets waarover hij schreef in een van zijn boeken die hij in het Krekelbos in België schreef. Details als huidschilfers, huid die zich zevenjaarlijks vernieuwd. Onzichtbare schilfers die loslaten, in bed achterblijven, in tapijt verdwijnen. Dat je op een tapijt dat niet je eigen is niet met blote voeten gaat. Daar staat iets dat ik ten volle begrijp.

    Brouwers noemde zichzelf geen verhalenverteller, maar ‘boetseerder’ met taal. Er moest een onderstroom zijn die het verhaal naar boven stuwt, die kneedde hij erin. Stuwend zijn ook de verhalen van Kleinhoonte van Os. Vanaf de eerste regels van elk verhaal wil je door. In het prachtige verhaal ‘Oom Karel’ worden de geheimen van een familie belicht. Sommige dingen blijven duister, wat bovenmate intrigeert. Het begint zo: ‘Ik was zeventien toen ik hem leerde kennen. We zaten in de achterkamer van het huis van opa Vos. Als kind mochten we niks van opa Vos, zoals we hem steevast bleven noemen.’
    Ik wil direct weten: Wie leerde ze kennen, waarom mochten ze (wie zijn ‘ze’) niks van die opa en waarom bleven ze hem ‘steevast’ opa Vos noemen. Met soepele vertelstem wordt er een familie geschiedenis naar boven gehaald. Tijdens de uitvaart van opa Vos ontmoet ze oom Karel voor het eerst. Een zachte man, een man met een trauma. Opgroeiend raakt ze aan hem verknocht. Een rijk en mooi verhaal. Tot je het einde leest.

    Later trok ik op zolder dozen achter het schot vandaan. Mijn ogen scanden de naar boven gekeerde ruggen van boeken. Dat weerloze. Geen Brouwers. Volgende doos. De man vraagt wat ik zoek. Ik vraag niet of in de laatste drie dozen die hij vorige week naar de kringloop bracht, boeken van Brouwers zaten. Ik geloof graag dat ik geen ondoordachte dingen doe. Tegen beter weten in ging ik naar beneden, naar de boekenkast. Weer die ruggen (sterker als ze staan). En kijk dan toch, De zondvloed! Het boek dat ik in 1988 gelezen heb bleef staan. Wie leest verzamelt onvergetelijke dingen, ook als je denkt ze te zijn vergeten. Een schrijver in een andere tijd kan alles wat was weer in beweging brengen. Door kleine details, door het voorstellingsvermogen van een schrijver van een indrukwekkende verhalenbundel.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Papa de Kom

    Wij slaven van Suriname (1934), het baanbrekende boek van Anton de Kom, was het eerste werk dat de geschiedenis van Suriname vertelde vanuit het perspectief van de tot slaaf gemaakten en de onderdrukten. Dit maakt De Kom een pionier in de dekoloniale geschiedschrijving. Zijn nalatenschap leeft voort in de strijd voor sociale rechtvaardigheid, onderwijs en emancipatie. Zijn naam is verbonden aan instituten, zoals de Anton de Kom Universiteit van Suriname en zijn gedachtegoed blijft relevant in discussies over koloniale erfenissen en identiteit.

    Deze week vonden in Suriname en Nederland diverse activiteiten plaats die verband hielden met Anton de Kom. In Suriname werd dinsdag 18 februari de lezing ‘Wil de echte wereldburger opstaan?’ georganiseerd door de Anton de Kom-leerstoel en de Adekus. Inleider en leerstoelhouder Guno Jones verklaarde dat Anton de Kom zich verzette tegen onderdrukking en uitbuiting. ‘De Kom was een organische activist die de noden van arbeiders uit verschillende etnische groepen in kaart bracht. Na zijn uitzetting voltooide hij zijn manuscript.’
    Donderdag bood de Gemeente Amsterdam een speciale heruitgave van Wij slaven van Suriname aan de stad Amsterdam aan, ter gelegenheid van het tachtigjarige jubileum van de bevrijding van Nederland van de nazi’s. Vanaf 22 februari, de geboortedag van De Kom, is deze editie gratis verkrijgbaar bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA). Exemplaren worden ook naar Suriname gestuurd.

    Het is duidelijk dat De Kom zich inzette voor alle Surinamers. Bij zijn huis in Paramaribo, in de straat die naar hem is vernoemd, nam hij plaats op een stoel en tafel en deed iets dat nauwelijks werd gedaan in die tijd: hij luisterde naar de noden van de arbeiders en schreef die op. Arbeiders van verschillende bevolkingsgroepen, hij maakte geen onderscheid. Zij noemden hem uit respect ‘Papa de Kom’.

    Voor zijn open oor en kritische blik op de overheersers werd hij opgepakt en in de gevangenis gezet. Op dinsdag 7 februari 1933 volgde er een protest voor de vrijlating van De Kom. De politie kreeg het bevel om het vuur te openen op de demonstranten. Er vielen twee doden en 22 gewonden. De dag staat in geschiedenisboeken bekend als ‘Zwarte Dinsdag’.

    Zijn boek kwam ik jaren geleden tegen toen ik informatie zocht over de vrijheidsstrijder Boni. Ik werd aangenaam verrast, want naast de informatie was ik ook onder de indruk van de schrijfstijl van De Kom. Wij slaven van Suriname is geschreven in ouderwets Nederlands, maar nog steeds goed te begrijpen.

    De Kom was sarcastisch over verschillende aspecten van het verleden van Suriname, zoals de manier waarop de overheersers naar de Surinaamse samenleving keken. Wat het boek destijds echter duidelijk maakte, is dat ik – en wij – van veel niet afweten over ons eigen verleden. Veel zaken zijn onbekend en nog verborgen, niet alleen over het slavernijverleden.

    Iemand tot een held maken is subjectief. Je bepaalt namelijk op basis van je eigen inzichten of je iemand als een held beschouwt. Ik vind De Kom een held, omdat hij het lef had om tegen de stroom in te gaan, informatie te onderzoeken, vast te leggen en te delen, met het besef dat dit ooit van belang zou zijn. De Kom moedigde mensen aan om op te komen voor hun rechten en achter hun principes te staan.

    ‘Is het gedachtegoed van De Kom goed doorgedrongen in de Surinaamse samenleving?’ vroeg onderminister en historicus Maurits Hassankhan aan de zaal aan het einde van de lezing van Jones. Een vraag die ik ook meegeef aan de lezers.

     

     

    Notie: Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De ware tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

  • Woede als aanjager

    Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

    De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

    A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

    Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

    Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

    Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

    Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

    ‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

    Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

    Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

     

     

    Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Linedancen

    In de trein naar Den Bosch klampte een dame met vuurrood geverfd haar elke reiziger aan om te vragen welke bus naar de Brabanthallen ging. Haar stem, die hoog en luid was, schoot door de paniek nog wat door toen niemand haar antwoord kon geven. Toen ik aan de beurt was, zei ik naar waarheid dat er geen bus reed en dat ze zo’n tien, vijftien minuten zou moeten lopen. Haar helblauwe ogen sperden zich wijd open toen ze me angstig vroeg naar de route. Na een paar omstandige, maar vruchteloze pogingen om het haar uit te leggen, besloot ik haar onder mijn hoede te nemen. Ik moest toch dezelfde kant uit. Ze liep gewillig met me mee naar de parkeerplek achter het station waar ik afgesproken had met mijn vriendin.

    Elk jaar in januari wordt er in de Brabanthallen in Den Bosch een gigantische, driedaagse boekenmarkt gehouden ten bate van het goede doel. Al jaren zijn mijn vriendin en ik trouwe bezoekers: boeken zoeken en bijkletsen, de hele dag lang. Ik wist zeker dat ze geen bezwaar zou hebben om ook deze dame mee te nemen.

    Zoals ik al verwacht had, wuifde mijn vriendin mijn uitleg weg en zette de dame achter in de auto. Ze kwam uit Gouda, vertelde ze, en wij keken elkaar waarderend aan: dat was een echte boekenliefhebster! Die had er een lange reis voor over! Toen mijn vriendin de auto bij de Brabanthallen parkeerde, vertelde ik de dame dat ze gerust met ons mee kon gaan naar de boekenmarkt. Waarop ze luidkeels brulde: ‘Ik wil geen boeken, ik wil linedancen!’

    Wezenloos staarde ik haar aan, maar mijn vriendin was sneller van begrip. We hadden al diverse mannen en vrouwen op de parkeerplaats zien lopen met grote cowboyhoeden, laarzen met rinkelende, blinkende sporen en kleding met franje, – maar geen enkele Indiaan – die naar een Western-festival gingen in een ander gedeelte van het enorme complex. Het was niet tot me doorgedrongen dat er nog andere evenementen waren waar je naar toe kon gaan. Mijn vriendin keek me bestraffend aan: boeken zijn niet voor iedereen een levensbehoefte, zei ze, er bestaan ook mensen met andere passies, al kon ik me dat niet voorstellen. Ze had gelijk, daarom is het volgende gedicht, met welgemeende excuses, voor de dame met het vuurrode haar:

    Los

    Dans en weet dat je bestaat
    dans een dans op hete kolen
    dans de gaten in je zolen
    dans tot de planeet vergaat

    dans als alles is gezegd
    dans tot je de tijd vergeet
    dans zoals je ademhaalt
    dans tot je de weg weer weet

    dans om nooit meer stil te staan
    dans de sterren en de maan
    dans de bomen en het bos
    niets meer vast en alles los

    We hebben haar een fijne dag gewenst en weg was ze. Daarna hebben we haar niet meer gezien; ik hoop dat op het einde van de show een stoere cowboy haar met zijn Mustang een lift gegeven heeft terug naar het station.

     

    Uit: Ingmar Heytze, Alle Goeds, 2001.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Tot de kern

    Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.

    Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.

    Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.

    Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen. 

    Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
    Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’

    Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook. 

    Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
    Op
     2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.

    ‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.

    Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?

     

     

    In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.