• Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Leeslijst

    Als tiener was ik altijd verliefd. Dat zeg ik nogal vaak, realiseer ik me, terwijl niets in mij terugverlangt naar de puberteit. Sterker nog, toen iemand eens zei dat je middelbare schooltijd de mooiste tijd van je leven is, sprak ik dat tegen met de kracht van een norse tiener. Ik had het niet slecht op school maar als dit al het hoogtepunt was, zou de rest van het leven nog wel erg lang kunnen duren.
    De middelbare scholieren hier in huis hebben het, zolang ze niet te veel huiswerk moeten maken, behoorlijk naar hun zin. Verliefdheden zijn verboden onderwerpen, al verschijnen er soms mysterieuze lachjes. Maar wanneer ik de oudste hoor zuchten en denk: ‘O hemel, dat is een verliefde zucht’, dan blijkt het vooral zijn frustratie over het saaie boek te zijn dat hij nu weer moet lezen. Theo Thijssen, De gelukkige klas – nee, niets voor hem.

    Zelf was ik verliefd op zeer onbereikbare mensen: de Kurt Cobainachtige jongen uit de brugklas; de frontman van Rammstein; een grappige leraar, een bloednerveuze gids bij een buitenlandse reis, enzovoorts. De paar jongens die mij wel zagen staan, stopte ik metersdiep in de friend zone. Het ging dan ook niet echt om iemand willen, eerder om het verlangen. Naast onbereikbare mansmensen was ik altijd verliefd op boeken – personages, verhaallijnen, zomaar mooie zinnen.
    Verlangen is de schitterende drijfveer van alles. Ik zie het aan de irritante bamboestruiken in de tuin: verlangen te overleven; aan dementerende ouderen die ineens weer naar een knuffel grijpen, of naar elkaar: het verlangen vast te houden en vastgehouden te worden. Ik zie het aan de katten, die ‘s avonds een voor een op bed druppelen; aan de dreumes, die telkens een lapje voor zijn gezicht houdt en het dan weer wegtrekt, schaterlachend opkijkt: een groot verlangen naar contact.

    De oudste puber slaat zijn boek dicht. Eventuele leesliefde is afgesneden door een verplichte lijst die niet aansluit bij zijn wereld en de dingen waarnaar hij verlangt. De gelukkige klas komt uit 1926. Zelf lees ik Karakter van Bordewijk, eerste druk 1939. Ik loop over van enthousiasme, ben verliefd op de taal en de personages (die moeder!). Maar had ik het op zijn leeftijd moeten lezen, onvoorbereid en met tegenzin, was de kracht ervan volledig aan me voorbijgegaan. Naar sommige dingen moet je groeien, leren verlangen. ‘Het interesseert me echt helemaal niets,’ zegt puber over het boek. Of de middelbare schooltijd de mooiste van zijn leven is, ik weet het niet – ik hoop het niet. Laat het mooiste vooral nog komen, zeker wat lezen betreft.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Ontdaan van alles

    Traag en slepend als de motor van de bevoorrading wagens die iedere ochtend met moeite de rotonde naar het dorp nemen, is het leven tot stilstand gekomen. Op de eerste dag luister ik in de vroege  ochtend naar het ontbreken van geluid. Dan een vogel, overdreven luid, alsof er iets gecompenseerd moet worden. Ik denk, ‘rustig, rustig maar, het komt goed’. Op de tweede dag fiets ik langs de uiterwaarden naar de dichtstbijzijnde stad. Aan de IJssel, waar het water over de kademuur stroomt telkens wanneer een boot voorbij gaat, drink ik meegebrachte koffie. Op de zesde dag schrik ik wakker. De stilte beneemt me de adem, er is een onpeilbaar gemis. Niet wetend hoelang ik mijn kinderen, mijn kleinkinderen niet zal zien. Ik onderdruk het verlangen nog gauw even bij ze langs te gaan voordat er – ja, voordat er wat gebeurt. 

    Ik weet niks, en als ik me heb losgerukt van alle nieuwtjes, de do’s and dont’s van deze dagen, struin ik met Maeve Brennan door New York City. We zitten aan een tafeltje in een bar, we kijken naar een man die binnenloopt, om zich heen kijkt, gaat zitten aan de bar, een drankje bestelt, dit opdrinkt, voor zich uit kijkt, afrekent en weer weggaat. Samen zitten we in een restaurant waar niemand binnenkomt. Mensen komen voorbij, staan af en toe stil om met hun hand boven hun ogen naar binnen te kijken. Om te zien of er nog plaats is, en als ze hebben gezien dat er genoeg plaats is, lopen ze door. ‘Binnen gebeurde er helemaal niets totdat er achter uit de eetzaal achterin vijf jongelui tevoorschijn kwamen, op weg naar de straat.’ Brennan brengt me goddank niet van mijn stuk. Alles is zoals het leven zelf, zonder er een mooi verhaal van te maken, te duiden, er is geen roering.

    Op een avond in 1962 verkleedt ze zich om uit te gaan, het is veertig graden Celsius en al laat als ze eindelijk klaar is. Ze snelt de zes trappen af naar beneden, ‘en dat ging prima tot ik bovenaan de laatste trap stond en daar struikelde en hals over kop naar beneden tuimelde. Mijn armen waren smerig en mijn witte handschoenen waren verpest en mijn haar zat los en ik zat op de vloer van de hal te denken dat ik in dat snikhete, vieze huis woonde en huilde van razernij.’
    Ik las deze column voor aan Mijn lief. Mijn stem raakte niet verstikt bij de tragikomische val-van-de-trapscene, ik moest bepaald niet lachen. Daarvoor is het te schoon wat zij schrijft, en weet je wat gek is, deze schoonheid kon ik niet delen. Mijn lief vond er niets aan, maar misschien kwam dat omdat hij de hele dag in de tuin had gewerkt. Ik vind het een gave, zo te kunnen schrijven dat wie het leest geen kans ziet het te vertroebelen met eigen emoties. Daar was dezer dagen grote behoefte aan.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Zonderlingen en buitenbeentjes

    De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.

    Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting:  Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’. 

    Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd  opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:

    Geschiedenis

    ‘Hier en daar een dorpsgek
    vecht nog zijn eigen oorlog,
    leunt nog tegen zijn leeggeruimd
    toneel van de wereld en wacht nog

    op volgende week betere komedianten.’

    Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en veellezer.

  • Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Wilhelmshaven


    De bus vanuit Jever scheurt door een buitengebied met aangeharkte grindpaden voor keurige twee-onder-een-kapwoningen die allemaal op elkaar lijken. Aan de lantarenpalen de resten van affiches van politieke partijen. ‘Grenzen sicheren’ lees ik. En even later ‘Diesel retten’ en ‘Heimat bewahren’. Voor een winkelruit hangt het bordje ‘Mittagruhe’. Het leven is eenvoudig hier en ik ben op weg naar Wilhelmshaven. Vanwege een herinnering aan een ansichtkaart die als kind diepe indruk op me maakte. Het enorme plein voor het toenmalige Grand Hotel – ik woonde daar vlakbij in Scheveningen – kende ik als een strak gazon waarop je niet mocht voetballen. Maar op de ansichtkaart stond het vol met motorfietsen, kleine vrachtwagens, aanhangwagens, stapels houten kisten en op de stoep een groep soldaten. Ze wachtten ergens op.
    Het vreemde contrast met de witte gevel van het Grand Hotel, een chique plek voor rijke mensen.
    De ansichtkaart is uit 1945, gemaakt een jaar voor mijn geboorte. ‘Duitse soldaten gaan terug naar Wilhelmshaven,’ zoiets stond erop. Waarom die afbeelding zoveel indruk op me maakte weet ik niet, het geheugen gaat zijn eigen gang. Misschien was ik al veel ouder toen ik die foto zag, maar parachuteerde dat beeld me terug in de tijd naar de speelplekken uit mijn vroegste jeugd. 

    In het scheepvaartmuseum in Wilhelmshaven herinnert weinig aan die tijd, in een hoekje zijn er wat foto’s waarop soldaten mager en vermoeid van boord gaan. De verliezers. Nee, neem dan de expositie ‘Souvenirs von Fremden Küsten’ met een ‘Königsstuhl’ uit Kameroen en een prachtig uit hout gesneden ‘Modell eines Renbootes’ en daarnaast een Pritsche (draagtafel) van de ‘Admiralitätsinsel – Bismarck Archipel in Melanesien’. Toe maar, de Pruisen die wisten wel wat ‘Heimat bewahren’ was, vooral de Heimat van een ander.
    In 1853 kochten ze van de landheren van het Jadegebied de enorme monding van de rivier de Jade plus bijbehorend land. Je kon zo de zee op. Een mooie plek voor een haven en leuk voor oorlogsschepen. Maar alles mislukte aanvankelijk. De eerste havenmond slibde voortdurend dicht en niemand wist wat er moest gebeuren. Pas toen keizer Wilhelm II (ja, die asielzoeker uit Doorn) zijn oorlogsvloot ging bouwen kreeg Wilhelmshaven zijn bestemming: een marinehaven. 

     

     

    Vanaf het museum loop ik in de richting van de haven, niets doet meer denken aan een stad waar de matrozen zingend door de straten liepen. Het is hier stil en levenloos, beslist geen rijke stad, veel leegstand in de winkelstraten. Ik wandel langs de Nordhafen, de Ausrüstungshafen, Großer Hafen, Handelshafen, Marinehafen en de Kanal- en Arsenalhafen. Het kan niet op. En om dit allemaal een beetje bij elkaar te houden de Verbindungshafen en de Kaiser Wilhelmbrücke. Behalve een rondvaartboot vaart er hier geen schip.
    In de buurt van de brug hoor ik het Russische volkslied uit een speaker en direct daarna het Duitse. Sleepboten positioneren zich voor en achter een enorme driemaster, mannen met gele helmen gooien de touwen los, jonge mannen maken foto’s met hun telefoon, matrozen zwaaien. Het is een Russisch opleidingsschip dat via de Jadebocht en de Waddenzee de open zee op wordt gesleept. Een echtpaar houdt de Russische vlag omhoog, zij rekt zich uit en zwaait met een witte zakdoek, de vader slikt zijn tranen weg. Daar gaat hun zoon. De Kaiser Wilhelmbrücke draait open, wat zal het mooi zijn als zo’n klassiek schip straks vol in de zeilen gaat.

    Als ik terugloop naar het station – de Mittagruhe duurt hier de hele dag – lijkt het alsof de drukte en beweging van daarnet slechts een gedachte is, niet meer dan een herinnering aan een haven waar ooit de matrozen brullend over de kade liepen of zich duimendraaiend doodverveelden. Een havenstad waar men zich aanvankelijk overwinnaar waande, waar tussen 1925 en 1939 het ene na het andere oorlogsschip van stapel liep, maar die na 1945 nooit meer een marinehaven mocht worden. Het werd een plek voor de aankomst van verliezers, trots mocht je op deze stad niet zijn.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken, niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Maskerade

    Carnaval heeft mij nooit kunnen bekoren. Tijdens zo’n feest komen er allerlei onderbuikgevoelens boven die soms beter verborgen kunnen blijven. Zo werd tijdens het carnaval in Aalst antisemitisme verpakt als immaterieel nationaal cultureel erfgoed. Toch kan ik Herman Pleij’s pleidooi voor het carnaval, juist vanwege die functie van uitlaatklep, ondersteunen. Het kan bestuurders een spiegel voorhouden waarbij ze gevoelens van ongenoegen kunnen waarnemen om daaruit voortkomende ongeremde uitbarstingen te voorkomen. Essentieel voor carnavalsfeesten is het gebruik van maskers dat het gezicht verbergt om de drager anoniem te maken. Als de Duitse schilder Felix Nussbaum, op de vlucht voor de nazi’s in eigen land, in 1935 aankomt in Oostende, de stad van zijn grote voorbeeld James Ensor, stort hij zich in het carnaval.

    Ensor en Nussbaum gebruikten beiden sterk geladen beelden met maskers, skeletten; carnaval en de dood om de wereld, waar zij op dat moment beiden slachtoffer van waren, voor schut te zetten, te ontmaskeren. Voor Felix Nussbaum geldt dit in de meest letterlijke zin van het woord. Zijn hele oeuvre is sterk autobiografisch en brengt zijn strijd in beeld. Het toont de weg naar de ondergang. Als Joodse jongen groeit hij op in Osnabrück, waar het antisemitisme een steeds virulenter karakter krijgt. Hij begint als schilder naam te maken en wint in 1932 de Prix de Rome. Als beloning mag hij zich daar verder bekwamen en vindt hij onderdak in Villa Massimo, de Duitse kunstinstelling in Rome, waar ook Arno Breker verblijft, de latere lievelingsbeeldhouwer van de nazi’s.

    Na vele omzwervingen in Europa wordt Nussbaum uiteindelijk in Brussel om zijn jood zijn opgepakt  en vindt in 1944 een kille dood in Auschwitz. Ondanks zijn smeekbede: ‘Als ik ten onder ga, laat mijn schilderijen dan niet doodgaan. Toon ze aan de mensen!’, raakt verreweg het grootste gedeelte van zijn werk verloren en dreigt hij in de vergetelheid te raken. De speurtocht naar de herontdekking van zijn werk en dus van zijn leven wordt consciëntieus beschreven in het prachtige boek Orgelman van Mark Schaevers. Het siert Osnabrück dan ook dat zij haar grote zoon geëerd heeft met een bijzonder museum van Daniël Libeskind, waarin niet alleen een representatief beeld wordt gegeven van het werk van Nussbaum, maar ook de architectuur van het gebouw nauw aansluit bij het leven van deze grote schilder. Misschien een bezoek waard voor de carnavalvierders uit Aalst.

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Onzekerheid

    Het weer zit nog steeds niet mee, de donkergrijze luchten, de somberte en die kletterende buien. Ik kom nergens; oefening in quarantaine voor als het coronavirus komt. Ik las God en de sociale dienst van Mizee, een strijd met de sociale dienst, en haar God: scenariodocent op de schrijversvakschool. In bed lees ik Blauwe nachten van Joan Didion. Over de dood van haar dochter Quintana, de bloemen in de lange haren van haar kind, handen die elkaar raken, wang tegen wang.
    En ‘s ochtends de krant. In de Trouw van donderdag een foto op de voorpagina van Arielle Veerman, ex-vrouw van Joost Zwagerman. Het trok mijn aandacht. Ik ben niet heel bekend met het prozawerk van Zwagerman. Wel met zijn columns, essays en als gedreven kunstkenner. Het interview gaat over een boek dat Arielle Veerman geschreven heeft, over de periode dat zij zich gedemoniseerd voelde, dat het nu tijd is voor haar kant van het verhaal. En ja, ik was ook wel benieuwd naar haar verhaal.

    Ik herinner me een filmpje waarin Zwagerman op een houten bank op een winderige dijk in Tuitjenhorn zit. Na de scheiding had hij zich daar teruggetrokken in hun vakantiehuisje. Hij zei zoiets als, ‘Tja, daar zit je dan,’ verweesde blik in de ogen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar dat het aan zijn ex lag, begreep de kijker wel. Hij had het in ieder geval niet zien aankomen. De dingen keerden zich, hij begon een jarenlange hetze tegen haar in ellenlange nachtelijke mails.
    In Blauwe nachten schrijft Joan Didion: ‘Kan het zijn dat we pogingen doen om verlating te vermijden? Kan het zijn dat dergelijke pogingen worden bestempeld als “krampachtig”? Moeten we ons de vraag stellen wat daarna gebeurt? Moeten we ons de vraag stellen welke woorden vervolgens opkomen? Is een van die woorden niet “angst”? Is een ander woord niet “onzekerheid”?’

    Er zijn boeken die geschreven moeten worden, Arielle Veerman moest De langste adem schrijven, de andere kant van een leven zichtbaar maken. De rafelige randen en de onvolkomenheden die de ontoereikende mens in dit alles laat zien. Denk aan de achterkant van een stad gezien vanuit de trein. De verveloze kozijnen, vergeten wasgoed en vuilcontainers, gammele schuurtjes, grauw beton, incompleet meubilair. Dingen die verborgen blijven, maar om een beeld compleet te maken gezien moeten worden. Een momentum in een leven, er moet gesproken worden en van de doden niets dan goed. ‘Mijn drijfveer was:’ zegt Arielle Veerman, ‘begrijpen wat er is gebeurd. Ik heb niets weggegumd, ik spaar mezelf niet. Ik heb mijn eigen achtergrond, met gescheiden ouders en mijn jeugddepressie; ook die maakt dat ons gezamenlijk leven zich zo heeft ontwikkeld.’ Een openhartig interview, het boek moet nog gelezen worden, daarover later meer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV of blijft binnen alwaar ze schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Een missie

    Reinbert de Leeuw is overleden. Ik zal hem nooit zien dirigeren, voor altijd te laat. Ter compensatie bekijk ik de documentaire waarin hij zich voorbereidt op de Matthäus Passion: De Matthäus Missie. Bijzonder, omdat hij zijn hele leven wijdde aan de twintigste eeuwse muziek. Het beeld dat blijft: Reinbert, tenger en grijs, zit op een balkon. Je hoort flarden wind, de stad. Hij beweegt zijn hand met sigaret losjes op de maat van een geestelijke melodie, de voet tikt bescheiden mee. Wat zou ik graag horen wat er in zijn hoofd speelt. Maar het maakt niet uit, ik ga er toch in mee. In een volgende scène vertelt hij met vurig opengesperde ogen dat hij gewoon wéét dat zijn interpretatie van de Matthäus de enige juiste moet zijn. Jaloersmakend overtuigd, maar zonder een spoor van hoogmoed, het lijkt hemzelf ook te verbazen. Het moet gewoon zó. Te bedenken dat we bijna niets over Bach weten, we kennen hem alleen door zijn muziek. Gelukkig componeerde hij erg veel.

    Gedurende de hele documentaire hang ik aan Reinberts lippen en wil ik niets liever dan meedoen, geloven. Yuval Noah Harari stelt in zijn bejubelde Sapiens dat de mens als soort dominantie verwierf, omdat ze het vermogen bezit gezamenlijk in een verhaal te geloven: het intensifeert samenwerking. Koren op mijn molen, de zienswijze achtervolgt me al weken. En het klopt, realiseer ik me, als ik deze week over een eiland lees en er ineens heen wil, heen moet. Het klopt dat de verhalen die we elkaar vertellen aanzet tot beweging, of dat nou via kunst, religie of over zoiets abstracts als geld gaat.

    Dat eiland, iets houdt me nog tegen: het is mijn gebrek aan avonturenlust, een eigenschap die ik trouwens deel met de Mauritius-torenvalk. In biologische termen zijn wij filopatrische soorten, de valk en ik. David Quammen beschrijft in Het lied van de Dodo hoezeer deze honkvaste valk van zijn thuis houdt en hoe hij niet van zins is een nieuwe leefomgeving te zoeken. Ondertussen versnippert en verarmt het landschap onder zijn vleugels. Hij stevent af op uitsterving.
    Ergens tegen het eind van de documentaire verzucht Reinbert de Leeuw dat hij voor de bestudering van de Matthäus nog wel een heel leven voor zich had willen hebben. Het is de schuld van de verhalen, ik moet naar dat eiland.
    (wordt vervolgd)

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap(Atlas Contact).

  • Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.

  • Ware angst

    Mijn horrorperiodes bestaan uit het kijken van enge films, al dan niet met mijn handen voor mijn ogen, of het lezen van samenvattingen van enge films. Op deze manier hoef ik Cannibal Holocaust nooit te zien maar heb ik hem ook niet echt gemist.
    Binnenkort verschijnt Schitterend lichaam van de Argentijnse Augustina Bazterrica, een roman waarin onze vleesindustrie wereldwijd is vervangen door mensen. Geen varkenspoten meer, geen kippenvleugels of struisvogelbiefstuk: mensenvlees. Hoe die verwerking eruitziet, wat voor taal daarbij gebruikt wordt en wat voor maatschappij het oplevert, is zakelijk uitgewerkt, bijna klinisch. Juist dat klinische houdt niet alleen Marcos, de hoofdpersoon, maar ook de lezer in eerste instantie op afstand – tot je denkt: ho eens even. En misselijk wordt.

    Daarnaast lees ik de verhalenbundel Growing things van Paul Tremblay. In veel van zijn verhalen, ze wisselen van kwaliteit, zit het enge in wat er niet wordt verteld. Zo interviewt in ‘Something about birds’ een jonge journalist zijn literaire held, naderhand krijgt hij een vogelkopje mee – huid, veren, snavel, geen ogen. Er is iets geks mee (joh!), de vraag is hoever de journalist gaat om erachter te komen wat. Knap gedaan.
    Het enge komt in vele lagen. Spinnen zijn voor sommige mensen een beetje en voor anderen heel eng. Tot op zekere hoogte heeft iedereen angst voor de dood – de eigen of voor die van dierbaren. Sommige mensen zijn bang voor clowns. Terecht. Hoe dan ook is er een buiten-eng en een binnen-eng.

    Buiten-eng zijn de monsters, de aliens, natuurrampen, alles wat gebeurt buiten onze controle om. Binnen-eng is wat mensen zichzelf en elkaar kunnen aandoen wanneer ze in hun eigen donkerte hebben gekeken en die mee naar boven nemen. Donkerte heeft een zekere aantrekkingskracht, daarom maken we er zoveel over: films, verhalen, andere kunstvormen.
    Eigenlijk is The Truman Show een doodenge film. Niet omdat er zoveel gruwelijke dingen in voorkomen, maar vanwege het idee dat er een werkelijkheid bestaat waarin mensen dit zouden pikken – iemand zo filmen is van een ongekende wreedheid. Dezelfde wreedheid zit in de wereld die Bazterrica schetst in Schitterend lichaam en in sommige verhalen van Paul Tremblay (The teacher!). Dat we zelf het monster zijn en weten dat wreedheid bij ieder van ons in kiem aanwezig lijkt, daarin zit de ware angst. Af en toe kijk ik heel even over de rand, de donkerte in, om er dan weer zo ver mogelijk van verwijderd te blijven.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.