• Wrijving

    Stel je een schaatser voor op een spiegelgladde ijsbaan. Het ijs is zo glad, dat er geen enkele wrijving is. Wat er dan gebeurt met die schaatser, is helemaal niets. Die komt nooit in beweging. Dit is, vertelde mijn natuurkundeleraar ooit, alleen theoretisch mogelijk. In de echte wereld is er altijd wel ergens wrijving.

    Dat alleen wrijving beweging geeft, bewijst ook het boek De jaren van Annie Ernaux, in 2008 verschenen en geweldig vertaald door Rokus Hofstede. Het boek is een chronologische verzameling van observaties, persoonlijke herinneringen, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw in Frankrijk, over een periode van 1941 tot 2006. Het schijnbaar onbenullige en particuliere wisselt ze moeiteloos af met de wereldgeschiedenis zoals we die allemaal in grote lijnen kennen. Zoals herinneringen zich voordoen als een beeld of  ultrakort filmfragment, soms met terugwerkende kracht aan betekenis winnen of verliezen, hoe ze in of uit hun context geplaatst kunnen worden, dat ze bij ons blijven of juist verdwijnen en dat die hele warrige optelling ons maakt tot wie we zijn, zo schrijft Ernaux het op.

    Niets nieuws, zou je denken. De recente geschiedenis, die kennen we. We waren erbij, of, als we jonger waren dan leerden we erover tijdens geschiedenislessen. Maar Ernaux’ kracht schuilt in het onvermoeibaar stapelen van herinneringen waardoor de fragmenten met elkaar in gesprek gaan. Er ontstaat wrijving. Het stuwt het lezen voort. En passant wordt er iets ongrijpbaars, maar diep menselijks blootgelegd. Want ik lees en denk: dit had ook over mij kunnen gaan, zonder dat details direct overeenkomen. Dit is hoe een leven is, hoe we onszelf uit herinneringen samenstellen.

    Ik fiets naar het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik een jaar geleden ook had. Sinds dat jaar lijkt het soms alsof ik los ben komen te liggen van mijn eigen geschiedenis, een onprettig gevoel. Ernaux eindigt: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’ Het fletse heden zadelt je soms op met observaties die geen wrijving opleveren. Niets komt in beweging. Misschien laat zoiets abstracts als tijdgeest zich enkel vangen door het contrast met een andere. Een klein steentje in het ijs, meer is niet nodig. Daarbij helpt leeftijd vast ook, meer ervaringen om uit te putten. Ik kreeg spontaan zin om, net als Ernaux tijdens het schrijven, alvast eind zestig te zijn.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Een beetje

    Er is een kamer van drie- bij drie en een halve meter vrijgekomen. Een nieuwe kamer moet passend gemaakt worden, gelijk een nieuwe jas. Wennen aan de stugheid van de stof, de mogelijkheden, het gewicht ervan op je schouders. De muren van het kamertje zijn lichtblauw en wit, de vloer met kurk belegd. Ik zet een tafel en een stoel midden in het kamertje, sluit de deur. Laat het een beetje koud, maak er geen te leuk kamertje van. Schuif de tafel tegen de muur. Plaats een tweede tafeltje in de hoek naast het smalle raam, uitzicht op blinde muur. Houd het hoofd koel, pot met bloemen mag. Een laag ladekastje komt aan de andere kant van het raam. Plant erop, papier, boeken ernaast. Een waterkoker in de vensterbank. Er is nog een fauteuil, om in te lezen, of gewoon, lekker te zitten, (Stop!, dat zouden we niet doen). Loop de trap af, naar buiten, lucht, ruimte, kom terug. Haal ladekastje, plant, boeken, waterkoker, stoel, schrijfsels, kaarsen en dergelijke uit het kamertje. Begin opnieuw. Zet de tafel in het midden, stapel boeken en schriften tot stahoogte, laptop erbovenop. Koester de leegte.

    Wat me bijblijft na het lezen van het boek Salinger, de documentaire in boekvorm, is het belang dat hij hecht aan afzondering. Hij bouwde een bunker in zijn tuin, weerde alle media. Je kunt het overdrijven, maar alleen zijn is een vergeten goed. We zoeken elkaar op, kijken Netflix, checken doorlopend de mailbox, social media, onze staat van zijn. Een lege kamer is een goed tegenwicht.
    ‘Het ergste dat het kunstenaarschap voor u zou kunnen betekenen is dat het u de hele tijd een beetje ongelukkig maakt.’ laat Salinger de kunstdocent in het verhaal ‘De Daumier-Smith’ grijze periode’ zeggen. Daarna las ik het egodocument, Mijn jaar met Salinger van Joanna Rakoff, drie jaar na het overlijden van de schrijver gepubliceerd. Fans en nieuwsgierigen voelden zich voor de gek gehouden, ze hoopten iets over een liefdesrelatie met de schrijver te vernemen. Dat viel tegen.

    Wel kwam Rakoff te werken bij het literaire agentschap die de belangen van Salinger behartigde. Ze is dan drieëntwintig, net afgestudeerd, een van haar taken is de fanmail voor Salinger af te handelen. Ze had nog nooit iet van hem gelezen. In dat jaar leert ze zijn werk, de invloed van zijn werk kennen, het was haar jaar met Salinger. Goed geschreven ook.

    Soms krijgt ze Salinger aan de lijn. De eerste keer dat ze hem telefonisch sprak ging zo:
    ‘Met Jerry! riep de beller. ‘Met Joanna’, zei ik.
    ‘MET WIE SPREEK IK?’ vroeg hij. ‘Met Joanna,
     ik ben de nieuwe assistente,’ riep ik uit volle borst.
    ‘Aangenaam Suzanne, ik wil je  baas graag spreken.’ De bazin is er niet, Joanna vroeg of hij maandag teruggebeld wil worden. ‘Maandag is goed,’ zei hij. ‘Nou, heel aangenaam kennis met je te maken, Suzanne. Ik hoop dat we elkaar een keer zullen ontmoeten.’
    Hij klinkt als een bijzonder aardig man, geweldig schrijver van intens trieste verhalen.

     

    Citaat uit: Negen verhalen / J.D. Salinger.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekt verhalen.

     

     

  • Tarzan op de eettafel

    ‘Daar is hij toch veel te klein voor?’ Op de eettafel ligt een stapel goudgele boeken, hardcover met rode kapitaalband. Het binnenwerk ruikt naar een tijd van voor ik bestond. ‘Voor later, als hij groot is en kan lezen. De jongen is zuinig.’ Mijn opa kijkt me aan en ik kijk met vleiende ogen van hem naar mijn moeder, in de hoop dat ze overstag gaat. Het zijn de avonturen van Tarzan, de koning van de apen, de heerser van de jungle, de ‘aap-mensch’. Een iconisch personage van Edgar Rice Burroughs (1875-1950), zakenman, veelschrijver.
    Ik ken Tarzan van de televisie, van de bioscoop, van de stripverhalen en van thuis. Mijn opa leest over Tarzan, zijn schoonzoon ís Tarzan en dat maakt mij niet alleen de zoon van, maar logischerwijs ook de rechtmatige erfgenaam van al deze boeken.

    De boeken zijn dik, hebben geen plaatjes, en op de bladzijden, sommige met roestvlekjes, staan veel woorden – het lijkt me een mensenleven te duren voor ik dat allemaal gelezen krijg.
    “…Maar ik zou waarachtig wel eens willen weten, hoe je in den jungle gekomen bent?”
    “Ik ben daar geboren,” zeide Tarzan kalm. “Mijn moeder was een apin, en zij heeft mij natuurlijk niet veel kunnen vertellen. En ik heb nooit geweten wie mijn vader was.”

    Mijn vader las geen boeken, wel vertelde hij graag over zijn tijd als Tarzan. Hoe hij van liaan naar liaan door de jungle zwierde en hoe Cheetah hem rekenen en het alfabet leerde. Hij bevrijdde mensen uit de meest benarde situaties, terwijl mama in de boomhut voor het huishouden zorgde. Rijk is hij er niet van geworden. Nu rijdt Tarzan op de ambulance, redt mensen tegen een vast salaris en krijgt, volgens mama, een buikje.
    Ik word voorbereid op een leven in de jungle. In de woonkamer spant Tarzan zijn biceps. Hij is een boom met spierballen. Ik spring onder het slaken van mijn eigen jungleroep van de eettafel in mijn vader. Verwoed klim ik tegen hem op, hou me vast aan zijn armen, de sterkste takken die ik ken, zoek met mijn blote voeten grip, tot ik in zijn nek zit. Dan maakt hij zich breed, roffelt op zijn borst en holt met mij op zijn schouders een rondje om de tafel. De junglekreet klinkt uit onze monden. Onvermoeibaar blijf ik van de tafel duiken. ‘Je bent nog lang geen Tarzan.’

    Mijn vader is niet snel tevreden. ‘Kippenborst, spillepootjes, geen spierballen.’ Hij loopt op zijn handen het tuinpad op en af. Zijn benen wuiven beleefd. ‘Kijk! Pas als je me dit nadoet…’ Als zoon van Tarzan ging ik ondergronds. Disciplinering vond in het geheim plaats. ’s Avonds in bed wachtte ik tot mijn moeder de trap weer afliep, schopte de dekens opzij, schoot uit mijn pyjama en ging in onderbroek op het kleedje voor mijn bed liggen. Ook als er ijsbloemen op het raam bloeiden en ik klappertandde van de kou: de zoon van hield vol. Later, ik wist het zeker, zou Tarzan verbaasd van me staan, maar eerst moest ik alle goudgele boeken lezen. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader (kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die een rol speelden in zijn leven.

  • De ijsbergtheorie

    Zondagochtend ontwaakte ik met het gevoel dat er iets was opgeklaard, een constant dreigende donderbui eindelijk was opgelost, verdampt tot gesputter, tot niets. Het maakte de wereld een stuk vriendelijker, er ontstonden openingen, zon tussen de kieren, door de ramen. We dronken koffie in bed, aten er een plak brood met abrikozenjam bij. De avond daarvoor luisterden we naar de radio, naar elk geluid vanuit Amerika, geluiden van opluchting, uitzinnige, emotionele blijdschap. Alsof de wereld vier jaar lang de adem had ingehouden, was er opeens weer iets menselijks, iets nieuws. Geluk stroomde over, we hadden alle tijd. Ik pakte er wat te lezen bij, van de gestapelde glossy’s Hollands Diep het maart/april nummer, de Boekenweek special 2010. Het jaar waarin J.D. Salinger overleed, die sinds 1965 niet meer gepubliceerd had. Een paar dagen terug was ik, na bij eerdere pogingen gestrand te zijn, opnieuw begonnen aan de biografie, Salinger.

    De biografie bestaat uit interviews met mensen die hem gekend, meegemaakt hebben. Het leest wat random, de lijn van zijn leven blijft vaag. Tot je doorleest, lijnen zich beginnen af te tekenen. Het is een Amerikaans verhaal, over de jetset, Amerikaanse soldaten die naar Europa gaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, het drinken, roken, de literaire wereld, korte verhalen, het publiceren in magazines. Een Amerika waar ik ontzettend zin in kreeg. Robbert Ammerlaan, jarenlang uitgever van Salinger bij De Bezige Bij, schreef in Hollands Diep over Salinger, dat hij hem nooit ontmoet had. De schrijver wilde niemand ontmoeten, wilde niet met zijn schrijversleven geassocieerd worden. Ammerlaan schreef dat alleen als de auteurscontracten verlengd dienden te worden, hij de door Salinger zelf ondertekende exemplaren retour ‘- zwarte inkt, een dunne scherpe pen’ ontving.

    Het kwam me alles opeens als bepaald romantisch voor. Leven in afzondering, daar ben ik op het moment gevoelig voor, en voor schrijftips. Salinger kreeg, nadat hij in 1965 stopte met publiceren, veel fanmail, waar hij niet op reageerde. In 1978 wachtte een fan hem onderaan de oprijlaan van zijn huis bij Cornish, Vermont op. Hij wilde schrijfadvies, tips. Salinger ontweek hem, zei: ‘Echt, het enige advies dat ik je over schrijven kan geven, is: wees jezelf. Bouw je werk zorgvuldig op. Luister niet naar de kritiek en al die idioterie. Uiteindelijk zul je het allemaal zelf moeten doen.’

    Hemingway, die Salinger in Frankrijk ontmoette, hield er de volgende theorie op na: als een schrijver genoeg weet over zijn onderwerp, kan hij bepaalde dingen in het verhaal weglaten, hoe meer hij weglaat, hoe sterker het verhaal. Hemingway vergeleek het met een ijsberg, waarvan zeven achtste onder water zit, alleen het topje te zien is. ‘Elke keer dat je iets weglaat, zei hij, versterkt het de ijsberg van onderen en biedt het de lezer een nog sterkere leeservaring.’
    Hemingway zei ook dat als een schrijver iets weglaat omdat hij de kennis niet heeft, er een enorm gat in het verhaal valt. Salinger was een schrijver van de ijsbergtheorie. ‘Hij deed het uitzonderlijk goed,’ volgens Hemingway. ‘Zijn verhalen zijn kaal, ieder woord lijkt met de grootste zorg uitgekozen.’
    Ja, het lezen van Salinger lijkt me de enige echte schrijftip.

     

     

    Uit: Salinger / David Shields en Shane Salerno / vertaling o.m Gies Aalberts, Ed van Eeden / Open Domein, De Arbeiderspers (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • La Paloma

    Ik zag hoe tijdens een gezellige avond in een zaaltje van het dorpscafé, de oude, knoestige mannen één voor één naar voren werden geroepen. Mannen met grote handen en grove trekken, die van jongs af aan van aanpakken wisten. Vaak nauwelijks tot hun elfde jaar de lagere school bezocht hadden, moesten meewerken op het land, of in de haven, omdat vaders loon ontoereikend was. Ze werden toen direct lid van de vakbond en nu, vijftig, zestig jaar later, kwamen ze hun gouden speldje in ontvangst nemen. Al dan niet met een robijntje naar gelang het aantal jaren van hun lidmaatschap. Zestig jaar geleden waren er geen vrouwen bij die avond in het café, toen was de plaats van de vrouw nog thuis.
    De vakbondafgevaardigde sprak de oude mannen toe en wist van iedereen een kleine anekdote op te dissen alvorens het speldje werd opgeprikt. Er werden foto’s gemaakt – de fotograaf fluisterde elk lid opnieuw in het oor dat de foto’s zouden worden thuisgestuurd – en de echtgenotes die trots naast hun mannen stonden, kregen een bos bloemen. 

    Eén vakbondslid had zich vrijwillig gemeld om de avond muzikaal af te sluiten. Midden op het podium zat hij achter een synthesizer, als vanzelf klonken de stampende ritmes. Hij zong erbij en zette steevast net iets te laag in waardoor hij aan het eind van het lied onder zijn register zat, alleen nog brommend kon fluisteren. De liedjes kwamen uit de oude doos: Jim Reeves was langs gekomen, het ‘Blonde Greetje uit de polder’ hadden we al meegezongen en ‘Blue Spanish eyes’ kende ik ook wel. Maar hij zong geen ‘rode’ strijdliederen, geen socialistische hymnen of de Internationale, het strijdlied van de arbeidersbeweging dat door Henriette Roland Holst in 1900 vertaald was. ‘Tante Jet’, zoals ze genoemd werd, had zich verwoed ingezet voor het sociaal marxisme. Zo schreef ze: 

    ‘Over de zwakheid van het verenkelde’

     […]
     zoo doet hij, die zijn machtwoord luid laat rijzen,
     boven den wil van een geheel geslacht,
     vergetend dat gezamentlijke wijzen
     alleen, de schoonheid paren aan de kracht.

     Want koren worden gemak’lijk gedragen
     door ruimten heen, waar ééne stem bezwijkt
     wijl alle stemme’ in kore’ elkander schragen.
     En wie alleen wil zingen, moet niet klagen
     wanneer zijn stem soms onwelluidend blijkt,
     en niet zoo ver, als een koor draagt, kan dragen.’

    Net toen ik dacht dat de zanger deze strofen ter harte kon nemen, zette hij het lied van Freddy Quinn, ‘La Paloma’ in. Ineens was ik terug in de keuken van mijn ouderlijk huis en zag mijn ouders samen dansen bij de radio. Het was hun lied, het werd gedraaid op hun 25-jarige bruiloft, en het werd gespeeld toen mijn moeder gecremeerd werd. Ik knipperde met mijn ogen: het moment was voorbij voor ik werkelijk verdrietig kon worden. De zanger had trouwens al ‘The green, green grass of home’ ingezet.

     

    Citaat uit: Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, (1896).


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Ramen open

    Het liefst houden we vast aan oude gewoonten, ventileren we meningen die net zo vastliggen als een voorgeschreven computerprogramma. Al kent een computerprogramma zijn update’s die het geheel bijwerken naar een nieuw functioneren. Een computer blijkt veranderlijker van aard dan de mens. De mens laat zich moeilijk dwingen. Deze en meer gedachten over de beperkingen van de mens, werden aangezet door de Gutmensch scheurkalender 2021. Een scheurkalender over vluchtelingenbeleid, de opkomst van extreem rechts. Ik wil niets weten van extreem rechts, ik ben zo iemand die denkt dat als je het er steeds over hebt, het werkelijkheid wordt. Struisvogelpolitiek, daar ben ik goed in. Zo’n kalender schudt de boel dan flink door elkaar. De eerste dagen van het jaar op de scheurkalender zijn vrij onschuldig. Adriaan van Dis opent het jaar op vrijdag 1 januari met, ‘Mijn bijbel kent maar één zin: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Zo’n mantra maakt voor hem het leven dragelijk. En wat Van Dis doet als er weer en boreale wind opsteekt? Dat leest u maar als u de scheurkalender in huis heeft.

    Op woensdag 13 januari, de dag dat Emile Zola zijn open brief ‘J’accuse…!’ gepubliceerd zag, tekst en uitleg op de keerzijde van het kalenderblaadje. Op 26 maart een tekst over menselijkheid, van een dochter wier vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat, desondanks niet wilde dat zijn dochter, toen de verslagen Duitse troepen door de straten liepen, zij ze uitjouwde. En dan ga je door, want deze scheurkalender is toch zoiets als een boek, er zit een lijn in. En die lijn is heftig, over mensenrechten, klimaatbewustwordingen, uitgezet worden. Elke dag iets om over na te denken, dingen binnen te laten komen. Er is een ‘Wereld Emoji Dag’, met ’emoji’s voor de typische migrantenervaring’ zoals een overlopend toilet, kapotte slipper, pot met eten op kampvuur, doorzakkende tent in de regen, zakje rijst,… En de vermelding dat vluchtelingen eigenlijk geen mobiel behoren te hebben, want: minder sympathie vanWesterse burgers. Jaja, doordenkertjes over hoe we in elkaar steken.

    Voor vrijdag 25 juni een West-Aziatische fabel, over hoop, dat gaat zo,

    ‘Het bos werd steeds kleiner,
    maar de bomen bleven op de
    bijl stemmen. Want de bijl was
    slim. Zijn steel was van hout.
    Met dat argument wist hij de
    bomen ervan te overtuigen dat
    hij een van hun was en aan hun
    kant stond.’

    Zondag 28 november wordt de geboortedag van Stefan Zweig gememoreerd. Ook dat Zweig een wetmatigheid benoemde, dat ‘mensen in hun eigen tijd op aarde niet in staat zijn om het begin van grote, bepalende historische bewegingen te herkennen’. Toch zou je denken dat het onderhand eens tijd wordt dat uit al die vluchtelingen ervaringen een les te leren is. En dat je de dingen die belangrijk zijn, dingen die je nìet mag vergeten dagelijks onder ogen moet krijgen om enige verandering teweeg te kunnen brengen. Daar is een scheurkalender uitermate geschikt voor. Elke dag een gedachte, een argument, feiten en context voor een menswaardig leven. Kom maar op 2021, met deze Gutmensch Scheurkalender zetten we deuren en ramen open, weg met de angstvalligheid. 

     

     

    Gutmensch Scheurkalender 2021 / samenstelling Linda Polman / met medewerking van zo’n honderd auteurs / Illustraties en vormgeving Saskia Kunst en Saskia Pfaeltzer / uitgever Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • De jongen in het jurkje

    Voor mijn zesde verjaardag wenste ik een tunica, gemaakt van rode stof met een witte band aan hals, mouwen en onderkant. Het was exact ‘het jurkje’, zoals dat thuis werd genoemd, dat Alex droeg op het omslag van De gouden sfinx. Alex, blonde krullen, stoer, Galliër, stripheld. Bedacht door de Franse striptekenaar Jacques Martin (1921 – 2010). De gouden sfinx kreeg ik van tante Neel, de oudste zus van mijn moeder. Het album heb ik nog steeds. Vouw in het omslag, rug verwoest, resten plakband. Op het titelblad staat mijn handtekening met jaartal. De handtekening van een sprinter.  Klaar om weg te stuiven.
    Ik weet dat ik heb gesmokkeld met het jaartal, 1971 schreef ik er later in, misschien rond mijn tiende jaar. Bij de antedatering hield ik me, inmiddels verzot op tijdbalken en chronologie, aan het copyright-jaartal op pagina twee. Het boek moest ik in 1971 hebben gekregen, vlak voor ik naar de lagere school zou gaan. Want De gouden sfinx heb ik gelezen voor ik kon lezen.

    Heeft het album voor mij daardoor iets magisch gekregen? Liggend op mijn buik in de woonkamer bestudeerde ik elk plaatje tot in detail. Om te begrijpen, om te kunnen fantaseren. De gouden sfinx bood voor dat laatste alle mogelijkheden. De eerste zestien pagina’s spelen zich af in Gallië, woeste sneeuwvlaktes, Romeinse soldaten en Alex met wollen muts, lange broek en cape over een ontbloot bovenlijf. Zo’n stripheld heeft het zelden koud. Dan verschuift op die zestiende pagina het decor naar warmere oorden. Een boot vaart de haven van ‘Alexandria’ binnen, een nieuwe wereld van Antieke schoonheid. Alex draagt nu wel een rode tunica, maar dan eentje zonder de witte banden, van het omslag. Ik noem hier Gallië en Alexandrië, maar ik had – en dat herinner ik me nog goed – geen idee waar Alex vandaan kwam, waar hij was en waarom hij überhaupt de boot had genomen.

    En ik begreep ook niet waarom hij in het album niet de tunica van het omslag droeg, terwijl daar overduidelijk een scene uit het boek op was afgebeeld. (Nu begrijp ik het wel, het omslag is namelijk getekend bij de heruitgave en toen had Alex, die er inmiddels al meer avonturen op had zitten, van zijn tekenaar een vast kostuum gekregen.)
    De gouden sfinx wakkerde mijn liefde voor geschiedenis aan, maar het deed meer met mij. Want was het vanwege hem dat Alex de reis had ondernomen? Op het omslag staat achter Alex een donkere jongen met sluik haar. Hij draagt een blauwe lendendoek en loopt op blote voeten. Zocht Alex hem? Al die tijd? Raakte juist dát een snaar bij mij?  ‘Enak begint van plezier te rennen en Alex gaat achter hem aan. Hij vindt het fijn, dat Enak zo blij is.’
    Naar dat plaatje, waarop de twee vrienden ergens in Alexandrië de trappen oprennen, staarde ik het vaakst. Dat wilde ik ook. Onbezorgd één van twee zijn.
    En de tunica? Ooit heb ik er een proberen te maken van een oud wit laken, maar toen was ik al acht.

     

     

     

     

     

     

     



    Eric de Rooij
    (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Een hutje

    Ik zoek een plek om te schrijven. Een berghok lijkt me goed, zo een als waarin romanfiguur Larry Morgan, als beginnend schrijver en verteller in Wat behouden blijft, zijn verhalen schrijft. Of zoals hij zegt, ‘eigenlijk schreef het verhaal zichzelf, het vloog eruit als een vogel die uit een kooi werd losgelaten.’ Met sommige boeken blijf ik bezig, lees opnieuw fragmenten, kijk hoe de schrijver het gedaan heeft, waar de magie zit. Twee columns terug schreef ik over dit boek dat ik niet eerder zoiets gelezen had. In de Amerikaanse romantraditie is Wat behouden blijft een bijzondere roman zegt schrijver Jane Smiley. In een nawoord schrijft ze dat Stegner met dit boek zich zowel ‘heeft ontdaan van Hemingway’s idee van solitaire mannelijkheid als van Fitzgeralds idee van romantiek.’

    Het boek begint als Larry en zijn vrouw Sally, op verzoek van Charity, in 1972 terugkeren naar de heuvels in Vermont, de plek waar ze hun gezamenlijke zomervakanties doorbrachten. Charity is ongeneeslijk ziek. Herinneringen brengen Larry terug naar de cruciale momenten in hun levenslange vriendschap. De eerste ontmoeting midden jaren dertig, toen het leven nog enkel uit toekomst bestond. Sid en Larry zijn beginnend docent aan de Universiteit van Wisconsin, de een wil dichter worden, de ander romanschrijver. Sally en Charity zijn tegelijkertijd zwanger, voor Sally de eerste, Charity de derde. Larry schrijft, zijn verhalen worden geplaatst in magazines. Voor Sid staat het docentschap, onder invloed van Charity op de eerste plaats. In plaats van dichten moet hij promoveren.

    Charity is gecharmeerd van het bohémienachtige leven van Larry en Sally, trekt ze hun leven in, waarna een vriendschap ontstaat die paradijselijke trekken heeft. De picknicks, uitstapjes, een voettocht door de jungle. Tot, zoals Larry zich herinnert, de onvermijdelijk slang die zich in elk paradijs verbergt, opduikt. In de vorm van polio Sally treft. Later is er nog een reis naar Italië. Er vallen dingen voor, er is verwijdering (vooral in afstand) maar de diepte van verbondenheid, van ‘elkaar nodig zijn’, is steeds aanwezig. Er is een schitterende dialoog die ik herhaaldelijk lees. Over vijf pagina’s zetten Sid en Charity zich uiteen voor ze hun gezamenlijke leven aangaan. Sid declameert voor Charity:

    ‘Ik zal opstaan en gaan nu, en gaan naar Innisfree,
    en daar een hutje bouwen, gemaakt uit klei en twijgen;
    negen rijen bonen zal ik daar hebben, een korf voor honingbijen,
    en wonen, heel alleen, op bij-doorgonsd gebied.’

    Charity reageert luid lachend, ‘O, póéh Sid! Dat is een schitterend gedicht, maar het is geen plan voor het léven.’
    Dan weet je dat de kaarten zijn geschud, de regels bepaald. Deze dialoog, (zo schrijft Larry, is deels verzonnen, deels uit tweede hand van degenen die bij dit gesprek aanwezig waren, ook een romanfiguur ensceneert) geeft aan hoeveel Sid en Charity voor hen betekend hebben. In hun kracht en falen haalt hij ze liefdevol naar de voorgrond, worden ze onvergetelijk. Het is deze intensiteit van vriendschap waarover ik nog nooit gelezen had.
    Maar goed, ik ben dus op zoek naar een plek waar ik mijn hoofd kan openzetten, de verhalen eruit vliegen, ze enkel hoef op te schrijven.

     

     

    Wat behouden blijft (Crossing to Safety (1987) / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / uitgeverij Lebowski (2015) / 414 pag. Citaat: W.B. Yeats


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekend naar een goed verhaal.

  • Winternest

    Er valt een grijze ochtendregen. Ik poets mijn tanden en kijk naar buiten. Er scharrelt een egel in de tuin. Hij is de enige: katten en mensen zitten achter het raam en wachten af. Dit dier trotseert niet alleen de regen maar ook het daglicht met zijn bijziende oogjes. Hij stiefelt langs de heg, duikt onder stengels door, klimt het stoepje op en weet exact het gat in het hekwerk te vinden. Daar verdwijnt hij naar de buren. Ik loop naar de wastafel en spoel mijn mond. Een egel hoort thuis in de schemer. Ik keer terug naar het raam. Daar is hij weer, zijn puntige bekje vol dorre bladeren. Hij kuiert dezelfde route terug en verdwijnt in de uiterste hoek van mijn tuin. Egels houden van georganiseerde chaos. Dode takken, bladeren, vergeten hoeken en bosjes om in te schuilen. Dit vat mijn manier van tuinonderhoud redelijk samen.

    De tuin geeft aan, ik stuur hoogstens bij. De els die een paar jaar geleden uit zichzelf ontsproot, liet ik staan, al knot ik ieder jaar zijn pruik. Van zijn takken maak ik wallen. Ondanks die kaalslag zijn de tenen ieder jaar dikker. Over niet al te lange tijd zal hij het van mij en mijn handzaagje winnen. Het zevenblad, dat meerdere zomers op rij in steeds krachtiger golven de kop opstak, liet ik ongemoeid. Het kriebelde zich onder terrastegels een weg van west naar oost, maar lijkt sinds een jaar of twee op zijn retour. De fut is eruit. Dit jaar werd er niet eens gebloeid. Alsof de tuin zichzelf genas. Je zou mijn aanpak ook als lui kunnen bestempelen, het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat telt is dat ik de egel een plezier doe. Hij sjouwt af en aan met dor blad. Ik voel me schuldig.

    Gisteren snoeide ik de laurierkers, de enige tuinbewoner waar ik het niet zo op heb, met zijn onbuigzame, leerachtige blad. Ik snoeide om komend voorjaar iets meer zon te vangen. Van de giftige takken maakte ik een vlechtwerk voor de composthoop. Misschien dat ik tijdens het snoeien een voet op het egelhol zette en moet de zoolganger daarom restaureren, bij daglicht nog wel. Hij schudt zich uit als een hond, verstapt zich bij het stoepje, een achterpootje glijdt weg. IJverig klimt hij er alsnog op. Die redt zich wel.

    Het is een fijne eigenschap van planten, dat ze tegen de klippen op groeien en dat bijsturen volstaat. Nergens groeit niets. Maar het verhaal waar ik al een tijd aan werk, stagneert. Ik kan aan weinig anders denken. Niet dat het helpt, dat denken. Er duikt geen plotselinge els op, ook geen egel. Al zit er natuurlijk wel een egel in het verhaal want als je het echt niet meer weet, kun je altijd nog over egels schrijven. Een waarheid die ik niet op een papiertje boven mijn bureau hoef te prikken. De nijvere egel werkt ondertussen onverstoorbaar door. Zijn winternest is bijna af.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Cruciale momenten

    Tijd werd opeens schaars dus haastte ik me dinsdag net voor sluitingstijd naar de bloemist. Daar zocht ik verschillende bloemen uit die de bloemenverkoopster tot een bos samenbond, er een goudkleurig papier omwikkelde. Ze begreep het wel, zei ze. Ik vond het niet eens raar dat ze me bij het verlaten van de winkel een fijne persconferentie wenste, ik ‘Insgelijks’ zei. Thuis maak ik een pastasalade, trek een fles wijn open, zet het keukenkrukje voor de bank, laptop erop, speakertje erbij. In de keuken maak ik een dressing van olijfolie, knoflook, citroensap, basilicum en honing, roep naar buiten, naar Mijn lief die daar iets aan het maken is, dat we kunnen eten. Er hangt iets in de lucht. Ik heb dat ook wel bij het openen van de mailbox, dat ik daar die ene, niet verwachte brief vind. Dat alles verandert. 

    Ik verdeel de pastasalade over twee kommen. Denk aan de tijd toen iedereen dezelfde tv-programma’s keek, er de volgende dag over gesproken werd, hoe goed iets was, of hoe slecht. Het was makkelijk praten, we wisten niets van de wereld. Ik denk, ‘Wat behouden blijft’. Een titel die zich in me heeft vastgehaakt, als een angel in een vissenbek. Het leidt me af van het nieuws, dat toch eigenlijk oud nieuws is. Er is behoefte aan een verhaal dat zich langzaam ontvouwt, regel voor regel, alinea na alinea, vierhonderddertien bladzijden lang. Het begint zo, ‘Terwijl ik uit verwarrende dromen en herinneringen naar boven kom, slingerend als een forel opduik door de kringen van eerdere stijgingen, bereik ik het oppervlak. Mijn ogen gaan open. Ik ben wakker.’
    Een man wordt gedesoriënteerd wakker, tijd en ruimte presenteren zich aan hem, ‘Het is duidelijk nog heel vroeg. Het licht dat door de kieren van de jaloezieën lekt, is niet meer dan een schemering. Maar ik zie, of herinner me, of beide, de gordijnloze ramen, de kale dakspanten, de houten wanden die leeg zijn, op een kalender na, die er acht jaar geleden geloof ik ook hing, toen we hier voor het laatst waren.’

    Hij stapt uit bed, ‘Sally slaapt nog’ (zijn vrouw), loopt langs de kalender, ziet dat het toch een andere kalender is dan hij zich herinnert. ‘Er staat correct dat het 1972 is, en dat het augustus is.’ Het is dus de zomer van 1972, ik bevind me in een huisje met een man die op blote voeten naar de deur loopt, na een lange reis hier aangekomen voor een laatste ontmoeting met vrienden.
    ‘De deur kraakt als ik hem voorzichtig open. Een frisse lucht, een grijs licht, een grijs meer daar beneden, een grijze hemel achter de Canadese dennen waarvan de toppen een flink stuk boven de veranda uitsteken.’ Hij vertelt over de plek ‘waar gedurende de beste jaren van ons leven vriendschap een thuis vond en geluk zijn hoofdkwartier had.’ Waarna in flarden de cruciale momenten uit een levenslange vriendschap tussen twee echtparen wordt beschreven. Een prachtig verhaal, wonderlijk boek, niet eerder las ik zoiets. 

     

    Wat behouden blijft / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / 413 blz. / uitg. Lebowski (2015)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Zeehonden

    Het was druk en benauwd in het zwembad. De hoofden van de zwemmers dreven op het water als gehaktballen in de soep. Maar het grootste gedeelte van de bezoekers was verdeeld over de hoeken van het zwembad, waar ze in kleine groepjes met elkaar stonden te kletsen. Het water kwam niet hoger dan hun heupen, want hun haar wilden ze droog houden. Ze leken op een groep zeehonden, die dikke oude vrouwen, in zwarte en donkerblauwe badpakken  – donkere kleuren kleden slank af – zeehonden die de hele dag lang op het strand of op de rotsen bij de zee liggen, lui en langzaam bewegend terwijl ze af en toe naar elkaar snorkten. Toen kwam er een jonge vrouw binnen, een mooie, elegante vrouw in een vlammend rode bikini die uit niet meer dan drie lapjes bestond om de strategische punten van haar lichaam te bedekken. Ze stond aarzelend aan de rand van het bad, keek rond.

    Alsof het zwembad veranderd was in een bijenkorf, zo begon het ineens te gonzen. Hoofden werden gedraaid in de richting van de indringster in rood, het fluisterend geroddel was bijna verstaanbaar. Het meisje werd net zo rood als het onderwerp van de verontwaardiging  van de vrouwen, ze kon alleen maar ontsnappen aan hun commentaar door een elegante duik in het water te nemen. Het duurde niet lang voor ze uit het water kwam en verdween in een van de kleine hokjes om zich om te kleden. Het verontwaardigde geroezemoes hield nog even aan, maar de overwinning was behaald, het geroddel stierf weg.

    ‘Vleugelslag

    Zwemmen moet je leren. Het vaste omzetten in vloeibaar.
    Veren op de steunzool van het water. Liggen op het water.
    Zwemmen is loslaten, drijven, meegaan met de stroom.

    Maar wat is vliegen? Vliegen is dit alles niet.
    Vliegen valt niet te leren. Je kunt het of
    je kunt het niet. Alle vrouwen kunnen het.
    Ze zijn het soms vergeten. Vliegen is de weidse
    bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht.

    Geen makke schoolslag maar een vlindervlucht:
    het overwinnen van je zware zelf en opstijgen,
    klapwiekend, wervelend, de lucht doorklievend.
    De vleugelslag van vrouwen is verraderlijk. Mooi.’

    De week daarop, toen alle zeehonden weer verzameld waren, verscheen de jonge vrouw weer. Deze keer droeg ze een donkerblauw badpak dat haar prachtige lichaam van de hals tot haar billen omsloot. De matrones mompelden goedkeurend, glimlachten en knikten toen ze hen voorbij zwom. De orde was hersteld, ze hadden overwonnen en konden het zich veroorloven vriendelijk te zijn. Ze was nu een van hen.
    Het begon al te schemeren toen ik mijn zwarte zeehondenvacht afstroopte en weer mens werd. Maar dat voelde niet als iets om trots op te zijn.

     

    ‘Vleugelslag’ uit: Het onverborgene / Lut de Block / Arbeiderspers


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.