• Vrouwenkiesrecht

    Mijn buurvrouw wil haar tijd niet verspillen aan de Tweede Kamerverkiezingen, want stemmen heeft geen enkele zin, zegt ze. Mijn buurvrouw is buitengewoon intelligent en heeft een eersteklas opleiding genoten. Ze heeft een uitgesproken mening over alles en ze zou me zonder moeite verslaan in elk debat, als ik zo stom zou zijn om het tegen haar op te nemen. Daarom hou ik mijn mond en ik knik huichelachtig bevestigend. Ik ga altijd stemmen, ook al weet ik niet of het iets verandert. Maar wie niet stemt, heeft ook geen recht van spreken. Die nacht droom ik dat Aletta Jacobs aan mijn bed staat. Ze kijkt me verwijtend aan met haar priemende donkere ogen. Of ik niet weet hoe hard zij heeft moeten vechten voor het vrouwenkiesrecht, vraagt ze. Hoe ze in 1883 op de kieslijst wilde van de gemeenteraad in Amsterdam, maar geweigerd werd. Alleen mannen mochten stemmen: vrouwen werden op één lijn gezet met krankzinnigen en gevangenen, die evenmin stemrecht hadden. Pas in 1922 konden vrouwen volwaardig gaan stemmen. 

    Als ik zeg dat ik dat allemaal wel weet, vraagt ze verontwaardigd waarom ik dan te laf was om tegen mijn buurvrouw te zeggen dat ze moreel verplicht is te gaan stemmen? De veertjes op haar hoed trillen mee als ze haar stem kracht bijzet. Ik vertel haar dat de stemplicht in 1970 afgeschaft werd, maar ze valt me in de rede met de woorden uit haar toespraak uit 1919: ‘Deze machtsverheffing der vrouw zal heel het Nederlandsche Volk ten zegen worden.’ Na deze patstelling beloof ik actie te ondernemen en dan laat ze me met rust. De volgende ochtend kopieer ik het gedicht van de website van schrijver en performer Babs Gons. Ze schreef het voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ‘omdat ik anders de slaap niet kon vatten. En in de hoop dat iedereen gaat stemmen zodat niemand ooit voor niets heeft gestreden.’

    Als je niet gaat stemmen
    Zeg het dan zo zachtjes
    Dat Nelson Mandela het niet kan horen
    Laat hem met eeuwige rust
    Als je niet gaat stemmen
    Wees dan alsjeblieft zo discreet
    Dat onze voorouders
    Zich niet roeren in hun graf
    Als je niet gaat stemmen
    Laat het 1919 niet horen
    Laat Suze Groeneweg het niet horen
    Laat Aletta Jacobs met rust
    Laat het bloed op de stenen
    In de straten van
    Selma en Montgomery
    Het niet horen
    Laat het zand van Transvaal met rust
    Martin Luther King, hij mag het niet weten
    Sojourner Truth mag het niet horen
    En onder geen beding
    Laat de mannen achter de tralies
    Van de statistieken het horen
    Daar waar de stembiljetten niet worden bezorgd,
    Mogen ze er niets van weten
    Daar waar ze de stemlokalen nooit zullen bereiken
    Door de kogels en de bommen
    De afstand en de armoe
    De dictator en het geloof
    De kleur en de klasse
    Laat het ze niet horen
    Ssshhhtttt

    Ik doe het vel papier in een envelop en stop die bij de buurvrouw in de brievenbus. Anoniem, dat wel. Sorry, Aletta.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Salamander

    En voor het eerst waardeerde hij. Een zin in cursief. Het is de laatste regel van Metamorfoze (1897) van Louis Couperus. Een boek dat ik kocht bij de plaatselijke V&D. Mijn allereerste Couperus, een pocket uit de Salamanderreeks. Waarom Couperus, waarom Metamorfoze dat toen al bijna een eeuw oud was? Ik had geruchten vernomen, over dandyisme, maskerade en roze zomerpakken. Ook de flaptekst en het nawoord van F.L. Bastet maakte nieuwsgierig: hoofdpersoon Hugo Aylva zou een zelfportret van de schrijver zijn. Bijna dertig jaar geleden gaf ik mijn Salamanderpocket cadeau aan een jongen met groenblauwe ogen, krulhaar en bloswangen. De gladde huid van een zeehond. Nu ik dit schrijf herinner ik me vooral de tongzoen die hij me gaf nog voordat we elkaar echt leerden kennen. Omdat ik toentertijd uitsluitend Couperus las, woorden als ‘spleen’ in mijn dagelijkse taalgebruik introduceerde en in mijn dagboek ‘weer’ schreef als ‘weêr’ en ‘zou’ als ‘zoû’, ontwikkelde ik in lijn van zijn werk een hypergevoeligheid voor wat ik hier gemakshalve de rafelranden van wetenschap zal noemen.

    Ik raakte zo verstrikt in het spiegelpaleis van theosofie, zielsverhuizing en tafeldansen dat ik na deze droomzoen, die ik als een betekenisvol voorteken van wat dan ook zag, besloot voor het eerst verliefdheid in mijn leven toe te laten. Hij schreef me kaartjes in een priegelig apothekershandschrift. Toen ik hem mijn exemplaar van Metamorfoze gaf, zei ik dat hij daarmee niet alleen één van de grootste schrijvers van Nederland persoonlijk leerde kennen, maar ook mij. Hoogdravende woorden, onechte woorden die me in de loop van mijn leven meer hebben achtervolgd dan de bontgekleurde vlinders die toen in mijn lijf dansten. Zo werkt schaamte. Want de jongen in kwestie wilde me best wel beter leren kennen, heel graag zelfs –  ‘ik heb ’t zweet op je koppie in de zomer lief, maar meestal nog meer de inhoud van het koppie’, schreef hij poëtisch aan mij als antwoord – maar niet op de manier, zo bleek na te lang en te moeizaam aftasten, waarnaar ik zo verlangde. 

    Ik weet eigenlijk niet of hij het boek heeft gelezen. Het kost wel wat inspanning om je door de meanderende zinnen van Couperus te laten vangen. Ze proeven soms als suikerspin, je hapt in leegte. Om vervolgens betoverd te raken, door het ritme, door de wereld die je achter de woorden raadt. Ik was er verslaafd aan, dacht ook dit is de enige manier waarop literatuur met hoofdletter L geschreven wordt. Een leven lang lezen, een leven lang aannames schrappen.
    Terug naar de weggegeven Salamander. Het bijzondere omslag is van Anjo Mutsaars. Zij heeft zich zonder twijfel laten inspireren door de meest iconische foto die van Couperus bestaat, want in die eenzame boom herken je zijn silhouet, mantel en hoed. Er schuilt een jongeman in het bladerdek, half verborgen, maar zeker ook zichtbaar. Zijn blik is onzeker, lijkt verlangend. Waar hij is, zijn bladeren nagenoeg verdwenen, is de dekmantel weggevallen. Hij staat op de drempel van coming-out. Hij mag er zijn. En voor het eerst waardeerde hij.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Geschikte verhalen

    In Brummen wordt de krant onregelmatig bezorgd, vaak helemaal niet. Eigenlijk zijn we zo gewend dat er geen krant komt, dat we verrast zijn als hij er wel is. De krantenjongen krijgen we nooit te zien. Een keer hoorde ik hoe hij de krant door de brievenbus duwde. Het was of ik voor het eerst een ijsvogel, waarvan ik wist dat die er was, te zien zou krijgen. Ik snelde naar beneden, trok de voordeur open, riep “Hé, hallo! maar weg was hij. De afgelopen week was er geen krant. Eerst omdat het sneeuwde, toen omdat het dooide. In plaats van de krant doornemen aan de keukentafel, zijn we overgegaan tot het elkaar voorlezen van verhalen. Hoewel, ik lees voor. Mijn lief luistert, gedwee. Als ik zeg, ‘zal ik een verhaal voorlezen?’, zegt hij, ‘…Toe maar’, alsof ik hem een trucje wil laten zien. Soms lees ik een zeer kort verhaal, soms een wat langer. Afhankelijk van de hoeveelheid geduld die er in de lucht zit. 

    Het is als samen een modewinkel binnengaan (waar ik nooit kom, maar stel je voor), ik weet welke jurk ik wil, deze pas, koop, en klaar. Ga ik daarentegen besluiteloos wat kleerhangers heen en weer staan schuiven in rekken met blouses en truien, dan verdwijnt de gedweeheid. Tijdens het voorlezen van een lang verhaal ben ik daarop bedacht, of er niet teveel in gedraaid wordt, het ergens heengaat. Of, liever nog, je ergens mee laat zitten. Dan zijn het geschikte verhalen. Gister las ik ‘Projecties’ van F.B. Hotz voor. Over een man die voor twee nachten zijn vijfjarige kleinzoon, wiens ouders aan hun relatie moeten werken, te logeren heeft. De tijd moet om, ze gaan een middagje naar het strand. Daar, terwijl de man zijn colbert uittrekt, deze met precisie  opvouwt, in een tas legt, daarna een schoen uittrekt, verdwijnt het kind. Ik lees: ‘Mark was weg.’ ( Mijn liefs adem stokt een tel) ‘Hij was verdwenen; door de grond verzwolgen, weggeblazen.Van hieruit door een duivel in zee gekwakt en, niet gewend aan golf en branding, meteen verdronken. Of een meer aardse gruwel had hem in een tent gesleurd. Misschien vermaakte een morsige krankzinnige zich giechelend met hem in de kleedhokjes verderop.’ (een diepe zucht).

    Ik lees verder: ‘Grote kwaadheid kwam over me. Klootzak! dacht ik; al in de eerste minuut verspeel je het kind dat je toevertrouwd is. Je hebt meer belangstelling voor je colbertje. Dat moest zo nodig in een tas; opgevouwen nog wel.’ Het kind wordt ongeschonden teruggevonden. Het ging om de man die zichzelf niet meer kon zijn in bijzijn van het kind.

    Vanmorgen las ik leunend tegen het aanrecht dit zeer, zeer korte verhaal van Lydia Davis voor: ‘In een belegerd huis woonden een man en een vrouw. Vanwaar ze ineengedoken in de keuken zaten, hoorden de man en de vrouw kleine ontploffingen. “De wind,” zei de vrouw. “Jagers,” zei de man. “De regen,” zei de vrouw. “Het leger,” zei de man. De vrouw wilde naar huis maar ze was al thuis, daar midden op het land in een belegerd huis.’ Een geweldig verhaal voor bij het aanrecht.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de krant als die er is, zoekt naar verhalen.

     

     

     

  • Gestrand

    Het dak van de stationshal was hoog en de deuren stonden wagenwijd open. De wind ging zijn gang. Als stuifsneeuw had hij de mensen tegen muren en banken aangewaaid. Ik was voor het eerst sinds lang op pad, maar het was inmiddels zondag en ik wilde naar huis. Op het planningsbord stonden alle treinen die uitvielen. Een vijftal spreeuwen wachtte roerloos aan de voeten van een man die patat at. Hier zou vandaag niets meer gebeuren, ik verliet het station. Gisteren had ik nog geluisterd naar het gezang van vogels die een voorschot op de lente namen. Ploegend door de sneeuw vroeg ik me af of ze nu spijt hadden van hun overhaaste aankondiging. Waar ze überhaupt gebleven waren.

    Dat ik gestrand was, zei ik tegen de jeugdige receptioniste met de paardenstaart. Met enig genoegen, want zo vaak komt het niet voor dat je dat zonder overdrijving kunt zeggen. Ze glimlachte professioneel, vroeg of het dus om één nacht ging. Terwijl ze het papierwerk regelde, keek ik over de rand van mijn mondkapje naar de enorme lobby en de aangrenzende bar. Ik vroeg me af of wij de enigen waren, hier. De barkrukken stonden er voor niemand. Een uitnodigende tekst prees cocktails aan. Je kon ze hier ophalen, begreep ik later, en dan drinken op je kamer. De receptioniste gaf me de sleutelkaart en wees naar achteren. De lift ging naar de elfde verdieping. Zonder muziek, ook in de donkere gang was het stil. Ik passeerde elf identieke deuren. Aan de deurkruk van de kamer naast de mijne hing een deurhanger met de tekst ‘niet storen’. Ik dacht opgewonden Spaans te horen.

    De kamer was licht. Ik keek door het geluidsdichte dubbelglas naar buiten. De lucht hing zwaar en beneden was alles gesmoord in sneeuw. Alleen het luchtsysteem ruiste. Ik nam een bad en las daarna op de sofa bij het raam De uitvinder van de natuur van Andrea Wolf. Het boek gaat over Alexander von Humboldt, een ten onrechte enigszins vergeten 18e -eeuwse wetenschapper en ontdekkingsreiziger. Hij was het, die voor het eerst de samenhang in de natuur zag, iets wat wij nu als vanzelfsprekend ervaren. Misschien is dat, vergeten worden, het wonderlijke lot van geniale geesten die onweerlegbare inzichten voortbrengen. Een rusteloze man, Humboldt, met een onstuitbare reislust, die doorlopend overliep van ideeën en velen aanwakkerde met zijn kennis en enthousiasme.

    Buiten was alles, behalve de wind, tot stilstand gekomen. Ik bevond me op de maan. Of in de film Lost in translation, maar dan zonder mensen en met sneeuw. Alleen Humboldt joeg me voort, op vulkaan-jacht, in een bootje op de Orinoco, voorbij de sidderalen, luisterend naar het melancholisch schreeuwen van aapjes in het regenwoud.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • IJzingwekkende kou

    De oostenwind joeg zaterdagnacht fluitend de sneeuw rond het huis. In de ochtend lagen bergen sneeuw. Er reden geen treinen, auto’s bleven op de plaats waar ze geparkeerd waren. We waren bereid thuis te blijven. Ik zette koffie. Vanaf de bank keek ik met mijn handen om mijn koffiekop naar de witte tuin, door niemand betreden. De winters van vroeger keken mee. Toen sneeuwdagen zich vulden met dromen, idealen, omdat er niets anders te doen was. Als mijn koffie op is leun ik voorover, denk aan een houtvuur. Vraag me af waarom ik in hemelsnaam de kachel heb verkocht. In Russische verhalen is er altijd een houtvuur. Ik denk aan het verhaal Jermolaj en de molenaarsvrouw van Toergenjev. Armina is een vrijgekochte lijfeigene, trouwde met de molenaar. Geen fijne man. Op een koude avond klopt een Russische heer met zijn jager aan bij de molenaar om een slaapplaats. Ze worden geweigerd. Slaan buiten hun kamp op. De jonge molenaarsvrouw komt erbij: ‘Op een omgekeerde tobbe zat de molenaarsvrouw voor het vuur en praatte met mijn jager. Zij steunde de ellebogen op de knieën en hield het hoofd in haar handen. Jermolaj legde spaanders op het vuur.’

    Ik vertel Mijn Lief dat de buren nu echt uit elkaar zijn, ik had het op Face book gezien. Dat hij niet meer wilde, is weg gegaan. Hoe moet dat nu met de kinderen zeg ik. De molenaarsvrouw in het verhaal van Toergenjev sprak over de koeien van de buren, er heerst een ziekte. ‘bij vader Iwan zijn beide koeien doodgegaan … De Heer zij genadig!’  Waarna het gesprek stilviel. Ik keek naar de besneeuwde tuin. Naast me ligt de bundel van Lamia Makaddam. Ik moet aangesproken worden, wakker gekust. Door Lamia Makaddam, die over ijzingwekkende kou spreekt, en winters die op elkaar lijken.

    ‘Om een mij onbekende reden
    wil ik jullie over een ijzingwekkende kou
    op een winteravond vertellen.
    Over het monster van de stilte.
    De duisternis hangt als wolken van stof onder het plafond.
    Ik raak mijn mond aan en vind mijn lippen niet
    en mijn stem lijkt mij verlaten te hebben.
    In de diepte slaapt warm geluk.
    Van wie is dit litteken?
    En wie echoot dit verdriet?

    Als ik op een dag poëzie schrijf
    is het omdat iemand huilde ver weg
    en ik met een vernietigende kracht schreeuwde
    omdat de deur de vingers beknelde
    van een kind ergens op de wereld.
    Dit verdriet is het enige wat ik met jullie kan delen.
    Het is wat ik met alle liefde deel. 

    Alle winters lijken op elkaar.
    Winters die op jou lijken en winters die niet op jou lijken.
    Winters die hier of aan de andere kant van de wereld zijn.
    Als je vingers trillen, schrijf dan niet op deze plek.
    En als het gemis in je hart woont,
    dan weet je dat tenminste iets het vult.
    Schrijf vanuit de duisternis
    die het leven minder wreed maakt.’ 

    Buiten sneeuwt het onophoudelijk, het is een mooie dag om gedichten van Lamia Makaddam te lezen.

     

    Uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf / Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali / 68 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, geeft wekelijks een kijkje in haar boekenkast.

     

     

     

  • Boekéé-kerels

    De opzichter van de schoonmaakploeg droeg een crèmekleurige terlenkabroek die strak om zijn billen zat, in zijn kruis knelde en bij de enkels fladderde. In de weken dat ik als zomerkracht inviel bij één van de grootste publieke omroepen om wc’s te schrobben en tapijten te zuigen, droeg hij hem elke dag waardoor eigenaar en broek iets smoezeligs kregen. Vintage bestond nog niet en dertig was in mijn ogen toen ook echt oud. Die avond was zijn stemming somberder dan anders. We zaten in de hal, met lauwe koffie uit een thermosfles die eerlijk over onze plastic bekertjes was verdeeld. Met we, bedoel ik naast de opzichter ook de twee vaste krachten, vrouwen met levenservaring. Ik weet nog dat de oudste zoiets zei als, ‘trek het je niet aan’. Alleen maar om hem tot meer bekentenissen te verleiden. ‘Maar dat doe ik juist wel,’ antwoordde hij. ‘Elke dag zit ze die boekies te lezen. Die… hoe noem je ze?’ ‘Boekéé,’ vulde de oudste behulpzaam aan. ‘Ik word er strontvervelend van. Zelfs in bed! Ze leest, het licht gaat uit en ze draait zich op haar zij. Ver van mij vandaan. Ik zeg: “Monique dat soort Boekéé-kerels bestaan helemaal niet. Hier, ik ben een echte!”’ 

    ‘Het is trouwens Boe-kwet, niet Boekéé,’ zei de jongste plotseling na lang nadenken. ‘Nee hoor.’ De stem van de oudste kreeg een kille ondertoon. ‘Het is Boekéé. Het komt uit het Frans van… nou ja boekéé.’
    ‘Ze draait zich van mij af, zonder een kik. We hebben echt in geen maanden! Ik zeg, die boekies van jou maken ons huwelijk kapot.’ De jongste liet niet los: ‘Toch is het boe-kwet. Als van bloemen… een boe-ket bloemen.’ Ze keken nu alle drie naar mij voor het verlossende antwoord, de jongen met het diploma (dat voorjaar had ik mijn middelbare schooldiploma gehaald).
    Ik kende de reeks. Deeltjes stonden bij ons in een eiken kastje, onder de televisie en naast de cassetterecorder. De auteurs hadden Engelse namen als Anne Mather en Anne Hampson. Mijn favoriet was Margaret Rome, alleen maar omdat ik heel graag een keer naar Rome wilde. Zelf had ik alleen Bouquetreeks nummer 8 gelezen, De donkere ster van Nerina Hilliard. Saai.

    ‘Het is Boekè. Le Boekèreeks,’ zei ik zwierig. ‘Zulke boekjes kunnen toch nooit slecht zijn voor je huwelijk?’
    ‘Je begrijpt er niets van! Je bent daar ook veel te jong voor.’ De opzichter keek op zijn horloge. Ik wendde mijn blik af.

    Thuis groeide de stapel naast de cassetterecorder. Mijn moeder las op haar vaste plek op de bank elke maand de nieuwe deeltjes, haar voeten zijdelings tegen haar billen geschoven, asbak binnen handbereik. Ik inspecteerde alleen of Margaret Rome een nieuwe titel had. Nee, wéér die vervelende Anne Mather. Later, ik was klaar met het zuigen van het hoogpolige tapijt in de directeurskamer, hoorde ik de opzichter en de jongste giebelen en fluisteren in het kantoor daarnaast. Die deur was dicht. ‘Als je zó zit, zie je echt alles in die broek,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Daar kan geen Boekè tegenop.’

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Zwarte kraaien

    ‘Simon zwoer me dat hij overdag had bijgeslapen, maar in bed kon het niet geweest zijn, want het controlerijstkorreltje op zijn hoofdkussen trof ik op precies dezelfde plaats aan als waar ik het had neergelegd voor mijn vertrek.’

    Ondanks het grauwe weer dat me de hele dag binnenhield, moest ik eruit voor het donker werd. Ik liep langs ingekuilde voederbieten, drassige graslanden, een gesloten Pannenkoekenrestaurant. Na de eerste kilometers waren mijn haren en brillenglazen nat van de miezer regen. Ik zette grote stappen onder de kale eikenbomen door. Zwarte kraaien vlogen schreeuwend op wanneer ik naderde, daalden in de volgende boomtop neer, vlogen weer op, zo joeg ik ze voort. Ik nam een foto van de opvliegende kraaien. Toen viel mijn mobiel uit, liep verder. Een fietser kwam me tegemoet. Een jongeman in een blauw/wit regenjack, knalrood hoofd (ik dacht ‘opgefokt’), witte oordopjes in. Toen hij me passeerde moest ik opzij stappen, even zag ik zijn priemende ogen. Hij gromde. Ik zei tegen mezelf, ‘Gromde hij nou?’ 

    Ik had te lang gelezen in Ik ben er niet van Lize Spit,  over Leo (Leontine) en Simon, die na een gehavende jeugd in elkaar gekropen zijn zoals een slak in zijn huisje, maar dan met zijn tweeën. Glibberig om elkaar glijdend, elkaar enkel goed willen doen, kwetsende zaken als vliegen voor elkaar afvangen. Tien jaar leven ze zo, dan krijgt Simon een psychose. Je leest over de aanloop ernaartoe, de piek, de behandeling, het eruit komen. Leo die daaromheen reddert, de boel in evenwicht probeert te houden. Wat niet lukt, het gaat geweldig mis met Simon.

    Mijn god, wat een stel, wat een boek, waarin je in het hoofd zit opgesloten van de een die onder de huid kruipt van de ander. Niets wordt aan de verbeelding overgelaten. Hoe meer ik vorder in dit boek, hoe meer ik snak naar verbeelding. Maar geen kans, genadeloos houdt de schrijver je in haar greep. Drukt ze je met de neus op een uitgeteerde en kwijlende Simon tijdens de eerste opnamedagen. Op Leo die in afwachting van het bezoekuur op de grond in de gang zit, rug tegen de radiator, trouw als een hond. De ijskoude voeten van Simon. (Ja, daar spreekt dan toch de verbeelding). Ik wil weten waarom het zo meedogenloos uitleggerig is. Bij ‘controlerijstkorreltje’, begint er iets te dagen, dat het enkel zo en niet anders geschreven had kunnen zijn. Wat je ook hoopt, want een schrijver die vijf jaar aan een roman heeft gewerkt, schrijft geen boek dat niet te lezen is. Weet dat elk boek zijn eigen lezing vraagt.

    Leo is hondstrouw, hoewel (en dat stemt hoopvol) ze de opname van Simon gebruikt in een serie columns die ze voor een vrouwenblad schrijft. Terwijl ik buiten loop denk ik aan Simon, hoe hij de ogen van de kat heeft uitgelepeld. Ik weet dat de fietser met de priemende ogen is door gefietst. Toch denk ik aan de mogelijkheid dat hij omkeert, me een klap verkoopt, of gewoon een mes in mijn rug, omdat ik daar liep. Alles kan opeens, de kraaien, de donkerte om me heen lijken een voorbode van iets. Ik zet er flink de pas in. Thuis droog ik mijn haren, pak het boek, lees verder waar Leo haar derde column schrijft. Hoe ze S. beschrijft in een net iets te kleine pyjama, het donker van zijn kamer. Dat ze onderweg naar huis door een groepje mannen gevraagd werd haar naam op de borst van  een van hen, bruidegom in spe te schrijven. ‘Dat laatste was verzonnen, maar ik kon niet anders dan overdrijven, schepjes eenzaamheid erbovenop doen, enkel zo controleerde ik de werkelijkheid, die groot en woest was en vaak verdrietig’. Dit boek schrijnt, zo weinig troost. Wat een boek.

     

     

    Ik ben er niet / Lize Spit / 570 blz. / Uitgeverij Das Mag 


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt naar een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Nieuwe woning

    Toen ook de jongste dochter het ouderlijk huis verliet, begonnen de kamers van de kinderen één voor één het herkenbare, persoonlijke stempel kwijt te raken dat elk kind erop gedrukt had; ze veranderden in logeerkamer of opslagruimte voor achtergelaten spullen. Ik dacht weer aan A room of one’s own van Virginia Woolf. Ik wilde al zo lang een kamer voor mezelf; we besloten dat een van de verlaten kamers voortaan van mij zou zijn. Het werd die met het mooiste uitzicht, aan de achterkant van ons huis, waar ik ’s morgens heel vroeg kon zien hoe de opkomende zon de mist verjoeg die over de groene velden hing.

    Ik koos de kleur die de muren zouden krijgen en de deur, ik tekende een plattegrond van hoe de kamer eruit zou moeten zien. Ik vertelde mijn man, die beloofd had boekenkasten te maken, hoe ik ze het liefste wilde hebben: het aantal, de hoogte en de afmetingen van de ruimte tussen de planken. En aan het eind van elke dag werd de kamer steeds een beetje meer van mij: er kwam een bureau te staan, een schommelstoel, een goede leeslamp, en verder boeken, boeken, boeken aan alle kanten om me heen. Ik had die kamer nodig. Hier kon ik ademhalen als het tumult van de dag dreigde te verhinderen dat ik de stilte kon horen. Hier kon ik me terugtrekken als ik daar behoefte aan had. Hier kon ik alleen zijn met wat Rilke ‘meine heilige Einsamkeit’ noemde. Hier was ik gelukkig, heel wat gelukkiger dan de vrouw die slechts een geparkeerde auto tot haar beschikking had om even alleen te kunnen zijn. Voor haar had Hannes Meinkema het volgende gedicht geschreven:

    Eventjes

    – voor Maja –

    ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
    eventjes
    moeten jullie me niet storen

    en de precieze beelden die ze maakt
    zijn de schrijnende en
    levenslange
    brons geworden veelheid van gevoel
    van iemand die als ze het niet langer uithoudt
    eventjes
    in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.


    Toen een vriendin van me verhuisd was, nodigde ze me uit om te komen kijken naar de nieuwe woning. Ze gaf me, samen met haar man, een rondleiding door het hele huis. Het was inderdaad prachtig geworden, om jaloers op te zijn. In het souterrain deed haar man een deur open en zei dat deze kamer speciaal voor zijn vrouw was. Toen ik nieuwsgierig naar binnen keek – zou ze ook zo veel boekenkasten hebben als ik? – zag ik een wasmachine, een wasdroger, een strijkplank met daarop een strijkijzer en twee wasmanden. Handig, zei haar man, om alles bij elkaar te hebben, dan kon ze alles achter elkaar in dezelfde ruimte afwerken. Zijn vrouw knikte, maar niet heel enthousiast. Ik ben nog mee naar buiten gegaan om de tuin te bewonderen, maar ondanks hun aandringen ben ik niet gebleven voor het eten. Ik wilde naar huis, naar mijn eigen kamer, naar mijn man, om hem te vertellen dat ik van hem hield.

     

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Enige betekenis

    Als ik over rellen, plunderen en vernielen hoor denk ik, sukkels. ‘s Nacht zet ik me in een gemakkelijke stoel in mijn kamertje, lees Rachel Cusk alsof dat het enige is dat telt. Als kind ben ik wel eens tegen geldende regels in gegaan. Op de leeftijd waarop je nog denkt dat niemand je ziet, stopte ik in een winkel een zakje snoep in mijn jaszak. Ik weet nog hoe het knisperde, voelde me een houtenklaas, weet niet meer hoe ik buiten ben gekomen. Ik nam wel eens een schriftje weg bij de Hema. Eén keer een boek in een antiquariaat op een grijze januaridag. Januaridagen zijn sowieso dagen die het best zo snel mogelijk voorbij gaan. Er was niemand die me tegenhield, ik stak het onder mijn jas, eenmaal daar kon het niet meer terug. Er is nooit een weg terug. Vraag me niet wat me bezielde. Toegegeven, ik was in een bepaalde stemming, had teveel Strindberg en Büch gelezen, was beïnvloedbaar. 

    Ik heb ook wel eens het fietsen van een ander gesaboteerd, draaide het ventiel van de fiets van een buurjongetje open. Dat gaf een bepaald gevoel van macht. Daarop volgde een gevoel van ontheemding, ik kon er niet van slapen. In een interview zei Rachel Cusk dat in haar schrijven alles eindigt met de thuiskomst. Als je een geliefde verliest door dood of scheiding, ben je iets kwijt. Ze zei, ‘mij interesseert het Griekse idee dat het lijden eervol is. Dat je iets wint. De waarheid. Wat dat ook is.’ In die zachte stoel in de hoek van mijn kamertje, lees ik het laatste deel van haar scheidingstrilogie, Kudos. Over haar alter ego Faye die in het eerste deel van de trilogie gescheiden is, in het laatste hertrouwd. Ze omringt zich met verhalen van anderen, mensen die even met haar mee oplopen. Zoals de jongeman die op het literair festival schrijvers begeleidt haar vertelt dat het Griekse woord Kudos, ‘eerbewijzen’ betekent. 

    Een medepassagier in een vliegtuig vertelt over zijn dochter, als kind overgevoelig voor clichés. Wanneer er gasten waren, rende ze gillend het huis door. Ze speelde als kind hobo. Hij kon het niet aanhoren, vond het aanstellerig klinken. Tot hij haar bij een optreden op het podium ziet, perfect in balans. Hij begint te huilen, niet om haar spel, maar omdat hij nooit in haar geloofd heeft. Er is de eens gelukkige vrouw die haar vertelt dat haar leven in puin ligt, omdat ze moeilijkheden ontliep. ‘Als kind zag ik dat mijn zus, twee jaar ouder dan ik, altijd de ergste klappen opving, terwijl ik alles aankeek vanaf de veilige schoot van mijn moeder, en elke keer dat zij in de fout ging of iets verkeerds deed nam ik me voor het anders te doen als het mijn beurt was.’
    Ik lees Rachel Cusk alsof ik er enige betekenis in kan vinden over deze tijd. Zo die er is, is een ‘veilige schoot’ wel iets voor oproerkraaiers, thuis een gelegenheid tot beschouwen.

     

     

    Kudos / Rachel Cusk / 200 blz. / De Bezige Bij (2018) / vertaling Marijke Versluys


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Een handdruk verwijderd

    Ik was een handdruk verwijderd van Willem Elsschot. In de hal van het verpleeghuis zaten meneer en mevrouw Elzinga aan een klein rond tafeltje. Hij vroeg of ik hen gezelschap wilde houden. Oud-leraar Nederlands, bijna tachtig, met ogen die je peilend en nieuwsgierig opnamen. Borrelglazen op tafel. Opeens hadden we het over literatuur, over Elsschot. Of ik die kende? Op de kweekschool had hij een scriptie over Elsschot geschreven. Maar er was meer, een kleine correspondentie – waarin Elsschot hem vriendelijk en vaderlijk ‘Geachte jonge Vriend’ noemde – en een ontmoeting. Elsschot nodigde Elzinga uit voor een wandeling door het Antwerpen van Het Dwaallicht. Er zijn foto’s van, verloofde mee, ouders mee. Dat vond ik wel ontroerend. Zou ik de hele familie meenemen als bijvoorbeeld Connie Palmen mij uitnodigde voor een wandeling door het Amsterdam van I.M.

    De jonge Vriend noemde ik op mijn beurt meneer. ‘Wat is jouw favoriete Elsschot?’ vroeg hij met verreikende stem. Ik aarzelde. Eén uiterlijk kenmerk van meneer Elzinga heb ik nog niet genoemd. Zijn ene been was tot boven de knie geamputeerd. ‘Villa des Roses,’ antwoordde ik. Een prachtig boek, dat vonden we allebei, en zijn vrouw ook. Vanwege de portretten van al die hotelgasten, en het treurig lot van die aap. Pas in tweede instantie, en wat voorzichtig, durfde ik Lijmen/Het Been te zeggen, het boek dat echt indruk op me had gemaakt. 

    Je staat er niet bij stil, maar er is een tijd geweest dat Lijmen (1924) wel bestond en Het Been (1938) niet. Ze stonden in de jaren tachtig als één titel op de verplichte leeslijst voor Nederlands. Deze lijst, getypt en daarna vlekkerig gestencild, was mijn springplank naar het lezen van andere boeken dan ik tot dan toe deed. De zakenmannen Boorman en Laarmans splitsen vrouw Lauwereyssen en haar broer, eigenaren van een smederij en gespecialiseerd in keukenliften, honderdduizend exemplaren van het Wereldtijdschrift in hun maag. Het is een geschiedenis over ijdelheid en eigenbelang. En wroeging. Zeker als bij vrouw Lauwereyssen een been moet worden afgezet door gebrek aan geld voor medische zorg. Lijmen/Het Been schonk mijn puberbrein een groeispurt, een sprong naar verbinding: ik wás Boorman, ik wás Laarmans en ik wás vrouw Lauwereyssen. Ik was vooral haar. Goedgelovig, halsstarrig, principieel. Zelfs als het in je nadeel uitvalt. Ook ik zou blind voor de spijt van een ander de laatste termijn van dat Wereldtijdschrift betalen. Door Lijmen/Het Been leerde ik – misschien wel voor het eerst –  licht, donker en grijstinten in mezelf kennen.

    Enkele jaren geleden is meneer Elzinga overleden. Zo intensief als die eerste keer hebben we elkaar daarna niet vaak meer kunnen spreken. De gaten in zijn geheugen groeiden, zo ook de noodzaak voor meer zorg. Hij verstilde, zijn stem werd zachter, onzeker. Zij bleef hem ’s middags van de afdeling halen naar het vaste tafeltje in de hal. Soms, als ik in gedachten het verpleeghuis binnenstap, denk ik hen daar te zien zitten, onafscheidelijk, met gastvrije blikken en jonge jenever.

     

     

    Willem Ellenbroek en Laurens Elzinga, Uw brief is bijna een tragedie die mij deed huiveren. Het contact van Laurens Elzinga met Willem Elsschot (W.E.G.-cahier 5, 2008)


     

    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Twintig jaar afwezigheid

    Met enig uitstel van Blue Monday werd het pas dinsdag dat de sluier viel. Ochtendlicht wilde maar niet doorkomen, regen ruiste als een afweerscherm tegen enig ander geluid dat op een beginnen van de dag kon duiden op het afdak onder mijn slaapkamerraam. De krantenjongen liet verstek gaan, waar ik begrip voor had. Er gonsden woorden door mijn hoofd, demissionair en missionair. De laatste dagen veelvuldig gebruikt als was het een bal waarmee iedereen een schop in open doel wilde maken. Ook klonk het tot de verbeelding sprekende begrip, waterbedeffect door mijn hoofd. Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke met weinig woorden, zei het grote voorbeeld van A.L. Snijders, Epictetus al.

    Ik lees Thuis, van Marilynne Robinson. Er is een nieuw boek van haar verschenen, Jack. Nu vraagt eerder verschenen werk van haar om herlezing. Haar eerste boek Gilead, speelt ook rond Jack, vanuit het perspectief van de knorrige geestelijke, John Ames. In Thuis komt Jack na twintig jaar terug naar het ouderlijk huis. De verloren zoon, de aan drank verslaafde, die diefstallen pleegde, twintig jaar van de aardbodem verdween. Nu ik het opnieuw lees heeft die twintig jaar opeens aan betekenis gewonnen. Sinds mijn broer, die ik twintig jaar niet zag er niet meer is, zoek ik naar betekenissen. Twintig is nu het getal van nooit meer te overbruggen tijd. Als een gapend gat liggen die jaren tussen Jack en zijn vader, dominee Boughton, nu een oude man. Jack doet zijn best een goede zoon te zijn. Hij helpt hem naar bed, speelt piano voor hem, drinkt niet meer, maar goed komt het niet tussen hen. 

    Vader Boughton, die van al zijn acht kinderen het meest van Jack houdt, kan hem niet accepteren zoals hij is. De liefde van de vader is een eenrichtingsweg, zonder omkeren. Vanaf de andere kant kan Jack zijn vader niet vertellen dat hij in een andere staat een zwarte vrouw heeft, en een kind. Het is eind jaren vijftig, dat een witte man met een zwarte vrouw leefde was ondenkbaar. Jack is in Gilead om te onderzoeken of het een geschikte stad voor hem en zijn gezin is, om te wonen.

    Als hij aan het bed van zijn vader zit vraagt zijn vader, “‘Laat je hand eens zien, waar je die splinter in had.’
    ‘Dat geneest al.’
    ‘Laat eens kijken.’ Jack gaf zijn vader zijn hand, en de oude man nam hem in zijn handen, streelde hem en bekeek hem. ‘Er blijft wel iets van een litteken over.’ Dan: ‘Twintig jaar,’ zei hij, ‘twintig jaar.’ Jack stopte zijn vader in bed, droogde de borden af, ging naar zijn kamer.”
    Thuis is e
    en zeldzaam mooie roman. Razend benieuwd naar die nieuwe roman, geschreven vanuit Jack, vanuit het perspectief van iemand die twintig jaar van de radar verdween, wat hem bewogen heeft. Er is een gretig willen weten, verbanden te leggen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.