• Losgezongen

    April is inderdaad een wrede maand. Niet alleen volgens dichters en schrijvers, ook boeren weten dat het de maand is die hen de nekslag kan geven. De onrijpe, prille gewassen op het veld en de voorraden geslonken. En christenen, met hun vrolijke Pasen, voorafgegaan door niets minder dan de kruisdood van hun Messias: rond april, het zal allemaal geen toeval zijn. Het ontluiken van leven gaat niet zomaar. Ik ben op weg naar de bieb, buig mijn hoofd tegen de sneeuw en luister naar de soundtrack van Jesus Christ Superstar. De film heb ik zo vaak gezien, dat ik de dorre woestijn en felle ogen van Judas in zijn zon-gebleekte rode hippie tenue moeiteloos voor me zie. Als vijftienjarige verlangde ik van boeken en films dat ze zo echt mogelijk waren. De straaljagers en het zingen leidden me daarom af. Grommend keek ik de film uit.

    Het jaar erna was ik verkocht, ik weet nog steeds niet precies waarom. Luisterend naar de soundtrack valt me op hoezeer de focus op Judas ligt, zijn worsteling en verraad, iets wat me eigenlijk weinig interesseert en ook vanuit bijbels perspectief raadselachtig is. Voor Judas en zijn tijdgenoten zal het verraad reëel geweest zijn, maar als je zoals wij, bijna tweeduizend jaar later, het brein achter het plan kent, dan blijkt dat die hele verraders soep veel minder heet gegeten wordt. God had het allemaal zo voorzien.

    In de straten bloeien roze ribessen, overdadig witte magnolia’s, kitscherige sierkersbomen. Gelaten vangen ze sneeuw, ze hebben maar even. Her en der ligt bloesem op de stoep bruin te worden. Uit het niets verschijnt de zon, het plotselinge licht is rauw. Ik kan de mensen weer aankijken, denk aan de documentaire die ik een paar weken geleden zag, I am Greta. Zelfs omringd door gelijkgezinden, aan kop van klimaatmarsen, lijkt ze losgezongen van de rest. 

    Het gaat allemaal over eenzaamheid. Over weten dat de ondergang of het sterven nadert en dat je vrienden zingen over hoe ze altijd al een apostel hadden willen zijn, zodat ze straks het evangelie over jou kunnen schrijven. En ze menen het zo, ze zijn zo ontwapenend en eerlijk in hun verering van J.C. Ze bewonderen zo hard, dat ze de man en zijn eenzaamheid niet meer zien. Niet kunnen zien, misschien. Mijn bibliotheekbezoek duurt kort, je kunt alleen gereserveerde boeken afhalen. Ik mis de bieb, of val ik nu in herhaling? Ik leen David Vann, Legende van een zelfmoord, aangewakkerd door collega columnist Inge Meijer, omdat het soms inderdaad een tijd duurt voordat je een boek kunt lezen. Op de terugweg sneeuwt het alweer. Dit schrille voorjaar lijkt me er het perfecte moment voor.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraapbij AtlasContact.

     

  • Maaier in het literaire veld

    We moesten iets met Pasen, hingen gekleurde houten eieren in een wilgentak die tot het plafond reikte. Het gedoe in het kabinet, waarvan de scharnierpunten al nooit gesmeerd liepen en nu waren vastgelopen, sudderde nog na. Rutte als verrader, zondaar en eeuwige opstandeling, die zijn rol tot het bittere einde wilde uitspelen. Daarbij was het koud, zou het nog kouder worden, sneeuw enzo. Nee, het vrolijke van Pasen kregen we niet te pakken. Toen las ik ook nog een stukje in de boekenbijlage van de Volkskrant door Bo van Houwelingen over De atlas van overal van Deniz Kuypers. Alsof het haar taak is, ze er geschiedenis mee wil schrijven, maakt zij boeken in kort bestek af. Ze is er goed in. Deze keer deed ze het in 173 woorden, in 12 brakke zinnen. Kort en krachtig, als de maaier met de zeis in het literaire veld. Geen enkele onderbouwing. We moeten haar op haar woord geloven dat als zij het niks vindt, het ook niks is. Maar goed, het was Pasen. Er was koffie, een likeurtje, een stuk citroencake met maanzaad (gedoopt in dat likeurtje een heerlijkheid). We gaan hier geen recensie recenseren.

    Dus maakte ik een quinoasouffle met tijm, nootmuskaat, parmezaan. Een salade van veldsla, tomaat, walnoten, peer, eieren. De witte wijn zou een zekere mate van tevredenheid teweeg brengen. Toch bleef de gemakzuchtige toon van het stukje in me doorzagen. Wanneer neem je een recensie niet meer serieus? Het boek, waarin de schrijver zijn zelfzuchtige en agressieve vader poogt te begrijpen, was Van Houwelingen duidelijk niet bevallen. Schrijvers met kinderen die de noodzaak voelen hun eigen jeugd te onderzoeken, vindt ze een algemeenheid. Over de mooie, fictieve verhalen over de vader in dit autobiografische boek is ze kort, ‘Ja, volop verhalen in deze roman, maar echt beklijven doen ze niet.’ Heeft ze het boek wel gelezen? Naar het einde wordt het cryptisch, ‘De les is al geleerd, de wijsheid al ingezonken.’ Over welke les heeft ze het hier, welke wijsheid, en in wat is die gezonken? 

    In tegenstelling tot dat wat er in het verwaarloosbare krantenberichtje staat, beklijft er veel uit dit boek. De rusteloosheid wanneer je tussen twee culturen opgegroeid bent, je nergens thuisvoelen krijgt hier een intensere belichting dan ooit. De agressiviteit van de vader, de poging als zoon hiermee te dealen. Het beklijft hoe de auteur, vol wrok zit jegens zijn zelfzuchtige vader, waarover hij tijdens het schrijven aan dit boek niet meer te weten komt dan hij al wist, hem fictief vormgeeft. Hem een beetje in de richting schrijft waar hij hem zou willen hebben. Uiteindelijk laat hij zijn vader, die hem in de twintig jaar dat hij in Amerika woont nooit heeft gebeld, naar hem bellen. Ze spreken in een haspelende, haperende taal, er is een poging tot toenadering. Verhalen brengen je verder dan de werkelijkheid. Wat bijblijft is hoe de schrijver aan zichzelf voorbijging. Maar je moet deze knap geconstrueerde roman natuurlijk wel helemaal lezen om dat erin te zien. Intussen viel de sneeuw, wilde het maar geen Pasen worden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt wel eens verliefd op een tekst, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Kroonboek

    Ik weet dat voor de meeste mensen 12 augustus 1986 een dag is die zonder enige betekenis voorbij is gegaan. Die dag schelde bij ons – ik woonde nog bij mijn ouders in Hilversum – de voordeurbel en overhandigde de postbode mij een pakketje waarop ik de hele zomer had gewacht. Ik had zelfs een paar keer gebeld met de mevrouw van de klantenservice. Zij legde de schuld van de vertraging bij de drukte die er in de vakantieperiodes altijd was. Een nadere uitleg gaf ze verder nooit.
    Het was mijn kwartaalbestelling van de boekenclub. ECI, Boek en Plaat, ik weet even niet meer over welke club het hier precies gaat, want ik ben van allebei wel een keer lid geweest. Als ik iets verbind met de jaren tachtig dan is het wel mijn getwijfel en gestaar bij de kennismakingsaanbieding van deze boekenclubs in de televisiebode: kies uit dit assortiment drie boeken voor een tientje. Je kreeg er vaak nog een kleine transistorradio of huishoudelijk apparaat gratis bij. Voor de snelle beslisser, aldus de wekelijkse aansporing.

    Oorlog en vrede van Tolstoj (de hardcoveruitgave van Bigot&Van Rossum) zat er altijd bij, een Agatha Christie Vijfling en een boek over massage voor paren, dat veel beeldmateriaal beloofde. Het lidmaatschap had als consequentie dat je eens per drie maanden een bestelling uit hun catalogus moest doen. Vergat je dit    en ik begreep dat het sommige mensen geregeld overkwam –  dan kreeg je het Kroonboek toegestuurd. Een roman van Rosemary Rogers of Catherine Cookson of een ‘overpriced’ knutselboek kon zomaar onverwacht op de deurmat vallen – uiteraard met rekening. Twee dingen waren zeker: het Kroonboek was nooit het goedkoopste boek uit de catalogus en het was ook nooit literatuur met de hoofdletter L. Zelf ben ik te neurotisch van aard om me zomaar te laten overvallen door de komst van een Kroonboek.

    Daarom belde ik de Klantenservice die zomer zo vaak, alsof ik verder niets te doen had, waardoor de mevrouw die telkens de telefoon opnam een zekere vermoeidheid in haar stem kreeg, nadat ik mijn naam had gezegd en over mijn bestelling begon. Was er wellicht sprake van een fout, een misverstand of vermissing? Ik was zeker niet geïnteresseerd in het Kroonboek, iets over zomer- of kamerplanten. ‘Dat weet ik,’ onderbrak ze me op een gegeven moment, ‘U wenst het Kroonboek niet.’ Het klonk alsof ik haar persoonlijk had beledigd. 

    Zo arriveerde, weliswaar verlaat, op 12 augustus 1986 het boekenpakket dat mijn leven drastisch veranderde: de eerste twee delen Geheim dagboek van dichter Hans Warren (1921 -2001). Zijn dagboek bracht mij op het spoor van Maria Dermoût, Julien Green en, vooral, Konstantinos Kavafis. Maar bovenal, Geheim dagboek verbond mij voor het leven met een blozende jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij hem in Amsterdam-West stond een rijtje Geheim dagboek. ‘Jij ook?’ vroeg hij. Daarna wandelden we geregeld in het spoor van de dichter door Zeeland. Er was een tijd dat we meer thuis waren in zijn leven dan in het onze.
    En wat betekende deze dag voor Hans Warren zelf? Sla zijn dagboek uit 1986 open en je ziet dat die twaalfde augustus onopgemerkt voorbij is gegaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Nog van alles mogelijk

    In de boekenkast zou Josien Laurier tussen de schrijvers Michael Laub en Violette Leduc moeten staan. Ik wist het zeker, haar boek Een hemels meisje en een verhalenbundel zouden daartussen staan. Boekenkasten veranderen van inhoud, zij was er niet meer. Laurier is een van die schrijvers waar ik wel eens aan denk, me afvraag waar ze gebleven is. Net als Annelies Passchier, waarvan ik nu weet dat zij in 2009 is overleden.

    Vorige week schreef Jan van Mersbergen op zijn blog over de genomineerden voor de DIF/BNG Aanmoedigingsprijs 2005, waartoe hijzelf ook behoorde. Hij had een foto gevonden waarop ze alle zeven poseerden. Zes van die schrijvers zijn nog in het literaire veld actief. De zevende, Josien Laurier was verdwenen. Van Mersbergen vroeg zich af waar ze gebleven was. Na zijn post op Facebook vroegen velen zich dat af: ‘Oja, Josien Laurier’. ‘Schrijft ze nog?’ Er werden foto’s gedeeld met haar boeken die uit kasten waren getrokken als bewijs. In mijn boekenkast dus niets. Een dag later dacht ik aan mijn oudste dochter, ik appte haar, of Josien Laurier bij haar stond. Ja, daar stond ze. Opeens wilde ik alles van haar terugzoeken.

    Ik vond een (verouderde) website, teksten op DBNL, verhalen die in literair tijdschrift Parmentier (ook verdwenen) stonden. Ik vond een e-mailadres, kopieerde het, plakte het in een op te stellen mail. Schreef dat haar boek Een hemels meisje in mijn geheugen als belangrijke literatuur lag opgeslagen. Ik vroeg hoe het haar ging. In de tussentijd tweette Marja Pruis dat ze haar laatst in Amsterdam op straat had gezien, dat er in die zin dus niks aan de hand was. Ze bedoelde: ze leeft. Er zou dus nog van alles mogelijk kunnen zijn. Een schrijver blijft een schrijver blijft een schrijver. Er dook een laatste interview met haar op, uit 2010. Daarin zegt ze te stoppen met schrijven, dat ze nu leest, Aristoteles, Thomas van Aquino, Hume en Kant. Dat ze dat veel eerder had moeten doen. Dat er in de vorm van verhalen en romans voor haar geen uitdaging meer zit. En dan moet er ook steeds maar weer die psychologie bij, die mij eigenlijk helemaal niet interesseert.’ Mooi interview, intrigerende persoonlijkheid. Ik zou een ideeënroman van haar hand willen lezen. 

    Op DBNL staat de tekst, ‘Veel gestelde vragen’ van Josien Laurier. Dat begint zo: Hoe gaat het met u? Zijn er omstandigheden waaronder methaanrivieren op Titan tot de mogelijkheden behoren? Waarom geen mooie blouse in champagne- of goudkleur? Is net-art dood? Was de aarde, in de eerste vijfhonderd miljoen jaar dat hij bestond, een hel? Is dat een integratieprobleem, een communicatieprobleem, of helemaal geen probleem? Zijn dit nu de reacties van een geschokte samenleving? Wie heeft in Europa de macht over de euro? Wat verstaat men onder de halveringsdikte van een stof? We hebben toch een probleem met de migratie? Hoor ik een gelukkige vrouw aan de andere kant van de lijn?’ Zeven pagina’s gaat dat zo door, waar je doorheen leest als een gek die constant pingpongballetjes van zich af moet slaan, onderwijl de geest vullend met verhalen, aangespoord, door die vragen.
    Een paar dagen terug ontving ik een antwoord van de schrijfster. Dat het haar uitstekend gaat. Dat ze jaren geleden met schrijven gestopt is, dat het ‘denkelijk’ daarbij blijft. ‘Maar een mens weet nooit…’ schreef ze nog. Dus is er nog van alles mogelijk.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een tekst, is een gevoelig lezer.

     

     

  • Laat het sneeuwen!

    De zomer komt eraan, ik ruik het in de lucht. Al gauw zal de zon branden en de snelwegen zullen vol staan met auto’s die in de file wachten om stapvoets naar de kust te gaan, met de halve bevolking erin, die een lange en saaie reis onderneemt alleen maar om de hele dag zwetend op het strand te kunnen liggen. De buren zullen barbecuefeesten organiseren en de stank van verkoold vlees zal bezit nemen van mijn achtertuin, net als de schrille stemmen van hun kinderen die mogen opblijven tot ze moe en vervelend worden. In de stad zullen, als het weer mag, alle terrassen van de cafés volgepakt zijn met mensen in korte broeken en rare petjes op. Iedereen is overal, om te zwemmen, te fietsen, te wandelen en tegen wildvreemde passanten te roepen dat het zo’n heerlijk weer is. 

    Maar ik haat de zomer. Tijdens de hondsdagen kan ik alleen maar de titel van een gedicht van Ben van Eysselsteijn prevelen als een ononderbroken mantra: ‘O, laat het sneeuwen, Heer!’ Geef mij de herfst, de winter, de lange donkere avonden. Ik hou van stilte, ik kan niet tegen de hitte, word nooit bruin, eet geen vlees. Een barbecue is aan mij niet besteed. Laat mij Yeats lezen, rustig en geconcentreerd genieten van zijn poëzie die ik pas laat ontdekt heb en nu een groot deel van mijn dagen vult. Net als met zijn biografie The man and his masks van Richard Ellmann, die ook over Oscar Wilde schreef. Het is koel in huis, de radio laat zachtjes Bach horen, de katten liggen te spinnen en ik ben gelukkig.

    Maar de zomer zal dat voor me bederven. Als ik niet oppas zal ik door goedbedoelende vrienden worden meegetrokken naar bos of strand, naar terrassen en festijnen van zon en zand. Ze vinden dat ik er ‘nodig eens uit moet’ en zullen me niet geloven als ik zeg daar geen behoefte aan te hebben. Dat ik al op stap ben geweest met Yeats, naar Ierland en het elfenrijk. En als ze beweren dat ik de enige ben die de zomer haat, zal ik Remco Campert voor me laten spreken.

    Tegen de zomer

     Niets is vernielender dan de warmte
    De kou houdt in stand, is statisch;
    de warmte beweegt met de vernieling mee
    en wekt een valse schijn
    van zon, gezondheid, zinvolle zonde
    De warmte vleit, paait, belooft,
    maakt stofgoud van stof
    liefde van begeerte,
    poëzie van leugens
    Ik hou niet van warmte,
    broedplaats van muggen en maden
    poel van limonade en andere slopende dranken
    Schenk mij liever klare
    kou en koffie,
    destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
    en aanvaardbaar
    Wie in de kou zit schept geen illusies,
    Maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
    in de menselijke
    soms bovenmenselijke winter

    Als zelfs dat niet helpt, zit er niets anders op dan een van Yeats’ maskers op te zetten, mee te gaan en gelaten te wachten tot de eerste sneeuw wil vallen.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Struikelen

    Ik maakte me zorgen over de roep om sensitivityreaders, meelezers die schrijvers moeten behoeden voor een ‘faux pas’ in het vormen van hun beeld van anderen die zij, gezien hun identiteit eigenlijk niet zouden mogen vertegenwoordigen. Of er niet op teveel slakken zout werd gelegd, vroeg ik me af. De weekendeditie van de Volkskrant wijdde er een stuk aan waarin verschillende schrijvers gevraagd werd of het goed voor de literatuur zou zijn, zulke meelezers. Ik dacht, een goed schrijver weet waarmee hij bezig is, zijn boek is de spiegel waarin hij zichzelf recht in de ogen moet kunnen kijken. De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver liet al eens weten (in Amerika heeft men al langer met dit verschijnsel te maken) dat op het moment haar werk naar een sensitivityreader gaat, zij met schrijven stopt.

    In haar laatste boek, De weg van de meeste weerstand, schrijft Shriver over alles waar een sensitivityreader over zou kunnen struikelen, neemt het op de hak. Er is een onduidelijke gebruiksaanwijzing, geschreven in China. Een van haar karakters zegt, ‘geschreven door mensen die duidelijk geen idee hebben hoe we dat in Amerika doen. Niet dat er iets mis is met Chinese mensen, dat bedoel ik niet. Moet je ze zo noemen? “Chinese mensen?” dat klinkt een soort van beledigend.’ 

    In de Volkskrant werd schrijver Vamba Sherif gevraagd wat hij van het nut van zulke meelezers vindt. Hij denkt dat het wel nodig is, ‘Literatuur heeft altijd geworsteld met het beeld van de ander. (…) de soms schrijnende onwetendheid over die ander.’ Hij noemt de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1958 de roman Een wereld valt uiteen schreef. Een boek dat hij waarschijnlijk niet had geschreven als hij niet Mister Johnson (1938) van de Ierse schrijver Joyce Cane had gelezen. Over een Nigeriaanse man met een kinderlijk naïef karakter. Achebe kon zich in het geheel niet met hem identificeren. Hij wilde iets rechtzetten en schreef Een wereld valt uiteen. Het werd een moderne klassieker, vertaald in vijftig talen. Wat een geweldig verhaal is natuurlijk. Ik dacht: Wat als Joyce Cane een sensitivityreader had gehad, die het imperfecte beeld van een Nigeriaanse man had voorkomen? Dan had Achebe niet de noodzaak gevoeld dat boek waar hij wereldwijd mee doorbrak te moeten schrijven. 

    A.L. Snijders zei eens ‘Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk’. Dan raakt de bron vertroebeld. Shriver creëert werelden die (soms) ook de schrijver vreemd zijn, zoals in, We moeten het even over Kevin hebben, over een jongen die een aanslag pleegt op zijn middelbare school. De weg van de meeste weerstand opent met een citaat uit Een wereld valt uiteen van Chinua Achebe. Hoe meer ik erop let hoe meer verwijzingen er naar exit sensitivityreader in zitten. Serenata, een stemactrice mag geen zwarte personages meer doen, om de culturele toe-eigening. Remington, haar man, wordt op een zijspoor gezet door zijn nieuwe cheffin, een 27-jarige Nigeriaanse, die streeft naar genderneutrale toiletten. Shriver lijkt te willen zeggen, we kunnen niet alle hoeken van de tafel afzagen om te voorkomen dat we ons er aan stoten.

     

     

    De weg van de meeste weerstand / Lionel Shriver / Atlas Contact 2020
    Volkskrant 20 maart / ‘Het ligt allemaal gevoelig’  door Hans Bouman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

  • Veel bleef ongezegd

    Bougainville, de naam van een wereldreiziger, een plant, een eiland, een boek. Bezoek een Spaanse of Italiaanse kustplaats en het paars van de bougainville bloeit welig tegen zandgele muren van vervallen historische gebouwen, verlaten kerkjes. Bougainville, ik zeg de naam hardop en melancholie, verlangen, sehnsucht ontwaken. Zoals ik dat ook heb bij Jamaica, Odessa of de Sargassozee, bestemmingen waar ik nooit ben geweest, waar ik waarschijnlijk nooit zal komen, maar die bij mij een wonderlijk verlangen opwekken. Als je in het leven érgens troost vindt of vervulling van je diepste wensen, dan moet het dáár gebeuren. 

    Bougainville is ook zo’n eldorado voor rustelozen. Het speldenprikgrote eiland ligt, vanuit Europees perspectief, diep in de Stille Oceaan, voorbij Papoea-Nieuw-Guinea en je ziet palmen, blauwe zee, schalen met tropisch fruit, en overal witte, rode en paarse bloemen. Als mensen érgens, ver weg van alle beslommeringen, een gelukkig bestaan leiden. Maar ook in paradijzen woeden oorlogen. Begin deze eeuw kostte een burgeroorlog op Bougainville het leven aan duizenden mensen. Zo snijdt een nieuwsbericht alle romantische weemoed uit je lijf, je hebt jezelf weer voor de gek gehouden. 

    Bougainville, zelden denk ik aan de wereldreiziger, de naamgever van eiland en tropische plant, maar wel aan het boek van diplomaat Carel Johannes Schneider (1932 – 2011), bekender onder zijn pseudoniem F. Springer. Springer heeft deze kleine roman van amper 130 bladzijden de ondertitel ‘een gedenkschrift’ meegegeven. Het is dan ook een boek waarin op levens wordt teruggekeken. Over een grootvader die de liefde heeft bedreven met Mata Hari, over een jeugd in Malang, de oorlog, het reizend leven van een diplomaat. Jeugdvriend Tommie Vaulant verdrinkt tijdens zijn werk in Bangladesh. Bo, toch een soort alter ego van Springer, ontvangt diens nalatenschap: de dagboeken van hem en van zijn grootvader. Als Vaulant de druk van alledag wilde ontvluchten noemde hij een rij namen van plekken waar hij wilde zijn, eindigend met ‘Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville…’

    Bougainville, er liggen inmiddels dertig jaar tussen het moment dat ik het boek las – voorjaar 1987 – en nu, het moment dat ik het boek uit de kast pak en doorblader om herinneringen te verifiëren. Het boek zwierf met me mee naar al mijn woonadressen. De achterflap is vergeeld. Van Bougainville erfde ik mijn afkeer van reünies. Ik herlees de scène waarin Bo zijn klasgenoten van de middelbare school terugziet en denk: dat viel toch wel mee? Er is een, bijna klassiek dubieuze rol weggelegd voor de klasgenoot die dominee is geworden. Met terugwerkende kracht wordt hij mij sympathieker. Hij tilt de reünie boven het niveau van borrelpraat, markeert de samenkomst door woorden te geven aan verlies, aan de dingen die voorbij zijn gegaan, hoe onhandig hij dit in de ogen van Bo ook doet. Terugbladerend naar het begin stuit ik op een regel die me als een vuist raakt. ‘Veel bleef ongezegd, zoals niet ongewoon is tussen oude vrienden.’

    Uiteindelijk is dat de kern van Bougainville. De mens blikt terug, ervaart zijn tekort in vriendschappen, in liefdes. Ja, veel bleef ongezegd. Goed dat er soms tóch gesproken wordt, hoe onhandig ook.

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Onbereikbare vaders

    Om het vuur onder het lezen aan te wakkeren is het soms goed kennis te nemen van de teksten van de gedreven lezer en criticus Anthony Mertens. Voor Mertens was lezen ‘verleid worden’. En verdomd, nadat ik een week niet wist waar ik het (als lezende) zoeken moest, kreeg ik De atlas van overal in handen. Werd ik, die dagenlang verschillende boeken vruchteloos opensloeg, overgehaald tot verder lezen. Over een zoon die zijn vader zoekt in de verhalen die hij over hem kent. De schrijver woont sinds zijn twintigste in Amerika. Aan zijn Turkse vader denkt hij met enige wrok, heeft geen contact meer met hem. Als hij zelf kinderen krijgt wordt hij onrustig. Wat voor vader zal hij zijn? Zal hij zijn kinderen kunnen liefhebben, ze verdragen? Zijn vader is een zeer gepreoccupeerd mens. Als enige uit zijn boerenfamilie had zijn vader ambities. Hij wilde schrijver worden. Als hij wordt aangesteld als onderwijzer in een dorpje, lijkt het er even op dat hij het verschil gaat maken. Dan, door ongelukkige omstandigheden, een gedwongen huwelijk, wegen die elkaar kruisen die elkaar beter niet hadden kunnen kruisen, doodt hij een jongen.

    Na zijn gevangenisstraf vertrekt hij als gastarbeider naar Duitsland. Eind jaren zeventig wordt hij leraar Turks op een school in Twente. Daar ontmoet hij de toekomstige moeder van de schrijver. Ze krijgen twee kinderen. Zij weet dat hij in Turkije een gezin heeft, dat hij elk jaar bezoekt. Gespletenheid van levens, niet te overbruggen. De vader is een autoritair man. Wie hem in de weg zit, wordt hardhandig aangepakt. Zat zijn vrouw eens achterna met een hamer, wurgde bijna zijn dochter omdat ze niet gehoorzaamde.

    De schrijver reconstrueert het leven van zijn vader in Turkije. Als vierjarig kind hazelnoten rapend, in bomen klimt voor de laatste noten. Als jonge man, verliefd op de dochter van de hoofdredacteur van een krant. De armoede, opdringerige geiten, de stank, het schrale eten, de ongeïnspireerde levens, het Turkse platteland, de woede van de vader om dit alles. Niets geen fraai gebouwde zinnen maar eerlijke taal, met een grote, aansprekende kracht. Ik heb mij een beeld gevormd.

    De overwegingen van de schrijver hoe hij het verhaal van zijn vader vorm zal geven in een boek, een roman. Stromeningen, bronnen komen samen in een waarachtig geheel. Zeer on-Nederlands ook, ik moet denken aan John Fante, de sfeer in Wacht tot het voorjaar Bandini. Ongekend mooie literatuur.

    Hoewel de zoon niet werkelijk nader tot zijn vader komt, eindigt zijn zoektocht met een innerlijke toenadering. Waarin eenzelfde ontroering te voelen is als in Een goede vader van Jean Paul Franssens. Had ook zo’n onbereikbare vader, tijdens de oorlog collaborerend met de Duitsers, zijn vrouw eens opsloot in een koelcel. Hij besefte dat zijn vader hem nooit zal zoeken, dus zoekt hij hem. Aan zijn sterfbed fluistert hij herhaaldelijk, als om zichzelf te overtuigen: ‘Je bent een goede vader.’ Dan opent zijn vader zijn ogen. ‘Hij staart me aan of hij vreselijk van me schrikt. Alsof hij heel erg bang voor me is. Hij komt even overeind, rukt zijn hand los en slaat me in mijn gezicht.’
    De schrijver van De atlas van overal brengt zijn vader in een denkbeeldige belofte thuis. ‘Ergens in de kosmos, op een verre dag, zal ik mijn vaders boeken naar zijn geboortedorp brengen.’ Mooi boek.

     

     

    De  atlas van overal / Deniz Kuypers / Atlas Contact (2021)
    Een goede vader / Jean Paul Franssens / De Harmonie (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, zoekt de verleiding.

  • Dassenburchten

    Op een kleine Duitse berg stond het hotel. Indrukwekkend door zijn massieve omvang, niet zijn grandeur. Een bescheiden entree, drie traptreden, in de hal lagen schoongeboende marmeren vloertegels. De receptie ontbrak omdat dit solide hotel, gebouwd om tenminste een eeuw te doorstaan, al na enkele decennia was verlaten door de uitbaters. De streek was niet meer interessant voor toeristen of zakenmensen. Een club nieuwe-tijdsmensen was er neergestreken. Ik volgde er een stilteretraite en had een prima week. Praten is niet mijn sterkste kant. Natuurlijk weet ik dat gesprekken over koetjes en kalfjes niet echt over koetjes en kalfjes gaan, maar over de schemerige signalen erachter, het bepalen van hiërarchie en mogelijke banden. Met andere woorden: zit je in mijn team of niet? Het maakt het er niet makkelijker op. Nu het allemaal non-verbaal moest, viel er een last van me af. Geen holle beleefdheidsfrasen, maar des te vaker werd er vriendelijk geknikt of vond ik herkenning in de wat stuurloze blik van de ander. 

    Onze retraitegroep was veel kleiner dan het hotel zou kunnen herbergen en als ik naar de cursusruimte liep was ik vijf minuten onderweg. Zo moest een vos zich in een verlaten dassenburcht voelen. Dassenburchten kunnen eeuwen oud worden en – gelijktijdig of na elkaar – verschillende bewoners huisvesten. Eén van de gangen van deze burcht leidde naar een bibliotheek, ontdekte ik op een middag. Niet te beroerd om me in oude én nieuwe tijden te verdiepen, scande ik de boekenplanken die thema’s droegen als engelensignalen, auralezen of oude beschavingen. Tot mijn oog landde op het plankje ‘tuinieren’. Ik viste er een dun, Engelstalig boekje tussenuit, ongetwijfeld om de sprekende titel: Gardening without work. Voor de goed orde, ik hou van spitten, gesjouw met water en geknield wieden. Fysieke tuinarbeid schrikt me niet af, integendeel: het gevoel van vermoeide spieren ontspant de geest. Maar lopend door een bos bijvoorbeeld, een soeverein systeem bij uitstek, bekruipt mij toch vaak het gevoel dat wij mensen werken om het werken.

    Het boek uit de jaren zestig blijkt in bepaalde kringen een klassieker te zijn. Ruth Stout, de schrijver, is een begenadigd verteller en haar methode is even simpel als doeltreffend: ze bedekt haar groentebedden met dikke pakken hooi of ander dood plantmateriaal, ‘mulch’ voor de kenner. Terwijl dit verteert, blijft ze aanvullen, het jaarrond. Het voedt de bodem, daardoor indirect de planten en houdt onkruid weg. Maar om haar methodiek gaat het me niet, het is haar kordate en eigenzinnige stijl die me jaren geleden in de dassenbibliotheek hield. Met uitzicht op het glooiende landschap, grasland met her en der naaldbomen, in die milde stilte vermaakte ik me met Stout’s vitaliteit. Als haar cynisch wordt gevraagd of ze soms denkt dat zij mulchen heeft uitgevonden, antwoordt ze: ‘nee natuurlijk niet, dat deed God toen hij besloot dat de bomen ieder jaar hun bladeren laten vallen.’ Wat zou ik dit boek graag vertalen.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column.
    In 2019 verscheen haar debuutroman
    De wateraap bij AtlasContact.

  • Dolle koeien

    Vorige week woensdag was een enorm opwindende dag waardoor ik alle inperkende leefregels van het afgelopen jaar gewoon vergat. De boekwinkels gingen open! Te kunnen staan voor metershoge en verstrekkende boekenwand vol kleurige kaften, strak in het gelid. Er langs te lopen, er hier en daar een uit te trekken, het doorbladeren, de geur van drukinkt, terugzetten. Boeken zijn zoveel meer dan leesmateriaal. Dan langs de boekentafels, bedachtzaam elke titel lezend, schrijversnaam registrerend, soms achterflap erbij nemend, want eigenlijk ken je het boek, is het fysieke contact enkel een bevestiging van hun bestaan. Toen belde ik voor een afspraak, kreeg een tijdslot van een half uur en kon de volgende dag gelijk komen. De opwinding was buitengewoon. Aan een ieder die voorbij mijn huis kwam liet ik weten: ‘Ik heb een afspraakje! Morgen, bij de boekhandel!’ Ik voelde me als een van die koeien die de hele winter op stal hebben gestaan.

    Als die na de winter weer naar buiten mogen, denderen ze met stampende poten over het veld, springen een gat in de lucht. Ze maken ongewone capriolen, werpen zich op de aarde, rollen zich om en springen weer op. Een uitzinnige bende. Opeens vond ik het spannend, zo’n afspraakje met de boekhandel. Zou ik me kunnen gedragen, geen boekstapels omver stoten, dozen van tafels laten glijden. Mijn rugzak kon ik beter niet om doen. En zouden ze me niet teveel achterna zitten daar tussen de boeken, er moest natuurlijk wel wat verkocht worden. Misschien moet ik een lijstje van titels maken, die bij binnenkomst afgeven, terwijl ik tussen de boeken scharrelde zouden zij ze voor me opzoeken en klaarleggen. Nee, wacht even, nu raak ik in de war, zo was het eerst. Het leek ineens wat teveel gevraagd. Ik, alleen in een boekenwinkel. Maar voor ik me zou bedenken, stapte ik op mijn fiets, was nog bijna te laat.

    Onderweg dacht ik, ‘Portemonnee?, Ja’. ‘Ojee, mondkapje?’ Ha, in jaszak, wel een gebruikte maar vooruit. Had ik niet meer tassen moeten meenemen (alsof ik vergeten aardappelen op het land ging rapen). Halverwege haalde ik een man met vettige haren op een rammelende fiets in. Even later reed hij mij achterop, vertraagde tot hij naast me fietste. Voor hij iets kon zeggen, riep ik, ‘Ik heb al een afspraakje’. Trapte gejaagd voort, nam de brug over de IJssel. Onder het poortje naast de boekwinkel, kwam een man me tegemoet, sprekend Wim Boevink van ‘Klein verslag’. Hij zeulde met twee volle tassen. Ik dacht, ‘Hij is me voor geweest’. Bezweet en met rood hoofd stond ik voor de boekwinkel, enigszins teleurgesteld dat de deur niet openzwaaide, iemand riep, ‘Daar bent u dan. Kom binnen’. Goed, eenmaal binnen, met mondkapje en ontsmette handen, haastte ik me langs schappen, rommelde in dozen. Nog steeds bezweet stapelde ik boeken op mijn arm alsof er iets te winnen was, stond binnen een half uur weer buiten met Patrick Modiano, A.S. Byatt, A.M. Homes, Elizabeth Jane Howard en Tove Ditlevsen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, vergeet soms haar mondkapje.

  • De Reis

    Achter het station van Leiden werden R. en ik afgehaald voor een verjaardagsfeestje van een emeritus hoogleraar. Op de passagiersstoel zat een man met wit haar die ons scherp en glimlachend opnam, achter het stuur zijn vrouw. We reden Oegstgeest in, althans ik geloof dat het Oegstgeest was, want ik kwam eigenlijk nooit in deze omgeving. Het was ook donker, het regende licht. De ramen waren beslagen. De man op de passagiersstoel had wel zijn naam genoemd, maar ik had hem niet goed verstaan. Het was geen doorsneenaam. En hij week af van de naam van zijn echtgenote, die ik wel kende. Hij sprak op een enthousiaste en aanstekelijke manier, een beetje staccato, met humor, half naar ons omgedraaid, tot de auto werd ingeparkeerd en zij tegen ons alle drie zei dat we konden uitstappen. 

    Uit de keuken van het appartement kwam de geur van kruidige tomatensoep. Op tafel dampte vers gebakken stokbrood. Naast de man met het witte haar wilde ik wel een avond soep lepelen, brood en Franse kazen eten, en praten, heel veel praten… en lachen, want daarin, dacht ik, was er verwantschap. Niet dat hij zo om mijn grappen moest lachen, ik durf wel te zeggen, integendeel. Vaak als ik in zijn spervuur aan woorden en vloeken – hij was ongegeneerd grof in zijn taal zonder dat het iets obsceens kreeg – een grapje inbracht, keek hij mij met een licht verbijsterde blik aan, viel even stil, om dan verder te vertellen. Over Frankrijk. Over geschiedenis. Over politiek. Over literatuur. En hoe hij sprak, wendbaar van het ene verhaal naar het andere, met een bulderende lach, hypnotiserend en vurig, dacht ik: het is dat Louis-Ferdinand Céline Frans is en jaren dood, maar anders zou hij spreken als deze man die ondertussen in een toastje beet, en verontschuldigend vertelde dat hij erg doof was. Vandaar die verbijstering in zijn ogen, soms.

    Toen verstond ik alsnog zijn naam. ‘Heeft u De Reis vertaald?’ vroeg ik. Hij kreeg iets verlegens, iets van een jonge jongen, en antwoordde bevestigend. Emanuel (Mani) Kummer*, vertaler van Voyage au bout de la nuit van Céline. Hij won er in 1972 de Martinus Nijhoffprijs mee. Als er een boek is dat je de waanzin van oorlog binnensleurt, dan toch dit. Als er één schrijver is die mij met zijn stijl in trance brengt, dan hij. Als er één schrijver is die mij (en zo bleek in het gesprek, ook zijn vertaler) een meer dan ongemakkelijk gevoel geeft… hij! Antimilitarist na de Eerste -, antisemiet in de Tweede Wereldoorlog. Een getormenteerde man. Angstig, gek, geniaal, maar zo ontzettend fout.

    Ik zat misselijk van opwinding en bewondering naast de vertaler. Kummer had zelf twee romans geschreven. ‘Het hadden er meer mogen zijn. Moeten zijn!… Je moet je minder door allerlei verplichtingen laten afleiden, doe wat je graag wilt doen. Dat heb ik nagelaten.’ Hij gaf me Afscheid in Meudon cadeau met een opdracht, die ook iets verlegens had: Ik hoop dat je ’t leuk vindt. Zeker, heel leuk! Maar vooral zijn levensles heb ik in mijn oren geknoopt.

     

    *Emanuel Kummer overleed in 2016.


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • De liefde

    Ach, de liefde, de zoete verwarrende liefde die kind noch kraai veelt. Het trof me zondag toen ik de nieuwe Parelduiker opensloeg. Buiten de geur van omgespitte aarde, in de keuken lagen twintig tuinbonen in een bakje water te ontkiemen. En daar was Frieda Koch, een mooie wat gesloten vrouw, strakke neus, golvend haar, een vrouw om verliefd op te worden. Terwijl ik over haar lees, foto’s bekijk, groeit een verlangen daar naast haar te lopen, haar van opzij gade te slaan. Het overkomt me wel eens, op afstand verliefd worden op een gebaar, een houding, een verhaal. Frieda is keramiste, ze heeft begeesterde handen, op het voorplat draait ze uit vochtige klei een vaas (die handen!). Ze is met Bert Schierbeek en hun twee kinderen als ze in 1950 verliefd wordt op Lucebert. Er vormt zich een ménage a trois, liefde in vrijheid. Wat niet lukte, het werd een gevecht, jaloezie van beide heren maakte het tot een ondoenlijke affaire. Als in 1951 de relatie op zijn einde loopt, gaat Frieda voor enkele weken naar Parijs.

    Ze schrijft Lucebert, ‘Als wij dus een ménage à trois zouden hebben, zou Bert aan mij absoluut niet mogen merken, dat ik meer om jou geef dan om hem en met dat geven om bedoel ik dan alles wat jij voor mij betekent. Ik zou die rol dan goed moeten vervullen (…)’. In het huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam waar ze allen wonen, heeft Frieda haar atelier. Ze overweegt Schierbeek te verlaten om bij Lucebert te zijn, maar blijft.

    Ik wil haar los van die mannen zien. Als ze in Parijs verblijft, zie ik haar aan een cafétafeltje brievenschrijven. Met Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy bezoekt ze de schilder Corneille in de rue Santeuil. Ik zie haar door de stad lopen, op een bankje in het park leest ze Nabokovs Laughter in the dark, koopt oude ansichtkaarten voor haar collectie thuis. En schrijft Lucebert, ‘In de liefde ben je zoals ik mij de liefde voorgesteld heb toen ik nog maar een klein meisje was. Daarom word ik nooit een mevrouw omdat ik deze dromen nooit vergeten heb (…)’.
    Ik zie een  vrouw die zich niet vast wil leggen. Ze schrijft, ‘(…) wel weet ik, dat ik toch nooit de poëzie van de minnaar op zal geven, wat de wereld ook zegt of doet, dat kan ik eenvoudig niet, omdat ik niet zo ben.’ Haar verzet tegen een burgerleven neemt me volledig voor haar in. Ach, de liefde, De Parelduiker, het vervoert me. 

    Over het bezoek aan Corneille schreef Frieda nog, ‘Hij is wel aardig en hij maakt mooie dingen. Bij zulke mensen merk ik dat Rudy toch wel een beetje een kleine snob is. Hij kocht een schilderij van Corneille en dong af op de prijs en hij kreeg het ook goedkoper. Daar hou ik helemaal niet van.’

    In de middag komt de zon door, op Spotify zingt Leonard Cohen ‘Dancing to the end of love / Lala lalalala lala / to the end of love…’, is het tijd voor een glas wijn.

     

     

    Graa Boomsma Boomsma werkt aan de biografie van Bert Schierbeek die op 9 juni 2021 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
    De Parelduiker / Eindredactie Hein Aalders / Uitgever Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, wordt soms verliefd op een verhaal, een ver weg figuur.