• Nicolien

    De vrouw van de boekhandelaar leest voor de derde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Ze zit aan de eettafel in de gemeenschappelijke woonkamer van het verpleeghuis. Uitzicht op kantoren en een doorgaande weg. Naast haar placemat, het vierde deel uit de reeks, Het A.P. Beerta-instituut, meer dan negenhonderd pagina’s dik. Samen met enkele andere bewoners doodt zij zwijgend de tijd in afwachting van de lunch die over anderhalf uur komt.
    ‘Kent u het?’ vraagt ze?
    ‘Natuurlijk!’ antwoord ik.
    Ik haakte laat aan bij de hype, kocht meteen de eerste vier delen. Toentertijd werkte ik bij een educatieve uitgeverij en mocht boeken met boekhandelskorting – doorgaans 40% –  aanschaffen. De pakketten met bestelde boeken kwamen binnen op het bureau van een collega tegenover mij. Geregeld vond ik haar te traag met uitpakken. Zij vond dat ik te vaak boeken bestelde: ‘Voor mij is dat telkens extra werk.’ 

    Zo verwierf ik relatief goedkoop de complete Voskuil, maar ook de complete Paustovskij uit Privé-Domein. Boeken waarop ik zuinig was, maar die beide slachtoffer werden van wat de tijd met boeken kan doen: verbleken door zonlicht (Voskuil) en beschadigd raken door de vraatzucht van zilvervisjes (Paustovskij).
    ‘Ik vind de ruzies tussen Maarten en Nicolien erg vermakelijk,’ zegt de vrouw
    We nemen de lift naar beneden.
    ‘Ik heb een zwak voor Nicolien,’ antwoord ik.

    De dynamiek van geliefdes. In gesprekken met andere Bureauliefhebbers had je mensen die haar gedrag verfoeiden of loofden – een tussenweg was er niet. Ik hoorde tot de laatste categorie. Mocht ik met een vrouw het leven delen, dan moest ze het karakter van een Nicolien hebben. Compromisloos, gevoelig voor onrecht, principieel en confronterend. Neem nu deze passage uit het vierde deel. Een telefoongesprek tussen Maarten, vanuit het A.P. Beerta-instituut, en Nicolien, gewoon thuis,  over collega Ad en zijn vrouw Heidi die niet meer op de poes willen passen. Nicolien neemt de zaak direct persoonlijk op:
    ‘Je bedoelt dat het mijn schuld is!’
    ‘Nee, dat bedoel ik niet.’
    ‘Het leek anders wel zo!’
    ‘Jij bent op Heidi afgegaan, dus jij kon het niet voorzien.’
    ‘Nee, dat zou ik ook zeggen!’
    Meteen weer vermakelijk. Vanzelf lees ik door, want dat is de kracht van Het Bureau, een dikke pil die gemakkelijk wegleest. 

    Ach ja, Nicolien. Ze werkt niet, blijft thuis bij de katten, en houdt ondertussen Maarten – en de lezer – een spiegel voor. Scherp ziet ze de zotheid van mensen in instituties. Ik kreeg er last van in mijn dagelijks werk. Werd er met bombarie een nieuwe missie gelanceerd met staafdiagrammen en ronkende woorden, dan keek ik om me heen of ik de enige was die er cabaret in zag. Meestal wel. Het Bureau ondermijnde mijn werklust, ik voerde steeds minder uit. Overal bleef ik de Ads, de Wigbolds, de Balks, de Beerta’s, de Elshouts, de Dé Haans en zo veel andere personages zien en horen. In tegenstelling tot Maarten vertrok ik wel, ternauwernood.
    De liftdeur gaat open, we stappen de hal in. De beperkende coronamaatregelen zijn voorbij, bewoners en familie zitten in de binnentuin, uit de kapsalon komt de warme geur van droogkappen. ‘Het is een feest om Het Bureau te herlezen,’ zeg ik, en denk: doe het alleen niet te vaak.   

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Zelfs de dood

    Gewenning is het tegenovergestelde van vitaal leven. Maak niets tot gewoonte, laat je niet in slaap sussen, wees weerbaar. Daar denk ik aan als ik De kliniek van de Marokkaanse schrijver Ahmed Bouanani lees. In 1967 was hij negenentwintig jaar en leed aan tuberculose. Hij werd opgenomen in een ziekenhuis in Rabat waar hij een half jaar zou verblijven. In een brief aan zijn vrouw schreef hij:

    ‘Het wordt steeds moeilijker voor me om aan
     de buitenwereld te denken. Zwaar. Wat zou ik
     graag een sprong in de tijd maken. Ver van jou,
     ver van Touda, ver van al mijn hoop ben ik niet
     meer dan een trekpop. Een slaapwandelaar. Ik
     zoek mijn heil in dromen, ‘s nachts. En overdag
     in het absolute niks. De dagelijkse routine is
     macaber. De zon van het ziekenhuis is ontstellend
     treurig. Triest, die vergelijkingen. Pijnlijk. Ik
     moet slapen, maar kan de slaap niet vatten.
     Deze zaterdagmiddag is erger dan de dood. De
     verveling heeft lange, lange benen en een zure,
     ijzige kop. Zelfs foto’s zijn vreselijk om te
     zien. Wanneer keer ik terug naar de wereld?
     Misschien… misschien’

    Tweeëntwintig jaar later, in 1989 schreef Bouanani een kleine roman gebaseerd op zijn verblijf daar. Een ongewone vertelling over een kliniek waar niemand naar de patiënten omkijkt, niemand geneest, mannen in het verborgene leven. De ik-figuur maakt kennis met een oude bewoner van de kliniek, proefkonijn van de artsen, de Ruft genaamd. Deze zegt, ‘We hebben hier geen naam of zelfs voornaam. We zijn allemaal gelijk, verschrompelde kadavers waar zelfs de maden niet blij van worden. Jij bent geen analfabeet, misschien lukt het je ooit een boek te vervaardigen over ons, onze teelballen en de heerlijke strontzooi waar we tot onze oren in zitten!’ Dat boek schreef hij, ligt hier voor me, ontregelt en bekoort me. Er spreekt compassie uit de woorden van de schrijver, uit wat hij vertelt. De kleine hoofdstukken zijn als brieven, de eerste zin schetst steeds een actueel beeld  van de omgeving, de toestand waarin hij zich bevindt. ‘Afgezien van een tweedejaars medicijnenstudent voor wie de microben ogenschijnlijk geen genade hebben gehad, zijn al mijn medepatiënten analfabeet.’

    Het achtste hoofdstuk begint, ‘Nog steeds ben ik niet aan een beschrijving van de kliniek toegekomen.’ Het daarop volgende hoofdstuk begint hij, ‘Ik zak diep weg in mijn bed, alsof het een kleverige trog is.’ Of een  beschrijving van zomaar een ochtend, ‘Vanochtend regent het vuil afwaswater. Het terrein is een grote modderpoel waar je doorheen moet baggeren om van het ene bij het andere paviljoen te komen.’

    Als iets vaak gebeurt, wordt het gewoon, zelfs de dood. Bouanani schrijft, ‘Ik kom momenteel dagelijks in contact met de dood en ben er daardoor niet meer bang voor. Ik zie hem in de ogen van mijn metgezellen’. Deze kleine roman leest als vertrouwelijke informatie, in stilte gericht (zo stel ik me voor) aan zijn vrouw, zijn dochters. Een boek als een pamflet tegen verlies van eigenheid, waardigheid en genegenheid. Maar dat de dood, ja zelfs de dood went wanneer je er maar vaak genoeg mee in aanraking komt, is van een diepe treurigheid.

     

     

    Ahmed Bouanani / De kliniek / vertaling en nawoord Hester Tollenaar / Uitgeverij Jurgen Maas



    Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

     

  • Roesachtige gedachte

    In de twee jaar dat ik op deze plek een column schreef, heb ik maar een enkele keer over het schrijven zelf geschreven. Raar, als je bedenkt dat het een onderwerp is dat mij bovenmatig interesseert. Misschien wilde ik het vuur binnen houden, zodat het feller brandde. Misschien geneerde ik me gewoon. Dat laatste lijkt me, mezelf kennende, niet onaannemelijk. Maar nu kan ik niet meer. Ik wacht op reactie van de persklaarmaker – mijn roman is zo goed als af – en zoek naar middelen om de stroperige leegte te vullen. Ik zal u iets bekennen: het liefst praat ik de hele dag over dat boek. Of het maakproces, maakt niet uit. Zoals wanneer je verliefd bent en het liefst voortdurend praat over die ander, hoe je de zinnen, gebaren en blikken zult interpreteren, de pieken, de dalen. Ieder detail heb je onthouden en wordt tegen het licht gehouden als een uiterst kostbare diamant. En omdat je geen vijftien meer bent en ook weleens de luisterende partij bent geweest, weet je hoe oervervelend dat voor de ander is. Bovendien kan geen enkele reactie de honger stillen. Ik houd het daarom vaak voor mezelf, dat tomeloze. De energie zoekt niettemin een weg. 

    Ik lees en het zal geen toeval zijn, dat het boeken zijn van schrijvers over hun jeugd, één die zich aan het begin van de vorige eeuw afspeelt. Het eerste is De behouden tong van Elias Canetti, het tweede is Jeugd van Tove Ditlevsen (tweede deel uit de Kopenhagen trilogie). De (sociaaleconomische) verschillen tussen de twee zijn groot. Toch zijn het de overeenkomsten die zoveel krachtiger zijn. Beiden weten al jong dat ze schrijver willen zijn. Canetti wellicht aangestoken door zijn moeder en haar liefde voor schrijvers en het theater. Ditlevsen, een meisje uit een arbeidersmilieu, zonder geldige reden, zou ik haast zeggen. In heldere zinnen schetst ze haar bonkige, Deense jeugd. Tweemaal ontmoet ze een man die vaag iets in haar ziet. De eerste overlijdt, de tweede verdwijnt. Natuurlijk is ze bij de derde, een redacteur, bang dat hem ook iets zal overkomen. Dit alles weerhoudt haar niet. De onbegrijpelijke betovering die uitgaat van sommige woorden of zinnen stuwt haar voort. 

    Dat weerbarstige willen van een individu, het uitgroeien boven iedere verwachting, dat is wat me raakt. Ik word verliefd op deze mensen, op Canetti om zijn eerzucht, zijn plotselinge jongenswoede en zijn vermogen om van zijn jeugd niet minder dan een mythe te maken. Op Ditlevsen om de haarfijne beschrijvingen, haar geworstel met het burgerlijke en haar koppige opstaan na vallen. Om hun beider eenzaamheid, die ze met lezen of schrijven op afstand houden. Omdat ze mij laten geloven dat dit hun leven was.
    Ik schrijf niet graag over schrijven omdat het een liefde is die zich moeilijk laat vangen. Je kan hem hoogstens benaderen door iets anders, de contouren ervan, te beschrijven. Daarom vul ik de leegte met de roesachtige gedachte aan het volgende boek dat geschreven wil worden.

     

     


    Dit is de laatste column van schrijfster Mariken Heitman, twee jaar lang schreef zij voor Literair Nederland maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact, haar tweede roman laat niet lang meer op zich wachten.

     

  • Keti Koti

    Soms freewheel ik blind mijn dagen door, doorzie de dingen des levens en weet hoe we ons moeten verhouden tot elkaar. Tot zich iets voordoet waardoor mijn (wankel) evenwicht verstoord wordt. Een gesprek op de radio bijvoorbeeld, over Keti Koti, een van oorsprong Surinaams feest waarop de afschaffing van de slavernij gevierd wordt. Om van deze dag een nationale herdenkingsdag te maken stuit nogal op wat weerstand. In het programma kwamen een voor- en een tegenstander aan het woord. ‘Kijk’, zei de tegenstander, ‘Als je ziet hoe gepolariseerd het debat wordt gevoerd. Zo’n feestdag is bedoeld om ons te verenigen en dat is met dit onderwerp niet het geval.’

    ‘Polarisatie’, zei de voorstander,’ is een woord dat gebruikt wordt zodra men geen argumenten heeft om tegen bepaalde activiteiten te zijn. Vorig jaar zei Minister President Rutte over excuses aangaande het slavernijverleden, bang te zijn dat er polarisatie in de samenleving zou plaatsvinden. Maar toen koning Willem Alexander zijn excuses aanbood aan Indonesië vanwege het geweld tijdens de onafhankelijkheidstrijd, heeft niemand een link gelegd met polarisatie. Waarom zou zich hier ineens een kwestie van polarisatie voordoen?’

    ‘Nouhou’, hapte de tegenstander. ‘Misschien is een goed voorbeeld dat toen ik vorige week zei dat Keti Koti geen nationale feestdag moet worden, ik een enorme bak drek over me heen kreeg met de teneur: Jij bent een “blanke” Nederlander, dus jij weet niet waarover jij het hebt.’ ‘Kijk’, slachtofferde de tegenstander verder, ‘alleen al het feit dat ik niet op basis van mijn boodschap wordt beoordeeld maar op basis van mijn huidskleur, dat geeft wel aan hoe gepolariseerd dit debat is.’ 

    Voorstander, (verbijsterende lach, die ik met hem deelde): ‘U moet eens weten wat ik allemaal naar het hoofd geslingerd kreeg toen ik het over zwarte Piet als racistisch fenomeen had. Wanneer je met elkaar in gesprek gaat zal er een proces ontstaan waarbij we tegenover elkaar komen te staan, hard tegen hard, maar uiteindelijk zullen we elkaar bereiken, zal er resultaat bereikt worden.’

    Ik begreep de houding van de tegenstander niet. Een nationale herdenkingsdag zal toch meer begrip voor het verleden van onze zwarte medemens teweeg brengen, acceptatie bewerkstelligen? Ik pakte opnieuw Hallo witte mensen, uit de kast. Ik was nooit verder dan de inleiding gekomen, er was geen urgentie. Ik had toch geen probleem met gekleurde mensen? Ik hoefde er niet over na te denken, ik wist het wel. Tijdens het lezen liepen mijn goedbedoelde gedachten te hoop tegen het begrip ‘wit privilege’. Dat ik nooit ben aangesproken op mijn wit zijn, werd inzichtelijk gemaakt door een eenvoudige vraag. ‘Wat was de eerste keer dat je besefte dat je wit bent?’ overviel me. Nooit heb ik me iets over mijn huidskleur afgevraagd. Er zijn nooit sancties of conclusies aan mijn wit zijn verbonden. Het kwam binnen dat huidskleur een criterium is, er draaide zich piep-schurend iets in me om. Anousha Nzume schreef, ‘Als de gemiddelde witte Nederlander niet weet wat wit privilege is, zal de machtsverhouding die er in Nederland bestaat nooit worden rechtgetrokken.’ Wat een ware woorden.

     

     

    Hallo witte mensen / Anousha Nzume / AUP (2017)
    Radiogesprek tussen VVD’er Frank de Graaf en oud politicus D66 en mensenrechtenactiviste Barryl Biekman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt enthousiast van een goed verhaal, van een overtuigend relaas.

  • Mannenpest

    De tweede aflevering van De roze revolutie, de documentaire-reeks van Michiel van Erp over de geschiedenis van de LHBTQIA+ beweging, katapulteerde me terug naar de jaren tachtig. Vanuit Amerika waaide een dodelijke ziekte over die vooral homoseksuele mannen leek te treffen. Een nieuwe pest. Kreeg je het dan ging je onherroepelijk dood. De geïnterviewden spraken over het verlies van tientallen – veelal jonge – vrienden. Er is een tijd geweest dat ik dagelijks na het douchen mijn lichaam inspecteerde op afwijkende vlekken die het voorzichtige begin van het einde aankondigden. Een aft was een voorbode, een puistje veroorzaakte paniek. Onverklaarbaar gewichtsverlies werd gecompenseerd door een zak chips. De angst zat er diep in, ondanks het oppassende leven dat ik leidde. Rationeel gezien was er geen enkele reden voor bezorgdheid. De ‘community’, waarover in de documentaire veelvuldig werd gesproken en waarbinnen al die mannen ten prooi vielen aan het virus, kende ik niet. Aids bracht me naar een leven aan de zijlijn. Ik hield me koest.

    Tussen de bedrijven door van dit achteraf wat onnozele bestaan las ik zoveel mogelijk over hiv en aids. Je had Aidsinfo, een uitgave van het COC en de Gaykrant, gedrukt op goedkoop, wat donker krantenpapier, maar liever zocht ik het in de literatuur: Frans Kellendonks Mystiek lichaam, of The Darker Proof van Adam Mars-Jones en Edmund White. Maar de meeste indruk maakte Voor de vriend die naliet mij het leven te redden (Ã l’ami qui ne m’a pas sauvé la vie), het autobiografische relaas van Hervé Guibert (1955–1991), dat in 1992 in het Nederlands verscheen in die mooie Sun-reeks. 

    Dat ik onder de indruk was, had denk ik twee redenen. De eerste is wat prozaïsch: het portret van de schrijver op de binnenflap, een knappe jongeman, slank, blonde krullen, doordringende ogen. Ik kon me niet voorstellen dat dit jonge en vitale lichaam in de tijdspanne nadat het portret was geschoten te gronde was gegaan. Maar nog belangrijker: Guibert noemde de ziekte bij zijn naam. Dit gebeurde direct in de eerste zin: ‘Drie maanden lang had ik aids.’ Geen beeldspraak, geen verbloeming, patsboem, daar stond het. Het woord ‘seropositief’ volgde. In Frankrijk veroorzaakte het boek heibel, vanwege het personage Muzil, gemodelleerd naar Guiberts vriend, de filosoof Michel Foucault. Wat Foucault tijdens zijn leven buiten het zicht van de media hield, het verloop van zijn ziekte, werd door Guibert uitgebreid beschreven. Die rel interesseerde me minder. Mij ging het om de rauwe werkelijkheid in het boek én om Guiberts Houdini-act. Zijn streven om door het oog van de naald te ontsnappen, te overleven. Tot en met het einde hield hij het lot in eigen hand. Letterlijk.  

    De Roze revolutie bracht me niet alleen bij Hervé Guibert en de aidsepidemie, maar ook terug bij de Covid-pandemie. Toen die uitbrak, paste ik moeiteloos mijn levensstijl aan, geen handen schudden, anderhalve meter, mondkapje. Veel verpleeghuisbewoners die ik in het voorjaar van 2020 sprak, aanvaardden gelaten de eerste – keiharde – lockdown maatregelen door te verwijzen naar beperkingen in de oorlogsjaren. Er zijn ervaringen die je ogenschijnlijk bent vergeten, maar die een leven lang onder je huid blijven. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

  • E-readers ruiken nergens naar

    Ik hou niet van elektrische apparaten. Ze doen bij mij nooit wat ze moeten doen, alsof er een vloek op rust. Ik heb dan ook geen vaatwasser, geen wasdroger of smartphone. Wel een wasmachine, waarvoor ik offers breng voor ik hem aanzet. Daarom heb ik ook geen e-reader, verklaarde ik tegen een kennis die me er eentje wilde aanpraten. Hij beweerde dat het voor mij onmogelijk was om al mijn boeken nog eens te lezen: als ik linksboven in de boekenkasten op zolder zou beginnen en rechts beneden in de kelder zou eindigen, had ik meer jaren nodig dan een mens gegund was. En ik had ze toch allemaal al gelezen. Waarom bewaarde ik ze nog? Ik zocht naar woorden om mijn geliefde boeken te verdedigen, maar ik kon ze zo gauw niet vinden. Tegelijkertijd vroeg ik me in een hoekje van mijn hersens af of de man misschien gelijk had. Er stonden boeken in mijn huis die ik in geen twintig, dertig jaar heb aangeraakt en zou dat waarschijnlijk ook niet meer doen. Moesten ze dan maar weg? Aafjes en Auden, Zola en Zweig. Afgedankt als kledingstukken die uit de mode zijn geraakt. 

    Geen denken aan. Een boek hoef je niet opnieuw te lezen om te herinneren hoe het was en wat je toen voelde. Weten dat het onder handbereik is, volstaat. Professor Faber uit Fahrenheit 451 van Ray Bradbury herinnert zich bij het zien van een bijbel nog steeds – na twintig jaar leven in een maatschappij waarin boeken verboden zijn – dat een van zijn boeken naar nootmuskaat rook. En neem nou dit gedicht van Hans Warren:

    Het is een oud groen boek

    ‘Het is een oud groen boek, wat los;
     het ruikt naar litho’s en naar regen.
     Als ik het opsla roept de koekoek in Bohemen,
     is ’t zomer, en een herdersknaap
     met opgestroopte broek en mouwen
     grijpt naar forellen in een grot;
     of winter – en de kolenmeier rookt,
     het zuiver hout geurt in de fluisterende stilte
     van het verlaten woud.
     Waar ben ik dan; slechts even, éven
     toegeven aan dit zoet gemis,
     aan dit geluk, die koekoek in Bohemen,
     die jongen met zijn bruine benen,
     dit boek, dit woud, dit oude zèlf,
     zo lang geleden
     dat het veel dieper dan naar huis gaan is.’

    Ik kan me niet voorstellen dat Warren dit had geschreven als hij met een e-reader in zijn handen had gestaan. E-readers ruiken nergens naar. En wij zouden een bloedmooi gedicht armer zijn geweest. Maar de echte reden voor mijn verzameling boeken vertelde ik niet aan die kennis: mijn boeken zijn er ter geruststelling. Waarvoor, dat weet ik niet. Bij natuurrampen zullen ze niet helpen, noch bij oorlog, verduistering of hongersnood. Ik kan ze niet allemaal meenemen als ik moet vluchten voor een wereldbrand, niet meer de inhoud van buiten leren als ze verboden worden. Maar als ik naar mijn boekenkasten kijk, ervaar ik de geruststelling dat ik ben wie ik ben: mijn boeken hebben me geholpen om het te worden. 

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Achterwaarts verdwijnen

    Er was de uitvaart van een broer, waarbij we hem toespraken, uitzwaaiden, een laatste ‘Vaar Wel!’ riepen. We liepen mee tot aan de ovendeur, een groot uitgevallen model, waarin ik in een flits gigantische soufflés en zuurdesembroden gebakken zag worden. De ovendeur opende zich, de kist schoof naar binnen. Alles op afstand bediend. We dachten hem nogmaals, ‘een goede vaart’ toe, poetsten tranen, snoten neuzen. De verzengende hitte schroeide mijn mondkapje, geruisloos sloot de ovendeur, daar ging hij. Naderhand proostten we op hem in een zonnige tuin, met bitterballen en kaas. Later was er sprake van leegte, iets was verdwenen, voorgoed. Ik kroop in bed met enkele fictieve magazines, Papieren Helden. Te openen met een muisklik.

    Wat ik in handen kreeg, (kan het zijn dat we zover zijn gekomen dat een digitaal blad zich in onze geest verenigt met een papieren editie?) was een prachtig vormgegeven website met proza en poëzie. Met bijdragen van meer dan tachtig beginnende en gerenommeerde schrijvers. Naast nieuw geschreven verhalen zijn er hoofdstukken (als een literaire amuse) van reeds gepubliceerde boeken geplaatst, van onder meer Josse De Pauw, Thomas Verbogt, Tjitske Jansen, Mariken Heitman, Sholeh Rezazadeh, Ine Boermans.

    In een verhaal van Mirthe van Doornik lees ik, ‘Ik bevrijdde me uit de situatie door kleine stappen achteruit te zetten, precies zoals ik later uit relaties, baantjes en vriendschappen zou wegsluipen, ik trok mijn muts stevig over mijn oren, stak mijn hoofd vooruit en pinguïnde het veld uit.’ Het beeld dat blijft, achterwaarts, schommelend als een pinguïn, stap voor stap jezelf uit een moeilijke situatie verwijderend. Soms noodzakelijk.
    Ik las Everybody I ever slept with van Tjitske Jansen. Over de exen die voor een deel van haar nalatenschap in aanmerking komen. Elke frase in het verhaal stuurt de lezer een andere kant op, aan het eind een heerlijke twist. Van Katinka Polderman, Was dit maar een verhaal van twee vrouwen met niets in hun jaszak. Waarin een van de personages een pistool in haar jaszak heeft. Polderman schrijft: ‘Ik heb haar een pistool gegeven, het zit in een van die binnenzakken, want een verhaal over een vrouw die in een café op een vriendin zit te wachten, dat is geen verhaal.’ Het doet goed over het ongewone te lezen, waarin de waarheid een vlucht neemt.

    Met een website als Papieren Helden is volgens mij nog nooit zo dicht de beleving van een papieren versie benaderd. De verschillende edities, het zijn er inmiddels vijftien, liggen links gestapeld op de website. Er is een ‘Bijsluiter’, altijd prettig te weten wat er in het middel zit, wat de werking is, eventuele bijwerkingen. Vooreerst is het heerlijk toeven in het magazine, dat je zo iets maandelijks op je digitale deurmat kunt krijgen is fantastisch. Het is niet uitgesloten dat er regelmatig verhalen op papier verschijnen. In maart verscheen het eerste, ansichtkaartformaat gedrukte boekje, Gemene dames door Christine Bax. Een fijn verhaal, vanuit het Piëmontese heuvelgebied, Italië geschreven. Over de enige groentewinkel in het dorp gedreven door twee oude dames, bekend staand als ‘de gemene dames’. Een fijne uitgave, iets om te verzamelen. Bij gebruik van Papieren Helden ontstond er een zekere leeszucht, ik kon niet meer stoppen met lezen. Tot zover de bijwerking die wellicht in de bijsluiter moet worden opgenomen.
    Nu durf ik ook opschrijven wat ik eerder verzweeg. Na de uitvaart zag ik een wazige wimpel zweven door de lucht. Ik zwaaide ernaar, niemand die het zag, (natuurlijk niet), maar er werd terug gezwaaid.

     

     

    Kijk voor meer op Papieren Helden.

    P.S. Papieren helden wil de schrijver goed betalen zodat deze kan blijven schrijven. Wie zich abonneert (€ 10,00) vindt elke maand een magazine op zijn digitale deurmat.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

     

     

  • Vrijheidsdans

    Halverwege de jaren tachtig zat een vrolijke en innemende jongen bij Sonja Barend aan tafel. Donkere krullen, bril, Vlaamse tongval. Charmant pakte hij iedereen in met verhalen uit zijn debuutbundel Een slagerszoon met een brilletje. Tom Lanoye, dichter en performer. Wat was die jongen ontwapenend en… vrij. En ook nog aantrekkelijk, zonder acné of vroegtijdige haaruitval. Ik dacht aan hem toen ik begin deze maand de groslijst van de beste LHBTQ+literatuur op weblog Tzum doorscrolde. Een feest van herkenning. Een aansporing om sommige boeken eindelijk eens te gaan lezen.

    Lanoye zou korte tijd later optreden in de kleine zaal van Theater Het Spant in Bussum met zijn programma In de Piste. Ik kocht in de voorverkoop één kaartje, borg het op in een oude agenda en wachtte weken vol ongeduld, tot op de avond van zijn optreden het ongeduld omsloeg in benauwdheid. Wat had ik al die tijd verwacht? In de zaal zaten jongens van mijn leeftijd die ook al driekwart jaar een eenzaam kaartje bewaarden in een oude agenda. Er zou er één zijn – o wat een gelukkig toeval – die de plek naast mij toegewezen kreeg. Één met lichte ogen en licht haar, of donkere ogen met donker haar. Het was me om het even. We zouden om Lanoyes capriolen tegelijkertijd lachen en ontroerd raken en we zouden elkaar vluchtig in de ogen kijken. In de pauze zochten we elkaar op in de foyer, ieder met een flesje cola en een rietje. We zouden niet veel tegen elkaar zeggen, dat zou later komen, maar wel weten. 

    Ik nam op een hoek van de rij plaats, gespannen. De zaal vulde zich met geroezemoes van uitsluitend echtparen, grijs, Goois en geparfumeerd. Voor het licht dimde, joegen mijn ogen langs alle bezoekers. Geen jongen te bekennen, maar dan ook geen enkele. Naast mij bleef de plek leeg, de enige lege plek in de hele zaal! Hoe was dat mogelijk? Alsof die jongen met wie ik een colaatje zou drinken, een lekke band had gekregen, ziek was, of domweg zijn kaartje zoek had gemaakt. De deuren sloten, er kwam niemand gehaast binnen. Ik bleek de enige die alleen was gekomen. 

    Het eerste kwartier ging door deze teleurstelling in een waas voorbij. Ik herinner me de bekende tv-presentator die telkens zo hard en uit de maat lachte, dat iedereen in het zaaltje hem herkende, kijk daar zit die bekende tv-presentator. Een Caribisch-achtig liedje stemde me vrolijk, en Lanoyes poëzie: ‘Mocht ik herbeginnen, ik zou het net zo/ doen: niet om de poen, maar om die/ nieuwe pakken. Die zo glimmend spannen/ om je billen, en om die van elke ploegmaat/in het peloton.’ Mijn teleurstelling verdween. Sterker, die lege plek naast me bleek een zegen. De voorstelling zoog me op, tilde me op, niemand leidde me af. Na het applaus, het doek dat sloot, de lichten die aansprongen, huppelde ik langs de rijen met grijze koppen het theater uit, de koude avond in en ik bleef huppelen tot aan station Bussum–Zuid. Dat doet theater, dat doet literatuur. Zo voelt het dus, dacht ik: vrijheid.

     

    Tzum | Nieuws: De groslijst voor de mooiste regenboogboeken, de beste LHBTQ+literatuur – Tzum


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

  • Uitgestelde dood

    Maandag was ik met mijn jongere broer onderweg. We bevonden ons midden in een op handen zijnd overlijden van mijn broer net boven mij. Die van de stille wateren, diepe gronden, waar altijd wat mee te lachen viel, binnenpretjes, breeduit lachend, glimlachend. ‘s Avonds gingen we langs bij de zoon van mijn jongste broer aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Er werd koffie en water op tafel gezet toen mijn mobiel oplichtte,‘A.L. Snijders is overleden’. Bericht van mijn jongste dochter, die weet wat mijn leven kleur geeft. Ik drukte het weg, ruimte creërend voor het toekomstige sterven van de een, de dood van de ander uitstellend. Schrijver A.L. Snijders is altijd in de buurt, terwijl ik dit schrijf, lees ik zoals hij schrijft. Ik delete het voegwoord ‘en’ zo gauw het opduikt. Dat is in korte stukjes volledig overbodig, vond hij, die leest de lezer er vanzelf wel bij. Na Rotterdam brachten we mijn jongste zoon naar Utrecht, onderweg meed ik social media, hield de waarheid op afstand. Tussentijds schemerde de dood door mijn gedachten. Veel mensen zijn gestorven, niemand heb ik zien sterven.

    Thuis pakte ik de nieuwe bundel zkv’s van Snijders, waarin een nieuw begin door de schrijver werd vastgelegd. Op 28 mei 2019 schrijft hij in het zkv Kleine hamers. “Mijn vriendin kent me niet, want het is acht dagen geleden dat we elkaar voor het eerst ontmoetten. We staan te wachten op het station van Deventer, ze neemt de trein die regelrecht naar haar woonplaats Amsterdam rijdt, ze hoeft niet over te stappen. Het wachten heeft een betekenis die los van alles is en zonder meer doet denken aan een warm bed.’ Kort daarna, op tweede Pinksterdag, bezocht ik hem op zijn boerderij in Klein Dochteren voor een interview. We mailden al gedurende een klein jaar met elkaar, het was de tijd na het overlijden van zijn vrouw, Yvonne. Kleine berichtjes over de somberheid die hem overviel, voorgeschreven slaappillen, de wodka’s die gedronken moesten worden. Op die Pinksterdag vertelde hij hoe grijs en traag zijn leven was geworden. Dat de kwalen die hij kreeg volgens de huisarts te maken hadden met het verlies van zijn vrouw. Wat hij een wonderlijke samenvoeging van gebeurtenissen vond. ‘Maar toen leerde ik deze dame kennen’, zei hij , terwijl hij naar buiten keek waar de vrouw zat die hij zijn verloofde noemde, ‘nu is het leven lichter.’

    Er was een kiertje opengegaan met zicht op een ander soort leven. Van minder schrijver, meer leven. Over de houdbaarheid van literatuur en schrijvers zei hij. ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’ Ja, de schrijver is dood, maar weet dat ik altijd een een bundel van deze schrijver zal openslaan in trein en metro, in hotelkamers en langs de oever van een rivier. A.L. Snijders blijft.

     

    Citaat uit: Tat Tvan Asi / A.L. Snijders / 645 blz./ AFdh Uitgevers (2021)
    Citaat uit: Rimbaud het dit prachtig gevonden / Interview met A.L. Snijders


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Reuzenooievaar

    Het sedumdak helt licht omhoog, je zou je op een alm kunnen wanen.  Ik ben op mijn knieën het dak aan het wieden, trek voornamelijk vogelmuur en ereprijs uit. De vetplantjes veren onder mijn gewicht. Iets verderop gooien ooievaars in hun wielnest klepperend de kop in de nek. Polder castagnetten. Ik droom weleens over veel te grote vogels. Werkt altijd, een grote vogel wekt ontzag. Waarmee ik niet wil beweren dat ik de boodschap van zo’n droom doorgrond. Die twee daar zijn echt. Notoire stofzuigers, die weilanden en sloten afstruinen en alles, kikkers, muizen, insecten, naar binnen werken, rode lijst soort of niet.

    Het kan groter. Op Flores, een eiland in de Indonesische archipel, leefden ooit reuzeooievaars. Ik kan daar niet teveel over kwijt omdat er zo’n gigant figureert in mijn nieuwe roman. Maar stel je er een vogel bij voor van om en nabij de twee meter. Ingewikkeld inderdaad, de verbeelding bladert door het geheugen, op zoek naar voorbeelden: hoe lang de poten, hoe majestueus de verenborst, hoe angstaanjagend de kop met de kleppersnavel? Want met muizen nam hij vast geen genoegen. Het lukt maar matig me er een voorstelling van te maken. Alsof je naar de ansichtkaart van een imposant schilderij kijkt. Maar nu, met het klepperende stel voor me, snap ik het ineens. Mijn broer, die is ook bijna twee meter lang. En daar verschijnt hij voor mijn geestesoog, een broergrote vogel.

    Verderop loopt een man over het polderpad. Zijn hond heeft overduidelijk iets uitzonderlijks gepresteerd en wordt met complimenten en affectie overladen. Hij overstemt daarmee de ooievaars met gemak. Mensen (en honden) kijken zelden omhoog, een grappig gebrek. Comfortabel ongezien kijk ik naar de vergulde hond en zijn baasje. Mijn therapeut vindt dat ik meer ruimte in mag nemen, dat ben ik met haar eens. Maar op schrift gaat dat makkelijker dan in het dagelijkse. Ik vermijd hier trouwens expres de zinsnede ‘in het echt’ want het geschrevene voelt soms echter. Weliswaar niet van vlees en bloed en weinig interactief, maar getrouwer. In het beste geval: met minder ruis op de lijn.

    Soms schiet mijn ‘schrijf-ik’ mijn ‘dagelijkse-ik’ te hulp. Ik neem me het volgende voor: de eerstvolgende keer dat ik met mijn vriendin over straat loop en er wordt ons een vuile blik toegeworpen (dan volgt het homoseksuele ritueel, we kijken elkaar aan, stellen de (on)uitgesproken vraag; denk je dat hij zo naar ons keek omdat…?), laat ik een broergrote vogel meelopen. Hij schrijdt met grote passen achter ons. Zijn blik is die van een wild dier, de hoornen snavel rijkt tot halverwege zijn flodderige borst. Af en toe schudt hij zijn vleugels, krast met een oude stem. Over onze hoofden tuurt hij de verte in. De stad is van ons.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

     

     

     

  • You know Battiato?

    Om hun as draaiende soefidansers verbinden met een Weense wals, teksten schrijven met allusies op Proust, Huxley of  Leopardi, en inspiratie vinden in spirituele teksten uit alle wereldreligies. Welkom in de wereld van Franco Battiato, geëngageerd en veelzijdig kunstenaar. Buiten Italië kreeg hij bekendheid door zijn deelname aan het Eurovisiesongfestival 1984. Samen met zangeres Alice zong hij I treni di Tozeur, over het verlangen langzaam te leven, net zo langzaam als de trein naar het Tunesische Tozeur. Battiato overleed dinsdag 18 mei jl. op 76-jarige leeftijd, de dag van de eerste Songfestivalvoorronde in Rotterdam.
    Mijn hoofd tolde van de vele dwarsverbanden, toen ik me begin jaren negentig in zijn teksten verdiepte. Door hem ontdekte ik de Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy. L’Oceano di Silenzio is van hen samen: ‘Ich hatte in fernen Zeiten/ Dort oben oder in Wasser gelebt.’ In Battiato’s levensvisie gold: verleden, heden, dier en mens, alles is met elkaar verbonden. En alles keert telkens terug: ‘Torneremo ancora, ancora e ancora.’ Geen wonder dat hij vegetariër werd, wil je eten wat je misschien zelf bent geweest?

    In het voorjaar van 2013 reisden mijn partner en ik door Sicilië. We bezochten Syracuse, de oude havenstad aan de Ionische zee, waar in de donkere en smalle straten de kruidige geur hing van Europa én Afrika. En we gingen naar Giarre-Riposto, de geboorteplek van Battiato. Vervallen gebouwen, verlaten straten, lelijke smoelen op verkiezingsposters. Vlakbij de zee hakte een man in de openlucht een enorme tonijn in plakken. Naast dat doorkliefde rode lijf lag een vissenkop met menselijke trekken. Tegen twaalven liepen we de brede maar stille Corso Italia af, op zoek naar een plek voor de lunch. Cubalibro Caffè Letterario, een boekhandel en cafetaria ineen, bleek open. Of nee, het was eigenlijk gesloten! Nietsvermoedend wandelden we naar binnen met een man die slechts iets kwam afgeven. We bestelden koffie en panini’s bij een jonge vrouw met een baby op de heup. ‘You know Battiato?’ vroeg ze verbaasd toen ik drie kwartier later naast de lunch ook La notte e il tempo afrekende, een boekje met gedachten over de teksten van Battiato.

    We spraken vervolgens vooral met gebaren en gezichtsuitdrukkingen, ik misselijk van de plotse verwantschap die ik met haar voelde. De boekhandel en de aansluitende patio waren het decor geweest voor Battiato’s speelfilm Perduto amor. Ik begreep haar maar half, de plek bleek nog heiliger. Echt waar? Si! We bevonden ons zonder het te weten in zijn geboortehuis. Hier tokkelde hij als kleine jongen op zijn eerste gitaar, bedacht hij zijn eerste teksten.

    Op de patio waar op dat moment nagenoeg alle schaduw was verdwenen, mompelde ik voor mezelf de eerste regels van L’Ombra della luce, een mystieke tekst over de donkere nacht van de ziel en ademde diep in: ‘Difendimi dalle forze contrarie’… ‘E non abbandonarmi mai’. En verlaat mij nooit. Bij serendipiteit vind je wat je niet zocht. Hier vond ik wat ik niet durfde te zoeken. Later keerden we terug om café en patio te filmen. Maar de rolluiken waren alweer neer. Google 2021 zegt dat het Cubalibro Caffè Letterario permanent gesloten is. Addio Battiato.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter, recensent en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. 

  • In boeken

    Van een schrijver wil ik alleen weten of het boek waaraan gewerkt is me vermaakt, eventueel verbijstert. Het hoeft niet lekker (weg) te lezen, wat als criterium voor een goed boek wel gebruikt wordt, dat het ‘lekker wegleest’. Dan denk ik, je moet er wel bijblijven, bij wat je leest. Het leven is al versnipperd genoeg, laat het lezen ons een zorg zijn. Ik wil niet weten (weet niet of ik hier helemaal oprecht ben) of de schrijver aardig is, veel drinkt of tegen haar/zijn man/vrouw schreeuwt. Als ik dat weet, sluipt er een ‘meeleef’ factor in, die de dingen besmoezelt. Wat ik lees, daar moet ik het mee doen, al gluur ik wel eens bij de buren. Ik las Schoonheidsdrift van Arie Storm.

    Eigenlijk is het geen doen deze nieuwe van Storm te lezen als je je hebt voorgenomen de opmerkelijkste passages in de roman te markeren, met potlood, stickertjes. Na honderd bladzijden was het boek niet meer te hanteren, op elke bladzijde stond wel iets dat omcirkeld moest worden, zoals, ‘Ik was inderdaad alleen in Londen: mijn vrouw en dochter waren in Amsterdam gebleven. Ik denk dat ik deze kwestie (wel/geen vrouw en dochter I.M.) nu maar eens moet oplossen, anders gaat ze tegen me werken. Het zit zo. Een lezer houdt wel van een onbetrouwbare of manipulatieve verteller. maar tot op zekere hoogte.’ Ach, denk je, wat een eerlijke schrijver! Maar daar kom je op de laatste pagina’s wel achter. Storm schrijft en leest, dat is zijn leven hoorde ik in een interview op Radio Bloemendaal, en zijn belangrijkste bezit is zijn computer (nee, geen laptop). 

    In Schoonheidsdrift vindt een ontmoeting met de dichter Keats in Londen plaats, anno 2020. Het is bizar, maar waar. Er gebeurt veel onverklaarbaars dat geen verklaring nodig heeft. Storm neemt de literatuur en degenen die het bedrijven op de hak. De verteller is een wat suf, afwezig persoon (wat de schrijver misschien ook is, dat krijg je als je steeds maar in de boeken zit). Nog zo’n omcirkelde alinea, ‘Met Ruby heb ik nooit een seksuele relatie gehad, al kan ik me op een bepaalde manier wel voorstellen dat het misschien ooit zover zou zijn gekomen (terwijl ik dit opschrijf vind ik het een erg foute opmerking, maar ik laat haar toch maar staan, misschien dat ik haar later weghaal.)’ Wat hij niet deed, anders had ik het niet kunnen lezen. Kijk, dat is nu zo fijn aan dit boek, of dit verslag zoals de schrijver het noemt, dat je meegenomen wordt in het maakproces, (ik denk niet dat de schrijver dit een fijn woord vindt, maar ik laat het toch maar staan), in zijn overwegingen. 

    Wat wil een schrijver meer dan zijn lezers bereiken. ‘Ik kijk naar mijn vingers die dit typen en haal ze van het toetsenbord en ik strek ze naar je uit, niet slechts om contact te maken  door tijd en ruimte heen, maar in een poging samen te zijn in de droom die lezers en schrijvers die in de tijd en ruimte verstrooid zijn op deze wereld met elkaar verbindt.’ En verdomd, ik voelde me verbonden, met Londen, met de schrijver, die zweefde door tijd en ruimte. Geweldig boek.

     

     

    Schoonheidsdrift / Arie Storm/ Uitgeverij Prometheus
    Interview Radio Bloemendaal


    Inge Meijer leest en reist met het OV.