• Tegen het vergeten

    Het was de week van de prijzen. Arnon Grunberg kreeg de P.C. Hooftprijs. Max Verstappen won een race in Qatar (ik weet niets van sport), waar mensenrechten niet worden nageleefd. Er is een foto waarop Verstappen voor zijn bolide knielt, met deemoedig gebogen hoofd, als legt hij het in de schoot van zijn moeder. Grunberg zal beslist een vreugdedansje hebben gemaakt bij het horen van de toekenning. Aleksej Navalny, gevangen in een van de beruchte strafkampen van Rusland kreeg deze week de Sacharovprijs voor de Vrijheid van Denken uitgereikt. In oktober toen hij van de toekenning hoorde, schreef hij op twitter, ‘this is not only an honor, but also a great responsibility.’ Voor je het weet vergeet je mensen die niet vergeten mogen worden. Ik had lang niet meer aan Sacharov gedacht, was Navalny in zijn gevangenschap al bijna vergeten (wat ook de bedoeling is voor wie in Rusland gevangen zit).

    Een prijs is een notitie voor de eeuwigheid. Sacharov zelf werd in 1980 verbannen naar het toenmalige Gorki, de KGB bewaakte hem dag en nacht. Toen Gorbatsjov in 1985 aan de macht was, kwam er een monteur bij Sacharov huis, installeerde een telefoon. Sacharov vroeg waarom, de monteur zei ‘Wacht maar’. De volgende dag belde Gorbatsjov, ‘Meneer Sacharov, u mag terugkomen naar Moskou.’ In Moskou werd hij als een held ontvangen. Dat dacht Navalny waarschijnlijk ook toen hij vanuit Berlijn, waar hij was hersteld van een vergiftiging, terugkeerde naar Rusland, dat hij als een held zou worden ontvangen. Inderdaad stonden er honderden mensen op hem te wachten bij het vliegveld waar hij zou aankomen. Maar de verkeersleiding stuurde op het laatste moment zijn vliegtuig naar een ander vliegveld, waar Navalny direct werd gearresteerd.

    Op de radio hoorde ik een Russisch vertaalster desgevraagd vertellen welke berichten Navalny via social media naar buiten stuurt. Dat het goed met hem gaat. Dat hij in het naaiatelier werkt. Functieomschrijving ‘naaister’, dat vond hij vreemd. Op twitter schreef hij ‘En ik maar denken dat ze dat doen om mij te pesten. Maar er bestaat geen woord voor ‘naaier.’ De vertaalster zei dat een van de mannen die hem gevolgd hebben na zijn vergiftiging, ook ‘Naaier’ heette. ‘Dat vindt Navalny grappig.’ Wat op een geweldige geesteskracht duidt voor een strafkampgevangene. Ze vertelde ook dat Navalny dankbaar is voor zijn strakke dagindeling, om vijf uur opstaan en op tijd naar bed. Dat was hem thuis nooit gelukt, liet hij weten. Hij is ook een ironicus. 

    De boom van hoop is een boek tegen het vergeten. De titel is ontleend aan een verhaal van Varlam Sjalamov over een klein dennenboompje in de Goelag-Archipel dat na snijdende en koude winters zich steeds weer opricht. Grunberg schreef voor deze bundel over Daniil Charms, die om zijn absurdistische verhalen door Stalin gevangen werd gezet. Grunberg leerde van hem, ‘hoe vrolijk – schijnbaar vrolijk – men het slachthuis kan beschrijven.’ Een vrolijkheid waar ook Navalny aan lijdt. Hij schrijft op 26 maart dat hij last heeft van zijn been. ‘In hele delen heb ik geen gevoel meer. Leun ik op mijn rechterbeen dan val ik om. Het is vrij frusterend – de laatste tijd ben ik gewend geraakt aan mijn been. Ik doe er liever geen afstand van.’ Toen Grunberg hoorde dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, moest hij meteen aan zijn ouders denken. Ik vroeg me af of Navalny aan zijn ouders dacht toen zijn dochter in zijn naam de prijs in ontvangst nam. Of hij zijn hoofd in de schoot van zijn moeder zou willen leggen.

     

    De boom van hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland / verschillende auteurs / 175 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Het moment

    Hij stapt het verpleeghuis binnen met een Perzisch kleedje over zijn schouder. Onder zijn arm een groot bord #Humanforever en in zijn hand een vaas met kleurige nepbloemen. Met zijn andere hand probeert hij een mondkapje achter zijn oren te klemmen. Teun Toebes. Twintiger. Rank. Zijn krullen vallen breed op zijn schouders. In november verscheen van hem Verpleegthuis. Wat ik leer van mijn huisgenoten met dementie. Op de vleugel in de grote zaal staan zijn boeken opgestapeld. Meer dan honderd. Hij zal ze die middag allemaal signeren in het hanenpoothandschrift van een linkshandige. Ik omklem mijn pen op nagenoeg dezelfde manier.

    Wie de sociale media volgt kent Toebes. Hij woont op een gesloten afdeling in een verpleeghuis, is huisgenoot van mensen met dementie. Door medebewoner te zijn ziet hij scherper hoeveel je inlevert als je in een verpleeghuis komt te wonen. Dat Perzisch kleedje bijvoorbeeld, mag niet, vanwege valgevaar. Die nepbloemen? Echte planten zijn verboden, bewoners gaan er misschien van eten. Al die gesloten afdelingen. Wie wil er leven achter een code? Het personeelstoilet ruikt naar bloemetjes, bij bewoners hangt de geur van incontinentiemateriaal. De televisie loeit in de gemeenschappelijke huiskamer. De dood van een medebewoner wordt verzwegen. Pijnlijke – en herkenbare – voorbeelden. Zijn boodschap: in verpleeghuiszorg wordt te veel ingezet op veiligheid en te weinig op vrijheid, op menszijn. Het is, en hij herhaalt het vaak, geen kritiek op zorgmedewerkers, het is kritiek op het systeem, waar de menselijke maat ondergeschikt is gemaakt aan regelgeving en medicalisering. 

     Het schemerde buiten toen hij, staand voor die vleugel, de laatste boeken signeerde. Hij oogde vermoeid én gedreven. Ik stond ook bij die vleugel, keek toe hoe hij geconcentreerd zijn teksten op de titelpagina schreef. Zou ik zeggen dat ik zo getroffen was door zijn interview in De Volkskrant? Dat ik dat ook wel had gewild, zo’n tatoeage achter mijn oor, al heb ik geen haar om die te bedekken. Of zou ik hem zeggen dat zijn activisme in een lange traditie staat? Een traditie buiten instituties. Een over de wereld uitgewaaide traditie. Van de Cheyenne in Noord-Amerika (“Oordeel pas over je buurman wanneer je twee manen in zijn mocassins hebt gelopen.”) tot zovele voorbeelden uit de wereldliteratuur die het morele kompas van de mens tot onderwerp maakten. Ken je de parabel van de oude rabbi?

    Een oude rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen:
    hoe kun je het moment bepalen
    waarop de nacht ten einde is en de dag begint?

    Is dat het moment waarop je uit de verte
    een hond van een schaap kunt onderscheiden,
    vroeg een van zijn leerlingen?
    Nee, zei de rabbi. 

    Is het als je van verre een dadelboom
    van een vijgenboom kunt onderscheiden,
    vroeg een ander?
    Nee, zei de rabbi. 

    Maar wat dan, vroegen zijn leerlingen.
    Het is als je in het gezicht van een mens kunt kijken
    en daarin je broeder of je zuster herkent.
    Tot dat moment is de nacht nog bij ons.

    In de zaal doofden de eerste lichten. Helpende handen brachten zijn spullen alvast naar zijn auto. Het kleedje, de bloemen, het bord #Humanforever. Ik mijmerde stil en las op de kop mee met wat hij ook in het laatste exemplaar schreef. ‘Heb hoop. Je blijft mooi. Je blijft mens. Voor altijd.’ 

     


     

    Foto: Iris Porcelijn


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Debuteerde met De wensvader (uitgeverij kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die hem iets te zeggen hebben.

     

  • Feestje

    Ik werd uitgenodigd voor een verjaardagsfeest. De schrijver vierde zijn vijftigste verjaardag. Als cadeau werd hij geportretteerd, het werd een drieluik waarvoor vrienden, geliefden, ex-geliefden en figuranten poseerden. Het feest was in het huis van zijn overleden moeder. In het drieluik zien we de schrijver als kind, als zoon met zijn vader, als schrijver. Kunstenares Elisa Pesapane ging bij vijftien geportretteerden op bezoek om ze te fotograferen. Over elke ontmoeting schrijft ze een verhaal, samen met het drieluik, werd dit Liefde na Auschwitz. De verhalen beginnen telkens met het vertrek uit haar huis in Haarlem. De taxirit, zoeken naar het juiste huisnummer, de entree, het wordt beschreven. Tijdens het lezen onderzoek ik de afbeeldingen. Pesapane gaat bij ex-vriendin Roos, van wie de schrijver op roemruchte wijze afstand nam, langs. Ze wil haar portretteren met een baby of haas in haar armen. Het wordt een knuffeldier uit de mand bij haar bed. Roos gaat met de knuffel op een klaargezette stoel in de keuken zitten.

    Ik kijk naar het linkerpaneel, Roos zit op de rand van een kaal bed met een haas in haar armen, somber. Ik lees ‘Soms weet je niet wat een model je mee gaat geven, maar vandaag was duidelijk dat er sowieso ook enige pijn van Roos met mij mee naar huis zou gaan.’ Later is ze bij vriend van de schrijver, Karol Lesman, er is een schaakbord. ‘Ik positioneerde Karol in het juiste licht en de juiste houding op een imaginair bed zonder matras en zette het schaakbord op zijn schoot.’ Weer kijk ik naar het linkerpaneel. Twee mannen op de lattenbodem van een bed, rug tegen de muur. Lesman een schaakbord op schoot. Ik lees, ‘Tegen wie schaak ik vandaag?’ vroeg Karol. Zijn buurman [vader van de schrijver] op het bed zonder matras hief zijn glas Riesling om een toast uit te brengen en ergens in de verte riep iemand: ‘Auf bessere Zeiten!’ Het feestje werd een wereld waarbij Alice in Wonderland in het niet valt

    De geliefde van de schrijver wordt bezocht. Pesapane noemt haar de Lorelei, zet haar een feesthoedje op. ‘”Waar is dit voor?” vroeg de Lorelei terwijl ze leunde op de rand van het bed zonder matras en zette haar feesthoedje recht. Er zat een meisje achter haar met een slecht humeur en een dode haas op schoot, wat enig ongemak veroorzaakte in de slaapkamer waar een feestje werd gegeven. “Trek je er niets van aan”, zei een oudere heer vanachter zijn schaakbord, “Daar kan jij niets aan doen, haar haas is onlangs dood neergevallen. Daarom is ze uitgenodigd, misschien kan ze iets opsteken van de aanwezigen,…” Ik kijk, en lees en kijk, zie de liefde, het verdriet, het ongemak. Sommige genodigden kijken hun ogen uit alsof ze niet wisten van die ander in het leven van de schrijver. Ik ken de schrijver verder niet, ik ben er, kruip in de verhalen van Elisa Pesapane, kijk mijn ogen uit, ga nog niet naar huis. Liefde na Auschwitz is niets anders dan liefde, in contrast met de holocaust is niets zoveel als liefde. Ik zoek nog.

     

     

    Liefde na Auschwitz. Op reis met de verslinders en verslondenen van Arnon Grunberg / Elisa Pesapane / Uitgeverij Zoetzuur


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, wast haar mondkapjes.

  • Ik kan veel hebben

    Op het station in ons dorp keek ik de ganzen na die in formatie overvlogen en dacht daarbij aan de auteur T.H. White, van Arthur, Koning voor eens en altijd, die elk jaar eerbiedig zijn hoed afnam als hij de vogels zag gaan. Maar de dame die plotseling naast me opdook en me zag kijken, zei: ‘Daar gaan ze, en ze nemen de zielen van de overledenen mee. Die helpen ze over te gaan, net als de kraaien.’ Ze bewoog heftig met haar hoofd. ‘En ik kan ze zien,’ besloot ze, ‘die zielen, en dat is niet altijd gemakkelijk, hoor.’ Ik knikte braafjes, maar wachtte tot zij in de trein was gestapt en ging zelf in een ander treinstel zitten. Het was tenslotte de dag vóór Halloween met twee dagen daarna Allerzielen en ik had in dit duistere jaargetijde geen zin in een seance onderweg of een sessie met het ouija-bord. 

    Toen ik in Utrecht op een bus zat te wachten, kwam er een sjofel geklede man naast me zitten die aankondigde: ‘Mevrouw, ik ga me voor de trein gooien.’ Ik had hem erop kunnen wijzen dat hier alleen bussen stopten, maar dat leek me flauw. Ik vroeg hem naar de reden en hij zei dat hij die dag jarig was, maar dat helemaal niemand hem gefeliciteerd had. Dat deed ik dus maar, omstandig en welgemeend en ik gaf hem wat geld om een taartje van te kopen, in de hoop dat dit zijn voornemen zou verijdelen. Toen mijn bus wegreed, zag ik hoe de man gebaarde naar een wachtende jongen om zijn oortjes uit te doen, opdat hij zijn verhaal nog een keer kon vertellen. 

    Eenmaal in de binnenstad aangekomen dronk ik een kop koffie in een café, waar ineens een jongeman binnenstormde die zich breeduit tegenover me posteerde en schreeuwde dat hij manisch-depressief was en dat hij zojuist uit het ziekenhuis kwam waar hij de afgelopen vijf weken was opgenomen. Ik gaf toe dat dat niet leuk was en bood hem een kop koffie aan om hem te kalmeren. Zelf kon ik wel wat sterkers gebruiken na drie keer op één dag zo’n ontmoeting met aardige, maar speciale mensen, ieder behept met zijn eigen obsessie. Ik dacht aan het gedicht van Erik Bindervoet, met zijn sneer naar de dichter Rutger Kopland en diens gedicht over jonge sla. Ik dacht dat elk van deze drie mensen een dichter kon zijn.

    Kropland

    Ik kan veel hebben maar
    Dichtende psychiaters vertrouw ik niet.
    Het zijn de gekken
    Die gedichten moeten maken.
    De mensen die het niet weten
    Hoe het zit.
    Wat er aan de hand is.
    Welk pad ze moeten gaan.

    Ik wist heel goed welk pad ik moest gaan: naar de recensentenbijeenkomst van Literair Nederland in het antiquariaat van Hinderickx en Winderickx op de Oude Gracht. Daar aangekomen heb ik de hele avond met aardige, speciale mensen over hun obsessie gepraat, die ook de mijne is: over schrijvers, gedichten, boeken. 

     

    Uit: De mond van de waarheid, (2013)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Zonder achternaam

    Vannacht kon ik niet slapen, ging uit bed. Door het badkamerraam keek ik naar buiten, naar de nevel, het diffuse licht rond de lantaarnpaal voor het huis, de stilte. Liep de gang door, duwde de deur van de kamer open die de kamer van mijn jongste dochter was, nu mijn werkkamer is. Over de tafel de rol pakpapier, om meters weg te kunnen schrijven. Daarnaast mijn broer, met witte baard, tandeloze mond, onbedaarlijk lachend, een kadetje in zijn hand. Ik zet de foto rechtop. In de vensterbank ligt een stapeltje boeken, er staat een gemakkelijke stoel. Ik pak het boek van William Faulkner, Toevlucht. Vanaf de eerste zin vraag ik me af wat ik aan het lezen ben: ‘Van achter het scherm van struiken dat de bron omringde, keek Popeye hoe de man dronk. Van de weg naar de bron liep een vaag pad. Popeye keek hoe de man – een lange, magere man, zonder hoed, met een versleten grijze flanellen broek aan en een tweedjasje over zijn arm – het pad afkwam en knielde om uit de bron te drinken.’ Faulkner schreef niet eenvoudig, ik zal er doorheen zien te komen.

    Het is de jaren dertig in zuid-Amerika, rond Memphis. Popeye drijft een illegale drankstokerij, eeuwig een sigaret in zijn mond. De stokerij zit in een plantershuis van voor de Burgeroorlog. Er wordt een baby in een kist achter het fornuis verborgen, zodat de ratten er niet bij kunnen. De moeder Ruby, kookt voor de mannen die er werken. Er is Tommy, een simpele geest, die steeds ‘besmuikt glimlacht’, vaak hurkt tegen een muur. Er is een oude blinde man, ‘die daar maar aan tafel zit te wachten tot iemand hem voerde.’ Er lopen twee louche figuren rond die de drank verhandelen. Er komt een jongen met zijn zeventienjarig vriendin langs. Hij wil drank kopen. De auto waarmee ze aankomen, weigert bij vertrek. De louche figuren azen op het meisje. De jongen bedrinkt zich steeds. Het meisje weet zich geen raad. Tommy ziet haar angst, zorgt dat ze zich kan verbergen. Ik blijf lezen, (aan de andere kant van de muur kraakt het bed). De jongen gaat, nadat ie in elkaar geslagen is, er vandoor. Het meisje achterlatend in de handen van Popeye.

    Op bladzijde achtennegentig verzamelen zich boeren en jongemannen voor de deur van een begrafenisondernemer, ‘om naar de man te kijken die Tommy heette.’ Ik had het niet zien aankomen, Tommy als lijk op een houten tafel, ‘de zongebleekte krullen op zijn achterhoofd verkleefd door geronnen bloed en geschroeid door kruit, terwijl de lijkschouwer over hem heen gebogen zat en zich van zijn achternaam probeerde te vergewissen. Maar niemand wist die, zelfs niet degenen die hem al vijftien jaar kenden van het platteland of de winkeliers die hem af en toe op zaterdag in de stad hadden gezien, blootsvoets, zonder hoed, met zijn verrukte lege blik en zijn onnozel over een pepermuntbal bollende wangen. Niemand wist beter of hij had er geen.’ Ach, wat een verschrikkelijk boek! Tommie, de enige goede ziel in dit boek, dood! Ik sla het dicht, denk aan alle Tommie’s zonder achternaam. Of ik slapen kon.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

     

  • Blinde vlek

    Hoe zou het zijn met? Je opent de zoekmachine en tikt een naam in. Een van de eerste hits is een In memoriam en je schrikt je wild. Is ze dood? Al tien jaar? En al die tijd heb ik het niet geweten? Ik heb het over Minke Douwesz. En meteen voor de goede orde: ze is niet dood. Bron is een nummer van Tirade dat via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) beschikbaar is. Een themanummer, blijkt, met meerdere ‘fake’ in memoriams. Grappig natuurlijk, behalve als je niet meteen de context hebt meegekregen. Ik voelde me minder een stommeling toen bleek dat ik niet de eerste en de enige was die erin was getrapt. Scroll verder en je komt bij een artikel van Jann Ruyters uit Trouw. Was er ook met boter en suiker ingetuimeld! Minke Douwesz verongelukt, maar ook Detlev van Heest, u weet wel van dat prachtige boek over Japan, geschept door een auto – dood. Niet dus! 

    Ik zocht naar Minke Douwesz omdat ik haar twee romans Strikt (2003) en Weg (2009) met zoveel plezier had gelezen en ik er iets over wilde schrijven. Ik hou van de toon, de dikte, het schijnbaar achteloos kabbelende verloop van haar verhalen. Ze schrijft korte zinnen, eenvoudig: een tafel wordt gedekt, het water in een espressopotje zingt, een poes ligt op de vensterbank (ik citeer van bladzijde 207 uit Strikt). Het gewone leven in detail. Intussen wil je nooit meer weg en altijd in het boek blijven. Op bladzijde 205 vraagt Judith aan Idske, de hoofdpersoon, of ze nog leukere boeken over de damesliefde kent dan De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Eenzaam avontuur van Anna Blaman wordt genoemd, Een Alpenliefde van Simon Vestdijk. Ik betrapte mezelf op de gedachte: wat heb ik veel gelezen over de vrouwenliefde, want wat Judith wordt aanbevolen ken ik ook! Als dit de hoogtepunten zijn, wat is er dan bitter weinig over lesbische liefde geschreven. 

    Te snel gedacht.
    Uiteraard te snel gedacht.
    Want ik heb weinig gelezen over de lesbische liefde.
    En ik ken te weinig lesbische schrijvers.

    Dat je je vervolgens een decennium lang kunt schamen om één kleine gedachte, één kleine – ik geef het toe – stompzinnige gedachte: wat is er bitter weinig over lesbische liefde geschreven, een gedachte die je nooit hebt uitgesproken, die niemand van je weet, die je één keer hebt gedacht en die daarna, zo nu en dan, weer opduikt om je het schaamrood op de kaken te brengen. Afijn, je merkt ook weer eens hoe smaak zich in vaste structuren vastzet. Te gemakkelijk grijp ik naar wat ik al ken. Blinde vlekken alom. Toevallig vroeg deze week iemand mij naar enkele klassieke homoboeken. Engelstalig. Daar weet ik dan wel wat van. Ik noemde zonder enige moeite titels van Edmund White, David Leavitt en John Fox. Fox…, dat was lang geleden. Had hij nog iets geschreven na zijn debuut? Ik google.  In 1990 overleden. Aan aids. Achtendertig jaar oud. The boys on the rock (1984) bleef zijn enige roman. Ik scroll voor de zekerheid door. Maar dit in memoriam is echt.

     

    Strikt / Minke Douwesz / 839 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Debuteerde met De wensvader (2020 uitgeverij kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die hem iets te zeggen hebben.

  • Prins of kikker

    Ik word wakker, denk aan het meisje in het boek, Ondine. Met haar beeldschone moeder, die geen vaste verblijfplaats voor hen kan vinden, trekt ze van adres naar adres. De moeder is koudbloedig (dat kan, ze is een zeemeermin met benen), maar met een hart vol liefde. Ze houdt zoveel van haar kind, dat ze het eens, als pasgeborene uit haar wieg roofde bij het stel dat het eerst van haar had afgenomen. Ondine is een kind als alle kinderen, glashelder observerend, meegaand op de bewegingen om haar heen, vragend naar het waarom. Een meisje met bolle ogen, transparante huid. Sommigen denken dat ze ziek  is, vragen of ze zo geboren is. De schrik van het ongewone met vragen verbloemen. Ondine maakt een lijstje van de man waar ze tijdelijk bij zijn  ingetrokken, hij blijkt niet zo vriendelijk als ze dachten dat hij zou zijn. Ze schrijft op een papiertje, ‘prins of kikker’ (in schrijfletters gedrukt), vertaalt zijn gedrag in het aantal streepjes. Waarbij kikker ver voorloopt op prins. Zo brengt ze haar omgeving in kaart.

    In de badkamer draai ik de douche open, denk aan Loek en Brenda, die in een woonwagen zonder licht en water, op een strook verontreinigde grond wonen. ‘Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en de kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.’ Dat je je niet om het klimaat kunt bekommeren als jezelf in de shit zit, dat moet ook maar eens duidelijk zijn. Eens vonden ze een meisje naakt in het gras langs het kanaal waar ze hun dagen vissend doorbrachten (vissen is een manier van leven). Dat meisje werd zwanger van Loek (hij wilde het niet, maar ze was zo aanhankelijk).

    Als ik het espressopotje op het gas zet, denk ik aan Alex en zijn ziekelijke moeder. Op een dag treft hij haar dood aan. Dat hij dan niet weet wat hij met haar lijk moet, zogezegd handelingsonbekwaam is, is schokkend inlevend beschreven. Ze spelen nog lang door mijn hoofd, deze verschillende figuren, de oprechte dialogen. Alex nog even, met zijn collega Rick, die hem aanmoedigt het gezag van zijn moeder te ondermijnen. Alex wil een aquarium, zijn moeder niet. ‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen.’ En Ondine met haar moeder die een bad voor haar hen klaarmaakt. ‘Het water was ijskoud. Ik bibberde en vroeg of er wat warm bij mocht. “Nee,” zei je. “Dan werkt het niet.”‘ De ongerijmdheid van het leven, serieus in vorm gebracht. Geweldig boek, in de zin van sprakeloos, onder de indruk zijn.

    Jeanette Winterson schrijft in haar boek Zwaarte, de mythe van Atlas en Herakles, ‘Sedimentgesteente wordt gevormd in de loop van een tijdspanne waarin de ene laag sediment na de andere op de zeebodem wordt afgezet.’ Ze schrijf: ‘De lagen van het sedimentgesteente zijn als de bladzijden van een boek; op elk ervan staat een verslag van het leven uit die tijd geschreven.’ Ik denk aan dit boek, aan Hier komen wij vandaan.

     

    Hier komen wij vandaan / Leonieke Baerdwaldt /221 blz. / Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Romantiek van een boekverkoper

    Hoewel ik al vele jaren lang bijna dagelijks boekwinkels bezoek om boeken te kopen of om inspiratie op te doen, heb ik nooit één moment in mijn leven stilgestaan bij de gedachte om zelf een boekwinkel te beginnen. Zelfs nu heb ik er moeite mee mezelf te zien als iemand die in het boekenvak zit. Soms word ik wakker met de gedachte: ‘We hebben een boekwinkel’, maar om de één of andere reden lijkt het nog niet echt te beklijven. Alsof het fictie is. Het verkopen van boeken heb ik altijd geassocieerd met films als Notting Hill en You’ve got mail. Films waarin romantiek een grote rol speelt, waarin een stuntelige boekverkoper zijn leven niet echt helemaal op orde lijkt te hebben en maar wat aanrommelt in het dagelijkse leven. Over romantiek gesproken. Ik ontving op het Instagram account van ‘Colette’ het volgende bericht: 

    ‘Goedemorgen, Even een vraag, ik heb vandaag een eerste date en wil natuurlijk indruk maken. Ze is groot fan van boeken en heeft me een tijdje geleden een tiktok van de boekenwinkel doorgestuurd. Onder deze post stond dat de winkel op donderdag geopend is, maar op google staat gesloten. Ik kan het dus niet echt vinden. Kun je mij vertellen of jullie vandaag geopend zijn?

    Alvast bedankt! 

    Groetjes, (…)’

    Ik vond dit zowel inspirerend als hartverwarmend. Ik schreef al eens over de relatie tussen tiktok en het lezen van boeken en dit is voor mij een prachtig voorbeeld van hoe goed een medium als tiktok voor zowel boekwinkels als lezers kan werken. Maar laat ik terugkeren naar de romantiek van de boekwinkel en de stuntelige boekverkoper. Tijdens mijn eerste middagdienst in de winkel gebeurde meteen wat ik vreesde. Een klant vroeg naar een boek over de geschiedenis van het Haagse duingebied Meijendel. Ik had geen flauw idee of we het boek hadden, waar het zou kunnen staan. In lichte paniek keek ik naar links en naar rechts. De manshoge boekenbergen die ons aan alle kanten dreigend omringden, gaven geen enkel aanknopingspunt. Boekenbergen mogen voor sommigen een soort hemel zijn, maar zie er maar eens wat in terug te vinden. 

    Niet voor het eerst bedacht ik dat er zeker wel iets viel te zeggen voor een goed georganiseerde winkel met boeken strak in het gelid in overzichtelijke boekenkasten. De vorige eigenaar, Jogchum had daar nooit zoveel om gegeven. Die zei zelfs letterlijk eens het volgende: ‘Er zijn ook lui die alles prachtig geordend hebben. Maar die hebben niets eigenlijk.’ Een leuke quote, maar daar had ik op dat moment weinig aan. Op goed geluk maakte ik een onhandige pirouette waarbij ik ternauwernood voorkwam dat een boekenstapel in elkaar donderde en wees een willekeurige kant uit. Het geluk was die dag volledig aan mijn zijde, want ik bleek zomaar het boek waar de klant naar op zoek was aan te wijzen. Mijn vertrouwen was die dag gegroeid. Wie weet ga ik mezelf nog eens echt als een boekverkoper zien. 

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

  • Privé aangelegenheid

    Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding. 

    De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’

    Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.

     

    De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.

     

  • Hospice

    November is voor de doden. De ochtendmist trekt langzaam op als we de stad uitrijden naar een hospice in de polder. Je kunt daar sterven met uitzicht op nieuwbouwwijken. Een man verwelkomt ons met zijn elleboog. ‘Voor de herdenking?’ Er is koffie, een roomsoesje. In de huiskamer klinken de stemmen van zo’n twintig mensen. Daar zijn alle voorzorgsmaatregelen verdwenen. Mondkapjes hangen aan polsen, geen anderhalve meter. Tussen de mensen herken ik een gezicht van vroeger, een gepensioneerd diëtist. In de afgelopen maanden zijn hier zeventien mensen gestorven. Ook de vriendin van mijn vriendin. Een hospice draait veelal op vrijwilligers en goede wil. Daardoor was ik getuige van de lastige balans tussen afstand en nabijheid. Een vrouw met een door zonnebank en drank getekend gezicht, heet iedereen welkom. Al improviserend vecht ze vanaf het begin tegen haar tranen. Bij het noemen van de overledenen klinken toevoegingen als ‘dat was ook een lieverd’ en ‘och, we zullen haar nooit vergeten’.

    Naast haar stond de diëtist met een glas rode wijn in zijn hand. Om zijn emoties onder controle te houden, knipperde hij bij elke naam zenuwachtig met zijn ogen. Een andere vrijwilliger zong een lied en schoot ook vol. Ze beet op haar lippen, schudde haar hoofd terwijl een karaoke-piano op cd nog een halve minuut Droomland afspeelde. Al die tijd vermeed ik naar mijn vriendin te kijken. Haar manier van rouwen is gieren van het lachen – en alles wat nu gebeurde, voedde haar. Een medeplichtige blik zou werken als ventiel. Het ritueel duurde kort. Familie mocht iets op een kaartje schrijven en aan een roos bevestigen. Voor elke overledene werd een waxinelichtje aangestoken, er was een korte één- minuut-stilte en toen, als een opluchting, kwamen uit de keuken bladen vol rode en witte wijn en prosecco. De diëtist verruilde als één van de eersten zijn lege glas voor een vol. Ik vroeg om Spa Rood maar die bleek niet koud te staan. Dan maar water uit de kraan. 

    ‘Het hoort er helemaal bij,’ fluistert mijn vriendin. ‘Als ik op bezoek kwam, zaten ze bij elkaar in de zusterpost te pimpelen. Elke keer weer.’ Haar vriendin, die best lang in het hospice had doorgebracht, had haar smakelijk verteld over een vrijwilliger die medicatie kwam brengen:
    ‘Goedenavond, dit zijn uw pillen tegen de diarree.’
    ‘Diarree? Ik heb helemaal geen diarree.’
    ‘O.’ Blik op het doosje. ‘Het zijn pillen tegen de pijn.’
    ‘Maar ik heb geen pijn!’
    ‘Dan zijn ze ergens anders voor. Wel met water innemen.’

    Ik zag er wel een hospiceroman in. Bestaat die al? Een vrouw wacht op haar einde en noteert in een geheim schriftje wat ze meemaakt. ’s Nachts schiet ze soms wakker van het geraas en gerinkel in een glasbak. Poëzie, dat had ik gemist vandaag. Het werkelijke moment van verstilling. Daarom zocht ik toen we terug naar de auto liepen naar Vasalis op mijn telefoon.

    ‘Sub finem’

    En nu nog maar alleen
    het lichaam los te laten –
    de liefste en de kinderen te laten gaan
    alleen nog maar het sterke licht
    het rode, zuivere van de late zon
    te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
    Het werd, het was, het is gedaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • De reiziger

    Er staat een jongeman in een oranje hesje aarzelend met een motorzaag bij de haag op de scheidslijn van onze tuin. De motor ronkt, ik open de tuindeur, roep, ‘Hey, hallo!’ Hij hoort me niet. Ik loop naar hem toe. Hij trekt de gehoordempers van zijn hoofd. Hij weet niets van hagen die niet gesnoeid mogen. ‘Dat geeft niet’, zeg ik. Het dunne snorretje waarachter een slordig litteken zichtbaar is, trilt. Zijn strakgetrokken ogen kijken me aan alsof er een oppermacht spreekt. Ik denk koffie, zeg, ‘het geeft niet, ik begrijp het, rustig maar’, (nee, niet dat laatste), als heb ik te maken met een in het nauw gedreven hinde (ook jongens zijn hindes). Hij stapt achteruit. Ik zeg nog, ‘Bedankt! Zie hem weglopen. Heb ik nu iemand weggestuurd? Denk aan mijn moeder, voor wie het gewoon was stratenmakers, huisschilders koffie aan te bieden. Ook denk ik de wereld aardig te begrijpen, volg het sociale debat, lees de kranten. Toch heb ik me nog nooit zo onwetend gevoeld als na het lezen van de verhalen van een reiziger, een cultuurverbinder. Over gastvrijheid, waarvan ik alles dacht te weten.

    In de hoofdstad van Albanië ziet de reiziger te midden van nieuwbouw op een eilandje in het midden van de rivier een traditioneel stenen huis. Waarom is dat blijven staan? Zijn gids vertelt over Albanese tradities. Dat je iedereen die aan jouw deur klopt binnenlaat. Ze te eten en een slaapplek geeft zolang ze willen blijven. In dat stenen huis woont een ouder echtpaar dat ooit hun zoon verloor, doodgeschoten door een jaloerse klasgenoot omdat hij zoende met het meisje dat hij ook begeerde. Na de moord klopte de jongen aan bij het huis, de ouders lieten hem binnen, gaven hem een maaltijd, een bed. Een andere traditie zegt dat je met je gasten mag doen wat je wil zodra ze één stap buiten de deur zetten. ‘De vader heeft zijn geweer klaarliggen. De jongen die hem zijn trots en geluk heeft ontnomen, intussen een volwassen man, verlaat het huis niet. Zo is het al jaren. En zolang de situatie niet verandert, blijft het huis daar staan.’

    Waarna dit boek over vreemdelingen, oorlog, gastvrijheid, me niet meer loslaat. Waarin ‘vreemde in eigen stad’ een andere connotatie  krijgt dan die van overlast door vluchtelingen ervaren. De weg teruggaan die de vluchteling gekomen is, dat is wat de reiziger doet.

    Hij bezoekt een kerkhof in Tunis. Een man bij een vuurtje waarboven een koperen theepot hangt, vraagt naar zijn bedoelingen. De reiziger, ‘Mij interesseert de horizon die mensen meenemen naar Amsterdam. Ik denk dat ik ze niet goed kan ontvangen als ik die niet ken.’ De man wijst hem op een oudere dame, haar huishouden om haar heen uitgestald, stapels gevouwen wasgoed. Ze heeft vijf zoons. De moordenaar van Nice, Brahim Aouissaoui, was haar jongste, vertelt de man. Hij sprak hem wel eens, niks mis mee, tikje schichtig. Kocht zich een plek op een boot die het haalde naar Lampedusa. Daar kon hij niet blijven, met zijn laatste geld ging hij naar Frankrijk. Daar liep hij de kathedraal van Nice binnen, vermoorde de koster, twee biddende vrouwen. ‘Sindsdien doet zijn moeder niets anders dan kleren wassen en vouwen en koken voor haar jongens, die ze verbiedt een stap buiten het kerkhof te zetten. Ze mogen niet eens naar de zee kijken. Laat staan ernaartoe. Die mensen hebben geen horizon meer over.’
    Het is een van de mooiste, wonderlijkste verhalen in deze bundel, die al mijn gepolderde ideeën over gastvrijheid onder water zetten. Dan heb ik het nog niet gehad over de jongen die model stond voor de omslag van het boek. Een geweldig mooi boek dat je opnieuw wilt lezen, om het zoekende, de fijnheid van het vertellen. Te achterhalen wat de werkelijkheid is, die steeds iets rechter in beeld te krijgen.

     

    Gastvrijheid / Chris Keulemans / pag. 243 / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Naar bed

    Daphne du Maurier schreef met The Pool een betoverend en subtiel verhaal. Het gaat over Deborah, een meisje op de grens van de puberteit, dat zich in verbinding kan stellen met een magische ‘Lady of the lake’ die haar deelgenoot maakt van alle geheimen van de natuur. Ze logeert met haar vervelende broertje bij hun grootouders, deftige en stijve mensen van wie ze zich niet kan voorstellen dat ze ooit jong geweest zijn. Du Maurier laat Deborah aan het woord in het volgende fragment:

     ‘When people grew old they had so few treats.
    “What do you look forward to most in the day? ” she once asked her grandmother.
    “Going to bed,” was the reply, “and filling my two hot-water bottles.” Why work through being young, thought Deborah, to this?’

    Ik was het altijd met Deborah eens geweest dat een dag toch wel andere traktaties kon bieden. Maar sinds we met de Grote Schoonmaak zijn begonnen, heb ik me aan de kant van de grootmoeder geschaard. De schilders waren gekomen: alle plafonds werden gewit, kozijnen en deuren geschilderd en de vloerbedekking werd vervangen. We sjouwden trap op trap af, elke dag versjouwden we de inboedel naar een andere kamer. We pakten al mijn boeken in dozen en vulden daarmee de garage tot de nok. 

    De vierde dag viel ik ruggelings achterover de trap af toen ik hielp om spullen naar boven te dragen. Niks gebroken, wel helemaal bont en blauw. Alles deed zeer en de dokter zei dat dat zeker nog wel zes weken zo zou blijven. Vooral in beweging blijven, was zijn advies. Dus sleepte ik mijn loden lijf moeizaam de dagen door met als enig verlangen om het ’s avonds geradbraakt op bed neer te leggen. Het was vreemd te merken hoe snel er nog maar weinig was dat er toe deed, hoe groot ‘het gemak waarmee alles in ballast veranderde’, zoals Wiljan van den Akker zegt in zijn gedicht De tocht. Alles waarover ik eerst in vervoering kon raken, deed ik nu met een schouderophalen af. Vrolijke of droevige berichten, ze gleden langs me heen als water langs een eend. Niets was nog belangrijk, de vlijmende pijn in mijn lijf verschoof mijn focus die zich uitsluitend op het einde van de dag richtte, wanneer ik voorzichtig kon gaan liggen. Dan ervoer ik een gevoel van puur, eenvoudig geluk zoals dat waarover Garmt Stuiveling dichtte:

     XIV

    Nu de grote dingen verdwijnen
    worden de kleine dingen groot:
    wat zonlicht op de gordijnen,
    een appel, een snee vers brood.
     
    Met hoeveel overbodigs
    maken we ons leven stuk:
    er is zo weinig nodig
    voor wat eenvoudig geluk.
     
    Zó zou ik oud willen wezen,
    klein bij de grote dood:
    Homerus om in te lezen,
    een appel, een snee vers brood.

    Deborahs grootmoeder en ik, wij kennen het geheim van het kleine geluk. Er hoort nog een bed in het gedicht genoemd te worden, een bed om simpelweg op te liggen. Alleen die kruiken, die hoeven van mij niet.

     

     

    (Uit: Eeuwig gaat voor ogenblik / Garmt Stuiveling / Meulenhoff (1965)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.