• Meneer Markowitz

    Iemand vroeg of ik ‘al die’ boeken die in deze columns voorkomen, ook echt gelezen heb. Ik antwoordde, dat wat niet gelezen is, niet genoemd wordt. De vraagsteller vroeg verwonderd, ‘Wanneer lees je dan, waar vind je de tijd?’ Ik zei dat wanneer  je lezen niet beschouwt als lezen, zoals je lopen niet beschouwt als lopen, maar een drang om ergens te komen, gaat het vanzelf. Ik zei, zoals je ademhaalt om te leven, zo kan er gelezen worden. Soms is het moeilijk te geloven, (geloven is accepteren) dat een ander, anders in elkaar steekt dan jijzelf. Ik las Minjan van Margot Vanderstraeten in de trein naar Groningen, in de badkamer, op de bijrijdersplaats onderweg naar vrienden, in bed, aan de keukentafel, in afwachting van een pakketje. Ik stond er niet bij stil, maar er zijn vele plekken (en momenten) om te lezen. Vanderstraeten publiceerde vier romans voor in 2017 Mazzeltov verscheen. Over haar kennismaking met een orthodox joodse familie waar ze in de jaren tachtig als werkstudent bijles gaf aan de vier kinderen. Daarna bleef ze betrokken bij het leven van de orthodox-Joodse samenleving.

    Bij  een van haar lezingen over Mazzeltov is een chassidische vrouw aanwezig die haar vraagt, ‘Kunt u zich voorstellen wat antisemitisme is?’ Vanderstraeten antwoordt dat ze gevoelig is voor elke vorm van racisme, discriminatie en antisemitisme. ‘Op die manier weet ik misschien een beetje wat het is.’ De vraagstelster knikt minzaam, ‘Dank u.’ En vraagt, ‘Denkt u, mevrouw, dat u weet wat het Jodendom is?’ Ter illustratie vertelt Vanderstraeten over meneer Markowitz, een gepensioneerd diamantkliever die ze ontmoette om over de teloorgang van de Belgische diamantindustrie te spreken. Hoe de edelsteenambachten zich van Europa naar Azië verplaatste. Waar de lonen laag zijn, de mensen fijne vingers hebben. Markowitz, op zijn beurt, vraagt waarom ze dit wil weten. ‘Omdat ik een boek over het jodendom schrijf.’ Waarop Markowitz haar feliciteert om haar kundigheid. ‘Want weet u, ik belijd al bijna tachtig jaar het orthodoxe Jodendom, en toch zou ik, die van Joodse cultuur en godsdienst ben doordrenkt, tot op de dag van vandaag niet durven zeggen dat ik een boek over het Jodendom zou kunnen schrijven…’  Ze kijkt zwijgend de zaal in. De vraagstelster leunt glimlachend, in zekere tevredenheid achterover in haar stoel.

    Na de lezing stelt ze zich voor als Esther Apfelbaum, zegt dat meneer Markowitz een slimme man is, wil haar onder vier ogen spreken. Ze hebben het over Joodse scholen, zijn het niet eens over elkaars opvattingen over vrijheid van onderwijs. Apfelbaum zegt, ‘U denkt: hoe meer visies je aan een kind geeft, hoe minder je het beperkt.’ Geregeld zegt Esther de vriendschap op, ze wil niet dat er over haar geschreven wordt. Over joden die uit de gemeenschap stappen is ze duidelijk, OTD (Off the derech) genoemd. Unorthodox van Deborah Feldman, dat ze niet gelezen heeft, staat volgens haar vol leugens. Ze vindt dat Vanderstraeten Mazzeltov nooit had mogen schrijven. Wat ze later weer terugneemt. Ze is opgegroeid zonder grootouders, een witregel in vele joodse generaties. Zo veel om te beseffen. ‘Hoe kan een ‘gitte Frau’ nu een boek over ons schrijven? zegt Esther op het einde van het boek. Margot Vanderstraeten, balancerend op een koord van mededogen en oprechte belangstelling boven schijnbaar onverenigbare werelden, kan dat. Schrijven over dat wat niet ten volste begrepen kan worden, is nochtans een begin van weten, van acceptatie. Zegt het voort.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Roep de woorden terug het land in

    Ik bewonder veel mensen, maar heldenverering maakt me onrustig. Het type mens dat anderen blind op het schild hijst is ook het type dat ze, teleurgesteld door hun menselijkheid, genadeloos te pletter laat vallen.

    Maar hij is het, een held. Wie weet zag hij het presidentschap ooit als de karakterrol van zijn leven, maar nu is alle glans er af gebombardeerd en is het echter dan echt. Ik probeer me voor te stellen hoe ik het er vanaf zou brengen in zijn schoenen. Sneu, want dat is niets anders dan de werkelijkheid omzetten in fantasie om het draaglijker te maken. Maar ik schrijf fictie, dus het is mijn vak, me iets voorstellen. (Zo, nu is het legitiem).

    Zijn vrouw schreef de tv-serie waarin hij speelde. Zou ze nu ook zijn teksten schrijven? Iedereen is onder de indruk van zijn speeches. Woorden zijn zijn belangrijkste wapen, zijn enige wapen eigenlijk. Op dat vlak wint hij het glansrijk van Poetin. Het zijn goede teksten, al vindt de tot vervelens toe mee schavende schrijver in mij dat er nog wel wat aan te schaven valt. Je zou bijvoorbeeld – 

    Goed, als ik dan toch in deze steeds sneuere vergelijking gevangen zit, kan ik me er beter aan overgeven. Ik zet mezelf voor een geïmproviseerd presidentieel ogend decor en met duizend geweren op mijn hoofd gericht spreek ik de volkeren toe. Als ik mijn wanhopige woede de baas kan blijven (misschien kan ik dat wel – nee, natuurlijk kan ik dat niet) dan zeg ik, ik zeg…
    Ik zeg helemaal niks. Ik val stil voor een spiegel en beelden razen door mijn hoofd: ik tussen de slachtoffers, ik mis een been, ik – waar zijn mijn vrouw, mijn kinderen. Of ik ben een Rus, die niet weet wat hij allemaal niet weet. Ik ken alleen de gesmurfte werkelijkheid van Poetin, ooit een jongetje dat niet mocht liegen van de juf. Ik leef in Poetins nieuwe werkelijkheid, geschapen door vakkundig het vrije woord om zeep te helpen, zeep, zeep, het woord oorlog dat als een zeepbel, plop! verdwijnt, want als hij zegt dat het niet bestaat, dan bestaat het niet. 

    Of ik besta helemaal niet.

    Ik besta niet. Waar de tegenpruttelende NAVO en VN nog werkelijkheid zijn, en Zelensky’s speeches zich nog aan Poetin manifesteren als een jeukende korst – waar alleen de machtigste en meest persistente krachten nog doordringen tot Poetins Verschrikkelijke Ikke, ben ik helemaal niets. In Poetins universum komt de waarheid van zijn woorden niet voort uit de feiten die ermee beschreven worden, maar buigen de feiten als lakeien mee met zijn woorden. Een giga Forumland, waarin theaters en ziekenhuizen plat worden gevredesmissiet, waar de waarheid is verschrompeld tot een schaduw van een vermoeden over een werkelijkheid die zou kúnnen bestaan, waar honderdvierenveertig miljoen Russen op de tast schuifelen door de diepe, zwarte nacht, zonder met zekerheid te kunnen zeggen of het nacht is. 

    We zouden bij de grens van Rusland moeten gaan staan allemaal, en heel, heel hard roepen. Het is het enige dat we hebben, woorden. En samen roepen we de woorden die Poetin schrapte terug het land in. Oorlog heet het, en invasie en bloedvergieten. Dictator heet de een, en helden al die anderen.

     

     


     Schrijver en regisseur Frank Gunning schrijft voor Literair Nederland een serie van zes maandelijkse columns over schrijven. Hij publiceerde Meisje van glas (2014) en Schuilplaatsen van Woody Gardiner (2017) bij uitgeverij Querido.

     

     

    Foto:Koos Breukel
  • Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • Coming out

    ‘Heb je je boek ook aan Björn laten lezen?’ In ons huis hangt de geur van lasagne. Wijn wordt ingeschonken. Ik stel de vraag voor ik er erg in heb. Op tafel ligt het boek De jongen die van de klif sprong en zacht terechtkwam. Stefans debuut dat enkele weken geleden in het staartje van de corona-maatregelen verscheen. Hij kijkt een moment verlegen weg. Het is ook een erg directe vraag. Een vooringenomen vraag, alsof een boek over een coming out wel autofictie moet zijn. We kennen elkaar niet goed. Ik ken vooral Joost, zijn vriend. Met hem heb ik twee jaar intensief samengewerkt. Moreel beraad. Ethiek. We aten ook vaak appeltaart. De jongen die van de klif sprong gaat over puberlevens en coming out. Vrolijke, schijnbaar onbekommerde schooltaferelen met een donker randje, daar hou ik van. Hoofdpersonen zijn Alec, de ik-persoon, en Björn. Young adult, een genre dat in mijn jeugd niet bestond.

    Op het omslag twee aantrekkelijke jongens. Wie is nu wie? Het rechtergezicht associeert Stefan met Alec. ‘Hij lijkt op de jonge Richard Krajicek,’ zeg ik. Dan blijkt de zoon van Krajicek ook nog eens Alec te heten. We lachen om toevallige verbanden.  Stefan vertelt dat hij met tussenpozen tien jaar aan zijn debuut heeft gewerkt. Alles bij elkaar opgeteld een voltijdbaan van een jaar.’ Er is veel liefde in het boek gestopt. En veel muziek (niet vreemd, Stefan is popjournalist). Zanger Christon schreef een titelsong. ‘Vooral romans met een link naar de werkelijkheid zijn interessant voor de pers. Als het niet echt gebeurd is, is het voor een krant niet interessant, dan hoeft een interview verder niet,’ zegt Stefan. Na het dessert, appeltaart met kaneelijs, en uitwaaiende gesprekken, keren we terug naar zijn boek. Hij geniet van ons, aandachtige lezers. We zijn verbaasd over scholieren die in coke dealen – Stefan kende het van zijn eigen school. Er wordt gedanst op muziek die ik nauwelijks ken, maar die ik wel op Spotify opzoek.  We keuren de personages. De sympathieke Thomas. De jolige leraar geschiedenis. Vriendin Laura. De charmante Björn. Nee, hij had het boek niet aan Björn laten lezen. Dat kon ook niet.

    Veel van wat Alec doet, hoort – zo blijkt – ook bij Stefan. Ook Stefan was actief onderdeel van een vriendengroepje, klasgenoten waarmee hij optrok en die bijhielden of je al met een meisje had gezoend en met hoeveel meisjes dan. Ik denk aan mijn eigen middelbareschooltijd begin jaren tachtig. De beklemming van een geheim, de beklemming dat er op je werd gelet, van groepsdruk. Je kon zomaar door de mand vallen. Op je hoede zijn. Raak je het ooit helemaal kwijt? Als het om dat soort zaken gaat, heeft ieder zijn eigen coping-gedrag. Stefan en Alec gingen uit met vrienden, ik ging naar de bibliotheek – alleen. 

    We bekijken op Whatsapp een filmpje van hun zoon, een jongen van acht maanden, die onbekommerd  in de camera lacht. De intens blij oplichtende ogen van twee vaders. Klein geluk. Echt geluk.  Als puber kun je je er niets bij voorstellen, maar later keert veel ten goede.

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Dooie hond

    Er was een beroemde Amerikaanse auteur van wie ik nog nooit iets gelezen had, maar iedereen riep dat ik dat beslist moest doen. Daarom besloot ik om zijn meest geprezen werk aan te vragen bij een verre bibliotheek. Dat moest wel, want de bibliotheek in ons dorp richt zich voornamelijk op gezinnen met kleine kinderen en vertegenwoordigers van grote doelgroepen, dus is het doorgaans behelpen met het verzamelde werk van Nijntje en De Cock (met c-o-c-k) van Baantjer. Een paar dagen later kon ik het boek ophalen. De achterflap loog er niet om: ‘De favoriete auteur van andere auteurs’, ‘Een zuiver en diepzinnig hoogtepunt in het oeuvre van een van de grootste schrijvers die ik ken’, en ‘Als je maar één boek in je leven leest, laat het dan dit zijn’. Gretig begon ik te lezen.

    Toen ik ongeveer een derde van het boek gelezen had, wist ik het al: ik vond er he-le-maal niets aan. Toen ik op de helft was, nog minder. Ik heb het boek teleurgesteld weggelegd en me afgevraagd waar het aan lag. Als iedereen zich over dit boek uitliet in halleluja-achtige superlatieven, mocht ik dan vertrouwen op mijn eigen oordeel? Ja, want hoe het ook uitviel, het was in ieder geval oprecht. Dat je de achterkant van een roman niet serieus kunt nemen, is me wel duidelijk: al die aanprijzingen, die lofzangen, die extatische litanieën, ze dienen alleen om het boek te slijten, maar vertellen niets over de werkelijke inhoud. En waar ik ronduit een hekel aan heb, zijn de citaten uit recensies van vooraanstaande kranten over eerdere boeken van de auteur, waar ik dus niets wijzer van word. Was ik jonger, dan had ik nog een ander boek van dezelfde schrijver gelezen, maar met heel veel boeken om nog te lezen en steeds minder tijd kreeg hij geen herkansing meer. 

    Iedereen vroeg me in de dagen daarna of ik het ook zo’n geweldig boek had gevonden. Bevestigend antwoorden zou het gemakkelijkst zijn, dat sloeg meteen de discussie dood en dan was ik overal vanaf. Maar ik vond het geen goed boek, laat staan geweldig, en liegen gaat me niet goed af. Dus zei ik nee, en dan werd er ogenblikkelijk een stap naar achteren gedaan: ik behoorde niet tot de ingewijden, maar tot de barbaren. Terwijl Remco Ekkers toch duidelijk zegt dat we kunst niet allemaal op dezelfde manier ervaren: 

    Kunst

    Er liep een meisje
    met een dooie hond
    aan een riem door
    het museum, zij sleepte

    hem de trap af
    langs de schilderijen
    over zijn wollen poten
    tilde hem soms op

    streelde zijn oren.
    Haar meedravende zus
    besteedde niet de minste
    aandacht aan de hond.

    Geen achterflap, noch de aanbidding van gevestigde namen, of de angst om niet tot de club te mogen behoren, mag uitmaken wat je wilt lezen en wat niet. En laat niemand je ooit vertellen wat je mooi moet vinden. Dat maak je zelf uit. Klinkt De Cock en de geur van rottend hout soms niet intrigerend? Nou dan.

     

    Gedicht Remco Ekkers uit: ‘Van muis tot minaret’, 1989


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Simpele zielen

    Toen Poetin vorige week onder valse voorwendselen op oorlogspad ging, werd ik daar behoorlijk onrustig van. Als honderden kilometers barvoets lopen of duizenden schietgebedjes zouden helpen, dan zou ik dat doen. Maar ik wist niet waar te beginnen. Dus ging ik naar het filmhuis waar een Oekraïense zwart-wit film uit 1968 draaide, getiteld Скуки ради (Uit verveling), gebaseerd op een verhaal van Maksim Gorki. Over een station in de steppe, een stationschef met zijn vrouw en zoontje, een bevriend spoorwegbeambte, een telegrafist, de dienstmeid  en drie arbeiders. Een keer per dag komt er een trein op het station aan, opgewacht door de bewoners van het station. Op het perron wordt dagelijks een gemakkelijke stoel voor de vrouw klaargezet, die er in uitgaanskledij in plaatsneemt. De twee mannen positioneren zich in uniform op het perron. Zo gauw de trein stilhoudt vergapen ze zich, met het hoofd in de nek, aan het leven van welgestelde burgers in de eerste klas wagon. Als deze weer optrekt, zwaaien ze met omfloerste blik de trein na, als zat hun geliefde erin. Denk aan Herenleed, sketches van Cherry Duyns en Armando, verlangen en weemoed.

    Maar deze film is droeviger. De seinwachter verleidt uit verveling de dienstmeid, vraagt of ze getrouwd is. Ze zegt, kijk naar mij, wie wil mij nou hebben? Hij kijkt en zegt, inderdaad, je bent lelijk. Foei, wat ben jij lelijk. In het geheim bezoekt hij haar, overdag wil hij niet met haar gezien worden. De arme drommel ziet niet hoe mooi ze eigenlijk is. Nu de dienstmeid het geluk even geproefd heeft, kan ze niet meer terug naar haar oude leven, er rest haar slechts de keuze het te beëindigen. Thuis zoek ik naar het verhaal van Maksim Gorki waarop de film gebaseerd zou kunnen zijn. Ik vind het niet. Wel is er een pakketje boeken binnengekomen, verhalen van de in Kyiv geboren Sigizmoend Krzjizjanovski. In het verhaal ‘Autobiografie van een lijk’ uit 1925, lees ik dingen die zich deze dagen ook voordoen. Lees voor ‘kruispunten’, social media. 

    ‘Op de kruispunten stonden groepjes mensen opgewonden met elkaar te praten. Meerdere malen ving ik het woord “oorlog” op.’ Er hangen lijstje met wat er zoal nodig is voor de oorlog, ingezameld door de militaire intendance. Er ‘… worden voor de volgende bedragen opgekocht: voetlappen: 7 kop.; onderhemd: 26 kop.; laarzen (mil. mod.): 6 roeb.; alsmede…’ Op het lijstje staat ook dat de intendance ‘lichamen en hun inhoud: leven’ inzamelt. Krzjizjanovski schrijft, ‘Over de afkoopprijs van dat laatste werd om een of andere reden met geen woord gerept.’

    In Ik heb nooit iets gelezen, van Karel van het Reve kom ik Gorki weer tegen, die Stalin, (die niets met literatuur had) wel eens op bezoek kreeg. ‘In gezelschap van literatoren was hij verlegen volgens iemand die hem ten huize van Maxim Gorki wel ontmoet heeft (…)’. Als Stalin op bezoek kwam, schrijft Van het Reve, dan ‘was het drinken geblazen, want hij werd achterdochtig als je niet dronken was. Als men zich beleefdheidshalve tot hem wendde met een vraag op literair gebied betuigde hij dadelijk zijn onbevoegdheid.’ Dat ‘betuigen’ en ‘onbevoegdheid’, is in deze meesterlijk. Het zomerverblijf van Stalin was een houten ‘datsja’, een spijker in de muur als kapstok ‘de muren beplakt met uit tijdschriften geknipte plaatjes’. Simpele zielen kunnen ernstige schade aan de mensheid berokkenen.

    Van het Reve beschrijft hoe Brezjnev bij een bezoek van Thatcher aan de Sovjetunie een begroeting van papier leest: ‘“Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Hij wordt op zijn schouder getikt: “Leonid Iljitsj, dat is niet Indira Gandhi, maar Margaret Thatcher.” Brezjnev kijkt verstoord op en begint opnieuw: “Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Opnieuw wordt hij op de schouder getikt. Nu wordt hij kwaad. “Wat zeuren jullie toch,” bromt hij, “ik zie ook heus wel dat dat mevrouw Thatcher is, maar hier in mijn tekst staat Indira Gandhi.”’ Van het Reve was goed in grote wereldleiders de menselijke maat te nemen. Zo zie ik het graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, onderzoekt de dingen van de dag.

  • De opdracht

    In tijden van quarantaine is het fijn om goede buren én verre vrienden te hebben. Geregeld zette onze buurvrouw een pannetje verse kippensoep met rode pepertjes bij onze voordeur. Een andere buurvrouw haalde aan de overkant boodschappen. Vanaf ons balkon volgden we haar met trouwe hondenblik. Er is nood, en vrouwen helpen. Een pakketbezorger bracht een cassette met de verzamelde gedichten van Slauerhoff. Twee gebonden delen. Lief kaartje erbij. Precies, van een verre goede vriendin. Niet naar buiten mogen en dan het werk van een globetrotter als Slauerhoff cadeau krijgen, dat zijn de milde grapjes die het leven je geeft als je er een klein beetje oog voor hebt. ‘Er was en is veel te verstouwen,’ schrijft de vriendin in het lieve kaartje. Ze somt wat persoonlijk tegenslag op, ik zal het hier vanwege de beperkte lengte van de column niet herhalen, en ze besluit met de wens dat een goed boek voor veel het juiste medicijn is. Ze heeft gelijk.

    Deel twee van het verzameld werk opent met de bundel Yoeng PoeTsjoeng – mijn favoriet. Enkele dagen later zoek ik in het eerste deel de bundel Eldorado op (door een disco liedje uit de jaren tachtig hou ik van het woord Eldorado) en zie op het schutblad een handgeschreven opdracht:
    Voor Eva, met wie ik leven wil.
    1-5-’84  Maarten.

    Zou het? Er zijn mensen die je vooral in paren ziet. Wim Kan en Corry Vonk, Jos Brink en Frank Sanders en eigenlijk ook Maarten en Eva Biesheuvel. De Biezen zoals vrienden hen noemden. Eva overleed in 2018. Haar prachtige, directe, rouwadvertentie herinner ik me goed: ‘Goedendag. Ik ben dood. Ik mis Maarten, mijn vrienden, de poezen, de kauwtjes en de duiven. Ik dank u allen hartelijk voor uw troostende vriendschap.’ Twee jaar later stierf  Maarten. 

    De zee en Biesheuvel horen bij elkaar. Als jongen voer hij op de grote vaart. Hij moet een zwak voor Slauerhoff hebben gehad, de scheepsarts die de wereld in de Nederlandse literatuur bracht. Komt het boxje uit hun nalatenschap? Ik pak Biesboek uit de kast voor een klein onderzoekje. Het is niet hun huwelijksdag. Mijn eerste intuïtie blijkt dus fout. Ze zijn op een augustusdag op Schiermonnikoog getrouwd, jaren eerder. Is het dan wel zijn handschrift? Of komt de cassette van een onbekend echtpaar dat toevallig ook Maarten en Eva heet?  Ik zie zoveel verschillende handschriften in Biesboek, twijfel, vergelijk, herken in een brief toch de v en a van de opdracht. 

    Dan de opdracht zelf: Met wie ik leven wil. Die ‘wil’ blijft haken, intrigeert. Het is een ‘wil’ zwanger van verlangen. Naar geluk, naar bevrijding, naar verbinding. Mag ik eindelijk eens leven? Mogen wij leven? Een leven zonder opnames en medicatie? Moet je zijn opdracht zo interpreteren? In 1984 verscheen Biesheuvels verhalenbundel Reis door mijn kamer. ‘Ik ga niet reizen,’ schrijft hij. ‘Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt!’ Tegelijkertijd doet hij Eva dus de verzamelde gedichten van een wereldreiziger cadeau. Al is het projectie of fantasie: zo is de cirkel rond voor wie er een klein beetje oog voor heeft.

     

     


    Humanistisch geestelijk begeleider en schrijver Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt daar zijn tweede roman Augustus.

  • Meesterlijke vertelling

    Elke verschuiving in de geschiedenis kent zijn kantelmoment, de overgang van het een naar het ander. Zoals bij het overkoken van melk het moment tussen warm en oververhitting niet gezien wordt (al sta je er met je neus bovenop), zo zien we veel niet. Op zo’n moment dromen we weg, drukdoende andere zaken. Life is what happens while you’r busy making other plans.’ Geloven dat het allemaal wel zal meevallen. Omdat je er niet aan wilt dat wat jij niet wilt, toch geschiedt. Zo trekt Poetin triomfantelijk met zijn zelfbenoemde vredesmissie gebieden binnen waar hij niets te zoeken heeft. En ik deed het ook, terwijl het nieuws gonsde, liet ik me bekoren door een verhaal. Een prachtig verhaal, een meesterlijke vertelling, om het idee, de constructie. Over een jongeman die vorig jaar, terwijl hij in schrijversresidentie was op de Cité Universitaire Paris, in een secretaire op zijn kamer een ‘geparfumeerde’ brief, gedateerd 06/08/1986 van ene Gambetti Lodizio vond.

    Deze Lodizio, zoon van een Nederlandse non en een Milanese klokkenmaker, was in 1986 schrijver in resident in dezelfde kamer als de jongeman in 2021. De brief richt zich tot de in Rome wonende ‘Sig. Murau’, zijn literaire leermeester. ‘Beste Murau,’ schrijft Lodizio, ’Toen ik nog een internaatskind was, prees ik de dagen waarop de regen tegen mijn zolderraam sloeg. Gehuld in een liturgisch dekbed voerde ik een dankregendans uit. Ik hoefde met regen niet naar buiten. Ik hoefde niet te spelen met andere kinderen.’ Waarna Lodizio de omgeving, die hij vanuit zijn raam beziet, en het gedrag van de mederesidenten beschrijft, ‘De andere schrijvers (…) vulden hun verblijf in met veldonderzoek in de stad. Elke dag zag ik (…) een opgewonden polonaise voorbijtrekken van residenten die gebroedelijk elkaars ruggen als ondergrond gebruikten voor hun notitieboekjes.’ Lodizio voelt angst en schaamte opkomen bij de gedachte dat hij zich onder de mensen zou moeten begeven. Een goed schrijver heeft zich immers enkel te verhouden tot zijn werktafel. Maar het waren de tijden van engagement, verhalen die op straat lagen.

     ‘Ik slenterde naar mijn kamer, Murau. Daar probeerde ik mezelf aan mijn bureau al schrijvend op een terras te fantaseren’. En later: ‘Als schrijver zal ik dan ook wel uit de tijd zijn. De contemporaine schrijver mag blijkbaar niet meer uit woorden bestaan, maar moet van vlees en bloed zijn. Hij wordt op podia gesleurd, weg van zijn natuurlijke habitat; het bureau en de witte muur, waarop zijn ogen de beelden projecteren die hij optekent. Daar staat de echte schrijver op het podium, zijn handen vastgeklampt aan het katheder.’ Lorizio schrijft over het ‘Bal masqué’ waartoe het schrijversleven verworden is. ‘Op de gang spotte ik een actrice, die ook de rol van schrijfster op haar naam had staan. Een rol die ze zo goed speelde dat ze een toegangskaartje tot de residentie had veroverd.’ Dit alles geschreven in de lijdzame vertelsfeer van Le grand Meaulnes. Deze brief stuurde de vinder naar de redactie van Kluger Hans, die deze plaatste. Maar belangrijker is te weten dat donkere regendagen en schrijvers samengaan. Je afvraagt, wanneer was dat kantelmoment dat een schrijver zijn werk niet meer genoeg was eigenlijk?

     

     

    Let wel: dit verhaal ‘Brief aan Murau’ is fictie, geschreven door Daan de Jager, gelezen in het prachtig uitgegeven literair tijdschrift Kluger Hans #41, waarin nog veel meer moois staat, maar waarvan dit verhaal zich even als beste verhaal voordeed. Wat natuurlijk een zeer persoonlijke, maar geen fictieve mening is.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Enthousiaste aandacht

    Het is nu een half jaar geleden dat ik samen met zeven anderen de antiquarische boekwinkel Colette overnam en sinds drie maanden zijn we officieel Colette & Co. In deze tijd heb ik onverwachts nog het een en ander over mezelf geleerd. Ik ging er vanuit dat ik op mijn vijftigste een goed beeld van mezelf had, maar dat bleek niet het geval. Hoewel ik het heerlijk vind om op mezelf te zijn en ik mensenmenigtes over het algemeen schuw, ben ik namelijk niet zo introvert als ik altijd dacht. Het leukste van mijn betrokkenheid bij de winkel is buiten het feit dat ik omringd ben door boeken, het contact met de klanten, die op enkele uitzonderingen na bijzonder enthousiast zijn over de boekenbergen die ze aantreffen. Geen enkele klant is hetzelfde. Sommigen lopen lang rond om vervolgens met een hele stapel boeken onder de arm af te rekenen, anderen maken alleen foto’s voor hun Instagram-account en nog weer anderen zitten vooral om een praatje verlegen. Elke dag is het wat dat betreft weer een verrassing, al heb ik inmiddels wel een paar voorzichtige conclusies kunnen trekken.

    Studentikoze types zijn over het algemeen zwijgzaam en geven de voorkeur aan contant betalen, oudere klanten zijn daarentegen behoorlijk spraakzaam en informeren met enige regelmaat bezorgd of ze met pin kunnen betalen. Er zijn klanten die haast hebben geven, en zomaar tien euro extra doneren. Weer andere klanten, waar ik tien minuten mee heb staan praten, willen afdingen op de prijs. Wat ze echter allemaal met elkaar gemeen hebben is de nieuwsgierigheid en het ongeloof over zoveel boeken als ze voor het eerst de winkel betreden. De boekwinkel werd ook opgemerkt door het tv-programma Brommer op zee. Tijdens een uitverkoop bij Colette waarbij boeken voor één euro over de toonbank gingen was er een cameraploeg aanwezig voor een reportage over de winkel.

    Het leverde een mooie impressie op in de eerste uitzending van Brommer op zee in januari jongstleden. In de reportage is te zien hoe oud eigenaar Jogchum de Vries een tas vol boeken komt afleveren bij de winkel. De interviewer vraagt aan een vrijwilligster of Jogchum nog vaak langskomt om zijn kennis over de zaak te delen. Het is immers niet zo simpel om in de vele boekenbergen een specifiek boek terug te vinden als een klant daar naar vraagt. De vrijwillige boekverkoopster antwoordt dat Jogchum nog altijd bijzonder betrokken is en regelmatig langs komt om te zien hoe het met de winkel gaat. Zijn betrokkenheid is overduidelijk als de interviewer haar naar een bepaald boek vraagt en Jogchum haar gedreven aanwijzingen geeft in welke boekenberg ze moet zoeken. De uitzending liet goed zien hoe belangrijk het is dat winkels als Colette bestaansrecht hebben en hoe zonde het is als deze uit het straatbeeld verdwijnen. Als het aan onze groep vrijwilligers ligt zal dat zeker niet gebeuren. 

     

     

    Antiquariaat Colette & Co,
    Reinkenstraat 45,
    2517 CP Den Haag


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette & Co. Dit was de laatste column van een serie van zes maandelijkse columns die Istvan voor Literair Nederland schreef. Veel dank daarvoor.

  • Naar Berlijn

    Het was zo’n middag dat ik erop uit moest, een onbedwingbare lust de trein te nemen, naar Berlijn desnoods. Waar videokunstenaar, componist en obsessief sporter Guido van der Werve in 2016 met zijn fiets tegen een openslaand autoportier knalde, eroverheen vloog, geschept werd door een touringcar. Hij sprak erover in een interview in de Volkskrant, dat bij hem niets gewoon kon gaan, zelfs een ongeluk niet. Hij had jaren nodig om te revalideren. Zijn arts zei dat als hij niet zo overdreven veel getraind had, hij dit ongeluk niet had overleefd. Ik nam me voor dagelijks tien kilometer te lopen. Dus trok ik mijn jas aan, liep naar het station. Het was guur, grijs weer. De wind ging dwars door mijn jas. Ik stopte de losgewaaide einden van mijn sjaal stevig vast. Op het volgende station waar ik moest overstappen, kocht ik een krant. De trein naar Deventer liet op zich wachten, er was een tekort aan verkeersleiders. Toen ik eindelijk in Deventer aankwam, leek het me opeens geen goed plan op de trein naar Berlijn te wachten. Ik sjorde mijn sjaal nog eens vast en ging de stad in.

    In een zaakje waar koffie met barista havermelk werd geschonken, las ik in de NRC dat Michiel Krielaars in de trein van Brussel naar Nederland een roman van Lucinda Riley las. Het las ‘als een lange tweet’, schreef hij. En, ja, een literatuurcriticus moet ook De zeven zussen lezen. Ondertussen dacht ik aan Ischa Meijer. Geboren op 14 februari 1943, tweeënvijftig jaar later op 14 februari gestorven, zomaar. Zesentwintig jaar afwezigheid waarin zijn Dikke Man verhaaltjes en ander teksten steeds meer aan betekenis toenemen. Er zijn een handvol gedichten, liedjes, theaterteksten in De handzame Ischa, een aantal Dikke Man stukjes over zijn ouders in Mijn lieve ouders. Teksten die het programma Een uur Ischa op de radio aankondigden in, Zing m’n jongen zing!, voorgelezen met de ronkende stem van Cor Galis. Teksten die over Ischa gingen, wat hem die week had beroerd, altijd eindigend met, ‘Hé, jôh, sta daar niet zo oenig te koekeloeren. En zing maar eens lekker. Ja, zing mijn jongen, zing, zing, zing!’ Of een variant daarvan, ‘En zing kleine klootzak, zing, verdomme, zing, zing, zing!’ En dan zong hij.

    In de biografie Jaap en Ischa Meijer, een Joodse geschiedenis door Evelien Gans wordt Ischa geboren in het derde oorlogsjaar. Hoe liefdevol zijn vader in een brief aan vrienden schreef, ‘Isga, die overigens best groeit, lief is en nu en dan er lustig op los keuvelt’. Ischa, die eerst Isga was. En zijn vader, die later, na de oorlog, niets liefdevols meer heeft. Om het minste geringste uitviel, vrienden, kennissen en zijn kinderen van zich afstootte, confronteerde. Ontberingen en de dood doen veel met een mens. Ischa schreef: ‘de dood maakt elk talent kapot / om te beminnen wat verging / ik ben de leegte die hier bleef; een bod / een gat, niet eens een ding / geen snaar die nog kan trillen van de angst / om te vergeten wat verging // ik blijf de leemte die beklijft; de vangst / die wel genoemd wordt: de herinnering’. Ik nam de trein naar huis, dacht erover volgende week nog eens naar Berlijn te gaan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

     

     

     

  • Bron- en contactonderzoek

    Pas als het tweede rode streepje op het display verschijnt, ben ik overtuigd van de betrouwbaarheid van de Covid-thuistest. Toch. Eindelijk te grazen. Na twee jaar voorzichtig leven – afstand houden, mondkapjes, geen handen geven, wel handen wassen, vaccinaties en booster – positief getest. Dubbelcheck bij de GGD. Ja hoor, nog voor ik het goed en wel doorhad. ’s Avonds zie ik Hunted-vips op televisie. Je bent op de vlucht en je verwacht met slimmigheidjes de vijand voor te zijn. Stom, zie die vips, ze wandelen linea recta in de val. Wat ook zo gek is, het voelt als falen. Bij al die mensen die mij vertelden dat ze positief waren, dacht ik nooit ‘hé, stommelingen, opletten’. Nu wel. Ziekte ontmaskert telkens weer de gezondheidsmythe waarin je leeft. Geitenpaadjes, Houdini-act, uiteindelijk ben je net als die vips toch eerder de tuinman uit dat beroemde gedicht van P.N. van Eyck.

    ‘De tuinman en de dood’

    Een Perzisch edelman
    Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
    Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

    Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
    Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

    Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
    Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

    Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
    Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

    Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
    Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

    “Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
    “Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

    Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
    Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

    Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
    Die ‘k ’s avonds halen moest te Ispahaan.”

    Een mevrouw, eerder nog een meisje – het is haar eerste werkdag voor de GGD – belt voor bron-  en contactonderzoek. P.N. van Eyck, Pieter Nicolaas, in de negentiende eeuw geboren in Breukelen en overleden tijdens de wederopbouw. Herman Franke ontdekte in 1995 dat Van Eycks gedicht gebaseerd is op een tekst van Jean Cocteau en Cocteau had het van Rumi, een soefi-mysticus uit de negende eeuw, en die had het weer uit de Babylonische talmoed. En ik heb dit allemaal weer van Wikipedia.

    Het meisje wil precies weten wie ik allemaal heb gezien. Ik spel de naam van mijn partner.
    ‘Wanneer had u voor het laatst contact met uw huisgenoot?’
    ‘Nog geen minuut geleden.’ Ze vraagt naar meer namen. Ik denk aan Hunted-vips. Ik denk aan verlinken, aan de oorlog. Kinderachtig. ‘Ik heb iedereen gewaarschuwd,’ mompel ik. Even vrees ik dat ze nog een keer luidkeels en dwingend ‘namen!’ zal roepen. Wat natuurlijk niet gebeurt, wat ook gek is om te denken. Ze blijft vriendelijk en meelevend. Of ik onderliggend lijden heb?

    Jagen of vluchten. Of jagen om te vluchten. Ik denk aan een interview jaren geleden met schrijver Andrew Solomon toen zijn boek over depressiviteit verscheen. ’s Nachts zocht hij in parken mannen op voor onveilige seks.  De ene na de andere werkte hij af. Zijn opzet mislukte. Hij liep vast van alles op maar geen HIV. ‘Alleen een neusverkoudheid’, zeg ik tegen mijn partner.
    ‘Wat? Dan valt het wel mee.’
    ‘Niet ik,’ zeg ik, ‘Solomon.’

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Opmerkelijk schrijfster

    Keri Hulme is overleden. Ik las het op de site van The Guardian, op 27 december is ze gestorven. De kranten, op het Parool na, hadden er niets over geschreven. Is ze een vergeten schrijfster? Ze was wel een opmerkelijk schrijfster die in afzondering leefde op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Deels Maori, deels Europees, geboren in Christchurch, de grootste stad van het eiland. Na haar middelbare school werkte ze als tabakplukker, begon te schrijven, brak een rechtenstudie vroegtijdig af omdat ze vond dat ze niet thuishoorde op een universiteit. Ze trok zich terug om verder te schrijven. Twintig jaar werkte ze aan haar debuutroman waarvan ze twaalf jaar probeerde het uitgegeven te krijgen. Toen het herhaaldelijk werd afgewezen, dacht ze erover het manuscript in hars te verpakken en als deurstop te gebruiken. Ze was een nuchter mens.

    In 1984 brengt de feministische uitgeverij Spiral Publishing Collective het uit onder de titel The Bone People. Datzelfde jaar won ze er een belangrijke Nieuw-Zeelandse literaire prijs mee. Een jaar later won ze de Booker Prize, was daarmee de eerste Nieuw-Zeelandse schrijver die de prijs won. De aanhouder wint en (schrijvers)geluk schuilt in een klein hoekje. Kerewin is vele malen herschreven, uit elkaar gehaald, opnieuw in elkaar geschoven, het moet een hels werk zijn geweest. Zo gauw je de proloog gelezen hebt, wordt je voortgedreven, bladzijde na bladzijde. Over de kunstenares Kerewin, deels Maori, die zich een toren bouwt op het strand, zich daarin terugtrekt. Joe, half Maori, verloor vrouw en kind aan de griep. Er is een aangespoeld jongetje dat door zijn vrouw in huis werd gehaald. Na haar dood blijft Joe achter met de vondeling, een getraumatiseerd kind dat niet kan spreken, amper slaapt. ‘Het knaagt aan hem: het enige dat van haar is overgebleven, dit tweedehands, nauwelijks aangeraakte, halfgevormde aandenken aan haar aanwezigheid.’ Waarbij ‘nauwelijks aangeraakte’, betreffende een kind, diep inwerkt.

    Het is een boek over eenzaamheid, er is veel miscommunicatie. Joe, doet zich mooier voor in gezelschap van Kerewin maar kan de zorg voor het jongetje niet aan. Die op zijn beurt naar Kerewin trekt, inbreekt in haar toren, zich daar verschuilt. Kerewin ziet hem als verstoring van haar zelfverkozen kluizenaarschap. Ze wil hem buiten zetten. Dan pakt ‘een handvol dunne vingers’ haar pols. ‘Kerewin kijkt naar de vingers, kijkt met een scherpe blik op en ontmoet voor het eerst de ogen van het kind.(…) Hij kijkt bang en beschroomd, maar op een vreemde wijze heel intens.’ Dit kind is een raadsel, de personificatie van eenzaamheid. Hulme wilde met deze roman de Maori vermengd met de Europese cultuur in beeld brengen. Hoe het half tot een cultuur behoren een leven zonder achtergrond lijkt. Ze schrijft: ‘Ze waren niets meer dan mensen, op zichzelf. Zelfs gekoppeld, op welke wijze dan ook, zouden ze niets meer geweest zijn dan alleenstaande mensen. Maar samen vormen ze het hart en de spieren en de geest van iets gevaarlijk nieuws, iets vreemds, dat groot en groeiende is. Samen, allemaal samen, zijn ze werktuigen van de verandering.’ Daarom kent het boek een ‘happy end’. Dat is wat Keri Hulme als toekomstbeeld zag, een ‘happy end’, hoe gemixt je oorsprong ook is. Dit boek een kunstwerk, de schrijfster om nooit te vergeten. 

     

     

    Kerewin / Keri Hulme  / vertaling Anneke Bok / De Arbeiderspers (2016 verscheen de laatste druk)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.