• Met open mond

    Ik lag met open mond in de stoel bij de mondhygiënist. Met een puntig tangetje prikte ze in tandvlees, krabde aan tanden en kiezen. Daarna zei ze, ‘Zo. Even wat tandsteen verwijderen.’ Ze nam een elektrisch aangedreven slijptolletje waarmee ze kundig en snerpend de bochten en hoeken rond mijn tanden nam. Mijn tong wrong zich als een slang in de holte van mijn mond, het slijptolletje ontwijkend. Gedachten worden dwingend als je ergens niet aan wilt denken. Dus raakte ik gefixeerd op mijn tong. Ik voorzag het verlies van een stukje tong, er zou bloed zijn, veel bloed en lallend spreken. Die croissant die ik mezelf na afloop had beloofd, kon ik wel vergeten. Kom, hield ik mezelf voor, denk aan iets anders (adem in adem uit). En daar kwam Elizabeth Jane Howard in mijn hoofd. Haar romandebuut, Een heerlijke tijd (1950), lag thuis op de keukentafel. Haar naam resoneerde als een mantra in mijn hoofd: Elizabeth Jane Howard, Elizabeth Jane…

    Ze was de stiefmoeder van de onlangs overleden schrijver Martin Amis. Hij was een puber toen Howard in 1962 zijn vader leerde kennen. Zij zette hem aan tot het lezen van Pride and Prejudice van Jane Austen. Kom maar eens om zo’n stiefmoeder. Amis liet graag weten dat hij zijn schrijverschap aan haar te danken had. Terwijl de mondhygiënist met zachte druk tegen mijn kaak mijn hoofd naar links dwingt, denk ik aan de zestienjarige naamloze verteller in Een heerlijke tijd, voor tien dagen uit logeren bij een onbekende familie. Hoe de vertelstem een goed verteller verraadt. Aan het einde van het boek is de naamloze verteller schrijfster, dat is wat ze (net als Howard zelf) voor alles wilde zijn. 

    De naamloze verteller blijft naamloos, zelfs als het moment daar is om zichzelf aan een ander personage voor te stellen, krijgt de lezer haar naam niet te horen: ‘“Ik heet Lucy,” zei ze. “Hoe heet jij?” Dat vertelde ik haar.’ Deze roman bestaat uit eenenveertig hoofdstukken die, nu ik er bij stilsta, als korte verhalen gelezen kunnen worden. De beginzin van elk hoofdstuk luidt een nieuw, perfect verhaal in. De eerste zin van de proloog luidt: ‘Ik werd wakker doordat de pels waarin ik was gewikkeld van mijn voeten was gegleden, die koud waren.’ Hoofdstukken beginnen met: ‘Dat was het begin van de fijnste kerst die ik me kan herinneren.’ En: ‘De volgende ochtend behandelde mijn vader me alsof er de vorige avond niets was gebeurd, en ik was hem dankbaar.’ Of: ‘De dag voor mijn vertrek wilde mijn moeder beslist dat ik minstens één nieuw kledingstuk kocht.’

    Howard vroeg in 1982 haar inmiddels ex-stiefzoon om raad. Of haar volgende boek een eigentijdse versie van Sense and Sensibility moest zijn, of een trilogie over een familie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Amis zei dat ze het tweede idee moest uitvoeren. Dat werd de vijfdelige romanreeks De Cazalets, een geweldige familiesaga. Het heeft iets moois, deze stiefzoon en stiefmoeder die op het literaire vlak elkaars gelijken waren.
    V
    oor ik het wist was de mondhygiënist bij het prettigste onderdeel van de behandeling gekomen; het polijsten der gehavende tanden, het voelde als een pleister.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Trauma

    We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven

    Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. 

    Na het proosten op de biografie zei Jos: ‘Eerst dacht ik, die theaterzaal krijg ik met geen mogelijkheid vol. En toen werd ik bang dat er misschien te veel mensen zouden komen, dat er mensen bij de deur geweigerd zouden worden vanwege de brandveiligheid. Ik sliep er nachten slecht van.’ De stress van boekpresentatie en controle behouden, ik grinnikte uit herkenning. Natuurlijk verliep de boekpresentatie voorspoedig. Er was prachtige muziek, er was een indringende presentatie van Judith Belinfante, Jos sprak de weduwe Keilson en na afloop waren er volop drankjes. Kortom: mooi programma, goed georganiseerd en uiteraard stond niemand voor een gesloten deur. Het enige dat ontbrak waren boeken. Een foutje van de boekhandel die in plaats van een paar honderd boeken, slechts een doosje met dertig exemplaren had geleverd, en dan ook nog zonder jongste bediende met pinautomaat. Excuses volgden, dat wel.

    Onder het eten vroeg ik Jos naar het proefschrift dat Keilson op late leeftijd schreef; het is één van de meest interessante hoofdstukken van de biografie. Keilson onderzocht wat er was geworden van Joodse weeskinderen aan de hand van het concept ‘sequentiële traumatisering’. Voor Joodse kinderen onderscheidde hij drie fasen. De eerste: de bezetting van Nederland, de eerste maatregelen. De tweede fase is die van daadwerkelijke vervolging, deportatie van ouders, scheiding door onderduik. De laatste fase is de naoorlogse periode, waarin de mate van veiligheid bepalend is voor het doorbreken van ‘de keten der traumatiserende elementen’. Trauma is in het leven niet te ontlopen, maar hoe je door je omgeving wordt opgevangen, bepaalt hoe het trauma in je verhardt of verzacht.

    Veelbetekenend: ‘Niet iedereen heeft door dat de oorlog voor veel mensen pas na 1945 goed is begonnen’ aldus Keilson. Deze pagina’s uit de biografie zou iedereen moeten bestuderen en onthouden. Of het om oorlog gaat of om de zogenaamde afwikkeling van ‘Groningen’, de ‘Toeslagen’,  Long Covid, of het gaat om kleiner, bijna alledaags leed zoals geen boeken op de presentatie: wees oplettend en weet wat het voor een ieder betekent als compassie ontbreekt.

     

     

    Biografie Hans Keilson, Telkens een nieuw leven / Jos Versteegen / 544 blz. / uitgeverij Nieuw Amsterdam


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Gewoon een heel goed boek

    Op sommige schrijvers wacht je trouw als de denkbeeldige hond die voor de supermarkt aan een denkbeeldige lantaarnpaal vastzit. Soms tref je de schrijver bij een kringloopwinkel tussen de boeken. Je denkt: Hé, kijk nou, daar staat Hiske Dibbets. Je pakt haar eruit en leest haar verhalen met hun bevreemdende, hilarische werking. Waar je van houdt. Haar verhalenbundel en romans hebben een ‘no nonsense’ toon, ik vermaakte me er kostelijk mee. Nog niet zo lang geleden kwam ik haar tegen in Dagboek 1978 – 1982 van Mensje van Keulen, die eind jaren zeventig voor een etentje bij kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw was. ‘zijn dochtertje, (…) Een lief meisje met een tandbeugel’. 

    Nu is er nieuw werk van Hiske Dibbets verschenen, Niet niks, en gaat over het jaar nadat haar op 1 oktober 2020 de dood werd aangezegd (niks Ispahaan, gewoon vanachter het bureau door een oncoloog), met de diagnose ongeneeslijke endeldarmkanker. Met dertig jaar minder dan haar levensverwachting zou kunnen zijn, treedt er een fase van rouw in om de dingen die niet meer zullen komen. Ze schrijft over haar leven en liefde voor haar man en dochter, vriendschappen die zich verdiepen. Ze vraagt de man, waarmee ze al meer dan dertig jaar samenwoont, met haar te trouwen. Zij die nooit wilde trouwen, besluit anders. Er had zich in het afgelopen halfjaar vanaf de diagnose, ‘een omkering van waarden voltrokken’ schrijft ze. Ze besloot dat ze twee levens had: een speelde zich af in het ziekenhuis, het andere in de werkelijkheid. ‘Dat die levens zich in twee tegengestelde richtingen ontwikkelden, zei iets over de surrealistische situatie waarin ik zat.’

    Ze herinnert zich haar tijd (1991) in Moskou, schrijvend voor Moskow Magazine van Derk Sauer. In datzelfde jaar leerde ze haar man kennen, die voor een maand naar Moskou komt, ze raakt zwanger van haar dochter, (‘made in Russia’) en keert terug naar Nederland. Daar begint ze verhalen te schrijven. Ze herinnert zich het plezier van het schrijven, hoe de verhalen zich ‘loswrikten’ uit haar verbeelding: ‘Op het moment zelf gebeurde er iets magisch: het verhaal ontstond vanzelf, de ene associatie riep de andere op.’ Haar debuut, Droomkeuken, wordt uitgegeven door Mai Spijkers. Later werkt ze er als lector, manuscripten doorspitten op literaire kwaliteiten. Dat de titel van haar debuut serieus bedoeld was, ze droomde van vervanging van haar jaren vijftig Bruynzeel keukentje. 

    Na haar derde boek stopt ze met schrijven, denkt het later weer op te pakken. Nu er geen ‘later’ meer is, ontstond het idee te gaan schrijven over haar beperkte leef-tijd, over ‘Een jaar met de dood op mijn hielen’. Voorbij de helft van het boek, schrijft ze dat ze kans ziet nog een boek te schrijven, over haar ziekte. Maar het zou niet alleen over kanker gaan; ‘het was ook een getuigenis van een tijd waarin herinneringen zich opdrongen en opstapelden.’ Die opeenstapeling ziet ze als een afdruk van haar leven, ‘zoals een fossiel in een steenlaag’. Dat wil ze vastleggen, ‘omdat een mens uiteindelijk niet veel meer is dan zijn herinneringen’. In het zoeken naar een beeld om de situatie waarin ze zich bevond te vangen, herinnert ze zich een logeerpartij bij een vriendinnetje. Ze noteert: ‘ Zazies kamer was behangen met aluminiumfolie. Vlak boven het logeerbed zat er een gat in. Als klein meisje verdween ik daarin tijdens een nachtmerrie en kon daarna de weg terug niet meer vinden.’ Het boek opent met dit beeld. 

    Anekdotes over een manuscript waarin de vrouw aan kanker lijdt en de man het nachtleven induikt. Een auteur die zichzelf voorstelt als: ‘reclamemaker met veel invloedrijke vrienden in de grachtengordel’. Ze vond het ridicuul, vroeg zich af welk punt de schrijver wilde maken, ‘ga vreemd terwijl je vrouw op sterven ligt?’ Het wordt hilarisch als ze schrijft: ‘Ik vermoedde dat het verhaal autobiografisch was en dat de schrijver een persoonlijkheidsstoornis had. Zijn naam was ook al zo irritant: Kluun. Afgewezen.’ Het boek verschijnt, (zoals bekend), bij een andere uitgeverij, wordt een verkoophit. Maar haar waarde oordeel wordt op het moment van lezen geëerd.
    Dan over een schilderij waarop medewerkers van de uitgeverij staan afgebeeld. Dat er af en toe mensen op geheimzinnige wijze van het doek verdwenen. ‘Mai Spijkers gaf [de schilder] weleens de opdracht iemand weg te schilderen, meestal vlak voordat degene werd ontslagen.’ Het werd ‘het stalinistische spookschilderij’ genoemd. 

    Dit boek leest als het in kaart brengen van een leven dat nog niet voorbij is maar ook niet meer vooruit geleefd kan worden. Ondanks de fijne verhalen, de anekdotes, de kracht die eruit spreekt het leven zo gewoon mogelijk te nemen, is er iets dat je terughoudt. Memoires meanderend door de bittere werkelijkheid van uitbehandeld zijn, langs ongemakkelijke gesprekken met artsen, het conflict met haar vader. En dan het gevoel, ‘Wacht, dit gaat over iemand die veel te vroeg gaat sterven, mag ik hier wel van genieten?’ Maar jemig, uit dit alles ontstijgt gewoon een heel goed boek.

     

     

    Niet Niks, Een jaar met de dood op mijn hielen / Hiske Dibbets / 231 blz. / uitgeverij Balans


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Met pensioen

    Deze maand ontvang ik voor de eerste keer AOW. Voor andere mijlpalen zoals afstuderen, huwelijk en geboorte van de kinderen moest ik nog inspanningen leveren, maar dit wordt me zomaar in de schoot gevlijd. Of mijn levenswandel nu onberispelijk is geweest of dat ik duistere paden betreden heb, het maakt niet uit. Voor AOW hoef je niets te doen, alleen maar officieel bejaard te worden. Nu het dan zo ver is, roept dat toch wel vragen op: wat vul ik in bij enquêtes als er naar mijn beroep gevraagd wordt? Nog steeds docent Nederlands, of moet ik er nu ‘voorheen’, ‘vroeger’ of ‘voormalig’ voor zetten? Of vul ik ‘huisvrouw’ in, of ‘gepensioneerd’ of zelfs ‘pensionado’, zoals ik tot mijn afgrijzen wel eens tegenkom? 

    Onzin, zeggen de kinderen. Jij blijft je hele leven lerares Nederlands. Je hebt je kennis en je liefde voor alles wat met taal te maken heeft toch niet tegelijk met de sleutels van je leslokaal ingeleverd? Je houdt toch ook niet op met moeder zijn omdat de kinderen de deur uit zijn? Je hoeft alleen niet meer ruimtevullend te spreken, alsjeblieft, je staat niet meer voor de klas waar je in elke hoek verstaanbaar moet zijn. En als we vragen of je even wilt nakijken of we iets correct geschreven hebben, dan graag het korte antwoord, mam, en niet de hele grammaticale uitleg. Wat dat betreft verandert er dus niets. ‘De aarde is niet uit haar baan gedreven’, zoals Willem Elsschot dichtte. De wereld zal er morgen weer hetzelfde uitzien, zoals ze altijd doet, ondanks alle gebeurtenissen die haar doen schokken. Plotseling tot een andere leeftijdscategorie gerekend worden valt daar niet onder, gelukkig maar. 

    Een andere vraag is of ikzelf nu veranderd ben? Ik besef dat ik inderdaad tot de bejaarden ben gaan behoren. Niet in één keer, denk ik, maar toch: ik kan zo voor de vuist weg de beginregels van klassiekers uit de wereldliteratuur citeren, maar ik ben vergeten waar ik mijn bril heb neergelegd. Gisteren heb ik urenlang gezocht naar de afstandsbediening, omdat ik zonder dat ding de radio niet kan uitzetten of van zender veranderen; we hebben daarom de hele avond verplicht naar muziek moeten luisteren, en ik haat opera. Oud worden zal langzaamaan een ruïne maken van de vaste burcht die ik ben. Op een dag zullen er vier ruiters, zwijgend op hun paard gezeten, staan wachten aan de overkant van de slotgracht. Ze zullen me gebieden om de ophaalbrug neer te laten en me over te geven, maar nu nog niet, nog niet. Ik ben nog steeds de koningin van het kasteel. 

    ‘Een goed najaar’

     De vruchten zijn verkocht.
     De boeren betalen de pacht aan de Heren.
     De vliegen vallen dood op tafel.

     Het regent gulzig en de bieten glanzen.
     De akkers verteren hun moederkoek
     en stijf in de wolken nadert de winter.
     Morgen koop ik zeven kannen olie
     en een nieuwe bril om in het boek te lezen.
     Deze winter ga ik nog niet dood.


     uit: Gedichten 1954-1968 / Paul Snoek


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Melkkroes

    De man had geen enkele wens beroemd te worden. Hij is geen man die met de eer gaat strijken, wel zijn overhemden, tafelkleden, kussenslopen, zakdoeken. Bij het uitdelen van complimenten stapt hij opzij als het zijn beurt is. Toch dacht hij, na het interview over gemeentelijke bouwplannen op de plek van het zogenoemde voedselbos waar iets tegen gedaan moest worden als in een overeenkomst die het voortbestaan van de tuin veilig stelde, dat zijn uitspraken vetgedrukt, tussen aanhalingstekens in de krant zouden staan. Maar nee, kwam de man die de krant gehaald had, net vertellen, er is niets van overgebleven, wel een goed stuk, maar voor mij zit er geen Nobelprijs voor geweldige uitspraken in. Ieder mens wil gehoord, gezien worden. Je hoeft er maar een stukje over te schrijven of het raakt aan het kind op een bankje in het plantsoen dat dacht, Als ik nu ‘Spiegelbeeld’ van Willeke Alberti zing, dan word ik ontdekt.

    Nu droom je in ambities, reproduceert prachtige zinnen, belangrijke, citeerbare frases die je beslist moet opschrijven. Op een nacht niet lang geleden, schreef je zomaar een boek, het was precies zoals het zijn moest. Prachtige dialogen, intense somberheid, toch verlichtend. Het toonde de uitkomst van de dingen des levens waaruit alles ontstaan is, (God, de aarde, liefde, de mens), en waartoe dat geleid heeft, op volstrekt nieuwe wijze. Door een wrange speling van het lot lag er op dat moment geen schrijfgerei naast het bed. In een oude editie van Hollands Diep (2007) schreef Connie Palmen, ‘De roman is af, ik kan beginnen.’ Later schreef je in je slaap het essay waarmee je een grote prijs zou winnen, waarna een uitgever zou bellen, zou vragen of er een boek in je zat. ‘Ja ja’, zou je zeggen, ‘als een meer dan voldragen zwangerschap’. Het kind is af, alleen het persen, dat lukt niet zo.

    Ondertussen lees je opnieuw Natalia Ginzburg, opnieuw verwondering. Haar verhalen waarin thema’s als verraad, fascisme en de onverzettelijke rol van vrouwen in dit alles steeds terugkomen. Je leest over Italiaanse families. Over Nebbia, door fascisten gemarteld en vermoord. Ginzburg’s man, vader van haar kinderen, werd in de oorlog door fascisten vreselijk gemarteld en vermoord.

    ‘In een doos bewaart ze [personage Gemmina, ooit verliefd op Nebbia] nog een melkkroes, die helemaal is ingedeukt. De kroes waaruit zij en Nebbia samen hebben gedronken, de nacht van de sneeuwstorm.’ In persoonlijke stukken schrijft ze over de sporen die oorlog nalaten. ‘Ik heb altijd het gevoel dat we op een goede dag weer ‘s nachts moeten opstaan en vluchten en alles, rustige kamers en brieven en herinneringen en kleding, achter moeten laten.’
    En over schrijven, ‘Als ik iets schrijf, denk ik meestal dat het heel belangrijk is en dat ik een heel groot schrijver ben. Ik denk dat iedereen dat wel heeft. Maar ergens vanbinnen weet ik altijd goed wat ik ben: een kleine, kleine schrijver. Ik zweer dat ik dat weet. Maar het maakt me niet zo uit.’

    Je zou willen schrijven als Natalia Ginzburg, droevig en prachtig. Je houdt van droevige en prachtige dingen, van ingedeukte melkkroezen.

     

     

    Uit: De stemmen in de avond / Natalia Ginzburg / vert. J.H. KlinkertPötters Vos/ Meulenhoff  (1989)
      De kleine deugden / Natalia Ginzburg / vert. Jan van der Haar / Nijgh & Van Ditmar (2020)


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, een lezer.

  • Omwegen (slot): In het begin is de belediging

    ‘In het begin is de belediging’. Het is de openingszin van Réflexions sur la question gay van Didier Eribon, en in Het vonnis van de samenleving verwijst hij er weer naar als hij het over homoseksualiteit heeft. Dat is één van de vonnissen die, ‘aan ons vooraf zijn gegaan en ons omhullen, ons vergezellen, over ons oordelen, ons zonder nadere uitleg veroordelen. Het is het vonnis van de samenleving’. Slachtofferschap past mij niet zo, klagen evenmin, maar beledigd worden met een verwijzing naar homoseksualiteit of ‘vrouwelijk’ gedrag, ken ik. Die belediging heeft vele gezichten, dat maakt het ook lastig om je vinger er op te leggen. Kijk, de vrouw die tegen mij zei: ‘God heeft Adam en Eva geschapen, niet Adam en Adam’, toonde zich openlijk vijandig, maar dat gebeurt zelden. Vaker wordt er gemanoeuvreerd in een grijs gebied. In de lijn van Eribon: op dit vlak is er geen onschuld, je voelt wanneer macht een rol in het gesprek speelt, wanneer de ander je kleiner probeert te maken, machtsongelijkheid creëert. 

    Enkele maanden geleden sprak ik een grijze man die mijn roman Augustus had gelezen. Eigenlijk verliep de belediging in drie stappen, ik vrees dat hij het zelf niet eens doorhad. Eerste zin: Ik heb het boek cadeau gekregen. Zin twee: Ik zou uit mezelf niet snel zo’n boek lezen. Zin drie: Weet je dat er een fout in staat? De eerste twee zinnen zijn heel subtiel. Bedoelt hij dat hij nooit uit zichzelf een boek over de liefde tussen twee jongemannen zou kopen of lezen? Hij las verder wel romans, dus een legitieme reden als ik lees uitsluitend non-fictie, ging niet op. Zou hij zoiets kunnen zeggen over een roman rond een heteroliefde? Zo’n boek. Natuurlijk trok hij een welwillend gezicht toen hij zin twee uitsprak, want hij bedoelde het niet verkeerd en hij zag zichzelf vast als ruimdenkend. Dan de derde zin.
    Hij leest dus een boek dat hij anders nooit zou lezen en verdomd hij ontdekt er nog een fout in ook! Augustus speelt zich af in 1988. Hij zei: Toen bestonden er geen briefjes van vijftig, die kwamen er pas met de invoering van de euro. Triomfantelijke glimlach, mijn moment van capitulatie afwachtend. Zwijgend pakte ik mijn IPhone en toonde hem een plaatje van de Zonnebloem, het bankbiljet van 50 gulden, dat er sinds 1982 al was. 

    Beledigingen tegen minderheden zijn er in soorten en maten. In Augustus heb ik het gethematiseerd rondom homoseksualiteit. Er zijn openlijke beledigingen, er zijn verborgen beledigingen, en het interessante is: ze bestonden al voordat ze door de dader werden uitgesproken, ze waren er al voordat de dader was geboren, ze zijn als het DNA van een samenleving, eeuwenoud, om telkens weer machtsverhoudingen te bevestigen. De hetero collega die tegen twee homoseksuele collega’s zegt: ‘Dames, wat willen jullie drinken?’ De bazige trainer die ‘jongen’ zegt, allemaal zogenaamd goed bedoeld, tot ze door heeft dat omkering, noem de trainer ‘meisje’, toch een beetje gek is. Ze voeren vonnissen uit die bestonden voor zijzelf bestonden – zonder dat ze enig idee hebben dat hun rol die van executeur is.  

    En wat is dit boek daarbij helpend, emanciperend, bewustmakend! Toch, ondanks alle bewijslast: ik wil me niet onderwerpen aan dit vonnis. Dat maakt het werk van Didier Eribon, hoe paradoxaal ook, van levensbelang. 

     

    Hier vindt u: Omwegen 1, Omwegen 2, Omwegen 3.


     

    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

  • Meisje in mijn hoofd

    Ik las een kleine roman over de moord op een bedoeïenmeisje in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten. In mei 1948 riep toenmalig premier David Ben-Gurion de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop vielen omliggende Arabische landen Israël binnen. Israël hield, met zijn net opgerichte leger, stand. In de zomer van 1949 werd de wapenstilstand getekend, de onrust bleef. Op dat moment in de geschiedenis begint Een klein detail van de Palestijnse schrijfster Adania Shibli.
    Op
     9 augustus 1949 slaan Israëlische soldaten hun kampement op in de Negev-woestijn. Vandaaruit wordt dagelijks gepatrouilleerd langs de zuidelijke grenslijn met Egypte. Honden janken in de nacht, soms brullen er kamelen, maar nooit treffen ze iemand. ‘het enige wat het gebied prijsgaf, waren zandstormen en stofwolken, die er enkel op uit leken te zijn hen te achtervolgen en te kwellen. (…) Maar soms zag hij hun tengere, zwarte gedaanten tussen de heuvels heen en weer dansen, maar zodra de jeep ronkend en sputterend in de buurt kwam, waren ze spoorloos verdwenen.’ 

    De ‘hij’ is de legercommandant, een gedisciplineerd man die zijn manschappen op het hart drukt goed voor hun kleding te zorgen, ‘zichzelf elke ochtend te scheren en zich goed te wassen’. In de eerste nacht wordt hij gebeten door een beest dat kriebelend over zijn been bewoog. Hij slaat het van zich af, op zijn dijbeen zitten twee kleine rode puntjes. Het is onduidelijk waardoor hij gebeten is. Ik vermoed een spin, een zwarte weduwe. Die beet is een klein detail.

    Er is geen verhaal over het meisje, of niemand kent haar verhaal, ook de schrijfster niet. Enkel dat ze tijdens een patrouille, waarbij haar Arabische groepsgenoten en hun kamelen werden neergeschoten, gevangen werd genomen. Soms schreeuwt ze van angst, omdat ze is lastiggevallen door soldaten. De legercommandant intrigeert me. Zijn idee was het meisje naar het hoofdkantoor van de legerleiding brengen. Of als ze een Arabische nederzetting tegenkwamen, haar daar achter te laten. Ik dacht niet dat hij het in zich had het meisje kwaad te doen. Is het door het gif van de spin? Hij heeft last van verkrampingen in armen en benen, hartkloppingen, hoofdpijnen. Hij verbood zijn soldaten het meisje lastig te vallen. In de nacht van 12 op 13 augustus gebeurt er iets waardoor hij de volgende ochtend besluit het meisje te laten doden. Dit eerste deel leest als het kijken naar een stomme film.

    In het tweede gedeelte (elk deel beslaat drieënzestig pagina’s) is een Palestijnse vrouw in de stad Ramallah aan het woord in een groot monologue interieur. Op een ochtend leest ze in een krantenartikel, geschreven door een Israëlische journalist, over het vermoorde bedoeïenmeisje op 13 augustus 1949. Wat haar treft, is de datum waarop het incident plaatsvond. Het meisje werd na te zijn verkracht, vermoord op de ochtend waarop zij, exact een kwart eeuw later, in 1974 werd geboren. Het incident vindt ze niet bijzonder. ‘Als je kijkt naar wat er dagelijks gebeurt op plekken als deze, die met veel kabaal door anderen worden bezet en waar de dood altijd aanwezig is. (…) Zelfs verkrachtingen vinden niet alleen plaats in oorlogen, maar ook in het dagelijkse leven. Moord, verkrachting, en soms beide tegelijk.’

    De dag waarop het gebeurde, linkt haar aan die gebeurtenis, waardoor ze het verhaal van het meisje wil leren kennen. ‘Misschien is dit kleine detail wel van doorslaggevend belang als we de volledige waarheid willen achterhalen, want door het verhaal van het meisje achterwege te laten, legt het artikel niet de volledige waarheid bloot.’ Ze belt met de Israëlische journalist, reist door Israelisch gebied, waarbij ze constant pasjes moet tonen om grenzen te passeren. Zeer voelbaar is de beklemming om ergens te zijn waar je niet gewenst bent. Als Adania Shibli iets wilde benadrukken dan is het misschien wel dat zo niet God, dan wel de mens in al zijn daden ondoorgrondelijk is.

    Het is een paar dagen geleden dat ik het boek uit las, maar gisteravond, tijdens de twee minuten stilte, kroop het meisje in mijn hoofd. Wat ik ook probeerde, als legde iemand mij op dat ik anderen moest herdenken, ik zag haar in de Negev-woestijn, het gebied dat sinds mensenheugenis werd bewoond door bedoeïen, dat zij geen weet had van een onafhankelijkheidsverklaring. 

     

     

    Een klein detail / Adania Shibli / vertaling Djûke Poppinga / uitg. Koppernik


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en leest.

     

     

  • Van gevangenschap naar fastfoodrestaurant

    In een reeks van zes maandelijkse columns schrijft Irwan Droog als redacteur, persklaarmaker en corrector over binnenkort te verschijnen boeken waaraan hij meewerkte en die hij graag onder de aandacht van de lezer wil brengen. Disclaimer: de selectie van die boeken is geheel op persoonlijke titel. Als onafhankelijke, externe partij heeft hij geen enkel belang of profijt bij de verkoop van deze boeken. 


     

    De roman, van Abdelrahman Munif, heet Ten oosten van de Middellandse Zee, een plaatsaanduiding die slaat op het niet-nader genoemde land waar het verhaal zich afspeelt. Hoofdpersoon: Radjab Isma’iel, een politieke gevangene die jarenlange martelingen heeft moeten ondergaan. Wat hem op de been hield was de standvastigheid van zijn moeder, die hem nu en dan mocht bezoeken en hem altijd inspireerde vol te houden: niet zwichten, vooral niet je handtekening onder een of andere bekentenis plaatsen, want dan verlies je pas écht. Wanneer zij komt te overlijden, breekt hij dan toch: hij tekent het vel papier, mag de gevangenis verlaten, mag zelfs medische hulp zoeken in het buitenland, maar hij wordt wel geacht verslag te doen over de activiteiten van zijn vrienden. 

    De beklemming en gruwelen uit de gevangenisscènes doen denken aan het eerder bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen De schelp, van Mustafa Khalifa, en zouden niet misstaan in het imposante verzamelwerk De Syrische Goelag van Ugur Ümit Üngör en Jaber Baker (Boom uitgevers). Maar bovenal aangrijpend in Ten oosten van de Middellandse Zee is de invoelbare worsteling van Radjab. Natuurlijk kan hij het niet over zijn hart verkrijgen zijn vrienden te verraden; hij heeft zijn vrijheid terug, maar liever terug de cel in dan iemand in zijn omgeving te verlinken. Tegelijkertijd hééft hij al verraad gepleegd: door die bekentenis te tekenen. Dat zal niemand hem in dank afnemen, zeker zijn voormalige celgenoten niet, voor wie hij de laatste uren in de cel angstvallig verborgen hield dat hij elk moment vrijgelaten zou worden, bang dat ze hem niet levend zouden laten gaan. 

    Daarbovenop draagt hij de fysieke sporen van jarenlange opsluiting en is het maar de vraag hoelang hij gezond en wel in leven zal blijven. Er zit maar één ding op: opschrijven wat hij weet, wat hij heeft ervaren, wat hij de wereld wil vertellen over zijn land van afkomst. Abdelrahman Munif heeft een prachtige balans gevonden tussen roman en noodkreet.

    Het is wonderlijk werk, persklaarmaken en corrigeren. Op de dag dat je het ene manuscript inlevert en aan het volgende begint, schakelt je hele binnenwereld mee om naar het volgende boek. Dat contrast kan soms bijna niet groter: van bovengenoemde gevangenissen en martelingen naar kinderboeken vol wetenswaardigheden over haaien, het paargedrag van allerlei soorten dieren of naar koning Arthur. Of van leerzame, eerder amper ontsloten historische verhalen – zoals over de zoektocht naar Kaási, die het verzet van de marrons in Suriname tegen de plantagehouders leidde in de zeventiende eeuw – naar een roman die zich geheel en al afspeelt in een Frans fastfoodrestaurant. Het vergt een beetje een flexibele geest, maar daartegenover staat dat ik vrijwel wekelijks wordt verrast door de mooiste verhalen. 

    Die roman over dat fastfoodrestaurant is geen omvangrijk boek. Het is ook geen groots verhaal: de plaats van handeling is, vrij consequent, het restaurant. Soms kijken we mee in de keuken, soms achter de kassa, soms in ‘de zaal’, waar de klanten hun burgers zitten te eten. Via de hoofdpersoon, een jonge vrouw die er werkt, krijgen we desalniettemin een veel bredere kijk op niet alleen haar leven, maar op dat van haar familie, en hoe die is ingebed in sociale en andere structuren. Werken voor de kost, de debuutroman van Claire Baglin, weet zo van de meest zielloze plek – waren fastfoodrestaurants niet zo ontworpen dat mensen er zo kort mogelijk bleven zitten? – een microkosmosje te maken, waarin we lezen over haar plek in haar gezin en in de maatschappij. Het is een puntgave, speelse, nuchtere roman – en een fijne aansporing om gezonder te gaan eten.

     

     


    Irwan Droog (Den Haag, 1984) is auteur, redacteur en vertaler. In 2022 verscheen zijn debuut Het huis aan het einde bij Thomas Rap. 

     

     

     

  • Guillermo ♡ Margarita

    De Spaanse regisseur (van Ierse komaf) Manuel Summers (1935-1993) heeft buiten Spanje niet veel naam gemaakt. Of dat terecht is of niet, weet ik niet. Maar met zijn debuut Del rosa al amarillo (From Pink to Yellow), uit 1963, over een jeugdliefde en een liefde op hoge leeftijd, schoot hij een voltreffer.

    Er kan geen twijfel over bestaan. Het staat in zijn schoolbankje gekrast, in de bast van een boom en getekend op zijn arm en op zijn schoolboek: Guillermo Margarita. De hele klas weet het. En Margarita houdt ook van Guillermo. In de straten van Madrid beleven ze hun prille liefde. Voornamelijk op afstand, met berichtjes over en weer via een vriendinnetje. Want Margarita is nog maar 13 en haar ouders vinden haar te jong om met jongens om te gaan. Ook al is de jongen in kwestie dan twaalf.
    Dan breekt de zomervakantie aan. Ze zullen elkaar twee maanden niet zien. Een thuis stiekem gepikt armbandje dient als souvenir. Hij stuurt haar brieven met geleende dichtregels van Ruben Dario en fantaseert scènes waarin ze samen zijn. Zij stuurt hem een foto van de groep jongens en meisjes waarmee ze zich vermaakt. Een van de jongens is erg leuk, schrijft ze. Hij doet haar aan Guillermo denken. Deze jongen heet German… en hij is achttien.
    Als de zomer eindelijk voorbij is, is Margarita niet twee maanden ouder geworden maar twee jaar! Ze houdt nu van German. Guillermo krijgt het armbandje terug, niet van Margarita zelf maar via het vriendinnetje.

    Nooit heb ik puurder, intenser en verslagener een gebroken hart in een film gezien dan dat van de arme Guillermo in Del rosa al amarillo. Summers bracht het als een volbloed Spaanse neef van Theo Thijssen subtiel en met precisie en tederheid in beeld in een beeldschoon tweeluik.
    Daarvan handelt het tweede, kortere verhaal, over de geheime liefde tussen Valentín en Josefa, twee bewoners van een bejaardentehuis voor de armen in Toledo, die enkel door middel van stiekeme liefdesbrieven contact met elkaar kunnen hebben, omdat mannen en vrouwen er gescheiden wonen. Een heerlijke film.
    Del rosa al amarillo moest een drieluik worden, maar het middelste verhaal (La niña de luto) was te lang en werd daarom een jaar later gedraaid als zelfstandige, tweede film. De film is helaas nergens te zien en ook niet beschikbaar op dvd, althans niet met Engelse ondertitels. Misschien eens een mailtje sturen naar Istituto Cervantes.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), en schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

  • Ga je mee?

    Na de keelpijn kwam de hoofdpijn en de koorts, ik sliep vierentwintig uur achter elkaar. Waarna ik wakker werd, aan niets dacht, verder sliep. Op de derde dag was de koorts weg. Er werd me sinaasappelsap gebracht, en zie, het was de dag van het boekenprogramma dat de ‘liefde voor lezen wil uitdragen’, (hee, je wilde hier niet over schrijven, toch? Nee, dat wilde ik niet, maar ik moet steeds aan die schrijvers denken voor wie het zo spannend is dat het een geweldige opluchting is als hun boek door de opgetrommelde BN’ers die de tweekoppige leesclub vormen, geprezen worden). Goed, er zijn zeven rubrieken (gedicht voorlezen, kennismaking schrijver, verzamelaar, politicus, dichter, onbekende schrijver en leesclub (vergeet de muziek even). Elke rubriek kent een enigszins vast stramien van vraag en antwoord, alles in amper veertig minuten.

    De presentator speelt de hoofdrol. Hij opent buiten met een gedicht uit een bundel uit het ruilboekenkastje, (of een raadselachtig schriftje), waarna hij naar binnengaat waar de schrijver aan de bar zit. De schrijver wordt verwelkomt als, ‘interessantste auteur van haar generatie’, of ‘beste debutant van het jaar’. Er is een kort gesprek over het boek en de auteur. De presentator rondt af met, ‘Wat hebben we dit [gesprek] in een mooie manier van een stenenverzameling naar een ja, [ja, naar wat?] mooi neergezet!’ De schrijver knikt, lacht, begint iets te zeggen,maar de presentator moet door. ‘Zullen we naar buiten gaan? Ga je mee?’ waarop de schrijver van het moment, ‘Ja, leuk’, of ‘Superleuk’ zegt. 

    Buiten staat de kraam van een boekenverzamelaar van voetbalboeken. Er worden boeken aangewezen, geluisterd naar de verhalen van de verzamelaar. Dan gaan ze weer terug naar binnen terwijl de schrijver zegt, ‘Ik weet niks van voetballen.’ En de presentator, ‘Weet je niks van voetballen?’. Binnen (vergeet de muziek even) leidt de presentator, zoals elke week, het volgende item in, ‘Elke week ontvangen we een politicus uit Den Haag die… En de politicus leest voor. Tv-kijkers kunnen meelezen via een uitvergrote pagina die tussen de stoelen van presentator en politicus op de muur is geprojecteerd. Titel en auteursnaam eronder. De presentator vergat te kijken, of op de cover van het boekje waaruit de politicus voorlas. Hij moest dus wel vragen, ‘Waar was dit uit?’
    ‘Ja, euh’, (klinkt als ‘dud’) zegt de politicus, ‘De Fundamenten, van Ramsey Nasr.’ 

    Dan veert de presentator op. ‘Dit is misschien een ingewikkelde vraag. Ik zal ‘m rustig stellen, kun je goed over nadenken. Vind je dat boeken de maatschappij kunnen veranderen?’ De politicus, ‘Nou, dat vind ik helemaal geen ingewikkelde vraag. Nee. Absoluut.’
    ‘Op welke manier bijvoorbeeld’, krabbelt de presentator een beetje door. ‘Nou, op heel veel vlakken. ‘Euhm, als leermiddel, inspiratie…’ Waarna de presentator de politicus een vrije dag in de week gunt om literatuur te lezen.’ De politicus moet daar een beetje om lachten, ‘Ja, dat wil iedereen wel.’ De presentator stoot door en oppert een leesreces voor politici, ‘vind je niet?’. Politicus (schater)lacht. Presentator gaat af, naar de dichter aan de bar en vraagt, ‘Wat vind jij van een leesreces?’ Nou, dat vindt de dichter een ‘goed idee’. “En wat zou dat teweegbrengen?” Oh nee, dat vroeg hij niet.

    De rubriek voor mensen ‘die hun manuscript niet uitgegeven krijgen’, begint. De onbekende schrijver mag voorlezen. Presentator spoort aan, ‘Alle uitgevers in Nederland kijken mee! Doe uw best!’ Waarna het publiek er wat over mag zeggen. Maar het publiek was afgedwaald, zat met gedachten elders, of het ‘boeide niet’. Dit vroeg om een repliek, ‘Oh, bent u hier om weg te dommelen? wat boeide niet zo?’, maar bleef uit.

    Dan is het tijd voor de tweekoppige leesclub. Er worden bedachtzame en overweldigende dingen over het boek gezegd. De schrijver raakt los van zichzelf. Net op tijd zegt de presentator, ‘Ga je mee?’ Eenmaal buiten zegt de presentator. ‘Je straalt.’ Ja, de schrijver is geraakt door de tweekoppige leesclub die geraakt was door haar boek. Maar wacht, de presentator vergat iets, ‘Was je aan het begin zenuwachtig?’ De schrijver bekent dat het superspannend was. Dat het toch een soort jury was waar ze tegenover kwam te zitten. Ze hadden kunnen zeggen dat het boek… Ik wil roepen dat ze dat nooit zouden doen. Dat dit een programma van leuk, lief en aardig is. ‘Vrees niet’, wil ik roepen. ‘Ontspan die kaken.’ Maar mijn keel doet zeer, met moeite slik ik in dat er enig tegenwicht nodig is om een bespreking van enige betekenis te voorzien. Liefde voor literatuur zonder kritische noot neigt naar gemakzucht en is de dood in de pot voor een boekenclub.

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis of reist met het OV en leest.

  • Omwegen (3) – Niemandsland

    ‘De mensen van wie ik afstam gaven zelf geen bevelen: in plaats daarvan kregen ze voortdurend bevelen en adviezen van anderen, werden ze gecorrigeerd en gewaarschuwd door bazen, priesters, magistraten en officieren.’ Socioloog en filosoof Didier Eribon citeert hier in zijn recent vertaalde Het vonnis van de samenleving, instemmend, schrijver Paul Nizan. Hij gaat zelfs verder. Ben je geboren in een arbeidersmilieu dan beland je in een stadstopografie die bepaald is door de bourgeois en hogere klassen: ‘Hoe zou ik bijvoorbeeld diep in het familiegeheugen kunnen graven in de flats die nog maar net klaar waren toen wij er kwamen wonen, in de volkse nieuwbouwwijken die in de marge van de stad waren verrezen (…)?’
    Voor deze column zijn dit de cruciale citaten uit Het vonnis van de samenleving. Ze zijn exemplarisch voor Eribon als klassenmigrant. Hij schaamde zich meer voor zijn afkomst dan voor zijn homoseksualiteit. De schaamte dat zijn vader Honoré de Balzac niet kende terwijl zijn broer in een straat woonde die naar deze schrijver was vernoemd – ook weer in zo’n nieuwbouwwijk, stak dieper.

    Bij R. en mij is het een gevleugeld gezegde als op televisie weer iemand oreert: ‘Die is niet van “Over het spoor”.’ We zijn allebei klassenmigrant. Hij met een doctorstitel, ik met twee doctoraaldiploma’s. Hij uit Zeeuws-Vlaanderen, ik uit Hilversum, van Over het spoor. We hebben allebei het idee dat juist onze homoseksualiteit, gekruid met een beetje intelligentie, een motor is geweest om een ander leven op te bouwen. Ik groeide op onder de rook van een tapijtfabriek, een slachthuis op loopafstand (ik ruik gemakkelijk weer het bloed van gedode koeien en varkens), in een woonwijk waar de meeste huizen waren gebouwd naar een ontwerp van architect Dudok, die daar uiteraard niet zelf ging wonen. De Dudokwoningen hadden bij mijn ouders een slechte naam.  Je kon je kont er niet in keren, en die ellendige kleine raampjes zorgden ervoor dat het overdag donker bleef in huis. Je kon het slechter treffen: bij ons om de hoek, dicht tegen de spoorbaan, stonden houten woninkjes waar nóg armere mensen woonden. Die zaten ‘s zomers zuipend bij elkaar in de voortuin. Wij niet. In de voortuin zitten was iets voor asocialen.

    Met terugwerkende kracht: als kind zag ik helderder het onderscheid dat gemaakt werd binnen een arbeidersmilieu, dan dat ik de onderlinge verschillen zag die in andere klassen bestonden – aan de andere kant van het spoor. Ondanks de verschillen deelden de mensen uit de buurt waar ik opgroeide één lot: ze kregen bevelen en zelden complimenten. En ze zouden uiteindelijk naamloos opgeslokt worden in de tijd. Het waren dan ook woorden van onmacht die in de walm van sigaren en sigaretten op verjaardagsfeestjes werden uitgesproken en waar ik als kind met een wild kloppend hart naar luisterde. Ik zou het anders doen.
    Alsof ik iets goed moest maken, namens voorbije generaties. Over hen schreef ik in mijn bundel Het eindigt zomaar ergens, Liverse (2015):

    ‘Ik kom uit een geslacht van landarbeider
    rondtrekkende analfabeten geboren
    met zwarte nagels en eelt
    op de ziel. (…)

     In de eeuwenzee
    hielden zij de golven gaande. Ze waren het slib
    noch het schuim maar het stil gezoem
    van de getijden. Niets lieten zij achter,
    omdat er niets achter te laten viel. (…)’

    De kleinzoon van een landarbeider verruilde handenarbeid voor een pen. Niet wetend dat klassenmigratie ook verliezen betekent. Zijn bestemming werd een niemandsland, uiteindelijk hoort hij nergens bij.

     

     

    (wordt vervolgd en slot)


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Kuiltjes graven

    Het was zo’n dag dat zelfs de bananen op de fruitschaal me en masse de rug toekeerden. Deze column schoof ik voor me uit, in de hoop op mooi weer. Dat ik kon openen met: ‘De zon verwarmde mijn schouders terwijl ik op mijn knieën in de tuin de spitskoolplantjes behoedzaam in de vooraf gegraven kuiltjes in de aarde zette.’ Maar een straffe wind vloog langs de zijkant van het huis de tuin in, gierde hysterisch door elke reet of opening van het huis. De katten keken me verwijtend aan. Ik zag dat ze zich afvroegen, ‘Why, for God sake!’ (in hun eigen taal). Ter compensatie mochten ze op de bank, waar ze direct hun nagels in de zacht wollen deken klauwden. Er was een gebrek aan voornemens. 

    Ik dacht erover me op te geven voor het Zeven Zussen ontbijt bij een boekhandel ergens in het land, serieus. Ik ontbijt graag buiten de deur. Ook wilde ik me aanmelden voor de avond bij Alliance Française in Den Haag, waar Mohamed Mbougar Sarr komt praten over De diepst verborgen herinnering van de mens. Maar ik voelde een keelpijn opkomen.
    De kwestie is dat ik overal bij wil zijn, maar er altijd een excuus is om thuis te blijven, wachtend op iets dat zich (natuurlijk) onverwacht zal aandienen. Toen moest ik denken aan een betoverend verhaal op Papieren Helden, ‘Eloisa’ van Ida Blom. Daarin is de oudere zus van de tienjarige vertelster van een Italiaans dorp naar Rome verhuist. Vroeger kroop Eloisa weleens bij haar in bed. ‘Dan kneep ik mijn ogen dicht en deed alsof ik sliep. Ze rook anders, naar de buitenlucht en kampvuren, en ik hoorde haar hart bonzen van alles wat ze die nacht beleefd had.’ Op een dag neemt Eloise vanuit Rome haar vriend Alessio mee naar huis. Ik keek naar zijn wimpers, die lang en donker waren en zijn ogen omlijstten. Als hij naar Eloisa keek werden zijn ogen groot en zacht. Die nacht wenste ik dat iemand zo naar mij zou kijken.’ (dit citeer ik enkel om haar schrijfstij).

    Het weekend van haar elfde verjaardag gaat ze bij Eloisa op bezoek. Er staat een klein taartje met gouden marsepeinen roosjes op de keukentafel. Als Eloisa de taart wil aansnijden wordt ze afgeleid, ze kijkt zo lang uit het raam, ‘dat ik even dacht dat ze me vergeten was. Mist kroop over de rivier, en langs het water liepen mensen krom door de kou. Met een ruk draaide ze zich om. “Sorry, ik zag Alessio lopen dacht ik even, maar het was hem niet.” Ze sneed zorgvuldig een stuk af en gaf het aan me op een roze bordje. “En hoe voelt het om elf te zijn?” (…) Ze zat met rechte rug tegenover me, haar handen in haar schoot, en at zelf niets. Afwezig wendde ze haar blik terug naar het raam. (…) Ik nam me voor om nooit verliefd te worden. Mensen die verliefd zijn wachten alleen maar.’
    Het is een van de mooiste verhalen op Papieren Helden, het online literaire tijdschrift dat elke maand nieuwe verhalen publiceert, een mooi verhalenarchief heeft. Ik nam me voor niet meer te wachten, morgen ga ik kuiltjes graven in de tuin

     

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis en reist met het OV om te lezen.