• Liefde van de kok gaat door de maag

    Op het Waterlooplein vond ik jaren geleden de autobiografie van de Zwitserse huisvrouw Rosmarie Buri: Dik en dom. Het is het (on)gewone verhaal van een (on)gewoon leven. Een meesterlijk boek, dat nergens aandacht kreeg maar zich goed zou lenen voor een meeslepende film. Eenzelfde lot trof de uitgave van König Ludwig II speist: Erinnerungen seines Hofkochs Theodor Hierneis, dat in 1953, het jaar waarin Hierneis overleed, verscheen. Dat wil zeggen, totdat regisseur Hans-Jürgen Syberberg er tijdens de research voor zijn film Ludwig – Requiem für einen jungfräulichen König op stuitte en er meteen geschikt materiaal voor een film in zag. En zo verscheen in hetzelfde jaar – 1972 – als Ludwig, ook Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird.

    Aan het einde van zijn leven werd de legendarische sprookjeskoning Ludwig II van Beieren zo mensenschuw dat hij zich volledig terugtrok. Hierneis, zijn persoonlijke kok, was dus één van de weinigen die hem in deze periode van nabij meemaakten. 

    Syberbergs aanpak is van een verbluffende eenvoud. De oude Hierneis neemt de kijker mee langs de plekken waar hij gediend heeft: de paleizen van Linderhof en Neuschwanstein, het Berghaus Schachen, de Linderhof-grot en de Runding-hut. Hij loopt er rond alsof hij er nooit is weggeweest en vertelt in één lange monoloog vol liefde over zijn belevenissen aan het hof. Natuurlijk, zegt hij, moest je altijd rekening houden met Ludwigs slechte gebit: alles moest zacht zijn, zodat er niet gekauwd hoefde te worden. Soep was nooit een probleem, evenals puree, een mousse, en kievietseieren, een in roomboter gegaard forelletje of urenlang gesudderd stoofvlees, dat ging ook nog wel.

    De camera volgt Hierneis, die in de camera vertelt hoe het was. Meer is het niet. De beelden moet je er zelf maar bij bedenken. Eenvoudiger een film maken kan niet en goedkoper en gedurfder evenmin. Een verhaal is er ook al niet, maar je blijft geboeid door de adembenemende tour de force van acteur Walter Sedlmayr (Beiers welvaren, hoedje op), die van Hierneis een gemoedelijke verteller en een aandoenlijke heer maakt. Trots dat hij de koning mocht dienen, ook al zei die nooit dat het eten dat met zoveel toewijding voor hem bereid werd, hem gesmaakt had. Of de liefde van twee kanten kwam, weten we dus niet. Maar de liefde van de kok voor zijn koning was ruim voldoende om voor twee te tellen.

    Theodor Hierneis oder Wie man ehem. Hofkoch wird werd bekroond met de Duitse Filmprijs voor beste acteur en beste non-narratieve film. En dat is een merkwaardige combinatie, die past bij een merkwaardige film, waar je moeilijk een etiketje op kunt plakken. In zekere zin is het een kostuumfilm. Maar dan wel de bijzonderste kostuumfilm die ik ooit gezien heb.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Plaatsbepaling van verdriet

    Sinds de avond van de verkiezingsuitslagen gonst het in mijn hoofd. Hoe het kan dat een man die in de twintig jaar dat hij zijn extreem rechtse politieke ideeën te pas en te onpas uitkraamde, premier van Nederland wordt. De man die er altijd op uit was de poten onder andermans/-vrouws stoel uit te zagen, zou milder zijn geworden. Iedereen lijkt vergeten hoe hij gewoon is de ander te kwetsen. In mijn hoofd klonk het doorlopend: ‘Oh, no, Not me’. Uit The Man who Sold the World van David Bowie, gezongen door Lulu. Dat kwam door de kleine roman Tenminste voor een bepaalde tijd, die ik in de week voorafgaand aan de verkiezingen las. De vertelling bracht iets teweeg in mijn hoofd. Ik dacht aan de jongen die op zaterdag in een boekhandel werkt. Waar hij schrijvers als Knut Hamsun, Christopher Isherwood, Dostojevski ontdekt. De jongen die op latere leeftijd terugkijkt op een periode in zijn leven die hem gevormd heeft, daar een boek over schrijft dat speelt in het jaar 1974, als hij vijftien wordt. 

    In dat jaar vraagt zijn vriend Nico hem mee naar zijn opa en oma in Klarenbeek. Ze lopen er op een zondagmiddag vanuit Zutphen naartoe. Ik denk aan die wandeling van tweeëneenhalf uur. Ze gaan Frida bezoeken, de zeventienjarige zus van Nico, bij haar grootouders ondergebracht omdat ze zwanger is, vader onbekend. De baby zal vernoemd worden naar de zangeres van The man who sold the world, waar Frida een plaat van had. Op zeker moment gaat de jongen de songtekst analyseren, op zoek naar een aanwijzing, naar de vader van het kind.

    Tussen de gebeurtenissen door, het lijden aan een onuitgesproken verdriet, de verstilling in het gezin van de jongen, is er een plek in de stad die ‘de plaatsbepaling van verdriet’ genoemd wordt. Het is de afstand tussen de plaatsen waar hij zich in dat jaar ophield. ‘De afstand tussen de boekhandel (…), waar ik mijn zaterdagen doorbracht, en Hotel Spaan, waar ik mijn zondagen sleet, was nog geen tweehonderd meter. Precies halverwege stond mijn school en was het fatale kruispunt van het ongeluk. Nog steeds, ook na al die jaren die er sindsdien zijn verstreken, kan ik dit punt niet passeren zonder aan mijn zus te denken.’ Dit beschrijft de verteller als hij na bijna vijftig jaar weer in het stadje rondloopt, waar zijn zus op veertienjarige leeftijd onder de achterwielen van een vrachtwagen vermorzelt werd.

    De impact van de overleden zus zit in de herinnering aan een magere jonge man in het stadspark met een hondje twee jaar na het ongeluk. Daarin herkende de jongen de agent die na het ongeluk de schooltas van zijn zus, ‘die door de klap was weggeslingerd’, kwam brengen. Die ‘klap’ en dat ‘wegslingeren’ hakken erin.

    In de boekhandel noteert de jongen uit een boek van de vrijwel onbekende schrijver Jean de Tinan een regel die deels de titel van het boek is geworden. ‘Alles is onsterfelijk – tenminste voor een bepaalde tijd.’ Een boek vol ideeën en vragen over vrijheid, en de jongen vraagt zich later af: ‘Was ik vrij of gevangen? Was de bewondering die ik, (…) voor Frida voelde, niet juist gebaseerd op het besef dat zíj vrij was en ikzelf niet?’ 

    Dan is er een wending in het verhaal die je niet zag aankomen. Want, is de verteller de vader van het kind van de tienermoeder? Het loopt af met een sisser, maar hee, als je dan opnieuw de openingsscène van het boek leest, bekruipt je het gevoel dat het een vooropgezet plan van Nico en zijn ouders is geweest om de verteller te betrekken in het familiegeheim van de zwangere zus. Maar dan verdwijnt de familie van Frida en Nico. Had ik het al gehad over andere verdwijningen die een rol spelen in het boek? Over een man die boeken, verhalen verzameld over verdwenen mensen. Het is een werkelijk knap geconstrueerde roman met verschillende mysteries die niet allemaal ontrafeld worden. Het leven is geen kloppend geheel, dat is mooi. Het heeft er alle schijn van dat – zoals Carmiggelt een meester was in het observeren van de kleine handelingen – Hans Heesen een meester is in het beschrijven van het achterwaarts beleven van gebeurtenissen uit het leven van een vroegere zelf. Het zou zomaar kunnen dat zijn volgende roman over de botte vader uit Tenminste voor een bepaalde tijd zal gaan.

     

     

    Tenminste voor een bepaalde tijd / Hans Heesen / 126 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

  • Leren kijken

    De eerste pakweg twintig jaar van mijn leven wist ik niet wat kijken was. Daar kwam verandering toen ik D. leerde kennen. Hij beoefende de schilderkunst. Zo zei hij het altijd. Om de schilderkunst te beoefenen, moet je kunnen kijken. Kleuren, schaduwen, luchten, bomen, vogels. Ze zijn er altijd, maar wie ziet ze? Ik niet, toen. Want, min of meer onveilig gehecht zoals dat tegenwoordig heet; altijd klaar om dreigend gevaar het hoofd te bieden. Wie wil me raken? Waar word ik gekwetst? De stilstaande wereld om me heen was het decor van het toneelstuk ‘Overleven’.

    D. was een lange gespierde man met een natuurlijke zwier in zijn lijf, een jaar of zes ouder dan ik. Hij toonde me de spiegeling van een treurwilg in een vijver, een dode zwarte kraai in het okergele riet, het verschil in schaduwen bij hard ochtend- en zacht avondlicht. Mijn eigen lot liet me langzaam ietsje onverschilliger. Ik werd kleiner, de omgeving groter. Hij nam me mee naar zijn atelier, liet me zijn voornamelijk abstracte schilderkunst zien. Kleurencomposities met druipende slierten en vloeiende vormen, maar, zoals ik leerde te herkennen, zonder zichtbare verfstreken. Wat moest ik ervan zeggen? Wat moest ik ervan vinden? Ik wist het niet. En het hoefde ook niet. Mooi of niet mooi deed niet ter zake.

    Tekenen kon ik niet. Maar het woord was me wel gegeven. Ik las alles wat los en vast zat, schreef voor blaadjes van scholen en verenigingen. D. stimuleerde me scènes te schrijven. Ik stribbelde tegen, ‘ze’ konden me uitlachen. Toch was ik benieuwd of ik het kon. Voorzichtig beschreef ik het doppen van een pinda. Het zoeken naar de zwakke plek in de harde schil, het knijpen, de krak, de in het vlies beschermde vruchtjes, het omkeren in de hand, mijn kauwende kiezen, tastende tong. En ik vond het fantastisch zo te schrijven. Ik bleef maar sleutelen aan dat stukje tekst van nog geen tweehonderd woorden totdat ik het D. durfde voor te lezen.

    Achttien jaar geleden raakten we gebrouilleerd. Iets met een duur huis en een samenwerking die fout liep. Schaamte en trots weerhielden me van het maken van een buiging. Inmiddels ben ik bijna vijfenzestig en wil geen spijt hebben van dingen die ik heb nagelaten te doen. Afgelopen woensdag zat ik bij D. aan de keukentafel, even later in zijn atelier. Ons leeftijdsverschil leek groter geworden. Het leven had hem niet alleen zijn gespierde gestalte, maar voor een deel ook zijn zwier ontnomen. Toch, in de veroudering was hij scherp gebleven als een steeds opnieuw bijgepunt potlood. Zijn laatst geschilderde werk hing hoog en breed aan de muur van zijn atelier. Nog steeds zonder zichtbare verfstreken, nog steeds vloeiende vormen waar nu ook een menselijk figuur in schemerde. Je kon er dwars doorheen kijken. Het was een vergeestelijkt lichaam, op het punt hemelwaarts te stijgen. En ik wist dat ik op tijd tot inkeer was gekomen. Ik kon mijn oude meester nog omarmen.




    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column.

  • Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Ziel te koop

    Wie zegt dat hij niet bijgelovig is, liegt. We zijn het allemaal. En dan heb ik het niet over de traditionele, overgeleverde superstities die het kwaad moeten afweren, zoals het mijden van een zwarte kat, niet onder een ladder doorlopen en geen zout morsen. Zulke bijgelovigheden waarvan niemand meer weet wat de herkomst is. Ik bedoel de persoonlijke rituelen die juist het geluk dichterbij moeten halen, zoals de voetballer die voor de wedstrijd een kruisteken slaat, de leerling die op het examen een mascotte op zijn tafeltje zet of de gokker die zijn gelukssokken aantrekt voordat hij gaat pokeren. Zoals ik bij drie bevallingen hetzelfde lievelingsboek op mijn tafeltje had liggen en elk van de baby’s in dezelfde zachte kleertjes hulde. Het gevolg was wel dat we later, toen we eraan toekwamen om de foto’s in een album te plakken, niet meer wisten welk kind er was afgebeeld. 

    Het af te dwingen geluk eist echter grote offers. Ik vond dat de doorstane bevallingen op zich voldoende waren. Maar Doctor Faust verkocht zijn ziel aan de duivel in ruil voor kennis van de wetenschap, Paganini om de beste violist aller tijden te worden, Tommy Johnson de beste blueszanger. Ook Rob Schouten heeft er zijn gedachten over laten gaan:

    Ziel

    Ik zou liever een kwaliteitsziel hebben
    die ik niet kende; niet dit inruilding
    uit mensen die ik maar bekeken heb,
    dat het alleen doet als ik ernaar kijk.

    Mijn ziel zou ouderwets onzichtbaar zijn
    en in mij zitten. Alles wat ik zweeg
    en riep zou er duurzaam vervuld van zijn.
    Ik zou er niet aan denken haar te wensen.

    Zo’n ziel die je nog eens verkopen kunt.

    In het boek The Ceremonies uit 1984 van T.E.D. Klein, die een klein, maar huiveringwekkend oeuvre op zijn naam heeft staan, bespreekt universitair docent Jeremy Freirs het onderwerp bijgeloof met zijn studenten. Moderne, rationele jonge mensen, die met geamuseerde scepsis aangeven dat zij zich niet bezighouden met flauwekul als vrijdag de dertiende en gebroken spiegels. Freirs besluit tot een test en zwaait met een dollarbiljet dat hij aan een student wil geven die de meeste minachting tentoonspreidt. In ruil voor een vel papier, ondertekend en voorzien van de datum, waarop geschreven staat dat de jongeman hem voor altijd zijn onsterfelijke ziel verkoopt. Maar zelfs deze ongelovige student waagt de gok niet. 

    In het verhaal van Franz Werfel, Géza de Varsany, oder: wann willst du endlich eine Seele bekommen, voelt Freddie, de lompe tienerzoon van zogenaamd verfijnde aristocraten, dat hij eindelijk de ziel heeft die zijn ouders hem ontzeggen, als hij het wonderkind Géza op de viool hoort spelen. ‘Freddies ziel was door de plotselinge, verbijsterende bewondering voor het hogere, het onbereikbare, verschrikt uit haar pop tevoorschijn gekomen.’ 

    Wie net als Freddie voelt dat hij een ziel heeft als hij schoonheid ontmoet, in welke vorm dan ook, gaat die echt niet verpatsen aan de duivel, al zou je alle talen ter wereld mogen spreken. Zonder schoonheid is het leven zielloos. 

     

     

    Uit: Tevoorschijn stommelt het heelal / Rob Schouten, Arbeiderspers (1988)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Laatste bladzijden

    Soms wil je de laatste bladzijden van een boek overslaan. Ik had dat bij Moedermelk van de Letse schrijfster Nora Ikstena. Het lag beslist niet aan het boek, een prachtig boek. Het was omdat ik voorvoelde dat  de moeder het einde van het boek niet zou halen. Een afloop waarvan de eerste tekenen al op de derde bladzijde van het boek kenbaar werden gemaakt. ‘In de twintig jaar die ik met mijn moeder heb doorgebracht, heb ik haar nooit kunnen vragen waarom ze mij, een kleine hulpeloze baby, haar melk onthield.’ Dat er een einde aan alles komt, dat niets waarop gehoopt werd vervuld zou worden, gaat het hele boek mee. Uitlopend in een toestand die ik niet wilde weten. Dan ging ik maar thee zetten, was ophangen, post openen, ach, er is zoveel te doen in een huis.

    Door niet verder te lezen, vertraagde ik de levensverloop van moeder en dochter. Verijdelde het sterven van de een, het verdriet van de ander. In Moedermelk is het uit liefde dat de moeder haar dochter als baby de moedermelk ontzegt, haar laat opvoeden door grootouders. Wat ik stilletjes hoopte terwijl ik het gasfornuis schoonmaakte, was dat moeder en dochter op de laatste bladzijden nog een kans zouden krijgen, dat ze een soort ‘Happily ever after’ zouden bereiken.

    Ik had tot half zes de tijd, dan moest ik een trein halen. Naar een leesclub, waar we merendeels onbekend waren met elkaar. Dat is eigenlijk het beste voor een leesclub, dat je elkaar niet kent. Er was een schrijfster, een vriend, een vriendin van een vriendin, een doorlezer (dagen niet van zijn stoel komen en maar lezen), en ik. We zagen elkaar  bij een van de vijf thuis. Er kwam wijn en kaas op tafel. We luisterden naar verhalen uit onze levens, weefden daar onze bevindingen van het boek doorheen. Het bruiste zoals een glas champagne bruisen kan, verfrissend, tongen losmakend. Later kwam er een ovenschotel, salade, dessert op tafel. Tussendoor riep de schrijfster wel drie keer tegen de gastheer, ‘Jij kan ècht lekker koken!’ Waardoor wij wel moesten geloven dat haar man niet zo goed in de keuken was.

    Moedermelk is in het Engels vertaald als Soviet Milk. Wat we – terwijl we van de gevulde courgette aten – zo treffend, zo geweldig-goed-gekozen vonden. Want dat hele boek gaat over niet kunnen leven, niet kunnen ontwikkelen onder verstikkende Sovjetregels. De vriendin van de vriendin begreep eerst niks van het boek en ik begreep dat. Want ik was er ook pas na een tijdje lezen achter dat de dochter en de moeder om en om aan het woord zijn. Ik schreef met potlood een D of een M boven de tekstblokken. De doorlezer had het boek in het Engels op een e-reader in Cornwall gelezen. In de Engelse versie bleek het boek uit twee delen te bestaan. Wat voor verwarring zorgde.

    Toch las ik die laatste bladzijden, wanneer het de moeder is gelukt om te sterven. Het proza werd van registrerend, opeens meer ritmisch. ‘Haar lippen waren droog en gebarsten. Ik depte zachtjes haar borsten. Waaruit ik nooit had gedronken en die ik maar één keer had gezien, die nacht dat we gingen zwemmen in de rivier. (…) Ze waren als in mijn droom – warm en vol moedermelk… Een zee van melk. En ik dronk hem gulzig, ik dronk de melk van de goede, waarheidlievende moeder, en ik dronk de melk van het kwaad, die de slangen voedde, en de melk smaakte niet langer naar kamillethee maar naar iets raadselachtigs, dat mij kracht en macht gaf.’  Ja, een prachtig boek, het kwam goed.

     

     

    Moedermelk / Nora Ikstena / vertaling Brenda Lelie / uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Wat heb jij van je moeder geleerd

    De lijnen waarlangs wij lopen is een documentairefilm van beeldend kunstenaars Dominique Panhuysen en Danielle van Vree die op het IDFA niet zou misstaan, maar te zien was in het Amsterdamse puntWG. Panhuysen en Van Vree tonen hun moeders van respectievelijk zevenentachtig en tweeëntachtig in hun dagelijks leven; weduwen zijn ze, woonachtig in grote lege huizen. In een parallelle vertoning op twee schermen vertellen ze over de lijnen waarlangs zij hun leven hebben geleid. Het is verbluffend hoe vergelijkbaar deze beide vrouwen zich uitdrukken ondanks op het eerste gezicht totaal verschillende achtergronden. De een groeide op in een zuidelijk katholiek gezin en mocht uiteindelijk naar Utrecht voor een interne opleiding verpleegkunde. De ander werkte op de typekamer van een bank en ging als au pair naar Amerika. Veel verschil maakte dat dus niet.

    Ook het leven van mijn moeder, na de mulo aan het werk en vanuit het ouderlijk huis getrouwd, wijkt nauwelijks af van de blauwdruk die voor deze generatie vrouwen, geboren in de jaren 30/40 van de vorige eeuw, universeel lijkt te zijn. Levens die onherroepelijk leidden naar het huwelijk en daarna in het teken stond van man, kinderen en het huishouden. Anno 2023 kijken de moeders Van Vree-Badoux en Panhuysen-Delwaide daar met milde verbazing op terug. Zonder verbittering. Zo was het nou eenmaal. Je stopte met werken. Je kreeg kinderen. Pieter en Rudolf – hun mannen – hielpen hooguit bij het opvouwen van de lakens. En nu zijn ze dood. Daar hebben ze verdriet van (gehad), maar ze hebben hun belangrijke mannen wel overleefd.

    In de film zien we op twee schermen, in een afgewogen montage, hoe beide vrouwen vrijwel dezelfde handelingen uitvoeren. Ze schrijven een boodschappenlijstje, zetten thee, rommelen wat in hun aanzienlijke tuinen, vouwen kleren op en maken een kop soep voor zichzelf. Dat alles doen ze voorzichtig, bedachtzaam, een beetje breekbaar, maar ook volstrekt onnadenkend want geheel ingesleten in jarenlang gevormde patronen. Mijn eigen moeder is al dertig jaar dood, zij was nu eveneens zevenentachtig geweest. Ook haar handen deden het huishouden zonder dat het hoofd erover nadacht. Maar de rustige, broze wijsheid van deze twee vrouwen in de film heeft ze (jammer genoeg) niet mogen bereiken.

    In de laatste twee scènes vertellen de moeders van Dominique en Danielle hoe zij naar hun dochters kijken en dan blijkt dat zij min of meer langs dezelfde lijnen lijken te lopen als hun moeders. En ik vraag me af hoe mijn moeder, dertig jaar na haar dood, over mij zou hebben gesproken. Door op een intieme manier in te zoomen op twee voor de buitenwereld volstrekt anonieme levens hebben de makers een raamwerk gebouwd dat niet alleen de geportretteerde vrouwen kadreert, maar tevens aan iedere toeschouwer de vraag stelt: ‘Wat heb jij van je moeder geleerd?’ Zo’n film verdient een groter podium. IDFA, volgend jaar dan maar? 

     

     

    De filminstallatie is nog te zien in OBA Mercatorplein (17-11 t/m 17-12) en OBA Bos en Lommer (19-12 t/m 21-1).



    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column en regelmatig recensies.

  • Dichterbij dan waar je kijkt

    Het leven lijkt zich altijd elders te bevinden dan waar ik mij ophoud. Ik tuur ernaar, soms kom ik het nader. Waarom ik me er dan toch weer van afkeer, afstand zoek, weet ik niet. Wil ik enkel reiken, turen naar daar waar ik niet ben? Ben ik verslaafd aan verlangen, ‘Sehnsucht’, hartepijn? Nog een vraag. Wat is het toch dat ik zo graag lees, verlang naar een boek? Dat vroeg ik me af toen ik in het prachtige boekje Je keek te ver van Marjoleine de Vos stuitte op de vraag, ‘Wat is het toch dat je zo kunt verlángen naar wandelen?’ 

    Het afgelopen weekend had ik in Den Haag bij Crossing Border zullen zijn. Bij het interview met Zadie Smith, wat een ‘heerlijk gesprek’ moet zijn geweest. Ik had erbij zullen zijn. Ook bij het gesprek met de Palestijnse schrijver Adania Shibli, bij Michel Faber die een boek over muziek had geschreven. Ik zou het gehoord hebben als de interviewster aan Zadie Smith vroeg hoe haar schrijfdag eruit zag. ‘Ik breng mijn kinderen naar school, ga schrijven en haal mijn kinderen weer van school.’ Van zo’n overzichtelijk leven wens ik subiet schrijver te zijn. Maar goed, mijn kinderen zijn geen kinderen meer die gebracht en gehaald moeten worden. En er was sprake van hartepijn.

    Vorige week donderdag liep ik naar de winkel, het stormde. Het hart joeg me voort, wind sloeg de panden van mijn jas alle kanten op, woelde mijn sjaal los. Gebogen stapte ik voort langs tuinen met op maat gecultiveerde bomen, struikige planten, grind en tegels. Mijn oog viel op een stuk stof tussen de struiken, bont leek het. Een knuffeldoek van een kind, verloren toen het achterop de fiets zittend voorbij kwam. De storm nam het mee, bracht het hier. Ik keek nog eens, zag hoe de stof iets levends werd. Een konijn, nee, een haas. De lange lepeloren gestrekt over zijn rug. Donker bolle ogen, wijdopen neusgaten. Het lag er doodstil.’ Toen, nog voor ik ‘Hee, haas’ kon zeggen, was het verdwenen. Ik keek het na, dacht, ik heb een haas gezien. Ik was er buiten adem van.

    Zaterdagochtend zat ik, enigszins bedeesd (angsthaas) omdat mijn galopperend hart mij tot thuisblijven dwong, aan tafel. Ik las hoe de Israelische schrijver Edgar Keret in een interview vertelde dat hij, op de ochtend van 7 oktober, toen al dat verschrikkelijks in de kibboetsen in het zuiden van Israël gebeurde, er vanuit Tel Aviv naartoe wilde rijden. Om te helpen, mensen te redden. Tot hij bedacht dat hij geen auto reed. ‘Ik kan niet rijden. Ik kan niet eens een verband aanleggen. Ik kan gewoon niet zoveel.’ Dit blootleggen van zijn onvermogen iets te kunnen doen, bracht mij dichter bij de vreselijkheid van dit alles dan welk nieuwsbericht ook. Het willen reiken naar al wat we weten, wat we zien, iets willen doen, helpen. Het is als je tanden stukbijten op een stuk hout, deze realiteit.

    Marjoleine de Vos denkt tijdens een wandeling over het Groningse platteland na over een lezing over duurzame spiritualiteit. Ze ontmoet een vijfentachtigjarige, bijna blinde boer, vraagt hem, ‘Kunt u me zeggen: wat maakt het leven de moeite waard?’ Waarmee ze duurzame spiritualiteit vertaalt naar waardevol leven. ‘een houding die je vooruit helpt in het leven, een kijk op de wereld die het de moeite waard maakt haar te zien zoals ze is. “Nou”, zei hij, ‘dat is wel een héél gemakkelijke vraag.” Hij zweeg even en ik vroeg me af of hij eigenlijk wel begrepen had wat ik vroeg. Maar hij zei kalm: “Het gaat erom voldoening te hebben in wat je doet en in harmonie te leven met je omgeving.”’
    Je keek te ver, ik kijk te ver. Zoveel begreep ik wel.

     

     

    Je keek te ver / Marjoleine de Vos / wandelreeks ‘Terloops’ / Van Oorschot.


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Welkom in Stockholm!

    De meest gammele bus die je ooit hebt gezien arriveert op de plaats van bestemming: Stockholm. Hij stopt midden in de stad op Sergel’s Torg, het drukbezochte plein dat toegang geeft tot het centrale metrostation. In de bus zitten negen mannen, illegale migranten uit Turkije. De chauffeur zamelt hun paspoorten en geld in om werk voor hen te gaan regelen. Hij maant de mannen de gordijntjes dicht te houden en niet naar buiten te gaan. De film waar dit het begin van is heet Otobüs. Het is de debuutfilm van Tunç Okan, uit 1975. Via de migranten krijgen we een onthutsend satirisch kijkje op het land dat ze bezoeken. En dat land is natuurlijk niet Zweden, ook al speelt het verhaal zich daar af, maar onze hele westerse wereld. Je zou Otobüs een reisverhaal kunnen noemen in de geest van Gulliver’s Travels.

    De buschauffeur, het zal u niet verbazen, komt niet meer terug, want hij is een ordinaire mensenhandelaar. Terwijl de mannen, uit angst voor ontdekking, niet naar buiten durven, lopen er mensen langs de bus alsof die er niet staat. Wat je niet ziet, bestaat immers niet. Anderen kijken ernaar als naar een curiositeit, om schouderophalend weer verder te lopen. Welkom in Stockholm!

    Regisseur Okan (1942) studeerde in 1963 af aan de Faculteit Tandheelkunde van de Universiteit van Istanbul en kreeg een jaar later via een gewonnen acteerwedstrijd zijn eerste filmrol. In minder dan twee jaar tijd speelde hij in dertien populaire avonturenfilms. Maar in 1967 was hij het beu. Hij verweet de filmindustrie dat zij de Turkse samenleving verdoofde en in slaap wiegde, verliet Turkije en vestigde zich als tandarts in Zwitserland. Met Otobüs maakte Okan zijn entree als onafhankelijk filmmaker met een missie. Er volgden nog drie andere films, de laatste in 2013. Vier films in achtendertig jaar, dat is niet veel. Des te opmerkelijker is het dat over deze weinig bekende regisseur en zijn kleine oeuvre in 2020 in Leiden en proefschrift verscheen van de hand van Tayfun Einar Luxembourgeus, die Okans films ‘grensoverschrijdende cinema’ noemt. 

    ’s Avonds als het donker is geworden wagen de mannen zich naar buiten, op zoek naar iets te eten, water, een wc. Op hun omzwervingen worden ze geconfronteerd met de zelfkant van een wereld die hun volkomen onbekend is. We volgen ze gedurende en aantal dagen. Hun belevenissen zijn rauw en schrijnend zijn, maar soms, plotseling, ook onweerstaanbaar grappig. Zo zijn de scènes op de roltrap – een noviteit voor de mannen – ‘Tatiesk’ hilarisch. 

    Grenzen overschrijden gebeurt zelden ongestraft. De migranten uit Otobüs komen er slecht vanaf: uiteindelijk worden ze door de politie ontdekt en opgepakt. Maar de film zelf lukt het uitstekend. Hij werd bekroond met vijf prijzen, waaronder (op het internationale filmfestival van Karlovy Vary) de Don Quijote Award. Wat een schitterende prijs voor een regisseur met een missie! Inmiddels is de situatie voor illegale migranten er bepaald niet beter op geworden. Zodat Otobüs behalve een sterke, ook een halve eeuw later nog altijd een actuele film is.

     

     



    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Alles wat ik lees

    Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.

    Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.

    Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.

    Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.

    Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.

     

     

     

  • Sorry

    Hard/Hoofd, Verhaal van de Maand, Kluger Hans, De Optimist…, de combinatie van beeldende kunst en taal op deze literaire platforms is kennelijk een onverbiddelijke trend, versterkt door grafisch vormgevers die hun jubelende best mogen doen als deze merken stollen in fysieke vorm. Bij ‘Aaah’ bijvoorbeeld, het laatste Hard/Hoofd magazine, is nauwelijks een verhaal in dezelfde letter gezet, heeft de schilder zoveel mogelijk verfpotten over het papier uitgestort en kunnen kunstenaars niet wild genoeg hun gang gaan.

    Jarenlang pleitte ik, als professioneel bladenmaker, bij uitgeverijen van vakbladen voor meer en vooral beter beeld en probeerde ik vormgevers ertoe te verleiden niet steeds een foto in de hoek linksboven of rechtsonder op de pagina te plaatsen. In eerste instantie werd ik daarom blij van de aanpak van ‘Aaah’. Maar nadat ik dertig keer een pagina had omgeslagen, verlangde ik bijna terug naar de saaie vakbladen van vroeger, met hun voorspelbare bladspiegel en hun weinig onderscheidende rubrieken.

    Het was alsof ik bij iedere nieuwe feature mijn neus moest dichtknijpen, mijn ogen met een zonnebril moest bedekken en mijn adem moest inhouden voordat ik een volgende plons in het ‘Aaah’ kon nemen. Vertwijfeld bladerde ik door. Nergens rust te vinden. ‘Aaah’ werd mijn particuliere schreeuw om hulp, een verlangen naar stilte, naar contemplatie. Want is dat niet wat kunst vermag? Dat het lezers, kijkers en luisteraars een moment van verstilling brengt? Van (zelf)inzicht? Dat het een tintel brengt van huiver, van verlangen, van ontroering. In plaats van een oorverdovend scherm van paukenslagen waarin elke nuance op den duur verloren gaat.

    De makers van Hard/Hoofd magazine hebben na een intensieve en bewonderenswaardig effectieve marketingactie naar eigen zeggen meer dan 1600 betalende abonnees geworven, die elk 2,50 euro per maand automatisch laten incasseren. Ik ben er één van. Dat levert zo’n 50 mille per jaar op. Ik gun de makers de bescheidenheid om met dat geld straks juist minder uit te pakken. Dat het thema van het volgende nummer ‘sorry’ is, stemt hoopvol.

     

     


    Jan Kloeze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met andere studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column.

     

  • Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.