Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Nazikinderen neem ik niet op

    Nazikinderen neem ik niet op

    Bij speciale gebeurtenissen is er gebak van de Führer voor ‘zijn’ kinderen, die tijdens de eerste geallieerde bombardementen op Berlijn in speciale bunkers in veiligheid gebracht worden. Schijfster en psychologe Ilka von Zeppelin (1937) was een van die kinderen en in ‘Het gevoel dat er iets niet klopte’ doet ze verslag van haar jeugd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar ouders zijn volgzame Duitse burgers: vader vecht tegen de Russen en moeder krijgt van Hitler het ‘Kruis van verdienste voor moeders’, een belangrijke onderscheiding voor vrouwen met meer dan vier kinderen. Het boek begint in 1941 als de schrijfster vier jaar oud is.

    Net zoals in de Nederlandse grote steden, is het voor de kinderen in Berlijn een sport om naar granaatscherven te zoeken. Er wordt honger geleden en er heerst paniek tijdens het zoveelste luchtalarm. Het grote verschil met ons zit hem in de vurige aanbidding van de Führer en het grenzeloze vertrouwen in de Duitse overwinning. De propagandamachine van Joseph Goebbels legt het nazi-regime geen windeieren en de bevolking is blij zijn steentje bij te kunnen dragen aan dat wat een beter Duitsland moet worden.

    En beter kon het altijd, na het falen van de Weimar-republiek, de verliezen tijdens de Eerste Wereldoorlog en de economische malaise die werkloosheid, honger en armoede met zich meebracht. Het trotse, sterke Duitsland met zijn indrukwekkende geschiedenis en zijn keizerlijke pracht en praal was verworden tot een schrale, schaamteloze plek. Althans, in de ogen van de ouders van de kleine Ilka. Het wachten was op een sterke leider die het land weer op de kaart zette. Geen wonder dat deze mensen hem toejuichen, zijn geschreeuw over het joodse gevaar en het geallieerde imperialistische machtsvertoon geloven en zijn orders opvolgen.

    Als Berlijn in 1943 continu onder vuur ligt, gaat Hitlers ‘Kinderlandverschickung’ van kracht en worden alle moeders met kleine kinderen naar familie op het platteland gestuurd. Wapperend met een officieel evacuatiebewijs meldt moeder zich bij haar ouders in Zuid – Duitsland, maar de ontvangst is koel. ‘Nazikinderen neem ik niet op,’ zegt grootvader.

    Grootvader is een man van aanzien. Hij heeft als keizerlijk gezantschapsattaché onder Wilhelm de Tweede gediend en woont op zijn Duitse burcht vol kunstschatten. Ondanks de voedselschaarste is zijn provisiekast goed gevuld, en de woonvertrekken zijn comfortabel en warm. De in zijn smetteloos witte keizerlijke uniform geklede man houdt alle luxe echter voor zichzelf. Zijn dochter en haar kinderen zoeken het maar uit. Zijn levensmotto is te lezen in een handgeschilderde spreuk op het plafond van zijn studeerkamer: Tempora mutantur, sed non nos in illis. De tijden veranderen, maar wij niet met hen.

    Als lezer krijg je niet de indruk dat Ilka en de kinderen uit de omgeving lijden onder de gevolgen van de oorlog. Voor hen lijkt het allemaal een groot avontuur te zijn. Vanuit een kinderlijk perspectief doet de schrijfster verslag van het leven van alle dag: houthakken, haren ontluizen, bedorven pap eten en verplicht luisteren naar de Wehrmachtberichten op de radio.
    Hoewel de kleine Von Zeppelin hier regelmatig stevig van baalt, wordt de toon nergens klagerig. Het blijft tamelijk objectief. Ook als haar vader door de Russen gevangen wordt gezet.

    Hoe ouder ze wordt, des te vaker krijgt ze het gevoel dat er iets niet klopt. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen tegenstrijdige gevoelens. De nazi-minnende schooljuf Rosenbaum dwingt haar de Hitlergroet te brengen, maar van grootvader krijgt ze een oorvijg als ze hem later zo bejegent. Op haar achtste begint ze zich van alles af te vragen. Waarom lijdt iedereen in het dorp honger en krijgt de corpulente bisschop een stuk spek? Hoe kan het dat grootvader zowel aan een rijke Perzische prinses onderdak verleent, als aan berooide Poolse vluchtelingen? En als hij dan zo antinazi is, waarom wordt Hermann Göring dan ontvangen op de burcht? Enige tijd later is ook Robert Kempner welkom, de hoofdaanklager van de Neurenbergse processen. Dus waar staat grootvader nou precies? En die jongens van de Hitlerjugend, zijn die te vertrouwen? Van juffrouw Rosenbaum leert ze boksen en handgranaten gooien. Waarom eigenlijk? Haar vader is in de ban van Hitler, grootvader is juist een antinazi. Wie van hen heeft er gelijk?

    Het verliezen van de oorlog en de zelfmoord van Adolf Hitler zijn een enorme klap voor Von Zeppelins moeder. Net zoals bij veel Duitsers het geval was, had ze geen idee van de wanpraktijken van het nazi-regime. Amerikaanse soldaten nemen hun intrek in de burcht en beginnen met het proces van denazificatie om de Duitse samenleving te zuiveren van de nationaal-socialistische ideologie. Als vader na zijn gevangenschap vrij komt, krijgen hij en zijn vrouw de mildste classificatie: meeloper.

    Na het beëindigen van de oorlog leeft Duitsland nog lang in armoede en Ilka von Zeppelin is ernstig ondervoed. De religieuze Quakers zijn de eersten die zich over de Duitse bevolking ontfermen door humanitaire hulp aan te bieden. Het boek eindigt als de twaalfjarige Von Zeppelin om aan te sterken wordt opgenomen in een Iers Quakers-gezin.

    In Nederland kennen wij onder andere de verhalen van Anne Frank, Hannie Schaft en Etty Hillesum. Wij waren en zijn op de hoogte van concentratiekampen en gaskamers. Maar wat weten wij eigenlijk van het leven van ‘gewone’ Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog? Jarenlang is daar in Duitsland uit schaamte niet over gesproken, maar langzamerhand worden deze verhalen ook in boekvorm kenbaar gemaakt. Naast het boek van Von Zeppeling zijn enkele voorbeelden: ‘De donkere Kamer’ van Rachel Seiffert, en ‘Op schoot bij Hitler’ van Irmgard Hunt.

    Doordat ze het perspectief van een kind gebruikt, zou je verwachten dat je door de schrijfster meegesleept wordt. Het is echter een wat afstandelijk relaas, waarbij het lastig is je te identificeren met de jonge Von Zeppelin. Liefhebbers van een emotioneel verhaal kunnen beter terecht bij Seiffert en Hunt.

    ‘Het gevoel dat er iets niet klopte’ is daarentegen een goed geschreven uiteenzetting van een kindertijd tijdens het nazi-regime in Duitsland. De armoede, honger, angst en verraad zijn daar net zo groot geweest als bij ons. De bevolking werd geïndoctrineerd, in onwetendheid gehouden en gemangeld in de slechtste oorlogsmachine ooit. Het is goed om te lezen wat dat met hen gedaan heeft en Ilka von Zeppelin heeft daar een mooi boek over geschreven. Een aanrader voor degenen die geïnteresseerd zijn in de Tweede Wereldoorlog en die moeilijke kwesties graag van verschillende kanten bekijken.

     

     

     

     

     

  • Maakt blind zijn liefde mogelijk of maakt liefde blind

    Maakt blind zijn liefde mogelijk of maakt liefde blind

    Mag je dit boek, deze novelle, wel een debuut noemen vroeg ik mij af. Tamar van der Dop is scenarioschrijfster en Tomas Verbogt is schrijver. Tamar van den Dop en Thomas Verbogt schreven met Blind een sprookjesachtige vertelling, waarin het thema van De sneeuwkoningin van Hans Christian Andersen een prominente rol speelt: maakt echte liefde blind? Het verhaal is gebaseerd op het scenario dat Tamar van den Dop schreef voor de gelijknamige speelfilm.

    Dit alles doet mij aarzelen dit daadwerkelijk een debuut te noemen. Het verhaal van Hans Christian Andersen is het verhaal van Kay en Gerda. Kay krijgt een glassplinter van de spiegel van de ijskoningin in zijn hart en dat hart verandert in een klomp ijs. De eens zo vriendelijke Kay wordt een vervelende jongen die nergens meer iets moois in kan zien. Zoals in alle sprookjes komt gelukkig komt uiteindelijk alles goed.
    In Blind gaat het verhaal over Ruben die vanaf zijn kinderjaren blind is. Zijn vader is overleden en Ruben zelf is onhandelbaar, heeft enorme woedeaanvallen en sluit zich op. Hij is voor niemand toegankelijk. Zijn moeder probeert van alles maar niets lukt. In haar wanhoop plaats ze een advertentie waarin ze om een voorlezer vraagt. Er zijn diverse gegadigden geweest maar Ruben weet ze binnen de kortste keren weg te krijgen, totdat Marie komt.

    Marie is een albino en erg mensenschuw. Zij is het die Ruben aan kan. Ze pikt niets van hem, is net zo bot tegen hem als hij tegen haar. Marie heeft een prachtige stem en brengt verhalen tot leven. Voor Marie is het erg prettig dat Ruben haar niet kan zien, gewend als ze is aan het staren van mensen. Langzamerhand, met vallen en opstaan gaan ze elkaar vertrouwen. Ruben wordt rustiger dankzij Marie, langzamerhand ziet hij het leven weer zitten. Ook voor Marie werkt alles positief. En dan blijkt dat er iets aan de blindheid van Ruben te doen is. Marie is bang voor de gevolgen, wat als Ruben haar ziet?
    Ruben wordt door zijn blindheid niet afgeleid door het uiterlijk van iemand. Hij gaat af op de stem en op de handelingen en zijn ervaringen met een persoon. Maakt blind zijn iemand beter ‘ziend’? zou ook de vraag kunnen zijn.

    Het verhaal is kernachtig geschreven. ‘Een novelle bezit een eenvoudige structuur en een klein aantal personages. Meestal omvat een novelle een bijzondere gebeurtenis en toont ze de hoofdpersonages op een beslissend moment in hun leven.’ staat op Wikipedia. Dat is ook exact zoals ik het zou willen omschrijven. De hoofdstukken zijn kort, alles draait om Ruben en Marie, de moeder speelt nauwelijks een rol. Hun ontmoeting met elkaar is beslissend voor hun verdere leven. En net als in een sprookje komt alles uiteindelijk goed… of niet?


    Augustus 2007

     

  • Servetten halfstok – Ester Naomi Perquin

    Servetten halfstok –  Ester Naomi Perquin

    Eerder dit jaar werd voor het eerst de Debuutprijs Het Liegend Konijn van het gelijknamige poëzietijdschrift uitgereikt. De jury, bestaande uit hoofdredacteur Jozef Deleu en de dichters Marjoleine de Vos, Geert Buelens, Mustafa Stitou en Menno Wigman, kende de prijs toe aan de Nederlandse Ester Naomi Perquin voor haar ‘overweldigend debuut’, Servetten halfstok. Op 9 oktober volgt de uitreiking in Vlaams-Nederlands Huis deBuren in Brussel. Zowel verstechnisch als inhoudelijk sprak Perquins poëzie aan: ‘Het hele leven krijgt hier een plaats: onzwaarwichtig, geestig maar beslist niet oppervlakkig. […] Ze stelt vragen en reflecteert. Haar verzen doen de lezer stilstaan en denken.’ Veel lof voor vooralsnog onbewezen diensten.

    ‘Vooralsnog’, het staat er. Ester Naomi Perquin is niet van plan zich het vergeetgat in te dichten. Meer nog, daar hoort ze niet thuis. Al is Servetten halfstok misschien niet meteen gediend van bovenstaande jubeltaal. Het debuut dat de jury overweldigde kan heus wel wat overuurtjes gebruiken. Het is een behoorlijk werkstuk, op sommige momenten zelfs meer dan, maar te veel nog heeft Perquin een verzameling schetsen en vingeroefeningen aangelegd. Wat is verstechniek als de inhoud niet mee wil?

    Het leven is aan de onwetenden
    Servetten halfstok opent veelbelovend. De afdeling ‘Verloren schrift’ is veruit de meest fascinerende uit de hele bundel. In gedichten die terecht worden geprezen om hun knappe stijl, dubbele bodems en technisch vernuft, trekt Perquin de contouren van een leven dat zich tegelijkertijd met beide benen in én achter het dagdagelijkse ophoudt. Een vreemdsoortige melancholie dwaalt door de verzen. Vrijwel meteen merkt de lezer sporen op van iets wat is geweest of nog moet komen, maar dat in ieder geval een onvoltooidheid in zich meedraagt. Dat maakt van ‘Verloren schrift’ meer dan een collectie waarnemingen. Perquin legt hier processen bloot die immer latent aanwezig zijn, en die de goede observator wel weet liggen, maar niet noodzakelijk kan duiden. Als een bijzonder type notulist gaat ze aan de slag: ‘Zo is iets neergezet dat hoorbaar was maar / nooit kan worden naverteld. Hij kent / de beste tekens voor hun radio’s / hun thuiskomst en hun stemgeweld. // Hij stelt op schrift zijn horen bij, / noteert de koppigste muziek / van hun espressoapparaten.’ (uit: ‘De notulist’)

    Ook de identiteit van de dichter (of de personages) zelf lijdt aan een onzeker bestaan. ‘Hoe weten zij hoe ik mij was?’ klinkt het in ‘Reïncarnatie’, terwijl het hele gedicht door de ik-figuur die eigenheid ook niet krijgt gedefinieerd. Markeren is de boodschap, je stempel achterlaten. Dat kan schijnbaar heel eenvoudig: ‘Slaap met het harigste huisdier in bed, / druk vingers op ramen, hang op het balkon / je opvallendste plunje voor buren te kijk. / Stink. Bak koolraap met uien en vis.’ (uit: ‘Inval’) Toch resoneert in die methodiek het besef van vergankelijkheid sterker dan de vreugde om het gewonnen terrein. De sluiers die over de dagdagelijkse werkelijkheid liggen verbergen eveneens een weliswaar niet dreunend aanwezige ? alledaagsheid. Wat schiet een mens ermee op om tot dat besef te komen? Ook Perquin ziet die beperking: ‘Eenmaal boven is de druk zo laag / dat elk besef hoe log, hoe zwaar, / hoe traag van zwaartekracht verdwijnt. / Wat niet weet, wat niet valt.’

    De wereld als schriftuur
    Geregeld leidt in Servetten halfstok de wetenschap of de plotse bewustwording tot een verzwaring van het gemoed. In ‘Toen wel’ bijvoorbeeld, maakt de kleine confrontatie het grote besef: ‘Pas toen hij een jongen eieren / kapot zag gooien zomaar, / met naakte kuikens erin.’ Onwetendheid maakt vrij, of bestendigt die vrijheid; het besef creëert een gebondenheid aan het eigen leven, een bijna angstige reflex van veralgemening die ook het eigene met zwaartekracht overlaadt. Een gevolg kan zijn dat de zwaarmoedigheid gaat regeren en alle impulsen tot geestelijke lichtheid overstemt: ‘Laat het na deze winter nog eens winter zijn. / Geen statig broeden meer. Geen kievitsei. / Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest. / Ik hoop dat de kou de grond voorgoed verpest / met alles dat nog kiemen zou daarbij.’ (uit: ‘Winter’). De zachtheid is ongeloofwaardig geworden.

    Literatuur, of liever het schrift heeft een functie als bewaarmiddel. Ze legt het latente bloot, behoudt de trekken van het beschrevene. Maar het geschrevene kan ook een indringender rol spelen, ‘Verloren schrift’:

    ‘Waar hij eerder nog kon jagen
    en wij lazen: bos vol beesten,
    hoge lijven, volheid op papier
    veelpotig, niet te tillen door getal
    of de zwaarte van geweien

    trillen nu schraal beschreven vellen,
    toont hij angstig wat hij heeft geschoten
    wat te zien is in zijn reservaten:
    waterplaatsen, droog gelaten,
    oude herten zonder poten.

    Soms laten ze zich, lijkt het,
    even lokken met betekenis:
    aanzetten tot jonge dieren
    nog in nesten, schetsen
    waar niet van te eten is.’

    Het is de wereld die gelezen wordt, soms geheel verdraaid. Ook hier treedt een verschuiving van de interpretatie op, na een bewustwording, bij het opgroeien… De lectuur van de werkelijkheid is onderhevig aan het opschuiven van de blik. In die zin hanteert Perquin literatuur/taal als gewoon en alledaags fenomeen: ‘Maar onverstoorbaar is er brood / en al hetgeen er dient geschreven, / de tafel met het kind daaraan, / schone was, dagelijks leven.’ (uit: ‘Ten ruste’) De verbeelding ontrukt de literatuur aan de wereld, met alle gevolgen van dien: ‘Dat ik je moet verlaten / om verhalen van te maken.’ (uit: ‘Verhalen’) De verdraaiing die dan gebeurt, is een uitvergroting van wat de mens tegen het vergeten aanmaakt. Overblijvende beelden stemmen niet meer overeen met wat verloren is gegaan. ‘[H]etgeen er dient geschreven’ is wat nog in de herinnering moet voortleven. En ook daar is sprake van dubbelspel: het geheugen onthoudt niet altijd datgene wat we willen zien overleven. Soms zijn we ‘slecht in […] vergeten’ (uit: ‘Weerzien’), terwijl ‘mouwen om de hals geslagen, / in slaap geraakt, eenmaal ontwaakt / nooit armen zijn’ (uit: ‘Ten ruste’).

    Stijl, die diepte
    In Servetten halfstok gaat Ester Naomi Perquin op een overtuigende wijze aan de slag met taal. De stijl die ze in de eerste afdeling hanteert, blijft ook in de rest van de bundel behouden, maar de inhoudelijke diepgang gaat af en toe geheel verloren. Dat schept de indruk dat er een hoopje losse gedichten bij elkaar is gezet, gedichten die weliswaar elkaars aanwezigheid verdragen, maar de onderlinge betrokkenheid zijn kwijtgespeeld, geen meerwaarde meer bieden. Er is gebundeld wat ook ongebonden had kunnen bestaan. Zo lijkt de urgentie zoek. De schetsen die in het eerste luik nog zinvol veelgelaagd en onverwacht uit de hoek kwamen, zijn nu enigszins vervallen tot observaties en daaraan gekoppelde vingeroefeningen. Goed geschreven maar zonder overkoepelende zin. Een test in het schrijven van poëzie. Jammer, want op die manier krijgt de bundel in zijn geheel een wat onaangename nasmaak. Niet het beste wat een debuut kan zijn of al is geweest in andermans handen, maar op zijn minst beloftevol te noemen.

     

    Ester Naomi Perquin, Servetten halfstok. Uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam, 2007.

  • Pijnlijk scherp en schitterend proza

    Pijnlijk scherp en schitterend proza

    Recensie door Anne-Marie van der Poel

    Laat je niet misleiden door te titel. Moedermelk is geen zoetsappig verhaal. Feilloos en doordrenkt van ironie legt Edward St Aubyn de schrijnende kanten van liefde, ouderdom en ouderschap open.
    Alles draait om de familie Melrose. Vader Patrick kampt met de vraag of hij zijn eigen cynisme, overgehouden aan een opvoeding door een afstandelijke moeder, niet zal overbrengen op zijn eigen kinderen. Dat zijn moeder inmiddels hulpbehoevend en dementerend is en haar landhuis en kapitaal na wil laten aan een new agebeweging en zijn vrouw hem na de geboorte van hun tweede kind seksueel links laat liggen, maakt zijn geestelijke gesteldheid er niet beter op.

    Wie bekend is met het eerdere werk van St Aubyn, Never Mind (1992), Bad News (1992) en Some Hope (1994), herkent in Patrick de ex-junk die seksueel misbruikt is door zijn aristocratische vader. Sommigen zullen Moedermelk dus lezen als een verslag van het gezinsleven van een ex-drugsverslaafde, anderen zullen dit niet herkennen. De intensiteit van de roman blijft in beide gevallen hetzelfde.

    In stilistisch schitterend proza, doordrenkt van ironie en met schitterend scherpe dialogen laat St. Aubyn ons kennis maken met de familie Melrose. In vier delen, de maand augustus van 2000 tot en met augustus 2003 lezen we over hun teloorgang, telkens vanuit het gezinspunt van een van de gezinsleden. Want hoewel het stel in 2003 nog bij elkaar is, is er niets meer over van het gelukkige paar uit 2000. Het leven, de kinderen, de oude wonden hebben hun tol geëist.

    Voor Patrick is taal een wapen. Zijn frustraties (moeder, vrouw, ouderschap) uiten zich in scherpe monologen en analyses. Patricks zoon Robert heeft zijn opmerkzaamheid en stilistische begaafdheid geërfd en een familietrip naar Amerika wordt zo een haarscherpe en pijnlijke schets van de Amerikaanse deugden: ,, (…) een speciaal soort Amerikaanse zwaarlijvigheid; niet het met veel moeite vergaarde vet van een gastronoom, of het truckerpostuur van een vrachtwagenchauffeur, maar het voorzorgvet van mensen die hebben besloten hun eigen airbagsysteem te worden in een gevaarlijke wereld. Stel dat hun bus werd gekaapt door een psychopaat die geen nootjes bij zich had. Beter om nu maar vast een handje te nemen. Waarom zou je honger moeten lijden als de terroristen toesloegen?”

    Mary, de vrouw van Patrick, heeft zich na de geboorte van haar tweede zoon Thomas volledig op het moederschap gestort. In de woorden van Patrick: ,,Hij was getrouwd met Mary, een schat van een vrouw, en hij had haar veranderd in een martelwerktuig een krankzinnige echo van Eleanor veertig jaar eerder: nooit beschikbaar, voortdurend uitgeput omdat ze al haar energie stak in een altruïstisch project waarvan hij geen deel uitmaakte. Het wrange was dat hij dat had klaargespeeld door het soort vrouw af te wijzen dat een slechte moeder zou zijn geweest, een vrouw als Eleanor, en juist te kiezen voor een vrouw die zo’n goede moeder was dat ze niet in staat was ook maar één druppel liefde aan haar kinderen te laten ontsnappen.”
    St. Aubyn dringt niet alleen genadeloos door tot de kern van volwassen geesten en hun gevoelsleven, ook kinderen weet hij briljant neer te zetten. Het eerste hoofdstuk, waarin Robert beschrijft hoe het is om geboren te worden, verdient het een klassieker te worden. Wars van sentiment en volledig overtuigend. Niet veel schrijvers zullen het St. Aubyn na kunnen doen.
    Mother’s milk werd genomineerd voor de Booker Prize. Het werk van St. Aubyn werd veelvuldig vergeleken met dat van Evelyn Waugh en Graham Green.

     

  • Vereenzaamd meisje op een paardenfarm

    Vereenzaamd meisje op een paardenfarm

    De twaalfjarige Alice Winston woont met haar ouders in een afgelegen huis in Desert Valley. Haar moeder is na de geboorte van Alice in bed gekropen en komt er zelden meer uit. Haar vader probeert met veel pijn en moeite een paardenfokkerij draaiende te houden. Zus Nona, de lieveling van haar vader, is er een half jaar geleden vandoor gegaan met een rodeorijder.

    Alice is een stil en teruggetrokken meisje, erg eenzaam ook, ze heeft geen vriendinnen. Ze mist haar zus verschrikkelijk.
    “Ik wilde Valerie vertellen dat mijn zus ons niet belde, dat ze haast nooit schreef, dat ik me ‘s nachts in de stille donkere uren probeerde voor te stellen wat er in haar leven gebeurde, wat er zo opwindend en belangrijk was dat ze ons helemaal vergat en ons door het leven liet zwalken zonder haar.”
    Nona was degene die leven in de brouwerij bracht en eigenlijk de fokkerij draaiende hield. Zij kon lezen en schrijven met de paarden en presteerde goed bij wedstrijden.

    Sinds haar vertrek werkt Alice na schooltijd in de stallen en hoopt op een goedkeurend woord van haar vader.
    Als er een meisje dood aangetroffen wordt in het kanaal zegt Alice op school dat het haar vriendin was, wat haar aandacht oplevert. Alice liegt constant om zichzelf staande te houden.

    Die zomer stapelen de rekeningen zich op en voelt vader zich genoodzaakt de stallen beschikbaar te stellen voor de paarden van de rijke buren. Alice volgt met lichte verbijstering de gesprekken van de dames en observeert het gedrag en hun kleding. Gesloten als Alice is krijgt ze ook met deze vrouwen geen contact.

    Sheila Altman neemt les bij Alices vader en het is Sheila waarmee Alice dan ook een beetje contact heeft. Sheila is een naïef meisje, dat gek is op haar paard, het paard waar Nona vroeger op reed en wedstrijden mee won. Alice vindt haar eigenlijk maar een beetje dom. Voor haar vader liegt ze over haar en zegt dat Sheila goed rijdt, vorderingen maakt.

    Eén vrouw van de groep rijke dames springt eruit, zij is aardig, ziet dat Alice te weinig aandacht krijgt, uit haar kleren gegroeid is, teveel op zichzelf is aangewezen. Zij geeft Alice cadeautjes, zorgt voor passende kleding en Alice accepteert alles met een onvoorstelbare gelatenheid. De vrouw neemt les en vader geeft die les. Steeds vaker ziet Alice dingen tussen de vrouw en haar vader gebeuren maar ook dit accepteert ze stoïcijns.
    Een leraar heeft Alice verteld dat het meisje dat dood is gegaan hem vaak belde en op een dag begint Alice hem ook te bellen.

    “Ik draaide de telefoon om in mijn handen. De afgelopen weken had ik wel honderd keer in het telefoonboek gekeken, wel duizend keer bij mezelf het nummer herhaald. In mijn lichaam zat nu alleen nog lawaai: het drukte mijn longen plat en pompte door mijn ledematen. Mijn vingers bewogen over de telefoontoetsen alsof ze zich onder water bevonden, mijn hele lichaam verdronk in het kabaal van mijn eigen hartslag. De telefoon ging vijf keer over voor hij opnam.

    ‘Meneer Delmar?’ vroeg ik…”

    Er ontstaat een vriendschap die steeds verder gaat, steeds meer op het randje lijkt te worden.

    En dan komt haar zus terug.
    Aanvankelijk had ik een beetje weerzin tegen dit boek, vast weer een soort ‘paardenfluisteraar’ verhaal. Maar hoewel de paarden ook een belangrijke rol spelen is het een aangrijpend verhaal over een meisje dat zoekt naar enige vorm van liefde. Met haar bijna stugge houding tegenover andere mensen maakt ze het zichzelf niet makkelijk. Haar moeder leeft zo in haar eigen wereldje dat daar nauwelijks communicatie mee mogelijk is. Over de tijd dat haar moeder nog wel op de been was komt Alice met stukjes en beetjes wat te weten. Haar vader heeft hetzelfde karakter als Alice, hij is ook in zichzelf gekeerd en bovendien vol zorgen over de toekomst. Hij kan zichzelf nauwelijks overeind houden laat staan Alice opvangen.

    Het boek is in sobere stijl geschreven wat het eigenlijk nog aangrijpender maakt. Er gebeuren dingen die erg ingrijpen in het leven van Alice. Je verwacht steeds dat er iets gaat gebeuren maar dan blijken de gebeurtenissen heel anders dan de schrijfster je deed vermoeden. Het contrast arm/rijk komt schrijnend naar voren. Geen vrolijk boek, wel mooi.

  • Waar heb ik die naam eerder gehoord?

    Waar heb ik die naam eerder gehoord?

    De debutant Het aantal debuten dat wordt uitgegeven, groeit als kool. Dit blijkt ook uit het bericht, dat vorige maand in Boekblad stond: ‘Literair agent Sebes kent succesvol eerste half jaar’. Wie geregeld een boekwinkel bezoekt, ziet op de presentatietafels vaak boeken van debutanten liggen. Eén ding hebben deze debutanten gemeen. Ze hebben allemaal hetzelfde lastige proces doorgemaakt: het vinden van een uitgeverij en alles wat daar bij komt kijken. Of bijna allemaal, want er zijn altijd uitzonderingen.

    Zo is daar Jonathan van het Reve. Vierentwintig jaar oud, Vossiusgymnasiast, momenteel kok. En niet te vergeten: Jonathan is het kleinkind van Karel van het Reve en Gerard Reve was zijn oudoom. Hij debuteert met zijn novelle ‘De boot en het meisje’ bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Eerlijk is eerlijk: Jonathan hoefde er niet veel voor te doen. Hij had het als debutant wel erg gemakkelijk. Het schrijversleven werd hem in de schoot geworpen. Iemand van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar at namelijk in het restaurant waar Van het Reve werkte. Hij vroeg aan de debutant in wording of hij hem eens iets kon laten lezen. Dat gebeurde. Vervolgens vroeg de uitgeverij of hij niet een boek kon gaan schrijven. En dat kon hij. Dit is in het kort en in grote lijnen het verhaal over het ontstaan van de novelle ‘De boot en het meisje’, die in een prachtig, verzorgde uitgave is verschenen. Je kunt het niet echt een romantisch verhaal noemen over het ontstaan van schrijverschap of over het hebben van bepaalde drijfveren als jonge debutant.

    Het boek

    ‘De boot en het meisje’ gaat over Leo die een oogje heeft op Rosa, ook al wordt dit niet expliciet genoemd. Hij gaat een boot kopen en heeft iemand nodig die samen met hem de boot uit Lauwersoog wil halen. Leo hoopt dat Rosa met hem meegaat, maar die houdt de boot af. Rosa is een echt literatuurmeisje: je hebt eerder over haar gelezen in de romans van Zwagerman en Giphart. Ze is moeilijk te vangen, vaag maar ook stellig. Leo is een doorzetter en hoopt dat ze toch met hem meegaat. Hij bezoekt Rosa geregeld in het café waar ze werkt en nodigt haar uit voor het eten. Wat er ook gebeurt: het blijft een vriendschappelijke relatie.

    De twee hoofdpersonen hebben niet veel om het lijf. Van het Reve diept de personages onvoldoende uit om je goed te kunnen identificeren met Leo en Rosa. Wat Van het Reve wel goed beschrijft, zijn de dialogen. Er wordt veel gepraat in de novelle. Tussen Leo en Rosa, maar ook tussen Leo en zijn buurman. Het zijn vooral deze gesprekken die noemenswaardig zijn. Ze zijn namelijk zo nu en dan erg grappig, puntig en scherp geformuleerd.

    Uiteindelijk haalt Leo de boot alleen op. Het symboliseert zijn eenzaamheid. Het ophalen van de boot moet je ook zien als een vlucht uit de grote stad. Leo wil graag gaan varen en zijn dagelijkse sleur hiermee doorbreken, want hij verveelt zich. Omdat de hoofdstukken ook nog eens in dagen zijn verdeeld, ligt een vergelijking met de grootse roman ‘De avonden’ van zijn oudoom natuurlijk op de loer. Maar in tegenstelling tot de roman van Gerard Reve, is deze novelle niet aangrijpend. De karakters zijn niet verrassend, stilistisch gezien valt er weinig te genieten en het verhaal beklijft niet.

    Het pseudoniem

    Van het Reve wil serieus genomen worden. Dat waren zijn woorden in een interview met de Leeuwarder Courant. Als iemand zegt dat hij serieus wil worden genomen, moet je oppassen want dan is er iets aan de hand. In het geval van Van het Reve, doelt hij op zijn achternaam. Ja, daar kun je niet omheen. Maar waarom koos hij dan niet voor een pseudoniem? Dat zou veel beter zijn. Je wordt dan niet meteen vergeleken met je familieleden. Van het Reve zegt, dat zijn eigenlijke naam toch uit zou komen. Daar heeft hij gelijk in. Vroeg of laat komt er iemand achter, maar goed, als je direct onder een pseudoniem schrijft, heb je niet meteen te maken met recensenten die in iedere recensie je grootvader of oudoom aanhalen. Even later blijkt de eigenlijke reden waarom er niet voor een pseudoniem is gekozen. Volgens de uitgeverij worden er op voorhand al duizend exemplaren verkocht, omdat Jonathan de achternaam Van het Reve heeft. Zou dat ook de drijfveer van deze jonge debutant zijn geweest?

    Jonathan van het Reve – De boot en het meisje, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 128 pagina’s, 978 90 388 9007 4

    Bart Temme

  • Balanceren op een lijn tussen rust en onrust

    Balanceren op een lijn tussen rust en onrust

    Tegen de achtergrond van het huwelijk van prins Charles en lady Diana in 1981, wordt de zeventienjarige Lara door haar vader uitgenodigd voor een vakantie bij vrienden in Toscane. Ze laat haar hippie-achtige moeder achter in hun multiculturele Londense wijk, en treedt binnen in de decadente wereld van de nouveau riche. Opgevoed met de boeddhistische wetten van haar moeder, waarin sociaal gevoel de boventoon voert, is Lara nu overgeleverd aan een sfeer van wantrouwen, verveling en egocentrisme.

    In de nieuwe roman ‘Liefdesval’ van de Engelse schrijfster Esther Freud (1963) volgen we de adolescent Lara in haar proces naar volwassenheid. Haar ouders zijn op milde wijze gescheiden toen ze nog jong was, en Lara heeft een acceptabel contact met Lambert, haar vader. Door haar moeder is ze overspoeld met liefde en genegenheid tijdens hun reizen naar talloze spirituele plekken, en ook nu zijn ze bijzonder close. Haar relatie met Lambert behoeft aandacht en de reis naar Toscane lijkt daarvoor het uitgelezen moment.

    Lambert is een kamergeleerde op leeftijd die met geen stok Londen uit te krijgen is. Tot Lara’s verbazing besluit hij op de uitnodiging van zijn goede Italiaanse vriendin Caroline in te gaan en na een humoristisch beschreven treinreis, arriveren vader en dochter in Siena. Daar wordt duidelijk waarom hij bereid was zijn geliefde Londen te verlaten.

    Lara raakt in verwarring als ze van Caroline verhalen hoort over Lamberts leven van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Alsof dat haar niet genoeg kopzorgen oplevert, komt ze ook nog eens in contact met Caroline’s buren, de schreeuwerige, rijke familie Willhoughby. De pater familias heeft het helemaal niet op Lambert en de onderhuidse woede verhit menig eetfestijn. Daardoorheen wentelen zich de andere Willhoughby’s, de een nog cynischer dan de ander, met een loffelijke uitzondering voor zoon Kip, de vriendelijke maar gemakzuchtige erfgenaam. Lara wordt smoorverliefd op hem, en hij gelukkig ook op haar.

    Op zeer aannemelijke wijze neemt Esther Freud de lezer mee in de twijfels en onzekerheden van Lara. Zolang ze in haar eigen wereldje functioneert is Lara een stabiele persoonlijkheid met voldoende zelfvertrouwen, maar ze weet niet wat ze aan moet met de egocentrische Willhoughby’s die gewend zijn altijd hun zin te krijgen. Ze wordt schandelijk lastig gevallen door de ploert van de familie, vangt geheime conversaties op, ziet hoe laatdunkend sommige vrouwen behandeld worden, twijfelt aan de gevoelens van Kip en ze weet niet wat ze moet doen.

    Zeer fraai is de aandacht die Freud besteedt aan de vader ? dochterrelatie. Lambert is een wat zorgelijke charmeur met bindingsangst. Hij is bescheiden en erudiet en gaat volledig op in het schrijven van een geschiedenisboek dat de hele twintigste eeuw beslaat. In een interview met de Volkskrant van 22 juni j.l., noemt Esther Freud hem ‘een galante vriend voor heel wat vrouwen, maar uiteindelijk blijft hij formeel en zelfs koud.’ Aan het eind van het boek wordt duidelijk waarom.

    Als vader is hij zorgzaam en lief. De beschrijving van de manier waarop hij Lara’s zwemkunsten tracht te verbeteren, is van een adembenemende schoonheid, en is voor mij de sleutelscène van het boek. Bij haar moeder kan ze al spartelend haar eigen persoonlijkheid ontdekken, waarna haar vader haar de structurele aanwijzingen geeft waarmee ze het hoofd boven water kan houden.

    Tijdens een gesprek bij de waterval ‘La cascata dell’amore’ (de liefdesval) is Lara geschokt, als Lambert opbiecht dat hij nog nooit verliefd geweest is. Hoe zit dat dan met de relatie tussen hem en haar moeder? En houdt hij wel van haar, Lara? En al die andere vrouwen, waaronder Caroline, wat voelt en voelde hij voor hen? Ineens ergert ze zich aan zijn houterige lichaam in dat te kleine zwembroekje, maar ze raakt ook ontroerd als bij het zien van zijn kaler wordende kruin.

    De Willoughby’s die iedereen tegen elkaar uitspelen, de doodzieke Caroline, de wisselende gevoelens voor haar vader, de twijfel of Diana wel gelukkig zal worden met Charles: het tolt door haar hoofd. Daarbij is ze verliefd op Kip en haar ontluikende seksuele gevoelens zijn ontwapenend beschreven. Of het een stille verwijzing is naar overgrootvader Sigmund weet ik niet, maar Esther Freud beschrijft op grappige wijze Lara’s blijmoedige obsessie voor penissen. Ze wil er dolgraag eentje ‘in het echt’ zien en bij een bezoek aan het Palazzo Pitti vindt ze het jammer dat er alleen maar beelden staan van mannen met een afgehakt geslacht.

    De schrijfster weet de innerlijke onrust van Lara te benadrukken door het zinderende Siena tijdens de jaarlijkse paardenraces als achtergrond te gebruiken. Deze beroemde ‘palio’ op het vierkante stadsplein is een broeinest van opwinding en levensenergie. Op de juiste momenten brengt ze echter rust in het verhaal door Caroline’s zwembad een centrale plaats te geven. Deze fragmenten van lome verkoeling doen sterk denken aan de film ‘Swimmingpool’ van François Ozon.

    Dit balanceren op een lijn tussen rust en onrust wordt consequent volgehouden en dat maakt ‘Liefdesval’ een roman vol tegenstellingen: eenvoud (Londense woonsituatie Lara) versus decadentie (de rijke Willhoughby’s), Oost (boeddhisme) versus West (egocentrisme en maakbaarheid), ouderdom en dood (Lambert en Caroline) versus vruchtbaarheid en levenslust (de verliefdheid van Lara en Kip).

    Een meisje van zeventien dat met haar vader op vakantie is. De brandende zon, de mediterane sfeer, rijkdom, verliefdheid, onuitgesproken emoties, onderling wantrouwen en uiteindelijk de dood. ‘Liefdesval’ doet in een aantal opzichten denken aan de in 1953 verschenen roman ‘Bonjour Tristesse’ van Françoise Sagan. Hoewel daarin vader Raymond sterk van Lambert verschilt, beschrijft dochter Cecile de volgende scène: ‘Hij had werkelijk niets van de klassieke ‘oude vader’. Terwijl wij dansten ademde ik diep zijn geur van eau de Cologne, warmte en tabak in.’ Dit fragment had letterlijk in ‘Liefdesval’ kunnen staan.

    Dat dit boek net zoveel ophef zal veroorzaken als destijds ‘Bonjour Tristesse’, verwacht ik niet. Wel is ‘De Liefdesval’ een prachtige roman over het verliezen van onschuld, het zoeken naar de eigen levensweg en ja, ook van het begroeten van de droefheid. Maar bovenal is het een verhaal over een vader en een dochter, die via teder zoeken hun broze relatie aftasten en daardoor nader tot elkaar komen.
    ‘Tot ziens,’ zei ze nogmaals. ‘Tot gauw.’

     

     

     

  • Een persoonlijke vertelling

    Een persoonlijke vertelling

    In de tuinkamer van hun Haarlemse woning beleeft Louis Ferron, schrijver en partner van Lilian Blom, de laatste weken van zijn leven. Op zijn sterfbed vraagt hij zijn echtgenote te noteren wat hij zelf niet meer zal kunnen schrijven over zijn leven. En hoewel ze al regelmatig columns schreef en docente Engelse literatuur is, ontstond zò pas haar eerste boek: een debuut dat er mag zijn en dat ik tip als een van de kanshebbers voor de Debutantenprijs 2007.

    We kunnen dit boek onmogelijk een roman noemen, omdat het geen fictie is. Maar de term non-fictie is hier ook niet op z’n plaats: daarvoor is de vertelling te persoonlijk. “Een memorie” luidt de ondertitel van De Tuinkamer en misschien is dat wel de beste omschrijving. Want naast de dramatische gebeurtenissen van deze laatste weken komen de herinneringen aan hun gezamenlijk leven en hun jeugdervaringen als vanzelf naar boven en vervlechten zich met het verhaal. Twee verhaallijnen krijgen we aldus gepresenteerd, die elkaar steeds na enkele bladzijden op een natuurlijke wijze afwisselen. Soms ingeleid door een toepasselijk citaat uit een van Ferrons boeken. Op zijn sterfbed komen deze verhaallijnen samen.

    Nadat hij zich al een paar weken niet lekker gevoeld heeft, bezoekt Louis de huisarts, die de ernst van zijn klachten onderschat. Kort daarna krijgt hij hevige pijnen en wordt er door de internist geconstateerd dat er geen hoop op genezing meer is: binnen enkele weken zal hij overlijden aan kanker. De klap komt hard aan. Het verloop van de daarop volgende zware en emotionele weken vormt de eerste lijn.

    De tweede verhaallijn is het verhaal van hun relatie: vanaf de dag dat ze elkaar ontmoeten tot het moment dat ze elkaar twintig jaar later bij het sterven van Louis moeten loslaten. Daarin komt ook hun beider jeugd ter sprake. Zij is de dochter van een joodse man en een Nederlandse vrouw, hij (geboren in de oorlog) is de zoon van een getrouwde Duitse man en een ongehuwde “moffen-hoer”. Ze vertellen elkaar hun levensgeschiedenis in het begin van hun relatie, maar gaan ook samen op zoek naar de antwoorden die ze van hun ouders niet kregen. Vooral het verhaal van Ferron is schrijnend. Zijn echte moeder hoefde hem niet en gaf hem mee aan zijn vader. Diens vrouw, die zelf geen kinderen kon krijgen, voedde hem liefdevol op tot het moment waarop de vader overleed. Toen werd hij (6 jaar oud!) opgeëist door zijn echte moeder en zijn grootouders, die hem liefdeloos behandelden. Zijn leven lang bleef hij zoeken naar allerlei antwoorden en vond de meeste, sommige nog vlak voor zijn overlijden.

    Het thema is triest, maar het is te mooi beschreven om ongelezen te laten. Lilian Blom is er in geslaagd een gevoelig, maar nergens sentimenteel beeld van deze laatste weken te schilderen. En tevens een realistisch beeld: het gewone leven gaat door. Er moeten allerlei zaken geregeld worden. Toch schrijft ze niet afstandelijk: ze blijft er volop bij betrokken. Haar wanhoop, woede, verdriet verstopt ze niet. Dat het boek toch niet dieptreurig, maar ontroerend geworden is, komt denk ik mede door de sterke band tussen beiden die uit de tekst spreekt. En door de milde humor die toch ook hier en daar doorklinkt. Maar niet in het minst doordat ze tevens laat zien wie Ferron werkelijk was: een gevoelig, kwetsbaar mens, getekend door een verpestte jeugd. En dat is geen fictie…..


  • Een bijzonder debuut

    Een bijzonder debuut

    In het debuut van Philip Snijder zien we Bickerseiland (Amsterdam) door de ogen van een 11-jarige jongen. Hij woont daar samen met zijn ouders. Zijn moeder heeft altijd op het Bickerseiland gewoond, evenals haar familie, ooms en tantes, neven nichten. Iedereen loopt bij elkaar in en uit, een privéleven is er nauwelijks. De familie bestaat uit sjacheraars, ze leven van de autosloop en louche handeltjes of zijn werkeloos. Iedereen was ‘eigen’ van elkaar. ‘Eigenlijk bewoonden wij gezamenlijk één enorm onderkomen, met lange gangen en vele kamers, dat zich uitstrekte van het Bickersplein tot de brug naar de Realengracht.’

    Zijn vader is een Groninger die moeite heeft met deze enorme familie, hij zal altijd een buitenstaander blijven. Wel komt iedereen naar hem toe als er ‘moeilijke’ brieven geschreven moeten worden. Maar de jongen begint zich steeds minder ‘eigen’ te voelen.

    ‘De gedachte die ik de afgelopen tijd steeds moeilijker kon wegduwen was dat er iets vanzelfsprekends aan mij ontbrak en dat in mijn familie dit besef aan het doorbreken was: dat die jongen van Beppie, als was hij tussen hen geboren en opgegroeid, niet een eilander was als zij.’

    Het probleem is dat hij goed op school is. Hij kan goed leren en wil gaan doorleren. Er is een heilig ontzag voor dit gegeven. Als de jongen zijn Franse les moet leren houdt heel de familie zich stil. Wat uniek is, alles zit altijd bij opa en opoe en ratelt en kwettert door elkaar heen. Ook de jongen gaat vanuit school nooit naar huis maar naar opoe.

    Via zijn heldere observaties maken we kennis met de handel en wandel van de familie. De oom die elke dinsdag beschonken thuis komt, maar hij is wel altijd vóór het eten thuis. De oom en tante waarvan de jongen het zondagskind is, wat inhoudt dat hij elke zondag even bij ze op viste gaat en een ‘piekie’ (gulden) krijgt. Opa en opoe die de spil van de familie zijn. De vrouwen die uit het raam hangen en overal commentaar op hebben. Geweldig is het verhaal van het feest waar iedereen opgedoft naar toe gaat. De hele buurt leeft mee. Maar ook maken we kennis met zijn ouders die steeds vaker ruzie hebben. De jongen ziet het maar sluit zich er voor af, totdat het niet meer kan.

    De buurt is benauwend en warm, hilarisch en triest, kleinzielig en groots. Philip Snijder heeft alles haarscherp geregistreerd, tot in details, de sfeer op Bickerseiland proef je, maar hij heeft buiten het verhaal van het eiland ook enkele personages neergezet die je niet snel zal vergeten. Vooral de vader die waardig overeind probeert te blijven onder het geweld van de luidruchtige, vrij platvloerse familie. Verder de jongen zelf, die een innerlijke ontwikkeling doormaakt waarin hij soms naïef en soms wijs is. Een bijzonder debuut en met veel plezier gelezen.

     

  • Sommige schrijvers debuteren wanneer ze al oud zijn

    Sommige schrijvers debuteren wanneer ze al oud zijn

    In zijn vorige leven was Paul Pennartz (1935-2011) helemaal nog geen schrijver. Toen was Dr. Paul Pennartz bekend als sociaal wetenschapper die in 1999, samen met een vrouwelijke hoogleraar sociologie, een werk in het Engels publiceerde: The Domestic Domain: Chances, choices and strategies of family households. Verder leverde hij een bijdrage aan een bundel verhalen en gedichten van Limburgers, die de provincie literair gezicht hebben gegeven. In 2002 werd hij ‘debutant’ genoemd. Voor de wedstrijd ‘Muzikaal verhalen’ schreef hij: De dood en het meisje.

    Hij was lange tijd werkzaam bij de Vakgroep Ecologie van het Wonen, aan de Universiteit van Wageningen. Hier publiceerde hij veelvuldig over omgeving en wonen, maar ook over semiotiek.(De studie van tekens en tekensystemen). Kennelijk heeft hij een tijd van zijn jeugd doorgebracht in Limburg. Dit landsdeel vormt het décor voor veel van zijn korte verhalen. In 2004 verscheen er een verhaal van hem in De Gids.

    De tien verhalen in Een zeer lichte ruiter worden op een zeer subtiele manier met elkaar verbonden. Alle hoofdpersonen zijn op het eerste gezicht doodnormale mensen. Ze lijken weggelopen uit het alledaagse bestaan. Maar zij worden op een bepaald moment geconfronteerd met iets onverwachts. Er is een ongelukkige samenloop van omstandigheden of een noodlot dat toeslaat, soms veroorzaakt door menselijk falen of nalatigheid. Soms zelfs door een gevaarlijk spel of onbenulligheid. Maar deze gebeurtenis heeft in de verhalen van Pennartz altijd grote gevolgen. Een onbewaakt moment kan leiden tot een drama. Hiermee is ook de titel van het boek verklaard. Het verwijst naar een uitspraak van de Ierse schrijver, satiricus en pamflettist Jonathan Swift (1667-1745). “De rede is een zeer lichte ruiter die gemakkelijk van het paard wordt geworpen.”

    In het verhaal ‘Een requiem voor Eddie’ droomt een jongetje tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat hij iets vindt, een voet, die begraven moet worden. Bij dit begraven wordt hij met zijn broertje, die zijn broertje niet is, maar een joods kind, betrapt door Duitsers. Hij is getuige van het gevangen nemen van het joodse kind. Dat blijkt hij gedroomd te hebben, maar wat er zich later in werkelijkheid gaat voltrekken is nog veel aangrijpender. Het roept vragen op, die het jongetje niet kan beantwoorden. Eigenlijk heeft hij de juiste verhouding niet gevonden tot wat er is gebeurd. En deze juiste verhouding is op een subtiele wijze vaker zoek, soms zelfs zonder dat we het direct als lezer merken. Het eind van dit verhaal weggeven zou niet juist zijn, dat moet men juist lezen.

    En zo zitten alle verhalen in deze bundel vol met onverwachte wendingen. Vanuit verschillend perspectief nemen we kennis van de situatie, maar deze blijkt aldoor vol te zitten met dubbele bodems. Zoals bijvoorbeeld in het verhaal ‘Terug naar het einde’ waarin een joods meisje na de oorlog verschijnt aan de deur bij het onderduikadres van haar ouders. Ze zijn verraden en naar een kamp gevoerd waar hen de dood wachtte. De oude man, die de deur opent, zal haar met een vreselijk geheim confronteren.

    Pennartz dringt zich echter, ondanks de indringende werking van zijn verhalen, als verteller nimmer op de voorgrond. Integendeel, hij vertelt een rustig verhaal, onderbreekt dit met dialoog of conversatie en dan plotseling is de aandachtige lezer middenin het verhaal gezogen met zijn aandacht en ontdekt dat er veel mysteries zijn, die pas tegen het einde van ieder verhaal ontraadseld worden.

    Het is buitengewoon knap dat Paul Pennartz zijn stijlmiddelen zo weet in te zetten dat ze het verhaal als vanzelfsprekend ondersteunen. Deze middelen ( o.a. de terugblik) werken op de lezer hetzelfde als de effecten van de handeling in het verhaal werken op de hoofdpersonen. Ze nemen hem mee, zetten hem op het verkeerde been en laten hem wanneer hij de situatie helemaal door heeft, zitten met een diep gevoel van betrokkenheid. Op deze wijze worden de hoofdpersonen in de verhalen tot spelers in de drama’s van het leven. Shakespeare (1564-1616) schreef eens: “All this world is but a play, Be thou the joyful player.” De hoofdpersonen in de verhalen van Pennartz komen er echter niet zo makkelijk af. Of het nu Nol is, de hoofdpersoon uit het titelverhaal, die pas heel laat beseft, wat er allemaal is gebeurd of de slager uit het verhaal ‘De mooiste stilte’ ze zijn allemaal gevangen door een voorval, waarbij ze de controle kwijt waren. Waarbij ze er even niet ‘waren.’ Of van hun paard leken te zijn gevallen. Kortom ze waren even de regie kwijt.

    Maar de schrijver laat ons nimmer met een vervelend gevoel zitten. Hij laat ons zien dat het doodgewoon is dat we af en toe geplaagd kunnen worden door vluchtige bezoekingen. Of misschien ook weer niet?


     

     

  • Een spel met de taal

    Met Spel heeft Stephan Enter zijn tweede roman geschreven. Eerder verschenen van zijn hand de verhalenbundel Winterlicht en de roman Lichtjaren, die allebei werden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Met zijn nieuwe roman gaat hem dat vast en zeker weer lukken.

    De roman bestaat uit elf hoofdstukken en in ieder hoofdstuk staat een spel centraal. De ene keer gaat het om een takjesrace in een riviertje, de andere keer gaat het om Scrabble. Enter schetst op een mooie, bijna melancholieke, manier het leven van Norbert Vijgh, hoofdpersoon van de roman. Je leest zijn groei van kind naar adolescent. Vergelijkingen met Anton Wachter, een romanpersonage van Simon Vestdijk, zijn snel gemaakt.

    Vooral de vroege jeugdherinneringen zijn goed en overtuigend beschreven. De manier waarop Norbert met zijn vriendjes omgaat en kattenkwaad uithaalt, doet je terugverlangen naar je eigen kindertijd. Ook krijg je als lezer een goed beeld van het dorpsleven. Zo is daar het hoofdstuk ‘Hofnar’, één van de hoogtepunten uit de roman. In dit hoofdstuk maken we kennis met de dorpsgek Jeetje, die de aandacht van de bewoners uit het dorp weet te trekken door sigarenbandjes uit zijn hoed te toveren. Als Enter het personage beschrijft, valt je op met welke precisie en hoe goed dat gebeurt.

    Jeetje is oud. Hij is compact, grijs, stoppelig. Zijn ademhaling piept als een roestig wiel. Hij draagt een antracietkleurig jasje, zo sleets dat het zelfs bij de panden glimt, een broek die met bretels omhoog wordt gehouden, en schoenen met loshangende veters. Tussen wijs- en middelvinger van zijn linkerhand steekt een doorweekt stompje sigaar. Zijn gezicht wordt gedomineerd door een blinkende haviksneus waar zwarte haartjes uitkruipen en een gebit met vergeelde, half weggebrokkelde tanden. Dat laatste zie je zodra hij je in de gaten krijgt.

    Stilistisch gezien is Stephan Enter erg sterk. Op iedere bladzijde schuilt wel een fraaie zin of een goede vergelijking. Enter speelt met de taal en als lezer geniet je daarvan. Ook de perspectiefwisselingen zijn mooi, van alwetende verteller naar een ik-verteller, ook al merken veel lezers dat misschien niet op.

    Niet ieder hoofdstuk is even geslaagd. Zo valt het hoofdstuk ‘Job’ een beetje buiten de boot, omdat het tegen het magisch realisme aanhangt. In dit hoofdstuk ziet Norbert, geveld door koortsaanvallen, namelijk de bijbelse figuren op de glas-in-loodramen in de kerk tot leven komen. Het hoofdstuk is wel op een knappe manier verteld. In ‘Stoelendans’ beschrijft Enter het schoolleven, maar helaas gebeurt dat erg clichématig. Je kent het zo langzamerhand wel: de grapjes die scholieren uithalen bij elkaar en de docenten en de beschrijvingen van de leuke en minder leuke leraren en hun karaktertrekken. Ook treffende zinnen en vergelijkingen zijn in dit hoofdstuk weinig te vinden.

    Gelukkig is er een krachtige afsluiter, want in het elfde hoofdstuk, en tevens langste hoofdstuk uit de roman, schetst Enter een uitstekend portret van de grootmoeder van Norbert. Opnieuw in een sterke stijl en opnieuw een prachtige karakterisering. Als lezer zie je, hoe de grootmoeder een enorme indruk maakt op haar kleinzoon. Je ziet dat haar persoonlijkheid invloed heeft op de jonge Norbert. Hij wil zich graag spiegelen aan haar gedrag en haar woordgebruik. Hij wil zelfs in ‘haar tijd’ leven. Dat is een mooi beeld en zegt ook veel over Norbert, die van speels, ondeugend kind uitgroeit tot een intelligente jongen.

    Het literaire jaar is nog maar net begonnen, maar Spel verdient zeker een plaats op de longlist, zoniet de shortlist, van de Libris Literatuur Prijs 2007.

    Stephan Enter – Spel, Uitgeverij G.A. van Oorschot, 320 pagina’s, 978 90 282 4072 8

    Bart Temme

  • Briljante uitdrukkingen en geniale woordkeus

    Briljante uitdrukkingen en geniale woordkeus

    Recensie door Welmoed van Dijken

    ‘Het eerste bezoek was een klucht. Niet zomaar banaal lachen en dijen kletsen. Nee, het was, hoe meer ik erover nadenk, de verfijnde onderbroekenlol van een oude professor die te midden van kunst en antiek plotseling tegen me zei: “Laat uw broek maar even zakken.”‘

    Wie had ooit gedacht dat deze aanlokkende openingsalinea door ons eigen Peter Brusse werd opgeschreven? Brusse, bij het grote publiek voornamelijk bekend als voormalig buitenlands correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal in Londen maakt met het vlindernet zijn debuut als romanschrijver. En doet dat behoorlijk goed, om het nog zacht uit te drukken. Met veel zelfspot en fantasie doet Peter zijn verhaal. Want lachen in een wijde onderbroek? Waarom ook niet.

    Peter en zijn vrouw Sylvia doen al jaren hun best om nageslacht ter wereld te brengen. Het mag na 3 jaar echter nog steeds niet baten. De chique dokter zegt dat de oplossing simpel is: gewoon een wijde onderbroek, strak bevorderd de onvruchtbaarheid namelijk (´een strakke slip voor de veilige wip. Ik zal het een vriend vertellen. Hij schrijft reclameteksten´). Na ettelijke maanden zonder zwangerschap blijkt het probleem toch iets verder te gaan dan de radicale verandering in de omvang van het ondergoed. In de swinging sixties van de bruisende stad Londen onderzoekt dit koppel van honger en dorst de oorzaak van hun kinderloosheid (´Kinderloosheid is niet erfelijk. Mijn schoonmoeder vond dit geen geestige opmerking´). De kenmerkende vrije geest van de jaren zestig is in volle glorie aanwezig. De Beatles, Biba, de ontdekking van de pil, de legalisering van abortus en seks als zorgeloos volksvermaak komen aan bod. Zowel Peter als Sylvia plegen op een goede dag overspel. Dit is echter prima te vergeven, want kom op, het zijn de jaren zestig! Peter laat ons weten dat wij in het milennium, met al onze nieuwe electronica en medische wonderen, weinig kaas hebben gegeten van het echte leven. Je zou na het lezen van Met vlindernet door swinging Londen een moord doen om veertig jaar geleden jong en domweg gelukkig te zijn.

    Met vlindernet door swinging Londen werd jammer genoeg niet overal goed ontvangen. Velen zijn het er over eens dat Brusse het maar gewoon bij zijn dagelijkse taak als correspondent moet houden. Gelukkig zijn er ook genoeg mensen (weliswaar mét vrije geest en vlindernet) die vinden dat Peter Brusse hier een pracht van een debuut uit zijn mouw heeft geschud. De leuke (soms zelfs leerzame) anekdotes, onvoorspelbare wendingen en de ietwat luchtige, maar zeer zeker niet oppervlakkige woordkeus laat zowel Brusse als Londen op zijn best zien. Het allermooiste aan het vlindernet zijn toch wel de briljante uitdrukkingen en geniale woordkeus. Peter Brusse schrijft ontroerend, humoristisch, intelligent en is niet bang om zich letterlijk en figuurlijk bloot te geven. Laten we hopen nog veel moois van zijn hand te kunnen lezen.