Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Beeld van een gereserveerd man

    Beeld van een gereserveerd man

    Recensie door Levi Enfield

    Zomertijd is het derde deel van het autobiografische project dat Nobelprijs-winnaar J.M. Coetzee aanving met Jongensjaren en voortzette met Portret van een jongeman. In de smetteloze vertaling van Peter Bergsma beleeft dit boek een wereldprimeur in het Nederlands, een taal waar Coetzee een minstens ambivalente verhouding mee heeft. Het is een taal die hij beheerst, hij is in staat een bloemlezing Nederlandse poëzie te maken. Het is eveneens de taal die generaties terug zijn voorouders spraken toen zij in de Kaap in Zuid-Afrika belandden. Zij werkten hard op grond zonder enig erbarmen om voor hun nageslacht een toekomst op te bouwen. Coetzee wist dat zijn aanwezigheid als hun nazaat  in Zuid-Afrika legaal was, legitiem heeft hij het nooit gevonden.
    In dit deel worden de jaren 1972-1977 beschreven.

    Coetzee speelt in zijn autobiografisch project met de vorm; waar het laatste deel een afstandelijk hij-perspectief hanteert is de afstand hier nog wat vergroot. De auteur laat in dit boek zijn biografie schrijven door een jonge Brit die een vijftal mensen die een rol speelden in Coetzees leven in die jaren interviewt. Het is een vorm die goed aansluit bij wat zo speciaal is aan de stijl en de inhoud van Coetzees boeken. Het stelt hem in de gelegenheid een distantie tot zijn eigen verleden en zijn onderwerpen te betrachten die gelijkertijd akelig koel en verslavend observant is.

    John woont in de jaren rond zijn debuut Schemerlanden in een blanke buitenwijk van Kaapstad in een bouwvallig arbeidershuisje samen met zijn vader die een baan als boekhouder heeft bij een groothandel voor onderdelen van Japanse auto’s.
    De biograaf spreekt een minnares van John die niet erg warm loopt voor hem, een nicht die wat voor hem voelt maar die hij na een geschreven gevoelsuitbarsting harerzijds op afstand houdt, een moeder van een leerling waar hij enige tijd verliefd op is geweest, een mannelijke collega en tot slot een Française waarmee hij gedoceerd heeft.

    Coetzee wil met deze waaier aan perspectieven op deze fase in zijn verleden het beeld schetsen van een niet zeer warmbloedige man die zich gereserveerd gedraagt ten aanzien van anderen. Een bijzonder hypnotiserend effect in de opbouw van dit boek is dat de verschillende beelden van deze spiegels die Coetzee weerkaatsen, voor de lezer allemaal uit het veelzijdig schrijversbrein van Coetzee zelf voortgesproten zijn. En dat Coetzee daarmee in wat oppervlakkig gezien een kaal en illusieloos mens kan lijken zichzelf uiteindelijk een geraffineerde diepte verschaft.

    In Zomertijd kijk je in een spiegelpaleis naar de hoofdpersoon, die in de wereld goed samenvalt met de schrijver, je neemt zijn effect op anderen waar, de wijzen waarop zijn denkbeelden in personen met heel verschillende temperamenten weerklank vinden. Zijn maatschappelijke overtuigingen, of juist de zekere wankelmoedigheid waarmee hij deze nauwelijks belijdt. Ik dacht net als een van de geïnterviewden na In ongenade een poosje klaar te zijn geweest met Coetzee. Maar zijn stem in persoonlijke en politiek-maatschappelijke aangelegen is van een unieke helderheid, gespeend van bombast en gewapend tegen afzijdigheid. In dit boek kan je op elke pagina lezen waarom Coetzee de Nobelprijs ontving.

     

     

  • Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Dunne grenzen tussen socialisme en nationaal-socialisme

    Volgens de achterflap hebben we te maken een doctoraalscriptie, die de Scriptieprijs van de Stichting Lezen 2007 heeft gewonnen. Dat maakt meteen al nieuwsgierig, want zoveel scripties krijgt de gemiddelde lezer niet onder ogen. Ook het onderwerp over het reilen en zeilen tijdens de Tweede Wereldoorlog van de Arbeiderspers, die nauw verbonden was met de sociaal-democratische SDAP, boeit bij voorbaat. Bij mij kwam meteen de vraag op hoe het mogelijk was dat een socialistische uitgeverij ging samenwerken met de nazi’s. Frederike Doppenberg heeft het functioneren van de uitgeverij zeer gedegen onderzocht met als resultaat een boek met een uitgebreid notenapparaat en zelfs de complete fondslijst van de uitgeverij in de oorlogstijd. Soms vond ik het wat te gedetailleerd voor een boek. In het Tot slot vat ze alles in zo’n tien bladzijden nog eens samen en in de Verantwoording laat ze weten dat er nog een uitgebreide toelichting op haar werkwijze te vinden is in haar scriptie, die zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bevindt.

    Na een bespreking van de nationaal-socialistische literatuurpolitiek, die vooral het volkse en het positieve wilde benadrukken en sterk doet denken de opvattingen van Rita Verdonk in onze tijd, komt Doppenberg in hoofdstuk twee bij het dilemma waar de Arbeiderspers in het begin van de bezetting voor stond, namelijk of men de supervisie moest accepteren van de nationaal-socialist Rost van Tonningen en zijn adjudant Kerkmeester, die door de nazi’s aangesteld werden om toezicht te houden op zowel de partij, dagblad Het Volk als op de boekenuitgeverij. Volgens Doppenberg bestond er na de benoeming van Rost van Tonningen geen eenstemmigheid over het precieze verloop van de gebeurtenissen. Algemeen directeur Van der Veen pleegde zelfmoord en partijvoorzitter Koos Vorrink sprak zich uit tegen samenwerking. Willem Vliegen achtte het echter verstandiger om door te gaan om de positie van de SDAP te consolideren. Opheffing van organisaties als de Arbeiderspers en de Vara zou de continuïteit na de oorlog bemoeilijken. Vliegen stelde dat hun lezers wijs genoeg waren om de veranderde verhoudingen te doorzien en besliste de kwestie in zijn voordeel. De nationaal-socialisten zagen in de Arbeiderspers een spreekbuis voor hun ideeën en stelden het voor dat zij het ware het socialisme vertegenwoordigden. Rost van Tonningen deed het zelfs voorkomen dat de Nederlandse zelfstandigheid gewaarborgd zou zijn als men voor samenwerking koos. Af en toe liet men uitgaven van ongewenste schrijvers passeren om de lezers niet teveel af te schrikken en kwijt te raken. Niet iedereen ging mee. Sommigen namen met een opgelucht gevoel ontslag, anderen stapten over naar Singel 262 en zetten tot het verbod in mei 1942 de succesvolle ABC-reeks voort.

    De nieuwe directeur Schuhmacher moest laveren tussen economie en ideologie. Hij wist de boekenuitgeverij overeind te houden temidden van censuur door nationaal-socialistische ambtenaren, papierschaarste, transportproblemen en stroomgebrek, waardoor men tenslotte handmatig de persen moest bedienen. Daarnaast zorgde hij ervoor dat zijn personeel vrijstelling kreeg van de Arbeitseinsatz en regelde hij voedsel voor hen. Onder zijn leiding verschoof het accent naar fictie om de non-fictie te bekostigen. Het waren de hoogtijdagen van de Friese literatuur. Streekromans pasten uitstekend in het ideaal van volkse literatuur. Ook boeken als Veel groenten van weinig grond deden het goed.
    Desondanks verloor men dramatisch veel klanten in het begin van de oorlog. Dat werd in de latere jaren grotendeels werd goedgemaakt door de succesvolle ARBO-reeks die tegemoet kwam aan enorme leeshonger in de oorlogsjaren. Door het eigen distributienetwerk met colporteurs en eigen winkels had men een voordeel op andere uitgeverijen.
    Volgens Doppenberg publiceerde bij de uitgeverij zowel socialistische als nationaal-socialistische schrijvers. Achteraf is het soms moeilijk te bepalen waarom een schrijver als ongewenst werd bestempeld. Doppenberg citeert Sjaak Hubregtse, die schrijft:

    ‘Wat is hier aan de hand? Niets wijst erop dat Rost van Tonningen en Kerkmeester onnozele domkoppen waren. Hadden ze zoveel vertrouwen in Schuhmacher dat hij, behoedzaam en slim, gewoon zijn gang kon gaan? Interesseerde het hen niet, of hadden ze het te druk? Waren ze zo bang de socialistische doelgroep van zich te vervreemden dat ze haar liever voorzagen van socialistische literatuur dan nationaal-socialistische? Of is hun herhaalde uitspraak ‘dat ze eigenlijk ook socialist zijn’ op ironische wijze waar?’

    Volgens Doppenberg was het niet waarschijnlijk dat er een nationaal-socialistische strategie zat achter het uitgeven van boeken van ongewenste auteurs. Het hing allemaal van toeval aan elkaar.
    Schuhmacher kreeg na de oorlog veel kritiek te verduren, omdat hij verantwoordelijk was voor de nationaal-socialistische uitgaven. Een schorsing op zijn vakgebied voor drie jaar werd door het personeel ongedaan gemaakt, maar hij kreeg wel ontslag bij de Arbeiderspers.

    Doppenberg geeft een aardig inkijkje in de wereld van een uitgeverij, die volgens haar niet alleen de geschiedenis volgt, maar die met haar uitgaven ook máákt. Tijdens de oorlogsjaren was een eigen beleid door alle gekonkel en gekronkel moeilijk te voeren.
    De cruciale vraag blijft voor mij nog steeds of de Arbeiderspers wel door had moeten gaan. De uitspraak van Schuhmacher, weergegeven in de titel, laat weinig ruimte voor een andere afweging. Het zou interessant zijn als de kwestie, ook in vergelijking met andere uitgeverijen, nog eens nader zou worden onderzocht.

    Door Rein Swart

    Frederike Doppenberg, De Arbeiderspers moest blijven marcheeren. De Arbeiderspers, paperback, 240 p., € 19,95

  • Beeldverhaal van het leven van Willem Elschot

    Beeldverhaal van het leven van Willem Elschot

    De menselijke fantasie en het voorstellingsvermogen zijn de twee meest creatieve zaken, die een mens in handen heeft! W.B.Yeats.

    Het is altijd riskant om literair werk uit te werken in een stripverhaal. De avonden van Reve en Kort Amerikaans van Jan Wolkers werden verstript door Dick Matena en zo zijn er meer voorbeelden. Matena heeft inmiddels ook werk van Elsschot getekend.

    Eigenlijk wil de lezer liever het beeld behouden dat hij had, toen hij het boek las. Hetzelfde effect van beeldvervaging kan optreden bij de verfilming van boeken. Wie eenmaal de verfilming van een boek heeft gezien, houdt altijd de acteurs voor ogen wanneer hij weer eens door de bladzijden bladert van het oorspronkelijke literaire werk. Zijn eigen fantasiebeelden en- voorstellingen zijn verdwenen als sneeuw voor de zon. Van geheel andere orde zijn de stripverhalen van Art Spiegelman over de holocaust. Zij voegen een rustige dementie toe aan de verschrikkingen omdat het nu dieren zijn, die elkaar belagen.

    Voor de tentoonstelling ‘Willem Elsschot 1882-1960, beeldverhaal, foto’s en documenten’ in 1983 gehouden in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel werd een stripverhaal gemaakt. Kamiel Vanhole, scenarist en Dirk Geets, tekenaar, tekenden uiteindelijk voor vormgeving en uitwerking. Het onderschrift van de strip luidt: ‘Biografie van Willem Elsschot.’ Wie denkt dat men chronologisch en punctueel een overzicht krijgt voorgeschoteld van het leven van Alfons de Ridder (= Willem Elsschot) komt echter bedrogen uit. Er wordt geciteerd uit het werk van Elsschot, o.a. uit Een ontgoocheling, waarin ene Kareltje romanfiguur is en deze komt in de strip op de blz. 8,9 en de pagina’s 17 t/m 21 aan het woord.

    Er zijn ook anekdotes uit het leven van Elsschot in verwerkt. De beide makers van het boek bezochten de zoon van Elsschot, Walter de Ridder en de beroemde kleinzoon Jan Maniewski, die model stond voor Tsjip de Leeuwentemmer. Het door elkaar klutsen van feit en fictie wekt enige verbazing, maar vooral de tekenstijl van Dirk Geets doet af en toe stroef en gedateerd aan. In de inleiding van de strip vraagt Jos van Waterschoot zich af hoe het komt dat het boekje zo lang op de plank kon blijven liggen. De stripuitgevers zouden er niets in hebben gezien omdat het te literair was en de literaire uitgevers omdat het boek in stripvorm was gegoten. Meer waarschijnlijk lijkt mij dat men het boekje te rommelig vond samengesteld en te slecht getekend. Toch staan er ook best aardige dingen in, zo wordt de ontmoeting tussen Elsschot en zijn latere vrouw leuk in beeld gebracht en leren we hem kennen als een redelijke egoïst, die onberekenbaar als hij was, grillige bokkensprongen kon maken. Verder kunnen we ons beter maar bezighouden met serieuze biografieën over deze literaire gigant of een van zijn meesterlijke romans lezen.

     

     

  • Oma was de sterkste van allemaal

    Oma was de sterkste van allemaal

    In Couscous op zondag vertelt Khadija Arib bevlogen en betrokken over haar jeugd in Marokko, haar komst naar Nederland, de confrontatie met de Nederlandse cultuur en wat dit voor haar persoonlijk en beroepsmatig betekent.

    Deze familiegeschiedenis begint met Khadija’s jeugd bij haar moeder en oma in een volkswijk in Casablanca, Marokko waar de gemeenschap erg betrokken is met elkaars wel en wee.
    Khadija’s vriendelijke vader komt oorspronkelijk uit een rijke familie maar verbrast zijn geld. Hij ziet zich, mede vanuit zijn eergevoel, genoodzaakt te gaan werken in Nederland. Na een aantal jaren voegen Khadija en haar moeder zich bij hem, in een veelal door Marokkanen van Berberse afkomst bevolkte Rotterdamse wijk.

    In het koudere Nederland is het leven héél anders dan in Marokko. In het warme Marokko speelt het maatschappelijke leven zich veelal buiten, temidden van familie en buren af, waar in Nederland het privéleven achter gesloten deuren plaatsvindt.

    Khadija’s vader verandert door de tijd heen van een vriendelijke en losse man, die weinig op heeft met de behoudende waarden uit de Marokkaanse cultuur en de Islam, in een achterdochtige, strenge man die zijn vrouw en dochter wil controleren. Op latere leeftijd tobt hij steeds meer met allerlei vage gezondheidsklachten.
    Khadija’s moeder wil echter graag haar vrijheid behouden en gaat buitenshuis werken. Daarmee is ze een van de weinige vrouwen in de buurt die haar eigen kost verdient.

    Dit verhaal gaat voor mij echt leven wanneer Khadija eerst vanuit haar werkzaamheden als maatschappelijk werkster en als partijlid van de PVDA, over haar ervaringen met Marokkaanse gezinnen in Rotterdam gaat schrijven.

    Arib laat twee kanten van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland zien. Het is boeiend om te lezen over de maatschappelijke situatie van de Marokkaanse gezinnen in Nederland: over vrouwen die vrijwel binnenshuis opgesloten zitten en niet buiten mogen komen van hun mannen, jonge Marokkaanse meisjes die stiekem een verhouding aangaan met een man, kinderen die moeten tolken voor hun ouders bij de arts. Maar aan de andere kant ook over het minder belichte onbegrip van de Nederlandse overheid ten aanzien van deze groep mensen en het naïeve idee dat het wel vanzelf goed komt met de Marokkanen in Nederland.
    Dit boek is een aaneenrijging van verhalen. Verhalen die herkenning oproepen maar ook verwondering en op bepaalde momenten onbegrip dat het er in Nederland zo aan toe kon gaan en soms nog gaat.

    Ook belicht ze de situatie in het thuisland waar de dictatoriale koning Hassan II aan de macht is. Op een gegeven moment gaat Khadija weer naar Marokko om haar familie te bezoeken. Doordat ze zich in Nederland kritisch uitlaat over het Marokkaanse regime wordt ze in 1989 samen met haar kinderen door de geheime dienst opgepakt en bij het politiebureau ondervraagd.
    “Zij gingen steeds gerichtere vragen stellen. Ze wilden weten wie actief waren binnen het KMAN, waar ik tenslotte regelmatig kwam waarvoor ik werkte. Opnieuw zei ik dat ik alleen maar voornamen kende […]. De mannen werden steeds intimiderender. Ik moest meewerken, zeiden ze, anders werd ik naar beneden gebracht. Daar was ook een martelcentrum, begreep ik nu.”

    Indrukwekkend zijn de passages waarin ze schrijft over haar ondervragingen door deze mannen maar ook de onvoorwaardelijke steun van de vrouwen uit haar buurt en haar oma.
    “De vrouwen uit de buurt waren in deze periode een grote steun voor mij. Ze waren allemaal analfabeet, maar zeer sterk. Mijn oma was de sterkste van allemaal. Ze heeft geen moment aan me getwijfeld. Ze heeft me ook nooit gevraagd waarom ik bepaalde dingen deed. Voor haar was dat vanzelfsprekend: ik moest doen wat ik geloofde dat goed was. Alleen zo kan een mens gelukkig zijn. Zij leefde mee en stond pal achter mij.”

    Khadija Arib beschrijft de voor- en nadelen van de Marokkaanse en Nederlandse cultuur en is kritisch naar beiden. Naarmate het verhaal vordert gaat het steeds meer van het persoonlijke naar het politiek maatschappelijke. Zijdelings vertelt de schrijfster nog iets over haar privéleven. Ik vind het jammer dat het persoonlijke steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.

    Couscous op zondag is een onderhoudend, kritisch en nuancerend portret over de interactie tussen de Marokkaanse en Nederlandse cultuur. Het heeft mij meer inzicht hierin gegeven. Maar ook in geschiedenis van Marokko en haar dictatuur onder koning Hassan II. Dit is een verhaal van herkenning, soms onbegrip oproepend maar bovenal roept het bewondering op voor de rol die Khadija Arib inneemt ten aanzien van de integratie van de Marokkaanse gemeenschap in de Nederlandse maatschappij.

     

     

     

  • Ten tijde van het communisme

    Ten tijde van het communisme

    Recensie door Marjolein Paalvast

    Als kind had ik een sleutelhanger in de vorm van een diamant. Urenlang kon ik me daarmee vermaken: afhankelijk van hoe je door het geslepen glas heen keek, veranderde de wereld die aan de andere kant lag van kleur, vorm of mijn favoriet van onder- en bovenkant. De truc was om de diamant steeds slechts een fractie van een slag te draaien het voorwerp dat je bekeek bleef hetzelfde, maar door de lichte verandering van waarneming zag het er ineens totaal anders uit.

    Verschoppelingen, een debuutroman van de Chinese schrijfster Yiyun Li, laat zijn lezer door zo’n diamant kijken naar het China ten tijde van het communisme. Ik ontwaak op 21 maart 1979 in het huis van leraar Gu en zijn vrouw. “Op een paar passen van zijn huis zag leraar Gu een groot wit papier met een enorme rode boodschap erop dat op de muur van de rij huizen was geplakt, en hij wist dat de dood van zijn dochter daarop werd aangekondigd.” Elf pagina’s later zie ik datzelfde papier weer terug: “Aan het eind van de straat zag Tung een pas opgehangen aanplakbiljet, waarvan de onderste punten al losraakten door de wind. Hij vond een wrakke stoel die voor een erf stond, sleepte die naar het biljet en klom erop, maar zelfs als hij op de stoel op zijn tenen stond was hij nog niet groot genoeg om bij de onderkant van het biljet te kunnen.”

    De executie van contrarevolutionaire Gu Shan, dochter van Gu en zijn vrouw, houdt de industriestad Modderrivier op die bewuste dag in maart in haar greep. Door het perspectief steeds naar een ander karakter te verschuiven, toont Li hoe de levens van verschillende bewoners van Modderrivier met deze executie verbonden zijn. Van lagereschoolleerling Tung, die met zijn school verplicht is de openbare terechtstelling bij te wonen, via het misvormde meisje Nini, dat zich voedt met de meellijm achter op de aanplakbiljetten over de executie, tot de negentienjarige Bashi, die zijn honger naar kennis over de vrouwelijke anatomie probeert te stillen met het lichaam van de ter dood gebrachte revolutionaire.

    De overgangen van het ene naar het andere personage verlopen soepel, als een goed geolied raderwerk. De lezer ziet de camera als het ware glijden van de ene naar de andere bewoner. In het eerste deel van Verschoppelingen levert dit een haast magisch effect op: we zien de executie van Gu Shan door ieders ogen behalve door die van haarzelf. Door het consequent ontbreken van juist haar perspectief ontstaat een soort centrifugale kracht de levensverhalen van de andere bewoners zijn de facetten van de diamant waardoor we steeds een ander stukje van de op handen zijnde executie zien.
    Precies die middelpuntvliedende kracht die het eerste deel van de roman in een ijzeren greep houdt, ontbreekt helaas in het tweede deel. Hoewel hier zeker genoeg andere zaken de moeite waard zijn ? ik noem het inkijkje in een totaal andere cultuur en tijd en de wijze waarop Li eerder registreert dan beschrijft ? mis je als lezer een rode draad waaromheen de personages in Modderrivier gegroepeerd zijn. De verschillende verhaallijnen lijken een eigen leven te gaan leiden, zonder een duidelijke, centrale spanningsboog. Als lezer raak je hierdoor een beetje verloren, alsof een kind ineens niet meer bij de hand gehouden wordt.

    Hoewel de verhaallijn in het middenstuk van de roman veel te wensen overlaat, biedt het boek als fictief tijdsdocument ons de kans om een blik te werpen op de vaak onmenselijke leefomstandigheden in het communistische China van de jaren zeventig. Li registreert zonder te oordelen, hierdoor blijven Tung, Nini en Bashi menselijk en toegankelijk waar hun gedrag en keuzes anders grote vraagtekens zouden oproepen.

     

  • Gelukkig zijn op eigen verantwoording

    Gelukkig zijn op eigen verantwoording

    Recensie door Margot Zuidema

    Maar liefst zeventig procent van de mensen die deelnamen aan de jaarlijkse eenentwintig minuten-enquête, durfde zichzelf gelukkig te noemen! Onlangs verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep van de schrijver Guus Kuijer (1942)  Hoe word ik gelukkig? Een zelfhulpboek. Wat biedt Guus Kuijer met dit zelfhulpboek de lezer aan om gelukkig of gelukkiger te worden.

    Kuijer meent dat een mens iemand wordt wanneer een ander mens hem betekenis toekent. En mensen die tot leren bereid zijn, hebben meer kans op geluk. Leren doe je niet alleen, maar in een groep en dit leidt tot sociaal gedrag. Om gelukkig te worden moet je je volgens de schrijver inspannen. Wanneer mensen nietsdoen krijgen ze kuren: ze krijgen hoofdpijn, worden chagrijnig of depressief, krijgen darmverstoppingen en lijden aan slapeloosheid. Kuijer gelooft niet in luie mensen, wel in mensen die er niet in geslaagd zijn om een interesse ontwikkeld te hebben. Kuijer ziet dit laatste als de belangrijkste taak voor leerkrachten op scholen. Hij meent dat dit veel belangrijker is dan het kijken naar intelligentie en het bijbrengen van algemene beschaving.

    Een andere bron om gelukkig te worden, is volgens Kuijer is de liefde. Maar liefde kan niet bestaan zonder inlevingsvermogen, zonder meeleven. En nu goed nieuws voor ons, lezers: “Het voordeel van het lezen van boeken is dat je in korte tijd met honderden levens kunt meeleven. Je ontwikkeling gaat sneller dan wanneer je niet leest, zowel door het lezen van informatieve boeken als fictie.”

    Iedereen is zelf verantwoordelijk, moet zichzelf ontwikkelen en moet zelf proberen om betekenis voor anderen te krijgen. Kunstenaars, schrijvers, maar ook schilders, helpen de lezer en kijker om het gevoelsleven te verrijken en te intensiveren. Kunst doorbreekt het bekende terrein van ‘ons soort mensen’, biedt uitzicht op een beter leven. “Een boek waarvoor de lezer geen moeite hoeft te doen, is een waardeloos boek.” Maar, voegt Kuijer eraan toe: “Helaas wordt in deze tijd ‘kunst’ die inspanning vraagt als ’elitair’ gezien.” Eindeloos tv kijken, zitten en staren, maakt mensen passief. Lees boeken en geniet van kunst, vindt Kuijer, verwerf een vaardigheid.

    Om zijn zienswijze te illustreren neemt Kuijer de levens van de schilders Goya en Vincent van Gogh als voorbeeld. Twee schilders die aan het eind van hun leven ongelukkig geweest zouden zijn. Midden in het boek Hoe word ik gelukkig zijn afbeeldingen van 13 schilderijen van o.a. Goya, en Van Gogh opgenomen. Door naar deze schilderijen van Goya en Van Gogh te kijken en daarnaast de dagboeken en briefwisselingen van deze schilders te lezen, concludeert Kuijer dat het gepassioneerde kunstenaars waren, die levenslustige schilderijen produceerden. Kuijer meent daarom dat zij niet ongelukkig geweest konden zijn toen zij deze schilderijen vervaardigden.

    Kuijer schroomt niet om geëngageerde uitspraken te doen in Hoe word ik gelukkig. “Inlevingsvermogen ligt aan de grondslag van een democratische samenleving. Voor een leven in vrijheid is het noodzakelijk de tegenstanders te begrijpen, ook diegenen met een ander geloof. Nu zijn er zelfs in ons prachtige Nederland partijen waarin mensen zich hebben verzameld wie het aan inlevingsvermogen ontbreekt. Zij behandelen andere partijen als de vijand en zijn dus in wezen antidemocratisch, maar noemen dat ‘flink’, ‘eerlijk’ of ‘rechtdoorzee’. … “In een samenleving die opgebouwd is uit groepen die elkaar vijandig gezind zijn, leeft men niet samen, en in zo’n samenleving is het moeilijker gelukkig te zijn.” Kuijer vindt dat men de multiculturele samenleving moet accepteren en moet trachten deze nieuwe situatie op een creatieve manier leefbaar te maken.

    “Er is een kloof tussen burgers en politiek omdat die kloof er behoort te zijn, zoals er een kloof is tussen de leerling en de leraar. Die kloof bestaat uit kennis. … Met gevoelens kun je geen land besturen, je moet er verstand van hebben.”

    Ondanks het feit dat 70% van de mensen zichzelf gelukkig noemt, is volgens Kuijer “half Nederland in therapie of op cursus”. Waarschijnlijk uit verlangen naar een beter leven, denkt Kuijer. De schrijver adviseert: “Ga iets doen! Als u zich leeg voelt: stop er wat in. Als u uzelf wilt vinden, neem een ander in u op. Er staan hele bibliotheken voor u klaar. Concertzalen kijken hunkerend uit naar uw bezoek, de musea staan wagenwijd open. De theaters trappen van ongeduld.”

    Hoe word ik gelukkig is een prettig geschreven boek met een originele kijk op onze samenleving en de geluksbeleving van mensen. Kuijer is humoristisch en illustreert zijn ideeën met treffende voorbeelden. “Ik heb de indruk dat in sommige kringen het verstand wordt gezien als de vijand van het gevoel. Volgens die kringen lijden vooral mannen onder die vijand. De uitdrukking ‘hij is erg verstandelijk’ wordt niet als compliment bedoeld. Weet u wat ik denk? Ik denk dat mensen die hun mond vol hebben van hun prachtige gevoelsleven en met zuinigen mondjes het verstand behandelen als een natte rugzak, gewoon luie donders zijn. Je verstand gebruiken is namelijk lang niet altijd prettig. …Als je ‘bij je gevoel’ wilt komen, is het verstand de sleutel.”

    Hoe word ik gelukkig is een optimistisch boek, in het bijzonder voor leesliefhebbers. Want met een passie heb je een rijker leven en een groter kans op geluk, volgens Kuijer. Het is een toegankelijk boek dat je op een aangename wijze aan het denken zet over de door Kuijer aangeroerde onderwerpen en een sympathieke bijdrage aan de discussie over ons geestelijk welzijn.

     

  • Overtuigend pleidooi voor zelfbeschikking van de vrouw over haar lichaam en leven

    Overtuigend pleidooi voor zelfbeschikking van de vrouw over haar lichaam en leven

    Recensie door Librije

    In september 2002 traden Naema Tahir en Ayaan Hirsi Ali samen op in een legendarische uitzending van Rondom Tien over zelfkritiek en moslims. Naema was gevraagd omdat ze een opiniestuk had gepubliceerd over het gebrek aan zelfkritiek bij moslims. Hun tegenstanders (twee orthodoxe Marokkaanse moslims) bleken niet in staat een redelijke discussie te voeren op argumenten en vielen hen agressief aan. Haatmails waren het gevolg voor de beide dames en Ayaan werd voor het eerst bedreigd. Desondanks zijn beiden zich in blijven zetten voor de emancipatie van de moslimvrouw, zij het ieder op een andere manier. Ayaan zocht de politiek en de media op, Naema besloot vooral haar pen het werk te laten doen. Er volgden meer opiniërende artikelen in de Volkskrant en NRC Handelsblad, lezingen en interviews. In 2005 verscheen haar eerste boek: Een moslima ontsluiert. Inmiddels (juni 2009) is de vierde druk een feit. Een veelgelezen boek dus. En dat intrigeert, want het is non-fictie, geen roman. Maar wie erin begint te lezen zal al snel ontdekken dat het leest als een spannend verhaal.

    Het boek begint met een voorwoord waarin ze benadrukt dat ze een persoonlijk relaas biedt om zo een bijdrage te leveren aan het debat over de positie van de moslima. Elk mens heeft uiteraard een eigen, unieke geschiedenis. Toch wil ze met haar verhaal duidelijk maken: ‘ (…) wat een moslima doet denken en handelen zoals ze doet in verschillende fasen van haar bestaan. Daarbij zoek ik steeds de menselijke maat die hoort bij elke opvoeding – niet alleen van moslims of migranten. En misschien is dat wel de rode draad van het boek. Het gaat om de mens. De mens in de migrant en de mens in de moslim.’
    Juist door haar eigen verhaal te vertellen komt de mens als migrant en moslim het best tot zijn recht en voorkomt ze te kortzichtige generalisaties.

    Naema Tahir (1970) vertelt op een geestige, relativerende maar ook kritische manier over haar leven tussen drie culturen: Brits, Pakistaans en de Nederlandse. Het eerste deel van het boek kreeg de titel: Rusteloze zolen: fragmenten uit een migrantenleven. Daarin beschrijft ze in korte hoofdstukken haar jeugd in Engeland en Nederland en de 2 jaar die ze als puber in Pakistan doorbracht. Het gaat daarbij vooral over de aanpassing aan steeds een ander land, een andere taal en cultuur en over regels en taboes die bij de Pakistaanse opvoeding horen. Het deel eindigt met de terugkeer van het gezin naar Nederland.
    In het tweede deel: Dolle Amina’s: fragmenten uit het leven van een moslima gaat het levensverhaal van Naema Tahir verder. Daarnaast staan er ook verhalen in over andere moslimvrouwen om aandacht te vragen voor onderwerpen die wel verband houden met de islamitische praktijk, maar haar persoonlijk niet overkomen zijn. En een aantal bewerkte opinieartikelen voor zover die in deze context passen.

    Het boek leest bijna als een roman, met name waar het gaat over het leven van Naema en haar lotgenoten. Door haar heldere en beeldende verteltrant raak je als lezer volop betrokken bij het migrantenmeisje en de verwarrende en frustrerende gebeurtenissen die haar overkomen. In het tweede deel is het vooral het conflict met haar ouders over een door haar geweigerde, gearrangeerde verloving, waarbij ze overtuigend weet te vertellen welke dilemma’s dat met zich mee brengt en hoe pijnlijk de ervaring was tussen twee culturen in te staan en nergens begrip en steun te kunnen vinden.
    Naast het spannende element dat zo in het boek gebracht wordt, houdt ze een persoonlijk en overtuigend pleidooi voor zelfbeschikking van de vrouw over haar lichaam, seksualiteit en leven. Ze heeft een grote kennis van zaken (ze is mensenrechtenjuriste) en snijdt onderwerpen uit het huidige debat over allochtonen, Islam en de positie van de vrouw op een redelijke, niet-provocerende wijze aan. Dat dat aanspreekt, mag blijken uit de vier drukken die in vier jaar tijd van het boek verschenen zijn.

    Na Een moslima ontsluiert verscheen Kostbaar bezit (2006), een bundel erotische verhalen, waarin de hypocrisie van de Islam ten opzichte van de rol van de vrouw tot uitdrukking komt. Eenzaam heden (2008) is haar eerste roman, over een migrantengezin in Engeland met de dochter Dina in de hoofdrol. In 2008 verscheen ook Groenkapje en de bekeerde wolf en andere moslimsprookjes. Zowel de Islam, als de houding van het westen t.o.v. de Islam worden daarin wat betreft de man-vrouw verhoudingen op humoristische en ironische wijze aan de kaak gesteld. In 2010 zullen nog twee boeken verschijnen: De martelares (een vervolg op Eenzaam heden) en Elegante emancipatie: opnieuw een non-fictieboek met daarin haar enigszins gewijzigde visie op de emancipatie van de moslimvrouw.

     

    Naema Tahir is via VPRO-boeken (http://boeken.vpro.nl/personen/39764205/) te zien en te beluisteren in o.a. Zomergasten en de bovengenoemde uitzending van Rondom Tien.

     

     

  • Op naar de anarchistische vrijstaat

    Op naar de anarchistische vrijstaat

    Het derde deel van het Verzameld Werk van Louis Paul Boon dat 24 delen zal tellen handelt geheel over de roman Vergeten straat die kort na de oorlog werd gepubliceerd. Behalve het verhaal zelf bevat het ook een uitgebreid nawoord, een tekstverantwoording, een bibliografie en noten.

    Het is interessant om in het nawoord, dat uit het L.P.Boon-documentatiecentrum komt, te lezen hoe dit boek tot stand gekomen is. De optimistische thematiek moest eigenlijk neergezet worden in een tweede deel van Abel Gholaerts, maar onder invloed van vrienden uit het verzet koos Boon voor een aparte roman. In de verschillende versies verschuift een zonnige kijk op de mens naar pessimisme en volgens Willem Elsschot, die de laatste versie van het manuscript las, waren de personen schemerig. Het was inderdaad lastig om de verschillende lieden uit elkaar te houden. Het boek vraagt toch al een langzame lezing die wellicht te verklaren is uit de filmische verteltrant, waarbij de camera als in een Dogma-film losjes heen en weer zwenkt tussen de personen. Boon hangt als een alwetende verteller boven het verhaal en manipuleert zijn personages dusdanig, dat het, volgens een andere criticus in het nawoord, teveel unisono wordt.

    Desalniettemin is het verhaal over de straat, die tijdens de bouw van de Noord-Zuidlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog in Brussel wordt afgesloten, prachtig. Ik moest meteen denken aan de bouw van de metro in Amsterdam met waarschijnlijk vergelijkbare ongemak en onzekerheid voor de stadsbewoners. De afsluiting van de straat biedt de schrijver de mogelijkheid om, met Koelie als vertolker daarvan, een anarcho-communistisch experiment te wagen. De personages in die microkosmos zijn volkse types, allen met hun eigen sores, die vaak een seksuele achtergrond hebben. Ouders spreken tegen hun kinderen over hun liefdesleven en hun frustraties. Boon beschrijft hen allen met mededogen; de ziekelijke jongen André, die steeds het onderspit delft en ervan droomt om dameskapper te worden; Gaston, een snotneus van 14 jaar, die als een dolle opvoedkundige de ideeën van Koelie aan de man probeert te brengen en geschokt is als een vrouw die nochtans zijn boeken leest, toch van het genoegen van het ogenblik, het leven van vandaag kan genieten; en Hermine, die de zorg voor de zwakzinnige Peu op zich neemt en vaak twijfelt, bijvoorbeeld of ze door André in de krullen gezet wil worden. ‘Zij weet niet meer of ze voldoet aan een natuurlijke neiging, waar de mensch, volgens Gaston, zou MOETEN aan voldoen; dan wel aan een belachelijke persoonlijke neiging, waar moet tegen gevochten worden.’
    Dan zijn er onder meer nog de koopman Sadeleer die steevast niet naar vergaderingen komt, de laffe Nonkel die altijd werkeloos toekijkt en de bedelaar Vieze die steeds op zoek is naar kost voor zijn maag en voor zijn ogen en die droomt van zijn vroegere verblijf in Zuid-Frankrijk. Koelie, die de kost verdient door zijn bloed te laten aftappen als het moet, is enerzijds een welwillend hervormer, maar houdt in het begin zijn dochter Rosa voor zichzelf en kijkt later nauwelijks meer naar haar om, waardoor Rosa met haar lege ziel langzaam omkomt in haar almachtsfantasieën.

    ‘Het is de strijd uit het oerwoud, niet naar rechtvaardigheid,’ zo peinst Koelie als hij op een vergadering de vakbondsman Alfred hoort spreken. Hij wil geen andere poppetjes, maar zint op echte verandering. Hij wil de hemel op aarde, dus geen pasters, facteurs of politie, maar solidariteit en vrijheid, zoals dat in het libertair socialisme heet.

    De welwillendheid van Koelie staat tegenover de dogmatiek van Gaston, die niet weet dat de wereldbeschouwing van een jongen niet die van menschen-op-jaren kan zijn. ‘Wat voor hem naar de anderen oever roeien beteekende, was voor hen misschien verdrinken in een veel te wijde zee.’
    De verteller heeft wel oog voor de onvolmaaktheid van het leven. ‘Och, dat iets zou volmaakt zijn, het is een dwaas die dat wensen zou. Het ware niet meer om te leven, altijd en overal in de perfectie te moeten handelen en spreken en denken.’ En wat later: ‘Neen, het gaat niet zoo gemakkelijk om iets nieuws op te bouwen.’
    De verteller heeft ook zijn bedenkingen over de ideeën van Koelie. ‘Misschien dacht Koelie een oogenblik dat de mensch zich nooit meer vervelen zal, later als de tijd gekomen is.’ Hij stelt vervolgens dat men zich met ‘gansche hoopen’ aan de vensters zal verdringen, om de eersten te zijn die door het raam springen en naar beneden storten en geeft daarmee duidelijk een voorbeeld van de pessimistische visie in een latere versie.

    Boon is een tovenaar met woorden, iemand met een bijzonder poëtisch vermogen; zijn stijl is bedwelmend; de taal is, ook door het Vlaams, rijk en beeldend. De klaterende lach van Hermine in de tuin bijvoorbeeld doet André vermoeden dat er ergens een fontein moet zijn.
    Boon is iemand die speelt met de werkelijkheid zoals Roza met haar poppen. Hij laat graag wijsgerige bespiegelingen los over de mens en de maatschappij, toont zich bezorgd over de botsing tussen natuur en beschaving en is uiteindelijk ook niet tevreden over zijn boek omdat Koelie teveel holle zinnen bezigt.
    Boon las Aantekeningen uit het ondergrondse waarin Dostojveski stelt dat de mens zichzelf als levend wezen bevestigt door van tijd tot tijd in wellust alles kapot te slaan wat ten koste van grote gemeenschappelijke inspanningen is opgebouwd. Hij leerde daarvan dat de enkeling zich spontaan verzet tegen systemen die hem en zijn medemensen het perfecte geluk voorspiegelen, ook als hij daar zelf niet meteen gelukkiger van wordt en zichzelf uiteindelijk misschien wel in de vernieling helpt. Het is als kinderen die in de avonduren een hut weer gaan afbreken, alleen zijn de gevolgen veel erger. De toename van het irrationele geweld aan het eind van Vergeten straat toont dat we in duizenden jaren nog steeds niet in staat zijn onze natuurlijke destructiedrift te sublimeren in een min of meer harmonieuze samenlevingsvorm. Aan dat inzicht en de bezieling om daarover te berichten kunnen tegenwoordige schrijvers, in een tijd van opkomst van een partij die haat wil zaaien tussen mensen, een voorbeeld nemen.

    Door Rein Swart

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95

  • Verrassende wendingen in debuutroman

    Verrassende wendingen in debuutroman

    De hoofdpersoon uit de debuutroman van Pieter Webeling (1965) is een jonge vrouw met hetzelfde beroep als hijzelf: interviewer. Zij is daarin zo succesvol dat ze er een belangrijke prijs mee in de wacht sleept. Ergens halverwege de roman vraagt ze zich af: “Als ik werkelijk betekenis wilde geven aan mijn talent, waarom richtte ik mij dan niet op mooie verhalen? Schrijf fictie. Schrijf een roman. Hoe vaak had ik dat niet gehoord?” Iets dergelijks moet Pieter Webeling zich afgevraagd hebben. Maar het schrijven van een werkelijk goede roman vraagt toch om meer kwaliteiten dan alleen een goed interviewer te zijn. Niet dat Pieter Webeling een slecht boek geschreven heeft. Het is dan ook te hopen dat het niet bij dit debuut blijft. Toch valt er wel het een en ander af te dingen op Veertig dagen.

    Het getal veertig speelt een belangrijke rol. Zo zijn er drie delen met als titels: ‘Veertig seconden’, ‘Veertig dagen’ en ‘Veertig jaar’. Het verhaal ontwikkelt zich vooral in het middelste en omvangrijkste deel. In het eerste deel zijn we er getuige van hoe Jennifer (dertig jaar oud) in veertig seconden verliefd wordt op Joeri. Na drie maanden blijkt ze zwanger, maar omdat Joeri het kind niet wil, laat ze het weghalen. Die gebeurtenis vreet aan hun relatie. Joeri maakt een slippertje met Grace, de zus van Jennifer. Het deel eindigt met de bekentenis van Grace aan Jennifer dat ze zwanger is van Joeri en dat ze bij elkaar willen blijven en het kind zullen houden.

    In het tweede deel zijn we ruim vijf jaar verder. Jennifer krijgt van haar vader te horen dat Grace kanker heeft en niet lang meer zal leven (nog veertig dagen zal achteraf blijken). Jennifer leeft teruggetrokken in Schagen en werkt er in een boekwinkel. Interviews doet ze nauwelijks meer. Ze heeft een moeizame relatie met een nieuwe vriend: Luc. Het contact met haar zus heeft ze volledig verbroken. Maar Grace zou graag willen dat Jennifer een boek over haar leven schrijft voor haar zoontje David als herinnering aan zijn moeder. Met tegenzin zoekt Jennifer haar zus weer op en begint ze aan het boek. Langzamerhand ontwikkelt zich een band tussen David en Jennifer. Grace wordt steeds zieker en heeft de datum voor de euthanasie al vastgesteld als Jennifer iets te horen krijgt dat haar een reden geeft om haar zus ervan te verdenken haar te willen manipuleren. De haat is nooit helemaal verdwenen en ze neemt wraak voor al het verraad dat haar is aangedaan.

    Het derde deel neemt maar enkele bladzijden in beslag. Jennifer is veertig jaar geworden. Zij en Luc hebben David een nieuw thuis gegeven. Jennifer moet verder leven met een zwaarwegend geheim dat ter wille van David nooit bekend mag worden, maar ze vraagt zich af of ze niet een vreselijke vergissing gemaakt heeft. En ze beseft wie ze allemaal tekort gedaan heeft met haar daad. Het doet een beetje denken aan Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants.

    Jammer genoeg heeft Webeling een overvloed van bijbelse symboliek in het verhaal willen stoppen. Veertig speelt een belangrijke rol in de bijbel: dat wordt allemaal nadrukkelijk vermeld. Net als het taalkunstje Jezus maken van je zus. Pasen, Hemelvaart, Kerst krijgen extra aandacht en boven het laatste hoofdstuk staat een bijbeltekst die een rol moet spelen in de laatste zinnen van het boek. De namen David en Grace zijn ook niet zonder betekenis. Terwijl er verder eigenlijk nergens tekenen zijn van enig religieus besef bij de hoofdpersonen (alleen Grace wordt naar het eind toe wat spiritueler). Misschien heeft hij het te mooi willen maken?

    De karaktertekening valt tegen. Natuurlijk is het erg moeilijk om je als ruim veertigjarige man te verplaatsen in een jonge vrouw. Dat is dan ook maar gedeeltelijk gelukt. Het is niet erg waarschijnlijk dat een dertigjarige, zelfstandige vrouw die geen abortus wil, dat toch doet voor een man die ze pas drie maanden kent. Het is ook niet logisch dat ze daar vooraf niet over gesproken heeft met Grace, die altijd als een moeder voor haar geweest is sinds hun moeder stierf. Het perspectief ligt bij Jennifer: haar karakter komt het beste uit de verf. Van Grace weten we al minder en de mannen: Joeri, Luc en de vader blijven nogal vaag, dat zijn meer typetjes geworden.

    Toch is het een aardig boek om te lezen. Sommige scènes zijn ronduit ontroerend en met groot inlevingsvermogen geschreven. De stijl is meestal vlot, soms wat clichématig of gezocht. Er zitten verrassende wendingen in het verhaal, maar de plot is wat geforceerd. Als debuut mag het er zijn.


    Over de auteur:
    Pieter Webeling (Den Helder 1965) werkt als interviewer en journalist voor o.a. de Volkskrant, Rails, Jan en Humo en als gespreksleider. Voor zijn boek De vijf grote emoties sprak hij onder meer met Jan Wolkers, Tim Krabbé en Jan Decleir. Veertig dagen is zijn romandebuut. Zie ook www.veertigdagen.nl

     

     

     

  • Historia magister vitae

    Historia magister vitae

    Recensie door Rein Swart

    Reizen kun je op vele manieren. Het is heel aangenaam om je te laten meevoeren aan de hand van iemand die veel te vertellen heeft. Johan de Boose treedt in de voetsporen van de meester Kapuscinski. Overal waar hij komt ontmoet hij de plaatselijke bevolking en maakt hij afspraken met lieden, die hem meer kunnen vertellen, maar ook zogenaamd met bronzen beelden en met de oude keizer Diocletianus in Split. Nieuwsgierigheid, zo schrijft hij in het nawoord, is zijn vak.
    In dit boek over Kroatië bedient De Boose zich bovendien van twee bijzondere figuren: een oude poppenspeler, die zijn leven lang door het land trok om aan de mensen de geschiedenis uit te leggen en een duivelse Bosnische waarheidszoekster, die hij op de universiteit van Zagreb ontmoette. Deze twee mensen gidsen hem gedurende zijn herfstreis door Kroatië, waarbij hij in een oude Kever veertien eeuwen doorkruist en meer dan vijfduizend kilometer aflegt.
    Het verhaal begint in Krk, het grootste eiland in de Adriatische zee met een sterke Venetiaanse invloed. De schrijver wendt zich meteen heel poëtisch tot een oude vrouw die daar rondsloft: ‘Moedertje, jij die uit de diepten van de tijd tevoorschijn komt en bij elke stap naar adem hapt, zeg me hoe oud ben je?’ De vrouw vertelt dat ze geboren is aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, toen haar land nog Kakanië heette, een term die Musil gebruikte voor de lappendeken van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, die ook wel werd aangeduid met k.u.k., hetgeen staat voor kaiserlich und königlich en die sfeer is nog steeds terug te vinden in een oude hotelkamer in Osijek.

    De poppenspeler reisde ooit rond met een thespiswagen en bracht het programma het onderbewustzijn van de beschaving. Tot lering en vermaak. Zo onderwees hij over de vier alfabetten die hij voorstelde als legers: het Latijnse, het vierentwintigkoppige Griekse, het Hebreeuwse en het Glagolitische, dat door de broers Constantijn en Methodius op last van de Byzantijnse keizer Michaël III in 863 ontworpen werd. Hoewel dat laatste alfabet niet meer bestaat, zijn er overal in Kroatië nog sporen van terug te vinden in de vorm van ‘kruisen, ringen, oorbellen, krullen, driehoeken die cirkels penetreren, kandelaars, ogen, benen, hutten, galgen, karren, klokken, kelken, weegschalen, dieren met twee ruggen, bergspitsen, vorken, zakken, vazen, slangen, bloemen scharen en zwammen’. De voorstellingen waren zo geestig dat Tito er naar kwam kijken, tot verbazing van de kinderen die de man verdacht vonden lijken op het portret dat in hun klaslokaal hing.
    De Boose bezoekt de poppenspeler in Dubrovnic. Er volgt een mooie scène waarin de oude man een pop erbij neemt om de geschiedenis uit te leggen.
    Met de duivelin loopt De Boose door de stukgeschoten Krajina en bezoekt hij een disco in Zagreb waar jongeren hun visie geven op de geschiedenis. Iedereen is het erover eens dat Joegoslavië een slecht huwelijk is geweest.

    Dit boek, dat zeer compleet is met een tijdtafel, een notenapparaat, een kaartje en een personenregister, belicht het verleden weer eens vanuit een andere hoek. Het land Kroatië, dat eigenlijk geen deel van de Balkan wil zijn, maar haar steven richt naar Europa en bloot heeft gestaan aan vele invloeden, zoals de Latijnse, de Habsburgse en de Slavische, bezit een enorme culturele rijkdom. Behalve de cultuur beschrijft De Boose ook de natuur, zoals het indrukwekkende geërodeerde karst-gebergte en bezoekt hij verschillende concentratiekampen. Zijn stadsbeschrijvingen zoals over Vukovar worden wel eens wat staccato.

    De Boose heeft moeite om het juiste perspectief te kiezen en dat is niet verwonderlijk in zo’n complexe wereld waarin de waarheid niet lijkt te bestaan. Hij ontkomt niet aan het Kroatische gezichtspunt omdat hij, zoals hij schrijft, bij daglicht moeilijk naar de sterren kan kijken.
    Zijn conclusie is niet positief. De geschiedenis is de meester van het leven: alles herhaalt zich en zeker in de Balkan, dat wel het aller-vermoeiendste lichaamsdeel van het versleten Europa genoemd wordt; de slachtoffers van eertijds zijn de beulen van straks en de waarheid wordt in de oorlog als eerste geslachtofferd. Maar een gewaarschuwd mens telt natuurlijk wel voor twee.

     

  • Op vele niveaus een prachtig boek

    Op vele niveaus een prachtig boek

    Zoals Adrie van Oorschot de echte Sinterklaas was voor een bepaalde generatie is koningin Juliana de enige, echte koningin. Beatrix is een soort Bram van der Vlugt. Juliana komt in het eerste en laatste hoofdstuk van Juni, de nieuwe roman van Gerbrand Bakker, tot leven als een eigengereide, sigaretten rokende vrouw die zich niets gelegen laten liggen aan de officiële hofregels en in haar beknotte levenslust komisch en tragisch tegelijk is. Ze brengt een werkbezoek aan het noorden van Noord-Holland, gaat van gemeente tot gemeente. Hoe kort dat eerste hoofdstukje ook is, Bakker stelt de meeste hoofdpersonen van de roman al voor omdat de koningin hen tegenkomt.

    De kern van de roman vormt een dramatische gebeurtenis later op de dag als de bakker op zijn verlate bestelronde het tweejarige dochtertje van de familie Kaan doodrijdt. ’s Ochtends is zij nog over de wang geaaid door de koningin en een paar uur later ligt ze langs de kant van de weg. Vanaf dat moment verdwijnt moeder Anna regelmatig voor een onbepaalde tijd naar de hooizolder als alles haar te machtig wordt. Als ze het leven weer aankan, klimt ze weer naar beneden. Haar man, drie zonen, één schoondochter en één kleindochter zijn er na zoveel jaar inmiddels aan gewend.

    In het romanheden ligt moeder Kaan dus weer op de hooizolder en intussen gaat het leven in en om de boerderij verder. Vanuit wel negen perspectieven volg je de dag waarop zoon Jan het graf van zijn zusje opknapt, de bij een motorongeluk ietwat geretardeerd denkende zoon Johan daarbij helpt, terwijl vader rondt de boerderij reddert, kleindochter veel niet begrijpt, zoon Klaas over de toekomst van de boerderij nadenkt, de bakker een bezoek aan het kerkhof brengt en aan zijn maîtresse, deze vrouw weer haar eigen fantasieën en obsessies heeft en moeder maar steeds op die hooizolder ligt en lobbige advocaat naar binnen lebbert.
    Het verhaal draait natuurlijk om die fatale dag in het verleden, maar de roman blijft niet bij die ene verhaallijn hangen, want elk personage krijgt zijn eigen karakter mee. Het deed me denken aan Faulkners As i lay dying waarin een doorlopend verhaal verteld wordt aan de hand van de individuele verhalen van de afzonderlijke personages. De structuur van Juni is daarmee complexer dan Boven is het stil maar voor literatuurliefhebbers is er des te meer te genieten.

    Hoewel Juni een heftige autobiografische kern heeft (die door Bakker vakkundig gefictionaliseerd is) wordt de roman nergens zwaar of sentimenteel. Dat komt omdat er continu iets te lachen valt: zo gooien de mannelijke leden van de familie Kaan om beurten en zonder het van elkaar te weten de hond in de sloot. Zo is de vrouw die het kerkhof in de gaten houdt ten prooi aan erotische oprispingen die niet helemaal kloppen met de indruk die ze op de buitenwereld wil maken. Als haar minnaar, de bakker, langskomt, sluit ze steevast de gordijnen. Zo zijn de dialogen, kortaf en norsig zoals we ze gewend zijn uit Boven is het stil, ook buitengewoon komisch. Daartegenover staan passages waar je meteen een brok van in je keel krijgt. Laten we het nu maar eens ronduit zeggen: Juni is op vele niveaus een prachtig boek.

    Ik begon aan deze roman met de nodige scepsis, want ik had de recensies gelezen in de kranten. Alleen Joep van Ruiten in het Dagblad van het Noorden had een zeer positieve bespreking. Afgelopen zaterdag volgde op de radio bij de Tros Nieuwsshow Arie Storm met een zeer positieve bespreking (waarbij hij wel een opmerkelijke fout maakte toen hij de ontvangst van Juni samenvatte en zei: ‘Ik geloof dat alleen het Noord-Hollands Dagblad of zo, maar ja dat is zijn eigen krant of zo.’ Nee, Dagblad van het Noorden Storm, waarin je eigen recensies ook wel eens in worden doorgeplaatst. Bedenk hier zelf een smalende opmerking over een Amsterdammer en zijn kennis van de provincie). Ik schaar me bij deze twee positieve geluiden. Sterker nog: als je de kwaliteiten van Juni niet ziet, dan heb je als recensent echt stront in de ogen. Deze roman is het beste wat ik dit jaar tot nu toe heb gelezen.

     

     

  • Water als corridor naar een andere werkelijkheid

    Water als corridor naar een andere werkelijkheid

    Recensie door Librije

    Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenschap. Zij was onder andere werkzaam als journalist, reclametekstschrijver, actrice en docent Nederlands. In het tijdschrift De Tweede Ronde publiceerde zij in 1999 haar eerste gedichten en vervolgens verschenen haar gedichten ook in andere literaire tijdschriften.
    Haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel verscheen in 2005. Hiervoor ontving zij de C. Buddingh-prijs 2005. Er volgde al snel een tweede druk. In 2007 verscheen haar tweede bundel Een koorts van glas. Daarnaast trad zij geregeld op tijdens poëziefestivals. Deze optredens geven een extra dimensie aan haar poëzie. Voor wie (nog) niet in de gelegenheid was is er een bij te wonen: bij VPRO-boeken (http://boeken.vpro.nl/personen/22956314/)
    is een audio-opname van haar optreden in de Nacht van de poëzie 2006 te beluisteren waarin zij op haar zeer eigen, heel bijzondere manier, drie gedichten voordraagt.

    En nu, na weer 2 jaar, is haar derde poëziebundel een feit. Op 14 mei 2009 presenteerde zij (op de haar kenmerkende uitbundige wijze) de bundel Handlanger Het witte kind in het Schillertheater in Utrecht. Wie al eerder kennis maakte met de poëzie van Liesbeth Lagemaat, via een eerdere bundel of via een optreden zal ongetwijfeld enthousiast zijn over haar nieuwe bundel. Wie echter onvoorbereid en argeloos haar poëziebundel openslaat, zou danig in verwarring kunnen raken. Maar de lezer die open wil staan voor haar poëzie en de moeite neemt zich erin te verdiepen, staat een bijzondere belevenis te wachten.

    In een interview stelde Liesbeth Lagemaat: “Poëzie biedt geen troost, poëzie biedt poëzie”. En daarmee is meteen aangegeven wat zij tot nog toe in haar dichtbundels probeert te doen: zich te uiten in een vorm van kunst die poëzie heet. Een die een zekere verwantschap heeft met de expressionistische schilderskunst. Een poëzie die geen troostende mooischrijverij is, maar een bikkelhard gevecht om zuiverheid. Deze poëzie is de taal van de verbeelding die de werkelijkheid voorbij is, die de deur opent naar “een andere scherf van de tijd”.
    Naar aanleiding van haar tweede bundel vertelde de dichteres dat de eerste bundel min of meer bestaat uit losse gedichten die in kleine hoeveelheden verspreid over jaren geschreven zijn. Haar tweede bundel beschouwt zij wel als een echte eenheid: de gedichten zijn speciaal voor die bundel geschreven, hebben hetzelfde thema en ook de indeling binnen de bundel hoort bij het beoogde concept.

    Het is duidelijk dat ook deze derde bundel als een geheel gezien moet worden. De inleiding over wat de lezer te wachten staat, wordt gevormd door Vlugschrift. “Maar vandaag zeg ik u, is het tijd om uzelf uit te trekken en taal kapot te slaan tegen de muur. Er is geen woord dat klopt en bloedt hier aanwezig.” Om de zuivere taal van de verbeelding tot uitdrukking te kunnen brengen, moet de oude taal gezuiverd en wat vals is vernietigd worden. Daarvoor moeten we van niets af opnieuw beginnen en worden zoals Het witte kind: “Zoals het witkind, hand aan het gordijn, en het is nog niet eens ochtend, het moet nog allemaal alles beginnen ? Zo.” En dan ten slotte: “In een witte, wijde schedel wandelt, kalm en ernstig, een melodie.”

    Daarna volgt: Een triptiek in wit ? een visioen en de bundel eindigt ook met een driedelig gedicht: Opnieuw een leegte ? een visioen. Tussen de beide visioenen bevinden zich vier delen met elk een eigen titel en er binnen steeds zeven gedichten met een afrondend slotgedicht. Uit de titels van de hoofdstukken blijkt dat er strijd geleverd gaat worden: Het kamp ligt nog open, geen hoef is gestruikeld, geen bloed in het zand (deel 1).
    De visioenen tonen ons waar de dichteres op uit is: Ze herkent Het witte kind in de natuur om zich heen en ziet waartoe het in staat is en ze wil haar Handlanger zijn.
    “Noem ik mij: handlanger. Leg ik mij in de afdruk van het kind. De witte contouren mijn queeste. Staat het kind uit de vijver op en loopt, zal ik elke voetstap volgen.
    Vannacht nam het mij mee. De vijver een gang, corridor. Naar een andere scherf van de tijd.”

    Water speelt een belangrijke rol in deze bundel. De vijver is een corridor naar een andere werkelijkheid (zoals Alice in Wonderland via het konijnenhol) waar je spelend als een kind de wereld kan veranderen en de werkelijkheid los kunt laten. Zoals in:

    Botanisch uur:

    Aderen vertakken zich, als nerven. Kijk, je vingers nog
    in knoppen, handzaam spoor krioelt. De groene krullen

    op het laken, barokke stroom van bladgroen sop,
    in al je vaten stuwt en bruist het: jij? Gevuld met plantenvocht?
    ……

    Deze gedichten komen slechts tot hun recht in hun context. Meer voorbeelden geven heeft daarom niet alleen weinig zin, het zou zelfs de fascinerende werking die van de gedichten uitgaat teniet kunnen doen. Daarom alleen nog enkele zinsneden uit een gedicht dat naar mijn idee een sleutelfunctie vervult:

    Op dit onbewaakte moment

    Ik begin met niets. Misschien is er een korrel zand,
    de afstand tot de parel ? als er een parel groeit, ooit ?
    onzeker. Van onschatbare waarde? Misschien.
    …..
    De klanken weven een kleed om mij heen. Ik ben de schelp en ik rust.
    Ik open noch sluit. In mij is ruimte. Gevuld. Met niets.
    Ik ben een stulp voor het niets dat zich zingt en groeit en
    langzaam vermeerdert in mij.

    Er valt zoveel te ontdekken in deze bundel. Wie eenmaal de consequenties van haar ideeën begint te proeven, zal steeds meer ontdekken. Al laten niet alle gedichten zich even gemakkelijk doorgronden. Maar deze queeste is zo fascinerend, dat wie erdoor aangeraakt wordt door blijft zoeken en zo ook Handlanger van Het witte kind wordt.
    Uit het afsluitende visioen:

    Opnieuw een leegte

    ……En daar was het, het kind.
    Haar lichte vingers hadden een muur van stof,
    van dagen en nachten losgewoeld,
    ze had op de stenen getekend. Een woordeloze taal.
    In haar handen brak de tijd.