Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • De beste Enquist-bundel tot nu toe

    De beste Enquist-bundel tot nu toe

     De zevende bundel gedichten van Enquist is in een fraai vormgegeven boekje tot ons gekomen. De Arbeiderspers heeft er op een smaakvolle manier een omslag omheen gedaan en ook het lettertype is secuur gekozen. Het is duidelijk dat we na Vasalis met een gearriveerde dichteres te maken hebben. Is deze bundel wat we ervan mochten verwachten?

    De vijf cycli zijn grofweg gegroepeerd rond de thema’s: Weer en binnennatuur, verdriet, muziek en het innerlijk behang, buitenwereld en persoonlijke beleving.
    Maar bovenal schrijft Enquist in deze bundel over wat Goethe zou zeggen: Das Menslich al zu Mensliche oftewel verdriet en hartstocht en het verstrijken van de tijd. De dood van haar dochter komt weer om de hoek kijken in o.a.

    Fantoom

    ‘Het is een woord voor pijn die geen
    bestaansrecht heeft; je lijdt aan
    een afwezigheid, je snakt met hart
    en huid naar wat er eerst nog was.

    Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
    op, je strekt je armen blind naar
    de verzaagde voet, een leegte,
    het verdwenen kind. Het is een naam

    voor wat zich voordoet in de zestien
    meter van de ziel: een spookbeeld snelt
    de doelmond in en doet alle verlies
    teniet, maakt alles goed.’

    En we kunnen zien dat de dichteres nu iets meer afstand heeft tot het verlies dan vroeger, de laatste strofe biedt iets van uitkomst. Wel is ze nog steeds woedend op het Amsterdamse stadsbestuur, dat laks reageerde en de verkeerssituaties niet genoeg aanpakte, het verplichte instellen van de dodemansspiegel op vrachtwagens bijvoorbeeld versliep. Het vers heet de Straatstenen van Amsterdam maar is opgedragen aan de Gemeenteraad van de hoofdstad. Gelukkig zijn er net zoals in Soldatenliederen en Jachtscènes de twee eerste bundels van de dichteres ook weer schitterende natuurbeschrijvingen zoals in

    Uitnodiging om te schaatsen

    ‘Toen hier bergen waren, besneeuwde
    hellingen en zwarte kloven, bewogen
    wij tussen hoogte en diepte, hijgend,

    huiverend. Zuur moeras vrat de rotsen,
    water drong zich in groeven en gaten.
    Het heet modder. Groeit er gras op

    spreken wij van weide; plassen noemen
    we de rest. Onder de spiegel verzonken
    ministers (vermoedelijk waterstaat), thee-

    serviezen,de brieven. Leegte daarboven.
    Je moet geloven dat grijs het ijs zich
    uitstrekt, grijp mijn gehandschoende hand.

    Dan ademloos razen op snijdende ijzers;
    we krassen de namen in sneeuw. Ik lik
    het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom.’

    De natuur als vervoermiddel voor hartstocht. In de cyclus over muziek ‘met esdoornhout en paardenhaar’ wordt de cello neergezet als een boodschap: Het gaat niet door! Wat een vondst, de lezer wordt gedwongen na te denken of hij het ermee eens is. En in het vers Van verre opgedragen aan Leonard Nolens schetst ze even de relatie tot andere dichters: (…) Ze vangen van elkaar verzen op, verstaan ze half, in tegenwind.(…).De onmogelijkheid van de ene dichter om de andere volledig te verstaan, volstrekt eerlijk neergezet.

    Enquist laat ons in deze bundel zelden met een rustig gevoel achteroverleunen. Er waait op de achtergrond een onrustige wind, we moeten op onze hoede zijn. Dat komt tot een soort apotheose in het titelgedicht Nieuws van nergens. Ergens is een orkaan en mensen hier zien dat op de televisie, ze kunnen hun ogen sluiten of naar een andere zender doorzappen, maar de verslaggever op de beeldbuis vervult de rol van machteloze. (…) Maar tot het zover is staat op een berg/ te dun gekleed, iemand te briezen/ en een microfoon, een eindeloze stroom/ met nieuws van nergens (…)

    De hoofdpersonen in deze verzen zijn eigenlijk in hun nietigheid, hun twijfels bijna nergens. Ze treuren, ze kunnen elkaar niet bereiken of zijn al dood voordat ze iemand ontmoeten zoals in het fraaie vers over Elvis, Een dikke jager, waarin een fietser, die lijkt op Elvis de oude moeder komt bezoeken. Hij ziet eruit als Elvis, die zij zo bewonderde, maar nu is het te laat.(…) De glitters waren van zijn pak gesleten/ maar het kon niemand ontgaan, daar/reed Elvis in zijn nadagen.(…)

    Een en ander zou tot de sombere gedachte kunnen leiden, dat Enquist ons een erg sombere boodschap wil meegeven. ‘Maak je geen illusie, alles gaat uiteindelijk op niets af, er is geen hoop. Of nog erger: Maak je geen illusies, je verandert er toch weinig tot niets aan.’  Dat is echter niet waar, tussen de regels door van bijna alle verzen sijpelt de zachte vriendelijke toon van een gevoelige natuur. Na de schaatspartij in Uitnodiging om te schaatsen lezen we waar het eigenlijk om was begonnen (…) grijp mijn gehandschoende hand/ Dan ademloos razen op snijdende ijzers/ we krassen de namen in sneeuw. Ik lik/ het gruis uit je ogen. Kom dan. Kom(…) Bij slechte dichters staat de poëet vaak tussen zijn gedicht en de lezer. Bij Enquist is dat andersom, ze dringt zich niet op, maar soms – heel even- duikt ze op achter de regels met een kwinkslag of een mooie gevoelige gedachte. Met zachte stem. Dit is de beste Enquist-bundel tot nu toe. En dat belooft nog veel goeds.

     

  • ‘In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten’

    ‘In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten’

     

    De spelers is een boeiend en indrukwekkend goed verteld verhaal waarin de situatie van het Joegoslavië van na de oorlog en de gevolgen hiervan, rijkelijk belicht worden.
    Centraal staat de 29 jarige Manja die als docente, nieuwkomers in Nederland taalles geeft. Tijdens zo’n les leert ze de gedeserteerde Joegoslaaf J. kennen die haar gelijk op het eerste gezicht betovert.
    J. arriveerde eind oktober en zijn verschijning veroorzaakte bij mij een even plotselinge als redeloze betovering. Hij was mager, en zijn gezicht met de scherpe, benige trekken, zijn radijskleurige neuspunt en het myriadisch netwerk van gesprongen adertjes – een gevolg van de regen, wind en klamme kou van het nieuwe klimaat – had eruit gezien als een wiskundige opgave. Een mathematisch project.’ Wat volgt is een gepassioneerde liefdesrelatie. Maar al snel komen de menselijke ergernissen en verwachtingen ten opzichte van elkaar om de hoek kijken.

    Manja en J. bezoeken een aantal keer zijn familie in Sarajevo. Ze komen in een omgeving terecht waar de mensen pogingen doen om hun leven in stand te houden en/of het voorzichtig te hervatten.
    De familie van J. leeft hier in een flat waarin en waaromheen nog duidelijk de sporen van de voorbije oorlog waarneembaar zijn.
    In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten. Voor het raam hing een versleten canvas scherm in de kleur van een biljartlaken. Toen het werd opengetrokken was een deel van de berg te zien, die als een kanten mouw was afgezet met witte grafzuiltjes.’
    Ondanks de treurige staat waarin de flat van Manja’s schoonfamilie verkeert, probeert haar schoonmoeder op bijna wanhopige wijze haar goede afkomst hoog te houden. Manja’s schoonzus leeft in een flat die voor de oorlog van een Joodse familie was die voor het etnische geweld gevlucht is. Ze woont hier met haar man Spiro, een verknipte ex-soldaat en hun in ontwikkeling achtergebleven zoontje (waar schoonzus en man geheel niets vreemds in zien). J. doet tijdens zijn korte bezoeken tevergeefs pogingen tot heropvoeding van zijn neefje.

    De relatie tussen J. en zijn zwager Spiro neemt in de loop van de bezoeken ronduit vijandige vormen aan. Hierdoor ervoer ik tijdens het lezen een constante spanning omdat ik telkens verwachtte dat er iets zou gaan gebeuren tussen Spiro, J. en Manja.
    Ook hun verblijf in een gebied waar de oorlog wel voorbij is, maar de sporen nog overduidelijk aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van zwerfhonden, brengen een geladen sfeer met zich mee.
    ‘Daar stond een hond, een teef die ons op de terugweg volgde door de langgerekte straat. J. zei dat het een hond was die hij al een paar keer wat te eten had gegeven en ook dat het hier stikte van de honden – vuilnisbakken met vlooien, Duitse herders, hier en daar een worst op pootjes – een deel was na alles wat zich had voltrokken gaan dwalen langs de wegen, een ander deel had zijn heil gezocht in de bossen, weer anderen hielden zich schuil in leegstaande of vernielde huizen. Sommigen waren in de huizen gebleven, wachtend op hun vroegere baasjes…’.Uit het citaat, hierboven aangehaald, komt een ronduit rauwe, harde realiteit naar voren die Manon Uphoff de lezer voorspiegelt.

    Dit boek kon mij in eerste instantie niet echt bekoren. Ik denk dat dat komt door wat ze vertelt en de sfeer die dat oproept. Maar bij nabeschouwing is het als portret van de Balkanoorlog een interessant en beeldend geschreven verhaal wat je daarom zeker gelezen moet hebben.

    De spelers is genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs. De winnares wordt bekendgemaakt op het Opzij Vrouwenboekenbal op dinsdag 16 februari a.s.

     

  • Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    Het waren de vier mooiste, de vier enige echt mooie jaren van mijn leven

    In 1931, tijdens een onderbreking van het schrijven aan zijn romancyclus Les Thibault, schrijft Roger Martin du Gard (1881-1958) deze korte novelle over een incestueuze liefde tussen broer (Leandro Barbazzano) en zijn 4 jaar oudere zus (Amalia). In een niet nader te noemen grote Algerijnse stad  groeien zij samen op en wonen boven de boekwinkel van hun zeer strenge, hardvochtige en ontoegankelijke vader. Hun moeder is al jong overleden. Broer en zus delen vanaf hun prille jeugd dezelfde slaapkamer, gescheiden door een schot met een gordijn. Er ontstaat een stormachtige liefdesverhouding die door niemand wordt opgemerkt.
    Maar, na vier jaar, komt hieraan een bruusk einde. Leandro moet zijn dienstplicht gaan vervullen in het Italiaanse leger en zal twee jaar wegblijven. Amalia wordt verplicht door haar vader te trouwen met de dertig jaar oudere, welgestelde boekhandelaar Ignazio Luzzati  waarvan ze walgt en die zij (broer en zus) ‘het ouwe varken’ noemen. Doet zij dat niet dan zal ze tot nader order opgesloten worden in een klooster. Amalia heeft dan een heel onverwacht idee. ‘Ja, ik trouw met de ouwe. Maar alleen als we het voor die tijd zo regelen dat ik zwanger ben’ ? blz. 38.

    Aldus geschiedde. Leandro vertrekt in oktober naar Sicilië, het huwelijk vindt plaats. Zeven maanden later bevalt Amalia: een jongen, Michele. ‘Hij was heel zwakjes, alsof hij echt te vroeg geboren was. Alleen al in het eerste jaar dachten ze hem wel tien keer te verliezen.’- blz. 39. Michele wordt niet ouder dan 16 jaar en sterft in een Frans sanatorium aan tuberculose. Deze episode is tevens het begin van deze novelle, de introductie op het Afrikaans Geheim.

    Roger Martin du Gard ontmoet Leandro (inmiddels een gerenommeerd boekhandelaar) in dit sanatorium in Font-Romeu. Er ontstaat een hechte vriendschap tussen Leandro en ‘meneer du Gard’.

    De schrijver heeft Michele slechts één keer gezien op zijn doodsbed ‘(…) broodmager maar van een grote schoonheid’.  Ongeveer twee, drie jaar later maakt hij kennis met Leandro’s  zus, haar man en hun half dozijn kinderen bij wie Leandro inwoont. Het contrast van deze zes kinderen met die prachtige Michele is verbijsterend. Deze kleine Luzzati’s zijn ‘kort en dik, week als kikvorsen, met bolle wangen en dikke billen, schorre stemmen en verwarde, wollige haardossen, en allemaal hopeloos alledaags’, constateert Du Gard.

    Broer, zus en zwager zijn inmiddels  gezamenlijk eigenaar van de Librairie Barbazzano-Luzzati, opgericht door hun vader en nu een van de belangrijkste boekwinkels van de stad.
    Na zijn bezoek besluiten Leandro en Du Gard samen de mailboot vanuit Afrika naar Marseille te nemen en dan vertelt Leandro, naast elkaar gezeten op het dek, zijn ‘Afrikaans geheim’  aan de schrijver. Een bekentenis in de vorm van een monoloog, zonder enige schaamte of spijt, in simpele feiten, maar met veel gevoel verwoord. Het is aan de toehoorder of de lezer hierover een oordeel te vellen.

    Roger Martin du Gard die voor zijn omvangrijke saga Les Thibault in 1937 de Nobelprijs voor de Literatuur ontving toont ook in deze ultrakorte novelle zijn meesterschap als verteller. Vooral zijn beschrijvingen van de personages zijn markant naturalistisch en doen denken aan Honoré de Balzac, Emile Zola, Gustave Flaubert  en André Gide,  die zich in hun tijd ook nogal wat vrijheden permitteerden. Wij zien een verfijning  in de monoloog op de boot; rauw realistisch is de stijl in bijvoorbeeld de beschrijving van het gezin Luzzati. Vooral van Amalia die in de Frans-Italiaanse film La Grande Bouffe van Marco Ferreri (1973) beslist niet uit de toon zou vallen door haar weelderig, doch wanstaltig voorkomen en vooral de beschrijving van haar manier van voedsel naar binnen schrokken werkt misselijkmakend op de lezer.
    Du Gard beschrijft op blz. 13-14 deze ‘oosterse corpulentie’: ‘Nee, mooi was Amalia niet; ik zou zelfs zeggen dat haar gerimpelde schildpadoogleden, haar dikke papperige gezicht, haar vettige huid, haar peervormige lijf, uitgezakt door de door de zwangerschappen en het zogen, haar doelbewust tot een probaat middel tegen zinnelijke lust maakten. (…) Naast de grote porties macaroni die ze tijdens de maaltijden opschrokte, zat ze van ’s ochtend tot ’s avonds kleverig Turks fruit te kauwen en sprak ze bijna altijd met volle mond’.  De schrijver vergoelijkt overigens min of meer deze dwingende en hartstochtelijke snoeplust : ‘die gulzigheid leek de revanche, de toevlucht voor alle passie van een vrouw, en dat had bijna iets pathetisch.’

    Wanneer Leandro zijn bekentenis doet, lijkt het alsof hij tegelijkertijd zijn geheim weer herbeleeft, beter begrijpt, maar er tevens volledig afstand van neemt door geen enkele verantwoordelijkheid hiervoor te aanvaarden. Blz. 43: ‘Ineens schoot het door mijn hoofd dat ik in feite verantwoordelijk was voor die geboorte, en ook ? misschien? ? voor die zwakke gezondheid, die ziekte…. Verantwoordelijk? Dat staat nog te bezien… Daar valt over te twisten! Bloedverwantschap levert soms wonderbare resultaten op…’.  Het standpunt van Amalia komen wij niet te weten. Zij lijkt letterlijk en figuurlijk goed te gedijen in de slachtofferrol. Slachtoffer van de mannen om haar heen, zou je kunnen zeggen.

    De aandachtige lezer leest op blz. 6 dat Leandro ‘een nog jonge man  (…)’  was bij de eerste ontmoeting met Du Gard in het sanatorium waar zijn 16-jarige ‘neef’ Michele verpleegd werd.
    Een paar jaar later volgt dan de bekentenis. Een rekensommetje  leert dat Leandro toen ongeveer 38 jaar moet zijn geweest. Toch heb je steeds de indruk dat het een oude(re) man is die eindelijk zijn geheim prijsgeeft. Hoewel, …. de beschrijving van Amalia met haar kroost waarvan ze er nog een zoogt, bewijst dat broer en zus beiden nog vrij jong zijn. Opmerkelijk!

    Het ontroerendste moment in het verhaal was voor mij:  ‘Maar twee of drie keer misschien, tijdens mijn bezoeken en de maaltijden die ik verplicht was bij de Luzzati’s te gebruiken, werd er tussen Leandro en mij gezinspeeld op onze ontmoeting in Font-Romeu, en iedere keer vulden de ogen van papa Luzzati zich stilletjes met tranen. Michele was kennelijk het lievelingetje van zijn vader geweest’ aldus de schrijver op blz. 15. Het lijkt dat de ‘stiefvader’ misschien nog wel het meest van het kind gehouden heeft.

    Toch is het even wennen om Confidence Africaine in hedendaags Nederlands te lezen. Het Frans van de jaren 30 van Roger Martin du Gard is, zeg ik met enig chauvinisme, zo veel rijker in woordenschat.

    Dat neemt niet weg dat deze eerste Nederlandse vertaling van een werk van Du Gard zeer zeker de moeite van het lezen waard is en zal zorgen voor veel vragen en discussies. Deze novelle suddert na lezing nog enige tijd na. Ik adviseer dan ook de diverse leeskringen in het land om dit boekje in hun leeslijst op te nemen als voorproefje op het hoofdwerk van Martin du Gard, de achtdelige serie Les Thibault, die de komende jaren bij  J.M. Meulenhoff  zal verschijnen. Hulde voor dit initiatief!

    In België en Frankrijk is enkele jaren geleden deze novelle al voor het toneel bewerkt en heeft geruime tijd gezorgd voor volle zalen. Persoonlijk kijk ik dus nu uit naar de vertolking van Leandro door bv. Thom Hoffman of Daan Schuurmans of wie weet, toch door een oude(re) man …. Helmert Woudenberg!?

     

  • Er wordt gezwendeld, coke gesnoven, veel gedronken en gepraat

    Er wordt gezwendeld, coke gesnoven, veel gedronken en gepraat

     

    Nick Laird kreeg de Rooney Prize voor Irish Literature 2005 en Utterly Monkey werd bekroond met de Betty Trask Prize en stond op de shortlist van de Kerry Group Irish Fiction Award. Op de achterkant van de door Nicolette Hoekmeijer vertaalde roman, krijgen we de jubelende kritieken voorgeschoteld uit Engelse en Amerikaanse kranten. Maar is het werkelijk zo’n denderend boek?

    Allereerst moet ik uitdrukkelijk waarschuwen voor de abominabele vertaling. Wie het Engels ernaast houdt – uw recensent deed dit – valt van de ene verbazing in de andere. Geen zin is in  behoorlijk Nederlands vertaald. Daardoor gaat in de vertaling iedere vaart uit het boek en ontbreekt de spaarzame humor uit het origineel volledig. Jammer!

    Het verhaal gaat over David Pinner, die na 10 jaar zijn docente kunstgeschiedenis Ruth Marks weer eens ontmoet. Hij hoopt dat het tussen hen wat zal worden, maar Ruth wordt dodelijk verliefd op James Glover, de tien jaar jongere flatgenoot van Pinner. Er ontspint zich een intrige, die best spannend had kunnen zijn, ware het niet, dat Laird – vertaling of niet – zich te veel verliest in détails. Hij put zich veelvuldig uit in een campe beschrijving van de Londense kunstscene waar de hoofdpersonen zich in bewegen. Er wordt gezwendeld, coke gesnoven, veel gedronken en gepraat, maar wat lijkt dat allemaal saai in de beschrijving van Laird…! De plannen van de overjaloerse Pinner om de uiteindelijke huwelijksplannen van Glover en Ruth te torpederen zouden stof kunnen zijn voor een uiterst ingenieuze driehoeksverhouding. Het wil bij Laird echter niet lukken om die triangel tot stand te brengen. De vrouw, Ruth Marks, waar beide mannen zo overspannen verliefd op zijn, kunstenares, eerder getrouwd geweest; komt over als een saaie cerebrale dame, waar je als lezer al snel bij zou gaan zitten geeuwen van verveling. Pinner, die de kwade duivelse genius moet verbeelden, de man die nergens voor terugdeinst, hinkt als aangeschoten wild door het boek. Dat maakt het doorworstelen van de 224 bladzijden geen pretje. Ieder ogenblik vraag je je af of er nog iets spannends gaat gebeuren of de hoofdpersonen eindelijk tot leven zullen komen. Maar dan volgt de zoveelste beschrijving van de eet- en drinkgewoonten van de hoofdpersonen voorzien van de merknamen van drank en voedsel. Interesseert mij het iets wat een saaie figuur allemaal eet en drinkt? Voegt het iets toe aan de verhaallijn?

    James Glover, een mooie jongen met een atletisch lichaam, schijnt een probleem te hebben waardoor hij na veel drank zijn handen niet thuis kan houden. Hoe is dat allemaal zo gekomen? We komen er niets over te weten.

    Aan het eind van het boek bekroop me de gedachte dat Laird een parodie heeft willen schrijven op een roman. Dan is hij daar ook totaal niet in geslaagd.

    Het is mij een raadsel waarom Meulenhoff, uitgerekend dit boek in deze zwakke vertaling heeft uitgegeven. Bovendien wekt het verbazing dat het kreupele verhaal in Engeland mocht rekenen op zo’n jubelend onthaal. Is dat het land met de rijke literaire traditie? Onbegrijpelijk!

     

  • Essays over literatuur, beeldende kunst en muziek

     

     Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
    Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.

    Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
    Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
    Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.

    Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
    Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
    Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
    De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.

    Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.

    Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
    Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.

     

  • Weijts zet de lezer op het verkeerde been

    Weijts  zet de lezer op het verkeerde been

    Het derde boek van Christiaan Weijts werd geschreven in opdracht van het Nederlands Dans Theater. Hij zou geprobeerd hebben, volgens een interview achter in het boek, om de lezer op het ‘verkeerde been’ te zetten. Grappig gegeven voor een dansboek. Hij wilde tot in de taal, bewegelijk opereren, zodat de lezer in een plezierige verwarring door de bladzijden dwaalt. En ook inhoudelijk moest er volgens Weijts het een en ander te knabbelen zijn. Daartoe zet hij de aloude discussie voort of de belevenissen in ons leven berusten op toeval of behoren tot ons Lot. Hij laat de vraag open. Weijts schreef eerder Via Capello 23 en Art 285, waarmee hij genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs.

    Eigenlijk is de verhaallijn van deze novelle flinterdun. De etaleur, ene Victor Zuid, krijgt een belangrijke opdracht van het warenhuis Cocagne. (Cocagne stond vroeger voor Luilekkerland, een flauwe verwijzing). Hier werkt hij aan een etalage en een uitstalkraam in opdracht van Alex, cynicus en darwinist. Maar de werkzaamheden van Victor worden wreed doorkruist wanneer een oude vlam, ene Vita Lateur op de proppen komt. Naast danseres is ze inmiddels milieuactiviste ? of moeten we zeggen milieuextremiste –  geworden. Ze deinst in die laatste rol voor niets of niemand terug. We moeten onwillekeurig even aan Volkert v.d.G. denken. Waar idealisme stopt ontstaat extremisme, met vernielingen en uiteindelijk soms moord. We zien dat om ons heen helaas gebeuren.

    Victor staat als de dreamweaver, de ontwerper van illusies, aan de andere kant van het maatschappelijke spectrum. Zijn doel heiligt de middelen. Er moeten producten worden verkocht. Vita (=leven) danst door het leven maar protesteert tegen de globalisering en bespuit met verf de etalage van Cocagne. Haar leven is een dansfeest en een gevecht. Het leven van Viktor is een illusie en een leugen. Maar hij gelooft oprecht in de illusie en neemt de leugen op de koop toe. Samen verkennen ze de ontmoeting, die ze moeten hebben, als een onontkoombaar stuk van hun beider biografieën. Ze kennen elkaar nog van vroeger maar worden weer door toeval (Is het toeval?) met elkaar in contact gebracht.

    De verteller hangt als een helikopterpiloot boven de twee partijen en laat geen gelegenheid onbenut om de lezer op het verkeerde been te zetten. Dat moet je maar kunnen en Weijts is daar wonderwel toe in staat. Hij draait pirouettes met zijn taal en voert dubbele axels uit, waardoor de lezer bij de les moet blijven.

    De thema’s wisselen elkaar af. Is er sprake van een verholen wraakgedachte? Hoe verhouden de twee hoofdpersonen zich tot de rest van de hen omringende wereld? Is er leven na de consumptie of redden we ons er wel dansend en springend uit? En hoe grijpt het lot in, wanneer we daar enig houvast aan zouden mogen beleven? Vragen, die door Weijts listig worden opgeworpen, maar allerminst beantwoord. Mag de lezer het zelf doen? Dat zou een zwaktebod zijn, ware het niet dat het een tijd geleden is dat deze recensent een Nederlands boek las, waarin überhaupt werd gefilosofeerd en dat siert Weijts!

    Verrassend is ook hoe Weijts het dansen van Vita op de muziek van Elgar beschrijft. Ze weet Victor te betoveren. De man van de scherpe zinnen valt voor de irrationele schoonheid van de danseres in actie. Ze heeft ook nog een geheim voor hem in petto. Een geheim – mooi genoeg – dat met erfelijkheid te maken heeft. Want hoe we het wenden of keren, aan de stroom van erfelijkheid zullen we maar moeilijk kunnen ontsnappen of we nu darwinist zijn of in een onomkeerbaar voorbeschikkend lot geloven.

     

     

  • Niets moeilijker dan geloofwaardig schrijven over de liefde.

    Niets moeilijker dan geloofwaardig schrijven over de liefde.

    Door Frank Heinen

     

    Niets moeilijker dan geloofwaardig schrijven over de liefde. Hiromi Kawakami (1958) doet in De tas van de leraar een meer dan geslaagde poging. Het verhaal van de ontluikende liefde tussen de oude leraar Sensei en zijn oud-leerlinge Tsukiko is een fraaie vertelling van een schrijfster die een groot publiek verdient.

    ‘Officieel had ik hem bij zijn volledige naam en titel moeten aanspreken, met Harutsuna Matsumoto, maar ik noemde hem gewoonweg Sensei.’ Zo begint De tas van de leraar. Tsukiko komt na jaren haar oud-leraar van de middelbare school weer tegen in een bar. Er is iets tussen hen, iets wat zich onmogelijk laat beschrijven, een ondertoon die hun, op het eerste gezicht obligate gesprekjes een extra dimensie verleent. Er is een, bij gebrek aan een ander woord, ‘klik’ tussen de twee.

    Wat volgt is een fascinerend proces van aantrekken en afstoten, door twee eenzamen die het niet gewoon zijn zich open te stellen en een ander dichtbij te laten komen. De onmacht om lief te hebben en vooral die om geliefd te zijn, doet denken aan één van dé bestsellers van 2009, Paolo Giordano’s debuut De eenzaamheid van de priemgetallen. Waar Giordano echter de voor de hand liggende keuze maakte om het verhaal uit het perspectief van beide geliefden te vertellen, krijgt de lezer in De tas van de leraar alleen een inkijkje in de gedachtewereld van Tsukiko. Dat maakt de jonge vrouw overigens geen hoofdpersoon; dat blijft de excentrieke, oude Sensei, die met zijn eeuwige boekentas steeds weer Tsukiko’s leven komt binnengewandeld. De prangende vraag of Tsukiko en Sensei elkaar nu eindelijk krijgen wordt beantwoord, maar ach, dat had eigenlijk niet gehoeven.

    De tas van de leraar lijkt op het eerste gezicht een typisch ‘Oosterse’ roman. De kersenbloesem staat prominent op het omslag en Tsukiko en Sensei drinken sake, eten tofoe en slapen op hun tatami. Wie door de onvertaalde Japanse woorden heen leest, wordt meegezogen in een onbegrijpelijke liefde tussen de leraar en zijn voormalig leerlinge. En terwijl de tijd hen als rijstkorrels door de vingers glijdt, lijken alle toenaderingspogingen tevergeefs.

    Kawakami is er in geslaagd de liefde tussen de woorden te vatten. Resultaat is een bijzonder boek over twee niet eens zo heel bijzondere mensen. Met humor, vaart en melancholie geschreven; het kan. Een boek kortom dat een groot publiek verdient.

     

  • Een week op een vijfsterren cruiseschip

    Een week op een vijfsterren cruiseschip

    Een week cruisen op een vijfsterren schip met een bemanning die zegt “wensen te vervullen die u niet had kunnen dromen”; superleuk, maar voortaan zonder mij, concludeert schrijver David Foster Wallace na zijn cruise in de Caraïben. In 1995 wordt de schrijver David Foster Wallace door het tijdschrift Harper’s uitgenodigd om op hun kosten een week te verblijven op het luxe vijfsterren cruiseschip de MS Zenith voor een zevendaagse cruise in de Caraïben. De schrijver is op dat moment 35, de meeste luxe cruises trekken een ouder publiek, vijftigplussers, mensen die nog niet volledig afgeleefd zijn, maar wel lichamen hebben ‘die ontbloot verschillende stadia van verval’ vertonen, constateert de schrijver.

    De auteur verwerkte zijn ervaringen in 1997 tot een essay, getiteld ‘A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again’, dat onlangs als ‘Superleuk, maar voortaan zonder mij’ in Nederland is uitgebracht. Het is een hilarisch en ontluisterend essay waarin de schrijver een portret schetst van zielige cruise passagiers die even aan hun droevige bestaan willen ontsnappen en het geeft een beeld van zijn eigen toenemende angstige gemoedstoestand tijdens die week.

    De schrijver beschrijft tot in de details wat hij ziet, proeft en ervaart tijdens deze week. Zijn observaties beginnen al op het vliegveld van Fort Lauerdale. Op de inscheepdag van de cruise lijkt het vliegveld van Fort Lauderdale op de val van Saigon. De helft van de mensen is gebruind en heeft een blik van Innerlijke Vrede, de andere helft observeert elkaar en vergelijkt camera’s.

    Aan boord probeert de professionele bemanning “wensen te vervullen waarvan U niet had kunnen dromen”. De passagiers kunnen ontsnappen aan al wat onaangenaam is, want op het luxe schip vinden onophoudelijk activiteiten plaats: een continue stroom van feesten, partijen, zang en dans die ervoor moet zorgen dat de passagiers zich dynamisch en herboren voelen.

    Naast zijn persoonlijke ervaring geeft Foster Wallace in 137 voetnoten, één voetnoot is zelfs 5 bladzijden lang, achtergrondinformatie. De schrijver beschrijft de bevolkingsgroepen die ingeschakeld worden om de cruisepassagiers naar de zin te maken: de bus- en taxichauffeurs zijn Cubanen, de kruiers op het schip zijn Libanees, de bemanning is Grieks en het onberispelijke schip wordt door onvermoeibare derde wereld mannetjes schoongemaakt.

    Foster Wallace geeft een minutieuze beschrijving van zijn hut: “Exorbitant veel lof verdient de badkamer van Hut 1009. Ik heb in mijn leven al flink wat badkamers gezien, maar dit is verdomme een echt prachtstuk”. Wat betreft de aanlegplaatsen: “De enige echte constante in de Caraïbische nautische topologie die de MS Nadir (= bijnaam voor het schip van de auteur) aandoet, heeft met de onwerkelijke fraaiheid van alles te maken, met het feit dat de scenerie haast geretoucheerd aandoet ? het is onmogelijk het helemaal treffend in woorden te vatten, maar het dichtst in de buurt komt voor mij dat het er allemaal erg duur uitziet.

    Prachtig is zijn beschrijving van het moment dat de passagiers op excursie gaan: “zodra hun sandalen de kade raken, vindt er een sociolinguïstische metamorfose plaats, van passagier in toerist. Op dit eigenste moment slingert zich een rij van 1300+ bemiddelde toeristen met geld dat wil rollen en uitkijkend naar belevenissen die beleefd willen worden”.  Hij noemt deze excursies kudde gedrag van welgevoede Amerikanen die op dure sandalen armoedige havens binnenwaggelen, op zoek naar contact met de lokale bevolking.

    De reis en de animatie roepen bij Foster Wallace vooral een associatie op met zijn vakantiekampervaring in zijn jeugd. Maar de auteur observeert niet alleen, hij vergelijkt zijn reiservaring met de in de brochure voorgespiegelde werkelijkheid en daarnaast probeert hij te analyseren hoe de organisatie winst kan maken bij de exploitatie van het ‘drijvende paleis’.

    De schrijver verstaat de kunst van ironie en het reisverslag is plezierig om te lezen, maar mocht je misschien het idee hebben om ooit op een luxe cruise te willen gaan, na het lezen van het boek ben je voorgoed genezen!

    David Forster Wallace, geboren in ’62 is overleden in ’08. Hij studeerde filosofie en debuteerde als 25 jarige. Hij schreef boekenrecensies voor de The New York Times en LA Times. Ook gaf hij schrijfonderwijs aan een college in zijn woonplaats Claremont. Hij was een voorbeeld voor schrijvers als David Eggers en Jonathan Safran Foer. Hij leed aan ernstige depressies en pleegde in 2008 zelfmoord.

     

  • A thing of beauty is a joy forever

    A thing of beauty is a joy forever

    Door Rein Swart

    In deze selectie brieven die Keats schreef vanaf zijn twintigste tot zijn vijfentwintigste wanneer hij op uitnodiging van Shelley naar Italië vertrekt omdat de Engelse winterlucht te dik is voor zijn broze gestel, komt duidelijk tot uiting hoe zwaar het leven moet zijn geweest, twee eeuwen geleden met al zijn burgerlijke conventies. Het waren al kommervolle omstandigheden voor de kinderen Keats na de dood van hun ouders. John schrijft brieven schrijft aan zijn zusje Fanny, die onder de plak zit bij een strenge voogd, zijn jongste Tom, die ernstig kampt met zijn gezondheid en George, die met zijn vrouw naar Amerika emigreert. Vooral in de enorme epistels aan de laatste wijdt hij enorm uit, omdat hij toch moet wachten tot er een pakketboot de oceaan over gaat.

    Zijn brieven aan zijn vrienden laten meer een studentikoze kant zien. Als hij op reis is, zoals met zijn vriend Charles Brown naar Schotland, leren we hem het beste kennen. Keats heeft een hekel aan eigenwaan: ‘Na de 7 hoofdzonden is er geen grotere zonde dan jezelf te vleien met de gedachte dat je een groot dichter bent, of een van die schepsels die zo bevoorrecht zijn dat ze hun leven verslijten met het najagen van eer.’

    Zelf heeft hij daar niet zoveel last van. ‘Lof en blaam hebben slechts een kortstondig effect op de man wiens liefde voor de schoonheid in het abstracte hem tot een strenge criticus van zijn eigen werken maakt.’

    Kritiek op Endymion deert hem niet. Het maakte hem beter vertrouwd ‘met de dieptes, het drijfzand en de rotsen dan wanneer ik op de groene kust was blijven staan, een deuntje een mal fluitje had geblazen, en thee en geruststellend advies tot me genomen had.’

    Keats heeft een hekel aan de mensheid met hun akelige indolentie, die heel anders is dan de prettige vorm daarvan.

    ‘Een indolente dag, gevuld met bespiegelingen, zelfs als die van een onaangename kleuring zijn, is te verdragen en zelfs aangenaam wanneer je alleen bent, wanneer je gedachten niets beters in de wereld vinden. En de ervaring heeft ons geleerd dat lichaamsbeweging daarin geen verandering teweegbrengt. Maar om niets te doen te hebben en te worden omringd door onplezierige menselijke individuen, die zich net genoeg aan je opdringen om je te verhinderen je in een luie houding te begeven, maar net niet genoeg om je belangstelling te wekken of je te activeren, dát is een doodstraf voor een doodzonde.’

    Een betere wereld is voor hem geen oplossing want daarmee wordt de dood alleen maar meer onverteerbaar. Hij zou zich het liefst een paar jaar uit de wereld terugtrekken om zich te wijden aan Schoonheid. ‘Voor mij is er maar één weg, en die voert langs ijver, studie en nadenken.’

    Schoonheid staat bij hem tegenover het verdeelde en kleine huiselijk geluk. Later zegt hij tegen zijn geliefde Fanny Brawne dat hij er niet naar uitziet om gevestigd te zijn in de wereld en al beeft bij de gedachte aan huiselijke beslommeringen.

    ‘Te moeten uitgaan en weg te kwijnen op theepartijtjes, te bevriezen aan diners, smoren op danspartijen, stoven op recepties.’

    Hij zou liefst niet publiceren als hij geen geldzorgen had en vreest dat, als zijn werk niet verkocht wordt, hij straks corduroybroeken moet gaan dragen.

    Wat maakt de brieven voor de hedendaagse lezer zo bijzonder? Bezorger Gerlof Janzen geeft het volgende antwoord in zijn verhelderende en informatieve voorwoord: “Niet alleen omdat ze vanwege hun onbevangenheid, humor en vlotte stijl een tegenhanger vormen van zijn poëtisch oeuvre, dat zo esthetisch, doorwrocht en af is. Het is vooral hun grote diepgang die ons treft.’

    De brieven aan Fanny Brawne zijn zeer aangrijpend en ontroerend. Hierin blijkt zijn lichtgeraaktheid.

    ‘Als jij je werkelijk zou kunnen (wat ze noemen) ‘vermaken’ op een feestje; als jij mensen openlijk kunt toelachen en wilt dat ze je op dat moment bewonderen, dan heb je nooit van mij gehouden en zul je dat ook nooit doen.’

    Zijn jaloezie is zo groot dat hij niets meer met haar te maken wil hebben. Over hun tragische liefdesverhouding is zeer onlangs de film Bright Star gemaakt.

     

  • Erotische verhalen uit de Verlichting

    Erotische verhalen uit de Verlichting

     

    Door Machiel Jansen

    In 1672 schilderde Jan Steen zichzelf met een viool in het gezelschap van een jonge en een oude vrouw. Hij zit met een grote grijns te genieten en kijkt verliefd in de ogen van de jonge vrouw. Zij glimlacht naar hem maar ondertussen heeft ze met haar hand zijn beurs geopend en hem bestolen. De verliefde dwaas heeft niets door. Een oude vrouw, een koppelaarster, is nog tussen de twee te zien en biedt de vioolspeler een glas aan.

    Het schilderij had heel goed een illustratie kunnen zijn bij het verhaal De openhartige juffrouw, uit 1680, dat nu, in modern Nederlands hertaald, is uitgegeven door uitgeverij Atheneum. Er staan wel illustraties in deze bundel met erotische verhalen uit de vroeg moderne tijd, maar geen Jan Steen. In plaats daarvan zijn er plaatjes met voornamelijk seksuele handelingen. Voor het titelverhaal is dat merkwaardig want zo expliciet als de gravures, die helaas niet voorzien zijn van een jaartal, wordt het niet.

    De openhartige juffrouw  is de pseudoautobiografie van een prostituee, hoogstwaarschijnlijk door een man geschreven. Goed beschouwd lezen we in dit verhaal over niet veel meer dan wat we ook in zeventiende eeuwse schilderijen kunnen zien. Voor de echte seks moet je tussen de regels door lezen en worden er versluierde beschrijvingen gegeven. Net zoals in de schilderijen is het de losbandigheid die het meest in het oog springt. Maar als je goed kijkt zie je dat een morele boodschap niet zo ver te zoeken is. In de schilderijen van Steen vindt je bijvoorbeeld opvallend veel vogelkooien. In embleemboeken uit die tijd komt de vogelkooi ook regelmatig voor, voorzien van een moraliserend onderschrift. Jacob Cats bijvoorbeeld, toont een papegaai in een kooi met als onderschrift ‘Blij door slavernij’. De kooi staat hier symbool voor het huwelijk dat de vrijheid beknot, maar te preferen is boven bandeloosheid. De kennis van deze emblemata  heeft ervoor gezorgd dat kunsthistorici anders naar de zeventiende eeuwse schilderkunst zijn gaan kijken. Details die eerst realistische aardigheden leken, blijken opeens kleine moraliserende boodschapjes te kunnen bevatten.

    Een voorbeeld van wat je typisch zeventiende eeuws moralisme kunt noemen, vind je al op de eerste bladzijde. De volledige titel luidt De openhartige juffrouw of de huichelarij ontmaskerd, (oorspronkelijk D’Openhertige juffrouw, of d’ontdekte geveinsdheid).  Daarna volgt een spreuk:  ‘Als je de naam verandert dan gaat dit verhaal over jou’. Die spreuk stond er oorspronkelijk in het Latijn en is afkomstig van Horatius. De boodschap is duidelijk. De lezer kan het werk afkeurend ter zijde schuiven maar is hij daarmee geen grote huichelaar?

    Ook het verhaal vertoont van die kleine morele verwijzingen die je in zeventiende eeuwse schilderijen kunt vinden. Liefde is niet wat het lijkt. Onze hoofdpersoon is in het eerste deel vooral bezig met het om de tuin leiden van mannen. Ze gaat meerdere relaties aan zonder dat de mannen dat weten, ze veinst een zwangerschap en profiteert van de verblindende geilheid van haar slachtoffers. Vooral in het begin zijn de anekdotes om te draaien tot waarschuwingen voor mannen.

    Een ander voorbeeld is de beschrijving van het gebruik van make-up en de keuze van kleding. Het zijn vormen van bedrog waarbij vrouwen zich mooier voordoen dan ze eigenlijk zijn met het doel de man te misleiden. Als je je als man door je zintuigen laat leiden, wordt er misbruik van je gemaakt. Een beschrijving van misleiding kun je opvatten als een waarschuwing door er iets anders naar te kijken.

    De aanwezigheid van morele boodschappen in deze tekst wordt overigens ontkend door Inger Leemans, de samenstelster van deze bundel, en gepromoveerd op Nederlandse pornografische romans tussen 1670 en 1700. Zij ziet in deze teksten juist een onafhankelijkheidsverklaring van de idealistische, gangbare literatuur uit die tijd. Het is wel waar dat onze juffrouw geen spijt betuigt, of dat het slecht met haar afloopt. De morele verwijzingen zijn steeds heel subtiel en dringen zich nauwelijks op. Bovendien zie ik ze alleen in het titelverhaal.

    Meer opvallend dan de verborgen morele verwijzingen zijn de ontboezemingen die soms in de vorm van een klucht het verhaal aantrekkelijk moeten maken. Opvallend is ook dat er hier een vrouw aan het woord is. Over mannen wordt flink geklaagd, maar ook vrouwen worden niet gespaard. Wie geïnteresseerd is in de man/vrouwverhoudingen in de zeventiende eeuw, heeft aan De openhartige juffrouw een leuke bron. Het is naar mijn mening het meest leesbare verhaal in deze bundel.

    Veel harder gaat het eraan toe in het andere lange verhaal dat in deze bundel is opgenomen:  De roemruchte daden van Jan Stront (1684). Het is een absurd werk dat in alle opzichten, ook wat de opbouw betreft, over de schreef wil gaan.  Het begint nog enigszins verhalend als we lezen hoe Jan blijft hangen in de anale fase van zijn ontwikkeling, om het maar eens Freudiaans uit te drukken. Hij haalt de ene poepgrap na de andere uit. Hij kakt onder de stoel van zijn schoolmeester, hij stopt drollen in kussens etc.

    Dan gaat het verhaal plotseling over in een absurde dialoog tussen volstrekt willekeurige figuren met illustere namen, waaronder die van Plato, Cicero, Zeno, Caesar, Cleopatra, Epicurus, Spinoza en Erasmus om er maar een paar te noemen. Het grote gezelschap heeft het vooral over dat wat Jan Stront, die zelf ook aan het woord komt, het meest interesseert: stront en seks. Ik geef een vrij willekeurig gekozen voorbeeld:

    Thomas Cavendish: ‘Weet je wel hoeveel kwaliteiten een drol heeft?’

    Merlijn: ‘Vertel het zelf maar. Je moet hier ook alles leren.’

    Canvendish: ‘Neem een drol en steek je neus erin, dan stinkt hij. Bijt erin en je zult merken dat hij smerig smaakt, en als je dat niet verdragen kunt, wat we mogen aannemen, wrijf er dan je smoel mee in, dan zul je er vies uitzien.’

    Ferd. Vasquins: ‘Wat zeg je nu weer voor een ellendige vuiligheden?’

    Francis Drake: ‘Wie is er smeriger, degene die erover spreekt, of degene die het in zich draagt  ?’

    En zo gaat het door. Naar mijn idee staat Jan Stront ondersteboven. Zijn denkvermogen zit in de onderbuik en alles wat daar gebeurt is voor hem van groot belang.  Niet de mond spreekt, maar de anus en de geslachtsdelen.

    De anonieme schrijver moet een hekel gehad hebben aan intellectuelen want de dialoog is een venijnige parodie op de humanistische dialogen waarin Plato en Cicero nagevolgd werden. De pseudodiscussie die wordt opgevoerd is bandeloos, waarbij alles bij de naam wordt genoemd. De anekdotes volgen elkaar in hoog tempo op en worden afgewisseld door pseudowijsheden over seks of poep.  Het is een harde, bij vlagen hilarische satire, op de humanistische intellectuelen.

    Mij is het allemaal wat veel. Mijn seks en poep tolerantie is beperkt. Jan Stront is een stuk origineler dan een vijfjarige die in elke zin het liefst zoveel mogelijk poep en pies wil noemen. De beste schuine moppen en verhalen van Jan kunnen zich wat mij betreft meten met die uit de Decamarone (1350) van Boccaccio, maar op een gegeven moment weet je het wel.

    Dat geldt ook voor de andere verhalen in deze bundel die wat korter zijn. Het meest onbegrijpelijk vind ik Het leven en gedrag van de moderne Haagse en Amsterdamse salondames (1696). Het is misschien nog het best te beschrijven als een luchtige, vroeg moderne versie van Passolini’s Salò. In deze film uit 1975 worden veertien jongens en meisjes door fascisten vastgehouden en maandenlang aan hun seksuele en sadistische grillen blootgesteld. Zo hard als Salò is dit verhaal niet, maar toch zijn er elementen zoals het genieten van iemand die tot bloedens toe wordt afgeranseld en het leven naar een geheime, seksueel getinte code die me aan Passolini deden denken.

    De salondames vormen een geheime orde met duidelijke seksuele motieven. In hun code hebben ze zinnen staan als: Naar deze code zul je alles doen. Hoererij heet nu fatsoen,  dronkenschap blijdschap, bedrog verstand en overspel is de deugd van het land.

    De lust heeft veel vormen in dit verhaal. We lezen over lesbische erotiek, mannen blijken vrouwen en andersom. Ook wordt er sadistisch afgeranseld en behoorlijk gevochten. Het is een verzameling fantasieën waar je als moderne lezer alleen met verbazing op kunt reageren.

    Wie in de bundel naar verklaringen van de verhalen zoekt, zoekt tevergeefs. In ieder geval kent het boek geen noten, verhelderende inleiding of nawoord.  De inleiding van Atte Jongstra, is wel amusant maar veel over de achtergrond van de verhalen leer je er niet. Af en toe miste ik een verklarende noot. Zo komt het woord hoorndrager voor in de De openhartige juffrouw, Jan Stront wijdt er zelfs een hele verhandeling aan. Via internet kwam ik er achter dat hoorndrager staat voor een man die overspel pleegt.

    Ten slotte, denk ik dat dit mooi uitgegeven boek hoge ogen zou kunnen gooien bij de Bad Sex in Fiction Award die sinds 1993 elk jaar wordt uitgereikt door het Engelse Literary Review. Ik stel voor de anonieme auteur van Jan Stront posthuum de prijs te geven voor zijn gehele oevre.

     

  • Dansen op spijkers

    Dansen op spijkers

    Door Benno Zuidenga

    Het is meer dan 20 jaar geleden dat de dichter des vaderlands Gerrit Komrij iets met muziek deed. Dit betrof een samenwerking van de dichter met Boudewijn de Groot. In 1976 schreef Komrij op muziek van Boudewijn de Groot een lied genaamd Kinderballade, dat een jaar later op single verscheen. Oorspronkelijk was het nummer geschreven voor de lp Zing je moerstaal welke uitgebracht werd in het kader van de kinderboekenweek.

    In  2009 leverde het tweetal Komrij en Gauthier een luister-cd af waar de gedichten  mooi samengaan met de popachtige en soms als rap klinkende muziek van Gauthier. De composities van Gauthier en het aparte stemgeluid van Komrij zijn een zeer verrassend samengaan van muziek en proza.

    De cd begint met een intro van Gauthier, dit openingsnummer is een instrumentaal muziekstuk en verraadt nog niet veel aan de stijl en toonzetting van de composities op de rest van de cd, maar weet wel gelijk een sfeer te scheppen.

    De compositie Avondje met de tantes laat een verrassende tempowisseling horen. Door de samenvoeging van de vrolijke muziek met de dichtregels van Komrij zie je de tantes bijna echt zitten op hun avondje, met al hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

    De speciale toon en geluidseffecten van de muziek van Louis Gauthier brengen je helemaal in de sfeer van het gedicht van Gerrit Komrij, het ene gedicht is sexy en goor zoals Liefde waar in het intro het geluid van elektrische gitaar en kerkklok de heftigheid en sinistere sfeer al verraden, maar waar het uiteindelijk toch maar om één ding draait en dat is ‘liefde’, het andere dat reflecteert op de huidige tijd genaamd Twintigste eeuw. Deze compositie brengt je in ruim drie minuten door honderd jaar ups en downs in Nederland. In het titelnummer Zij danst op spijkers geeft de dichter mooi weer dat het leven van een dichter ook niet over rozen gaat.

    Louis Gauthier, geboren in IJsselstein op 4 maart 1981, is een jonge alleskunner. Hij is componist en werkte onder andere samen met de eenmans-band Spinvis, Ingmar Heytze en Henk Westbroek wat resulteerde in een aantal cd-singles.

    Gauthier werkt samen met diverse fotografische kunstenaars zoals Margi Geerlings, Bart van de Hulsbeek en Ramses Singeling. Louis heeft een studie afgerond aan de Universiteit in Utrecht en specialiseerde zich daar in theater-, film- en televisiewetenschap. Hij heeft meegewerkt aan prestigieuze radio- en televisiedocumentaires, zoals de radiodocumentaire over de Extra Beveiligde Inrichting in Vught welke bijna de RVU Radioprijs won in 2003.

    Gerrit Komrij,  dichter, schrijver, vertaler, toneelschrijver en criticus, heeft met Louis Gauthier componist, producer en ontwerper een luisterrijke en zeer verrassende cd afgeleverd. De poëzie en goed gearrangeerde muziek zijn mooi verweven en vullen elkaar goed aan. De cd is niet alleen een aanrader voor mensen die van aparte muziek houden, maar zeer zeker voor de liefhebbers van poëzie en Gerrit Komrij.

    De cd bevat bevat twaalf gedichten/composities en wordt geleverd in een mooi door Louis Gauthier ontworpen boekje met de teksten van de gedichten.

     

  • Poëtische zeggingskracht van een houtkrullenverzamelaar over de absurditeit van de oorlog

    Poëtische zeggingskracht van een houtkrullenverzamelaar over de absurditeit van de oorlog

    Recensie door Rein Swart

    Aleksandar Krsmanovic woont met zijn familie in Visegrad, Bosnië aan de oever van de Drina, een rivier die een belangrijke rol in het boek speelt: zijn opa heeft zichzelf er al eerder in verdronken, Aleksandar vist er regelmatig en praat er mee en mensen worden er tijdens de oorlog in gegooid. Het boek eindigt ook bij de rivier, die het leven symboliseert.

    In het begin van het verhaal overlijdt de andere grootvader, opa Slavko, een volbloed communist.

    Aleksandar, die als kind nog de communistische tijd heeft meegemaakt en pionier was in de communistische jeugdbeweging, had een sterke band met hem. Zijn Servische vader werkt in een fabriek en sluit zich ’s avonds op in zijn atelier, zijn moeder doet in politiek en houdt van kunstschaatsen. In de verte rommelt het al.

    Zo gauw als mogelijk vertrekt het gezin uit de schuilkelder naar Belgrado.

    ‘Ik vroeg: waarom rijden we in de handen van de vijand? en moest beloven de komende tien jaar geen vragen meer te stellen.’

    Later krijgen ze asiel in Essen. Als de ouders naar Florida gaan, blijft Aleksandar in Duitsland om zijn eindexamen te doen. In 2002 keert hij terug naar Bosnië om het weesmeisje Asija te zoeken, dat hij in de oorlog leerde kennen in de kelder van de flat van zijn oma, want op al zijn brieven aan haar heeft hij nooit antwoord gekregen. Tijdens zijn verblijf daar schrijft hij het verhaal ‘Toen alles nog goed was’ over zijn jeugd. Een boeiende constructie waarin we meer te weten komen over het vooroorlogse leven in Visegrad.

    Behalve rijk aan inhoud is het boek geldt dit ook voor de fantasie en de taal. Om van dat laatste een voorbeeld te geven, een fragment na de aankomst van de familie in het plaatsje waar de overgrootouders wonen en waar opa Slavko begraven gaat worden:

    ‘Over opa Slavko spreekt oeroma niet met mij. Jullie zijn allemaal mijn kinderen, makkelijk heb ik het niet, zei ze tegen vader toen we in Veletovo aankwamen. Je wilt niet begraven wie je hebt gebaard. Ik begraaf mijn eigen vreugde.

    Vader gaf geen antwoord.

    Oeropa gaf antwoord door naar woorden te zoeken.

    Ik mis hem ook, zeg ik nu zachtjes en ik leg het doekje weg. Oeroma doet haar ooglapje af. Haar bruine, grote ogen. Een dunne haar uit de moedervlek op haar wang. De gebloemde schort over het zwart. Ik sluip stilletjes weg uit haar verdriet.’

    De taal is soms overdadig en dat geldt zeker voor de lange titels van de hoofdstukken.

    Stanisic manoeuvreert lenig, onbevangen, speels, bijvoorbeeld als Aleksandar bij terugkomst in Bosnië met zijn oma meegaat om koffie te drinken bij kennissen. ‘Koffie is voor oma meer dan een drankje, koffie is: de witte gordijnen van de buurvrouw de hemel in prijzen omdat ze zo goed zijn gewassen.’

    Het boek kent meer van die onverwachte wendingen: ‘Als ik bij oma ben zit ik altijd op opa’s Slavko’s sofa. Als ik televisie kijk, als ik eet, als ik slaap en als ik wil horen of mijn hart stil is blijven staan.’

    Stanisic schrijft met vaart: tijdens de ontvangst in Visegrad zegt oma tegen hem: ‘Kom, zegt ze, je bent moe laat me je bekijken. Ja, je opa.’ Soms rijgt hij woorden aaneen en de dialogen zijn zonder aanhalingstekens.

    Stanisic maakt in dit tijdsdocument de absurditeit van de oorlog duidelijk door de ogen van de jonge Aleksandar, die zichzelf als een houtkrullenverzamelaar ziet. Hij zou een eerlijke schaaf willen uitvinden, die de leugen van de verhalen en het bedrog van de herinneringen af kan schaven.

    Een origineel en veelzeggend debuut uit 2006, vertaald in 2007.