Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • De rijkdom van een leeg innerlijk

    De rijkdom van een leeg innerlijk

    Recensie door Rein Swart

    In de inleiding schrijft Diski over haar gemengde gevoelens over het reizen. Dit is haar derde ‘reisboek’ na Schaatsen naar Antartica (let wel: met een cruiseschip) en Vreemdeling in een trein (door Noord-Amerika). Ditmaal bezoekt zij Nieuw-Zeeland, Somerset en Lapland. De omstandigheden worden steeds primitiever. Haar behoefte gaat uit naar roerloosheid, een toestand van totale rust, waarin ze haar gedachten de vrije loop kan laten en zich kan verdiepen in de essays van Montaigne, die zich ooit terugtrok uit zijn openbare functies en zich afzonderde op zijn landgoed.

    In deel 1 ‘Over afstand’ wordt Diski uitgenodigd voor een boekenfestival in Wellington, Nieuw-Zeeland. Ze gaat daarop in, omdat ze even afstand wil nemen van haar vrij nieuwe leven met de Dichter in Cambridge en waar kan dat beter dan aan het einde van de wereld? Ze besluit om na haar literaire activiteiten enige tijd voor zichzelf te nemen. Ze verlangt: ‘Vreemdheid en vreemderheid zonder blinde wanhoop.’ Voor dat doel heeft ze een huisje gereserveerd ergens in de achterlanden van het Zuider-eiland. Op haar reis daar naartoe komt ze het fenomeen ‘bungeejumpen’ tegen. Tegenwoordig is de beweging niet meer opwaarts naar de hemel, maar naar beneden gericht, stelt ze vast. Op een busstation peinst ze over de reclame-uitingen van een kerkelijke instelling. De stelligheden van het geloof brengen haar op de volgende zelfrelativering: ‘Soms denk ik dat álles, zelfs een zakje snoep, het verdient om gedurende de rest van je leven te worden overpeinsd. Dat zou geen grotere tijdverspilling zijn dan het gezwam waar mijn gedachten voornamelijk uit bestaan.’
    Later maakt ze een boottocht over een meer, die verstoord wordt door toeristen met hun zilverkleurige geheugens. ‘…mensen hielden digitale camera’s een armlengte bij zich vandaan om op de nieuwe manier foto’s te maken ? nog afstandelijker dan de oude manier, waarvoor in elk geval fysiek contact tussen de lens, de zoeker en het oog vereist was.’ Ze concludeert dat er voor haar, afgezien van haar bijdrage als professionele schrijver, geen enkele reden was om naar Nieuw-Zeeland of waar dan ook naar toe te gaan.

    In deel 2 ‘Over roerloosheid’ zoekt ze een invulling van haar verlangen naar rust tijdens een verblijf van enkele maanden in een achterhuis van een schapenboerderij in Somerset, die door de Boerin wordt bewoond.
    In hoofdstukken als ‘Over je schuilhouden, over leegte, over wandelen’ gaat het onder andere over schuldgevoelens als ze zich niet laat zien en binnenblijft. Ze verblijft liever in de lege ruimte die zij in zichzelf ervaart en waar ze altijd naar toe kan gaan. Ze heeft een natuurlijke reflex om met rust gelaten te willen worden en niet mee te doen. Achterblijven is voor haar een luxe.
    Als kind al hoopte ze op een kwaal waardoor ze niet op school mee zou hoeven doen, maar ze kreeg een schuldgevoel als ze een kwaal voorwendde.
    Desondanks maakt ze tochtjes naar zee in de omgeving van een kerncentrale. Tijdens een rit daarheen ziet ze tot haar verbazing kamelen in een weiland.
    In ‘Over oppervlakkig zijn’ schrijft Diski dat ze niet gekweld wordt door eenzaamheid. ‘Waarom is alleen-zijn niet martelend pijnlijk, geen gevreesde ontdekkingsreis naar mijn onvermoede innerlijke gebieden, pieker ik.’ Ze ervaart in zichzelf een niets, een oppervlakkigheid. ‘Tenslotte begint de waarheid me te dagen dat deze afwezigheid van een pijnlijke confrontatie met het duistere innerlijk in feite mijn moment van zelfontdekking is.’

    In deel 3 ‘Over duisternis’ wordt ze uitgenodigd om op reis te gaan naar Lapland en daar een reportage over te schrijven. Ze stelt zich een verblijf voor in totale duisternis, maar die blijkt daar niet te heersen. Het hoofdstuk ‘Over reisboeken om den brode’ gaat over haar twijfel het aanbod van de reisredacteur aan te nemen en reisjournalistiek te moeten bedrijven. Ze besluit toch te gaan en verblijft te midden van de Samen, die in het noorden van Zweden hun eigen cultuur proberen te beschermen. Tijdens een nacht ligt ze in een lavuu, een soort open tent te midden van een kudde rendieren. Dat is des te erger als je ook nog eruit moet om te plassen bij ruim min dertig graden onder nul. Gelukkig is er een behaaglijk hotel na een doorwaakte nacht en een barre rit op een sneeuwscooter.

    De epiloog bestaat uit een verhaal dat Diski schreef in opdracht van de BBC over een fictieve reis door Afrika waarbij ze poste restante brieven aan zichzelf verstuurt. Op het eind volgen adressen van reisorganisaties van de Samen en het internet-adres van de Boerin in Somerset.

    Het is nauwelijks mogelijk om deze openhartige beschouwingen, vaak doorspekt met herinneringen aan een nare jeugd, adequaat weer te geven. Diski schrijft ontwapenend en met een groot zelfbewustzijn, op het neurotische af. Ze is een hypochonder vol schuldcomplexen, zegt ze zelf. Maar dat levert prachtige literatuur op van een grondig denker, die zichzelf niet spaart.

     

  • Hij wilde leven

    Hij wilde leven

    Jarenlang hoort Jan Brokken, journalist bij Vrij Nederland, iemand in het belendende appartement op de Brouwersgracht piano studeren. Brokken is zelf goed op de hoogte van klassieke muziek en kan beoordelen dat wat hij hoort, niveau heeft. Als hij vijf jaar later in een concert zit van de Russische pianist Youri Egorov, herkent hij het spel van zijn buurman. Ze maken kennis en Brokken schrijft een artikel over hem. Dit is het begin van een hechte vriendschap.

    Egorov vlucht eind jaren zeventig uit de Sovjet Unie. Hij is een virtuoos pianist. Na zijn vlucht komt hij in Amsterdam terecht. Van daaruit maakt hij over de hele wereld furore.

    Youri mag in de Sovjet Unie dan wel gelden als een meesterpianist, hij is ook homo. Daarvoor kan je in de Sovjet Unie van 1976 veroordeeld worden tot jaren dwangarbeid in Siberië. Om zichzelf niet te verraden forceert hij zich anders te praten en te kijken. Zelfs zijn manier van lopen past hij aan. Ook cultureel voelt hij zich beperkt, niet alleen als uitvoerend kunstenaar maar ook in wat hij mag zien en lezen. Als hij als vervanger van een ander in Europa mag optreden merkt hij tot zijn verbazing dat er in het vliegtuig geen vertegenwoordiger van het Sovjetimpresariaat naast hem zit. Pas dan realiseert hij zich dat hij zo’n kans niet vaak meer zal krijgen. Hij vlucht.

    Youri loopt in Nederland vrijwel direct in de armen van Jan, een landschapsarchitect. In hun huis is het naar Russisch recept, een komen en gaan van diverse hechte vrienden, een enkele vriendin en – na optredens – van bewonderaars. Youri wordt steeds succesvoller en geniet van alle vrijheden die zijn nieuwe leven hem biedt. Hij speelt, reist, drinkt, leest, blowt, luistert, feest en geniet volop van de Amsterdamse homoscene. Tot hij aids krijgt. Aidsremmers bestaan nog niet en in 1988 overlijdt hij. Hij is dan 33 jaar.

    Op een prachtige manier vertelt Jan Brokken diens verhaal in In het huis van de dichter.
    Een boek dat veel meer biedt dan alleen het indrukwekkende en tragische levensverhaal van een meesterpianist.
    Uiteraard is het boek een beschrijving van de artiest Egorov, hoe hij zich voorbereidt, hoe zenuwachtig hij kan zijn en hoe veeleisend soms. Zijn mening over componisten en hun vertolkers. Meestal ingegeven door gefundeerde muzikale waarden, soms ook door emoties: Rachmaninov wilde hij bijvoorbeeld niet spelen omdat die te veel op begrafenissen van Sovjetleiders werd gespeeld.
    In het huis van de dichter is daarnaast ook een tijdsbeeld van het benauwde leven in de Sovjet Unie in de jaren zeventig en tachtig in contrast met het vrije Amsterdam uit die tijd: ‘Hij had op geen beter moment naar Amsterdam kunnen komen. Aan het einde van de jaren zeventig brak een culturele lente aan.’
    ‘En passent’ schrijft Brokken korte wetenswaardigheden over bijvoorbeeld het Concertgebouw, de Jordaan of de krakersbeweging. Over repetities met mindere goden of de opnames in de Abbey Road studio’s.

    Brokken is een echte verteller. Hij heeft ongetwijfeld een ode aan de musicus Egorov willen brengen met dit boek. Maar veel meer dan dat, is het eigenlijk de weerklank van hun vriendschap. Een warm en betrokken portret, dat heel dichtbij komt maar nergens klef en voldoende kritisch. Brokken bewondert Egorov als pianist maar houdt van hem als een ware vriend.

     

     

  • ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

     

    Op het ‘Invalidenfriedhof’, één van de oudste begraafplaatsen in Berlijn, liggen veel Pruisische militairen begraven; er liggen mensen die gedood hebben en mensen die gedood zijn. Weinigen zijn een natuurlijke dood gestorven. Er liggen veel generaals, admiraals, kolonels, majoors en bekende jachtvliegers. En tussen al deze graven bevindt zich het graf van een vrouw, het graf van Marga von Etsdorf, één van de eerste vliegeniersters van Duitsland. Op haar grafsteen, een zwerfkei, staat de tekst: Vliegen is het leven waard.

    ‘Ja,’ zegt de ik, ‘zij is de reden waarom ik hier ben. Ik dacht eerst dat ze was neergestort, maar las dat ze zich na een crash in Syrië, in Aleppo, had doodgeschoten. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid.’ De verteller in de roman Halfschaduw wordt rondgeleid over de begraafplaats door een man van vijftig die vertelt over degenen die er begraven liggen. Deze gids heeft tijdgenoten van Marga gesproken en bezit nog een sigarettenetui van haar met de inscriptie M v E en Ch v D.

    Het gesprek tussen de verteller en de gids wordt regelmatig verstoord door stemmen:

    ‘Wat is dat voor gefluister? …

    Jigadal wejitkadasj sjemee raba…’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Daar heb je hem weer. Wat mompelt hij?

    Koud. Koud.’

    ‘En dat daar, dat geschreeuw, dat gepraat van die hoge stem, ademloos, hijgend, vrijwel onverstaanbaar? Wat hijgt hij?’

    Het zijn de doden die zich met het gesprek gaan bemoeien. De gids vertelt de verteller, en de lezer, van wie de stemmen zijn die opklinken uit de graven.

    Uwe Timm heeft zich voor zijn roman Halfschaduw gebaseerd op documenten uit het leven van Marga von Etzendorf. Zij is de eerste Duitse vrouw die solo van Berlijn naar Japan vloog. In de roman lopen fictie en werkelijkheid door elkaar en laat de schrijver een liefdesgeschiedenis opbloeien tussen de vliegenierster en een Duitse consul. In het verhaal wordt Marga na haar solovlucht in Japan als een held onthaald. Onder de wachtenden op het vliegveld is Christian von Dalhem, de Duitse consul. Omdat alle hotels volgeboekt zijn, biedt Von Dalhem Marga aan dat zij op zijn kamer mag overnachten; hij zal op de gang gaan liggen. Maar dat wil Marga niet en ze besluiten de kamer door middel van een gordijn te splitsen. Von Dalhem vertelt dat hij in de oorlog jachtvlieger geweest is. In het halfdonker praten ze over de vliegerij en delen ze herinneringen. In die nacht wordt Marga iemand anders. Ze hebben wel bij elkaar maar niet met elkaar geslapen, maar het is duidelijk dat zij bepaalde gevoelens voor hem heeft, zij meer voor hem dan hij voor haar.

    Von Dalhem is gaan vliegen om de loopgraven te ontvluchten; hij is nu consul met een speciale missie in Japan en net teruggekeerd uit China van een geheime missie. Marga is van jongs af aan geïnteresseerd in vliegen en ziet haar vluchten als een daad om de mensen over zee een hart onder de riem te steken na de vernedering van Duitsland en het schandalige verdrag van Versailles. Marga beschouwt zichzelf als ambassadeur van het vreedzame Duitsland. Voor Von Dalhem is vliegen geen propaganda, maar een vorm van snel bewegen.

    Marga vliegt driemaal naar andere continenten: naar Afrika, naar Azië en naar Australië. In Syrië maakt zij een fout: zij landt met rugwind. Het toestel raakt zwaar beschadigd. Zij wordt opgevangen door Franse militairen en naar hun officiershuis gebracht. Daar verstuurt ze eerst een telegram en gaat daarna naar haar kamer. Even later horen de Fransen twee schoten: Marga von Etzdorf heeft met een machinepistool een eind aan haar leven gemaakt.

    Het liefdesverhaal is maar een deel van de roman. Het verhaal van de ontmoetingsnacht van Marga en Von Dalhem wordt afgewisseld met herinneringen van de overledenen aan Marga, maar zij vertellen ook verhalen over de Duitse oorlogsgeschiedenis. Af en toe is er een kakofonie van stemmen die spreken en is het niet duidelijk wie wat zegt. Maar dat is niet storend. Met de gespreksflarden van overleden nazi-grootheden en hun slachtoffers heeft de schrijver een unieke manier gevonden om de gruwelen van het fascisme weer te geven. Uwe Timm heeft met Halfschaduw een bijzondere roman toegevoegd aan zijn indrukwekkende oeuvre.

    Uwe Timm werd in 1940 in Hamburg geboren. Hij studeerde filosofie en germanistiek. Met de roman De ontdekking van de curryworst brak Timm internationaal door. Zowel in De ontdekking van de curryworst als in het succesvolle Mijn broer bijvoorbeeld werpt Timm een nieuw licht op het Naziregime van Duitsland. Uwe Timm wordt in Duitsland als een van de belangrijkste schrijvers van zijn generatie beschouwd.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50

  • Afrekenen met Hitlers erfenis

    Afrekenen met Hitlers erfenis

    ‘Avraham, je bent een mesjoggene en je hebt er niets van begrepen. Je hebt niet kunnen beseffen hoe groot de omvang is van de woede, het verdriet, de frustratie en vooral de angst die de Holocaust heeft veroorzaakt bij de overlevenden en hun nageslacht.’ Dit zal de reactie zijn van een groep lezers na het lezen van de eerste hoofdstukken van het boek van Avraham Burg. Wanneer wij de afdaling maken in de donkere gang van het Childrens Memorial in Yad Vashem, zal het toch duidelijk worden dat de herinnering aan de Sjoa, ten eeuwige dage zal blijven bestaan. Heel snel zullen zij hun mening bijstellen en meestal zal hun aanvankelijk negatieve benadering omslaan in grote bewondering voor de man wiens voornaamste wens het is vrede te bewerkstelligen in het Midden Oosten.

    De ondertitel van het boek luidt: Afrekenen met Hitlers erfenis en dat afrekenen doet Avraham Burg in twaalf hoofdstukken. Het is weer nodig dat wij onze kennis met betrekking tot de geschiedenis van het Joodse volk ophalen. Op nogal veel plaatsen in het boek worden, nogal selectief, bijbelteksten aangehaald ter versterking van het betoog. Veel kolonisten in het huidige Israël zullen vasthouden aan hetgeen is gezegd tegen Abraham in Genesis 13: 14-15. ‘Kijk naar het noorden en zuiden, het oosten en westen. Het hele gebied dat je van hieruit ziet, zal ik aan jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven’. Avraham Burg en zijn medestanders in de Vrede Nu beweging, geven hier waarschijnlijk een andere uitleg aan. Zij vinden ook dat teksten zoals in Exodus 21:23-25, die handelen over ogen en tanden maar beter buiten beschouwing moeten blijven. Misschien zijn de uitspraken gedaan in Lucas 6:29 over die andere wang meer van toepassing. Maar ja een mens heeft maar twee wangen en wat doe je als er op allebei de wangen al eens geslagen is?

    In één der hoofdstukken worden vergelijkingen gemaakt met de republiek van Weimar, waar de kiem reeds werd gelegd voor de later optredende catastrofe. Burg zegt dat er pijnlijke overeenkomsten zijn tussen het huidige Israël en het Duitsland van vóór Hitler, vooral omdat in beide gevallen ruime aandacht wordt besteed aan de Blut und Boden theorie waarin de jeugdbeweging een voorname rol speelt.

    Het Eichmann proces komt ter sprake. Door een groot deel van de Israëlische bevolking werd het gezien als een triomf, eindelijk was een echte nazi met een bekende naam, hen in de schoot geworpen. Er waren ook afwijkende meningen zoals die van de in Duitsland geboren Joodse filosofe, Hannah Arendt. Zij bracht de ethische kanten van het proces ter sprake maar werd ten tijde ervan tot zwijgen gemaand en kreeg te maken met een onvoorstelbare vijandigheid. Burg geeft in zijn boek ook duidelijk aan een principiële tegenstander te zijn van de doodstraf. Als één der argumenten hiervoor voert hij aan dat volgens hem, alleen de Allerhoogste het vermogen heeft om leven te scheppen en het te voorzien van een ziel. Het is hem blijkbaar ontgaan dat er, ook in Israël, aanhangers zijn van de evolutietheorie van ene Charles Darwin, die hier anders over denken. Het één en ander laat onverlet dat er voor de bestraffing van Eichmann elegantere methodes te bedenken waren geweest.  Burg beschouwt het proces zoals het destijds gevoerd werd als een slecht toneelstuk waarin de hoofdrollen werden vervuld door de toenmalige premier David Ben Goerion en de hoofdaanklager Gideon Hausner. De saaie bureaucraat Adolf Eichmann vervulde slechts een bijrol. Over het boek dat Hannah Arendt schreef, Eichmann in Jeruzalem, dat in het Hebreeuws werd vertaald, worden nog steeds debatten gevoerd en er wordt nu anders tegen aangekeken.

    Burg laat ons zien dat er meerdere sjoa’s waren zoals in Rwanda, Cambodja, Tibet, Oost Timor, en hij zegt tegen het volk van Israël: ‘De Sjoa is niet alleen van ons’. Hij roept op om naast de vervolgden te gaan staan en het voor hen op te nemen want anders zal er uiteindelijk niemand zijn om het voor ons op te nemen. We moeten ons de vraag stellen wat we kunnen doen om te voorkomen dat er weer dergelijke rampen kunnen ontstaan. Er is scherpe kritiek op het door de Israëlische regering gevoerde militaire beleid. Mensen zonder moreel onderscheidingsvermogen kunnen geen uitverkoren volk zijn. Ook in Europa zijn kritische geluiden te vernemen maar laten we wel bedenken dat kritiek op Israël nog lang geen antisemitisme is. Avraham Burg is een fel tegenstander van oorlogszuchtige generaals en onverzoenlijke rabbijnen en hij wil een wereld bouwen die is gebaseerd op het geloof in de mens maar beschikt nog niet over voldoende medestanders.

     

  • Handlangers – Willem Bijsterbosch, (1985)

    Recensie door: Rein Swart

    Sterk prozadebuut van een veel te jong overleden schrijver

    Bijsterbosch schrijft zoals een kop koffie soms smaakt: verkwikkend. Hij zegt geen woord teveel, de korte zinnen geven snelheid aan het verhaal, dat de onzekerheid van de liefde en wel speciaal de jongensliefde tot onderwerp heeft. Bijsterbosch beschrijft het nogal rauwe circuit waarin sommige homoseksuelen aan hun gerief proberen te komen. De ik-figuur wordt ook nog eens verliefd op Bernd, die hij tijdens een vakantie in Berlijn in ‘dé hotspot in town’ ontmoet. Nadat ze door een stel jongeren buiten op straat zijn aangevallen, belandt Bernd in een ziekenhuis. De ik-figuur zoekt hem daar op. Hij kan Bernd niet uit zijn gedachten zetten. Berlijn is Bernd geworden. Terug in Nederland heeft hij last van liefdesverdriet. Zijn weldoener, de oudere Anton, die oorspronkelijk uit Berlijn komt en hem daar naar toe heeft gestuurd, wil liever spannende – zeg maar geile – verhalen van hem horen. Het is de ik-figuur niet duidelijk wat de man nou van hem denkt. ‘Ik vroeg me af of hij wijs en bezorgd was of gewoon jaloers.’ Anton is ook niet de held die hij tegen de ik-figuur voorgeeft te zijn, maar eerder een praatjesmaker.

    Ook van Bernd, die hij al gauw de chef noemt, is hij niet zeker. Als hij hem in het ziekenhuis bezoekt houdt hij diens afstandelijkheid voor verlegenheid. Als Bernd later naar Den Haag komt wordt de ik-figuur gekweld door onzekerheid.
    ‘Zouden we weer tegenover elkaar staan als uit die kelder in Berlijn omhoog gekomen? Onhandig en schuchter hadden we met neergeslagen ogen onze namen gezegd, zacht elkaars namen overgenomen, en elkaar aangekeken alsof we iets stouts gedaan hadden.’
    Hoe moest dat in het volle daglicht, ‘beschermend en onbeschermd tegelijk’?
    ‘Verliefd,’ zegt de ik-figuur in een terugblik, ‘dat was van de ene verbazing en stortkoker van emotie in de andere. Ik wist me geen raad, tippelde al die dagen achter Bernd aan, fladderde met liefde om hem heen, tot hij me wegsloeg als een vlieg.’
    Maar daarvoor liggen ze nog samen vredig in bed.
    ‘Bernd sliep kalm en rustig in en ik waakte over hem. Nu en dan legde ik mijn hand op zijn schouder, die hij in slaap weer afschudde, of raakte door het laken heen zijn billen aan, sentimenteel als een oude vrijster die een bloedjonge soldaat krijgt ingekwartierd.’

    De ik-figuur gaat Anton zien als een soort moeder en hij besluit dat hij zijn nieuwe vriendje niet aan hem zal voorstellen, maar later stuurt Anton een brief dat hij Bernd graag wil zien, hetgeen ontwikkelingen in gang zet die de onzekerheid nog vergroten.
    Naast het hoofdverhaal speelt het verhaal van Franz, de zoon van de hospita van Bernd, die door zijn vriend Wolf werd doodgestoken. Ook in de relatie tussen de ik-figuur en Bernd speelt sado-masochisme een rol.

    De ik-figuur leest regelmatig in de briefroman Hyperion van de lyrische dichter Hölderlin. Ook dit verhaal gaat over de kwetsbaarheid van de mens en zijn verlangen naar liefde, maar medemensen zijn niet meer dan handlangers, lieden die hand en spandiensten verlenen en trouw is handlangerstrouw.

    Bijsterbosch geeft rake beschrijvingen bijvoorbeeld van het station, waar de ik op Bernd wacht: ‘Personeel ging al rond met grote boenmachines, en hoerejongens, zwervers, een rastagekapte neger en besnorde rangeerders in versleten werkbroeken slenterden rond of leunden tegen de kiosken. Nu en dan ratelde het treinverkeerbord en daalde over ons het kling-klong-dames-en-heren van de vrouw zonder lach die in de kassaruimte woonde en vandaar later onbewogen Bernd’s komst meldde.’

    Intens en vitaal, gejaagd en direct zijn steekwoorden, die bij dit romandebuut passen.

    ‘Twee jongens uur na uur, dag na dag samen, kwebbelziek en verliefd, dat is vermoeiend, zeker. Geluk put sowieso uit als je er eigenlijk geen raad mee weet,’ zegt de schrijver in de gedaante van de ik-figuur op het eind. Dat hij moge rusten in vrede.

    Handlangers

    Auteur: Willem Bijsterbosch
    Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker (1985)

    Willem Bijsterbosch is in januari 2010 overleden. Handlangers is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.

  • Recensie door Machiel Jansen

    Recensie door Machiel Jansen

    In de lijstjes van beste boeken van het afgelopen jaar kwam Peter Terrin’s De bewaker regelmatig voor. Begin dit jaar kwam het terecht op de longlist van de Librisprijs, die in mei zal worden uitgereikt.

    Twee bewakers, Harry en Michel, bewaken een ondergrondse parkeergarage die ze niet verlaten. Ze slapen er. Ze wachten op een aflossing die misschien wel nooit zal komen. Ze slapen om beurten, bakken hun eigen brood en wachten op proviand die ze vervolgens met getrokken pistolen in ontvangst nemen.  Buiten is er gevaar en het kan alleen door grote oplettendheid buiten gehouden worden. Nieuws van buiten komt er niet. Het enige wat er van buiten binnen dringt zijn wat schaduwen, boomtoppen, een vlieg, het geluid van een fiets. Daar moeten ze het mee doen. Ze hoeven ook niets te weten, ze dienen hun werk zo goed mogelijk te doen. De organisatie waarbij ze in dienst zijn zorgt voor hun. Procedures dienen grondig nageleefd te worden, elk moment van verslapping kan fataal zijn.

    Dat is, kort gezegd, de basis van Peter Terrin’s De bewaker. Het is een uiterst vernuftig verteld verhaal waarin de spanning als een mist tussen de zinnen op komt zetten. Terrin’s werk is al vaker vergeleken met dat van Kafka, Beckett en Pinter. Het behoort zeker tot die traditie. Ook bij deze auteurs vind je onbenoemde dreigingen, het wachten op iets of iemand die niet komt, het vertouwen op procedures en onzichtbare en machtige instituten. Maar misschien interessanter dan de overeenkomsten met de genoemde auteurs, zijn de verschillen. De bewaker is vooral een verhaal van Terrin. Door het taalgebruik, zijn stijl, maar ook door er heel subtiel een eigentijdse draai aan te geven is Terrin erin geslaagd een heel indringend boek te schrijven.

    Het verhaal is helemaal in de tegenwoordige tijd geschreven en bestaat uit korte, genummerde hoofdstukjes. Het is Michel die vertelt en beschouwt. Hij is niet veel meer dan een toeschouwer en wanneer hij handelend optreedt doet hij enkel wat van een plichtsgetrouwe bewaker verwacht mag worden. Het is Harry die verklaringen zoekt, de buitenwereld probeert te reconstrueren en vermoedens uitspreekt. Hij is het ook die de situatie uiteindelijk ondraaglijk vindt en tot actie overgaat.

    Michel bekijkt en beschrijft. Zijn observaties van de omgeving en de dagelijkse gebeurtenis worden afgewisseld met nauwkeurige, zintuigelijke beschrijvingen van geuren, smaak en de nabijheid van Harry. Het is zeldzaam intens proza waarin je als lezer bijna fysiek kan opgaan. Neem bijvoorbeeld de beschrijving van het scheren. De bewakers hebben niet de beschikking over een scheermes en scheren zich met een aardappelschilmesje. Terrin weet het te verwoorden alsof je in close up het botte mes over de huid ziet gaan. En ja, soms voel je de beschrijving ook zintuiglijk. Zo krijgen de bewakers tot hun verrassing een pot jam in hun proviand. Een luxe die ze niet gewend zijn. De glazen pot valt kapot, maar Michel weet het merendeel te redden. Als je leest hoe hij de jam proeft met mogelijke scherven en splinters in zijn mond, krimp je ineen.

    In het begin van de roman gaan de ontwikkelingen traag zonder dat het verhaal aan spanning inboet. Maar op ongeveer twee derde van het boek gaat Harry tot actie over en verandert het karakter van de roman. Wat eerst een plotloos, vervreemdend boek over twee wachtende bewakers leek, wordt nu een bijna surrealistische thriller die me af en toe zelfs een beetje deed denken aan het werk van J.G. Ballard, de vorig jaar overleden Britse schrijver wiens werk nogal eens tot de science fiction wordt gerekend. Maar Terrin is vooral zichzelf en in daarin ligt ook de kracht van het boek.

    De bewaker is een duister verhaal dat je niet snel weglegt en dat lezers verdient. Een grote prijs zoals de Librisprijs zou Terrin dan ook niet misstaan.

     

     

  • Er staan geen bomen in het park!

    Er staan geen bomen in het park!

    Door Rein Swart

    In deze inspirerende essays, die voor een groot deel eerder in Raster verschenen, brengt Bernlef een hele rits buitenlandse dichters hernieuwd onder de aandacht. Het is alsof je naar Dode dichters almanak zit te kijken, de marathonuitzendingen die de VPRO eens in de zoveel tijd op het scherm brengt en die fascinerend zijn omdat er zoveel verschillende stemmen achter elkaar klinken, zoals die van de Amerikaanse Elisabeth Bischop bijvoorbeeld, die in deze bundel ook aan de orde komt. Ze staat haar mannetje te midden van een zeer divers gezelschap van allerlei mannelijke Europese en Amerikaanse dichters. Wetenschappelijk aangelegde poëten zoals de door Bernlef bewonderde Fransman Ponge treden zij aan zij op met surrealisten als Eluard. Bernlef levert daarbij ook nog een boeiend commentaar.

    De tweede ruimte is volgens hem de speelruimte tussen werkelijkheid en taal, die ruimte biedt voor fantasie en voor andere mogelijkheden dan een reeks waarheidsgetrouwe feiten. In zijn jeugd kwam hij erachter dat veralgemeniseringen zoals ‘de bomen in het park’ niet in staat waren het unieke te vangen.

    ‘Ik werd mij steeds bewuster van het oppervlakkige karakter van het taalgebruik om mij heen. De tweede ruimte dijde steeds verder uit tot er zich een nieuw talig universum in mijn hoofd gevormd had, een stelsel van fijngevoelige woorddendrieten die voortdurend naar nieuwe expressiemogelijkheden in de taal zochten. Die tweede ruimte was de geboortegrond van de poëzie en daar wilde ik wonen.’

    Buitenlandse poëzie is het stiefkindje in de literatuur, omdat het vertalen tijdrovend werk is en het nauwelijks mogelijk is het origineel te kopiëren. Bernlef leent zijn oor aan andere vertalers zoals Guus Luijters en Peter Nijmeijer, niet om te kijken wie het beste vertaalt, maar om iets van elkaar te leren. Ook is hij niet terughoudend in zijn kritiek. De avant-gardisten in een bundel van Luijters moeten het ontgelden. Halverwege zijn eigen boek valt hij heftig uit tegen Lloyd Haft die een psalm lelijk vertaalde. Dat soort uitweidingen maken deze bundel een genot om te lezen, ook voor mensen aan wie poëzie niet zo gauw besteed is.

    Bernlef gaat in op hermetische poëzie en op prozagedichten, die door de getormenteerde Rimbaud werden aangegrepen om verschillende stemmen tegelijk te kunnen laten klinken en door Aloysius Bertrand om net als een schilder verschillende taferelen naast elkaar te kunnen afbeelden.

    Tenslotte volgen essays over Zweedse dichters, die Bernlef zelf vertaalde en met wie hij een grote affiniteit heeft.

    Gustafsson is iemand die net als Bernlef in het gedicht Oorsprong het ‘ik’ problematiseert. Beiden stellen zich de vraag waar gedichten eigenlijk vandaan komen en concluderen, net als Rimbaud al deed (in dichtbundels die verwerkt zijn tot ‘Ik is een ander’), dat de persoonlijkheid maar een deel is van onze totale aanwezigheid. Gustafsson schreef ook een roman met de hoofdpersoon Arenander, dat in het Zweeds ‘is een ander’ betekent.

    De Zweed Tranströmer is van belang vanwege zijn esthetische ontvankelijkheid. Toen Bernlef eens bij hem op bezoek was, wees Tranströmer op een oude boom waar hij een ober in zag.

    ‘De onderbewuste werkelijkheid die in zijn gedichten vaak ter sprake komt (hij heeft opvallend veel gedichten geschreven over de momenten vlak voor het inslapen en vlak na het ontwaken), heeft meer te maken met het besef dat ons wakende ik maar een deel van ons bestaan uitmaakt en dat wij een belangrijk deel van ons leven in anonieme toestand doorbrengen. Het is Tranströmer erom te doen de momenten waarop het bewustzijn met die anonimiteit, die bij hem vaak gelijkstaat aan de natuur, in contact treedt in beelden te verhelderen.’

    Als tegenwicht tegen al deze volwassen woorden volgt hier begin en einde van het gedicht De Bokking van de excentrieke Charles Cros:

    Er was een grote witte muur ? kaal, kaal, kaal,
    Tegen de muur een ladder ? hoog, hoog, hoog,
    En op de grond een bokking ? hard, hard, hard,

     (…)

     Geschreven heb ik dit ? simpele, simpele, simpele,
    Verhaal om ze kwaad te maken ? de ernstige, ernstige, ernstige,
    Mensen en om te vermaken de kinderen ? klein, klein, klein.

    De tweede ruimte is voor Literair Nederland ook gerecenseerd door Albert Hogeweij.

     

  • Een transatlantische impasse

    Een transatlantische impasse

    Door Rein Swart

    De omslag toont een schaatsende jongen, die aan zijn zwaaiende armen te zien met veel plezier op ijshockeyschaatsen over een meer roetst. Dat zou best wel eens Hans van de Broek kunnen zijn, die zijn jeugdjaren doorbracht in Den Haag en omgeving. Op het moment dat het verhaal begint (in 1999) is hij analist in de Londense aandelenwereld, getrouwd met de Engelse Rachel en staat hij op het punt haar na te reizen naar New York, waar zij al werkt als bedrijfsadvocate en waar ze van plan zijn enkele jaren te blijven. Een senior vice president ziet dat hij op kantoor zijn spullen aan het inpakken is en waarschuwt Hans uit eigen ervaring dat het niet meevalt om weg te gaan uit New York als je daar eenmaal hebt gewoond.
    ‘Maar hij blijkt toch gelijk te hebben, in zekere zin,’ zegt de schrijver een bladzijde verder. ‘Nu ik de stad zelf ook heb verlaten, heb ik er moeite mee om los te komen van het gevoel dat het hele leven een soort naoogst is.’

    Het boek begint dus met een terugblik op zijn New Yorkse jaren, waar Hans zo weinig mogelijk aan wil terugdenken, maar hij moet wel als hij in het voorjaar van 2006 een telefoontje krijgt van een verslaggeefster van de New York Times, die hem ondervraagt over zijn relatie met Chuck Ramkissoon uit Trinidad, wiens lijk gekneveld in een kanaal is gevonden.
    De schrijver trekt ons vervolgens het verhaal in met een boeiende beschrijving van de eerste ontmoeting tussen Hans en Chuck, die als scheidsrechter tijdens een cricketwedstrijd met een pistool bedreigd wordt door een opgewonden toeschouwer en die met zijn rustige stem weet te kalmeren.

    Joseph O’Neill beschrijft met veel gevoel de werk- en sportwereld (cricket) van Hans in New York en verweeft daarin jeugdherinneringen uit Den Haag. De moeilijke relatie met zijn vrouw Rachel was voor mij het meest boeiende aan het boek. Rachel is nogal fel over de Irak-oorlog en wil daarom niet meer in Amerika wonen, waardoor ze enkele jaren een lat-relatie krijgen, die door Hans een transatlantische impasse wordt genoemd en die hij als een absoluut dieptepunt in zijn leven ervaart. Om daar uit te komen bezoeken ze in Londen een huwelijkstherapeute.
    O’Neill schetst een mooi beeld van New York en speciaal van Brooklyn waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. De Irak-oorlog wordt een test voor gewetensvol politiek denken genoemd en dat is nog steeds actueel. Hans geeft eerlijk toe dat hij, anders dan zijn Engelse vrouw, niet weet wat hij ervan moet denken.

    Soms wordt de schrijver wat lang van stof en is het niet helemaal duidelijk waar hij met zijn verhaal naar toe wil, maar de anekdotes zijn vermakelijk, bijvoorbeeld over zijn bijzondere mede-gasten in het beroemde Chelsea Hotel waar ze verblijven, nadat ze niet meer in hun loft kunnen wonen.
    Aan 11 september 2001 zelf maakt Hans weinig woorden vuil, evenmin aan de bevalling van zoon Jake, die volgens mijn berekeningen in oktober 1999, dus vlak na aankomst in New York moet zijn geboren.
    Dat de schrijver zelf ook vaak data invoegt, is mijns inziens te wijten aan de zwalkende compositie. De jeugdherinneringen zijn evenmin organisch ingevoegd.

    Ondanks een veelbelovend begin blijft het drama teveel op afstand. Hans laat niet het achterste van zijn tong zien; hij kan dat misschien vanuit zijn beperkte gezichtspunt ook niet; hij geeft toe dat de relatie-crisis een ‘unilateraal falen van zijn kant’ is.
    Het blijft daardoor te beschouwend, er vindt geen echte loutering plaats en daarom is er ook geen echt nieuw begin. Een bodyzeurver, noemt Rachel Hans als ze na alle perikelen op vakantie zijn in Kerala, India en Hans haar aandacht wil voor de mooie hoge golven waarop zij met hun lichaam kunnen surfen, terwijl zij diepgang zoekt.

    Een niet geheel overtuigende winnaar van de PEN/Faulkner Award for Fiction 2009.

     

  • Meer klassiekste klassiekers

    Meer klassiekste klassiekers

    Door Benno Zuidenga

    Een hoorcollege over de grote Griekse teksten in oorlogstijd

    Deze audio-cd bevat een hoorcollege over de teksten die geschreven zijn door de grote bekende Griekse schrijvers zoals Sophocles, Plato en Euripides. Dit hoorcollege wordt gegeven door professor dr. Ineke Sluiter. Zij weet de Griekse en Latijnse teksten te behandelen tot een begrijpelijk en af en toe komisch geheel.

    Het eerste college begint met een uitleg over de dertigjarige oorlog tussen Sparta en Athene, de Peloponnesische oorlog. Hoofdstuk twee van het eerste college vertelt het verhaal over het conflict tussen koning Creon en Antigone. Het verhaal wil dat koning Creon Antigone veroordeelt tot de doodstraf omdat zij haar broer eervol wil begraven, tegen de wens van de koning in. Koning Creon kan alleen de orde handhaven in Thebe als iedereen – ook zijn geliefde nicht – de wet respecteert. Sluiter vertelt heel helder over deze tragiek. Zo nu en dan verduidelijkt Sluiter de gebeurtenissen door deze te vergelijken met voorbeelden uit het heden. De Griekse tragedies werden in de vijfde eeuw voor Christus verteld door middel van een theaterstuk met acteurs en een achtergrondkoor.
    In hoofdstuk drie komt de vraag aan bod wie er nu gelijk heeft in deze kwestie. De positie van Creon als staatsman – hij die de wetten moet handhaven – of daar tegenover het menselijke gezicht van Antigone die het individuele geweten van de mens representeert.

    In het tweede college vertelt Sluiter over begrippen als macht en rechtvaardigheid in het vijfde eeuwse Athene. Zij laat zich inspireren door de Atheense legeraanvoerder en geschiedschrijver Thucydides en door Plato, de Griekse filosoof en schrijver van zeer vele dialogen over verschillende onderwerpen.

    Eén van de drie grote tragediedichters uit de vijfde eeuw was Euripides. Hij was goed bevriend met Sophocles. In het derde hoorcollege luisteren we naar de door Euripides geschreven tragedie over de Trojaanse vrouwen, hoofdzakelijk de lotgevallen van
    Koningin-moeder Hecuba van Troje en Cassandra de dochter van Hecuba en koning Priamus, de koning van Troje. Alle Trojaanse mannen zijn uitgemoord in de oorlog en alleen de Trojaanse vrouwen zijn nog overgebleven.

    Na alle oorlogsellende en grote tragedies worden we in het laatste hoorcollege meegenomen naar een wat vrolijker onderwerp; de Antieke Komedies van de blijspeldichter en schrijver Aristophanes. De oude Griekse blijspelen hadden merendeels een politieke tint en gingen over oorlog en vrede. Aristophanes schreef satirische blijspelen wat gepaard ging met een dosis Griekse zelfspot. In het laatste hoorcollege van deze luister-cd wordt op een vrolijke manier beschreven hoe in de Griekse blijspelen de politiek en heersers op de hak werden genomen. Vooral het verhaal over de seksstaking in zijn Lysistrata in het allerlaatste hoofdstuk. Hierin wordt beschreven hoe de vrouwen als echtgenote in staking gaan om de vrede af te dwingen. Aristophanes omschrijft hoe de vrouwen zich in allerlei bochten moeten wringen om niet aan de sekswensen van de mannen toe te hoeven geven. Ook de ongemakken van de mannen als gevolg van de seksloze periode, zijn op een komische manier vertaald en verteld door Ineke Sluiter.
    In mei 2009 vond een soortgelijk voorval in Kenia plaats. Met een seksboycot wilden de vrouwen hun politieke leiders onder druk zetten om vrede te sluiten. In de nieuwsberichten hierover werd een vergelijking getrokken met de seksstaking uit de Griekse geschiedenis.

    Prof. dr. Ineke Sluiter studeerde af aan de Vrije Universiteit van Amsterdam in de Griekse en Latijnse taal en cultuur. Sinds september 1989 is zij verbonden aan de Universiteit van Leiden als hoogleraar Griekse taal en letterkunde. Zij vertelt in dit hoorcollege op een interessante en duidelijke manier over antieke literatuur en over de antieke en moderne ideeën over taal, van grammatica tot de vrijheid van meningsuiting. In deze hoorcolleges weet zij de Griekse literatuur en toneelstukken te vertalen tot een voor ieder te begrijpen geheel en zij legt een interessante link tussen onze moderne tijd en de Griekse late vijfde eeuw voor Christus.
    Zij verstaat de kunst om u mee te nemen naar het oude Griekenland van meer dan 2.500 jaar geleden.

     

    Prijs: CD € 34,95 (4 CD’s), MP3 € 27,95

  • Zwevend in de lucht met de voeten in de aarde.

    Zwevend in de lucht met de voeten in de aarde.

     In deze verhalenbundel brengt Van Toorn een novelle uit de Muggenreeks (2000), ander  werk dat al eerder verscheen (2003) samen met nieuwe verhalen. Die laatste, een viertal reisverhalen, zouden door Nooteboom geschreven kunnen zijn en blikken melancholiek terug op dichtersfestivals verspreid over Europa: in het eerste zijn we tijdens de Golfoorlog in een hotel waar een cynische Amerikaanse vliegtuigbouwer met genoegen de precisiebombardementen op de televisie bekijkt, in het tweede treedt de schrijver op het strand in contact met een beroemde Israëlische collega, in het derde wil hij optreden in Zuid-Afrika maar mag hij het land niet in omdat hij geen werkvergunning heeft, in het vierde bevindt hij zich ten zuiden van Napels.

    Hoewel Van Toorn beeldend schrijft vroeg ik me, ook omdat er weinig plot in de verhalen zit, af of dit herinneringen zijn van een oude vermoeide dichter met een bepaalde staat van dienst. In het eerste verhaal schildert hij zelf ook al het verschil tussen het zweverige dichtersleven en het alledaagse bestaan. ‘Thuis hadden ze, hoe beroemd ook, zoiets als een dagelijks leven waarin de vuilnisbak buitengezet moest worden en de huur betaald, waarin kinderen ondraaglijk lastig waren of waarin de uren op het kantoor waar ze hun geld moesten verdienen hen omlaag trokken naar de banaliteit.’

    Dat zweverige verdwijnt met een aangrijpend verhaal in het Bosnië van na de Joegoslavische oorlog. Alter ego Erik Leeman maakt een bustocht van veertien uur van Zagreb naar Serajevo die spannend wordt als ze worden aangehouden door Servische soldaten. De irritaties tijdens het dichtersfestival en de nasleep ervan in een tijdschrift zijn niet alleen politiek, maar vooral menselijk van belang.
    Vervolgens komen we aan bij het prachtige Haarlem Station dat ik al kende uit de Muggenreeks, maar dat nog meer aan kracht leek te hebben gewonnen. Het gaat over een zeventienjarige Amsterdamse kletsmajoor (‘Dat is onze taak als mensen, de dingen dramatisch te maken. Uit zichzelf doen de dingen namelijk niks.’) die na een vriendenbezoek met zijn vriendin Sara in zijn eentje in Haarlem uit de trein stapt omdat zij niet meer met hem verder wil leven. De ontheemding wordt langzaam duidelijk, de monoloog interieur is prachtig.

    Het titelverhaal De geur van gedroogde appels is charmant. De schrijver herkent op verschillende woonlocaties de geur van appels, ook tijdens een vakantie in Frankrijk in 1969 als hij midden in de nacht naar de maanlanding kijkt, terwijl een opoe naast hem partjes appel aan een draad rijgt en niet gelooft dat de mens werkelijk op de maan geland is. Als de schrijver later buiten naar de maan kijkt, ziet hij niets bijzonders. ‘Als je niet beter wist, zou je net als de oude grootmoeder denken dat het niet echt gebeurd was, maar in Parijs bedacht voor kinderen.’
    In het verhaal Apollo Henkie komt hij daarop terug naar aanleiding van oude banden, die gevonden zijn van de uitzending met Henk Terlingen over de maanlanding. Van Toorn vraagt zich af hoe het kon dat een eerdere versie van het titelverhaal zich in de middag afspeelde en concludeert dat het geheugen een bedrieglijk iets is.

    Rest ons tenslotte nog een aantal kortere verhalen.
    Het Nieuwe Meer is een sfeervol verhaal over een prille liefde met een aardige ontknoping; de indrukwekkende uitvoering van Der Tod und das Mädchen staat in schril contrast met de schatjes van kinderen die naast de schrijver op de kerkbank zitten; tijdens een vergadering herinnert Van Toorn zich een droom over de onlangs overleden Michaël Zeeman.
    Tenslotte is er nog een levenslustig verhaal over een vakantie op Kreta in het huis van een gemankeerde held en een impressie van een familiereünie in Zuid-Italië, die smaakt naar meer.
    ‘Je ziet in de smalle, steile straatjes die naar het piazza leiden kromme, geheel in het zwart geklede grootmoeders die nooit het dorp uit zijn geweest behalve om op het land te gaan werken, gearmd met punk-kleindochters uit Duitsland met alleen shorts en een bh aan en haar als gestolde rode en groene vlaggen. Onder de bogen van de portici aan het piazza waarin de bar is verscholen zitten de oudere mannen aan de koffie ? schoon wit overhemd, zwarte broek, soms een zwarte hoed ? en luisteren naar de verhalen van thuisgekomen zoons en neven.’

    Waarmee Van Toorn me weer helemaal voor zich heeft ingenomen.

     

  • Vitaliserend proza over de jaren zeventig en tachtig

    Vitaliserend proza over de jaren zeventig en tachtig

    Door Rein Swart

     

     

    De drie delen over de jeugdjaren van Daniël Rega beginnen in Che, een oude boerderij die door een zevental jonge Twentenaren is gekraakt en tot een eigen honk is ingericht. De rustige Rega werkt zich langzaam in in de vriendenkring door aan de bar naar hun verhalen te luisteren en de wc’s schoon te maken. Op een gegeven moment vindt zijn vriendinnetje Mireille, die daar buiten staat, dat hij te veel tijd met hen doorbrengt. Rega voelt zich, als een hond die twee groepen bij elkaar wil houden, uit elkaar getrokken.

    In het tweede deel verplaatsen we ons naar een studentenhuis in Groningen waar Rega samen met zijn medestudenten Van Parys en Werda woont. Ze steken de draak met de overspannen modernistische ideeën van de leraren, die sterk beïnvloed worden door het revolutionaire gedachtegoed van de jaren zestig. Van Parys klaagt erover tijdens een hoorcollega en trekt Rega mee. De jongens krijgen vrijstelling om zelf literatuurstudies te doen en hebben alle tijd voor vriendinnetjes en muziek. Zelf kan Rega geen meisje krijgen en moet hij genoegen nemen met de afdankertjes van Werda.

    In het derde deel bevinden we ons in Berlijn vlak voordat de muur valt. Rega heeft een kamer gevonden in de rosse buurt en staat achter de bar van striptease-tent Das Rote Kabinett. Het verhaal begint ermee dat de uitsmijter tijdens een show naar binnen roept: ‘Die machen auf! Nicht zu fassen!’ Die uitspraak draagt het verhaal tot Rega zelf op onderzoek uitgaat en hij door krijgt wat er aan de hand is.

    De titel van het boek slaat ongetwijfeld op de periode waarin de jonge mens in de twintigste eeuw speelruimte krijgt om zich te ontwikkelen en te ontspannen voordat hij eigen verantwoordelijkheden toegeschoven krijgt. In het zogeheten jeugdland kan hij een identiteit opbouwen. Deze periode is al veel vaak beschreven, maar de manier waarop Marc Reugebrink dat doet is heel bijzonder door de innemende en erotiserende stijl, waarvan hij zich bedient. Die klinkt mooi door in de eerste kus in het drukke Che, die heel toevallig tot stand komt als Rega en Mireille wachten op een bestelling en zij hem iets wil zeggen.

    Rega draaide zijn hoofd, iets te snel, zodat zijn mond en de hare, zodat hun monden heel dicht, hun monden op minder dan een centimeter, schat ik, van elkaar verwijderd waren nog, hun lippen elkaar, zijn volle lippen haar bleekrode lipjes op een haar na elkaar raakten, en meer dan het korte knikje dat Mirelle met haar hoofd gaf, meer was niet nodig voor hun eerste kus.’

    Het boek kent veel anekdotes, zoals in het begin over de cakewalk op de kermis waar de meisjes door de jongens omhoog geholpen worden door ze bij hun middel te pakken en daarbij ook even hun borstjes aan te raken en in Berlijn waar hologige junks naar de hemel staren maar daar ook niet te vinden is wat zij zoeken. Het boek leest als een trein, maar is ook inhoudelijk boeiend omdat het gaat om de zoektocht naar eenwording. Op het eind komt Rega erachter waar hij die zoeken moet:

    Het ging niet om een andere wereld, dat was het niet, of een bétere wereld of zoiets. Godbewaarme. Het ging om deze wereld. Daar ging het om. Maar dan zoals ze had moeten zijn. Of geweest had moeten zijn. Zoals ze wás, dacht hij, zoals ze altijd was geweest. Eigenlijk. Zoals hij haar altijd in zich had omgedragen, had bewaard, haast zonder te weten. Als de plek tussen het een en het ander, tussen toen en straks, tussen nu en nu zelfs.’

    Het boek is geschreven in een poëtische, zoekende stijl. Zoals in het citaat over de eerste kus al te lezen is, is de verteller duidelijk aanwezig. De ‘ik’ zit dicht op de huid van Rega. Wanneer het gaat over Mireille’s ‘smalle, nee frêle schouders’ is het alsof je over de schouder van de schrijver meekijkt. Dat zoekende wordt in het derde deel een beetje te veel. Dan ligt het er te dik bovenop en wordt het schmieren om het in theatertermen te zeggen.

    Levensecht zijn de personen, prachtig is de erotiek en invoelbaar het drama, dat verder wordt ingekleurd door de aandacht voor de muziek uit die tijd, zoals het nummer ‘Weakness in me’ van Joan Armatrading. Marc Reugebrink won niet voor niets in 2008 de Gouden Uil.

     

  • Stil en liefdevol

    Stil en liefdevol

     

     

    Loenia werkt in Amsterdam bij een makelaarskantoor. Zij gaat vaak met potentiële huurders mee om een woning te bekijken en ze doet dat vriendelijk en duidelijk. Haar gedachten houdt ze voor zich. Zij heeft een redelijk druk bestaan met het naar een speciale school brengen van haar zoontje, waarvan we aanvankelijk niet weten, wat er met hem is. Alsof ze zich schaamt. In ieder geval weet zij, noch haar nuchtere, Hollandse man, wat de oorzaak is van het feit, dat hun zoontje Reuben, doofstom is.
    Loenia is geboren in Sint Petersburg en rond haar 23e naar Nederland verhuisd om daar te gaan studeren, heeft Bas leren kennen en is met hem getrouwd. Hij is niet spannend, zakelijk, maar wel trouw en hulpvaardig. Loenia geniet enorm van de uitbundige complimenten van haar collega Aleksandr, afkomstig uit Wit-Rusland en soms denkt ze: ‘wij zouden elkaar beter begrijpen’.

    Ze belt regelmatig met haar moeder in Sint Petersburg en hoort op een dag, dat haar vader in het ziekenhuis is opgenomen, het ziet er ernstig uit. Ze wil er onmiddellijk naar toe, Bas regelt een vliegticket en zij vertrekt. Haar geboortestad is veranderd in de laatste zeven jaar, drukker, sneller, meer verkeer. Haar moeder is blij haar te zien. Ze gaan samen naar het ziekenhuis, waar vader samen met een Slowaakse man op een ziekenzaaltje ligt. Eenmaal thuis met haar moeder geniet Loenia van de sfeer in de ouderlijke woning, de zorg en gewoontes van haar moeder. De volgende dag gaat Loenia alleen naar het ziekenhuis, omdat haar moeder zich niet lekker voelt. Dan vertelt haar vader, dat hij nooit zeker heeft geweten, of hij wel haar vader is. Omdat hij weet, dat haar moeder waarschijnlijk weinig zal willen vertellen, noemt hij een vriend, waar Loenia eventueel mee kan gaan praten. Na het ziekenhuisbezoek besluit Loenia meteen naar die vriend te gaan.  Bij zijn huis aangekomen, blijkt de vriend al twee jaar geleden te zijn overleden, maar zijn vrouw nodigt Loenia uit binnen te komen en vertelt haar dan, wat zij weet van de geschiedenis van haar vader en moeder.

    Haar moeder, Eva, woonde in Brno, Slowakije en bij de inval van de Russen in 1968 ontmoet ze de Russische officier, Vadim. Hij valt meteen voor haar. Maar zij is verliefd op Dmitri, een schoenmaker. De laatste wordt bij een demonstratie opgepakt en verdwijnt om nooit meer terug te keren. Dan vraagt Vadim Eva om met hem mee naar Rusland te gaan en zij kiest voor zekerheid. Wanneer Loenia daar later vragen over stelt, antwoordt haar moeder alleen maar: ‘Dat heb ik voor ons gedaan’. Eigenlijk krijgt Loenia geen antwoord, van haar stille moeder. Toch toont ze respect voor haar moeders houding en heeft ze het gevoel dichter dan ooit bij haar te staan.

    Ariëlla Kornmehl heeft een mooie, ingetogen roman geschreven over een thema van alle tijden: wie is mijn vader, waarom maakte mijn moeder toen en daar die keuzes? ‘Of we ooit onze ouders echt leren kennen, begrijpen, weet niemand. Maar vragen stellen mag altijd’, zei Ariëlla Kornmehl, die in Amsterdam filosofie studeerde, in een interview.

    Het is voor veel mensen te hopen, dat zij een fractie van het begrip en acceptatievermogen hebben van de hoofdpersoon in dit boek, het zou velen behoeden voor angstvallige en krampachtige zoekacties en onnodige verwijderingen kunnen voorkomen.