Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Recensie door: Karel Wasch

    Wie het boek Wij drieën van Julia Blackburn wil lezen moet wel wat gewend zijn. De autobiografie van deze schrijfster is een mengeling geworden van bizarre dagboekfragmenten, herinneringen en flarden van brieven.
    Daarnaast zijn er in cursief veel dromen opgenomen van de schrijfster. Julia Blackburn publiceerde eerder zes romans waarvan er twee werden genomineerd voor de prestigieuze Orange Prize.

    Thomas Blackburn(1916-1977), de vader van Julia, is een van de drie hoofdrolspelers in het drama. Hij was een redelijk bekende dichter, hoewel hij nooit echt doorbrak in Engeland. Om in zijn onderhoud te voorzien gaf hij les aan een school en later colleges in Engelse literatuur. Er is iets mis met deze man, dat hebben we vrij snel in de gaten. Julia geeft in het hoofdstuk Een etentje in het begin van het verhaal een beeld van haar vader. Inmiddels is hij gescheiden van haar moeder en woont hij bij zijn derde vrouw:
    (…)Mijn vader doemt op en ik hoor zijn venijnige hoest. Hij opent de deur. Hij ziet bleek door de pillen en de katers. Zijn bril staat op het puntje van zijn neus en hij kijkt er met een scheve glimlach overheen, een glimlach die al scheef is sinds hij een eeuwigheid geleden over een hoog en puntig hek klom en met zijn bovenlip achter een van de spijlen bleef haken.(…)Wat volgt is een ‘etentje’ dat ongelofelijk uit de hand loopt. Er zijn twee andere echtparen uitgenodigd en Thomas Blackburn gaat als een bezetene drinken. Hierna scheldt hij op alles en iedereen. (…)’Jullie zijn een stel hypocriete zeikerds!’ zegt hij tegen zijn gasten. Het gezelschap verlaat gegeneerd het huisje. Julia is niet verbaasd of gegeneerd. Ze is er gewoon aan gewend dat haar vader zich in gezelschap zo gedraagt.

    Een aantal hoofdstukken verderop wordt de moeder Rosalie de Meric (1916-1999) ten tonele gevoerd. Een flirtzieke schilderes, die bezeten is door sex. Ze schildert half surrealistisch, half abstract, maar verkoopt bijna nooit een doek en heeft een bizarre verhouding met Thomas Blackburn. Midden in de nacht wordt Julia angstig wakker door het geschreeuw van haar ouders. De vader wil steevast de moeder in elkaar slaan. Julia gaat dan uit bed en beschermt haar moeder met haar lichaam. We komen te weten dat Thomas verkeerde antidepressiva slikt om zijn angsten te beteugelen en deze pillen vallen erg slecht in combinatie met alcohol. Hij is alcoholist en deze ‘combi’ leidt tot ongecontroleerde agressieve uitbarstingen. De ouders van Thomas Blackburn waren godsdienstwaanzinnig en de arme Thomas kreeg tegen natte dromen ’s nachts een stalen korset aangemeten om zijn geslacht te beteugelen. Hierdoor raakte Thomas- begrijpelijkerwijze- gefrustreerd.
    Het onherroepelijke gebeurt en na 14 jaar ruzie gaat het echtpaar scheiden. Voor Julia breken nu bizarre jaren aan. Ze blijft bij haar moeder wonen, voor wie ze bang is. Vreemd genoeg veel meer dan voor haar vader. Moeder praat tegen haar steeds over sex en of het jonge meisje het al wil doen of dat ze wil leren zich te bevredigen. Dat is voor een kind als Julia kennelijk bedreigender dan het geweld van haar vader. Er komen commensalen in huis, die moeder stuk voor stuk probeert te verleiden. Ze ziet in Julia een concurrente terwijl Julia niet begrijpt waar het over gaat. Bij de laatste huurder gaat het dan mis. Hij, ene Geoffrey, is schilder, twee maal gescheiden en krijgt een verhouding met Rosalie, maar is heimelijk verliefd op Julia.

    De vader trekt in bij Peggy en deze vrouw heeft een aan heroïne verslaafde zoon, die met een prostituee is getrouwd. ’Hij is getrouwd met een zwarte prostituee, na een voodooceremonie, dus maak je borst maar nat!’
    Thomas beschuldigt de jongen ervan, dat hij geld heeft gestolen van Peggy en uiteindelijk pleegt de jongen zelfmoord. Julia geeft haar studie op na allerhande verhoudingen met mannen en belandt in de armen van de veel oudere Geoffrey, maar hij pleegt zelfmoord. We hebben eigenlijk genoeg ellende over ons gekregen, maar moeten nog door het sterfbed van moeder heen, die iets van sympathie voor haar dochter weet te tonen. De vader is inmiddels ook naar eeuwige jachtvelden verhuisd na een complete overgave aan Koning Alcohol. Dat het met Julia nog betrekkelijk goed afloopt mag een wonder heten. Ze trouwt met een Nederlander en leeft nog lang en gelukkig. Op dit moment is ze in Nederland om haar boek te promoten. Een boek over de gefrustreerde jaren ’50, gevolgd door de te losse jaren ’60 en ’70. En over een weerloos kind dat uiteindelijk eieren voor haar geld kiest en schrijfster wordt. Huiveringwekkend.

    Wij drieën

    Auteur: Julia Blackburn
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschijnt bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2010)
    Prijs: € 19,90

  • Twee recensies over een boek

    Twee recensies over een boek

    Freudiaans of niet, feit is dat wij de recensenten Hilde van Vlaanderen en Machiel Jansen beiden  De sprekende slang van Nico Dros toestuurden en dat zij vrijwel tegelijkertijd een bespreking van dit boek aanleverden. Beide recensies zijn zeer de moeite waard. Daarom werd besloten beide recensies in één bericht te plaatsen.


    Door Machiel Jansen
    Religie kan een bindend element zijn in een samenleving maar het kan ook leiden tot grote onenigheid over zaken die voor een buitenstaander onbelangrijk en zelfs moeilijk te begrijpen zijn. De sprekende slang van Nico Dros (1956) is daar een mooi en afgebakend voorbeeld van.

    Dros is geboren en getogen op Texel, in een niet kerkelijk gezin, vlak bij het vissersdorp Oosterend. In 1984 interviewt hij daar als student geschiedenis voor een scriptie, enkele bejaarde dorpsgenoten over een kerkelijk conflict dat zich in 1926 heeft afgespeeld. Praten erover doen ze, zelfs na al die tijd, liever niet. Ze schamen zich nog steeds.

    Dros heeft die scriptie nu uitgewerkt tot het boek De sprekende slang dat zich laat lezen als een religieuze geschiedenis van Oosterend. Het interessante is dat het verhaal van dit kleine dorp met zijn achthonderd inwoners als het ware model staat voor wat je laaglands fundamentalisme zou kunnen noemen. De ondertitel van het boek luidt dan ook: Een kleine geschiedenis van laaglands fundamentalisme.

    Wie fundamentalisme met terrorisme associeert, zit hier op het verkeerde spoor. Militant is dat laaglands fundamentalisme nooit geworden en als ‘fundamentalisme’ een negatieve bijklank heeft dan komt dat door de starheid en het gebrek aan relativering die met het woord geassocieerd worden.  Laaglands fundamentalisme is een strijd tussen rekkelijken en preciezen. Een strijd om wat er staat in de Schrift en wat er geloofd moet worden.

    Een analyse van wat fundamentalisme is, kom je in Dros’ boek niet tegen. Hij houdt het bijna voortdurend bij de beschrijvingen van gebeurtenissen die relevant zijn voor de religieuze geschiedenis van Oosterend.  Dat is een compliment waard en maakt zijn boek ook tot een vreugde om te lezen.

    Het conflict waar het allemaal om draait, heeft alles met de sprekende slang uit de titel te maken. De Amsterdamse, gereformeerde dominee Geelkerken komt  met de kerkelijke autoriteiten in botsing omdat hij zich verzet tegen een letterlijke interpretatie van Genesis  3, waarin de slang tot Eva spreekt. Is deze slang een zintuiglijk waarneembaar reptiel geweest, of is de slang hier een zinnebeeld van Satan? Geelkerken verwierp de letterlijke interpretatie als de enige mogelijke.

    Er kwam een synode van, in 1926 in Assen. Daar werd Geelkerken gesommeerd zich te conformeren aan de kerkelijke lezing en, nadat hij weigerde, de kerk uitgezet. Het resultaat was dat 26 kerken in Nederland zich gezamenlijk afscheidden, waaronder ook die van Oosterend. Daar zorgde dit conflict voor grote commotie. Dros legt uit hoe het dorp zich in de voorafgaande vijfenzeventig jaar vast had gebeten in het gereformeerde geloof. Het vissersdorp was arm, de haven verzand, de oesters verdwenen en het vissen op zee gevaarlijk.

    Scheidslijnen liepen er al voor 1926 door de Oosterendse bevolking. In 1900 kende het dorp, dat uit niet meer dan tien straten bestond, al een streng onderscheid tussen fijnen en groven. De fijnen waren de gereformeerden, de groven de anderen: de hervormden, doopsgezinden en katholieken. En natuurlijk haalde de ene groep de neus op voor de andere.

    In 1926 scheurt het gereformeerde kamp in tweeën. Een paar jaar eerder heeft Oosterend eindelijk weer een gereformeerde dominee gekregen. Het is de dan 24e jarige ds. Buskens uit Amsterdam die de Oosterenders als een herder mag gaan leiden. De kudde heeft het dan zes jaar zonder dominee moeten doen. De jonge Buskens maakt een enorme indruk en maakt zich snel geliefd. Maar dan mengt hij zich in het conflict rond de sprekende slang, kiest de kant van Geelkerken en wordt in Alkmaar bij de classis op het matje geroepen. Buskens wordt geschorst en vertrekt uiteindelijk naar Amsterdam, de Oosterenders in verwarring achterlatend. Hoe kon hun zo geliefde dominee nu beschuldigd worden van  Schriftaanranding? Het dorp splijt in tweeën: voor of tegen Buskens, of anders gezegd voor of tegen de synode van Assen. Het conflict splijt vriendschappen, families en gezinnen. De pro-Buskens fractie scheidt zich af en bouwt zelfs een eigen kerk.

    Nico Dros beschrijft zo de geschiedenis van een kerkscheuring en de gevolgen die het heeft voor de lokale gemeenschap. De kleine geschiedenis van een zo geïsoleerd dorp maakt het verhaal tot een mooie eenheid. Het conflict rond de sprekende slang is een apotheose waar netjes naar toe gewerkt wordt. Eerst worden we snel en feitelijk door de Nederlandse geloofsgeschiedenis geloodst. We maken kennis met Oosterend en de langzaam groeiende gereformeerde aanhang. Daarbij verklaart of interpreteert Dros niet of nauwelijks.  Alles wordt verteld zonder nostalgie, romantiek of verbazing over de gebeurtenissen.

    Eén verklaring die Dros wel geeft leent hij van de antropoloog Rob van Ginkel . Die meent dat de hardheid en het gevaar van het vissersleven in de 19e eeuw de Oosterenders ertoe gebracht hebben steun te zoeken in het rechtzinnige calvinisme. Op heel Texel had alleen Oosterend een gereformeerde kerk en daar kwamen ook de meeste vissers vandaan.  Helemaal overtuigen doet die verklaring mij toch niet. Vissers verdronken vrij vaak en konden meestal niet zwemmen, vertelt Dros. Dan zou ik toch willen weten waarom de Oosterenders zich op het strenge calvinisme gestort hebben in plaats van zwemlessen te nemen. Bovendien blijkt fanatiek calvinisme ook meer tot spanningen dan tot innerlijke steun te leiden. Een fijne en een grove visser in één boot leidde nog wel eens tot ruzie, wat de situatie aan boord er niet veiliger op maakte.

    Nico Dros eindigt De sprekende slang met een voorspelling. Nadat hij eerst kort de jaren zestig en zeventig heeft beschreven waarin het dorp de religieuze teugels doet vieren, constateert hij ook een begin van een mogelijke opleving van het strenge gereformeerde geloven. Het dorp kent momenteel een kleine zwartekousenkerk. ‘Wanneer de gezinsgrootte in deze kring gehandhaafd blijft (…), zal deze minderheid sluipenderwijs en zonder slag of stoot in het jaar 2050 de overhand in het dorp hebben gekregen.’

    Dat ‘demografische’ argument kennen we. Het is vaker gebruikt, o.a. om aan te tonen dat Nederland katholiek of islamitisch zou worden. Zo’n uitspraak wordt nog wel eens gezien als waarschuwing voor naderend onheil. Maar waarschuwen doet Dros hier niet. Hij doet zijn voorspelling na de constatering dat de verhoudingen tussen rekkelijken en preciezen in het dorp verlopen als een getij. Over tsunami’s heeft hij het niet, wel over eb en vloed. En kennis van eb en vloed  heeft Dros als geboren Oosterender wel.

     

     Hilde van Vlaanderen
    De eerste keer las ik het boek als een spannende roman. Wat er zich allemaal op het eiland Texel afspeelde in de kerken, in families, met predikanten en hun volgelingen. Het was bijna ongelooflijk. Laatst vroegen Russische vrienden mij, hoe het toch kwam dat er binnen de protestantse kerk zoveel stromingen zijn en het kostte me moeite om enige verschillen uit te leggen. Na lezing van dit boek, zal me dat beter afgaan, vermoed ik.

    Toch begon ik nog een keer aan het boek, ik wilde preciezer weten, hoe het gegaan was. En bij de tweede lezing werd ik steeds verbaasder, maar ook kwader. Als je nog niet weet, waar oorlog en strijd in het klein vandaan komt, dan moet je dit boek lezen. Het is toch niet voor te stellen, dat hele families uit elkaar gaan vanwege de interpretatie van een tekst uit een boek van bijna tweeduizend jaar geleden? Natuurlijk leerde ik op school over de rekkelijken en preciezen, na dit boek heb ik eindelijk begrepen, waar het om ging. Maar begrijpen kan ik het niet.

    De ondertitel van dit boek: Een kleine geschiedenis van laaglands fundamentalisme is meer dan toepasselijk. Fundamentalisme van de bovenste plank is het, de strijd om de Bijbeltekst, de interpretatie van bepaalde fragmenten (de sprekende slang ? echt of een metafoor?), het onbegrip en vervolgens het verdriet in families, onder vrienden, onder buren en collega’s om een verloren gewaande broeder of zuster. Waar fundamentalisme toe kan leiden…

    Helaas kan ik het mijn moeder niet meer vragen, maar ik meen me te herinneren, dat zij begin jaren ’60 in Amsterdam dominee Buskes heeft ontmoet, hij was modern, progressief. Nu las ik dat deze dominee op Texel de Bijbeltwist en de strijd om de juiste interpretatie helemaal heeft meegemaakt. Met zijn vertrek hoopte hij de gemoederen te bedaren, maar dit bleek achteraf niet het geval. Hij heeft er later nog gepreekt en zich altijd verwant gevoeld aan de eilandbewoners en met name een groep mensen in Oosterend. Toch is het ook hem niet geluk de kemphanen tot elkaar te brengen. Zoals we ons gevoeglijk kunnen afvragen, of al die stromingen: hervormden, gereformeerden, remonstranten, doopsgezinden elkaar ooit zullen bereiken. In iedere stroming zitten immers scherpslijpers en… fundamentalisten.

    Nico Dros heeft een mooi boek geschreven. De geschiedenis vanaf de 12e eeuw heeft hij in heldere taal weergegeven, de persoonlijke strijd in het dorp op Texel illustratief uitgewerkt. Hij heeft als kind in die omgeving gewoond en zijn ervaring bij zijn gereformeerde vriendje is een mooi verhaal, dat een uitstekend beeld geeft van de sfeer in die tijd. Het is dan wel weer schokkend om te lezen, dat er nog mensen waren, die de grootste strijd in de jaren ’20 en ’50 hebben meegemaakt en er niet over willen vertellen als hij een opnamerecorder wil gebruiken. Vergeven en vergeten. Het schijnt moeilijk te zijn. Dit boek is een aanrader voor een ieder die inzicht hoopt te krijgen in, inderdaad het fundamentalisme in de Lage Landen.

     

     

     

  • Recensie door: Dominique Rothengatter

    Recensie door: Dominique Rothengatter

    Nomade is een pakkend en helder betoog van een waar vertelster.

    Aanvankelijk stond ik sceptisch tegenover dit tweede boek van Ayaan Hirsi Ali. Dit daar ze in de media de afgelopen jaren niet altijd even positief geportretteerd is, mede door haar pittige uitlatingen als politicus op het gebied van de islam. Maar tegelijkertijd was ik óók heel nieuwsgierig naar wat Ayaan allemaal te vertellen zou hebben in Nomade.

    Al lezende kwam ik bij de onderstaande passage in het boek. Het is één van de mogelijke scenario’s die Ayaan zich van de toekomst van haar nichtje Sagal voorstelt.  

    ‘Maar misschien wordt Sagal wel naar een van de openbare scholen in de wijk gestuurd. Gezien de etnische mengelmoes van Whitechapel is de kans groot dat de klassen van deze scholen zijn gevuld met kinderen uit immigrantengezinnen ? vaak polygame gezinnen of eenoudergezinnen waar de kans dat er Engels wordt gesproken erg klein is. Dergelijke scholen staan vaak in gebieden die onveilig zijn voor kinderen, vol drugsdealers, dreigende hangjongeren en angstaanjagend geweld.’

    Terwijl ik deze passage las voelde ik een zekere mate van irritatie opkomen. Dit omdat deze voorstelling me te negatief en overdreven leek en gekleurd vanuit Ayaan’s persoonlijke ervaringen.

    Maar tijdens het lezen ben ik Ayaan en wat ze vertelt anders gaan ervaren. Naast de meer theoretische en filosofische verhandelingen over de islam, vertelt ze ook haar persoonlijke verhaal over haar jeugd in een moslimfamilie.

    Ayaan groeit op met broer en zus, Haweya en Mahad en moeder en vader. Haar vader beschrijft ze als een leeuw van een man, een geboren leider en zeer gelovig. Tot het laatst toe probeert hij Ayaan weer terug te brengen tot het geloof.

    De moeder van Ayaan is een moeilijke en verbitterde vrouw, die weggegaan is bij Ayaans vader nadat hij een tweede vrouw trouwde en van haar zonen kreeg.

    Als broer heeft Mahad de taak de eer van zijn zussen te bewaken. Met zijn vader heeft hij een dubbelzinnige band. Als oudste zoon wordt hij aan de ene kant gezien als ‘de man’ en als een soort van prins die alle mogelijkheden en rechten heeft die hij zich maar wenst. Maar aan de andere kant ziet zijn vader hem als een soort mislukkeling. Door slaag en een strenge behandeling wil hij zijn zoon de gewenste houding bijbrengen.

    Mahad kan heel goed leren maar heeft perioden dat hij zichzelf heel slecht verzorgt, in bed blijft liggen en niet naar school wil. Ook Haweya ontwikkelt door de jaren heen depressieve klachten. Ayaan geeft aan dat het een familiekwaal is.

    Het verhaal is boeiend, op sommige punten triest en op andere momenten bewonderenswaardig.  Ayaan maakt je deelgenoot van haar bestaan als ‘moderne’ nomade, eerst tijdens haar jeugd in Somalië, Kenia, Ethiopië en Saoedie Arabië en later in het westen: Nederland en de Verenigde Staten. Door dit verhaal ben ik meer te weten gekomen over haar achtergrond. Hierdoor begrijp ik beter waar Ayaans visie over de positie van de vrouw in de islam vandaan komt.

    De boodschap van Ayaan doet iets met je als lezer, het grijpt je aan en stemt tot nadenken. Ik ging me in navolging van wat ze schrijft, afvragen of we in het westen de kloof met de islamitische wereld inderdaad zo erg onderschatten en of we in een land als Nederland de mensen die inburgeren teveel aan hun lot overlaten? Dat we er teveel vanuit zouden gaan dat het vanzelf wel goed komt met de integratie en het aanpassen aan de westerse cultuur.

    Ayaan oppert op een gegeven moment dat de christelijke traditie een goed tegenwicht zou kunnen vormen tegen de islamitische boodschap. De christelijke kerken zouden volgens haar moeten gaan concurreren met de islam. Volgens mij is dit, wat Nederland betreft, geen juist idee van Ayaan. In de westerse samenleving is de rol van de kerk niet meer zo sterk als vroeger, dit in tegenstelling tot de islam.

    Volgens Ayaan is de kloof erg groot tussen de Somalische en de westerse cultuur waardoor het voor een nieuwkomer niet gemakkelijk is hiermee bekend te raken. Daarnaast is de Somalische cultuur een clancultuur, waarin je voor je familie zorgt en mannen de zeggenschap hebben. Een groot verschil met het individualistische westen, waarin vrouwen net zo veel vrijheid en mogelijkheden hebben als mannen.

    Dit verhaal is zeer zeker de moeite van het lezen waard. Het geeft inzicht in de beweegredenen van een gedreven vrouw met een missie: vrijheid voor vrouwen binnen de islam. Op een ander niveau vormt dit boek mijns inziens ook een vorm van verzoening met haar afkomst, familie maar bovenal met haar vader. 

    ‘Aan het sterfbed van mijn vader besefte ik dat zijn waarden en die van mij nooit met elkaar zouden worden verzoend. Hij heeft mijn ongeloof nooit begrepen. Tot op het moment waarop hij zijn laatste adem uitblies, heeft hij voor mij gebeden.  En ik kon onmogelijk terugkeren naar zijn geloof in Allah, profeten, heilige boeken, engelen en hiernamaals. Maar onze onvoorwaardelijke liefde voor elkaar ? de liefde tussen een ouder en een kind ? was veel sterker dan dat geloof.’

    Over de schrijfster:

    Ayaan Hirsi Ali is op 13 november 1969 geboren in Mogadishu, Somalië. In 1992 is ze naar Nederland gekomen. Later blijkt dat ze eigenlijk economisch vluchteling was. In 1995 is Ayaan genaturaliseerd.

    In 2004 is haar film Submission te zien in Zomergasten. Deze film is geregisseerd door Theo van Gogh. In het najaar wordt Van Gogh vermoord door Mohammed B. Deze laatste laat een brief achter gericht aan Ayaan die vervolgens moet onderduiken.

    Tot 2006 is ze actief in de Tweede Kamer, eerst als PVDA-lid en later als lid van de VVD. Dan nog ‘Minister’ Verdonk geeft aan dat Ayaan illegaal het land is binnengekomen en nooit het Nederlanderschap heeft gekregen, ook wel de ‘paspoortaffaire’ genoemd. Door deze affaire valt het kabinet.

    Ayaan publiceert in 2006 haar autobiografie Mijn vrijheid.

    Nomade

    Auteur: Ayaan Hirsi Ali
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus
    Prijs: € 19,90

  • Uit het leven gegrepen

    Uit het leven gegrepen

    De meeste verhalen in Zwartwaterkoorts spelen in Amsterdam en kennen de hoofdstedelijke gemoedelijkheid, humor, tegendraadsheid en vrijheidszin, zoals belichaamd door Stutijn die tot ergernis van zijn buren de reigers vanaf zijn balkon voert. Het zijn in deze verhalen vooral ouderen met hun eigen wijze – om niet te zeggen eigenwijze – manier van omgaan met hun omgeving.

    Het eerste verhaal is een goede illustratie: het is sfeervol, sappig en het opent origineel met vogelliefhebber Stutijn, die met de kraai Scheffer op zijn schouder zijn andere vogels voert. Stutijn is een scharrelaar, slecht ter been, met een huisbaas die hem weg wil hebben. Op weg naar de Albert Cuyp om voedsel voor zijn beesten te kopen loopt hij zijn oude makker Joop tegen het lijf die hem uitnodigt voor een kop koffie. Ze halen herinneringen op aan de tijd dat ze met vossen door de stad liepen. Stutijn probeert voorzichtig de verhouding van zijn moeder met de vader van Joop aan de orde te stellen. Joop laat hem foto’s zien en Stutijn vindt het vreemd dat Joop zulke deftige foto’s bezit voor een kind van een oudijzerhandelaar. Pas in een ander verhaal wordt daarover meer duidelijk.

    Niets is wat het lijkt in deze verhalen. Zo vertelt Stutijn in dit verhaal aan een andere kennis dat zijn vrouw overleden is aan de zeldzame ziekte zwartwaterkoorts. Men verbergt over het algemeen iets voor de anderen. Er komen in de verhalen personen voor die een andere identiteit hebben.
    De oudere Loes uit De perzikboom vindt dat ze in haar huwelijk altijd aan lichtzinnigheid tekort is gekomen en slaat na de dood van haar man de jonge Harry aan de haak. Bij het paardenrennen wordt Harry door een kennis aangesproken met Jack. Hij praat zich eruit door net te doen alsof zijn bijnaam in vroeger jaren Jack Daniëls was.

    Boekenwurm Leo bezit in In kalf gebonden een vervalst paspoort. Hij steelt daarmee dure boeken, ter compensatie, omdat een studiegenote met een ander in het huwelijk trad. Leo doet tegenover bekenden alsof het goed met hem gaat. Met korte zinnetjes geeft hij in zijn hoofd commentaar op een ontmoeting met een vroegere studiegenote, die het object van zijn begeerte goed kende: ‘Dat zei hij wel vaker.’ ‘Voor dit soort gevallen had Leo zijn verhaal paraat.’ ‘Reizen deed het altijd goed.’

    Rascha Peper strooit en passant nieuwe informatie door de verhalen, die nieuwe wendingen en verrassingen opleveren. Dat gebeurt op een natuurlijke manier, die net zo ongedwongen overkomt als het commentaar dat Leo zelf op zijn situatie geeft. Net zo verrassend is het dat verschillende verhalen elkaar schampen en dat soms dezelfde lieden optreden, die je als lezer begroet als oude bekenden, zoals Joop, de oude makker van Stutijn, die in de Pijp woont en daar een garagebedrijfje heeft.

    In In de familie zorgt Louis zorgt voor papegaai Kolo van zus Sophie, die op vakantie naar Australië is. Kolo legt echter het loodje legt. Louis komt bij Joop voor een gelijkende papegaai. Joop toont hem zijn foto-album. Louis ziet een foto van de minnaar van zijn moeder, een man die op Roland Topor leek. Op het einde van dit verhaal komen we te weten dat Joop het fotoalbum op een rommelmarkt heeft gevonden.

    In Vrijdag ziet Hilde die op de begrafenis van haar overleden minnaar Thomas opeens ene Carla, die ook wel eens een vriendinnetje van Thomas zou kunnen zijn. Omdat de vrijdag hun gezamenlijke dag was, haar man afwezig is en ze zich alleen voelt, nodigt ze bovenbuurman Stutijn uit om bij haar te komen eten. Het mooie is dat Peper in het midden laat wie die Carla nou is. Ze laat de lezer ermee zitten waardoor het verhaal juist in het hoofd blijft hangen. Een genot om te lezen, deze levendige verhalen met een aangename lengte van zeker dertig bladzijden.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Zuiverheid in plaats van verhevenheid a.u.b.

    Zoals de ondertitel aangeeft gaat het in dit boek over het schrijven van romans en verhalen. Brokken gunt ons een een kijkje in de keuken. Hij bespreekt in stukjes van zo’n drie of vier bladzijden voor de hand liggende ingrediënten als toon, personages en compositie, maar komt ook met verrassende onderwerpen als de waarde van de komma en het belang van de ingeving.

    Brokken begint heel stimulerend met een stukje dat Zonder wetten luidt. Hij zegt hierin dat er voor het schrijven geen wetten bestaan. Althans niet die van Meden en Perzen.
    In de loop van het boek geeft hij toch veel aanwijzingen die soms ietwat betweterig overkomen, vooral als het zijn oordelen betreft over boeken.

    In het tweede stukje geeft Brokken aan dat hij in de tijd van de Haagse Post zelf heel perfectionistisch was. Net als Ischa Meijer trouwens. In het tijdperk vóór de computer typte hij een artikel helemaal opnieuw als er een fout in stond. Een schone-tekstenmanie, noemt hij dat zelf. Hij neemt daarmee meteen zijn adagium, dat schrijven herschrijven is, letterlijk.

    In diezelfde tijd maakte hij voor het weekblad een serie over schrijvers, die door de nieuwe technieken inmiddels verouderd is. Verderop refereert hij aan Mulisch, die hem vertelde dat De ontdekking van de hemel zo dik geworden was omdat hij voor het eerst op de computer werkte.

    Ik vind het minder sterk dat Brokken soms zijn eigen werk als voorbeeld neemt maar hij maakt het niet zo bont als Pim Wiersinga die in Het prozaboek een roman van hemzelf uitvoerig ontleedt. Naast prozaïsche stukken komen er bij Brokken ook veel verrassende stukjes voor. Behalve de eerder genoemde voorbeelden denk ik aan de dialoog die altijd een kunstgreep is, de beschrijving van een seksuele handeling die, om geen loze standje te worden zoals gebeurt bij Catherine Millet, altijd in relatie moet staan tot het karakter van het personage of, derde voorbeeld, de spanning die ontstaat door verwachtingen die de schrijver bij de lezer wekt.
    Tenslotte wil ik nog een stukje noemen over de ‘Kanaalkoorts’ waaraan scheepslui vroeger soms leden. Als het schip de haven naderde, verzaakten veel zeelieden hun taken, zodat er levensgevaarlijke situaties ontstonden. Brokken wijst de schrijver op hetzelfde gevaar, dat hem in de eindfase kan overkomen.

    Brokken slaat graag een brug tussen fictie en non-fictie en bespreekt verschillende manieren waarop informatie in een verhaal verwerkt kan worden. In dit verband bekritiseert hij Margriet de Moor die in De verdronkene een hoofdingenieur van Rijkswaterstaat teveel aan het woord laat. In Het meten van de wereld gebruikt Daniël Kehlmann de indirecte dialoog (in de verleden tijd en zonder aanhalingstekens) tussen Von Humboldt en Gaus om aan te geven dat het geen werkelijke gesprekken betrof, maar een interpretatie van de schrijver.

    Iemand die literatuur wil schrijven moet het niet zoeken in verheven taal, maar in zuiverheid, zegt Brokken en geeft als voorbeeld de opening van Pessoa in Ode van de zee.
    Het is leuk om de inhoud terug te lezen van reeds gelezen boeken en enthousiast gemaakt te worden voor de dagboeken van Casanova, Rood en zwart van Stendhal, Ask the dusk (Vraag het aan het stof) van John Fante, In koele bloede van Truman Capote of de biografie To Kill a Mockingbird (Spaar de spotvogels) van Nelle Harper Lee, een journaliste die nauw met Truman Capote samenwerkte. Of voor De wonderen van de heilbot van Oek de Jong, dat ik te zijner tijd nog eens wil bespreken.

    ‘Uiteindelijk gaat het in de literatuur maar om drie dingen: hoe een verhaal wordt verteld, met welke diepgang en met welke intensiteit.’ Aldus vat Jan Brokken na tweehonderdvijftig bladzijden dit inspirerende boek voor elke schrijver (en lezer) in een laatste zin samen.

    De wil en de weg

    Auteur: Jan Brokken
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (2006)
    Prijs: € 24,50

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Robot tegen Übermensch?

    De ondertitel De twee gezichten van Italië, drukt precies uit wat deze twee wielrenners voor hun landgenoten betekenden. Italië was in de vijftiger jaren verdeeld in coppiani en bartaliani, een tegenstelling waarbij die tussen Ajax en Feyenoord zwak afsteekt.

    De beide renners vertegenwoordigden tegengestelde waarden. De vijf jaar oudere Bartali was een gelovig katholiek uit Toscane, terwijl Coppi uit Piemonte kwam, de streek van de landarbeiders die later fabrieksarbeiders werden. Bartali moest het hebben van sluwheid, Coppi van kracht. Malaparte vergelijkt Bartali met een ‘Übermensch’ en Coppi met een machine. Tijdens een rustperiode staat robot Coppi zogezegd werkloos aan de kant, terwijl  atleet Bartali van zijn welverdiende rust geniet. 

    Malaparte wil de rivalen niet als vijanden tegenover elkaar zetten. Net als in onze tijd was het in het belang van de media om de tegenstellingen op te kloppen. De foto op de omslag is veelzeggend: tijdens een verzengende bergetappe reikt de een de ander een fles water aan. Over de vraag van wie het aanbod kwam en wie het aannam, blijven de meningen verdeeld.

    Het boekje bestaat uit een vijftal, met boeiende foto’s verluchtigde, stukjes, die elkaar inhoudelijk regelmatig overlappen: een voorwoord van wielerhistoricus Wout Koster, een biografische aantekening van de uitgever, het artikel van Malaparte, een stukje van de Franse wielerjournalist Augendre en een flauw nawoord van Pouy, de uitgever van de Franse editie van het boek. Het lijkt of  men moeite heeft gehad om het boekje vol te krijgen.

    Het leeuwendeel ? als dat gezegd kan worden van een boekje van 87 pagina’s – komt op naam van Malaparte, die zelf ook een kleurrijk individu was. Volgens de uitgever is hij geboren in 1898 en ? volgens een voetnoot – gestorven in 1957. Hij was eerst fascist, daarna antifascist, wielrenner, journalist en schrijver. Het artikel De twee gezichten van Italië heeft hij gepubliceerd in 1949, kort voor de start van de Tour de France in het Franse sportblad Sport Digestis. De meeste informatie kennen we inmiddels al uit de inleiding. Malaparte stelt duidelijk dat het antagonisme tussen de renners niet persoonlijk van aard was. Aan het slot volgt een weinig zeggende flirt met Griekse mythologie.

    De bijdrage van Augendre poogt tenminste nog enige zakelijke informatie te geven over de ploegen Legnano en Bianchi, waarbij dit citaat niet mag ontbreken:

    ‘Groepjes politieagenten stonden garant voor de bescherming van de idolen, die zich minder bedreigd voelden door de tifosi van het vijandige kamp dan door hun eigen bewonderaars.’

    Ook schrijft Augendre over het verloop van de Tour in 1949 en de lastige samenstelling van de squadra door ploegleider Binda. Coppi en Bartali waren zeer aan elkaar gewaagd, maar stonden heel anders in het leven. Bartali lustte wel een borreltje, Coppi leefde als een monnik. Bartali bad tot de Heer voordat hij aan een wedstrijd begon, Coppi schamperde daarover dat God meer aan zijn hoofd moest hebben. Het is jammer dat Augendre niet ingaat op zijn uitspraak dat Coppi meer te lijden moet hebben gehad onder de oorlog.

    In het nawoord staat nog vermeld dat Coppi zijn vrouw inwisselde voor een ‘witte dame’, maar over haar kom je, net als over zijn krijgsgevangenschap, niets te weten. Ik had graag nog de palmares van beide heren bekeken, wedstrijdverslagen gelezen en nog enige anekdotes, zoals die over Bartali die zich erover verwonderde dat Coppi zo weinig lek reed en daarom dezelfde banden ging gebruiken, zonder het beoogde resultaat overigens. Het blijft in dit boek teveel bij een opsomming. Een gemiste kans, want wielrennen was en is, ondanks alle dopinggebruik en commerciële dictaten, nog steeds een sport waarin de heroïek voorop gaat.

    Fausto Coppi & Gino Bartali
    De twee gezichten van Italië

    Auteur: Curzio Malaparte
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 10,-

  • Recensie door: Machiel Jansen         

    Recensie door: Machiel Jansen         

    Het kruispunt van religie en democratie

    De Duitse filosoof Gottfried Leibniz (1646-1716) had zo’n groot vertrouwen in de mogelijkheden van de wetenschap en de wiskunde dat hij dacht dat in de toekomst mensen bij een meningsverschil niet meer met elkaar in discussie zouden gaan maar tegen elkaar zouden zeggen: laten we het uitrekenen.

    In het huidige digitale tijdperk zijn computers overal, maar gediscussieerd wordt er nog wel degelijk en emoties lopen soms hoog op, vooral als het gaat over de plaats van de religie in de huidige samenleving, en al helemaal als de islam ter sprake komt. Aan meningen hebben we geen gebrek, aan genuanceerde op feiten gebaseerde bijdragen des te meer. Maar al te vaak worden rationele argumenten opzij gezet met verwijten van verraad, verzoening, racisme en gezamenlijk thee drinken.

    Het aanmoedigen van de rede in plaats van emotie in het debat was één van de doelstellingen van de Schotse filosoof David Hume (1711-1776). Vooral religieuze enthousiastelingen waren niet voor rede vatbaar. ‘Hoop, trots, aanmatiging en een levendige fantasie, gecombineerd met onwetendheid vormen de ware bronnen van het enthousiasme.’ 

    Net als Leibniz was ook Hume een man van de Verlichting, een periode in de Europese geschiedenis waarin rede, rationaliteit en wetenschap werden gezien als de basis voor politieke en maatschappelijke opvattingen. Religie werd gezien als irrationeel en een bedreiging voor de maatschappij die men voor ogen had. De verschillende filosofen uit die periode verschillen nogal in de maatschappelijke rol die ze toebedeelden aan religie maar allemaal beschouwden ze religieuze waarden als relatief, niet universeel. Ideeën als de scheiding tussen kerk en staat en de scheiding tussen  wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht zijn opgekomen in de Verlichting.

    De ideeën van de Verlichting worden tegenwoordig weer van stal gehaald als het gaat om het verdedigen van moderne Westerse waarden tegenover religieuze opvattingen, met name de islam. De Nederlandse schrijver, essayist Ian Buruma (1946) constateert het in zijn nieuwe boek God op zijn plaats. Het kruispunt van religie en democratie. De verdedigers van Westerse Verlichtingsidealen richten hun pijlen niet alleen op moslimfundamentalisten maar ook op de aanhangers van de multiculturele samenleving. Het is vooral in die laatste verbale strijd dat de verdachtmakingen van vriend, vijand, verzoener, racist, fascist en theedrinker over en weer het hardst klinken.  Maar een debat in de geest van de Verlichting is nu juist op rationele argumenten gebaseerd.  

    Ian Buruma is één van de essayisten die de rationaliteit probeert terug te vinden in het debat. Hij is bepaald geen nieuwkomer waar het gaat over onderwerpen als de islam in Europa en de relatie tussen Oost en West. Zijn essays en commentaren verschijnen regelmatig in NRC Handelsblad, The New Yorker, The New York Review of Books en The Guardian. Buruma is met Hirsi Ali waarschijnlijk de enige Nederlander die kan rekenen op een internationaal lezerspubliek waar het gaat om bijdragen aan het cultureel politieke debat. Zijn boek over de Moord op Theo van Gogh (Murder in Amsterdam/ Dood van een gezonde roker, 2006) is wereldwijd besproken en gelezen. In 2008 ontving hij de Nederlandse Erasmusprijs.   

    In zijn nieuwe boek besteedt Buruma ruim aandacht aan verschillende denkers uit de Verlichting. God op zijn plaats gaat over de verhouding tussen politiek en religieus gezag op drie continenten. Dat is een ambitieus onderwerp en Buruma behandelt het in nog geen 150 bladzijden. Het resultaat is een interessante, zeer leesbare verzameling uiteenzettingen die echter te kort en daardoor soms opvallend onvolledig is. Die beknoptheid is wel te verklaren. Buruma presenteerde de drie hoofdstukken in dit boek namelijk als lezingen voor Princeton University.  

    In de inleiding zet Buruma zijn doel duidelijk uiteen. Zijn raadgever is de Franse denker Alexis deTocqueville (1805-1859) en leidend is de vraag: wat is er nodig, naast stemrecht en vrijheid van meningsuiting, om democratische samenlevingen bijeen te houden?

    Het eerste hoofdstuk begint met de vraag waarom in de Verenigde Staten het geloof een veel belangrijkere rol speelt dan in Europa. Het antwoord zoekt Buruma in de geschiedenis, of beter, in de ideeëngeschiedenis. Daarbij gebruikt hij de observaties van de Tocqueville die tijdens The Second  Awakening (1790-1840), een periode van religieuze opleving, in de Verenigde  Staten rondreisde en uitgebreid verslag deed van de Amerikaanse samenleving. In Europa, merkt de Tocqueville op, bestrijden de niet gelovigen en gelovigen elkaar als politieke tegenstanders. In Amerika, waar de macht van de Katholieke kerk niet aanwezig was, lag dat anders.Vrijheid is het sleutelbegrip in de observaties van de Tocqueville. Vrijheid in religieuze beleving en een volledige vrijheid van kerk en staat gaan in de Verenigde Staten samen, en dat heeft alles met het protestantisme te maken. Het was Luther die twee en een halve eeuw eerder al een grote aanzet had gegeven voor het scheiden van kerk en staat met zijn doctrine van de twee kerken. Buruma vermeldt Luthers bijdrage echter niet.

    In Europa, waar de invloed van de Katholieke kerk veel groter is geweest, verschillen de landen onderling aanzienlijk in hun kijk op religie en gezag. Buruma richt zich vooral op Engeland en Frankrijk. De filosofen Hume en Burke dienen als voorbeeld dat traditie in het conservatieve Engeland belangrijk is. Frankrijk heeft met de Franse Revolutie gekozen voor een radicalere vorm van verlichting, min of meer gebaseerd op de ideeën van Spinoza en Rousseau. Die geschiedenis verklaart huidige verschillen in de aanpak van religieuze spanningen in de verschillende landen van Europa. In Frankrijk wordt de scheiding tussen kerk en staat ver doorgevoerd. Op Franse scholen zijn religieuze afbeeldingen of kledingstukken taboe. In Engeland en Nederland is de situatie anders en is er ruimte voor de overheid om het religieuze karakter van openbare instellingen, waaronder scholen toe te staan en te steunen.

    Andere Europese landen, waaronder Duitsland, worden in dit betoog om onduidelijke redenen buiten beschouwing gelaten. Buruma vat de relevante opvattingen van o.a. Hume, Jefferson, Spinoza en Hobbes bondig samen, en zijn uiteenzetting van de verschillen en overeenkomsten tussen de naties overtuigt ook wel. Toch is het hoofdstuk wel heel beknopt en maakt het uiteindelijk de indruk dat je een samenvatting  gelezen hebt.  Die trend zet zich door in het tweede hoofdstuk Oosterse wijsheid dat het Aziatisch continent, althans China en Japan, behandelt. Buruma studeerde Chinese letterkunde in Leiden en woonde een tijd in Japan. Dat schept verwachtingen. Maar dit hoofdstuk lijdt vooral onder  de lengte, die veel te kort is: 23 pagina’s over China en 14 over Japan. Als een handige samenvatting voor studenten voldoet het misschien maar de reis door de geschiedenis duurt zo kort dat er niet veel meer dan een flits overblijft.   

    Het derde hoofdstuk met de titel De waarden van de Verlichting, trekt de meeste aandacht. Buruma beschrijft de problematiek van de islam in Europa en meer dan in de vorige twee hoofdstukken klinkt hier zijn mening door. De poging om een afstandelijke, deels objectieve samenvatting van de belangrijkste gebeurtenissen, van de Rushdie-affaire tot aan de discussie rondom Tariq Ramadan,  te geven, dwingt respect af. Het eens goed op een rijtje zetten van wat er nu precies is gebeurd, levert ook aardige inzichten op. Zo beschrijft Buruma de verwarring die zich meester maakte van jongerenwerkers in Engeland die het muliculturalisme aanhingen en moslimjongeren verdedigden en door dik en dun steunden. Tot hun ontzetting bleken dezelfde jongeren nu bereid om tijdens de Rushdie-affaire aan een openbare boekverbranding mee te doen. Hun opvattingen over de multicurele samenleving veranderde daardoor radicaal.

    Ook bij rechts is er sprake van een enorme draai. Rechtse verdedigers van de Westerse waarden verdedigen harstochtelijk tolerantie ten opzichte van homosexualiteit en vrouwenemancipatie tegenover conservatieve moslims. Die onderwerpen golden tot voor kort juist als typische linkse stokpaardjes.

    Buruma bekritiseert het multiculturalisme, maar merkt wel op dat Nederland met zijn zuilenmaatschappij tot voor kort in feite een multiculturele samenleving is geweest. Het moderne multiculturele denken waarbij culturele minderheden  aangemoedigd worden hun eigen cultuur te behouden en deze zelfs superieur te achten boven Westerse waarden is een idee dat hij duidelijk bestrijd. ‘Zoals alle ideeën die tot dogma verheven worden zit het multiculturalisme er vaak naast.’

    Soms gaat Buruma wel heel kort door de bocht, bijvoorbeeld bij het afschrijven van de theorie van de botsing der beschavingen. ‘Een oppervlakkige blik op enkele van de mensen die terreurdaden op hun geweten hebben, leert ons al snel dat een zeer wijdverbreide mening (…) dat we hier te maken hebben met een “botsing der beschavingen”, nergens op gebaseerd is.’

    Daarmee suggereert hij toch dat de ‘botsing der beschavingen’, voor het eerst door Bernard Lewis zo genoemd, met oppervlakkige waarnemingen kan worden weerlegd. Naar mijn idee is dat een te simpele voorstelling van zaken en doet dat geen recht aan de nuances van Lewis’ opvattingen, zoals bijvoorbeeld in The Roots of Muslim Rage

    Ook de bewering ‘alle grote godsdiensten zijn fundamentalistisch in de zin dat zij menen de absolute waarheid te verkondigen’ lijkt me wel voer bieden voor verdere discussie. Voortbouwend op dat idee kom je tot de conclusie dat ook een filosoof als Kant, die de het absolute en universele van ethische waarden verkondigde, fundamentalistisch is.  Paul Cliteur bekritiseerde Buruma eerder op soortgelijke uitspraken.

    Toch kun je Buruma niet beschuldigen van relativisme, de opvatting dat andere culturen met andere, mogelijk tegengestelde waarden en opvattingen evenveel recht op bestaan hebben als de onze. Hij pleit nadrukkelijk voor het scheiden van politiek en religie. De wet dient als basis maar Buruma legt een grote nadruk op de mores, de ongeschreven regels en tradities die een grote bindende kracht zijn in een maatschappij. Daarin is ruimte voor minderheden, ook voor religieuze orthodoxie maar niet voor oproepen tot geweld. Vrijheid van meningsuiting is een grondbeginsel waar Buruma niet aan toornt. Integendeel:  ‘Democratieën varen niet wel bij wetten die de vrijheid van meningsuiting beperken, zoals wetten tegen godslastering, het ontkennen van de Holocaust of de Armeense genocide.’

    Zijn pleidooi voor het scheiden van religie en politiek lijkt me de kern van God op zijn plaats. Het is ook eenvoudig de redelijkheid hiervan in te zien, aan de andere kant doemt de moeilijkheid op dat nu juist de religieuze extremisten deze scheiding weigeren te maken. Zij beroepen zich op religie bij hun politieke terreuracties en zoeken in religieuze bronnen rechtvaardiging voor hun daden. Voor Buruma is dat laatste niet de kern van het probleem. Volgens hem had Mohammed B. als hij in de jaren 70 een Duitser was geweest zich gemakkelijk kunnen aansluiten bij de RAF.

    Een dergelijke stelling zal sommigen wel in het verkeerde keelgat schieten. Van Leibniz ideaal van het koel uitrekenen van meningsverschillen zijn we nog ver verwijderd. Tot dan toe moeten we het doen met geïnformeerde meningen en analyses, waaronder die van Ian Buruma.

    God op zijn plaats

    Het kruispunt van religie en democratie
    Auteur: Ian Buruma
    Vertaald door: Suzan de Wilde
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs:  €18,50

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Werd uit z’n vorige dichtbundel Kleur de schaduwen de mooiste zin, ‘Zonder noorden komt niemand thuis’, door schrijfster Nelleke Noordervliet ingepikt en gebruikt als titel voor haar eigen boek, de nieuwe en vijfde gedichtenbundel van K. Michel kreeg van zijn schepper dit maal zelf de mooiste zin als titel mee: Bij eb is je eiland groter. Die titel staat natuurlijk als een huis en is het waard om op gevels van pakhuizen te gaan prijken. In zijn speelse diepzinnig- en monterheid is het een typische K. Michel-titel, en de kwalificatie ‘typisch K. Michel’ mag voor de hele bundel gelden.

    De productiefste dichter zal hij wel nooit worden ? tussen zijn dichtbundels zit gemiddeld een jaar of vijf – een herkenbare toon bezit hij intussen wel: lichtvoetige gedachten gepaard aan beheerste en concrete dictie. Wat dat aangaat doet het soms denken aan de schilderijen van René Magritte. Van huis uit is K. Michel filosoof en van het denken lijkt hij evenzeer te genieten als dat het hem blijft verbazen. Want geen antwoord is te goed of er komt een nog betere vraag uit voort. En zijn gedichten vormen de weerslag van de verwondering. Maar omdat K. Michel aan vaagheid een broertje dood heeft, wordt het allemaal in dartele frisheid verwoord. Wijsheid (‘een blinde vlek komt tevoorschijn / door er iets in te laten verdwijnen’) en flauwheid ( ‘stik, ik ben vergeten een ladder / te plaatsen tegen de windroos’) wisselen elkaar af, maar beide worden door een zelfde soort speelse, associërende toon voortgestuwd. Waarbij het toeval op het moment dat het er met de verbeelding vandoor lijkt te gaan, altijd nog door de dichter op tijd wordt betrapt.

    De gedichten zijn minder vaak kort dan lang, maar laten zich in een vaart lezen. Of de versregels nu kort of lang zijn, ze hebben altijd de juiste ritmiek, zodat ze het rijm niet van node hebben om zich van prozaregels te onderscheiden. De dichter lijkt het dan misschien van spitsvondige gedachten en ludieke invalletjes te moeten hebben, in het juiste woord op de juiste plaats is niet minder geïnvesteerd. Waar over de hedendaagse roman wel eens de klaagzang wordt geheven dat het leven van de straat er niet in zou doorklinken, kun je aan de gedichten van K. Michel goed merken dat ze geschreven zijn door een filosoof die liever door de wereld wandelt dan dat hij zijn hersenspinsels laat koesteren in de lichtbundel van zijn bureaulamp. Zo stuit je zomaar op een onvergetelijke typering van onze demissionaire minister-president in het gedicht Brief over het regeringsbeleid aan mijn vader die zich zoals iedere september in de bergen heeft teruggetrokken:

    Solide oplossingen vragen tijd
    Regelvermindering schept ruimte
    Deze ingrepen doen mogelijk pijn en
    Zijn zeker geen sigaar uit eigen doos

    Vertrouwen vraagt vertrouwen
    Dus kan het mag het absoluut niet
    Zo zijn dat je zelf de zak draagt
    Maar je buurman een ezel noemt

    Cultuur verrijkt eenieders leven
    Sport versterkt wederzijds de banden
    Maar naast rechten gelden plichten
    Een ieder moet zijn eigen broek ophouden.

    Vader, tot zover

    In stokregels het najaarsbeleid
    Nog een laatste noot over
    Het hoofd van de regering

    Kijk je diep in zijn ogen
    Dan zie je: het rad draait
    Maar de hamster is afwezig.

    Dit gedicht is overigens een van de drie gedichten in deze 28 gedichtenrijke bundel dat in een andere vorm eerder verscheen in de bundel In een handpalm die essays, verhalen en enige gedichten bevatte. Daarin vereeuwigt een dergelijk Balkenende-gedicht niet alleen ’s mans clichés maar ook diens woordverhaspelingen.

    K. Michel zijn gedichten zijn zeker niet voor één gat te vangen. Misschien heeft het ermee te maken dat twee gedichten in deze bundel op biologen (Tijs Goldschmidt en Dick Hillenius) zijn geïnspireerd dat in deze bundel ook een gedicht, Voor het vertrek geheten, staat waarin zelfs het gras een stem heeft gekregen. Het gedicht is een soort dagboek, logboek en maakt ons deelgenoot van de revolutionaire gedachten die er gisten in het gras wanneer het geconfronteerd wordt met de gevreesde terugkomst van de koeien in het voorjaar:

    ‘Woensdag:
    Iedereen ziet de terugkeer van de koeien
    met vreze tegemoet; het ruk- en trekwerk
    de hoempa van hun passen, het domme
    domme boe, het royale schijtpissen.’

    Omdat het gras ter ore is gekomen dat op de pampa’s en de verre steppen de grassen in vrijheid leven, beraamt het een plan om er van tussen te gaan. ‘Wij bespreken het plan. / Wij dromen van Mongolië.’

    Dit gedicht kent geen strofen, maar in plaats daarvan laat het zich ordenen door de zeven dagen van de week op te sommen. In de gedichten van K. Michel lijkt het er hier en daar soms flink op los te gaan, voor de samenhang, de coherentie heeft de dichter echter wel vooraf zorg gedragen. Die samenhang wordt niet bewerkstelligd door middel van de ouderwetse poëtische lapmiddelen als rijmschema’s en rijmvormen, maar veelal door zelf bedachte retorische oplossingen. Zo wordt in het gedicht Staande golf een eenheid gecreëerd door diverse groepjes zinnen te laten aanvangen met het woord ‘verdiept’:

    ‘Verdiept
    in het rollen van een bal
    in het gesjouw van mieren
    tussen de stenen
    in het vallen van een gum
    de zijwaartse sprongen
    verdiept
    in de schaafwond op je knie
    in het schillen van een appel
    (…).’

    Om een paar ‘verdiepingen’ verder te eindigen met de prachtige regels:

    ‘(..) blijk je zomaar ineens / te zitten in de schaduw van een boom / die je als takje hebt meegenomen uit de tuin van je jeugd.’

    Elders nummert K. Michel simpelweg de regels. Omdat het een gedicht betreft over de diverse stadia van de windkracht, staan de getallen 1 tot en met 12 ook voor de bijbehorende windkracht.

    Een op het eerste oog apart gedicht is Marx ging naar Zaltbommel, gebaseerd op het historische bezoek van Karl Marx aan die stad, waarvan de eerste regel luidt: ‘Marx ging naar Zaltbommel om zijn oom te zien.’ Wie hier nog denkt dat er een pastiche zal volgen op Nijhoffs Moeder de vrouw, wordt in de tweede zin al meteen gewaarschuwd: ‘Zaltbommel ligt aan een rivier die de Waal heet.’ En de derde zin is: ‘Zijn oom was de man van de zus van zijn moeder.’ De vierde zin gaat dan: ‘De man beheerde haar financiële zaken.’

    Het is op deze manier verleidelijk het hele vers te citeren, maar daarvoor is het te lang. Doordat op iedere versregel een witregel volgt, krijgt de schoolopstelachtige toon iets bezwerends als een pianostuk van Satie. Maar tussen die houterige toon, kabbelt iets heel subtiels: de volgende regel herhaalt iets uit de vorige regel en rijgt zich zo aan het geheel, dat gaandeweg iets van een grote rivier krijgt. Een rivier die zich traag voortbeweegt en zijn weg zoekt door een landschap. Het einde van dit trage gedicht heeft Marx dan ook op de kade achtergelaten. De rivier gaat alleen verder:

    ‘Het water zoekt en volgt de laagste weg.

    Voorwaarts naar zee naar zee en verder.

    Het wassende water sleept alle bootjes mee.’

    Een gedicht dat na lezing lang zal blijven hangen. Niet ieder gedicht uit deze bundel zal dat in gelijke mate doen, maar ook niet ieder gedicht lijkt met dat doel geschreven. De wat mindere gedichten vormen overigens een kleine minderheid waarvan mij de kans groter lijkt dat ze meer zullen winnen bij latere lezing dan dat de betere gedichten aan waardering zullen gaan verliezen. Lezen van zijn gedichten verfrist toch altijd weer de binnenkant van je hersenpan. Was K. Michel een Nederlandse voetballer, dan stond hij geheid bij een buitenlandse topclub onder contract. Al met al verrast deze bundel in vergelijking tot zijn eerder werk niet vanwege het niveau, maar vanwege de titel. De vorige moesten het met mindere titels doen.

    Bij eb is je eiland groter

    Auteur: K. Michel
    Verschenen bij: Uitgeverij Augustus (april 2010)
    Prijs: € 17,90

  • Fascinerende desolate roman

    Fascinerende desolate roman

    Varí is de laatste die in het gehucht Aúrno op de Frans/Italiaanse grens is achtergebleven om mimosa en olijven te verbouwen. De overige bewoners hebben die plek allang verlaten. Het is er onherbergzaam en dor, en de wind waait alles droog. Als zijn oogst door vorst mislukt, besluit Varí dat er ook voor hem geen toekomst meer zit in olijven en mimosa.

    Rond dat moment overlijdt de plaatselijke ‘passeur’ en Varí neemt zijn rol over. In eerste instantie om diens aangegane verplichting na te komen, en min of meer op verzoek van de aantrekkelijke jonge vrouw Sabèl, maar later smokkelt hij voor geld mensen over de grens naar de Côte d’Azur. Een magere inkomstenbron, zeker nadat zijn vaste ‘leverancier’ is omgekomen.

    Wie moeten er eigenlijk steeds maar de grens over? Wat zijn dat voor mensen, waar willen ze heen en waarom? Er zijn wat vage verwijzingen naar drugs- en wapenhandel, maar er echt achter komen, doe je niet. Het zijn mensen van allerlei nationaliteiten die de grens over willen, Oost-Europeanen, Turken, Arabieren. De oude Varí, vraagt het zich allemaal niet eens af. Ja, éénmaal maakt hij een wat teleurgestelde opmerking: ‘Wat wil je! Eerst hielp ik vluchtelingen, mensen die verjaagd waren… maar dit is handel in arbeidskrachten.’

    Wat hem echter echt bezighoudt is de verdwijning van de jonge vrouw Sabèl. Waarom is zij verdwenen? Heeft het iets te maken met het overlijden van de ‘passeur’ of verstopt zij zich voor iets of iemand?
    En van wie zijn de voetstappen die hij zo nu en dan denkt te horen?

    Je komt er in Waaierwind niet achter. Met de stukjes die je aangereikt krijgt, kan je de puzzel niet leggen maar vul je hem tot op zekere hoogte zelf in. Je maakt even deel uit van Varí’s omgeving, bent even deelgenoot van zijn contacten, de gesprekken die hij voert en zijn overpeinzingen over zijn leven: ‘Hij mijmerde over zijn hopeloze situatie als gewezen boer en werkeloos passeur. ~ Was het tijd om weg te gaan? Waren het verval van het ommeland, de verdwijning van Sabèl, de vorst en de rondwarende gevaren aansporingen om van die paar terrassen weg te trekken en ze aan hun lot over te laten? ~ Toen Sabèl er nog was, was de onbestendigheid van zijn bestaan hem nooit opgevallen.’

    Dor, droog en desolaat. Dat is de sfeer die Biamonti schildert. Alleen het zeewater schittert zo nu en dan in het zonlicht. De geluiden zijn monotoon. De atmosfeer is geheimzinnig. Waaierwind gaat over vergankelijkheid, maar stemt niet droevig. Het fascineert en is prettig vluchtig.

     

     

     

  • Het boerenleven een aflopende zaak

    Het boerenleven een aflopende zaak

    Middelpunt van het boek is boerderij Wildzang, die als een landmerk in het verstedelijkte Noord-Hollandse landschap staat en opgeslokt wordt door de oprukkende nieuwbouw. De verbitterde oude Berkhout probeert elke verandering tegen te houden en zou het liefst zien dat een van zijn twee zoons het boerenbedrijf overneemt zodat hijzelf rustig zijn oude dag in een zijkamertje kan slijten. De oudste is echter naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd en de jongste, de dwarse Bertus, zou eigenlijk in Portugal een huisje opknappen om daarin een lifestyle boek te schrijven, maar hij verkocht het huisje om weer iets anders op te knappen en is langzamerhand een projectontwikkelaar geworden. Er zijn drie partijen die om Wildzang vechten: de gemeente IJlandspolder, een project-ontwikkelaar en monumentenzorg. De gemeente wil er een paradepaardje van maken onder de naam Wiltsangh, een vastgoedonderneming wil er veel geld mee verdienen en monumentenzorg wil het beschermen.

    Het boek begint met Bertus die in het vliegtuig naar huis zit omdat zijn vader in een verzorgingstehuis is opgenomen. Er moeten knopen worden doorgehakt over de bestemming van de boerderij. De zaken in Portugal gaan niet naar wens. Bertus heeft uiteindelijk geen toestemming gekregen van Europa om het appartementencomplex in een natuurgebied neer te zetten, maar daarover niets tegen zijn vrouw Ingrid gezegd.
    Bertus neemt voor enkele dagen zijn intrek in de boerderij. Hij slaapt in de oude bedstee. Zijn zorgen worden aangewakkerd door vreemde geluiden gedurende de nacht en nog meer als de volgende dag de knechtenwoning gekraakt blijkt door de jonge moeder Ellen, die met haar twee kinderen uit de nieuwbouwwijk komt en huwelijksproblemen heeft. Het is net de tijd dat de schapen lammetjes moeten krijgen. Bertus kan zijn zorgen mooi loslaten bij de dieren en door te sleutelen aan de oude tractor.

    IJlander weet het aflopende boerenleven overtuigend neer te zetten en de spanning vast te houden. De verhouding van Bertus tot Ellen is heel kwetsbaar. Het is niet geheel duidelijk wat de rol is van haar man Fred, die ook op de huizenmarkt actief is. Is er sprake van een zware relatie-crisis, die Ellen noopt om met haar twee zoontjes het huis te verlaten of wordt zij door Fred als pion gebruikt om Bertus uit de boerderij te krijgen? Het verhaal zit gedegen in elkaar en de realistische stijl past goed bij de inhoud. De ontwikkelingen worden knap gedoseerd. De doorleefde indruk heeft misschien te maken met de uitspraak van de schrijver in de Verantwoording, namelijk dat alles gebeurd is, al zegt hij daar verder niets over.

    Wildzang gaat over snelle culturele veranderingen, de twijfel aan het nut daarvan en de moeite zich daaraan aan te passen. Vader Arie wil dat alles op de oude manier doorgaat, broer Siem wil een grootschaliger bedrijfsvoering en vertrekt naar het buitenland en Bertus weet niet goed wat hij moet doen. Hij is ooit in de reclame-wereld begonnen, maar heeft zich daaruit teruggetrokken vanwege de verzakelijkte sfeer en zijn werk in Portugal is ook op een fiasco uitgedraaid. De ontworteling is sterk voelbaar als hij een ronde maakt over het grasland rond de boerderij dat begrensd wordt door nieuwbouw en doorkruist door een snelweg. ‘Verkoop de boerderij en zoek een plek waarmee je je wel kunt verbinden,’ zegt een zwakke stem in hem, die echter overschreeuwd wordt door andere. Als Bertus met autopech langs de snelweg staat stelt hij vast dat er in dit land niets meer te lachen valt.
    ‘Grijs en vreugdeloos was dit landschap van asfalt en beton, grijs en vreugdeloos was het leven hier. Hij keek naar de gespannen gezichten van voorbijrazende bestuurders, gevangen in hun wereld van wat moest en wat niet kon, op weg naar hun kleurloze woninkjes.’

    Bertus is een eenling in gevecht met de instanties; de spreekwoordelijke koppige boer, die voelt dat alles hem wordt afgenomen, zijn verleden, zijn toekomst en zelfs de lucht, op het moment dat Ellen een sigaret opsteekt. De bestemming van de boerderij raakt aan de onzekere bestemming van zijn eigen leven. Het zijn uiteindelijk de omstandigheden die de beslissing nemen.

     

  • Recensie door Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door Lodewijk Lasschuijt

    Er is zo langzamerhand geen straat meer in Nederland of er woont wel een schrijver. Iedereen die op de middelbare school een redelijk opstel schreef, voelt zich geroepen om een boek te schrijven. Het is dan ook geenszins vanzelfsprekend dat een goede journalist ook een goed schrijver is. Dat is ook de vraag bij Anneloes Timmerije met haar boek De grote Joseph. Aanvankelijk bestaat de indruk dat zij met haar korte en vaak hortende zinnen een complete chaos schept. Maar even later blijkt dat zij erin is geslaagd om een geheel eigen stijl te ontwikkelen hetgeen volgens velen, sinds W.F. Hermans, nog  geen enkele Nederlandse auteur is gelukt. Een volslagen verrassing. Vaak is er sprake van inventief taalgebruik. In het verhaal wordt een zoektocht ondernomen naar een plotseling verdwenen moeder die naar later blijkt een aantal dubieuze ontmoetingen heeft gehad op parkeerplaatsen langs autosnelwegen. Ook naar de jeugd van de moeder en haar broer Joseph wordt in verschillende Franse dorpen uitgebreid onderzoek gedaan. Joseph verblijft in een verpleeghuis en uit zich maar zelden in verstaanbare woorden.

    Naast het zoeken naar de familiegeheimen houdt de ik-figuur zich bezig met het zoeken naar bijzondere en in onbruik geraakte woorden in de Nederlandse taal. Heel treffend is het woord ‘schrijfjeukte’. Het wordt als volgt omschreven: ‘De schrijfjeukte, een der vele ziekteverschijnselen van de grootheidswaan, woedt sinds mensenheugenis in ons gezegend vaderlandje, en breidt zich, als aanstekende ziekte, naar alle kanten uit’. De vraag rijst in hoeverre  Anneloes Timmerije is aangestoken door het ‘schrijfjeukte-virus’ . In het verdere verloop van het verhaal verliest de schrijfster zich maar al te vaak in beschrijvingen van alledaagse gebeurtenissen. De belevenissen van de Franse dorpelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn min of meer verdwaald in het boek.

    De aanvankelijk hoog gespannen verwachtingen worden, jammer genoeg, niet waar gemaakt.

    De grote Joseph

    Auteur: Anneloes Timmerije
    Verschenen bij:  uitgeverij Augustus (april 2010)
    Prijs: € 18,90

  • Het leven is spinrag

    Het leven is spinrag

    Recensie door Rein Swart

    Liefde en vergankelijkheid. Onder deze noemer zouden deze verhalen kunnen vallen, echter zonder de droevige toon die eerder in het werk van Nooteboom sloop. Deze bundel heeft een ongekende kracht, die ik me van zijn werk uit de jaren tachtig herinner. Opeens is er weer die vonk, opgewekt door een virtuoze manier van schrijven en een weergaloos taalspel. ‘Wat een krankzinnige werkwoordsvorm, was,’ zegt de schrijver ergens; op een andere plaats gebruikt hij het woord Mensch omdat hij andere talen nodig heeft om zichzelf duidelijk te maken. De verhalen spelen in Zuid-Europa en Nooteboom weet als een schilder met een paar streken de sfeer treffend te schetsen.

    Waarover gaat het in deze acht verhalen? Foto’s onder andere, zoals in het openingsverhaal Gondels. Een man zit in Venetië aan de oever van het water met een half verscheurde foto van hemzelf en zijn vroegere Amerikaanse geliefde. Hij denkt terug aan hun ontmoeting in Griekenland en de doorreis naar Venetië, waar de foto gemaakt is. Later heeft hij haar nog eens opgezocht in San Francisco. ‘Mensen waren fantastisch, ze zouden voortdurend prijzen moeten krijgen,’ denkt hij als hij haar op het vliegveld terugziet.

    De man en de vrouw hebben geen namen, maar de taal sprankelt als champagne, schittert op het water van Canal Grande, die ook niet met name wordt genoemd.

    In Onweer heten de geliefden Rudolf en Rosita. De beeldhouwer en de schrijfster dineren tijdens een zwaar onweer in een restaurant in Spanje. Naast hen zit een ruziënd Duits stel. De Duitse probeert de bliksem vast te leggen. Haar man is een ‘Arschloch’. Er hangt iets ergs in de lucht.

    Heinz is het langste verhaal, opgedeeld in negentien paragrafen, over een vice-consul die namens Buitenlandse Zaken de honneurs waarneemt in Ligurië, aan gene zijde van de Alpen. De verteller bekijkt een foto van een gezelschap met Heinz in het midden en doet daar nogal geheimzinnig over. Hij wendt voor dat hij de mensen niet kent, maar geeft aan het eind van de eerste paragraaf zijn bedrog prijs. ‘Waarom dan toch geprobeerd? Mag ik dat straks vertellen, aan het einde?’ Met deze vraag houdt de verteller de aandacht vast.

    ‘Eind september, maar het leek wel oktober in Spanje,’ gaat over Suzy die na de dood van haar vriendin haar plaats in het bed innam naast de oude Vice-Admiral die inmiddels ook overleden is. Suzy krijgt ’s nachts bezoek van de 63 jarige kelner Luis uit het plaatselijke café. Alles is in verval.

    ‘Plotseling was hij dood,’ luidt de eerste zin van Laatste middag, dat speelt op Sardinië. De zin heeft betrekking op de echtgenoot van de vrouw, die uit wraak een nummertje met de postbode maakte.

    Paula is een langer verhaal, weer met een foto als uitgangspunt en wel een sensuele, die ooit op de cover stond van Vogue, van een jonge vrouw naast een raam met regendruppels. Het gaat over een vriendengroep die gokte en de vrije liefde proclameerde. De mannelijke verteller ziet terug op die tijd vanuit een lege witte flat die als een Zen-klooster in de polder ligt.

    In Paula II geeft de dode zelf antwoord. Het leven is spinrag, zegt Paula. Ze herinnert zich de angst van de man om niet meer te willen leven. Die angst drukte hij uit door de zinsnede: ’s Nachts komen de vossen. Haar relaas eindigt als volgt: ‘Je hebt je raam opengezet. Windvlaag. Dat was ik. Geritsel, gefluister. Het geluid van de vossen, een nacht in de woestijn. Gedachte vossen. Geen echte. Alles is vluchtig. Zoals wij zijn. Weg.’

    Het verste punt is een kort maar prachtig sfeerbeeld van een vrouw die wordt voortgestuwd door de ‘tramontana’, een Spaanse storm, naar de kust. Ze moet over de rotspunten bij de vuurtoren gaan. Ze moet.
    Nooteboom schrijft met vaart, zoals deze zinnen tijdens een roulette spel uit Paula. ‘Ik had die duizend weg moeten halen, maar legde het fiche op rood. Zwart. Er zijn geen geheimen.’ Ook komt hij met mooie one-liners als ‘Doden hebben geen Alzheimer.’ Het is een stijl die omtrekkende bewegingen maakt, maar zonder een woord te veel alles zegt.

    Het lijkt erop dat de glossy-schrijver zijn heropstanding beleeft en in zijn nieuwe jeugd een toon voortbrengt, mooi en zuiver als nooit tevoren. Dit is literatuur van de bovenste plank. Dit is taal die heen en weer zwiept als de camera van een Dogma film die iets wezenlijks blootlegt. Dit is een lied van schijn en wezen. Dit is proza dat resoneert en opstijgt boven de woorden. Hier is een tovenaar aan het werk. Dit is niet voor niets van de winnaar van de Gouden Uil 2010.