Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Het pistool op de omslag suggereert in combinatie met de titel een drama, waarbij een verliefd jong stel er na een wilde achtervolging samen een einde aan maakt. Dit boek van de Vlaming Paul Baeten Gronda, dat ik als laatste las van de vijf genomineerden voor de Academica Debutantenprijs, heeft echter een laag Thelma en Louise-gehalte, al is drama zeker niet afwezig. 

    Het verhaal begint met een brief die Max Venkenray eigenlijk pas aan het eind van het boek aan zijn vader Staf schrijft die in het ziekenhuis ligt. Hoofdpersoon Max is een getraumatiseerde jongeman uit een gezin met een moeder, Milly, die doctor in de psychologie is en een vader, Staf, die met de familietraditie om notaris te worden heeft gebroken en een links journalist is geworden. De slechte relatie tussen de ouders is van invloed op het trauma dat Max oploopt. Zijn jongste broer Roy zou niet verongelukt zijn als de vader niet op dat moment bij zijn lief was geweest. Max heeft na de dood van Roy zijn intrek genomen in hotel Splendid en verbrast aldaar de erfenis van zijn rijke opa.

    Het verhaal speelt zich af gedurende drie dagen. In Eergisteren wordt Max eenentwintig jaar, in Gisteren valt zijn vader uit een raam en in Vandaag besluit Max om het hotel te verlaten.

    Aanvankelijk leek het op een lach-of-ik-schiet boek met veel gortdroge humor getuige one-liners als: ‘Nachten zijn nu eenmaal kil, anders waren het wel dagen geweest.’

    Paul Baeten Gronda grossiert in algemeenheden, die soms verrassend zijn: ‘Als je net eenentwintig bent en al naar de raad van oude vrouwtjes luistert, dan kan je evengoed in de provincie gaan wonen om de bomen te zien groeien.’ Hij mengt keurige taal met platvloerse opmerkingen: ‘Omdat blijven zoeken naar iets wat je toch nooit vindt geen zin heeft, en omdat ik moest pissen, ging ik uiteindelijk terug naar Hotel Splendid.’

    Al snel wordt echter duidelijk dat het gebrek aan persoonlijke smaak en eigenheid voortkomt uit de geestelijke pijn die Max lijdt na de dood van zijn broer Roy. In de aanhef van de brief aan zijn vader schrijft Max dat alles porno is geworden. Max zou het liefst inslapen en niet meer gewekt worden. Na de dood van zijn broer heeft Max zich teruggetrokken in een onpersoonlijke hotelkamer. ‘Nooit meer intimiteit, misschien was dat mijn redding,’ zegt Max daarover.

    Zijn leven wordt niet vrolijker van de omgang met Jimbo, een metalverzamelaar, terwijl hij zelf de voorkeur geeft aan bluegrass. Een vriend van Jimbo speelt de hele dag computerspelletjes en verkoopt drugs aan de achterdeur. Het meisje Elise die hij ten tijde van het sterven van Roy in het ziekenhuis ontmoette, gaat nooit verder dan in die akelige tijd toen zij zich over hem ontfermde. Met zijn oudere broer Gert-Jan, een kunstenaar, heeft Max een slechte verstandhouding. De eenzaamheid hangt als een dikke lucht om Max heen.

    Als ik de genomineerde boeken voor de 15de editie van de Academica Debutantenprijs met elkaar vergelijk kom ik op Paul Baeten Gronda als winnaar uit. Wat betreft compositie en stijl geef ik aan hem de voorkeur. Hij schrijft mooie korte stukjes proza, die als een legpuzzel in elkaar vallen. Ook de bijzondere omstandigheden, waarin iemand verkeert, zoals in de hotelkamer, vind ik literair gesproken, net iets boeiender dan het aangrijpende relaas over de indoctrinatie van Kieke door een geloofsgemeenschap in Blinde wereld van Ellen Heijmerikx. Tegelijk vind ik het jammer dat er dit jaar geen boeken genomineerd waren als Zeewater is zout, zeggen ze of Monografie van de mond.

    Nemen wij dan samen afscheid van de liefde

    Auteur: Paul Baeten Gronda
    Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2008)
    Prijs: € 15,90

    De winnaar van de Academica Debutantenprijs wordt 16 september 2010 bekend gemaakt.

  • Recensie door: Marjolein Paalvast

    Recensie door: Marjolein Paalvast

    Het verleden wordt door mensenhanden gemaakt. Het is een sociale reconstructie, gebaseerd op gebeurtenissen die we belangrijk genoeg vinden om te onthouden. De Tweede Wereldoorlog is zo’n gebeurtenis. Over deze ontluisterende periode uit de westerse geschiedenis zijn al ontelbare verhalen geschreven, herinneringen genoteerd. Een hemel zonder vogels, waarin Esther Göbel het levensverhaal van de joodse Janny Moffie-Bolle uit Amsterdam optekent, vormt op dit corpus van verhalen een waardevolle aanvulling die je ? opnieuw ? met kippenvel en een gevoel van verbijstering achterlaat.

    Het verleden dat Göbel schept ? in de eerste plaats gebaseerd op interviews met Janny Moffie-Bolle – bestaat uit vijf delen. Het eerste deel beschrijft het joodse leven in Amsterdam van vóór de oorlog. De warme sfeerbeschrijvingen laten zien hoe Janny opgroeit in een gegoede joodse familie en hoe de oorlog langzaam maar zeker het dagelijks leven binnen sijpelt: ‘Op de dag dat de Duitse troepen Nederland binnenvielen, waren mijn broer Jaap en ik thuis bij mijn ouders. Het luchtalarm ging af en we hoorden vliegtuigen overkomen. Kort daarna hoorden we dat Duitse troepen de grens waren overgetrokken. Dat gaf een unheimisch gevoel, voor iedereen: Nederland was in oorlog. Maar wat ik mij daarbij moest voorstellen, dat wist ik niet.’

    Duitse maatregelen als het J-stempel, de gele ster, het Judenviertel, de oproepen voor joden om zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland, het verbod voor joodse studenten om nog examens af te leggen en de ‘vrijwillige’ sterilisatie bij gemengd gehuwde joden, maken echter al snel duidelijk dat het menens is. In mei 1943 wordt binnen een week bijna heel Janny’s gezin gedeporteerd: broer Jaap (Sobibor), vader Levie (Auschwitz-Birkenau), broer Nico (Westerbork, Warschau) en schoonzusje Esther (Auschwitz-Birkenau), zus Martha en schoonbroer Leendert (Auschwitz-Birkenau). ‘Iedereen was weg, binnen een week. Ik kan het alleen maar zo achter elkaar vertellen, een andere manier is niet mogelijk. Dan komt het te dichtbij, dan ga ik kapot.’

    In oktober 1943 begint Janny’s eigen oorlog. In een stijl die doet denken aan die van Primo Levi beschrijft Göbel hoe Janny, nadat ze vermomd is weggevlucht uit het Portugeesch-Israelitisch Ziekenhuis (PIZ), met haar man onderduikt. Het mag niet lang duren. In december ’43 worden ze opgepakt en weggevoerd naar Westerbork: ‘Overal hadden ze mensen vandaan gehaald, uit het Huis van Bewaring aan de Amstelveense weg en het bureau Weteringschans. Het was gewoon de ophaaldienst.’

    Na Westerbork overleefde Janny vier kampen – Auschwitz-Birkenau, Gross-Rosen, Gräben en Bergen-Belsen. Door Göbels integere verslaglegging en Janny’s gedetailleerde herinneringen, ontstaat een sprekend beeld van een hoopvolle, jonge vrouw die in onmenselijke omstandigheden weet te overleven: ‘Ik heb nooit vogels horen fluiten in Birkenau. Misschien waren ze er wel, maar een beschrijving van dit kamp tart dermate het menselijk bevattingsvermogen ? daar konden gewoon geen vogels zijn.’ Ontluisterend is ook vooral de ontvangst die Janny als overlevende van de kampen in Nederland ten deel viel. Onbegrip, angst en weerstand zijn voelbaar bij de achterblijvers. Wie zijn die vreemde, uitgemergelde, kaalgeschoren wezens?

    Gedurende het lezen van Janny’s belevenissen dringt langzaam het besef door: dit is het verschrikkelijke verhaal van één overlevende. Maar zo zijn er duizenden. Zoals bij iedere grote gebeurtenis komt er een moment dat de generatie die die gebeurtenis heel bewust heeft meegemaakt, langzaam ophoudt te bestaan. Voor de Tweede Wereldoorlog is dat moment nu aangebroken. Een hemel zonder vogels is een mensonterend verhaal, maar ook een unieke familiekroniek, die ons op een bijzondere manier de mogelijkheid biedt om de herinnering aan deze gebeurtenissen levend te houden.

    Een hemel zonder vogels
    Het aangrijpende levensverhaal van Janny Moffie-Bolle.

    Auteur: Esther Göbel
    Verschenen bij: Uitgeverij Balans (2010)
    Prijs: € 18,95

  • Recensie: Het onontkoombaar eigene van de Nederlandse literatuur – Arie Storm.

    Door Rein Swart

    Een schrijver op zoek naar het verleden

    In deze verzameling eerder in tijdschriften en kranten verschenen artikelen, door de schrijver bewerkt en in een leesbare volgorde geplaatst, zet Storm zichzelf neer als een graver naar het verleden. Zijn hang naar de historie blijkt vele malen sterker dan die naar de toekomst. H. G. Wells is voor hem niet zozeer een sciencefiction-schrijver als iemand die landschappen op een rake manier beschrijft. Storm is het gelukkigst als er sprake is van een verdubbeling, een term van Auster, waarbij verleden en heden elkaar raken en met elkaar verknoopt raken.

    Storm oordeelt in het algemeen krachtig en stoot daarmee gemakkelijk andere schrijvers voor het hoofd. Volgens hem komt dat door de belabberde toestand van de literatuur in Nederland. Hij illustreert dit in een bespreking over de hommages van zes Nederlandse schrijvers ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Harry Mulisch. De wedstrijd wordt glansrijk door Mulisch met 5-1 gewonnen. Dat een criticus mildheid moet bezitten, toont  Storm aan in een negental recensies waarin nostalgie een grote rol speelt.

    De bundel begint stormachtig met een overpeinzing na een bijeenkomst bij SLAA, die literaire activiteiten in Amsterdam organiseert. De stad mag wat Storm betreft wegzakken. De geboren Hagenees loopt na de vergadering, die altijd wordt besloten met een diner en een borrel, ontevreden door de binnenstad en staat opeens bij een bouwput, waar een voorwereldlijke stilte heerst. Ook neemt hij de ‘lekker bekkende’ titel van deze bundel op de hak. Over het net zo modieuze plaatje op de omslag zegt hij niets, maar misschien is dat later ingevoegd.

    Het tweede essay is minstens zo hilarisch. Vooral als hij het idee neersabelt dat schrijvers tegenwoordig denken dat ze moeten netwerken om in beeld te blijven. Van meer belang is het verschijnsel plotdwang, die volgens Vestdijk schadelijk is, omdat het in de literatuur niet om het verhaal zelf gaat. Dat doet me denken aan shows van Freek de Jonge, die altijd op zijn best is als hij het verhaal onderbreekt. Ook Storm is van mening dat de beste romans nergens over gaan, zoals Nooit meer slapen.

    Storm wil eerst niets weten over de zogenaamd eigene van de Nederlandse literatuur, maar komt naar aanleiding van In Europa van Tim Parks tenslotte toch uit op het sferische van de zee, de luchten en de wolken, die typisch Nederlandse schrijvers als Alberts, Brakman (iemand die Storm vaker in deze bundel als voorbeeld neemt), Nescio en van der Heijden hebben beïnvloed. Hij is jammer dat Storm verder niets over Parks zegt, want ik vind de Engelsman een goed voorbeeld van een schrijver, die in zijn romans verschillende tijden op een ingenieuze manier door elkaar laat lopen.

    Ik meen Storm te betrappen op een tegenstrijdigheid waar hij kritiek heeft op de fictionele droom die John Gardner en Renate Dorrestein voorstaan, waarbij de lezer wordt meegezogen in het verhaal. Later vindt Storm dat zelf ook belangrijk. Hij betreurt het namelijk dat Salinger opeens in de tekst de vraag stelt of men wel eens in New York geweest is, terwijl Arie Storm daar juist op dat moment vertoeft en dus uit zijn roes wordt gehaald. Zijn eigen roman De bruid en de kogel noemt hij salingeriaans, maar dat heb er nooit in kunnen ontdekken, dus wellicht is het goed dat Storm die ook meteen zijn laatste in dat genre noemt.

    Zeer waar is het stukje waarin hij stelt dat schrijven een activiteit is die gelukkig maakt, die je bevrijdt van je eigen kleine ik en het roesachtige gevoel veroorzaakt om buiten de wereld te staan. Storm vindt met Conrad Busken Huet dat eigenliefde en ijdelheid het schrijverschap in de weg staan. Ook noemt hij Brakman die ageerde tegen de verwording van het literatuur tot een bedrijf met sterren in meer dan een betekenis van het woord. Een gelukkige schrijver schept gelukkige lezers. Schrijfplezier leidt tot leesplezier. Dat geldt zeker voor deze bundel.

  • Uitvaart van de hoofdpersoon

    Uitvaart van de hoofdpersoon

    Alleman van Philip Roth, doet denken aan het eerdere Exit geest dat gaat over de oudere schrijver Nathan Zuckerman. Deze trekt zich na een prostaatoperatie en bedreigingen aan zijn adres terug uit de wereld, maar in komt New York voor een hersteloperatie. Daar leest hij in een advertentie dat een schrijversechtpaar een woningruil voor een jaar voorstelt.

    Philip Roth heeft een indrukwekkende collectie boeken op zijn naam staan, waarin hij als geen ander de lezer op zijn reizen meeneemt. In een van zijn laatste boeken, Verontwaardiging, toont hij zich een meester van de vertelkunst met een prachtig verhaal over Marcus Messner, de zoon van een joodse slager, die de Koreaanse oorlog als een zwaard boven zijn hoofd voelt hangen en die, vooral voor zijn bezorgde vader, met de beste cijfers moet slagen om officier te kunnen worden en niet als kanonnenvlees te dienen.

    Alleman begint met de uitvaart van de hoofdpersoon op de oude joodse begraafplaats langs de tolweg van New Jersey. Hij wordt daar toegesproken door zijn dochter Nancy en zijn oudere broer Howie, maar verder gebeurt er weinig. Het blijft bij beschouwingen, die aardig zijn om te lezen, maar de personages gaan daardoor te weinig leven en de lezer kan zich niet goed met hen identificeren. Inhoudelijk draait het vooral om de scheidingen en de hartproblemen van de hoofdpersoon, die op 34-jarige leeftijd en voor het eerst gescheiden van Cecilia een blindedarmoperatie moet ondergaan en bang is voor de dood.

    De verhouding met de vader, een joodse juwelier die veel op had met zijn zoons en zelfs de juwelierswinkel ‘Alleman’ opende om hen later van een inkomen te voorzien, speelt in dit boek weer een belangrijke rol. Het drama van de eindigheid komt eveneens volop in beeld. De hoofdpersoon is een gewezen artdirector, die zoals vele andere collega’s na zijn pensioen aan het schilderen is geslagen, maar ervaart daarin geen voldoening.

    ‘Opeens was hij verdwaald in het niets, in de klank van het woord ‘niets’ en in de leegte van het niets, verdwaald en verloren, en begon de angst hem te bekruipen. Niets is zonder risico, dacht hij, niets, niets ? alles eist zijn tol, zelfs zoiets stoms als schilderen!’

    ‘Oud worden is een slachting’, zegt de hoofdpersoon ergens. Verder dweept hij nogal met zijn andersheid, namelijk om zich gek te laten maken door jonge vrouwen die hij om zich heen ziet lopen. De nadruk op seksuele avontuurtjes zegt veel over de preutse cultuur in de VS. Op het eind wordt het boek, net als Exit geest, wat pathetisch, maar dat ligt in het verlengde van een cultuur die niet kan omgaan met de dood. Vanwege het gebrek aan een verhaal schoot er, in een reactie op de titel, de term niemendal te binnen, maar zelfs daarmee schrijft Roth nog altijd uitstekende vakantieliteratuur.

     

     

  • Over de onafwendbaarheid der dingen

    Over de onafwendbaarheid der dingen

    ‘… En hij had hem gestoord terwijl hij op het punt stond een stoot te maken. Iedereen die weleens in zo´n biljartzaal is geweest, weet dat het een plek is waar maar weinig regels dienden te worden nageleefd, dat het een plek is waar een mens zijn gang kan gaan. Eigenlijk is er maar één belangrijke regel: niet storen.’

    En toch had Dino dat gedaan. Dino, de stratenmaker die overdag kasseien legt en ‘s avonds biljart in het café, durft na drie maanden dralen op ‘godheid’ Cirillo af te stappen. ‘Wil je me leren spelen? had Dino uit het niets gevraagd toen hij bij de tafel was aangekomen.’ Cirillo reageert geïrriteerd maar Dino weerstaat hem en houdt voet bij stuk. Cirillo denkt er zich gemakkelijk van af te maken en antwoordt hem dat hij terug mag komen als hij …’erin slaagt om de bal van acquit zo recht vooruit te stoten dat hij precies weer op dezelfde plek terugkomt…’. Het is het begin van een langdurige vriendschap.

    Dino leidt een ongecompliceerd leven. Hij heeft behoefte aan structuur en vaste patronen. De kasseien geven hem houvast, het biljartspel met zijn strakke, perfecte lijnen is zijn passie. Met Sofia, zijn vrouw, fantaseert hij over verre reizen. Kinderen zullen er niet komen, want Sofia kan geen kinderen krijgen. Maar dan verandert alles in zijn leven. Sofia raakt toch zwanger en de kasseien moeten wijken voor het asfalt. Zijn leven krijgt een andere wending. Het boek ook. Kabbelde het eerder een beetje op de dagelijkse, prettige sleur in het leven van Dino, de straat, de kroeg en Sofia, nu komt het in een stroomversnelling en gebeurt er van alles.

    Tot dan toe kennen we Dino als een vriendelijke, weinig ambitieuze man die alleen in het biljartspel uitdagingen zoekt. Maar dan helpt hij, zonder er al te veel bij na te denken iemand die een misdaad heeft gepleegd. De gevolgen zijn desastreus. Is hij zo in shock of is hij altijd zo naïef geweest? Of heeft hij eigenlijk autistische trekjes? Een arts noemt hem ‘grappig’. Een vreemde woordkeuze want de hele situatie is daar veel te wrang voor.

    Aan het eind van het boek is Dino een aantal ervaringen rijker en zijn er voor hem geen vaste patronen meer over. Hij is weliswaar niet alleen, maar alle houvast is uit zijn leven verdwenen. Toch heeft Grossi met Van acquit geen negatief boek geschreven. Zonder opsmuk, maar in prachtig proza heeft hij een verhaal verteld over de onafwendbaarheid der dingen.

    Grossi heeft een ingetogen, bijna filmische roman geschreven. Een regisseur kan er zó mee aan de slag: ‘Het verachtelijke beest verscheen puffend en hotsend aan het einde van de straat. De reusachtige, opengesperde bek zat vol met een rokende, zwarte brij, de stukken teer hingen er als slieten demonisch kwijl uit. Terwijl het beest vooruitkroop, leek het wel of iemand met een tang in zijn ingewanden roerde en het pijn deed, zo knarste en kraakte het, en van de inspanning blies het een dikke, zwarte rook uit. Het kwam, inmiddels vrij dichtbij, langzaam sissend tot stilstand, uit de oren kwamen witte wolkjes stoom. Terwijl het zijn laatste boer liet, rolde er wat van de dampende modderbrij langs een van de mondhoeken.’

     

     

     

  • Moeilijk om je in het dilemma van de schrijfster te verplaatsen

    Moeilijk om je in het dilemma van de schrijfster te verplaatsen

    Recensie door Machiel  Jansen 

    Een vraag die niet beantwoord kan worden moet je niet stellen. De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijfster Antjie Krog (1952) stelt zich zulke vragen wel. Zij stelt zich de vraag ‘ Hoe is het om zwart te zijn?’ in haar nieuwe boek Niets liever dan zwart.
    Misschien is het goed beschouwd geen vraag die Krog zichzelf stelt. Misschien is het een uitroep van wanhoop, of een trieste constatering dat belangeloos medeleven niet mogelijk is. Misschien is het een uitdrukking van twijfel over een samenleving die verbonden zou moeten zijn maar het niet is. Misschien is het een roep van machteloosheid van een voormalig strijdster tegen apartheid. Hoe dan ook, Krog maakt het ons en zichzelf niet makkelijk in Niets liever dan zwart.

    Eerder schreef ze twee andere non-fictie boeken over de veranderingen in Zuid Afrika, De kleur van je hart (1998) en Een andere tongval (2003). Niets liever dan zwart kan als het slot van een trilogie beschouwd worden.

    Het boek opent met een beschrijving van een moord op een zwarte bendeleider waarbij Krog zonder het te weten en te willen, betrokken wordt. Het is dan 1992, Mandela is vrij maar het apartheidsregime van de Klerk is nog aan de macht. De terreur neemt eerder toe dan af. Vlak na de moord staan de moordenaars bij Krog op de stoep. Zij kent één van hen als activist van het ANC en brengt de mannen op verzoek met haar auto even weg. Ook wordt haar gevraagd of ze een bebloed t-shirt kan vernietigen. Pas later hoort ze van de moord en beseft ze waar ze in betrokken is geraakt. De politie is haar vrijwel onmiddellijk op het spoor.

    Voor Krog begint hier een reusachtig moreel dilemma. Zij is een fervent strijdster tegen apartheid en sympathiseert actief met het ANC. Maar de moord heeft alle kenmerken van een criminele afrekening en lijkt niets met een politieke strijd te maken te hebben. Naar de politie gaan is een vreselijke optie. Het betekent ANC kameraden verraden aan de terreur van het apartheidsregime. Toch kiest ze er uiteindelijk voor om in de rechtbank te getuigen en de waarheid te spreken. Het voorval leidt tot een schuldgevoel waar het hele boek omheen geschreven lijkt. Terugkijkend schrijft ze ‘Ik koos intuïtief de veiligheid van de politie van de Afrikaner regering. In het meest moreel geladen moment van mijn leven koos ik Afrikaners, én – en misschien is dat wel het ergst – versluierde dat met morele en juridische taal.’

    Als het erop aankomt kiest de blanke Antjie Krogt voor het Afrikaner gezag. Dat harde oordeel velt ze over zichzelf als later blijkt dat de moord wel degelijk een politieke component had. Tijdens de verhoren van de Verzoenings- en Waarheidscommissie blijkt dat de geheime dienst zwarte criminele bendes aanmoedigde gewelddadig te worden om zo het ANC te verzwakken.

    Voor Krog lijkt de moord, die ze al eerder verwerkte in de novelle Relaas van een moord, te leiden tot wat ik een existentïele crisis zou willen noemen. Ze begint een zoektocht naar de idenditeit van haar land en doet een ultieme poging dichterbij de zwarte waarden van het nieuwe Zuid Afrika te komen. Begging to be black heet de oorspronkelijke, Engelse titel en de wanhoop die daaruit spreekt is tekenend voor het persoonlijk karakter van het moreel dilemma waar Krog mee worstelt.

    De beschrijving van de moord en de nasleep daarvan wisselt Krog af met hoofdstukken over de geschiedenis van koning Moshoeshoe (1786-1870), dagboekaantekeningen en brieven vanuit Berlijn en gesprekken met de Australische filosoof Paul Patton. Die laatste zijn zonder meer het vervelendst en maken het boek onnodig ontoegankelijk. Patton is duidelijk het type filosoof dat orakeltaal uitslaat, waarbij de toehoorder wanhopig houvast zoekt door een interpretatie te kiezen die de vage woorden terugbrengen tot iets wat lijkt op dat wat men wil horen. Om een voorbeeld te geven: ‘Niet vlucht als in vluchten dus, maar vlucht als vertrek in een bepaalde richting. Door jezelf te transformeren. Door jezelf te transformeren, beweeg je je uit een vastomlijnde, bekende identiteit.’

    Krog stelt zich tegenover de filosoof op als een patiënt bij een therapeut. Zij worstelt met een probleem en wil van hem een oplossing horen. Als hij orakelt ‘het doel van goed schrijven is het leven mee te voeren naar de toestand van onpersoonlijke macht’ pent zij dat neer alsof het een teken betreft dat haar de juiste weg zal wijzen. In een later gesprek klaagt ze dat ze zich niet kan indenken hoe het is om zwart te zijn. Ze zegt: ‘deels ben ik hartstikke bang dat dat een indicatie is dat er ergens toch een restje smeulend racisme in mij zit, een onwillekeurige reflex. Dat ik me niet kan indenken wat het is om zwart te zijn, omdat ik eigenlijk een afkeer heb van zwart.’

    Op zo’n moment doet Krog denken aan een moeder die zoveel van haar kind houdt dat ze bang wordt van de dwanggedachte dat ze het kind iets aan kan doen. Haar intellectuele zoektocht lijkt dan een afleidingsmanoeuvre om een diep persoonlijke crisis te maskeren. Dat is jammer want Krog verdient zoveel meer. Op haar schrijfstijl is niets aan te merken en haar oprechtheid en intelligentie leiden vaak tot mooie observaties. De meeste daarvan zijn te vinden in de hoofdstukken die gaan over koning Moshoeshoe. Krog beschrijft hem als een 19e eeuwse Mandela, een wijs man, die geweld en oorlog uit de weg ging en streefde naar verzoening. Als de eerste blanke zendelingen het huidige Lesotho binnen komen reageert Moshoeshoe niet argwanend of agressief maar verwelkomt de zendelingen met open armen. De ontmoeting tussen de Franse zendeling Casalis en Moshoeshoe weet Krog erg goed te beschrijven. Twee wereldbeschouwingen die elkaar ontmoeten, niet botsen maar gezamenlijk optrekken.

    Maar ook in deze hoofdstukken heeft Krog af en toe haar intellectuele kracht niet in de hand. Ze vertelt niet alleen de geschiedenis van de koning maar interpreteert en becommentarieert die ook. Dat is soms onnodig. Zo vertelt ze het verhaal van een aantal blanke kolonisten die bij Moshoeshoe komen om te vragen om zijn land op te delen. Hij reageert met het bijbelse verhaal van Koning Salomo die een kind aan één van twee vrouwen moet toewijzen. Beiden beweren de moeder te zijn en Salomo dreigt het kind in stukken te hakken, waarop de moeder smeekt het kind dan maar aan de andere vrouw te geven. Moshoeshoe reageert op het verzoek zijn land in stukken te hakken als de moeder van het kind: ‘dan raak ik het liever helemaal kwijt!’ Met deze christelijke anekdote leest hij de blanke, Christelijke kolonisten vreselijk goed de de les. Het is een rake passage maar Krog voelt helaas de behoefte om er nog wat aan toe te voegen: ‘Er stonden de koning verschillende opties open in reactie op het verzoek zijn land op te delen…’

    De geschiedenis van Moshoeshoe is een poging van Krog om dichterbij de zwarte identiteit van haar land te komen. Die pogingen begrijp je ook het best als ze vorm van verhalen aannemen. Zo wordt het idee van vergeving heel mooi uitgewerkt. Krog vertelt hoe Moshoeshoe totaal onverwacht een groep kannibalen die zijn grootvader hebben opgegeten niet straft maar opneemt in de gemeenschap. Hen doden zou betekenen dat hij het graf van zijn grootvader zou onteren. Het is een onorthodoxe poging om conflicten te bezweren en je herkent het als Krog in een later hoofdstuk de Verzoenings- en Waarheidscomissie bespreekt. Het is geen vergeving van Christelijke maar juist van Afrikaanse oorsprong.

    Niets liever dan zwart is een moeilijk en ontoegankelijk boek. Misschien komt het omdat ik een blanke, mannelijke Nederlander ben, maar het is me niet gelukt me te verplaatsen in Krog en om haar dilemma na te voelen. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om je voortdurend de vraag te stellen ‘Hoe is het om zwart te zijn?’ Krog heeft zich teveel laten gaan in intellectuele analyses die naar mijn idee het probleem alleen maar versluieren in plaats van verduidelijken. Ik had graag gezien dat de filosoof in plaats van diepe gesprekken met haar te voeren, had gezegd: ‘Zwarten vragen zich niet af wat het is om zwart te zijn.’

     

  • Elk personage lijdt op zijn eigen manier

    Elk personage lijdt op zijn eigen manier

    Recensie door Rosalie Koster

    De titel Moorddiner van Mohana van den Kroonenberg doet vermoeden dat het om een thriller gaat. Maar niets is minder waar., want moorden worden er niet in gepleegd. Moorddiner is een verhalenbundel met korte, absurdistische verhalen waarin de werkelijkheid op zijn kop wordt gezet en niets is wat het lijkt. Elke vorm van realisme is overboord gekieperd en heeft plaats gemaakt voor een droomwereld waar uit het moeilijk ontwaken is. Haar verhalen doen denken aan vreemde en uitzinnige dromen waarin alles mogelijk is en ook nog logisch lijkt. Eenmaal ontwaakt is er van deze logica weinig over. Navertellen is bijna onmogelijk omdat de normale dimensies van ruimte en tijd doorbroken zijn.

    Bizarre gebeurtenissen

    Toch weet Van den Kroonenberg wat ze doet: zonder opsmuk en met grote souplesse weet ze haar woorden vorm te geven. En met het grootste gemak zuigt Van den Kroonenburg de ene na de andere bizarre en ongeloofwaardige gebeurtenis uit haar duim. Het is niet alleen deze moeiteloosheid die indruk maakt. Eveneens heeft Van den Kroonenbrug een eigen uitgesproken stijl waar vele schrijvers enkel van kunnen dromen.

    Nu moet gezegd worden dat niet iedereen de charme van de verhalen in zal zien. Want de droomwereld die Van den Kroonenburg de lezer voorschotelt is geen fijne plek om te vertoeven. Het is er grimmig en kil. En de personages die de verhalen bevolken zijn stuk voor stuk underdogs; onbegrepen en genegeerd door de wereld om hen heen. Tot op het bot vernederd, maar met grote wilskracht proberen zij de bevestiging te krijgen waar ze naar smachten.

    Zo lezen we in het verhaal Edwin in Wonderland de wanhopige strijd van Edwin. Edwin werkt al twintig jaar op hetzelfde kantoor waar hij een kamer deelt met de beeldschone Margaritha, die hem geen blik waardig gunt; in al die jaren heeft ze hem nog nooit aangekeken. Maar dan op een dag is Edwin het zat en doet wat hij al veel eerder had moeten doen.

    Grip krijgen op de omgeving

    Ook de man in het titelverhaal Moorddiner probeert grip te krijgen op zijn omgeving. Tijdens een familiediner hoopt hij dat zijn familieleden eindelijk oog hebben voor hem en zijn pasgeboren zoon. Maar ook deze poging is gedoemd te mislukken. Want hoe hard de personages ook hun best doen, gehoord worden ze eigenlijk niet. Niet voor niets bevinden zij zich in een absurdistisch universum; de essentie van hun bestaan is gebaseerd op verwarring en redeloosheid.

    Maar bij verwarring blijft het niet. Van den Kroonenburg doet hier nog een schepje bovenop door gevoelens van  minderwaardigheid en ontevredenheid van de mens tot immense proporties op te blazen. Elk personage lijdt op zijn eigen manier maar uiteindelijk is voor elk hetzelfde gevoel van onvolkomenheid de basis van waaruit zij handelen. Dit verklaart waarom, hoewel telkens verschillend uitgewerkt, de verhalen zoveel op elkaar lijken. Ondanks dat is Moorddiner een intrigerende bundel.

     

     

  • Recensie: Nelson Carrilho een man van verre en van vlakbij – Barney Agerbeek

     Recensie door: Karel Wasch

    Er is nu eindelijk een boek over de beeldhouwer Nelson Carrilho. Nelson Carrilho, geboren op 30 maart 1953 op Curaçao (Nederlandse Antillen) verhuisde in 1964 naar Nederland, waar hij in 1980 afstudeerde aan de Academie van Beeldende Kunsten  ‘Artibus’ te Utrecht. Hierna werkte hij als een bezetene aan grote beelden, die de openbare ruimtes in Nederland en op Curaçao sieren. Zijn werk is zowel gevoelig als monumentaal. En dat vindt zeker zijn oorsprong in het feit dat Carrilho verdraagzaamheid hoog in zijn vaandel voert.

    De moord op Kerwin Duinmeijer is een gebeurtenis die plaatsvond op de avond van 20 augustus 1983. Duinmeijer, een 15-jarige Antilliaan, werd na een woordenwisseling en handgemeen in de Amsterdamse Damstraat neergestoken door skinheads. In het Vondelpark in Amsterdam staat een groot beeld dat Carrilho maakte na de moord op Duinmeijer. Het is uiteindelijk een anti-racisme monument geworden: Mama Baranka (Moeder Rots). Indachtig het gezegde  ‘Als je een vrouw slaat, sla je een rots.’  Het beeld heeft iets plechtigs, maar straalt ook standvastigheid uit. Schrijver van het prachtig vormgegeven boek, Barney Agerbeek, vergelijkt het beeld met de Dokwerker, een beeld dat herinnert aan de Februaristaking, eigenlijk een opstand tegen het antisemitisme en dus ook een beeld van onverzettelijkheid.

    Agerbeek wandelt rustig door het werk van Carrilho heen en heeft steeds overpeinzingen bij het werk zoals:
    ‘Carrilho verwelkomt me hartelijk. Ik val met de deur in huis. “Waar is dat nou voor nodig, die dubbele sokkels onder die kleine beelden en dan de onderste opleuksokkel van glanzend marmer?” vraag ik hem.(…)’
    Hij krijgt een simpel antwoord en de zoektocht naar de beweegredenen van Carrilho gaat onverdroten verder. Agerbeek excelleerde destijds door mee te werken aan twee boeken over de beroemde glasontwerper Floris Meijdam. Die ervaring betaalt zich uit.

    De carrière van Carrilho werd beïnvloed door de samenwerking met twee mannen, waarmee hij in zijn atelier samenwerkte, Egbert Joosten en Wiktor Lutowski. Vooral de eerste maakte het soms bont en sleepte allemaal voorwerpen naar binnen, die Carrilho weer naar buiten bracht: ‘Eens smeet ik een grote kartonnen doos naar buiten, waar hij de hele nacht voor de deur in ging slapen. De hele buurt moest later horen wat een slechterik ik was. De buurtbewoners zagen er wel de humor van in en brachten hem koffie. Daar genoot hij van.’

    Ook Annelies Sheotahul, de muze van Carrilho komt in het boek aan bod. Ze behartigt ook zijn belangen, want Nelson is niet echt een zakenman.

    Vreemd genoeg raakte Carrilho in Amsterdam gefascineerd door de theaterwereld van performers Django Edwards en Rufus Collins, die in de jaren ’70 en ’80 veelvuldig optraden. En in Amsterdam werd de Walter Rodney Bookshop geopend waar men terecht kon voor boeken van zwarte schrijvers.

    Het plastische werk van Carrilho heeft ook iets lichtvoetigs en daarin laat hij zijn theaterkant spreken. Mooie tekeningen zien we als een andere rode draad door het boek wervelen. Het lijken voorstudies voor beeldhouwwerken, maar ze zijn sterk genoeg om ook als unieke kunstwerken bewonderd te worden. Een machtig interessant boek, half Engels, half Nederlands met ook nog eens een mooie inleiding van kunstmecenas José Maria Capricorne. ‘Is het scheppen van beeldende kunst immers niets anders dan het op een zo authentiek mogelijke wijze vastleggen van gevoelens in woorden, in geluid en beweging of in beelden, in kleur, in vorm?’ vraagt hij zich af. Het is waar maar Carrilho doet meer dan dat, hij verbindt mensen met elkaar, door zijn beelden.

    Nelson Carrilho, een mens van verre en van vlakbij

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij: Nymfaeum Pers
    Prijs:

  • Het martelaarschap van strijders voor een andere wereld

    Het martelaarschap van strijders voor een andere wereld

    John Jude Parish is net achttien geworden in augustus 2000. Hij woont in Washington DC en houdt van skaten, surfen en wil het soefisme bestuderen. Zijn vader is advocaat, zijn moeder heeft psychotherapie gestudeerd, maar is vooral politiek actief. Volgens zijn vriendin Katie heeft hij fantastische ouders en in die augustusmaand ligt de wereld voor hem open. Na een surfwedstrijd is er nog een feest met vrienden en vriendinnen. John gaat even skaten en wordt aangereden door een automobilist. In het ziekenhuis, arm en been in het gips, wordt hij wakker met een hersenschudding. Tijdens zijn korte verblijf in het ziekenhuis maakt hij een 10-weken plan, maakt een lijst met boektitels, waarbij onder andere de Koran en werk van Kierkegaard. Ook besluit hij Arabische literatuur te gaan studeren.

    Via Internet leert hij Noor Bint-Khan kennen, hij mailt met haar over zijn plannen. Noor studeert literatuurwetenschap en werkt als serveerster in een oosters eethuisje. Zij noemt hem in een mailtje van 23 augustus een Sharia school in Brooklyn, waar klassiek Arabisch wordt gegeven. John neemt contact op met die opleiding en twee dagen later heeft hij al een uitnodiging om te komen kennismaken. Het is nog steeds augustus. Binnen drie weken is John al van zijn oorspronkelijke koers geraakt, studeren aan de Brown University, en gaat hij helemaal op in zijn nieuwe plannen. In september begint zijn opleiding. Met zijn moeder heeft hij woonruimte gezocht in Brooklyn en gaat hij eten in het eethuisje van Noor, die hij dan persoonlijk leert kennen. Vervolgens hebben zij zo regelmatig contact, dat het lijkt of zij elkaar al jaren kennen. Binnen twee weken nodigt Noor hem uit bij haar thuis te komen eten, haar moeder en broertje zijn er ook. Een moslimmeisje, die een vreemde Amerikaanse jongen thuis uitnodigt?

    Erbij willen horen

    Op school leert John Khaled kennen, diens moeder komt uit Pakistan. Hij vertelt dat hij Arabisch studeert om later in Pakistan te gaan studeren. De leraren en een aantal leerlingen zijn in het wit gekleed en John wil erbij horen, begin oktober bestelt hij ook een witte broek en een wit hemd. Zijn klasgenoten reageren niet allemaal enthousiast, zij beschouwen hem als een toerist op hun school. Noor vindt dat John wel hard van stapel loopt, met zijn studie, het dragen van de kleding, de discussies die hij met zijn omgeving voert. Tussendoor heeft hij ook fysiotherapie en gaat langzaamaan weer zelfstandig lopen. In die tijd heeft hij alleen mailcontact met zijn vroegere skate- en surfvriendinnen.

    John wordt moslim en wanneer zijn schoolvriend Khaled hem uitnodigt mee naar Pakistan te gaan, besluit hij direct om dit te doen. Het is mei 2001. Daar beleeft hij allerlei avonturen in de bergen, met groepen strijders en komt terecht bij de Taliban. Op een gegeven moment is hij verdwenen. In de Verenigde Staten zijn zijn ouders totaal ontredderd, wanneer zij op geen enkele wijze meer contact met hem kunnen krijgen. Via al zijn mailvrienden proberen zij te achterhalen, wat er gebeurd is, maar niemand kan informatie geven. In december lezen zij in de Herald Tribune een artikel over een American Taliban, ofwel een Amerikaanse student die zich bij de Taliban heeft aangesloten. Het betreft John Walker Lindh, gevonden en gearresteerd door de FBI. Zijn ouders weten niet wat zij moeten doen, proberen contact te krijgen met deze jonge man, maar dit lukt op geen enkele wijze. In mei 2002 is er geen enkel spoor van hun zoon John Jude.

    Oorspronkelijke titel American Taliban

    Pearl Abraham heeft deze roman gebaseerd op het verhaal van John W. Lindh, zij heeft onderzocht hoe het komt, dat (jonge) mensen helemaal op kunnen gaan in een totaal vreemde wereld, zij heeft zich verdiept in het soefisme en in martelaarschap van strijders voor een andere wereld. De oorspronkelijke titel American Taliban geeft beter aan waar deze roman over gaat, om de Nederlandse titel te begrijpen, moet je het laatste hoofdstuk goed lezen. In dit boek gaat het naar mijn smaak allemaal een beetje te snel. John is enthousiast, maar toch kreeg ik geen zicht op zijn echte beweegredenen om Arabisch te studeren, om moslim te worden. Het thema van dit boek is interessant, de uitwerking is wat oppervlakkig.

     

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Uitgeverij Free Musketeers maakt fraaie boekjes en verspreidt ze via boekhandels op voortvarende manier. Jan Ruward (1948) is naast schrijver ook beeldend kunstenaar en wijdt zijn leven aan schrijven en schilderen. Zijn debuut werd genomineerd voor de Literatuurprijs van de Brabantse Letteren. Omdat hij een kind van de jaren ’60 is, ademen zijn zeer korte verhalen (sommige zijn niet langer dan 3 bladzijden) de sfeer uit van drugs, drank en sex, vooral veel sex.

    Dat doet echter niet geforceerd of stuitend aan, integendeel het is voor de hoofdpersoon uit de verhalen een survivalkit om de boze en hardvochtige maatschappij te overleven. Een ‘eenmansguerilla’ zou Jan Cremer zeggen en dat is het. Maar in tegenstelling tot Cremer heeft Ruward ook een spiritueel pendant in huis, hij laat tarotkaarten leggen en zijn hand lezen, al dan niet met enige spot. En de doden verschijnen weer voor zijn geestesoog.

    Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel bevat het sterke titelverhaal Intermezzo, waarin we een kijkje in de keuken krijgen. Hoe is het allemaal zo ver gekomen met de hoofdpersoon. Hij heeft dikke vrienden, waarmee hij driftige avonturen beleeft, onder andere ene Thomas (een verwijzing naar de heilige Thomas?) die sterft, maar even later weer opduikt. En hij gaat met een vrouw in bad: Het werd een stroomversnelling vanaf het moment dat Eva en ik in bad zaten met de kleren aan en een plastic lokeend tussen ons in. Het zinderend liefdesspel erna. In de zevende hemel met haar was spelen op een wonderlijke rotonde van hartstocht en wellust.(…)

    Het is maar een voorbeeld van de wijze waarop Ruward trefzeker met zijn taal omgaat. Er is veel geschaafd en geschrapt, maar nergens met retouche gewerkt. Met enige zelfspot gaat in het volgende verhaal Enigma, de hoofdpersoon op weg naar Parijs om zichzelf te hervinden, maar hij belandt in de armen van een prostituee en uiteindelijk op Paaseiland om de mystiek opnieuw te beleven. En in het verhaal Regenboog beschrijft Ruward op indringende manier, wat er gebeurt als je een oog dreigt te verliezen.

    In deel 2 van de verhalen staat het meest ontroerende verhaal van deze bundel over verzetsman Paul Windhausen. Er bestaat nog een portret van hem en de hoofdpersoon van het verhaal, uiteraard zelf ook schilder, gaat op bezoek bij de weduwe van Windhausen en krijgt zelfs een foto te zien van de destijds neergeschoten verzetsheld met een kogelgat in zijn hoofd. (…)Toen ik opstond om naar huis te gaan en afscheid van haar nam, zij dertig jaar ouder dan ik, stapte de Grote Windhausen uit zijn schilderij en drukte mij de hand, warm en krachtig. Hij deed me uitgeleide en zijn stem klonk zacht toen hij zei dat niets gaat boven de Kunst.(…)

    In een van de andere verhalen gaat het verrassend genoeg over Bobby Fischer, de excentrieke wereldkampioen schaken, die in IJsland werd begraven, maar tegen wie de ik-persoon uit het verhaal graag eeuwig schaak had willen spelen. 

    (…)Mijn grote broer speelt niet meer maar de mooiste partij die ik met Bobby Fischer zal spelen in de Zevende Hemel is hopelijk eeuwig remise (…)

    In het derde gedeelte lezen we een grote brief aan ene G., een samenvatting van een zoektocht over het schrijven en terloops over Kerouac, plagiaat, Bukowski en de liefde. Tot slot van het boek volgt dan nog een gedicht Luctor et Emergo.

     (…)Steek die sigaret op
    en overdenk het eeuwige
    opdat je aan me denkt
    zoals ik aan jou (…)

    En inderdaad lijkt het of Ruward glansrijk overeind gebleven is te midden van een aantal boeiende- koortsachtig geschreven- verhalen. Het zou verleidelijk zijn om nu vast te stellen dat ik nieuwsgierig ben naar een dik werk van deze begaafde auteur, maar ik hoop dat hij zich zal blijven manifesteren op de korte afstand. Zijn specialiteit.

    Intermezzo

    Auteur:  Jan Ruward
    Verschenen bij:  Uitgeveij Free Musketeers
    Prijs: €15,95

  • Een indruk van het leven op het Afrikaanse platteland

    Een indruk van het leven op het Afrikaanse platteland

    Recensie door Lodewijk Lasschuijt

    Het lezen van dit boek van Marnix de Bruyne lijdt tot een aan verslaving grenzende nieuwsgierigheid. Je wilt alles weten over de oorlogen, de opstanden, het onmenselijke apartheidsregime en al de andere zaken die hebben geleid tot de huidige, nog steeds niet ideale, toestand in Zuid Afrika. In een land waar zelfs de president zich voor de rechter moet verantwoorden voor corruptie en verkrachting is natuurlijk meer aan de hand.

    ‘Hullie het gesoek mekaar’ maar nog steeds hebben ze elkaar niet gevonden. Nog steeds bestaat er grote armoede onder de zwarte bevolking en het wonen in de ‘shacks’, de uit golfplaten en zeildoek bestaande hutten in de townships, zonder elektriciteit en stromend water is vaak mensonterend. Op een gedegen wijze doet de schrijver verslag van het leven op het platteland van Limpolo, tamelijk afgelegen en geïsoleerd ten opzichte van de grote steden Johannesburg en Kaapstad. Zijn grote verdienste is dat hij gesprekken voert met inwoners van allerlei pluimage zonder duidelijk partij te kiezen en zonder een oordeel uit te spreken.

    De grote politiek wordt buiten beschouwing gelaten maar wel ontstaat een duidelijk beeld van de tegenstellingen die nog steeds erg groot zijn. De blanke boeren voelen zich bedreigd en reageren vaak afwijzend op de voorstellen die de regering hen doet om hun land te verkopen en daarmee afstand te doen van hun met veel moeite en hard werken verkregen eigendommen. Het begrip eigendom is in dit verband tamelijk relatief want was de zwarte bevolking in eerste instantie voordat de blanke kolonisten het land in bezit namen, niet eigenaar van alle grond? Middels de Landwet van 1913 werd de zwarte boeren hun land ontnomen en werden zij genoodzaakt te gaan werken als arbeider op blanke boerderijen.

    Er zijn twee commissies die hebben geprobeerd de scherven van het apartheidsregime bij elkaar te vegen. De Landclaimscommissie behandelt de claims, van onder andere de Morebene gemeenschap die woont in en rondom Soekmekaar, op grote stukken land die oorspronkelijk in het bezit waren van de Ratsaka clan. Er wordt veel over vergaderd en de afwikkeling van de claims duurt erg lang. De Waarheids- en Verzoeningscommissie, onder voorzitterschap van de goedlachse aartsbisschop Desmond Tutu heeft geprobeerd om slachtoffers en daders van de verschrikkelijke misdaden die gepleegd zijn gedurende het apartheidsregime, met elkaar te verzoenen.

    Soekmekaar heet tegenwoordig Morebeng en veel Nederlands klinkende namen van steden en dorpen zijn veranderd in namen in de oorspronkelijke Afrikaanse talen. Tijdens zijn veelvuldige bezoeken aan Soekmekaar, steeds met tussenpozen van enkele jaren, maakt Marnix de Bruijne kennis met een aantal inwoners zoals de bibliothecaresse, een gemeente raadslid, de uitbater van een café, een taxichauffeur en enkele blanke boeren. Zodoende krijgt de lezer een goede indruk van het leven op het Afrikaanse platteland maar de grote lijnen in de geschiedenis en de hedendaagse politiek zal de lezer zelf moeten gaan ontdekken.

     

     

  • De stadsjutter en het nimfje

    De stadsjutter en het nimfje

    Recensie door Rein Swart

    Het lijkt een aardig onderwerp: een avondwinkel, gerund door ene Osman van Turkse afkomst, althans van een Turkse vader die na de geboorte vertrok en de opvoeding overliet aan een Friese moeder. Osman krijgt op zekere avond een overstuur meisje in de winkel, die zegt dat ze de laatste tram naar huis gemist heeft. Ze vraagt of ze bij hem kan overnachten. De zachtaardige Osman heeft medelijden met het meisje, Isis, en staat toe dat ze in zijn bed kruipt. Hij blijft toch de hele nacht op.

    Osman wordt door, voor de lezer, onbekenden getreiterd en gechanteerd en leeft daardoor erg zuinig. De arme sloeber veegt zelfs het gemorste meel op van de vloer, zeeft het in zijn keukentje en giet het weer terug in het pak. Zijn credo is dat een mens een regelmatig bestaan moet leiden en verder heeft hij weinig nodig.

    ‘Het eerste instinct dat telt, dacht hij, is ademhalen; het vinden van iets eetbaars komt op de tweede plaats en de derde trap van mijn bestaan is het op gezette tijden wegzakken in een nest van stro. Verder is er onthouding, ik onthoud me van alles, omdat ik niemand iets te bieden heb.’

    Zoals het zich laat aanzien vertrekt Isis niet met de eerste tram van half zeven. Het is lang onduidelijk wat ze bij de simpele winkelier zoekt. Ze doet afwisselend aardig, sexy en koel tegen hem. Ze zegt dat haar moeder haar niet mist, maar later wordt duidelijk dat ze niet terug wil naar het rijke Bloemendaalse milieu.

    Osman heeft een dochtertje bij een vrouw, Barbara, die met iemand samenwoont aan de andere kant van de stad. Hij gaat eens bij Barbara op bezoek en troggelt haar geld af. Hij droomt ervan om Barbara en zijn dochtertje ooit in een zelfgebouwd huis, met een, op strooptochten door de stad bijeen gejutte inrichting, op een zelfgekocht perceel grond in de provincie te ontvangen en hen daar bij zich te houden.

    Helaas stort het verhaal halverwege in. Het is moeilijk voor de twee personen om de spanning vast te houden. Daarvoor is de verhaallijn te dun en zijn de hoofdpersonen karakterologisch te weinig zeggend. Het boek zwoegt naar het einde. De dreiging van beroving die in het begin voelbaar was, ebt weg als de lezer weet hoe de vork in de steel zit. Het meisje zwalkt tussen vriendelijk en boos. Het slot doet amateuristisch en drakerig aan.

    Klein Nulent schrijft heel precies in een tamelijk onopvallende stijl. Het is boeiend om vanuit het perspectief van een avondwinkelier de wereld te bezien en de angst te voelen voor beroving. Uiteindelijk gaat het om twee ‘loners’ die een tijdje in elkaars gezelschap verkeren. De opzet is aardig, maar niet meer dan dat.

    De tram van half zeven is genomineerd voor de Academica Debuutprijs 2010. Wat dat betreft zet ik mijn kaarten nog steeds op Blinde wereld van Ellen Heijmerikx die een aangrijpend boek afleverde dat ik eerder op deze site recenseerde, maar ik moet erbij zeggen dat ik Nemen wij dan samen afscheid van de liefde van Paul Baeten Gronda nog niet gelezen heb.