Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Religie in de literatuur – Zomer- en Herfstnummer Liter

    Recensie door: Ingrid van der Graaf

    De redactie van Liter heeft deze zomer een nieuwe rubriek geïntroduceerd, Religies van het boek. Schrijver, essayist en criticus Liesbeth Eugelink gaat in gesprek met een schrijver over religie aan de hand van citaten uit de werken van de betreffende schrijver. In Liter nr. 62 (zomernummer) praat Eugelink met Marcel Möring, die op zijn zevende de Donald Duck verruilde voor het, van zijn vader gekregen, Oude Testament. Door zijn verdieping in het heilige geschrift, beleefde hij zichzelf tot zijn zeventiende als, ‘lopend aan de hand van God’. En daarna was het over, diende het ‘echte’ leven zich aan en kon hij niet meer geloven. Maar het verlangen bleef. Het gesprek toont onvermijdelijk aan dat er veel ‘geloof’ en ‘zoeken naar ‘ in de boeken van Möring voorkomt.

    In het Liter nr. 63 (herfstnummer) interviewt Eugelink dichter en schrijver Wouter Godijn, waarin hij de uitspraak doet: ‘Als kunstenaar ben ik in de positie waarin ik mij met God kan verzoenen’. Daarentegen is Godijn antichristelijk opgevoed en voelde zich pas door het werk van Gerard Reve tot het geloof aangetrokken. Opgegroeid met Jan Wolkers, werd op tweeëntwintig jarige leeftijd zijn interesse gewekt voor Reve en de wijze waarop deze het geloof gestalte gaf. Wat duidelijk wordt in dit gesprek, is het streven van Godijn een bepaald soort mens/schrijver te willen zijn, waarin hij faalt, waardoor hij, zoals hij zegt ‘ongewild bij het dichterschap uitkomt’.

     

    Toen Liter nr. 62 werd samengesteld was de Joodse dichter Admiel Kosman (1957) in het land voor een optreden bij Poetry International te Rotterdam. Willem Jan Otten beschrijft in dat nummer welke indruk Kosman op hem maakte. De allereerste regel die Otten van de dichter las, ‘Orthodox me, my darling’, riep vele vragen bij hem op, o.a. of  ‘to orthodox’ een werkwoord was.
    Het interview dat Otten met Kosman hield tijdens Poetry International, is opgenomen in Liter nr. 63. De brandende vraag van Otten, wat betekent ‘orthodox me’, kan Kosman niet beantwoorden. ‘Want hij schrijft geen gedichten’, is zijn antwoord. Kosman is nooit gaan zitten om een gedicht te schrijven, en zal dit ook nooit doen. De gedichten komen naar hem toe en hij moet er maar klaar voor staan om ze op te schrijven. Altijd potlood en papier bij de hand voor deze dichter. En wat er staat weet hij zelf ook niet goed, dus vragen naar een interpretatie heeft geen zin. Een interview waarin vragen vaak teruggespeeld worden met een wedervraag om vervolgens tot een doordacht antwoord te komen. Kosman grossiert in uitspraken als: ‘Ik ben pas gaan bidden toen ik niet meer bad’.  Een dichter die geen gedichten schrijft, maar zeer indringende liefdes, ‘gebeden’ publiceert.

    De eerste strofe uit het gedicht, Prayer,
    ‘Orthodox me now, my darling, / orthodox me now, around you, / orthodox me tight, my darling, / orthodox me tightly now.’
    Als een bezwerende mantra gonst zo’n gedicht door lijf en leden.

    In nr. 63 ook een fragment uit de nieuwe roman in wording van Oek de Jong. Het fragment speelt zich af in Zeeland in het jaar 1968. Een broeierig stuk proza waarin de middelbare scholier Abel met zijn vriendin op bezoek gaat bij zijn oud-lerares Frans. De Jong’s schrijfstijl brengt zijn personages tastbaar dichtbij. Verlangens worden verwoord in onhandig gedrag; dingen doen omdat het in de loop der dingen ligt en in vervoering raken zonder te weten waar het heen leidt, zo vertelt De Jong zijn verhaal waarbij onderliggende gevoelens zwaar op de schouders van de hoofdpersoon liggen. De roman verschijnt najaar 2012 bij uitgeverij Augustus. Iets om naar uit te kijken.

    In Liter nr. 62 een bijdrage van schrijver Benno Barnard over Herman de Coninck (1944-1997). Barnard ervaart de vriendschap met een dode als een bitter genoegen, vooral als die dode een schrijver (De Coninck) is. De vele duizenden woorden die van een schrijver achterblijven, werken Barnard op zijn zachts gezegd ‘op zijn zenuwen’. Maar nog altijd hoort hij zijn donkere stem. ‘Als tabak kon praten, klonk hij zoals Herman.’
    In nr. 63 enkele gedichten van Willem Barnard (Van der Graft) (1920-2010), vader van Benno Barnard. Gedichten die hij schreef in zijn laatste levensjaar. In datzelfde nummer nog meer van Admiel Kosman. Het essay, Lopen richting heiligheid, over een paar geschilderde arbeidersschoenen van Van Gogh, onderwerp van verregaande speculaties door verschillende kunstonderzoekers. Onder andere was er de aanname, dat de door Van Goghs geschilderde schoenen nog uit zijn vroege tijd in Nuenen zouden stammen, wat niet bleek te kloppen. Ontdekt is dat het schilderij van latere datum moet zijn. En de rede die Kosman hield tijdens Poetry International, Tussen Freud en Buber. En in de rubriek Maatwerk Teunis Bunt over Ted van Lieshout, waagt Tewin van de Bergh zich aan de nieuwe bundel van Willem Jan Otten, schrijft Elisabeth Kooman over Phillipe Claudel en Peter van Dijk over ‘Tree of live’.

    Vermeldenswaardig in Liter nr. 62 is het verhaal van Jan Sonneveld, De spiegel. Waarin de ouders van de verteller bij een vliegtuigongeluk omkomen. Het begint als volgt: ‘Op een ochtend zijn ze verdwenen.’ En na in droomtoestand het verongelukken van zijn ouders enigszins gereconstrueerd te hebben, eindigt het met de surrealistische scène: ‘Mijn ouders staan in de aankomsthal. Ik zie ze in tegenlicht. Mijn ogen knipperen. Ze omhelzen me en slaan me op de schouders. Fijn je weer te zien, jongen. Hoe was je reis?’ Waarin de wens doorklinkt het gebeurde ongedaan te maken. Liter: verrassend maatwerk dat niet alleen binnen de lijnen van het christelijk literaire gedachtengoed past.

     

    Liter
    Prijs losse nummers: 9,50
    Abonnementen: 33,-  (studenten 28,- )
    Ga naar website

     

  • Recensie door: Carolien van Welij

    Recensie door: Carolien van Welij

    In Museum de Fundatie in Zwolle is nu de tentoonstelling ‘Meer licht’ te zien. Hans den Hartog Jager, schrijver en kunstcriticus, is de samensteller van deze expositie. Tegelijkertijd publiceerde hij het essay Het sublieme, over ‘de opmerkelijke, ongemakkelijke manier waarop er in de hedendaagse kunst wordt omgegaan met schoonheid.’ Het boek en de tentoonstelling liggen in het verlengde van elkaar: ze zijn allebei een verslag van een zoektocht naar het sublieme in de hedendaagse kunst.

    Startpunt van deze zoektocht is de ervaring die Den Hartog Jager opdeed in 2004 in de Tate Modern (Londen). Daar ging hij kijken naar The weather project, het overweldigende kunstwerk van de IJslands-Deense kunstenaar Olafur Eliasson: een enorme, gele, lichtgevende bol in de imposante ruimte van de Turbine Hall. Het kunstwerk maakt van alles los bij Den Hartog Jager. Hij is diep getroffen door de schoonheid ervan. En dat brengt hem in verwarring, want schoonheid deed er al lang niet meer toe in de beeldende kunst. Als ‘kunstprofessional’ hoorde hij altijd bij het kamp van de toeschouwers die naar ideeën zoeken in een kunstwerk; nu voelt hij zich opeens verbonden met dat andere kamp: de mensen die alleen maar op zoek zijn naar esthetische bevrediging, de ‘schoonheidszoekers’.

    Den Hartog Jager weet zijn ervaring zo te beschrijven dat je als lezer het gevoel krijgt ook onder die zon te hebben gestaan. Hij beschrijft in een eigen, persoonlijke stijl niet alleen het kunstwerk zelf, maar ook de mensen om hem heen, de sfeer in de ruimte, zelfs de wandeling vanaf het metrostation. Daarnaast neemt hij je mee in zijn binnenwereld met beschrijvingen van alle gevoelens, gedachten en vragen die bij hem opkomen: ‘Was dit werk nu eigenlijk mooi of dreigend?’ [..] ‘Had Eliasson een briljant kunstwerk gemaakt of was het toch een pretparkinstallatie, overgoten met een artistieke saus?’ De schrijver heeft niet alleen aandacht voor de inhoud van zijn beschrijvingen, maar ook altijd voor de formulering. Die aandacht voor de taal – de auteur is ook romanschrijver – maakt dit boek een plezier om te lezen.

    Als een echte Montaigne gaat Den Hartog Jager in dit essay te werk: zoekend, twijfelend, en uitgaande van zijn persoonlijke ervaringen voert hij de lezer mee in zijn gedachtegang en gemoedstoestand. De beschrijving van een observatie of inzicht wordt gevolgd door een nóg preciezere formulering. En een stellige bewering wordt gevolgd door een sceptische vraag. Deze beschrijvingen van zijn persoonlijke ervaringen bij het aanschouwen van kunstwerken zijn verreweg de mooiste stukken van het boek. Hans den Hartog Jager weet al zoekende de woorden te vinden voor een fenomeen dat zo moeilijk te beschrijven is, namelijk wat kunst met je kan doen.

    De ambities van de schrijver gaan echter veel verder. In zijn zoektocht naar de rol van schoonheid in de kunst wil hij ook antwoorden en houvast bieden. In de loop van het boek volgt een min of meer chronologisch historisch overzicht van de ontwikkeling van de beeldende kunst. Op iedere bladzijde worden tientallen kunstenaars en kunstwerken genoemd en – met Google bij de hand en de illustraties achterin – word je zo langs alle interessante kunststromingen geleid in woord en beeld. Deze beschrijvingen zijn heel anders van toon: hier is de schrijver niet voorzichtig en zoekend, maar zeker van zijn zaak. Zo ontstaat er soms een stijlbreuk, bijvoorbeeld als het beschouwende gedeelte over zijn ervaring bij de zon van Eliasson wordt onderbroken door een mini-betoog over de invloed van ’11 september’ op de kunst.

    Het is jammer dat Den Hartog Jager die sceptische houding in de stijl van Montaigne op dat soort momenten niet af en toe weer oppakt. Hij gebruikt bijvoorbeeld allerlei bekende begrippen uit de kunstgeschiedenis en de esthetica op een eigen manier zonder daarvoor argumenten te geven. Het opvallendst is dat bij de begrippen ‘schoonheid’ en ‘het sublieme’. Deze gebruikt de auteur door elkaar en op dezelfde manier, zonder in te gaan op de traditie in de filosofie van de kunst waarin juist een verschil tussen die twee begrippen wordt verondersteld.

    Zodra Hans den Hartog Jager zijn persoonlijke ervaringen verlaat, verdwijnen de precieze beschrijvingen en struikelen we daarentegen over de ‘etiketten’: de romantische traditie, l’art pour l’art en avant-garde zijn termen die op bijna iedere bladzijde terugkomen. Al deze kunstopvattingen komen volgens de auteur namelijk neer op ‘de totale en onbegrensde vrijheid van de kunstenaar.’ Nu is dat natuurlijk een interessante stelling, maar het is wel verwarrend als er in de literatuur- en kunstgeschiedenis altijd een verschil wordt verondersteld tussen het idee van l’art pour l’art (kunst om de kunst) en de avant-gardistische stromingen, zoals het dadaïsme en futurisme (die juist een revolutie via de kunst voor ogen zagen).

    Het is zonde dat in dit essay de afwisseling van het concrete met het abstracte samengaat met een afwisseling van het precieze en het rommelige. De visie van Den Hartog Jager op de ontwikkeling van de kunst is daardoor niet overtuigend. Daarentegen is zijn enthousiasme over kunstwerken in het algemeen en die van zijn tentoonstelling ‘Meer licht’ aanstekelijk. De zoektocht naar het sublieme in de kunst leidt niet tot bevredigende antwoorden, maar wel naar de tentoonstelling in Museum de Fundatie.

     

    Het sublieme
    Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

    Auteur: Hans den Hartog Jager
    Verschenen bij:  Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 19,95

  • Droomtaferelen en een liefdesgeschiedenis

    Droomtaferelen en een liefdesgeschiedenis

    Alma Mathijsen schreef vier toneelstukken. Dat houdt bijna automatisch in, dat ze bedreven is in het schrijven van dialogen. In haar romandebuut Alles is Carmen staan veel dialogen, die sterk, geloofwaardig en soms absurdistisch overkomen. Dat komt niet doordat de schrijfster een absurdistische roman heeft willen schrijven, maar omdat het innerlijke en uiterlijke behang van haar hoofdpersoon Carmen, nogal ongewoon en soms absurd aandoet. Ze maakt ook gebruik van lijstjes waarin ze de voorkeur van personen optekent of waarin ze scenario’s schetst. Hoe erg zal iets worden? Een top tien! Een originele manier om het innerlijk van personen voor het voetlicht te brengen. Mathijsen heeft sowieso een associatieve eigen stijl:

    ‘Bij de Febo haal ik een kaassoufflé uit de muur. Halverwege besluit ik dat Chris dit absoluut niet mag ruiken en gooi het ding hongerig in de prullenbak. Stipt 21:10 stap ik de Wetering binnen. De muren zijn bruin en de barman is lief. Ik loop de trap op. Naast het haardvuur staat een grote stoel. Een sigaret steekt om de hoek. Ik pak een stoel en zet hem naast Chris.’

    Over Carmen komen we te weten dat haar vader stierf toen ze nog een meisje was van elf, twaalf jaar. Met haar moeder en de vreselijke tantes kan ze niet opschieten. Dat is niet verwonderlijk. Carmen is excentriek en gaat soms midden in de nacht zwemmen in een van de Amsterdamse grachten. De tantes eten zuur vlees met patat en wonen op het platteland. Een groter contrast is bijna niet mogelijk. Het zorgt ervoor dat je sterk beleeft dat Carmen er alleen voorstaat. En niet dat de hele wereld om haar draait, zoals je ook zou kunnen opmaken uit de titel. Ze heeft een vriend, die Engels spreekt, maar haar maar matig boeit. Met hem spreekt ze een mengeling van Engels en Nederlands. Wanneer ze Chris ontmoet, wordt ze waanzinnig verliefd. Haar liefde krijgt opera-achtige dimensies (Carmen?). En ze raakt er hopeloos in verdwaald, verliest zichzelf. Met Chris is alles vanzelfsprekend, met de rest van de boze buitenwereld steeds minder.

    ‘”Doorzwemmen.” Het is heel erg rustig. Hij klautert aan wal. Dan steekt hij zijn handen onder water, aan mijn oksels tilt hij me omhoog. Ik ril. Hij trekt me mijn jurk uit. “Nu drogen,” zegt hij streng. Samen liggen we op de warme steiger. Mijn rug begint langzaam weer te gloeien. Chris pakt mijn hand vast, zijn hoofd rolt naar me toe. “Ik vind je echt leuk,” zegt hij.’

    De ouders van Chris hebben een appartement in Parijs en Carmen reist naar deze stad om de familie te ontmoeten. De ouders zijn afstandelijk vriendelijk, maar vooral nietszeggend en Chris weet zich met de situatie niet zo goed raad. Hij is een nogal cerebrale, gevoelige jongen. Populair bij de meiden en jongens en achteloos in de omgang. Carmen neemt op een feest drugs in en raakt Chris halverwege kwijt. Dit is de voorbode voor wat onherroepelijk komen gaat. Ze raakt Chris ook kwijt, die dat aankondigt met de bekende zin: ‘We moeten eens praten…?’ Carmen stort in, wordt getroost door haar vrienden, en besluit wraak te nemen. Maar de wraak is half reëel, half gedroomd. Droomtaferelen spelen een niet onbelangrijke rol in deze roman. Alma Mathijsen heeft een schitterend debuut geschreven, flitsend, origineel en prachtig van taal.

     

  • Recensie door: Rein Swart 

    Recensie door: Rein Swart 

    Een lange preek waarbij de aandacht van de lezer op de proef wordt gesteld.

    Geloof en erotiek zijn geliefde onderwerpen om over te schrijven. Over de verhouding van beide is al veel gezegd. Veelal wordt het geloof daarin op de hak genomen. Zo niet in de nieuwe roman van Désanne van Brederode. De titel Stille Zaterdag verwijst meteen naar het rijke roomse verleden, toen vele dagen nog volgens de kerkelijke kalender werden benoemd. Maria lichtmis, Maria ten hemelopneming en Driekoningen zijn al gesneuveld en er gaan geluiden op om Pinksteren ook af te schaffen. Stille zaterdag was een moratorium tussen het sterven van Christus en zijn verrijzenis. Maurice, een van de twee hoofdpersonen, neemt op die dag alvast een voorschot op de bevrijding uit de dood.

    Het andere hoofdpersonage, Sara, is de echtgenote van predikant Johan. Ze is behept met een streng christelijke opvoeding en mentaal zo ijzersterk dat ze het tot burgemeester van Amsterdam brengt. Maurice is een hoofdstedelijk kunstenaar, bekend van de televisie. Sara heeft hem ingehuurd voor adviezen over kunstobjecten in het stadhuis, maar hij gaat haar steeds meer in politieke kwesties adviseren. En dan delen ze ook nog de fascinatie voor het katholieke geloof, die zo sterk is dat die zelfs tot een verwijdering met de familie heeft geleid.

    De aantrekkingskracht van het geloof brengt deze gehuwde personen gevaarlijk dicht bij elkaar. Uiteindelijk beëindigt Maurice na drie jaar de werkrelatie met Sara omdat hij niet wil dat zijn zoon Thomas hetzelfde zal meemaken wat hij als zoon van gescheiden ouders ervaren heeft.

    Het verhaal wordt terugverteld vanaf de stille zaterdag waarop Sara, in het geheel niet fit, een paasbrood gaat kopen voor het maal dat ze voor haar kinderen op tafel gaat zetten. Maurice heeft kort daarvoor zijn vrouw en zoon op het vliegtuig gezet naar Rome, voor een stedentrip in het voorjaar, en heeft geopperd dat hij een lang weekend rust gaat nemen en misschien een oude vriend zal opzoeken.

    In het begin van het verhaal wordt het boek Navolging van Bonhoeffer genoemd. Diens ideeën zouden tot interessante gesprekken tussen Maurice en Sara over de relatie tussen kunst en moraal, esthetiek en ethiek kunnen leiden, maar helaas wordt die verwachting niet ingelost. De uitwerking is zeer matig. Het blijft erg beschouwelijk en afstandelijk. Door de  schematische opzet gaan de personen niet echt leven. Het verhaal komt niet binnen. Er zijn teveel schakels, zoals bijvoorbeeld over de dood van de drugsverslaafde Marlon, een oude jeugdvriend van Thomas. Maurice heeft als vader een nogal gecompliceerde verhouding met het vriendje. Het blijft onduidelijk waar het verhaal naar toe gaat. Het kent een warrig tijdsverloop met hoofdstukken die zich afspelen op zomaar een decemberavond.

    Vaak schakelt Van Brederode over op de automatische piloot. De ene associatie brengt haar op de volgende, maar voor de lezer is het nauwelijks boeiend, zoals de gedachten van Sara aan de jeugd van haar kinderen:

    ‘Toen ze had opgehangen had ze aan het kinderdagverblijf van haar eigen kinderen gedacht. De kartonnen paddenstoelen tegen de ramen, rood met witte stippen, de slingers van kleurige vlinders tegen het plafond. Het houten speelhuisje met de glijbaan, de hoek met puzzels van maximaal tien stukken, de slofjeszakken in de vorm van dwergen, elfjes. Het keukentje met de emaillen minipannetjes op het minifornuisje, het plastic fruit, de plastic worstjes en hamburgers, de lege voorraadbussen voor koffie, suiker, meel en macaroni.’

    En dan is ze nog maar op de helft van haar opsommingen.

    ‘De stroom van herinneringen was niet opgehouden,’ constateert ze zelf. Ze gebruikt veel bijvoeglijke naamwoorden zoals in ‘de hoekige, de starre, stramme oud geworden wereld.’ Overdaad schaadt. Het is taal die niet resoneert, waarmee het verhaal helemaal dicht geplamuurd wordt.

    De gekleurde pagina’s tussen de verschillende delen kunnen niet verhelen dat het nogal bleek aandoet. Het boek doet nog het meeste denken aan een ouderwetse preek, die heen en weer waaiert, tot de lezer – murw gemaakt –  de kerkbank verlaat.

     

     

    Stille Zaterdag

    Auteur: Désanne van Brederode
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Maria Noordman

    Recensie door: Maria Noordman

    Biografie, ontstaansgeschiedenis van een schilderij, tijdsbeeld van de Terreur van de Franse Revolutie, zoektocht naar historische achtergronden en weerlegging van traditionele interpretaties: het zit allemaal in dit staaltje van literaire acrobatiek.

    Waar gaat het om? Er is een schilderij, De elf, en een schilder, François-Elie Corentin. Eerst wordt de schilder uit de doeken gedaan: geportretteerd als page door de Venetiaanse schilder Tiepolo, vervolgens van een stamboom voorzien, en van een jeugd in de beschermde omgeving van een liefdevolle moeder en grootmoeder, waarbij de vader afwezig is. Gesuggereerd wordt dat deze jongen het schildersvak leert bij Tiepolo. Feit is dat hij in de winter van 1794, in een kerk in Parijs, die door de revolutionairen in beslag is genomen, opdracht krijgt om een staatsieportret te maken van de elf leden van het Comité de salut public. Het is een geheime opdracht, en de schilder krijgt bovendien strikte aanwijzingen over opstelling en uitdrukking van de geportretteerden.

    Vervolgens komt het schilderij zelf aan de beurt, dat wil zeggen: in zijn bijkomstige aspekten, want hoe het schilderij er concreet uitziet, komt niet uit de verf. Het hangt al tijden op een prominente plaats in het Louvre, achter kogelwerend glas; het wordt besproken door de negentiende-eeuwse Franse historicus Michelet, die er een belangrijke politieke betekenis aan hecht. Want de opdrachtgevers, zelf leden van het Comité de salut public, zijn in die tijd van Terreur hun leven ook niet zeker. Bij iedere verandering van politieke wind kunnen machthebbers veranderen in vijanden, en dus in slachtoffers van de guillotine. Vandaar de opdracht voor dit dubbelzinnige portret: Robespierre moet er prominent op staan, samen met zijn twee naaste medewerkers; de anderen moeten als bijfiguren worden neergezet. Als Robespierre in ongenade valt, zullen de andere leden zeggen dat Robespierre zelf de opdrachtgever was van het schilderij, en daarmee aantonen dat hij inderdaad een tiran is, van wie ze zich moeten ontdoen. Als Robespierre zijn macht blijft behouden, is het schilderij een eerbetoon aan hem, en een bewijs van hun trouw aan de leider.

    Deze politieke achtergrond staat beschreven in de Geschiedenis van de Franse Revolutie van Michelet, evenals de beschrijving van het schilderij zelf, gesitueerd in de sacristie van de bewuste kerk waar de opdracht was verstrekt. Maar de verteller in Michon’s boek toont aan dat Michelet zich met dit laatste moet hebben vergist, of liever gezegd: zich waarschijnlijk heeft laten meeslepen door zijn verbeelding na een bezoek aan de bewuste kerk. Uiteindelijk besluit de verteller met de stelling dat de Elf de archetypische uitingen zijn van oerwezens die de macht vertegenwoordigen, zoals de grottekeningen in Lascaux dat zijn.

    Met deze weergave van ‘het verhaal’ ben je er overigens niet, bij lange na niet, want de grote kracht en het grote plezier van dit boekje liggen in de acrobatische toeren die Michon uithaalt met feiten en fictie, met interpretaties en weerleggingen. Hij jongleert met historische gegevens, tovert de ene verrassing na de andere uit zijn hoge hoed, sleept de lezer mee in een veelheid van details en historische waarschijnlijkheden, zodat deze het schilderij en de schilder voor zich ‘ziet’, zoals je bij een goochelaar ‘ziet’ dat er een dame doormidden wordt gezaagd. De aap komt pas uit de mouw in het nawoord, of in het Louvre, of op google.

    Daarnaast is er het feest van de ironie waarmee Michon zijn verteller commentaar laat leveren op mensen en gebeurtenissen, historische en niet-historische zonder onderscheid. Een verteller die de lezer bij de kraag vat, hem vóór is, met hem mee denkt, en hem ervan overtuigt dat het hier gaat om een weliswaar levendig beschreven, maar zeer gedegen historisch onderzoek.
    Een verrassend, speels en erudiet boek.

     

    De elf

    Auteur: Pierre Michon
    Vertaald door: Rokus Hofstede
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2011),
    Aantal pagina’s: 113
    Prijs: € 15,-

    Met aantekeningen en nawoord van de vertaler.

  • Het maken van morele keuzes

    Het maken van morele keuzes

    ‘Had hij maar in slaap kunnen vallen en dan wakker worden in het besef dat het gewoon een droom was geweest, een boze droom die je het best zo snel mogelijk kon vergeten. Maar hij viel niet in slaap, al begroef hij zijn gezicht nog zo diep in het kussen.’
    De dertienjarige Michiel is de hoofdpersoon in Verraad me niet, de elfde roman van Tessa de Loo. Ongewild is Michiel getuige van een gewelddadig misdrijf. Hij vlucht weg, diep geschokt over het buitensporige geweld en vol ongeloof dat zijn broer erbij betrokken is. Die avond komt zijn achttienjarige broer Wolf aan de rand van zijn bed zitten. Met dreigementen en een beroep op broederliefde dwingt hij Michiel te zwijgen over wat hij gezien heeft. Op Michiels vraag of Wolf spijt heeft van zijn gruwelijke daad kijkt deze hem verbaasd aan. ‘Spijt? Dat is weer echt iets voor jou, om aan zoiets te denken…’

    Vanaf dat moment verandert Michiels leven in een nachtmerrie. ‘Door het geheim waarmee hij ongevraagd was opgezadeld, was hij verbannen naar een ijsvlakte op een onbekende planeet, waar geen menselijk leven was.’ De lezer zit diep in het hoofd van Michiel en bij vlagen leest het boek als een lange interne monoloog. Er gaat veel om in de puber: zijn gedachten buitelen bijna over elkaar heen. Hij analyseert de veranderingen in het karakter van zijn broer, hij probeert zijn gedachten en gevoelens over zijn onmenselijke dilemma (praten of zwijgen) op een rijtje te zetten en daarnaast dringen zich filosofische vraagstukken aan hem op. Vraagstukken die eigenlijk te groot zijn voor een jongen van dertien. ‘Was het beter een waarheid te kennen die je ongelukkig maakte, dan tevreden te leven in bedrieglijke onwetendheid?’ peinst Michiel. Maar ook de vraag of een toevallige bloedverwantschap een blinde solidariteit veronderstelt, is een vraag die hem intens bezig houdt.

    Blijkbaar is Michiel de enige in het gezin die het afglijden van Wolf ziet en erkent. ‘Het laatste jaar was het eigenlijk geweest alsof hij geleidelijk een broer aan het verliezen was, besefte Michiel.’ En met het getuige zijn van zijn broers daad van geweld is dit verlies definitief. De rol van de ouders is dubieus. Wolf komt en gaat wanneer het hem goeddunkt. Controle en werkelijke interesse ontbreken. Zijn ouders hebben geen idee waar hij uithangt, wat hij uitspookt of wat hem bezig houdt. Zijn ze tolerant of onverschillig? Ik neig naar het laatste. Vader maakt zijn optreden aan het eind van het boek deels goed, maar de houding van de moeder is onbegrijpelijk, zeker jegens haar jongste zoon. ‘Van buitenaf was niet te zien dat er een landmijn lag onder het gelukkige gezin. Die mijn was door de oudste zoon gemaakt, maar de ontsteking was in handen van de jongste.’ En Michiel is zich daar pijnlijk van bewust.

    Het maken van morele keuzes is een terugkerend thema in het werk van Tessa de Loo. Er moet een moeilijk, bijna onmogelijk besluit genomen worden. En welke beslissing haar hoofdpersoon ook neemt, zijn of haar leven zal hierdoor voorgoed veranderen. Ook het moeten aanvaarden van de consequenties van daden komt vaak terug bij De Loo. In Verraad me niet neemt Wolf geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn acties. Hij noemt het in elkaar slaan van een man ‘een geintje’, terwijl Michiel zó onder zijn dilemma lijdt dat de wereld om hem heen geleidelijk zijn kleur verliest. In zijn denkproces over Wolf, leert de jonge Michiel zichzelf kennen. Hij realiseert zich dat hij ‘een grijze muis van dertien is, die het toeliet dat zijn grote broer hem de mond snoerde.’ Zijn gedachten blijven maar rondjes draaien, maar na het lezen van een tekst in zijn biologieboek over chimpansees ontdekt Michiel het bestaan van het geweten. Hij denkt na over het hebben van een besef van goed en kwaad. En hij vraagt zich af waarom dit besef bij Wolf kennelijk niet of nauwelijks is ontwikkeld. Langzaam vallen de puzzelstukjes op hun plaats en Michiel realiseert zich dat hij een beslissing moet nemen. ‘Hoe zou hij zijn broer kunnen verraden zonder hem te verraden?’ En dan komt Michiel eindelijk in actie. Hij zet met een aantal weloverwogen handelingen een reeks gebeurtenissen in gang en kan daarna alleen hopen op een goed einde. Al weet hij dat, wat de uitkomst ook wordt, het einde nooit goed kan zijn. Zijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

    Verraad me niet is een prachtig boek. Het trekt je mee in de gevoelswereld en verwarrende gedachtestromen van een jongen van dertien. Tessa de Loo schrijft overtuigend, met originele beelden en treffende vergelijkingen die passen bij de belevingswereld van een puber. Er marcheert een colonne ijslolly’s over zijn ruggengraat als hij naar zijn broer kijkt en de wervelende gedachten in zijn hoofd lijken op kwetterende parkietjes. Voor de lezer is Michiel een persoon van vlees en bloed. Je leeft met hem mee, wilt hem helpen bij de moeilijke keuzes die hij moet maken, hem troosten, voor hem doen wat zijn ouders nalaten. De verhaallijn is sterk en de maatschappelijke problemen die aan de orde gesteld worden zijn actueel. En dat maakt deze nieuwe roman van Tessa de Loo herkenbaar voor een breed en zeker ook jeugdig publiek.

     

     

     

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Adoe, Willem, hij heeft een tak, hij springt erop, hij springt eraf. Mannen die hun jeugd hebben doorgebracht in Nederlands Indië bedienen zich soms, als ze onder elkaar zijn, van een grappig taaltje dat is doorspekt met Maleise woorden en waarbij dan ook nog eens spreekwoorden en zegswijzen worden verhaspeld, het zogenaamde petjoh. Willem Nijholt springt dus van de hak op de tak in zijn brieven aan Hella Haasse maar hij doet dat op een buitengewoon onderhoudende wijze. Natuurlijk, hij heeft een kist vol met sporen die hij allemaal heeft verdiend als acteur en voordrachtskunstenaar maar nu blijkt dat hij ook een boek kan schrijven. Maar wat is het voor een boek? Is het een roman in brieven en gaan hiermee de tijden van Sara Burgerhart herleven? Is het een dagboek? Allebei niet, het is een boek zoals alleen Willem Nijholt het kan schrijven waarin hij herinneringen ophaalt aan het land waar Hella en hij hun jeugd hebben doorgebracht.

    Niet alle herinneringen zijn even mooi, ook de afgrijselijke belevenissen in het jappenkamp worden in meerdere brieven gememoreerd. Willem schrijft de narigheid van zich af, de brieven hebben misschien een therapeutisch karakter.
    Vanaf het moment dat hij toelatingsexamen doet voor de toneelschool wordt de toneelcarrière gevolgd en komt de verhouding met een aantal collega’s uitvoerig aan de orde. Er waren eeuwigdurende vriendschappen maar er was ook wel eens sprake van onverenigbaarheid van karakters, echter nooit van een echte vijandschap. Willem is niet haatdragend want zelfs wanneer Japan wordt getroffen door rampen en overstromingen gaat zijn mededogen uit naar de mensen die er ook niets aan konden doen dat hun grootvader misschien wel had behoord tot de Japanse horde die destijds Indië onder de voet had gelopen.

    Interessant is ook de discussie die ontstaat wanneer er een vriend op bezoek komt die geen enkele empathie op kan brengen voor het leed dat de Indische Nederlanders is overkomen tijdens de Japanse bezetting. Het woord Auschwitz valt als een hakbijl. Het Indische leed wordt vergeleken met het Joodse leed. De herdenking op 4 mei op de Dam wordt gekenmerkt als een samenkomst waar de slachtoffers van de Holocaust worden herdacht, en de Indische samenkomsten in Den Haag op 15 augustus zouden meer het karakter hebben van een reünie. Nu heeft Willem de grootste moeite om zijn boosheid te verbergen, hij blijft netjes en houdt zijn mond stijf dicht, maar God hoort zijn gebrom. De volgende morgen belt de vriend, die eigenlijk geen vriend meer is, Willem op met de vraag of hij nog steeds boos is. Het antwoord luidt: ‘Als praten over Jappenkamp met Joodse mensen, adoe, jij vangt bot. Nu soeda dese’.

    Steeds opnieuw komen er herinneringen naar boven en die worden dan uitvoerig opgeschreven in de brieven aan Hella. De beschrijvingen in de brieven zijn vaak poëtisch van aard, zij zijn als vallende bladeren neergedaald in een vijver, om daar langzaam te verzinken in het slik van de vergetelheid en komen soms boven drijven wanneer er een steen in de vijver wordt gegooid. Een dergelijke steen valt in de vijver als Willem in een boek leest over de onthoofding met een botte klewang van een gevangene aan de Birma spoorweg en hij herinnert zich heel goed dat zijn vader nooit wilde praten over dergelijke gebeurtenissen. Hij vertelt wel een nogal cynisch grapje dat Wim Kan ooit maakte. Hij vroeg zich af, tijdens zijn verblijf in Birma: ‘Wat zal ik vandaag eens aantrekken? Tja wat’. Ter verduidelijking, het Maleise woord tjawat betekent schaamlap en dat was zo ongeveer het enige kledingstuk dat de gevangenen aan de Birmaspoorweg droegen.

    Willem Nijholt heeft als acteur altijd getracht zijn publiek te verheffen uit de smurrie van het dagelijks bestaan en dat is hem gelukt. Zelf heeft hij zichzelf uit de smurrie van de kampherinneringen omhoog getrokken en de brieven aan Hella waren daar een belangrijk hulpmiddel bij.

     

    Met bonzend hart

    Auteur: Willem Nijholt
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,95, als E-boek: € 15,95

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Alhoewel Anton Ent (1939) al een flink aantal, bij gerenommeerde uitgevers verschenen poëziebundels op zijn naam heeft staan, trok hij de meeste aandacht met het viertal bundels dat hij liet verschijnen onder het heteroniem Marieke Jonkman, waarin hij de stem van een jonge vrouw te pakken had. De literaire pers was aangenaam verrast. Pas later onthulde hij wie achter Marieke Jonkman zat. De heren critici heetten toen op slag ‘not amused’ te zijn. Maar dat is alweer geruime tijd geleden en onlangs verscheen een nieuwe bundel van Anton Ent (pseudoniem van Henk van Ent) bij de uitgeverij Kleine Uil, getiteld Binnen de Wildroosters. Anton Ent is een grage fietser in de Veluwse bossen. Het merendeel van de verzen in deze bundel is een poëtische neerslag van zijn belevingen, zijn natuurervaringen aldaar. Het natuurgebied binnen de wildroosters is dan ook niets minder dan een ‘beeld van zijn ziel, een metafoor voor zijn innerlijk leven’ meldt de achterflap. Zijn gedichten zouden psychische processen beschrijven. Nu ja, zoiets moet kunnen natuurlijk. Zolang het maar poëzie oplevert die je voor je plezier leest en niet voor straf, om een zegswijze van Reve te lenen. En dat is hier zeker het geval!

    De zinnen in deze gedichten zijn niet ontregelend, of anderszins vernieuwend. Deze gedichten zetten in op ritme en klank. Ze zijn in hun verstaanbare eenvoud muzikaal gestemd en geen enkel vers wordt door een punt beëindigd. De beschrijvingen blijven vrij concreet. De woorden wijken naar binnen toe. Uit op zelfonderzoek. Het motto van Gerrit Achterberg: ‘Letters en takken haken in elkaar / Natuur en geest staan voor elkander klaar’ zet wat betreft de toon. Van te voren weet de dichter dat het zandpad je niet vanzelf naar ‘vervoering’ zal leiden. Wie volgen wil dient de in het openingsgedicht gestelde vragen ‘durf je versterving aan? Overschrijd je het wildrooster als een man / die opgaat in schoonheid en eenheid?’ dan ook bevestigend te beantwoorden. Want: ‘Was hij een hert, hij zou niet vluchten / bij het zien van de dode houthakker / aan de voet van de eik // Een echte man rent niet weg / onderzoekt het blad van de bijl / en gaat op zoek naar de dader’. Wie de dood wil ontvluchten heeft in dit bos dus weinig te zoeken. ‘Er moet gestorven zijn. Worden / Gisteren en vandaag. Morgen’ Niet bepaald het soort boswandelingetje dat de zinnen verzet: ‘Hoe diep hakt de bijl om de vis in het ijs te bevrijden?’

    Ofschoon er hier en daar een licht religieuze ondertoon te bespeuren valt, is hier geen opstijgende lyriek van gemaakt. Eerder worden de aardse gronden doorzocht op mogelijkheden tot vereenzelviging. In het gedicht Eenwording heet het: ‘Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht / zodat ik één word, eenvoudig en heel.’ Maar daar blijft het niet bij: ‘Ben ik dat hert? / Waar stroomt de beek? Waar / kan ik op mijn knieën slurpen?’ Het hert is het dier bij uitstek waarmee de dichter zich vereenzelvigt: ‘Hij wil knielen op het zandpad / een hert om de hals vallen / zoals Nietzsche het paard’. En in het gedicht Hert is het dier zelf aan het woord:

    ‘Ik ren met droge keel door de hitte
    van het zinderende kroondomein

    bereik de schaduw van de zoom
    waar ik van het jonge groen zal vreten

    Dat was schreeuwen en dit is genot
    Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
    van vreugde en een ander schreef totdat’

    De dichter is uit op intimiteit met de natuur in het bos (‘Deze vijver noem ik moeders oog / omdat iemand van omhoog / zwijgend in de spiegel kijkt’), die daardoor opeens niet meer voor gewoon kan doorgaan, maar doorschiet in een ‘mysterie’. En eenmaal dat mysterie ‘van de stilte voor het vallen van een speld’ ervaren, lijkt hij zich met het gemis, de dood (‘Hier liepen wij met zijn tweeën / en nu ben je dood, alleen jij’) te kunnen verstaan. Het bos lijkt voor deze post-protestantse dichter dé plek om daarvan gelouterd te worden in de bijna aards-mystieke eenwordingservaring. Maar dan bedoelt de dichter niet het tot ‘park’ gefatsoeneerde bos, ‘waar het droeve meer tot ronde vijver’ is verworden. Want juist daar, in de door mensenhand beknotte natuur dringt de dood zich het onontkoombaarst op: ‘Niet iedere seconde maar wel elke minuut / dringt hij zich aan mij op in varens / en vallende eikels, de volkomen stilte // scheurt mijn trommelvliezen in stukken / Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje / uitgeroeid door de kroon der schepping’

    Maar de dichter kan zich evengoed op sleeptouw laten nemen door zoiets alledaags als een richtingaanwijzer:

    Richtingaanwijzer

    ‘Je stapt af bij de paddenstoel en roept: hier ben ik!
    Nooit wijst het altaar omhoog of omlaag
    Altijd naar mensen planten dieren en dingen

    Wie ben jij als je hier ben ik juicht?

    Een dode hemelbestormer
    die geen psalm meer kan zingen
    een haatdragende schatgraver?

    Een zus van madeliefjes
    een broer van pasgeboren gras
    familie van het water?

    Door wie word jij gezien
    en in welke richting wijs jij?’

    In tijden waarin met het geld van gisteren even snel de dag van morgen lijkt te kunnen verdampen, is het een genoegen een dichter als Anton Ent te lezen die nog – economisch uiterst onverantwoord – stilstaat bij de natuur, en er zijn diepste ervaringen in zoekt.

    Morgenlicht

    ‘Na deze nacht zoekt hij het morgenlicht
    en ziet het pasgeboren weiland
    onder moederlijk toesprekend groen

    Het zonlicht verwondert zich over hem
    en bouwt een paleis waarin hij vorstelijk woont

    Hij betreedt het bordes, een dirigent met handen vol stilte
    rust en beweging als eenheid
    verder dan voorbij

    Uit die streken komt hij, daar heeft hij het licht
    als een spreng tussen dennennaalden
    zien opspringen en zich herkend’

    Ervaringen zijn natuurlijk niet te koop, maar wie zich onderdompelt in deze bundel kan toch even aanhaken bij wat ervan in woorden ligt gestold. Deze bundel verdient het om gelezen te worden.

    Binnen de wildroosters

    Anton Ent
    uitgeverij Kleine Uil
    Aantal pagina’s: 64
    Prijs: € 15,00

  • Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    In de vierde roman van Robbert Welagen, Porta Romana, lezen we het verhaal van de Zwitser Emilio Lastrucci. Deze tweeënvijftigjarige man lijdt aan geheugenverlies. Erger nog: hij kan zich op wat sporadische flashbacks na niets meer herinneren van zijn jeugd. Daarom besluit hij terug te gaan naar zijn geboortestad Florence. Hij bezoekt hier plaatsen en personen die hem mogelijk meer duidelijkheid kunnen geven over zijn jeugd: het huis waar hij is geboren, een vroegere vriend, zijn tante. De bezoekjes leveren echter weinig op, in plaats van het vinden van oplossingen komt hij juist voor meer raadsels te staan. Want wie is bijvoorbeeld de vrouw door wie Emilio telkens achtervolgd lijkt te worden? Heeft zij iets te maken met zijn jeugd? En de auto met Zwitserse nummerplaat, die telkens weer in zijn buurt opduikt wanneer hij door de Italiaanse stad wandelt?

    Er ligt een mysterieuze sluier over dit verhaal die niet alleen de hoofdpersoon van het boek maar ook de lezer in spanning houdt. Deze spanning zorgt ervoor dat je – bijna met ingehouden adem – verder leest. Tot op de laatste bladzijde blijft ze voelbaar. Lastrucci probeert grip te krijgen op de gebeurtenissen door de stad aandachtig in zich op te nemen: hij staat stil bij alle plaatsen en straatnamen van Florence die hij tegenkomt. Hij absorbeert deze als het ware, in de hoop dat ze hem wat houvast zullen geven zodat zijn geheugen langzaam terug zal komen. Naast geheugenverlies heeft Emilio ook erg last van angsten: zijn geheugen is immers verdwenen na een ongeval. Dit ongeval heeft zich voltrokken toen hij probeerde te vluchten omdat hij bestolen werd van zijn spaargeld. Hij is bang dat dit nog een keer gebeurt, en vraagt zich af hoe zijn belagers wisten van zijn spaargeld. Wordt Lastrucci wellicht ook in Florence door zijn belagers achterna gezeten?

    Welagen weet in Porta Romana, net zoals in zijn vorige romans weer de juiste taal te kiezen: de zinnen die hij gebruikt zijn kort, beeldend en luchtig, maar ook vol raadsels en ze ademen een mysterieuze spanning uit. De manier van schrijven doet daarom erg denken aan zijn eerdere roman Lipari, waarin hij ook poëtische zinnen gebruikt en waarbij hij eveneens gedurende het hele verhaal een luchtigheid over de tekst heen legt. De drukkende warmte die in de zomer van Emilio’s zoektocht in Florence boven de stad hangt, is eveneens bekend uit Lipari, en contrasteert op mooie wijze met de luchtigheid van de zinnen. De raadselachtigheid en het mysterieuze kennen we nog goed uit Verre vrienden. Ook hierin riep het verhaal naarmate het vorderde bij de lezer juist meer vragen dan antwoorden op. Kortom: Porta Romana is een feest van herkenning voor de fans van Welagen. De terugkerende elementen in zijn romans, namelijk de raadselachtigheid die tot op de laatste bladzijde over het verhaal blijft hangen, de luchtige, poëtische taal die hij bezigt, en ten slotte de beklemmende benauwdheid waar je als lezer door bevangen wordt, maken het ook deze keer weer tot een zeer aangename leeservaring.

    De gedetailleerde beschrijvingen van Florence moeten voor de kenners van deze stad ten slotte een leuke toevoeging zijn. Moet men dan toch een minpuntje aan deze roman noemen, dan is het dat het boek slechts 160 bladzijden telt. Veel te gauw naar je zin sla je als lezer de laatste bladzijde om, terwijl je zou willen dat het allemaal veel langer zou duren… Vol raadsels en vertwijfeld blijf je achter, waarna je uitgebreid de tijd hebt het gebeurde, en vooral het niet-gebeurde, te overdenken.

     

     

  • Geen diepgang maar wel met humor

    Geen diepgang maar wel met humor

    Wat gebeurt er als twee pubers en een moeder op het randje van de menopauze samen in een huis wonen? Inderdaad, dat kan weinig goeds opleveren. Behalve dan als Dawn French, de grand lady van de Britse komedie, met dit gegeven aan de haal gaat. Haar debuut Een klein beetje geweldig is een hilarisch portret van het gezinsleven anno 2011 waarin disfunctionaliteit tot een hogere kunstvorm lijkt te zijn verheven.

    Hoewel soms een tikkie over – de – top, gooit French hoge ogen met haar roman. Een klein beetje geweldig is extreem grappig, zonder twijfel. IJzersterk is French vooral in de uitbeelding van de personages. Stuk voor stuk zijn alle familieleden, die elk in hun eigen woorden en idioom de gebeurtenissen becommentariëren, zo gek als een deur. Leuk gek, welteverstaan. Want uiteindelijk heeft iedereen wel zijn hart op de juiste plek.

    Spil van het gezin Battle is moeder Mo, negenenveertig, en kinderpsychologe. Ze is een kei in haar vak. Haar eigen kinderen heeft ze alleen iets minder goed in bedwang. Engeltjes van kinderen heeft ze dan ook niet. Dochter Dora is zeventien en compleet gedesinteresseerd in zowat alles. Haar enige doel in het leven is om zoveel mogelijk Facebook-vrienden te verzamelen. Zoonlief Peter doet meer zijn best. Maar alles helemaal op rijtje heeft hij evenmin. Aangesproken worden wil hij alleen met Oscar, naar Oscar Wilde, zijn grote voorbeeld, die hij tot in detail imiteert. En dan is er ook nog de vader, die zoals een goede echtgenoot betaamd zich overal buiten houdt.

    Erg gezellig is het niet in huize Battle. Vooral Dora en moeder liggen constant overhoop. Elke wanhopige poging van moeder om aansluiting te vinden bij haar dochter, loopt uit op ruzie.
    French, zelf moeder geweest van een puberdochter, kan niet anders dan inspiratie hebben gehaald uit haar eigen leven. De herkenbaarheid van de beschreven situaties is groot.

    Het familieleven gaat, ondanks de vele strubbelingen, zijn gangetje. Moeder gaat naar haar werk waar ze het naar haar zin heeft ook al toont haar baas meer belangstelling voor de borsten van zijn vrouwelijke collega’s dan voor zijn werk, en transformeert de secretaresse elke dag meer in een vrouwelijke Steve Irwin. Oscar, oftewel Peter, doet weinig anders dan zijn dandy-eske voorkomen te perfectioneren. Bij dochter Dora staat het eindexamen voor de deur. Zorgen erover maken doet ze niet. Wel over haar aankomende auditie bij X-Factor en de staat van haar uitgroei.

    Dan opeens verschijnt Noël op het toneel en hell breaks loose. Oscar valt als een blok voor de Australische stagiair van zijn moeder en is er heilig van overtuigd dat de liefde wederzijds is. Noël heeft echter meer oog voor moeders. Mo, dodelijk onzeker over haar uitgezakte lijf, weet niet wat haar overkomt. Na een afspraakje in een smoezelige hotelkamer, neemt ze een rigoureus besluit. Ondertussen stort Dora haar hart uit bij de mysterieuze X-man op Facebook met wie een afspraakje snel gemaakt is.

    Een noodlottig einde lijkt onafwendbaar. Toch is het niet alleen maar kommer en kwel. Niet in de laatste plaats door toedoen van oma Pamela, die als een baken van rust de familieleden met haar eigengebakken taarten- waarvan de recepten achterin het boek staan- op probeert te beuren.

    Hoe leuk ook, het verhaal stelt weinig voor. Met diepgang hoef je niet aan te komen zetten bij French. Neemt niet weg dat ze weet ze doet. Een klein beetje geweldig is meer dan alleen lachen, gieren en brullen. De omgang tussen de leden van de familie is pijnlijk herkenbaar. En dat niet alleen. De onzekerheid van zowel moeder als dochter over hun uiterlijk, is eveneens angstaanjagend werkelijkheidsgetrouw. Want de gebeurtenissen mogen dan hilarisch en bijna bespottelijk zijn, de gevoelens van elk personage zijn wel degelijk levensecht. Ieder voor zich probeert zich krampachtig staande te houden in de sleur van alledag. Dat niemand hier echt in slaagt, maakt het des te pijnlijker. En bijna tragisch bovendien.

    Zover komt het alleen niet. De luchthartigheid en de humor blijven ten alle tijden de baas. Erg? Allesbehalve. Zware kost, waar diep en langdurig over gepeinsd moet worden, is er al genoeg. Leuke, grappige boeken verschijnen daarentegen maar zelden. En dat is nu juist Een klein beetje geweldig ten volle uit. Plus vrolijk, warm, gezellig én vermakelijk tot de laatste bladzijde.

     

     

  • Nog niet helemaal af om de wereld in te gaan

    Nog niet helemaal af om de wereld in te gaan

    Een niet bij naam genoemde jongeman bewoont met acht andere bewoners een dolfijnvormig complex van 767 appartementen. Hij heeft geen noemenswaardige dagbesteding, geen vrienden en staart veel uit het raam van zijn appartement. Zodoende ziet hij dat zijn overbuurman er een wel heel vreemd nachtleven op na houdt. Hij raakt geobsedeerd door deze nachtelijke escapades van zijn buurman en achtervolgt hem meerdere nachten – haast even behendig als de achtervolgde zelf – tot de achtervolgde hem ontglipt en hij het nakijken heeft. Zelf doet hij er nog drie jaar over het dolfijncomplex te verlaten.

    Een andere jongeman, Balthasar Tak uit het gelijknamige verhaal, gaat op reis. Enigszins onvoorbereid neemt hij een vliegtuig naar een niet nader genoemd land waarvoor hij vier keer moet overstappen. Een vliegreis van even zoveel duizenden kilometers. De reden van de reis is niet bekend. Balthasar gebruikt zijn stem zo weinig dat als hij spreekt, hij zich afvraagt of hij wel gehoord wordt. Hij wordt belaagd door sprinkhanen, en ziet ze overal, ook waar ze niet zijn. Ze prikken op zijn huid als de vermeende ogen in zijn rug. Als hij uiteindelijk zijn bestemming bereikt (er blijkt toch een doel te zijn), een hotel in een toeristenoord, begint hij zich langzaam te conformeren tot een insect, totdat het lot ingrijpt en het verhaal een totaal onverwacht einde bereikt.

    De jongeman Paul, in Luchtkasteel is een nogal met zichzelf ingenomen neuspeuteraar, daarbij een slecht gastheer, ooit kampioen kogelstoten en doet er alles aan zich ongeliefd te maken. De mensen om hem heen gebruikt hij puur voor eigen doeleinden. Hij lokt zijn (verwaarloosde) hartsvriendin Ronja naar Parijs waar hij woont en bouwt daar een ‘luchtkasteel’ waarin hij haar ertoe verleiden wil met hem naar het platteland te vertrekken en een gezin te stichten. Maar daar denkt zij duidelijk anders over. Het verhaal kent een vermakelijk en hilarisch einde.

    In het laatste verhaal Kraaien in de schoorsteen, gaat een jongeman op weekendbezoek bij zijn moeder die in een afgelegen bos woont. Zijn moeder is een eenzame, wat bevreemdende vrouw evenals de zoon. Het hele verhaal staat in het teken van de (schijnbaar) dode kat Antoon, waar hij vanaf zijn kinderjaren mee opgroeide en die meer voor hem betekende dan enige vriendschap met wie dan ook.

    De verhalen in Nestvlieders intrigeren, werken verrassend maar vooral bevreemdend. In twee korte verhalen en twee novellen, leven de hoofdpersonages buiten de werkelijkheid en beschikken over nogal wat onaangename trekjes zoals in Balthasar Tak. Een contactvrezende jongeman heeft doorlopend keelontsteking en diarree. Kwalen die hij heeft ontwikkeld door slecht ‘onderhoud’ op zichzelf te plegen. Zo droogt Balthasar zich na een bad nooit af. ‘En als hij dan direct een T-shirt over zijn hoofd zou aantrekken en het daarna weer uittrok en in de lucht zou houden, dan zou hij menen dat het shirt eerst moest drogen.’ Dit klinkt onzinnig en levert verlies van het geschetste karakter op. Maar hij gaat nog verder: dat T-shirt houdt hij dus aan, vochtig en wel. En daarom groeien er schimmels en puisten op zijn rug die eruit zien als kraters op een landkaart. Hij heeft last van roos, zijn haar stinkt naar een nest bedorven eieren en na een hele pagina onwelriekende beschrijvingen komen we onderaan terecht bij de onderbroek die eens in de twee weken verschoond wordt. In die onderbroek is het helemaal een zootje: ‘(…) dan zien we vlak onder de eikel een gele halo.’ De afstand tussen lezer en personage is daarmee beslecht en zal zich amper weer herstellen.

    De stijl van Merijn de Boer doet soms denken aan de oubollige en surrealistische vertelstijl van Biesheuvel. Het verhaal Balthasar Tak vertoont een gelijkenis in sfeer met Een overtollig mens van deze auteur. Een kort verhaal waarin Johan Knipperling aan zijn (nimmer voltooide) proefschrift werkt. Het grote verschil echter is, dat Knipperling vanaf de eerste bladzijde een gezicht heeft en sympathie wekt, in al zijn onaangepastheid. Balthasar blijft daarentegen op afstand en wekt eerder antipathie op door de vele gedetailleerde beschrijvingen.

    In een van de eerdere verhalen van De Boer Uit liefde voor Vestdijk (jammer genoeg niet opgenomen in deze bundel) heeft de hoofdpersoon een onbedwingbare tic. Wanneer hij nerveus is, krabt hij zich obsessief aan zijn linkeroorlelletje waardoor het knalrood wordt. In een passage waarin hij geconfronteerd wordt met een, door hem teleurgestelde vrouw, hangt hij passief onderuit in zijn stoel en begint prompt aan beide oorlelletjes te krabben. Als een onmondig kind hangt hij onderuit gezakt in die stoel met zijn handen aan beide oren. De vrouw kijkt hem aan alsof hij gek is. Een werkelijk gênant moment in zijn leven maar voor de lezer zo ‘getimed’ verteld dat het hilarisch en zeker op de lachspieren werkt.

    Dat ontbreekt in de verhalen in Nestvlieders, momenten van hilariteit die tot humor leidt en de enkel poging daartoe mislukt. De personages blijven in abstracte karakterschetsen hangen en komen niet tot leven. Storend is dat er geregeld vooruit gelopen wordt op de gebeurtenissen. Alsof de lezer eraan herinnerd moet worden dat er ‘ergens’ nog een potje op het vuur staat. Waar dan overigens niets mee gebeurt. Zoals in het verhaal Kraaien in de schoorsteen (waar letterlijk een potje op het vuur staat). De zoon klimt op het dak om de schoorsteen te onderzoeken. Kort daarvoor heeft hij een pannetje met linzen opgezet. De volgende gedachte: ‘De linzen die aan het droog koken zijn schieten hem niet door het hoofd’, zijn duidelijk bedoelt om de lezer erbij te houden maar werken averechts en mislukt in hilariteit. Het ontkennen van een gedachte, omdat de lezer zich dat zou kunnen afvragen en dat in het verhaal gebruiken (als om de lezer tegemoet te komen) getuigt van teveel mededogen met de lezer en maakt het verhaal week. Zinnen als: ‘Naast de deur lag opgerold het luchtbed, met uitgeblazen longen te wachten op de volgende gast’, werken storend; want te bedacht.

    In Luchtkasteel is de verteller een vrouw maar omdat haar denk- en observatie wijze uit hetzelfde vaatje getapt wordt als waar de mannelijke vertellers uit de andere verhalen uit putten, lukt het niet dit personage als vrouw te beleven. En nog meer dan in Balthasar Tak is Paul een onaangepast figuur met etterende puisten over heel zijn gezicht waaruit hij de pus met zijn tong likt wanneer deze zich in de beurt van zijn mond bevinden terwijl hij met zijn beoogde levensgezellin de ontbijttafel deelt. De Boer heeft zich met zichtbaar genoegen laten gaan in dit soort beschrijvingen. En dat is jammer want de verhalen hebben iets bijzonders, zijn tegen het surrealistische aan, maar dat alles ligt bedolven onder een vloedgolf aan details. Ondanks dat de fantasie van Merijn de Boer groots is en hij weet hoe hij een verhaal moet vertellen, is alles in Nestvlieders iets te dik aangezet.

    ‘Nestvlieders verlaten terstond na het uitkomen het nest en kunnen gedeeltelijk voor zichzelf zorgen.’ Zo ook de verhalen van De Boer; als echte nestvlieders kunnen ze behoorlijk op zichzelf staan, maar zijn nog niet helemaal af om zelfstandig de wereld in te gaan.

     

     

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘Alles in de wereld is mooi, als je er op een goede manier naar kijkt …’ zegt de herder Gaietà tegen de jonge Mila, die haar man Matias is gevolgd naar een eenzame woning in de bergen.

    Het is de bedoeling, dat Matias en Mila pelgrims ontvangen, die de kapel van de heilige Sint-Pons willen bezoeken. Vanaf de eerste wandeling aan het begin van de roman, naar de ‘kluis’, zoals hun woning genoemd wordt, lees je de eenzaamheid tussen de regels door. Matias is niet open en eerlijk. Als Mila vraagt, of hun toekomstige taak wel past bij jonge mensen zoals zij, bagatelliseert hij haar vraag door het werk als ieder ander werk te noemen. Als Mila vraagt, of ze nog ver moeten lopen, geeft hij haar voortdurend onjuiste informatie.

    Wanneer ze bij de woning komen, ontmoeten ze de herder Gaietà. In hem leert zij een echte vriend kennen.

    Mila is teleurgesteld: de woning is verwaarloosd en vervallen, Matias een saaie, onberekenbare, leugenachtige man. Matias verveelt zich mateloos in de woning en de kapel. Ook de inkomsten vallen tegen. Eerst gaat hij bedelen, later gaat hij gokken. Mila maakt voortvarend het huis en de kapel helemaal schoon. De herder ziet het met vreugde, maar waarschuwt haar, dat als ze te snel klaar is, ook bij haar de verveling zal toeslaan. Door het gokken van haar man, de toenemende schulden en zijn gevaarlijke vriendschap met een duister figuur, voelt Mila zich steeds meer alleen. Ze wordt depressief, verliest haar blijheid en vitaliteit. Dan neemt de herder haar en de achtjarige Baldiret, die eigenlijk op de boerderij beneden woont, mee de bergen in voor lange wandelingen en prachtige vergezichten.

    Onderweg vertelt de herder verhalen aan Mila en aan de kleine jongen, die hen steeds vergezelt. Beiden genieten enorm van de vertellingen, de wandelingen en de avonden bij het haardvuur. De mooie verhalen, waarin veel symboliek verborgen zit, doen haar goed, evenals de wijsheid van de herder.

    Matias blijft veel vaker beneden in het dorp om te gokken.

    Aanvankelijk zijn de mensen in het dorp wel te spreken over de opgewekte en energieke Mila en bewonderen ze haar werklust. Maar de dreiging komt langzaamaan van verschillende kanten: de mensen kijken van haar weg als ze in het dorp komt, of klagen over hun schulden; op de boerderij, waar de kleine jongen vandaan komt, is ze ineens niet meer welkom en ook de natuur laat haar in de steek. Door regen en snijdende kou is het in de woning nauwelijks meer uit te houden, met potten en pannen moet ze in de woning het regenwater opvangen. De jongen mag niet meer bij haar komen.

    Mila realiseert zich, hoe tegenstrijdig de mensen om haar heen zijn: haar man is jong, maar gedraagt zich als een oude man. De herder is veel ouder dan zij dacht, maar leek in zijn doen en laten jonger. Zij heeft het gevoel dat de tegenstrijdigheid haar hele leven vergalt en voelt doffe wanhoop. Ze vraagt zich af, waarom ze niet een stap de afgrond in zou zetten…

    Op een dag wordt de herder dood gevonden, eerst wordt gedacht aan een ongeluk, maar later blijkt dat zijn geldbuidel verdwenen is en men kijkt naar Mila, mede omdat ineens al hun schulden betaald zijn. Mila is verstandig en neemt een beslissing. Als ze dan toch eenzaam is, kan ze er maar beter voor kiezen haar leven verder zèlf te bestemmen.

    Eigenlijk eindigt de roman, die honderd jaar geleden geschreven is, hoopgevend. De hoofdpersoon gaat niet ten onder, maar neemt tenslotte het heft in eigen handen. Honderd jaar geleden geschreven? Als je de verschillende personen, hun doen en laten en de domme reacties van de dorpsbewoners ziet, zou je dat niet zeggen.

    Het is een boeiende roman met goede karakterbeschrijvingen, fraaie sfeerbeelden. Een mooi portret van een landschap, van een tijdperk met bepaalde religieuze gewoontes en de ontwikkeling van een jonge vrouw.

    Dit boek is geschreven door de Spaanse schrijfster Catarina Albert (1869 -1966), die voor een mannelijk pseudoniem, Vìctor Català, koos nadat een theaterstuk, dat zij geschreven had veel commotie had veroorzaakt.

    Eenzaamheid
    Auteur: Víctor Català
    Vertaald door: Elly Bovée
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap (aug. 2011)
    Aantal pagina’s: 336
    Prijs: € 17,90