Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • De illusie van vruchten

    De illusie van vruchten

    Recensie door Sheila van Rheenen

    Een pikzwart boekomslag zonder afbeeldingen en de titel in dik gedrukte witte letters. Alsof het de openingstitel van een film op een bioscoopscherm betreft, zo dwingend werkt de kaft van Harry Vaandragers romandebuut Aan barrels. Bij het lezen van het eerste  hoofdstuk Nee wordt bijna een soundtrack met harde punkrock hoorbaar:

    ‘Nee. Nee. Nee nee nee. Het is nee, en het blijft nee. Nee. Dui-
    delijk? Niet anders dan nee. Voor altijd nee. Drie letters. N.E.E.
    Nee nee nee. Het is nee. Nee nee neeeee. Alleen nee. Nee, nog
    niet duidelijk?
    (…)’

    En zo gaat het nog acht regels door.

    De volgende acht hoofdstukken bevatten elk een monoloog. Vier mannen en vrouwen komen daarin aan het woord en piketteren zo de omtrek van een verhaal.
    Een zekere Marc zit vanwege internationale vrouwenhandel een lange straf uit. Terwijl hij met drie andere zware criminelen (‘Vrienden zijn we geloof ik niet. We zijn vennoten.’) plannen maakt voor een uitbraak, besluiten ze als tijdverdrijf het woordenboek te zuiveren van ‘alle woorden met twee linkerbenen. Mietjeswoorden. Parfumwoorden. Woorden als verzopen vissen.’
    Voor hun vluchtplannen denken ze te kunnen rekenen op de hulp van de vrouwen in hun leven. Uiteindelijk verbreken die, ieder op hun eigen manier, het contact met de mannen.

    Door de gekozen vorm blijven concrete ontmoetingen tussen de personen voor de lezer onzichtbaar. Hiermee benadrukt Vaandrager het isolement van deze eenlingen, opgesloten in hun denkwereld, ieder in de afzondering van hun eigen hoofdstuk. De monologen zijn vaak radicaal grof en weerzinwekkend, maar toch ook wonderlijk magnetiserend. Mooi is het hoofdstuk Moeder waarin een dementerende actrice uithaalt naar de tijd:
    ‘Mijn edelgeboren zoon lust je rauw. Hoe sluw je ook bent, Marc is sluwer. Ik hoef hem niet te souffleren. Hij zal het droggruis van achter je huig zuigen. De waanzinnen uit je ogen slaan.
    (…) Hij zal je doden Slachter. Geloof me. Dag Slachter. Dag.’

    Vaandrager gaf zijn boek op het binnenblad als ondertitel ’n Braakbal.
    Dat woord geeft de werking van zijn proza goed weer. Bijna instinctmatig scheiden de personages hun meest geheime, meest verwerpelijke gedachten af alsof het lichaamsvreemde materie is die moet worden opgegeven. Aan de lezer de taak om uit die braakbal van testimonia een gaaf verhaal te pluizen. Maar misschien moet die dat niet willen. Wellicht is het niet per ongeluk dat de plot van Aan barrels niet voldragen wordt.
    Met ‘braak’ bedoelt Vaandrager namelijk evengoed: onbezaaid, onbevrucht.
    ‘Misschien moeten we die droogdoos taal nog eens volspuiten met nieuw zaad’ suggereert één van de personages.
    Afbreken of braakliggen? Het is de kernvraag van Vaandragers personages die in hun existentiële vacuüm voortdurend schommelen tussen destructiviteit en fatalisme. Aan barrels begint met een gedicht uit Cascando, een hoorspel  van Samuel Beckett. Het blijkt het dwingend motief waarop Vaandrager zijn variaties schreef:

    ‘why not merely the despaired of
    occasion of
    wordshed
    […]
    is it not better abort than be barren
    […]’

    Ook in meer letterlijke zin zijn levensvatbaarheid en vruchtbaarheid terugkerende motieven in Aan barrels. Mannen en vrouwen zijn gesteriliseerd, onvruchtbaar, impotent of frigide. Er zijn buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en in de laatste monoloog sterft iemand ongeboren. Het enige personage dat op dit gebied niks mankeert, schept op over seks met meisjes die te jong zijn voor een eisprong. Vrolijk makend is het allemaal niet en soms vliegt Vaandrager echt uit de bocht. Dan is zijn taal niet langer functioneel bloot maar stompzinnig plat:

    ‘De vrouwenhandel verderfelijk? Flikker op. Nichtenpraat. Vrouwenhandel is oké. Voor mij zeker. Altijd poen. Altijd sex drugs en rock ’n roll. En vooral spanning. Kan niet zonder. Wil niet zonder. Neukeleuk toch?’

    Al is hier een zware crimineel aan het woord, geloofwaardig is zijn stem niet. Is dit dezelfde man die op zijn gevangenisbed de Dikke van Dale uitbeent? Daartegenover staan lyrisch zeer sterke passages die niet zouden misstaan in een klassiek drama. Prachtig is de monoloog van een vrouw over Andreas, haar afdrijvende vrucht: ‘Mijn vrucht is een mes. Een scherp glimmend mes. Gewet in mijn sappen. Ik voel het. Diep binnenin. Kan niet bewegen. Mijn lijf, mijn lemmetkind. (…)’

    Niemand wordt geboren bij Vaandrager, want bestaan is al erg genoeg. Dat gegeven van de vruchteloze bevruchting wordt in zijn handen een woedende demonstratie die  honderdzevenenzeventig bladzijden duurt. Met zichtbaar genoegen beukt hij de taal aan flarden om te bewijzen dat de vrucht van zijn daad niets anders kan zijn dan een windei, een ‘tjokvol niets’.

    Hoe zou Aan barrels het als toneeltekst doen? De vergelijking met het werk van Heiner Müller dringt zich op, hoewel die met zijn zelfverklaarde ‘constructief defaitisme’ anders dan Vaandrager, een evenwicht vond tussen het radicalisme van zijn teksten en de dramatische context waarin hij ze plaatste.

    ‘Wie heeft de beste tanden
    Het bloed of het steen’, vraagt een ik aan het eind van Müllers Landschap met Argonauten.

    In Aan barrels lijkt die vraag de enige leidraad voor de mannen en vrouwen op weg naar hun eigen onverteerbare, onvermijdelijke niets.

     

     

  • Kinderliefde voor een meneer

    Kinderliefde voor een meneer

    Ted van Lieshout is een veelbekroond illustrator en schrijver van kinderboeken. Onlangs nog werd Driedelig paard bekroond met de Woutertje Pieterseprijs. Mijn meneer is zijn eerste roman voor volwassenen. Waar gebeurd, met een elfjarige hoofdpersoon die Ted heet en een meneer die seksuele gevoelens voor hem koestert. Het is even slikken, in deze tijd van handtastelijke pastoors, crèchemedewerkers en zwemleraren. Als het zedenalarm afgaat, zwijgt de literatuur. Of toch niet?

    Van Lieshout goot het boek in de vorm van een reeks brieven van de hoofdpersoon aan Maria (achternaam: Volvangenade). Daarmee creëert hij de nodige afstand tot zijn ik-van-toen en dwingt tegelijk de lezer om het verhaal te beleven vanuit het perspectief van de jonge Ted. Diens onschuldige blik en onbevangenheid voorkomen een al te makkelijk oordeel. Tweede wapen in de strijd is een kristalheldere directe stijl. De brieven van kleine Ted aan Maria staan bol van ijverig redeneerwerk: slim jongetje probeert aandoenlijk hardnekkig de ontredderende werkelijkheid binnen zijn denkraam te passen en de barsten in zijn wereldbeeld te dichten. Ted is een jongen zoals er meer te vinden zijn in de literatuur (van Jaapje en Kees de Jongen tot Anton Wachter): goede rapportcijfers, braaf, gevoelig, en liever alleen met tv of tekenpapier dan samen voetballen met andere jongens. Teds vader is overleden en zijn moeder is meer bezig met blonderen, bridge en de huurder van de voormalige echtelijke slaapkamer, dan met haar zoon. Die voelt zich onbegrepen in zijn fascinatie voor kunst, tekenen en kleien, en in zijn kinderlijke theologische bespiegelingen.

    Half zo erg
    Met een Mariabeeld in een kapelletje langs de weg voert Ted gespreken over zaken die hem kwellen: of zijn vader hem altijd kan zien vanaf zijn wolk (ook als hij binnen is), of hij het wel goed doet allemaal, wat moeder toch doet met haar bridgepartner met rode sokken (of is het toch de huurder?) en over alles wat hem overkomt met meneer. Die blijkt een gentleman-pedofiel: fris gewassen en chique gekleed bewoont hij met zijn meestal afwezige vrouw een villa, en verdient zijn geld als reclametekenaar. Hij wordt verliefd op Ted. Die komt hem tegen bij het kapelletje en als hij op zaterdagen de bakker helpt bij het bezorgen van brood. Stapsgewijs weet ‘meneer’ de jongen bij hem op bezoek te krijgen aan zich te laten wennen. Ze spelen met zijn modeltrein, bouwen aan een legokasteel, praten over geloof, vriendschap en liefde, en slaan aan het tekenen. Dat tekenen wordt al snel wederzijds portretteren ‘naar het naakt model’, en vanaf dat punt begint een reeks seksuele verkenningen waarbij ‘meneer’ stukje bij beetje Teds grenzen verlegt. Eén van de elementen in dat manipulatieproces is het douchen. Wat Ted ‘vies’ vindt – piemel aanraken, bijvoorbeeld – kan moeilijk vies zijn als het lichaamsdeel in kwestie net met veel zeep is gewassen. De klassieke oudheid (Ganymedes) en religie worden erbij gesleept om reflexmatige afwijzing om te buigen in twijfel en aanvaarding. Bijvoorbeeld zo:

    ‘Toen ik de garage binnen kwam trok meneer mij bijna meteen op de divan en begon kusjes in mijn nek te geven. Het liefst had ik er helemaal niets over gezegd, maar ik weet niet wat u ervan vindt, Maria. Daarom zei ik, toen hij zijn hand onder mijn hemd stak om te aaien: “het mag eigenlijk niet.” “Als je elkaar lief vindt mag alles,” zei meneer.

    “Volgens mij is het verboden.”
    “Van wie mag het niet? Van jou niet?”
    “Van niemand,” zei ik. “In ieder geval mag het niet van God.”
    “Onze god of andere goden?”
    Dat vond ik een vreselijk rare vraag.’

    Daarna vertelt ‘meneer’ uitgebreid over Mohammed en zijn 7-jaar oude bruidje Aisha. Ted is daar maar ten dele mee geholpen: ‘Ziet u wel, Maria? Als ik een meisje was geweest, was het maar half zo erg.’

    De verwikkelingen leiden bij Ted tot verwarring, maar ook tot trots – dat iemand hem zo belangrijk vindt. Eindelijk iemand die hem lief vindt, van hem houdt, en hem serieus neemt in zijn artistieke aspiraties en kinderlijke gedachtekronkels. Maar uiteindelijk wordt het Ted teveel. Hij ziet dat ook een klasgenootje bij meneer naar zijn modeltrein komt kijken. Er gaan geruchten over het lijk van een jongen in het bos, en een kinderlokker die dat gedaan zou hebben. En meneer gaat te ver door zich op Ted af te trekken. Die wordt daar heel boos over: ‘Echte vrienden doen zulke dingen niet. […] Dit had niets te maken met elkaar lief vinden, dit was gewoon ontzettend smerig gedoe.’ Ted gaat nog één keer terug naar meneer om te melden dat het nieuwe schooljaar begint en dat hij geen tijd meer heeft om langs te komen. En dat is het dan.

    Als liefde
    Wat in Mijn meneer zo helder wordt beschreven – een pedofiele relatie van één zomer lang – laat de lezer in verwarring achter. Hoe ging dat verder met die jongen, en met die man? Was het ineens voorbij, of was er een pijnlijke nasleep? Duidelijk wordt dat de ontvankelijkheid van Ted voor ‘meneer’ schuilt in dat wat hij mist bij zijn moeder, vrienden en familie: aandacht, begrip en bewondering. Duidelijk is dat ‘meneer’ geen vieze kinderlokker is, maar ook dat zelfs de pedante Ted geen verweer heeft tegen zijn manipulatietechnieken. En Maria laat het ook lelijk afweten als hij haar om een teken vraagt… Onduidelijk blijft wat de seksuele kant voor zielenknopen oplevert. Los van vragen naar de werkelijkheid achter het boek is er de vraag of de roman ‘als roman’ wel gediend is met dit abrupte einde. In een nawoord – waarin hij pedofiele relaties afwijst, overigens – licht Van Lieshout zijn auteurskeuze toe: ‘Het was een moeilijke beslissing om het verhaal te laten eindigen bij het afscheid. Ik heb dat gedaan omdat ik het zuiver wilde houden.’  Die zuiverheid, moet je concluderen, is geforceerd door een streep te trekken op een punt waarop de illusie van zuiverheid nog niet verstoord wordt. En er is wél een nawoord nodig om die keuze op buitenliteraire gronden te verantwoorden. Van Lieshout geeft twee redenen waarom hij  het zuiver wilde houden: ‘Het zou te makkelijk zijn om ongeluk dat ik later in mijn leven heb meegemaakt te wijten aan meneer; dan zou ik kiezen voor het lot van slachtoffer, en daar voel ik niets voor.’ En tot slot… ‘ik zag het zelf – ook al was dat misschien een misvatting van mij – als liefde.’ Het zou een goede ondertitel zijn voor dit bijzondere boek: verslag van een misvatting.

     

  • ‘Ik wist nog van niks’

    ‘Ik wist nog van niks’

    Iedereen weet wat het is om een geheim bij je te dragen. Omdat je iemand beloofd hebt het niet te verklappen, of dat je iets hebt gedaan wat niet mocht, of omdat je je ergens voor schaamt. Kinderschrik gaat over het geheim dat het personage Justus met zich meedraagt sinds zijn kinderjaren. Het geheim an sich staat in dit verhaal niet centraal, maar de invloed van dit geheim op de volwassen Justus en op zijn naaste geliefden die er niet van afweten.

    Dat de spanning in het verhaal niet wordt opgebouwd rondom de onthulling van het geheim, blijkt al uit de flaptekst die uitgeverij Contact heeft geschreven; de anticlimax is groot als je voorafgaand aan het lezen al te weten bent gekomen dat het hoofdpersonage Justus op zijn verjaardag wordt herinnerd aan iets vreselijks dat hij als kind heeft ondergaan toen hij op een middag moest nablijven bij ‘frater S’. Ook de kaft is veelzeggend: de zwarte contouren van een jongetje die de onderdanige houding heeft aangenomen van een kind dat opkijkt naar een volwassene.

    Afgaand op de uitgave en vormgeving van het boekje wordt dit verhaal, al voor het gelezen te hebben, geframed binnen de huidige commotie rondom kindermisbruik. Op deze manier kan het boekje gelezen worden als een onderdeel van de geschiedenissen die de afgelopen twee jaar zijn ontdekt rondom kindermisbruik dat zich heeft afgespeeld binnen de katholieke kerk. Het is een autobiografisch, fictief verhaal dat een stem geeft aan de vele kinderen die misbruikt zijn op katholieke internaten gedurende de jaren zestig.

    Kinderschrik is het zevende deel in de serie ‘kleine boekjes’. Deze serie stelt tot doel om in weinig tekst grote ideeën te bespreken. Er is zelfs een website ingericht (http://www.kleineboekjes.nl) om nog meer te weten te komen over de context waarin het boekje geplaatst kan worden. Op deze website zijn onder andere korte stukjes te lezen over het onthullen van geheimen en is een documentaire te bekijken over de ‘Jongens van Don Rua’. Auteur Josef Willems is één van deze jongens en hij spreekt in de documentaire openhartig over zijn herinneringen aan het internaat. Willems en de andere mannen die aan het woord komen spreken niet alleen over het verleden, maar ook over de associaties in het heden die worden opgeroepen door dit verleden.

    Tot dusver de context. Betekent dit dat Kinderschrik gelezen moet worden als pure autobiografie? Dat is een gevaarlijke en irrelevante vraag. Het gaat erom dat je het boekje begint te lezen met deze context in je achterhoofd. Juist doordat je weet wat er komen gaat, leef je sterker mee met het hoofdpersonage Justus in diens opgeschreven biecht waarin hij zijn geheim onthult aan zijn naaste vrienden en familie.

    Kinderschrik is opmerkelijk opgezet. Een dun boekje dat ondanks het geringe aantal pagina’s – in slechts 45 minuten heb je het verhaal van A tot Z gelezen – is opgedeeld in een tweeluik. Het eerste deel is geschreven door schrijfster Vonne van der Meer. Haar ik-figuur is een goede vriend van Justus en zit in het complot om hem te verrassen op zijn verjaardag. Ze beschrijft nauwkeurig haar twijfels over de organisatie van het feest en haar gedachten worden je als lezer aangeboden als een stream-of-consciousness. Het gaat om een beschrijving achteraf, zoals blijkt uit zinnen als ‘maar zover was het nog niet, ik wist nog van niks’. Als het feest eenmaal op gang is en de tijd is aangebroken voor de verrassing, reageert Justus in de ogen van de ik-figuur nogal merkwaardig, onverwachts en vooral onverklaarbaar.

    Het eerste deel van de tweeluik probeert te eindigen in een cliffhanger; de lezer zou achter moeten blijven met dezelfde vragen als de ik-figuur wanneer het tweede deel begint. Er is echter niet echt sprake van een spanningsboog, doordat je als lezer door de context en de flaptekst al precies weet wat er zich heeft afgespeeld in de jeugd van Justus. Hierdoor kan je als lezer alle vragen al beantwoorden voordat je het verhaal van Justus zelf hebt gelezen. Een jammer gevolg van de keuze van de uitgever om het boek op deze manier te presenteren. Desalniettemin leest ook dit tweede deel waarin Justus vanuit zijn perspectief de gebeurtenissen op zijn verjaardagsfeest beschrijft, weg als een trein. Justus’ gedachten en associaties in het heden met vroeger zijn met een vlotte pen opgeschreven.

    Toch doet de schrijfstijl van het boekje helaas een beetje clichématig aan. Het gevoel dat het verjaardagsfeest bij Justus opgewekt wordt, wordt beschreven in termen als ‘vijand’, ‘afstandelijk’, en ‘prooi die wordt aangevallen’. Toegegeven, deze woorden beschrijven het beklemmende gevoel van Justus het best, maar als lezer wordt je weinig geprikkeld door het ontbreken van een ‘eigen’ schrijfstijl. Misschien is dit het probleem van dunne boekjes: een schrijver krijgt de opdracht met weinig woorden veel te schrijven, waardoor het lastig is echt de diepte in te gaan. Al met al is Kinderschrik een aardig boekje, met name door de opzet en vanwege de actualiteit van het onderwerp.

     

  • Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Uitgeverij Wereldbibliotheek heeft Il Disprezzo (1954) van Alberto Moravia opnieuw uitgegeven in een voortreffelijke vertaling van Marieke van Laake. De roman was al eens eerder in het Nederlands vertaald als Het spoor der herinnering. Een vreemde titel die op het eerste gezicht geen lading dekt.

    Moravia ontvouwt er een verhaal van groeiend groot verdriet dat mensen gevangen houdt die niet meer van elkaar houden of, beter omschreven wellicht, waarbij de ene niet meer van de andere houdt om niet meteen duidelijke redenen.

    Het boek verscheen in 1954, even na de ondermeer geestelijke ontreddering die de Tweede Wereldoorlog met zich had meegebracht en die we meestal als existentialisme omschrijven wat dat (nu) ook nog mag betekenen.

    Alberto Moravia (1907-1990) schrijft schitterend en laat zijn personages een duiksprong maken in de poel van het menselijke streven, het geestelijke verlangen, het lichamelijke begeren.

    Riccardo Molteni houdt van Emilia en huwt haar. Hij droomt ervan een beroemd theaterauteur te worden. Voorlopig houdt hij zich financieel in stand door het schrijven van filmscenario’s voor filmproducent Battista die vrij attentievol is ten aanzien van Emilia. Riccardo is een en al bezorgdheid en wil nog wel even zijn grote droom opzij schuiven opdat Emilia zich goed zou voelen. Maar zij verwijdert zich blijkbaar steeds duidelijker van hem. Wanneer zij besluit niet meer in dezelfde kamer met hem te slapen, start zijn radeloos piekeren pas echt omtrent wat gebeurd zou kunnen zijn, om wat hij ongewild verkeerd  heeft gedaan. Er komt geen antwoord, tot zij uiteindelijk bekent dat zij hem minacht zonder weliswaar te preciseren waarom. Heel even denkt hij dat alles is orde komt als beiden op het eiland Capri in de villa van Battista hun intrek kunnen nemen. Het is de bedoeling dat hij er zich met zijn collega Rheingold zou terugtrekken om het scenario voor een film over de Odyssee te bedenken en te schrijven.

    Battista , Rheingold en Riccardo huldigen elk een verschillende visie omtrent de lange zwerftocht die Odysseus onderneemt vooraleer hij naar zijn vrouw Penelope terugkeert. De discussies daaromtrent zijn een belangrijk onderdeel van de subtiele en suggestieve manier waarop Moravia de relatie tussen Riccardo en Emilia onderbouwt en er een mythologische dimensie aan geeft. Drie benaderingen van een mythe reveleren drie karakters en drie levenshoudingen. De meest poëtische is tevens de meest schrijnende.

    Op enkele vreemde plotwendingen na aan het einde van het verhaal, is dit een krachtige en serene roman die bijwijlen fel beroert.

    Jean-Luc Godard heeft het boek in 1963 verfilmd als Le Mépris met Brigitte Bardot en Michel Piccoli in de hoofdrollen.

     

     

  • Gemiste doelen

    Gemiste doelen

    Een boek vol leugens is de debuutroman van Mary Horlock en speelt zich af op het Engelse kanaaleiland Guernsey, gelegen voor de Franse kust. Horlock, geboren in Australië, groeide op op Guernsey en studeerde in Cambridge waarna ze curator werd bij de Tate Modern in Londen.

    ‘Ik heet Catherine Rozier. Noem me alsjeblieft niet Cathy, want dan spring ik. Denk maar niet dat ik bluf. Het is een val van duizend meter en ik ben wel dik, maar niet dik genoeg om terug te stuiteren.’
    Met deze eerste regels wordt de hoofdpersoon geïntroduceerd. Het is 1985 en de vijftienjarige verteller, Catherine Rozier staat nogal defensief in het leven. Een geheim in haar familie, haar overgewicht en dat ze niet geliefd is onder haar leeftijdgenoten, spelen haar parten. Op het eiland leven wel meer geheimen. Verdrongen herinneringen aan de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog zit de gemeenschap van Guernsey nog steeds dwars. En onlangs de dood van haar klasgenoot Nicolette. Haar zoektocht in de oorlogsarchieven van haar inmiddels (eveneens onder geheimzinnige omstandigheden) overleden vader, moeten haar steunen in de overtuiging dat de geschiedenis van haar familie debet is aan haar uitzichtloze leven. Was bijvoorbeeld haar oom Charles als veertien jarige jongen schuldig aan de dood van zijn vader en welke gevolgen had dat voor haar familie?

    De hoofdstukken waarin Catherine haar verhaal vertelt, worden afgewisseld met verklaringen van haar oom, twintig jaar na de oorlog geschreven en door Catherine in het archief van haar vader gevonden. De urgentie van de vraag in Catherines verhaal – Heeft ze  haar klasgenoot Nicolette over de rand van de klif geduwd?- en die in het verslag van Charles – Is het zijn schuld dat zijn vader door de Duitsers vermoord werd?-  verdwijnt nog voor het boek op de helft is. De zoektocht van Catherine, de vragen die bij haar leven (waarom bracht haar vader de oorlogsgeschiedenis van het eiland zo obsessief in kaart) en het reconstrueren van haar familiegeschiedenis, verzandt in vaagheden. Door de vele bijzaken die de auteur aanhaalt, raak je als lezer al snel vermoeid. De ‘stem’ van oom Charles lijkt veel op de ‘stem’ van Catherine maar dan in verschillende settingen.

    Halverwege verdwijnt ook de urgentie om de verslagen van de oom te volgen. Het verhaal van hem staat teveel op zichzelf waardoor het hinderlijk afleidt van het verhaal van Catherine. Lastig is ook dat elk hoofdstuk leest alsof het verhaal nog beginnen moet. De verwachting dat er iets te gebeuren staat, er iets onthult gaat worden, wordt steeds opnieuw aangewakkerd door de – dat moet gezegd – enthousiaste stijl van de auteur maar wordt nergens tot een einde gebracht. Zodat ook de hamvraag, of Catherine schuldig is aan de dood van Nicolette en onder welke omstandigheden ze is omgekomen, niet wordt beantwoord.

    Uiteindelijk blijkt Catherine haar verhaal te hebben opgetekend voor haar moeder, die ze verwijt nooit naar haar te hebben omgekeken. In de laatste alinea bekent ze: ‘O, mam, wat heb ik gedaan? Kijk naar mij en naar wat ik heb gedaan. Je zat altijd met je neus in de boeken, dus heb ik er een speciaal voor jou geschreven. (…) Alles waar jij van houdt, zit erin. (…) zelfs een verrassende wending aan het eind. Die wending is dat jij de wending mag kiezen.’ Een wat al te gemakkelijk einde waarbij het idee dat er maar een punt aan gedraaid, is voor de hand ligt. En een mooie boodschap aan de lezer: zoeken jullie het zelf maar uit. Al Catherines intenties (het eiland ontvluchten, zich te laten ontmaagden, haar moeder een lesje te lezen) hebben dus tot niets geleid. De middelen om te vluchten zijn er niet, het vriendje wil haar niet en moeder zal het boek niet lezen. En de Catherine van het begin van het verhaal is aan het einde nog steeds dezelfde onbegrepen puber. Geen leerweg, geen ontsnapping en geen loutering was er voor haar.

    Horlock is weliswaar een enthousiast verteller, maar ook onbetamelijk grenzeloos. Als ze in haar nawoord haar redacteur bedankt voor het beteugelen van haar ‘krankzinnige gebazel’, begrijp je als lezer wat ze daarmee bedoelt. Want veel van wat ze aan feiten en fictie ventileert is doorgeschoten gebazel waardoor Een boek vol leugens met zijn personages jammerlijk ten onder gaat. Daarnaast nemen de geschiedkundige gegevens een te prominente plaats in en bevat het boek welgeteld 64 voetnoten wat voor een roman beslist teveel is.

     

     

  • Door de ogen van een grootvader

    Door de ogen van een grootvader

    Al direct bij het ter hand nemen van De aankondiging rijzen er vragen. Wat wordt er aangekondigd en wat is de relatie met de olifant die op de omslag staat afgebeeld? Er zit maar één ding op, het boek lezen. Dat is een heel plezierige en vooral interessante bezigheid. Er zijn 50 korte hoofdstukken en het verdient aanbeveling ze gedoseerd te lezen. Er is dan voldoende tijd om een en ander te laten bezinken en aanvullende informatie te verzamelen. Said El Haji doet verslag van het dagelijks leven in de voor-islamitische periode, de Jahiliyya, die veelal wordt aangemerkt als een tijd van onwetendheid en immoraliteit.

    Aan de hand van de belevenissen van Sjaïba, de in Yatrib (het latere Medina) geboren jongeling, wordt de lezer ingewijd in de wereld van de zoon van de verkruimelaar Haasjim, de heer en gebieder van de vallei. Onder de hoede van zijn oom Moetalieb vertrekt Sjaïba naar Mekka waar hij rondzwerft in het gezelschap van zijn jeugdvriendin Hafsa. Na het overlijden van zijn oom neemt Sjaïba de naam Moetalieb aan. Hij zal later de grootvader van de profeet Mohammed zijn.

    Om de lezer te helpen de familieverwikkelingen te kunnen blijven volgen is vóór in het boek een namenoverzicht opgenomen. Bepaald geen overbodige luxe want in het verdere verloop van het verhaal zal blijken dat Moetalieb meerdere malen trouwt en tenslotte de trotse vader zal worden van vele zonen en dochters. De woeste branding van de jeugd ebt weg op het strand van het huwelijk na de geboorte van de eerste zoon Harith. Echter na een nacht van vreugde en dronkenschap ter gelegenheid van een familiefeest, belandt Moetalieb in de sponde van een jonge maagd Fatima. Dit blijft niet zonder gevolgen, zij wordt zijn tweede vrouw.

    Tijdens momenten van rust en zelfonderzoek droomt Moetalieb over een eerbiedwaardig heer die moet kiezen tussen twee vrouwen. Zijn echtgenote die hem aanvankelijk geen zonen kan schenken en de slavin aan wie het geluk van een vruchtbare schoot is toebedeeld en haar heer een zoon schenkt. De slavin weigert haar kind af te staan hetgeen grote spanningen te weeg brengt. Uiteindelijk wordt de slavin met haar zoon verbannen naar de woestijn. Tot drie keer toe droomt Moetalieb over de verbannen slavin en de verstoten zoon. Gemakkelijk zijn in deze dromen aartsvader Abraham en zijn vrouw Sara te herkennen, de slavin Hazjar heet in de christelijke traditie Hagar en haar zoon was Ismaël, van hem werd gezegd: ‘Smaël zal een wilde ezel van een mens zijn. Zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem’. De lezer zal zich hier ongetwijfeld afvragen in hoeverre deze profetie is uitgekomen.

    Wanneer Moetalieb kennis maakt met Akiel, een in lompen gehulde vluchteling uit Yemen vat hij voor deze kleine bescheiden barbier een warme genegenheid op. Met Akiel bespreekt hij de ideeën van de Haniefen, een monotheïstische stroming onder de Arabische stammen. Zij zochten hun toevlucht, in tijden van afgoderij, tot de voor hen enige god, Allah.

    In het laatste gedeelte van het boek gaat El Haji uitvoerig in op de veldtocht van de door de Negus van Abbesinië op pad gestuurde generaal Abraha, die met een groot aantal olifanten er op uit was om Mekka, met al haar heiligdommen, met de grond gelijk te maken. Geen van hun driehonderd goden schijnt de Mekkanen nog van de ondergang te kunnen redden. Als door een wonder wordt Abraha verjaagd door een geheimzinnige macht van miljoenen krijsende vogels. Het machtige leger wordt uiteen gedreven en vernietigd. Moetalieb ziet na al deze gebeurtenissen in dat de aanbidding van dode stenen alleen maar leidt tot een domme krachtmeting van domme instincten in handen van domme goden.

    Saïd El Haji heeft getracht de gedachten, gevoelens en de vragen zoals die in een wereldgodsdienst als de Islam tot uitdrukking komen, voelbaar te maken. Er is duidelijk een behoefte om alle tegenstellingen te overstijgen. In ieder geval zal de nieuwsgierigheid van de lezer gewekt zijn en dit zal wellicht tot verdere oriëntatie leiden.

     

     

  • Beetje rondhangen, beetje studeren, beetje vrijen

    Beetje rondhangen, beetje studeren, beetje vrijen

     

    Een roman die vrijwel nergens over gaat, maar die wel een kapstok is voor verrassende gedachten en scherpe observaties, die op een rake, beeldende manier zijn verwoord.

    Toch maar even het verhaal: twee vrienden uit Amsterdam besluiten na hun eindexamen een tijd naar Italië te gaan, om uit Nederland weg te zijn, om iets van de wereld te zien, om zich zelfstandig te voelen. Ze gaan naar Perugia, omdat ze zich daar kunnen inschrijven aan de universiteit voor buitenlanders, zodat ze toch nog iets van een kader hebben waarbinnen ze zullen leven. Ze nemen op goed geluk hun intrek in een appartement dat hun wordt aangeboden door een Zweedse jongen. In de dagen vóór de inschrijving brengen ze hun tijd door met rondhangen in bars, naar muziek luisteren, tochtjes maken met andere buitenlandse jongeren.

    Dan begint de studie, dat wil zeggen voor één van hen, Daan. De ander, Xander, ziet het studeren niet zo zitten en zegt dat hij liever het leven in de praktijk leert.

    Op de universiteit maakt Daan kennis met een Zuid-Afrikaanse, Sophie. Hoewel ze niet verliefd zijn, beginnen ze een seksuele relatie.

    Dan moet Daan terug naar Nederland voor de begrafenis van zijn opa. Maar voordat hij gaat speelt zich in zijn huis een scène af waarbij Xander Sophie lastigvalt. Daan ziet het vaag door de glazen keukendeur, maar grijpt niet in. Hij brengt Sophie nog wel naar huis, maar deze moet kennelijk niet veel meer van hem hebben.

    Weer terug in Perugia merkt hij tot zijn verbazing dat zijn kamer niet meer vrij is, en dat ook Xander uit het huis is verdwenen. De Zweed weet niet waar Xander naartoe is, maar hij geeft Daan een zak met spullen van Xander, waaronder een ansichtkaart van een dorpje op Sicilië. Als hij vervolgens naar Sophies huis gaat, vindt deze het heel vanzelfsprekend dat zij beiden op zoek gaan naar Xander: een wekenlange tocht naar het zuiden van Italië, per trein, bus en te voet, totdat ze uiteindelijk Xander in het bewuste dorpje zien, waar hij als ober werkt. Ze spreken hem niet, maar het ‘doel’ is bereikt. Daarop gaat Daan weg, Sophie achterlatend, als een twijfelende puber die probeert doortastend te zijn.

    Hoewel het verhaal weinig voorstelt, is het bij vlagen toch een boeiende roman. Want het moet gezegd: de gemoedstoestand van een jongeman die net uit huis is maar in alle opzichten nog onzeker, is erg goed getroffen. Misschien juist ook wel doordat er vrijwel niets gebeurt: beetje rondhangen, beetje studeren, beetje opgelicht worden, beetje met een meisje vrijen: het leven moet nog beginnen, maar misschien begint het wel nooit?  Zelfs het feit dat de ‘vriendschap tussen Daan en Xander nauwelijks reliëf heeft, past in dit vage beeld. Die vriendschap is toevallig, ze doen nu eenmaal dingen samen, dat is alles. En als de een zomaar verdwijnt, ga je hem zoeken, als een vanzelfsprekendheid, niet omdat je hem zo mist. Wat dat betreft lijkt Daan erg op zijn ouders, die ook een nogal emotieloos koppel vormen, met Daan als meevallertje in hun troosteloze bestaan. In de woorden van Daan: ‘De ouders zonder mij: zwart-wit. Aandoenlijk maar kleurloos. Flets.’

    Misschien kun je zeggen dat hier een portret wordt gegeven van een gevoelsarme jongen, op het draaipunt van kind naar volwassene.  Een jongen die, ondanks zijn plan om een ‘avontuurlijk’ leven te gaan leiden, zijn leven laat leiden door toevallige ontmoetingen en gebeurtenissen, die hem niet echt lijken te raken.

    De stijl is onderhoudend, en de lezer kan genieten van diverse originele beschrijvingen, zoals: ‘Het weer betrok, haar gezicht kon niet achterblijven.’ Of: ‘Het werd nu snel donkerder. Keukenlichtjes sprongen uit het duister.

    Maar veel verder dan een boek met ‘goed getroffen passages’ is het toch niet. Daarvoor is het verhaal te pover en zijn de personages te vlak.’

     

     

     

     

  • Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Ondanks dat het werk van Henk Romein Meijer als zeer toegankelijke gold, genoot hij geen grote bekendheid in literaire kringen. Marja Pruis schreef dat Romijn Meijer in zijn tijd al een ‘geheimtip’ was, Tom van Deel is van mening dat hij nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden en Aleid Truijens concludeerde dat hij schromelijk onderschat was en kortweg te weinig gelezen werd.

    Literair executeur Gerben Wynia schafte zich tijdens zijn studie Nederlands in Groningen in 1982 de verhalenbundel Bang weer van Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan. Waarna zijn bewondering voor Romijn Meijer als schrijver gewekt was. Negen jaar later besprak hij, als recensent van De Twentsche Courant, enkele verhalenbundels van Romijn Meijer. Een lovende recensie, waarop hij een vriendelijke brief van Romijn Meijer ontving. Hierna ontstond een vriendschap die tot de dood van de schrijver in 2008 duurde waarna Wynia, op verzoek van Romijn Meijer tot zijn literair executeur werd benoemd. Wynia beschrijft hoe hij in die hoedanigheid in de zomer van 2008 het Franse plaatsje Souillac bezoekt, waar de schrijver de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw Elisabeth Mollison (Mollie) woonde. Hoe hij samen met Mollie de werkkamer van de schrijver doorwerkt: ‘(…) een schrijversleven ging door onze handen.’ En hij naar een paar dagen met ‘een rugzak vol kostbaarheden’ (brieven, foto’s manuscripten en dagboekcahiers) naar huis vertrekt. Wynia tipt verder nog het kortstondig dichterschap van Romijn Meijer aan en de daaruit voortkomende kennismaking met Gerrit Achterberg. En schrijft in Een trans-Atlantische vriendschap over de vriendschap van Bernard Malamud en Romijn Meijer die bijna een kwart eeuw duurde. Een vechtvriendschap gaat over de moeizame vriendschap met Han Voskuil.

    Een liefdevol stuk (Engelstalig) van Elisabeth Mollison over hun eerste ontmoeting in Henk and I begin vijftiger jaren. In dagboeknotities is te lezen over hun vriendschap met o.a. Han en Lousje Voskuil en Hannie Michaelis en Gerard van het Reve. Ook zijn er verschillende bijdragen van Henk Romijn Meijer zelf, dagboekaantekeningen uit Dagboek 1954-1955, Dagboek 2002 en Dagboek 2007 en het verhaal Slaap, dat een realistisch verslag is van een verblijf in Parijs van Romijn Meijer met zijn vrouw.

    In Censuur bij de Reina Prinsen Geerligsprijs schrijft Wynia dat Romijn Meijer in vrijwel al zijn verhalen dicht bij de personen en plaatsen blijft die hem inspireerden. Een manier van schrijven die veel schrijvers eigen is, maar Romijn Meijer schreef zo dicht op de werkelijkheid dat hij bij het verkrijgen van de Reina Prinsen Geerligsprijs (1954), waarvoor hij zeven verhalen inzond, het verzoek kreeg het verhaal Na het concert alstublieft niet voor te lezen bij de prijsuitreiking, omdat het te zeer naar de werkelijkheid beschreven was. Hier heeft de dan 25 jarige auteur zijn stijl van schrijven al gevonden; zijn personages worden herkenbaar en naar het leven getekend. Ondanks dat hem voorspeld werd (door o.a. zijn vader) dat het hem problemen zou opleveren als hij zo bleef schrijven, bleef hij deze uitgangspunten en technieken zijn hele leven als schrijver trouw.

    Over de relatie tussen Henk Romijn Meijer en zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot dat eindigde in een conflict, een stuk van Arjan Fortuin. Van Oorschot verweet Romijn Meijer onder meer dat er geen ‘klik’ was tussen hen. In een briefwisseling tussen Romijn Meijer en Geert van Oorschot waarin de onverkoopbaarheid van Meijers werk centraal staat, eindigt Romijn Meijer aan Van Oorschot met: ‘Ik vind je overigens ook best aardig, ook soms half aardig, soms opgeblazen en vervelend. Eveneens sans rancune, met hartelijke groeten, Henk’. Tussen hen is het nooit meer echt goed gekomen. Evenals de breuk met Voskuil, bereikte Romijn Meijer een grens waar hij niet van terug kon.

    Overige bijdragen van Theo Sontrop Stuur weer eens gauw iets voor Maatstaf, Mischa Andriessen De tijd die niet voorbij gaat. Over jazz in het proza van Henk Romijn Meijer, Willem van Manen Herinneringen aan Henk,Laurens van Krevelen HRM en de opstand der realisten, Peter Verstegen Hondsdagen in perspectief, Maarten Asscher Daar zijn ze weer. Over De Amerikaantjes van HRM en Chantal van Dam Gracias a la vida. Een correspondentie in ansichtkaarten.

    Henk Romijn Meijer heeft meer dan 25 titels op zijn naam staan en als schrijver bewees hij zich een ironicus, een scherp observator en een groot verteller. De vele foto’s en afbeeldingen van persoonlijke documenten en boekcovers completeren het beeld van de schrijver. Overigens begint het tijdens lezing van dit nummer dusdanig te kriebelen dat je je een verhalenbundel van deze schrijver zou willen aanschaffen om over dat alles, dat zijn leven zo in beweging bracht te lezen. Vooruit, naar de winkel!

     

    www.parelduiker.nl

  • Schone schijn in Suburbia

    Schone schijn in Suburbia

    De Amerikaanse auteur John Cheever (1912-1982) was vooral bekend om zijn succesvolle korte verhalen. Zijn romans daarentegen werden geprezen én verguisd. Cheever ontving onder andere de Pulitzer Prize for Fiction en de National Medal for Literature. Zijn roman Bullet Park verscheen in 1969. Een slechte recensie op de voorpagina van de New York Times Book Review verergerde Cheevers alcoholprobleem en bracht hem in een diep dal. Zijn volgende roman Falconer werd wel  lovend ontvangen. Het boek stond wekenlang op 1 in de New York Times Bestseller List. De Nederlandse vertaling van Bullet Park (1969) verscheen voor het eerst in 1980. In 2012 volgde een heruitgave door Van Gennep en deze druk werd door vertaler Guido Golüke volledig herzien.

    Bullet Park is een vreemd boek qua opbouw, perspectiefwisselingen en plot. Het doet misschien nog wel het meeste denken aan The Great Gatsby, als het gaat om het handhaven van jezelf in een droomwereld. Bullet Park is niet zo zeer een goede of mooie roman. Het laat zich eerder lezen als een analyse van en een kritiek op de Amerikaanse samenleving. Cheever laat doelbewust en vol ironie de achterkant van het leven in de buitenwijken zien. De keerzijde van de Amerikaanse droom. Er gebeurt vrij weinig, maar toch is het boek interessant om te lezen: het geeft de tijdsgeest van de jaren 60 weer en die blijkt nog heel wat raakvlakken met het heden te hebben.  Alleen al daarom was Bullet Park een heruitgave waard.

    Niets is wat het lijkt in de wijk Bullet Park. Hoofdpersoon Elliot Nailles is vreselijk gelukkig en de verbetenheid die hij daarin tentoonspreidt is bijna angstaanjagend. ‘Nailles zag pijn en lijden als een vorstendom ergens achter de wettige grenzen van West-Europa.’ En het was absoluut niet ‘de bedoeling dat hij daarheen reisde…’ Niet alleen Nailles leidt een perfect modelbestaan, datzelfde geldt voor zijn buren en vrienden. Maar stukje bij beetje komen hun werkelijke levens aan het licht, al doet de hele buurt angstvallig zijn best om alleen het goede te zien en alle barstjes in het dunne laagje vernis weg te poetsen.

    De opbouw van het boek is curieus. Het is verdeeld in drie delen. In het eerste deel staat Elliot Nailles centraal, in het tweede deel zijn tegenpool Paul Hammer. In het derde deel komen beide verhaallijnen samen, al overlappen ze elkaar soms al in de eerste twee delen. Cheever wisselt snel en bijna onopgemerkt, ook binnen de delen, van tijd en perspectief en dat maakt dat de lezer in het begin even moet wennen en misschien wat moeilijk in het verhaal komt. Het boek begint met een scène in de derde persoon verleden tijd, maar loopt bijna onopgemerkt over naar een vertelwijze in de eerste persoon tegenwoordige tijd. Dit wordt vaak in het boek toegepast: tijden en perspectieven wisselen elkaar continu af. Toch stoort dit niet, deze overgangen gaan vloeiend in elkaar over. Maar als lezer word je wel af en toe op het verkeerde been gezet.

    In het eerste deel doet Nailles dus hardnekkig zijn best om gelukkig te zijn (en te lijken). Hij ziet ook in anderen niets dan het goede. ‘Hij ging er bij alle mannen en vrouwen van uit dat ze eerlijk en oprecht, betrouwbaar en gelukkig waren en werd vaak verrast en teleurgesteld.’ Het eerste scheurtje in het geluk van Nailles komt aan de oppervlakte als zijn zoon Tony niet meer op wil staan. ‘Ik hou van de wereld. Ik voel me alleen gedeprimeerd, dat is alles,’ verklaart Tony die weken in bed blijft. Nailles wil er niet aan dat er iets ergs aan de hand is en houdt hardnekkig vol dat zijn zoon de Ziekte van Pfeiffer heeft. Flashbacks laten het leven van de familie Nailles vóór Tony’s ziekte zien. Het leventje van Nailles gaat zijn gangetje (in het heden en verleden), al is er af en toe wat turbulentie die haastig wordt weggepoetst. Een humoristische scène ontstaat als Tony een oudere weduwe met wie hij naar bed is geweest uitnodigt voor een gezinslunch. Zijn ouders zijn in shock als ze er achter komen dat dit serpent hun onschuldige 17-jarige zoon verleid heeft. Hoe komt deze lunch ooit nog goed, vraag je je af. De oplossing is heel simpel. Ze spelen gewoon het spel ‘ik heb mijn grootmoeders koffer gepakt’. Dat deden ze immers ook altijd toen Tony klein was en ‘het allemaal niet zo goed ging.’ En zo wordt de lunch uitgezeten en is het gezin na afloop weer net zo gelukkig als daarvoor. Nailles’ leven kabbelt verder naar de scène die duidelijk maakt waarom Tony in bed blijft liggen en wat de rol van Nailles daarin is. De gemoederen lopen hoog op op het golfveld. ‘Ik kon maar niet begrijpen hoe mijn enige zoon, van wie ik meer hou dan van wat dan ook ter wereld, me zover kon krijgen dat ik hem wilde vermoorden.’ Hier zitten we dus duidelijk weer in het ik-perspectief.

    In deel 2 schakelt Cheever over naar Paul Hammer, al kan ook hier het perspectief zo maar switchen naar Nailles, of iemand anders. In tegenstelling tot het geluk van Nailles, zwelgt Hammer in zijn ongeluk. Hij is een onecht kind met een afwezige vader en een moeder die volledig op gaat in haar eigen excentriciteit. Zijn oma voedt hem vanaf zijn zesde op en haar eerste daad is hem zijn onechte naam afnemen. Voortaan heet hij Hammer, omdat er toevallig een man met een hamer langs liep. Hammer is vreselijk eenzaam, maar koestert dit gevoel ook. Hij ontdekt dat bastaards een bedreiging voor de geordende samenleving vormen en buit dit uit. Na een rusteloze zwerftocht over de wereld bezoekt hij zijn moeder. In een van hun spaarzame gesprekken brengt zij hem op het idee om ‘de wereld wakker te schudden’. Paul Hammer strijkt kort daarna, inmiddels getrouwd, neer in Bullet Park waar hij uiterlijk net zo perfect probeert te zijn als zijn buren. Maar hier in Bullet Park zal hij zijn morbide plan om de wereld te veranderen uitvoeren. Het is toeval dat hij daarvoor zijn oog op Nailles als lijdend voorwerp laat vallen. ‘Er was die toevallige combinatie van onze namen en ik vond dat hij een prettig uiterlijk had.’ De eerste band ontstaat tussen beide mannen als zij getuigen zijn van de zelfmoord van een man die voor de trein springt. ‘Ze waren slechts kennissen maar het dodelijk ongeluk had hen in een intieme relatie gedreven.’ En ineens is de alwetende verteller weer aanwezig. Deel 3 telt slechts 19 van de 228 pagina’s van het boek en hier gebeurt eindelijk écht wat. En niet zomaar wat: razendsnel ontvouwt de plot zich. De ironie druipt van de pagina’s, vooral de bijtende laatste zin is gedenkwaardig. En dan is het boek, eigenlijk heel abrupt uit. Net als het verhaal begonnen is. Maar natuurlijk leefden ze nog nog lang en heel, heel gelukkig. Of toch niet?

     

     

  • Droom van genade, trouw aan de klei

    Droom van genade, trouw aan de klei

    Slopers is een onvervalste neo-naturalistische, working class-roman waarin op plastische en niet zelden ook lyrische toon het verhaal wordt verteld hoe twee broers met hun sloopwerkzaamheden het hoofd boven water trachten te houden in het wederopbouwtijdperk van de jaren vijftig. ‘Gebroeders Pek in sloop en terrazzo’ zo heet hun scharrelbedrijfje dat een familiebedrijf moet gaan worden waar hun vader trots op had kunnen zijn. Ware het niet dat vader nooit is teruggekeerd van de Arbeitseinsatz. En moeder sterft vijf jaar na de oorlog. Beide zoons staan er dus al vroeg helemaal alleen voor in het leven. Of eigenlijk staat de jongste broer er alleen voor want zijn negen maanden oudere broer (slechts aangeduid als ‘Broer’) is een losbol die zich liever met de meisjes uit het dorp inlaat dan dat hij zich inzet voor de toekomst van het familiebedrijfje.

    De jongste is uit ander hout gesneden. Een couveusekindje nog wel en, zoals de roman suggereert, of liever hij zelf, daardoor een vechter. Hij voelt zich ten zeerste voor zijn oudere broer verantwoordelijk nadat hij zijn moeder op haar sterfbed heeft toegezegd voor hem te zullen zorgen. De jongste is ook de slimste en gevoeligste. En door hem wordt het verhaal verteld en bezien. Zijn beeldende taal schildert het decor: het fictieve Brabantse dorp Mortel, ingeklemd tussen twee rivieren en bevolkt door ‘katholieke windvanen’ die met al hun ranzigheid ongegeneerd los willen gaan op de jaarlijkse kermis. ‘De kermis, die jaarlijkse herdenking van onze bevrijding, wat zeg ik, die jaarlijkse bevrijding zelf, de bevrijding van wie we zijn, van wat het lot ons heeft toebedeeld, in welke ploegendienst we moeten rondsakkeren, op welke grauwe akker, voor ons handjevol centen’. De dorpsgemeenschap blijkt een ideale kraamkamer voor roddel en achterklap. Zo wordt van vader Pek beweerd dat hij zich vrijwillig bij de Duitsers had vervoegd, waarna de achterblijvende moeder en haar twee zonen door het hele dorp met de nek werden aangekeken en ze hun boerderijtje moesten opgeven voor een achteraf gelegen woninkje. En toen de twee zonen zich daarna als werkzoekenden  gingen roeren werden ze als ‘schooiers’ terechtgewezen. Die tegenwind is nog altijd niet geluwd anno 1954, het jaar waarin het verhaal speelt. De samenleving blijkt nog verre van geïnstitutionaliseerd. De kloof tussen de haves en have-nots scheidt dan ook met hetzelfde gemak diegenen die het gezag uitoefenen van die zich daaraan te onderwerpen hebben, met het Roomse geloof als de perfecte smeerolie van deze status quo.

    Met een handjevol mensen maakt de lezer nader kennis: zo is daar Perrer, een rijke, en volstrekt opportunistische herenboer onder wiens verantwoordelijkheid de verdeling van de Marshallgelden is gekomen en die vermoedelijk de verwekker is van de oudste der gebroeders Pek en om die reden hen wat sloopklusjes gunt, en verder zijn daar de weekloners van het slopersbedrijfje (want financiële zekerheid voor langer dan een week biedt het werk niet): Vollemondt, Volcker, Tinus en niet te vergeten Broer. De laatste alle rouwdouwers van het eerste uur. Er wordt wat afgeploeterd in de Brabantse klei tegen de voortdurende dreiging van faillissement ‘schrijnend als een huidziekte waarvoor nog geen remedie is gevonden’.

    De verhouding tussen de jongste Pek en zijn oudere broer is een opmerkelijke. Ze zijn elkaars spiegelbeeld. Vaderlijk versus flierefluiter. De jongste heeft eigenlijk de rol van de oudste. Tussen hen gaat het er soms hard aan toe: ze vechten echt als jongens. Maar tegelijkertijd ook het besef van elkaar afhankelijk te zijn, en wat de jongste betreft: verantwoordelijk te zijn voor zijn oudere broer. Daarvan kan hij zich niet losmaken. Ze zijn de enige in het boek die geen naam dragen. Het boek opent met de verontrustende zin: ‘Dat ik beter enig kind was geweest is wel duidelijk’. Aan het einde van het boek kan de lezer hem hierin moeilijk ongelijk geven. Waar het dubbelgangersmotief de kop opsteekt, moet de hoofdpersoon op z’n tellen passen.

    Het verhaal speelt zich in ongeveer anderhalf etmaal af. Maar ondanks dat het verhaal grotendeels de gedachtestroom van de ik-verteller behelst, wordt er zonder stijlbreuk en schijnbaar moeiteloos een en ander uit het verleden ingelast. Het ruwe verhaal mag zo nu en dan contrasteren met ronduit poëtische waarnemingen: ‘Het vreemde geluid van zacht scheurend gras.’ Maar het kan ook grimmiger: ‘Hij lalt, heeft flink gezopen. Zijn verongelijkte gezicht, waar we het normaal mee moeten doen, daar rijmen dat litteken en die scheefgetrokken spieren nog enigszins op. Maar als hij begint te grijnzen, grijnzen van geluk, dan word je echt bang van hem.’

    Waar de verteller over ‘slopen’ komt te spreken is de levensfilosofie nooit ver weg: ‘Het leven bepaalt je. Je verschijnt. Je hebt het niet voor het willen. Al dat willen, hooguit ben je daarmee iets eerder, een vroeggeboorte op zijn best, maar aan je afkomst is niets te doen. Je bent samengesteld. Daar valt niets aan te veranderen. Je bent een voldongen feit. Het enige wat je zelf wel kunt doen is slopen. Je kunt jezelf niet bouwen, wel slopen.’ Eerder is de lezer al getrakteerd op het volgende staaltje determinisme: ‘Geen mens hoeft zich door zijn verleden te laten bepalen, dat was vaders geloof, volgens moeder. We zitten niet vast aan onze afkomst. We kunnen zelf kiezen! Ha! Daar denk ik dan toch een tikkeltje anders over, met zijn welnemen…Wij kiezen niet, het leven kiest ons. We belanden. Meer niet. Ik hoef maar om me heen te kijken in dit stinkhok hier, geen hond die hiervoor zou kiezen.’

    De jongste Pek is met een groot besef van verantwoordelijkheid opgezadeld. Hij is altijd ‘ingehouden, gedienstig, vriendelijk, blik op de toekomst, verantwoordelijk voor geld voor Broer en Tinus, voor Vollemondt en Volcker, zorgen voor contracten en zorgen voor de kwaliteit van werk. Als je het zo op een rijtje zet is het al om bekaf van te worden.’ Geen wonder dat naar de jaarlijkse kermis wordt toegeleefd. En als die kermis zich gaande het boek eenmaal ontketent, komt er weldra een omslag in het verhaal. Perrer, van wie menig klusbedrijf wat betreft opdrachten afhankelijk is, lijkt zijn hand te hebben overspeeld. De roes van de kermis waar de hoop op Liefde versmelt met drankzucht en geweld, brengt het verhaal in een maalstroom waarin waan en werkelijkheid samen lijken te spannen. Perrer vindt zijn graf, het huisje van de gebroeders Pek wordt verwoest en Broer verongelukt. Wie dader is en wie slachtoffer moet nog nader worden onderzocht, maar de tekenen wijzen erop dat de kansen voor de jongste Pek zullen keren. De deur gaat eindelijk op een kier… Brigadier Schaminée heeft met de verteller te doen, zijn huis is immers weg, Broer ernstig verwond. Hij stelt hem zowaar voor Perrers plaats voorlopig in te nemen, en wel in diens riante stulp. En zo mag er worden weggedroomd op de dijk, met zicht op de rivier en een toekomst: ‘Broer en ik, schooiers, zoons van een overloper. Van een ziekelijke moeder. Met ons bedrijfje in vuilnis. En kijk nou eens. Heb ik me daar zowaar opgewerkt tot respect! Tot respectabele dorpsbewoner. Tot betrouwbare werker. Een adequate kerel, zegt-ie, de hoofdagent van politie! Hoe het komt? Geen idee. Misschien doordat ik altijd ben gebleven. Door niet te vluchten, de rivier op te gaan en hem te smeren. Door niet een ander leven te verlangen en daar achteraan te rennen. Maar juist door te blijven zitten waar ik zat en te blijven doen wat ik deed. Zonder schaamte. Zonder schuldgevoel. Kop in de wind!’ Er treedt een moment van loutering in, iets van een wonder lijkt zich te voltrekken: ‘Het moet een geheim van het leven zijn. (…) Ziehier het recept: een lafbek zijn, meeveren, ja zeggen, volgen. Niet zoeken, maar vinden. Niet grijpen, maar krijgen. Halleluja. Word wie je bent, en ontvang wie ge zijt.’ Maar het boek heeft dan nog ruim anderhalve bladzij te gaan. Is hier te vroeg gejuicht? Wint de Genade het van de Klei? De afloop hoort hier niet verklapt te worden.

    Maar wat men ook van de zinderende finale moge vinden, het is toch vooral de stijl die indruk maakt. Het verhaal wordt gedragen door de stijl en die is smeuïg, en omdat de personages typetjes blijven ook die van een klucht. De zware thematiek van determinisme wordt daardoor licht verteerbaar. Van der Loo is ook musicus en theatermaker. Men zou de opmerkelijke eenheid van toon in het hele boek kunnen toeschrijven aan eerstgenoemde kwaliteit, het vermogen om vanuit een beperkt vertelperspectief ook de nodige voorgeschiedenis mee te pikken aan de tweede. De ik-figuur ontkomt als enige aan het eendimensionale perspectief. Niettemin blijft hij te passief voor een hoofdrol die een boek lang weet te boeien, temeer daar de werkelijkheid om hem heen het niveau van een klucht niet ontstijgt. Die boertigheid is soms wat te veel van het goede. 236 pagina’s ondergedompeld te worden in de vette klei van de dorpse bekrompenheid vraagt het nodige van de lezer. Daarbij komt dat de omslag in het verhaal zich buiten de ik-verteller om voltrekt. Hij merkt de tegenstellingen in zichzelf (vechter van geboorte af, maar niet ontkomend aan zijn geboortegrond) terdege op, maar levert er geen worsteling mee. Het blijft bij passief inzicht. Niettemin word je als lezer van begin af aan in een denderende vaart meegezogen naar het einde. Dat mag een opmerkelijke prestatie heten.

     

     

  • Openhartig portret van een Amsterdamse familie

    Openhartig portret van een Amsterdamse familie

    Recensie door Rein Swart

    Wie kent hem niet, de kleine jongen die zo trots is op zijn vader. Die meegaat naar de sportclub en zijn vader daar bewondert. Die voor de deur van de kleedkamer wacht tot zijn held naar buiten komt, fris gewassen en met zijn tas in de hand, om zich, naast zijn liefhebbende vrouw, in het zonnetje te laten zetten door de clubleden in de kantine.

    Zo’n jongetje is zeker Nico Dijkshoorn, de hoofdpersoon in Nooit ziek geweest. Hij vertelt daarin over de verhouding tot zijn ouders en tot zijn vader in het bijzonder, vanaf zijn eerste herinneringen op het honkbalveld tot de laatste, als hij op bezoek gaat in het verpleeghuis, een volwassen man bij een seniele oude baas.

    Met die laatste periode begint en eindigt de roman. De rollen zijn omgedraaid. De gevoelige Nico is in kwetsbaarheid overtroffen door vader Klaas. Eigenlijk kent Nico zijn vader nauwelijks. Tijdens verjaardagen doen steeds dezelfde vier, vijf verhalen de ronde, maar door het schrijven ontstaat toch een aardig beeld van een man die zijn zoon kleineert en zich ontpopt als een egocentrisch persoon, die zelf alle aandacht nodig heeft. Op verjaardagsfeestjes moet hij altijd de leukste zijn.

    Vooral Nico moet het ontgelden. Hij is de oudste van drie zoons en volgens zijn vader een huilebalk en in tegenstelling tot de anderen geen honkballer. Op het eind steekt Klaas in het bungalowpark waar de familie een weekend samenkomt, een tirade af over de studieuze instelling van Nico die hem als Amsterdammer van eenvoudige komaf boven de pet gaat. Hetgeen Nico tot de vaststelling brengt dat ze het dan maar nergens meer over moeten hebben. Overigens tot goedvinden van Klaas.

    Het is niet alles ellende wat de klok slaat. Er valt genoeg te genieten, te grinniken om vele voorvallen die uit het leven gegrepen zijn, zoals de vermakelijke kampeerreis die Nico met zijn vrouw en zijn ouders op aandringen van Klaas naar Spanje maakt. Klaas heeft voorpret als hij het album toont met foto’s uit eerdere jaren, waarin zoals Nico constateert zijn moeder in het geheel niet voorkomt. Klaas doet erg joviaal. Legt jeu de boules-spelers uit over honkbal en denkt dat de eigenaar van het Spaanse kippenrestaurant een intimus van hem is.

    Klaas wil graag een jodenster als verjaardagscadeau omdat hij de vorm mooi vindt en niets van de oorlog weet. Hij is dolblij met het jubileumboek dat Nico naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag heeft samengesteld, waarin vrienden hem ophemelen en is woedend als zijn vrouw Nel de video van het feest per ongeluk wist omdat ze niet met de recorder kan omgaan. Later wil Klaas een ‘verwenopa’ zijn voor de kleinkinderen, maar hij veroorzaakt alleen maar onrust door zijn wilde gedrag en zijn behoefte aan aandacht. Klaas mokt als hij die niet krijgt, zoals in het bungalowpark als hij geen nasi mag maken omdat ze gaan gourmetten.

    Naast de treurige en hilarische verhalen zijn er ook verrassende momenten, bijvoorbeeld als ze overgaan tot handen schudden, iets dat Nico eerder nooit met zijn vader deed. ‘Ik geef hem een hand als hij binnenkomt. Voor het eerst eigenlijk. Dat doe ik de laatste tijd opeens. Ik geef mensen een hand als ik ze zie. Ik denk na. Heb ik dat net ook gedaan bij mijn broers? Ik weet het niet meer. Klaas steekt wel zijn hand uit, maar kijkt me verbaasd aan. Hij moet er ook aan wennen, een hand.’ Nico probeert de groeiende onenigheid tussen de ouders in te dammen, maar kan moeilijk een voet tussen de deur krijgen. Zijn moeder, die na een tia kampt met afasie, kan niet geloven dat haar man, die steeds vergeetachtiger wordt en de controle over zijn leven kwijtraakt, op haar vit. Daardoor drijven ze langzaam uit elkaar.

    Dijkshoorn is een fantastisch verteller. Hij schrijft direct, vermijdt mooischrijverij en zegt waar het op staat. De karakters worden niet zwaar aangezet, maar zijn heel herkenbaar. Het kost moeite het boek weg te leggen en niet nog een paragraaf te lezen. Het is sappige kost, goed gekruid om in de beeldspraak te blijven. Dijkshoorn houdt de lezer in de greep.

    Soms ontstaat verwarring door het afwisselende gebruik van ‘vader’ of ‘ Klaas’ en ‘moeder’ of ‘Nel’. Erger is het om een typetje van Kees van Kooten in de vader te herkennen op het moment dat Klaas zijn baan kwijtraakt en in de antiek gaat. Opeens zie je dan de sjacheraar met oude radio’s Cor van der Laak, die graag de lakens uitdeelt, overtuigd is van zijn eigen gelijk en dat opeist.

    Het is dapper om zo openhartig over je familie te schrijven. Alle waardering daarvoor. Het is de vraag hoe Nico daar zelf uit is gekomen. Daarover lees je niets in het boek. Met zijn behoefte om te dollen, sterke verhalen te vertellen en de familie op te hemelen lijkt hij misschien meer op zijn vader dan hij zelf zou willen. Wellicht kan hij daaraan nog eens enkele paragrafen wijden, want schrijven kan hij als de beste.

     

  • Herinneringen vernieuwen en overdragen

    Herinneringen vernieuwen en overdragen

     

    Vindplaatsen. De Indische jaren van F. Springer is een fraai uitgevoerde documentatie van de eerste 15 jaar van de schrijver F. Springer. Het boek is samengesteld door Liesbeth Dolk, zijn beoogd biografe. Op de voorkant staat Carel Jan Schneider (F.Springer ps) op vierjarige leeftijd ‘op het grote voorerf aan de Grisseeweg 7 in  Batavia. Het jongetje zit op zijn ‘vliegende Hollander’ zijn verjaarscadeau. In zijn hand heeft hij enkele andere cadeaus, ‘prachtige boeken van Rie Cramer.’

    Vindplaatsen is een nieuwe bijdrage aan de inmiddels gigantische berg postkoloniale herinneringsboeken. Er komt een moment, dat er geen mensen meer op deze aarde rondlopen die zelf daadwerkelijk in Nederlands-Indië geweest zijn en er herinneringen aan hebben die ze kunnen delen. Springer werd in 1932 geboren. Iedereen die minstens enige jaren voor de oorlog in Indië was is inmiddels midden 70. We hebben dus foto’s en getuigenissen nodig om te weten en te blijven ontdekken hoe het in Nederlands-Indië geweest is. ‘Indië als plaats van herinnering zal als hedendaags, dynamisch verschijnsel in de Nederlandse cultuur blijvend ideeën, verhalen en herinneringen genereren die op hun beurt worden vernieuwd en overgedragen’ citeert Liesbeth Dolk in haar inleiding Pamela Pattynama, hoogleraar Indisch-Nederlandse letterkunde.

    Liesbeth Dolk heeft daar met dit boek adequaat aan bijgedragen. We volgen de verhuizingen van het gezin Schneider tussen 1931 en 1946 van Batavia naar Malang, Rotterdam, Bandoeng, Ceylon, Kandy, Singapore en Bangkok. De wereld waarin Springer kind was, verdween met de oorlog en raakte zo een ‘verborgen tuin’ voor hem, een wereld die hij in de rest van zijn leven in herinnering terug trachtte te brengen. In zijn werkzaam bestaan als diplomaat schreef Springer een mooi oeuvre bij elkaar waarin juist dit Indische verleden bijna steeds een belangrijke rol speelt. Dolk heeft met het boek haar ‘fascinatie voor het Indische verleden van een auteur wiens werk en persoon haar na aan het hart liggen’ willen volgen.

    Voor de lezer ligt Springer de auteur soms iets te na aan het hart. Het lijkt alsof Dolk enige moeite heeft de afstand te bewaren, bijvoorbeeld in het vraaggesprek met Schneider, waarin zijzelf aangesproken wordt: ‘de laatste keer, samen met jou’,  en dat zij toch ondertekend heeft als een eigen tekst. Dat is vreemd, maar misschien begrijpelijk, al hoop je dat de biografie die nog komt een helderder uiteengerafelde verhouding tussen biograaf en gebiografeerde blootlegt. Of dat de nauwe band er juist werkelijk in afwezig is. Het probleem van de betrokken biograaf.

    Een mooie bijkomstigheid in dit boek is dat Dolk bij het nareizen van de ‘vindplaatsten’ contemporaine foto’s maakt, ze voert het element van ‘vernieuwing van herinnering’ dat zij in haar inleiding aanhaalt, concreet uit: het huis dus, waar Schneider woonde in 1935, zoals het er in 2009 uitzag. Jammer is dat die foto’s postzegelklein zijn weergegeven. De keuze was toch nadrukkelijk meer die voor een heimweeboek  in sepia.

    In Vindplaatsen worden citaten uit het werk van Springer ingevoegd waar ze relevant zijn. Je komt zo te weten wie van zijn jeugdvrienden modelstond voor welke romanpersonage.  Een van de mooiste foto’s is vreemd genoeg een kiekje uit 1969. Je ziet Carel Jan Schneider ‘in gedachten verzonken voor de ingang van zijn eigen lagere school. De roman Tabee, New York (1974) ondermeer geïnspireerd door de herinnering aan zijn Bandoengse schooltijd, moest nog geschreven worden. Op het lage muurtje zijn zoon Jan Tom.’

    Hier zie je de herinnering gebeuren, je ziet  Schneider Springer worden, die als schrijver met handen in de zakken in een nu staat, maar afwezig is, weg in een verleden dat niet meer bestaat. Die herinnering is in zijn hoofd mogelijke al bijna een tekst aan het worden. De lagere school is aanleiding, herinneren is denken.   Over een muurtje loopt een nieuwe generatie met heel ander dingen bezig te zijn.