Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Nasmeulend vuur 

    Nasmeulend vuur 

    Recensie door Heleen Rippen

    De opening van de roman Het grote vuur, voor het eerst in het Nederlands vertaald, lijkt een zinnelijke klassieker: ‘De laatste keer dat ik met Silvia naar zee ging, kleedde ze zich tussen de jeneverbesstruiken om. Ik zag hoe ze vooroverboog en het badpak langs haar rood-bruin verbrande benen afstroopte; haar gezicht verborgen achter haar haren’.

    Giovanni, een Italiaanse journalist beschrijft een zonnige augustusdag met Silvia. Maar al snel blijkt deze liefde een spel met het onmogelijke. Het is een verliefdheid die op een ziekte lijkt, hij lijdt eraan.
    ‘We gingen naar huis en de volgende dag zei ze dat ze niets meer van me wilde weten. Ik bleef alleen achter en dagenlang at ik niets, op fruit en kliekjes na. Het enige waar ik nog behoefte aan had was naar buiten te gaan en te wandelen’.
    Hij zal haar pas eind december terugzien. Silvia heeft dan een telegram gehad waarin ze wordt verzocht om met spoed af te reizen naar haar ouderlijk huis in Maratea, een badplaats in de provincie Basilicata.
    Ze vraagt Giovanni mee te gaan naar het zuiden. Eigenlijk beveelt ze hem met haar mee te gaan. Meegaan of niet, voor Giovanni is het niet eens een keuze. Want wat we willen wordt bepaald door hoe we diep van binnen zijn, door ’wat er in ons bloed zit’ volgens Giovanni.

    Een typerende uitspraak van Silvia is: ‘Ik kan niet verliefd worden, maar jij geeft me hoop’. Daarom nemen ze op kerstochtend de trein naar Maratea en wordt in de roman door beiden beurtelings verslag gedaan van het verblijf in het geboortedorp van Silvia.

    In het huis wonen de moeder van Silvia, haar stiefvader Dino, de tienjarige Giustino en de twee bedienden Catina en Peppe. Giovanni wordt gedurende de paar dagen die ze in het huis doorbrengen, langzaam ingewijd in de familiegeheimen van Silvia.

    De jonge Giustino blijkt op sterven te liggen en daarom is Silvia ontboden. Silvia zegt hierover:
    ‘Te veel dingen waren vermengd met die dood, waardoor ik het niet echt besefte. Geboorte, dood, alles, ook de meest ontstellende gebeurtenissen, leken willekeurig plaats te vinden. Er was een vuur dat altijd brandde en geboorte, dood, oorlogen en overstromingen gingen op in die vlammen. Ik zei: ‘Catina, hier sta je altijd in het vuur’.
    ‘Een groot, groot vuur’ zei Catina. En gedurende de nacht voelde ik dat mijn moeder brandde, dat Dino brandde en dat ik ook weer had vlamgevat’.
    Huis en haard bieden meestal beschutting en warmte. In Silvia’s familiehuis knettert niet alleen de haard, de bewoners doen dat ook.

    Als er iets ambigu is, is dat wel vuur. In het vuur kijken is het leven en tegelijkertijd de vernietiging zien. Alle kamers, de bewoners, hun maaltijden, gesprekken en hun zwijgen zijn zo beklemmend en dubbelzinnig beschreven dat je steeds meer van een spookhuis gaat spreken. Elementaire tegenstellingen als warm en koud en stad en platteland worden gebruikt om de eenzaamheid, de vervreemding en de onmacht van de bewoners voelbaar te maken.

    Stiefvader Dino, ook wel ‘de advocaat’, bestiert dit huis en noemt de familie een bolwerk tegen de dood. Door het overlijden van Giustino (betekent: ‘de rechtvaardige’!) blijkt dat hooguit een tijdelijke waarheid.
    Daags na de begrafenis van Giustino blijkt opnieuw dat het familievuur je kan verminken en dat deze familie zelfs een synoniem voor vernietiging en dood is.
    Giovanni blijft niet lijdzaam toezien. Bij wijze van test, om te zien of en hoe ze reageert, valt hij Silvia letterlijk aan en bijt haar in haar nek.

    Aan het einde van de roman is Giovanni veranderd. Zijn blik is gekanteld omdat hij doorziet dat Silvia hem heeft gebruikt om de verschrikkelijke waarheid van haar familie onder ogen te zien. Een familieschandaal heeft haar zo ingrijpend beschadigd dat ze zich aan niemand meer kan binden. Vroeg in de morgen ontvlucht Giovanni het huis richting zee.

    Deze roman heeft trekken van een psychologische thriller en zou zich uitstekend lenen voor een Fellini-achtige verfilming.
    De Nederlandse vertalers Evalien Rauws en Luc de Rooij schreven een fraai nawoord waarin zij veel achtergrondinformatie geven over Pavese en Garufi en de geschiedenis van deze roman.

    Het manuscript werd een paar jaar na de zelfmoord van Pavese in 1950, door Italo Calvino, schrijver en vriend van Pavese, gevonden. Op het omslag stond Viaggio nel sange (Reis door het bloed). Calvino zorgde voor de eerste Italiaanse uitgave in 1959, getiteld Fuoco Grande.
    De vertalers hebben er nu Het grote vuur van gemaakt. Die titel is wat beperkt. Groot vuur zou massiever en daardoor toepasselijker zijn voor het verhaal van Giovanni en Silvia dat tenslotte in meerdere opzichten allesverzengend is.

    Het co-auteurschap van Cesare Pavese en de tien jaar jongere Bianca Garufi was destijds niet bepaald een strakgepland en stabiel project.
    Ze werkten beiden voor de gerenommeerde Turijnse uitgeverij Einaudi en startten in het najaar van 1945 met de eerste hoofdstukken. Pavese schrijft de hoofdstukken waarin Giovanni aan het woord is en Garufi schrijft die waarin Silvia haar verhaal doet. Tussendoor hebben ze een stormachtige relatie, maar de liefdes van Pavese waren altijd kort en ongelukkig. Zo ook deze. Garufi wijst een huwelijksaanzoek van Pavese af en daarna corresponderen ze verder over de roman. Eind februari 1946, nadat hij van haar per post het zevende hoofdstuk heeft ontvangen, schrijft Pavese het volgende:

    ‘Lieve Bianca,

    (…) Op het ogenblik ben ik ten onrechte geobsedeerd door de persoonlijke ‘onthulling’ die jouw hoofdstuk bevat – de wrede dingen die de domme wreedheid van Silva me laat doen. Ik wist, toen ik met dit boek in zee ging, wel dat deze onderneming alle etter die wij in ons hebben, naar buiten zou brengen, en ik ben niet bang voor woorden maar ik weet ook dat die woorden een onderbewustzijn uitdrukken dat voor ons een niet alleen literaire betekenis heeft gehad en heeft.’

    Is de roman onvoltooid en dus ook ongepubliceerd gebleven omdat er tussen beide schrijvers geen ‘verder’ meer was? Die vraag maakt dit onafgemaakte boek met terugwerkende kracht zo raadselachtig en schrijnend. Andere nasmeulende vragen zijn: in hoeverre schreven de auteurs over zichzelf?
    En wat beoogden ze precies met deze roman behalve het voelbaar maken van de zwaarte van het verleden?

    Paveses oeuvre is in hoge mate autobiografisch en Garufi was een belangrijke vrouw voor Pavese; de vertalers noemen haar zelfs zijn muze. De titel van zijn lievelingsboek Gesprekken met Leuco verwijst rechtstreeks naar haar, want Leuco is ‘wit’ in het Grieks, net als Bianca wit in het Italiaans is.
    Van en over Pavese is veel terug te lezen in de postume uitgave van zijn brieven en dagboekfragmenten opgenomen in Leven als ambacht.
    Over Garufi weten we dat ze werk heeft gemaakt van haar verleden. Ze ging in psychoanalyse en werd zelf psychoanalytica.

    Bekend is dat de uitgave van Fuoco Grande destijds veel stof deed opwaaien in Italië. Of Garufi, die in 2006 overleed en Pavese dus ruim een halve eeuw overleefde, ooit de behoefte voelde om iets over hun (schrijf)relatie te openbaren is misschien te achterhalen in haar nog onvertaalde vervolgroman Il Fossile uit 1962. Haar correspondentie is onlangs ook voor het grote publiek beschikbaar gesteld.

    Wie door nasmeulende brokstukken van deze roman nog geestelijke nazorg nodig heeft, doet er goed aan het voorwoord van de filosofe Patricia de Martelaere te lezen in Leven als ambacht en haar essay over Pavese’s dagboek in Een verlangen naar ontroostbaarheid.

    Pavese zag het leven als een wreed spel waarin alles al voorbeschikt is. De Martelaere weet Paveses frustraties en de soms huiveringwekkende vooruitwijzingen naar zijn eigen dood hanteerbaar te maken en bijna troostrijk te beschrijven.

     

     

     

  • Geloofwaardige leugens

    Geloofwaardige leugens

    Op het eerste gezicht het ultieme vakantieboek. Een reeks van hoogst onwaarschijnlijke gebeurtenissen en er is sprake van een brandende liefde tussen twee jonge mensen die elkaar slechts tweemaal vluchtig hebben ontmoet. In een roman en een film kan immers alles. Maar er is meer. In zijn boek heeft Bernhard Schlink het over relaties tussen mensen. Relaties tussen een man en een vrouw, soms al meer dan vijftig jaar getrouwd. Relaties tussen een vader en een zoon en tussen een moeder en een dochter. In zeven verhalen worden deze relaties ontrafeld.

    In Naseizoen is er de verwachting dat aan het eenzame bestaan van twee mensen een einde zal komen. Maar er is twijfel en het oude leven kan niet zonder meer opgegeven worden.

    Volop leugens in De nacht in Baden Baden. Een toneelregisseur brengt in een hotel de nacht door met zijn secretaresse en probeert dat te verbloemen voor een achterdochtige vriendin. De leugens stapelen zich op en de lezer zal zich afvragen of dit allemaal nog wel goed komt.

    Jaloezie speelt een grote rol in Het huis in het bos en daar komt ook weer een serie leugens uit voort. Een niet zo succesvolle schrijver probeert te voorkomen dat aan zijn vrouw een belangrijke literaire prijs wordt toegekend. Vanuit hun afgelegen woning worden alle verbindingen met de buitenwereld verbroken. Na een auto ongeluk waardoor de vrouw in het ziekenhuis belandt, komt de waarheid aan het licht. De man hoopt dat het gezinsverband hersteld kan worden en alles goed zal komen maar hierbij kunnen toch wel enige vraagtekens worden geplaatst.

    Iemand bied je een lift aan, twee vriendelijke heren bij een stoplicht, en het verzoek een brief op de bus te doen. Het licht wordt groen, de auto verdwijnt en je vriendin is ontvoerd. Na een jaar vindt een hereniging plaats maar na de vreugde van het weerzien ontstaan hevige ruzies en je duwt je vriendin van het balcon waarna ze te pletter valt. Al de leugens waarmee de hoofdpersoon zich uit de penibele situatie probeert te redden ten spijt, belandt hij toch in de gevangenis. In De vreemde in de nacht wordt de ene leugen op de andere gestapeld. Een man verdwijnt in de menigte, een vliegtuig stijgt op en tenslotte mag de lezer zelf bedenken wat de volgende leugen zal zijn.

    In het leven van een emeritus hoogleraar vinden grote veranderingen plaats als hij beseft dat hij ongeneeslijk ziek is en hij in het grootste geheim voorbereidingen treft om euthanasie te plegen. Al zijn woorden en handelingen worden leugens omdat hij zijn vrouw en kinderen niet ingelicht heeft over zijn voornemen. Opa bakt pannenkoeken voor zijn kleinkinderen alsof er niets aan de hand is. Als zijn vrouw door een toeval achter de waarheid komt is zij boos, verontwaardigd en verdrietig en neemt zij haar intrek in een andere woning. In een brief aan zijn vrouw verzendt de professor de sleutel van het medicijnkastje en een tweede sleutel gooit hij in het meer. Bernhard Schlink noemde dit verhaal Zijn laatste zomer.

    Vader en zoon gaan samen naar Rügen en luisteren daar naar de Franse suite van Bach. Een probaat middel om te komen tot een verbetering in de relatie tussen beiden. De zoon probeert zijn vader duidelijk te maken dat kinderen meer willen dan afgemeten gedrag en gedistantieerd zwijgen. De vader op zijn beurt is teleurgesteld en bedroefd omdat zijn kinderen zich hebben afgekeerd van het geloof en niets meer van de kerk willen weten. Aan het einde van de reis zijn er toch twijfels. Is de relatie zoveel beter geworden? In Johan Sebastian Bach op Rügen lezen we er alles over.

    Een eenzame bejaarde dame viert met tegenzin haar verjaardag te midden van haar familie en vraagt zich af of ze haar kinderen nog liefheeft. Is ze nog wel geïnteresseerd in haar kleinkinderen? Tijdens een uitstapje arrangeert een kleindochter een ontmoeting met haar jeugdliefde. Er zijn bitterzoete herinneringen. Heeft ze destijds een verkeerde keuze gemaakt? In De reis naar het zuiden blijkt eens te meer dat éénmaal gemaakte keuzes niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden.

    De verhalen van Bernard Schlink maken de indruk van gecomprimeerde romans. In een kort tijdsbestek gebeurt er van alles. De meeste verhalen hebben een open einde. Dat heeft als voordeel dat de lezers er verder hun eigen fantasie op los kunnen laten.

     

  • ‘Het is niet moeilijk om te weten of iets echte liefde is.’

    ‘Het is niet moeilijk om te weten of iets echte liefde is.’

    Er zijn romans die in de categorie ‘ja’ vallen en er zijn romans die in de categorie ‘nee’ vallen. Boeken vallen in de categorie ‘ja’ als het verhaal boeiend is of de vorm vernieuwend; als de personages realistisch of de woorden prachtig gekozen zijn. Als het boek in kwestie een combinatie is van deze eigenschappen, kunnen we spreken over een echt goed boek. En dat is nu precies het geval bij Een bruidsjurk uit Warschau van Lot Vekemans (1965). Een vlotgeschreven roman, vol prachtige uitspraken, die je vastgrijpt en niet meer loslaat – tot je na 253 pagina’s het boek dichtslaat.

    ‘Toen ik daar iets over zei, had hij me stevig vastgepakt en me diep in mijn ogen gekeken. “Liefde is geen zaak van wie je bent of wat je doet of waar je geweest bent! Liefde is een zaak van het hart en het hart maakt geen verkeerde keuzes.”‘
    Zo ontluikt zich een mooie liefdesaffaire tussen de Poolse Marlena en de Amerikaanse Natan. Marlena denkt de man van haar leven tegengekomen te zijn en doet, zonder dat haar moeder het weet, alles om vaker bij hem te zijn. Ze neemt daarom een baantje in het restaurant van Szymon en Basia, familie van Natan. Zo beleven ze samen een mooie tijd en Marlena wil graag een toekomst met Natan opbouwen. Als Natan plotseling uit haar leven verdwijnt, wordt ze gedwongen andere keuzes te maken. Uiteindelijk besluit ze om Polen te verlaten, en wordt ze via een huwelijksbureau gekoppeld aan Andries, een Brabantse boer. Hij is aanvankelijk niet zo enthousiast, maar besluit het toch te proberen met haar. Marlena probeert zich aan te passen in Nederland, maar dat blijkt moeilijker dan gedacht. Maar ook voor Andries is het niet gemakkelijk. Ondanks de afwezigheid van fysiek contact, is hij toch erg op haar gesteld. Als zij uit zijn leven verdwijnt, weet hij niet goed wat hij moet doen. Moet hij zijn verstand volgen of zijn gevoel? Een roman over de liefde, over eenzaamheden en over keuzes.

    In een tijd waarin de landsgrenzen vager lijken dan ooit, is dit thema over je geluk zoeken in het buitenland heel actueel. Maar dit thema is natuurlijk niet voor het eerst gekozen. Denk bijvoorbeeld aan De Poolse bruid, de film waarin Monic Hendrickx als Poolse vrouw een leven opbouwt met een Groningse boer. Soms komen bepaalde scènes bijna overeen. Kijkers van de film zullen zich ongetwijfeld nog een typische scène uit de film herinneren waarin zij samen aan de keukentafel eten, waarna zij zich over de afwas ontfermt. Met name deze scène is haast letterlijk in het boek te vinden:
    ‘We zaten tegenover elkaar aan de keukentafel […] Op mijn bord lagen aardappels, snijbonen en worst. Op tafel een witte kom met jus. Andries sneed de worst in stukjes, prakte de aardappels en mengde alles door elkaar. Daarna goot hij de jus eroverheen totdat zijn eten als een eilandje in een bruin plasje dreef. Hij at met zijn vork. Toen zijn bord leeg was, stond hij op en zette het in de gootsteen. “De koeien,” zei hij. Ik keek hem vragend aan. “Cows. Milk.” Ik stond op.’

    Maar anders dan de film laat Vekemans zich niet verleiden tot een vrolijk en ‘ze leven nog lang en gelukkig’-einde, waardoor het boek realistischer en aangrijpender is dan de film. Een nadeel van het boek is dat het überhaupt geen einde heeft, het verhaal is vrij plotseling afgelopen.

    De roman heeft een bijzondere opbouw. Ze bestaat uit drie delen, die afwisselend vanuit het perspectief van Marlena, Andries en Szymon zijn verteld. De verhaallijn gaat wel door en de delen eindigen op het hoogtepunt van de spanningsboog, ook het laatste deel – zoals gezegd. Dat creëert spanning, is interessant en vernieuwend, maar zorgt er aan het einde helaas voor dat er toch wat vraagtekens overblijven. Het verhaal bevat veel flashbacks. Flashbacks hebben vaak tot gevolg dat het verhaal daardoor moeilijk te volgen is, maar bij deze roman is dat geenszins het geval. Op een slimme, duidelijke – maar helaas af en toe iets te geforceerde – manier vermengt Vekemans het romanheden met het verleden. In het hoofdstuk vanuit Andries’ perspectief:

    ‘Buiten schopte ik een kruiwagen omver en smeet een bezem door de lucht. Toen die de keien raakte, brak de steel in tweeën. Ik moest denken aan de enige andere keer in mijn leven dat ik zo boos was. Ik was acht jaar. Mijn vader had me meegenomen naar de stal waar we vier geitjes hadden staan.[…] ‘

    Maar het is niet alleen deze interessante vorm waardoor je het boek in sneltreinvaart uitleest. Vekemans heeft een goed, veelal cynisch gevoel voor humor dat de sfeer van de roman grotendeels bepaalt.
    Marlena: ‘Ik wilde Józef niet. Józef was de zoon van Mietek en Mietek dronk. Iedereen dronk, maar Mietek had een kwade dronk.’

    En over haar Nederlandse lessen:
    ‘Elke zin sprak ze me voor en ik herhaalde haar gedwee.
    Ik snijd het brood.
    Ik smeer boter.
    Ik schaaf kaas. (Dat schaven kon ik niet uitspreken)
    Ik schenk melk in een glas. (Dat schenken kon ik ook niet uitspreken.)
    Ik zet koffie in een kan.
    “Heel goed Marlena, heel goed.”’

    Vekemans legde zich voorheen toe op het schrijven van toneelteksten. Ook deze roman zou prima als basis kunnen dienen voor een theaterscript. Er zijn met name zeer geschikte teksten voor monologen te vinden. Om daar nog een prachtig voorbeeld van te geven:

    ‘Het is niet moeilijk om te weten of iets echte liefde is. Het is iets wat zo zeker en vast is als een rots die in het midden van de rivier ligt en die voor geen enkel geraas zal wijken. Het is alsof je groter bent dan jezelf, alsof je hart groter is dan jezelf. Alsof jij in dat hart woont, in plaats van dat hart in jou.’

    Vekemans heeft een gave om doeltreffend, pakkend en creatief te schrijven. Daarbij zijn haar personages zo levensecht, dat je het gevoel hebt dat je ze echt leert kennen. Dat je ze tegen kunt komen. Misschien daarom ook dat open einde, om deze illusie in stand te houden. Een volle ‘ja’ tegen deze roman. Lezen dus.

     

  • SLANG Magazine vijfde edititie

    SLANG Magazine vijfde edititie

     SLANG is een literair initiatief waarin cultuur, vormgeving en actualiteit samenkomen en is tevens de overkoepelende term voor SLANG Magazine en SLANG Bytes.

    Het thema van de vijfde editie van SLANG is de Balkan, al weet de redactie niet meer precies wat hiertoe de aanleiding was. De Balkan wordt belicht in o.a. essays, proza en poëzie van Nederlandstalige – als ook autochtone  auteurs zoals onder meer Claudia Zeller, Guido van Eijck, Arja van den Bergh, Mirza Dolic, Andrei Patru en Dane Zajc. De teksten worden afgewisseld met fotografisch-, schilder- en tekenwerk.

    Als eerste een interview met de in Hongarije residerende schrijver Jaap Scholten die dit jaar De Libris Geschiedenis Prijs ontving voor zijn roman Kameraad Baron. Scholten kwam voor het avontuur naar Hongarije maar is sinds hij daar woont de voorspelbaarheid van het leven in Nederland meer gaan waarderen. Hij vertelt dat hij zijn verhalen, zoals hij het huis, dat hij stukje bij beetje opbouwde van verzamelde materialen,  opbouwt uit een verzameling aan dingen die hij gehoord en gezien heeft. En passant verwijt hij de Hongaarse schrijver Peter Esterhazy (1950) dat deze zijn vader verraden heeft in zijn boek Harmonia Caelestis om zo meer boeken te kunnen verkopen. ‘Als je het verhaal van anderen optekent, moet je daarbij eerbied betrachten. Dat is wat ik probeer.’ Volgens Scholten heeft Esterhazy dit verzuimd.

    Een gedicht van de Roemeense dichter Andrei Patru Romania Mea, is opgenomen in het Roemeens met een vertaling in het Engels erbij. Daaronder een briefje als reactie van D. Petrie aan de heer Steltenpool. Of deze heer de vertaler is of D. Petrie zelf is niet duidelijk.

    De bijdragen zijn opvallend kort van stof met uitzondering van het interview met Jaap Scholten (voor een interview toch weer wel). In het essay De Cremers en de pornoficatie van Joegoslavië belicht Sven Peeters drie generaties Cremer. Cremer sr., de vader van de man die Ik Jan Cremer schreef, was auteur van ‘onschuldige’ teksten die hij voor verschillende kranten schreef tijdens een fietstocht naar Palestina eind jaren dertig vorige eeuw. Terug fietste hij door de Balkan landen, waar in 1992 zijn kleinzoon Cliff Cremer (1967) als ‘ex-marinier, freelance journalist en modern avonturier’ in Kroatië belandde en er nogal de beest uithing.

    De inhoud van een enkele bijdrage is niet gericht op de Balkan. Zoals het bondige stukje proza van Twan Zegers, Internationale betrekkingen. In  beeldende taal wordt een dag uit het leven van een postbezorger beschreven dat begint aldus: ‘Hier stond ik dan, doorweekt en alleen, in een verlaten straat, halfhurkend voorovergebogen om de stapel brieven die zwaar op mijn verkrampte rechterarm leunde tegen de regen te beschermen.’ Waarna de strijd tegen de weerselementen een aanvang nemen en de beloften van het postbedrijf ‘Iedereen kijkt naar je uit’ de postbezorger tot het uiterste drijft. Zegers maakt mooie zinnen die meer zeggen dan er staat geschreven. ‘ De zon was doorgebroken, en ik kon mij verheugen over het feit dat ik de tijd die mijn baas voor mijn werkzaamheden had vastgesteld en waarvoor ik beloond werd, met minder dan twee uur overschreden had.’ Prachtig!

    Fotografie is er van Eli Vandecasteele, die ook de coverfoto bezorgde. Bij het gedicht (in het Engels) Coitus amor van de Joegoslavische dichter Mirza Dolic een veelzeggende foto van Vandecasteele van een Roma familie waarvan de woonstee gelijk een vuilnisbelt is.

    Geïnteresseerden zouden beslist wat meer over de achtergrond van de auteurs van deze SLANG willen weten. Waar komen ze vandaan en wat hebben ze gedaan? Want wie weet wie Friso van Endt is, waarvan op pag. 4 een schilderij staat afgebeeld? En wie is Willem Slofstra die een portret van Zvjezdan schreef?

    SLANG verschijnt vier keer per jaar:
    Prijs:  20 euro per jaar (Nederland)
    25 euro per  jaar (buiten Nederland)

    Bekijk hier de website van SLANG.

    Foto cover: Eli Vandecasteele

     

  • Nederlands diplomaat klapt uit de school

    Nederlands diplomaat klapt uit de school

    Recensie door Rein Swart

    Een ambassadeur vertegenwoordigt een land in een ander land. Vaak hoor je weinig over dat soort mensen. Ze bevinden zich achter dikke muren met hoge hekken, (laten zich) rijden in dure auto’s, nemen deel aan diners en handelen administratieve plichtplegingen af. Coen Stork (1928), die in 1961 attaché werd in Bagdad en in 1988 ambassadeur in Roemenië, is een uitzondering. Als diplomaat heeft hij over de hele wereld gezworven en hij vertelt daarover aan Peter Henk Steenhuis. Deze redacteur van Trouw legde zijn avonturen, met foto’s verluchtigd, vast in De rode ambassadeur dat als ondertitel De twintigste eeuw door de ogen van Coen Stork meekreeg. De omslag toont een kaart van de wereld waarop rode vlekken aanduiden met welke landen hij bemoeienis had. De vlekken in Spanje, Zuid-Afrika, Argentinië, Cuba en Roemenië zijn het grootst. In zijn Nawoord geeft Stork aan dat hij dictaturen het meest interessant vond.

    Coen Stork vertegenwoordigde zijn land met veel sociale betrokkenheid. Door zijn bazen werd hem dat niet altijd in dank afgenomen. In zijn Nawoord noemt Stork het Ministerie van Buitenlandse Zaken reactionair en de Buitenlandse Dienst nog een graadje erger omdat altijd de nadruk lag op handelsbevordering. Stork bepleitte in plaats van een VOC-mentaliteit, meer aandacht voor cultuur en mensenrechten. Hij werd dan ook na zijn pensioen in 1993 door OVSE-voorman Max van der Stoel gevraagd hem te assisteren in Roemenië. Helaas keurden de Roemeense regeringsleden zijn benoeming niet goed. Stork had zich, tegen de zin van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Hans van den Broek, kritisch uitgelaten over het nieuwe regime van Iliescu. Van den Broek noemde hem een onbezoldigde verslaggever van de Nederlandse pers. Angst voor de pers was bij diplomaten ingebakken, zegt Stork daarover.

    De getuigenissen van Stork geven meer inzicht in de werkelijkheid dan men gewoonlijk in de krant leest. Tijdens het proces tegen Nelson Mandela en andere ANC leden, lijkt Stork zich op de borst kloppen over zijn invloed in het voorkomen van de doodstraf, maar hij blijkt daarna een man met het hart op de goede plaats. Als Luns oproept om als diplomaten het Nederlands belang te dienen zet Stork zijn huis open voor mensen die verdrukt worden door hun regering.

    Hoewel af en toe de gesprekstoon tussen Stork en Steenhuis door de tekst heen dringt zijn de avonturen spannend genoeg. Het is boeiend te lezen over de zware jaren in het Spanje van Franco, het teloorgaan van het peronisme in Argentinië en Storks onzekerheid in 1980 over Castro, die het niet nauw nam met de mensenrechten maar wel zorgde voor basisvoorzieningen.

    Behalve over diens ambtelijke bezigheden schetst Steenhuis ook een beeld van de persoon Stork. Af en toe wijdt hij een hoofdstuk aan de jeugd van Stork. Zijn grootvader zat in de Eerste Kamer en werd door Thorbecke zeer gewaardeerd. Zijn familie behoorde tot de top van industrieel Nederland. Coen Stork daarentegen ontwikkelde een aversie tegen economie en werd meer aangetrokken tot het culturele leven.

    Ook zijn tumultueuze liefdesleven komt ruimschoots aan bod. Stork trouwde in 1963 op 34-jarige leeftijd met de Amerikaanse Kiki Parker en kreeg kinderen met haar, maar hun huwelijk raakte in het slop. Stork wilde verder met zijn secretaresse Ellen, die hij zwanger had gemaakt, maar een vriendin was een vreemd verschijnsel in de wereld waarin hij zich bewoog. Nadat zijn vrouw tenslotte een scheiding accepteerde, trouwde hij met Ellen maar ook met haar liep het mis. Een diplomaat reist nu eenmaal veel en doet overal contacten op, lijkt Stork als verklaring te geven. De verwijdering met zijn moeder die het oneens was met zijn duidelijke stellingname op politiek gebied is schrijnend om te lezen.

    De tijd in Roemenië noemt Stork zijn spannendste tijd. Hij arriveerde daar in 1988 en werd als ambassadeur door het autoritaire regime geïntimideerd om te voorkomen dat hij geen onwelgevallige berichten naar buiten zou brengen. Hij kwam op tegen de systematisering, waarmee de sloop van dorpen en het weghalen van stadswijken ten gunste van megalomane gebouwen onder Ceausescu werd bedoeld. Een memo daarover aan Buitenlandse Zaken toont het belang aan van diplomatie. Stork zegt in dit verband: ‘Een goede diplomaat doet niet alleen verslag van wat hij ziet of hoort, maar zet zich ook persoonlijk in, laat zien wie hij is, wat hij goed vindt, slecht vindt. Een diplomaat probeert na te gaan of wat er in een land speelt tegen zijn gevoel van menselijkheid in gaat of niet.’

    Het zou mooi zijn als dat in elke geloofsbrief komt te staan die een ambassadeur voor zijn beëdiging aan het staatshoofd aanbiedt!

     

     

  • Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

    Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

     

    Hoe komt een Congolees terecht in Praag? In de jaren zestig vertrok de vader van de Tsjechische auteur Tomáš Zmeškal vanuit Afrika naar Oost-Europa. In opdracht van de leider van de Congolese onafhankelijkheidsbeweging, Patrice Lumumba, moest hij daar steun vinden voor de revolutie in zijn geboorteland. Door een verschil van mening tussen de Tsjechoslowaakse communisten en de Congolese revolutionairen kon Zmeškals vader Tsjecho-Slowakije niet meer verlaten. In Praag ontmoette hij vervolgens de dochter van een keurige accountant waarmee hij een zoon kreeg, Tomáš. En uiteindelijk wordt deze Congolese Tsjech een van de beste auteurs van zijn generatie. Het leven van Tomáš Zmeškal is in vergelijking tot dat van zijn vader minder turbulent. Hij groeit op zonder die vader, die eind jaren zestig toch de mogelijkheid krijgt om terug te keren naar Congo. Tomáš krijgt de kans om naar Engeland te vertrekken en studeert Engelse taal- en letterkunde in Londen, maar keert na de val van het communisme terug naar Praag. Uiteindelijk debuteert hij als veertiger met Een liefdesbrief in spijkerschrift.

    In Een liefdesbrief in spijkerschrift vertelt Tomáš Zmeškal het verhaal van een Praagse familie en de vernietigende invloed van het Stalinisme op hun leven. Josef en Kvĕta zijn verliefd en trouwen met elkaar. Niets lijkt hun geluk in de weg te staan als Kvĕta zwanger wordt. Kort voordat hun dochtertje Alice wordt geboren belandt Josef echter als politiek gevangene in een werkkamp. Als Alice tien is en de Praagse Lente is losgebarsten, wordt Josef vrijgelaten. Hij komt erachter dat Kvĕta een verhouding heeft gehad met Hynek, zijn vriend en verrader. Josef is niet in staat haar te vergeven. Pas na de val van het IJzeren Gordijn lijkt hij in staat tot een toenaderingspoging.

    Het verhaal van Josef en Kvĕta wordt afgewisseld met het levensverhaal van Alice, hun dochter, en verscheidene andere figuren. Het is een rijk palet aan personages, die tezamen de moderne geschiedenis van Tsjechië in beeld brengen. Zmeškal neemt makkelijk afscheid van zijn personages. Sommigen sterven, anderen verdwijnen uit beeld om later toch weer even voorbij te komen. Allemaal worden ze door Zmeškal tot leven gewekt, menselijk gemaakt, inclusief hun donkere kanten. De auteur zelf komt voorbij als psychiatrisch patiënt in een inrichting en meerdere inbrekers spelen een rol in de roman. Maar één van de meest interessante figuren is de gekke banketbakker. Hij komt terecht in een gesticht omdat hij zijn vrouw heeft nagemaakt van marsepein. Aan zijn behandelend arts vertelt hij fantastische verhalen, uiteenlopend van science fiction tot verhalen die doen denken aan de Sprookjes van 1001 nacht. Het zijn deze verhalen die het eerste deel van het boek zo goed maken. Vooral de twee verhalen die de banketbakker vertelt over onsterfelijkheid zijn onvergetelijk. Later in het boek blijkt de banketbakker overigens niet zo gek als iedereen dacht.
    Ook de man waarmee Alice trouwt, Maxmilián is intrigerend. De manier waarop zijn karakter zich ontwikkelt is bijna schokkend om te lezen. Duidelijk een bewijs van het meesterschap van Zmeškal, en ongelofelijk goed voor een debutant.

    Zmeškal hanteert niet alleen vele personages, maar ook verscheidene stijlvormen. Naast science fiction en sprookjesachtige verhalen gebruikt hij bijvoorbeeld ook brieven en officiële documenten om zijn verhaal te vertellen. De sfeer in het boek is, afgezien van de afwijkende stijlvormen, in het algemeen goedmoedig en licht absurd en een tikkeltje filosofisch. Hier komt ook de vergelijking met schrijvers als Bohumil Hrabal en Jáchym Topol om de hoek kijken. Vermoedelijk is het hun manier geweest om de, bij tijd en wijle zeer zware, Tsjechische censuur bij de neus te nemen. Zmeškal heeft zich duidelijk door hun milde humor en absurdisme laten inspireren. Zijn verhaal over de inbreker en meneer Verner is hiervan een goed voorbeeld. Meneer Verner wordt midden in de nacht wakkergeschud door een man in een overal. Het blijkt een inbreker die het niet aandurft om Verners huis weer uit te sluipen, omdat die nacht de Russische tanks door de straten van Praag rollen om een einde te maken aan de Praagse Lente. ‘Nadat de tanks voorbij waren, liep hij met hem mee naar het kruispunt waar ze hielpen om geïmproviseerde barricades op te werpen.’ Sinds die nacht ontmoeten Verner en de inbreker elkaar jaarlijks op de datum van de Russische inval, zodat de inbreker het geld kan terugbetalen dat meneer Verner hem heeft gegeven.

    Zmeškal heeft een ongelofelijk goed debuut geschreven. Het boek is dan ook volkomen terecht genomineerd voor de Magnesia Litera Prijs en werd bekroond met de prestigieuze Josef Škvorecký Prijs en de European Union Prize for Literature 2011. De personages lijken levensecht en zijn opvallend goed ontwikkeld. Zmeškal heeft vermoedelijk lang geschaafd aan zijn roman. Alleen mis je in het tweede deel de kleurrijke verhalen van de banketbakker, een kleine min in een verder prachtig boek. De verscheidenheid aan mooie verhalen doet vermoeden dat hij ze jarenlang heeft opgespaard om zijn beste verhalen te publiceren in het raamwerk van een roman. De vraag is of hij dit kan herhalen in zijn tweede boek dat begin dit jaar in Tsjechië is verschenen. Laten we hopen dat het snel vertaald wordt en dat Zmeškal wederom de briljante verhalenverteller zal zijn waarmee we in Een liefdesbrief in spijkerschrift hebben kennisgemaakt.

     

  • Engel of duivel?

    Engel of duivel?

    Almond is eigenlijk een kinderboekenschrijver en dit is zijn eerste roman voor volwassenen. Dat hij zich goed kan inleven in de kinderziel is aan dit buitengewone boek goed te merken. Hij laat alles opschrijven door Billy Dean, een jongen van 13 jaar. Dat is een vondst. Alles is in een fonetisch schrift geschreven, zoals een jongen zou schrijven, die nooit goed heeft leren spellen. (‘Ze zeggen dat ik onder ut srijfen van mn verhaal vanzelf merk hoe ik ut moet srijfen.’)

    Dat komt omdat Billy een verborgen kind is. Zijn vader is de katholieke priester Wilfred, die het jonge meisje Veronica heeft verleid. Ze raakt in verwachting en het kind wordt ondergebracht in zijn kamertje en later bij ene mevrouw Malone. De vader bezoekt het kind en wil het leren lezen en schrijven, maar heeft daar eigenlijk geen tijd voor over. Hij vindt het belangrijker om hem over leven en dood angstaanjagende verhalen te vertellen. (‘Soms lijkt de werelt door en door slegt. Maar als we goed kijken ondekken we dat er in alles un goet hart zit.’) De jonge moeder komt ook af en toe op de proppen, maar weet niet goed wat ze met het jongetje aan moet. Langzaam maar zeker onthult mevrouw Malone het verleden aan de geschrokken Billy. Dat zijn moeder hem heeft verstopt en dat zijn vader een priester is. Billy wordt verder opgevoed door de slager McCauffrey, die met een mes zwaait maar wel een zwak voor het jongetje heeft.

    In het dorpje Blinkbonny, waarschijnlijk een Iers gehucht, komen spiritisten bijeen in het huis van mevrouw Malone. Ze houdt er seances. Toevallig woont Billy een seance bij en men ontdekt dat hij over bovenzintuiglijke gaven beschikt, waar hij zelf niets van wist. Er komt een stroom bezoekers en nieuwsgierigen op gang om Billy te bezoeken en hij kan inderdaad genezingen tot stand brengen. Na enige tijd wordt hij verliefd op een meisje, die hem uit de sfeer wil halen van Grote Verlosser. Een soort ‘Yomanda’ is hij geworden, maar vooral om de portemonnee van mevrouw Malone te spekken, die stevige tarieven rekent voor genezingen. Een deel van de mensen vereert hem als een engel, anderen zien in hem niets meer of minder dan de duivel. Het komt tot een vreemd hoogtepunt wanneer hij van dorpelingen een dood kind weer tot leven moet wekken. Dat mislukt en de teleurstelling is groot. Zou hij dan toch een duivel zijn? Maar tegelijkertijd storten er huizen in en beeft de aarde. De straf van God of gewoon een natuurverschijnsel? Voor Billy is het een teken dat hij maar eens weg moet gaan uit een omgeving, die zoveel van hem verwachtte. Weg ook uit een stadje dat een verstikkende uitwerking op hem heeft. De verstikkende invloed van het Ierse katholicisme? Hij wil vertrekken naar een heilig eiland, waar vroeger de monniken leefden, de heiligen en de engelen. Dat is gebaseerd op een schilderij, dat hij kent. Het eiland is Lindisfarne en bestaat echt. Of er engelen rondzweven komen we niet te weten.

    Het verhaal eindigt abrupt, maar het is van begin tot eind geschreven in een meeslepende stijl. Dat de spelling erg apart is, went na een paar hoofdstukjes. Het geeft zelfs een extra dimensie waardoor je heel dicht op de belevingswereld van Billy zit. Het zal voor vertaalster Annelies Jorna niet eenvoudig zijn geweest om het fonetische taaltje van Billy in fonetisch Nederlands om te zetten.

     

     

  • Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    De figuren in De karaokeoorlog zijn verdoemd of waanzinnig of juist heel erg ‘eenentwintigste-eeuws’. Toestanden die prima samen blijken te gaan.

    Het is een mengeling van bevreemding, slapstick en stiekeme maatschappijkritiek die Ryu Murakami de lezer biedt. Ter verheldering: het gaat hier niet om Haruki. Zijn naamgenoot Ryu Murakami (1952) schijnt in Japan al even beroemd te zijn, en is naast schrijver ook filmmaker. In Nederland verscheen eerder van hem In de Misosoep.

    De uitgangssituatie is opmerkelijk. In een moderne Japanse stad ontmoet een groep jonge mannen elkaar geregeld om karaoke te zingen en steen-papier-schaarwedstrijden te spelen. Allemaal zijn ze hun leven lang genegeerd en onbemind gebleven. De existentiële leegte druipt van deze samenkomsten af, om het zo maar te zeggen. Ligt de oorzaak van deze ellende misschien in de ‘tijdsgeest’, die ‘in wezen een onderdrukkend waardesysteem was, voornamelijk gebaseerd op de absolute zekerheid dat niets in deze wereld ooit zou veranderen’?

    De waanzin loert, of is misschien al overal. Hun activiteiten lijken bizarre rituelen, waarbij ze steeds ‘in abnormale mate’ lachen. De gemiddelde lezer zal denken dat een steen-papier-schaarwedstrijd één van de meest simplistische spellen ter wereld is. Niet bij deze jongens: ‘De deelnemers schreeuwden, sprongen op en neer, lachten hysterisch, rolden over de vloer, sloegen met hun hoofd tegen de muren, kregen stuiptrekkingen in willekeurige ledematen en braakten soms zelfs van te grote opwinding. Het vreemde was dat deze verwoede voorstellingen zowaar de uitkomst leken te beïnvloeden.’

    Tot grote opwinding van de rest begaat één van hen, Sugioka, al snel in het boek een moord. Hij steekt Yanagimoto Midori dood, een ‘tante’, oftewel een ‘oba-san’. Oba-sans zijn: ‘Levensvormen die niet langer evolueren. En iedereen kan in een oba-san veranderen. Jonge vrouwen, natuurlijk, maar ook jongemannen, zelfs mannen van middelbare leeftijd – zelfs kinderen. Je wordt een oba-san zodra je de wil om te evolueren verliest.’ Het lijken Nietzsche’s laatste mensen, die in een eeuwige, schijnbaar comfortabele vegetatieve staat verkeren, en daardoor iets van hun mens-zijn verliezen.

    Ryu Murakami’s schets van de moderne maatschappij stikt van de oba-sans. Verschillenden ervan heten Midori, en zij hebben samen het ‘Midori Genootschap’ opgericht. Alsof veel mensen niets meer gemeen hebben dan een gedeelde naam. Hoe dan ook, de Midori’s betreuren hun vermoorde medelid Yanagimoto. De wil tot wraak brengt deze voorheen zo uitgebluste vrouwen weer tot leven. Het verleent zin, hun ogen schitteren weer en als gevolg daarvan vinden ook de mannen hen weer aantrekkelijk.

    De wreker – dat wil zeggen: één van de Midori’s – komt met een sashimi-mes gebonden op het uiteinde van een swiffer. De Midori’s verenigen samurai en huisvrouwen. Met dit originele wapen wordt aldus Sugioka vermoord. En zo ontstaat er een soort vendetta tussen beide groepen, tot groot genoegen van alle betrokkenen: ‘Wat is dat eigenlijk voor geks met dat wraakgedoe? Je wordt er vanbinnen helemaal wee van!’

    De term ‘karaoke’ betekent ‘leeg orkest’. Wil Murakami wijzen op het atomisme van de moderne maatschappij, op de spirituele leegte als gevolg van een ontbrekend zingevingssysteem? Het is een verdedigbare interpretatie. De leegte wordt door de hoofdpersonen opgevuld met die zekerheid die enkel waanzinnigen bezitten, nog van extra zin voorzien door de cultus van de wraak: ‘Als je er goed over nadenkt, is moord het enige wat tegenwoordig überhaupt nog iets betekent.’ Vanuit het perspectief van de hoofdpersonen van dit boek – en Murakami impliceert misschien wel: voor de gemiddelde moderne mens – lijkt dit waar: geen waarheid, geen zin, geen ontwikkeling. Enkel ja of nee: te zijn of niet te zijn.

    Maar de afwisseling tussen hilariteit en de waanzin van hij of zij die het zeker weet, is niet het enige dat Murakami biedt. Hij lardeert het met inzichtrijke psychologische observaties, voornamelijk over de banaliteit van de contemporaine mens. En, heel sporadisch, laat hij een van de hoofdpersonen een jeugdherinnering ophalen, één die bij verrassing werkelijk kan ontroeren, zonder door grotesk gelach of door een perverse rationalisatie te worden verpest.

    Het zijn zeldzame pareltjes in een zwijnenstal. Maar die zwijnenstal is vol intrigerende vuiligheid, en dat maakt Murakami’s De karaokeoorlog de moeite waard.

     

  • Een meesterwerk van een begenadigd verteller

    Een meesterwerk van een begenadigd verteller

    ‘De celdeur sloeg achter Roebasjov dicht.’ Met deze eerste zin treedt de lezer niet alleen binnen in de cel van Roebasjov, maar ook in diens voorbije leven en in zijn gedachten daarover.

    Wie is Nicolaj Salmanovitsj Roebasjov die op zijn doodvonnis wacht in isoleercel No. 404 in een nieuwe modelgevangenis in een niet nader genoemd land en plaats?
    Roebasjov is een fictief personage, de vijftig ruim gepasseerd, een bolsjewiek van de oude garde met traditioneel baardje en lorgnet. Hij is ex-volkscommissaris en stond dichtbij de grote Leider, No. 1. Hoewel de naam Stalin niet voorkomt in deze roman, moge het duidelijk zijn dat hij bedoeld wordt met No. 1. Roebasjov is volgens de schrijver een synthese van Karl Radek, Nicolaj Boecharin en Leon Trotski, vooraanstaande bolsjewieken die allen in de 2e helft van de jaren 30 geliquideerd en vermoord werden.

    Het boek begint op het moment dat Roebasjov last krijgt van vreselijke nachtmerries die hem ‘aankondigen’ dat het binnenkort zijn beurt is om gearresteerd en ‘fysiek geliquideerd’ te worden. Daarbij ziet hij steeds weer de foto in de houten lijst met de afgevaardigden naar het eerste congres van de Partij. ‘Boven elk hoofd stond een kleine cirkel met een cijfer erin dat correspondeerde met één van de namen onderaan de foto. (…) Ze waren bezig de grootste revolutie in de geschiedenis van de mensheid voor te bereiden. (…) Waar waren zij gebleven? Hun breinen hadden allemaal een lading lood gekregen. (…). Slechts twee of drie van hen waren overgebleven. Hijzelf en No. 1.’

    Als hij eenmaal opgehaald is voor verder verhoor over zijn ‘zogenaamde’ hoogverraad, heeft deze arrestatie, merkwaardig genoeg, een kalmerende werking en de eerste nacht in de cel slaapt hij weer normaal. Het is niet de eerste keer dat Roebasjov eenzaam opgesloten is en zijn ondeugd om te dagdromen in gevangenschap overvalt hem al vanaf de eerste dag. Tijdens het heen en weer lopen in zijn cel, verplaatst hij zich in zijn slachtoffers en ‘droomt zoals het geweest had moeten zijn, nooit zoals het in werkelijkheid geweest was.’

    Roebasjov krijgt twee onderzoeksrechters die hem ieder op hun eigen manier proberen te dwingen deze misdaden publiekelijk te erkennen. Ivanov en Gletkin vertegenwoordigen twee generaties bolsjewieken. Ivanov, een oude bekende van hem, van zijn eigen generatie, zelfde afkomst, opleiding en ontwikkeling, weet dat de misdaden waarvan Roebasjov beticht wordt, puur fictief zijn. Toch probeert Ivanov Roebasjov te laten inzien dat ‘de martelaar uithangen’ onverstandig is daar deze houding gebaseerd is op zelfmedelijden, geweten, wroeging en twijfel. De ‘ik’ bestaat niet volgens de Partij en is een ‘grammaticale fictie’. De motieven van het individu doen er niet toe. Evenmin het geweten. ‘De Partij kende slechts één misdaad: afdwalen van de koers die zij had bepaald; en slechts één straf: de dood. (…) Het was de logische oplossing voor politieke meningsverschillen.’ 

    Op de muur, achter Ivanov, ziet Roebasjov tijdens het verhoor een vierkante plek, lichter dan de rest van het behang. Daar had de foto met de bebaarde hoofden en de genummerde namen gehangen. ‘Alles waarin hij had geloofd, waarvoor hij de laatste veertig jaar gevochten en gebeden had, sloeg als een onweerstaanbare golf door zijn herinnering. Het individu was niets, de Partij was alles; de tak die van de boom brak moest verdorren…’ 

    Roebasjov, inderdaad gekweld door wroeging, ziet steeds de slachtoffers voor zich die hij op grond van zijn ‘rationeel handelen’ de dood in heeft gejaagd en hij zegt uiteindelijk toe te gaan bekennen. Had het briefje: ‘Sterf in stilte’ dat bij de kapper in zijn boord werd gestopt er iets mee te maken? Van wie kwam dat?

    Dan krijgt het verhaal een dramatische wending. De gematigde Ivanov wordt gearresteerd, beschuldigd van een te nonchalante onderzoeksmethode in de zaak Roebasjov en korte tijd daarna geliquideerd. ‘Burger Ivanov is gisteravond na een administratief vonnis doodgeschoten.’ 

    De meedogenloze Gletkin neemt het verhoor over en probeert Roebasjov geheel te breken door hem fysiek uit te putten. Hij gunt hem geen nachtrust, kwelt hem door felle schijnwerpers op zijn gezicht te zetten. Door de urenlange verhoren, zes dagen en zes nachten, raakt Roebasjov zelfs bewusteloos.
    Gletkin is pas 36 jaar en heeft geen enkele persoonlijke band met het verleden van de Partij. Hij was nog maar een kind tijdens de Oktoberrevolutie en zijn proletarische afkomst draagt er niet toe bij begrip te tonen voor Roebasjov.
    Gletkin is met zijn ‘correcte wreedheid een weerzinwekkend creatuur’ schrijft Roebasjov en noemt hem een ‘onbeweeglijke Neanderthaler’, zonder enige zichtbare emotie’. Gletkins aanklacht bestaat uit zeven misdaden tegen de Partij en de Staat waarvan de poging tot vergiftiging van No. 1 wel de meest absurde is. Hiervoor schuwt Gletkin het niet een getuige (Hazenlip) een geheel verzonnen afspraak te laten vertellen. Hazenlip is voorafgaand aan deze ingestudeerde getuigenis meerdere malen gefolterd en zal nog vóór Roebasjov geëxecuteerd worden.

    In wezen is er nog een derde onderzoeksrechter. Dat is Roebasjov zelf, vertwijfeld door een pijnlijk zelfonderzoek. In zijn dagboekfragmenten en dagdromen, lezen we gedetailleerde herinneringen aan situaties en slachtoffers. De lichte, zusterlijke geur van het lichaam van Arlova, zijn secretaresse/maîtresse die hij niet gered heeft; de geur van zeewier in de havenstad en kleine Louis die zich verhangen heeft. Ondanks de tragiek, zijn dit fraai beschreven passages waardoor de lezer meer inzicht krijgt in de persoon en cultuur van Roebasjov. Vindt hij uiteindelijk zijn ‘ik’ weer terug voordat hij zelf geveld zal worden door de Partij?

    Op meesterlijke wijze beschrijft Koestler bijvoorbeeld de ontmoeting in het schilderijenmuseum met de 19-jarige Richard die hij de boodschap moet geven dat hij uit de Partij wordt gezet, m.a.w. dat hij vermoord zal worden vanwege zijn ongehoorzaamheid aan de Partij. Tussen de letterlijke tekst van de simpele conversatie, beschrijft Koestler met een kennersoog de museumzaal met de wel erg ‘toepasselijke’ schilderijen: (blz. 31) ‘Recht tegenover hem hing een Laatste Oordeel; cherubijnen met krullend haar en bolronde billetjes vlogen op trompetten blazend een onweersstorm tegemoet. Aan Richards linkerzijde hing een pentekening van een Duitse meester. Roebasjov kon er slechts een deel van zien – de rest ging schuil achter de pluchen rugleuning van de bank en achter Richards gebogen hoofd: de magere handen van de Madonna, opwaarts gebogen met de palmen in de vorm van een schaal, en een stuk lege hemel bedekt met horizontale pennestreken. Meer kon hij er niet van zien, want Richards hoofd bleef als hij sprak onbeweeglijk in dezelfde houding op zijn licht gebogen, rode hals. “Zo”, zei Roebasjov. “Hoe oud is je vrouw?”’

    Een onmisbaar onderdeel in deze roman is de communicatie via het kwadraatalfabet waarmee de gevangenen d.m.v. klopsignalen met elkaar communiceren. Roebasjov ‘praat’ met de buurman van No. 402 die Roebasjov aanvankelijk ‘zwijn’ noemt, maar hem toch op de hoogte houdt over de andere bewoners van de cellen. Uiteindelijk klopt hij op de muur: ‘Ik benijd, ik benijd je. Vaarwel’, als Roebasjov afgevoerd wordt.

    Nacht in de middag is een meesterwerk. Koestler is een begenadigd verteller. Zijn schrijfstijl is helder ondanks de complexe situaties en filosofische overpeinzingen. Zijn analyses van de Partij zijn haarscherp. Het boek, in romanvorm, verveelt op geen enkel moment. Begrijpelijk dat dit werk in de beginjaren 1940 (nazisme) geruchtmakend was. Nu ruim zestig jaar later heeft dit boek helaas zijn actuele waarde nog steeds niet verloren. Uitgeverij Schokland verdient een compliment met de heruitgave van dit werk in de serie Kritische Klassieken!

    Arthur Koestler  (Boedapest, 1905 – Londen, 1983), Hongaar van joodse afkomst, werd in 1931 lid van de Duitse Communistische Partij en was als verslaggever actief in de Sovjet-Unie. Daar raakte hij ernstig teleurgesteld in het communistische systeem. Uiteindelijk vestigde hij zich in Engeland, waar hij in 1940 zijn geruchtmakende roman Darkness at noon publiceerde.

     

  • Niets is wat het lijkt

    Niets is wat het lijkt

    ” is het thema van de roman Het onvermijdelijke toeval. En dat geldt ook voor de uitgave van dit boek. Na een vluchtige blik op het omslag denk je een nieuwe chicklit in handen te hebben, maar als je het boek omdraait kijkt de keurige Duitse Martin Mosebach (1951) je aan. Mosebach heeft al een enorm oeuvre opgebouwd en zijn werk is met meerdere prijzen bekroond. Het onvermijdelijke toeval  (oorspronkelijke titel Was davor geschah ) is – opmerkelijk genoeg – de eerste roman die naar het Nederlands is vertaald.

    ‘Hoe was dat toen ik er nog niet was?’ vraagt de nieuwe geliefde aan de ik-persoon. Het antwoord van de man beslaat de volledige roman. Hij vertelt dat hij in Frankfurt ging wonen. Een collega van de bank nodigt hem uit om een zondagmiddag bij zijn ouders langs te komen, ‘waar “een paar mensen” zouden zijn.’ Zo wordt de ik-persoon een vaste gast op de zondagen bij het zwembad van de rijke familie Hopsten en komt hij op die manier terecht in de kringen van de Frankfurtse upperclass.

    De rol van de ik-verteller in het verhaal is marginaal. Zijn belangrijkste functie is de lezer kennis te laten maken met al die nieuwe figuren om hem heen. En dat kan hij op treffende wijze. We leren de oude Schmidt-Flex kennen, de eregast op de feestjes en ‘de natuurlijke koning van elke omgeving’, met zijn zwijgzame vrouw, sombere zoon Hans-Jörg en schoondochter Silvi. Minutieus en zoekend gaat de verteller bij die beschrijvingen te werk. Als hij de familie Hopsten wil typeren komt hij bijvoorbeeld met observaties als deze: ‘Boven villa Hopsten hing niet de muffe geur van een gezin, de generaties leefden discreet samen, het was een genoegen om naar te kijken en daar bestond ook vaak de gelegenheid toe.’ Over de opvallende gast Joseph Salam, een gezette Libanees zegt hij: ‘Hij zag eruit als een man die na vele veldslagen tot rust is gekomen en die het afsterven van de natuur niet melancholisch stemt maar het beschouwt als een ervaring van zijn eigen rijpheid.’

    Mosebach is precies in ál zijn beschrijvingen, niet alleen in die van personages. In beeldend taalgebruik, vol met metaforen, vergelijkingen en personificaties beschrijft hij de omgeving, situaties, menselijke verhoudingen en levensinzichten.

    In een prachtige sneeuwscène vergelijkt hij bijvoorbeeld de beweging van de rodelaars met de regendruppels op een rijdende trein: ‘sommigen bleven even hangen, anderen stroomden doelgericht voort en verenigden zich tot een dikkere stroom die even later weer oploste.’ Om je te laten voelen hoe nauw de zitplaats in een vliegtuig is, spreekt hij over een schoenlepel die je nodig hebt om op je plek te komen. Over de kunst van het organiseren van feestjes laat hij een personage opmerken dat je er altijd voor moet waken dat slecht gezelschap uiteindelijk goed gezelschap gaat verdrijven. En de sombere Hans-Jörg laat hij tot inzicht komen ‘dat je in werkelijkheid helemaal niet hoeft te zijn zoals je meende te moeten zijn.’ Hans-Jörg vindt pas rust als hij beseft dat hem in zijn leven nooit meer iets ergs kan bedreigen, omdat het allerergste, namelijk dat leven zelf, al plaatsvindt.

    Voor je het weet, staat je leesexemplaar vol met potloodstreepjes in de kantlijn en blijf je citaten overnemen in je notitieboekje. Mosebachs observaties zijn verrassend, origineel én herkenbaar. Soms grappig, soms mooi, maar altijd treffend. Daarnaast zijn er natuurlijk intriges, maar de plot heeft een ondergeschikte rol ten opzichte van die observaties.

    Met de keuze voor een raamvertelling creëert Mosebach de mogelijkheid zijn personages commentaar te laten geven op het verhaal zelf, en tegelijkertijd op de kunst van het verhalen vertellen en de keuzes die een schrijver daarbij maakt. ‘Het is gewoon bedacht’ verwijt bijvoorbeeld de toehoorster de verteller als die iets vertelt waar hij niet bij was, waarop het antwoord van hem luidt dat ‘bedacht’ het verkeerde woord is. Hij maakt een vergelijking met het kaartenspel patience: ‘Net als bij patience bestaat elk verhaal uit open en omgedraaide kaarten. Je komt er nog wel achter welke kaarten gedraaid waren – maar uiteindelijk is van belang dat het patience klopt.’

    Het onvermijdelijke toeval  is een ideaal zomerboek voor lezers voor wie een spannend plot geen must is.

     

     

  • Omweg of aanloop?

    Omweg of aanloop?

    Poëziecriticus en dichter Hans Groenewegen is met zorg en vlijt de dichtkunst toegewijd. Niet alleen laat hij van tijd tot tijd scheppend werk van eigen hand verschijnen, maar tussendoor bundelt hij ook zijn poëziebeschouwingen.

    Onlangs verscheen een fikse bundeling van 33 in lengte sterk wisselende maar alle in klein lettertype afgedrukte essays over gedichten en hun dichters, Met schrijven zin verzamelen. Over poëzie in de Lage Landen. Een deel is eerder, al dan niet in andere vorm, gepubliceerd in literaire tijdschriften, een deel is geheel nieuw. Het zijn essays in de ware betekenis van het woord: probeersels, pogingen vat te krijgen op het onderwerp, in casu: de Nederlandstalige poëzie. Nu is Groenewegen in de wereld van de poëziebeschouwing niet de eerste de beste. De flaptekst heeft het over ‘meer dan een kwarteeuw’ dat Groenewegen reeds op het aambeeld van de Nederlandstalige dichtkunst hamert. Hij gaat daarbij de gedichten niet volgens een standaardmethode te lijf. Geen ingesleten leesgewoonten. In plaats daarvan pleit hij voor het memoriseren van de gedichten. Het uit het hoofd leren zou namelijk het lek boven water kunnen halen, omdat die versregels of woordcombinaties welke zich moeilijk in het geheugen laten griffen, een mogelijkheid bieden het vers binnen te dringen. Maar dan heb je nog slechts een beginnetje. Een lange weg moet vervolgens worden bewandeld om het hele vers af te leggen. ‘Blader niet los lezend en snel oordelend door poëzie’, houdt hij zijn lezer vermanend voor. Poëzie lezen is dan ook een oefening in geduld. Eerdere lezingen zullen niet zelden moeten worden hernomen, stellingen verlaten, verwachtingen opgegeven. Eerst op een striptease van vooringenomen standpunten kan een aarzelend aankleden volgen van nieuw gelegde verbanden en associaties. En lang niet altijd zal het gedicht in kwestie in een passend kostuum van adequate uitleg en interpretatie kunnen worden gehesen. Dat zou ook niet des Groenewegens zijn. Hij wenst de gedichten genoeg weidegrond te geven opdat ze niet verstikken in de wetenschappelijke megastallen, waar het gelijk van de poëzieprofessor meer telt dan het welzijn van het vers. Groenewegen heeft dus goede papieren. Maar levert hij daarmee een goede essaybundel af?

    Wat voor Groenewegen pleit is dat hij bepaald niet de krenten uit de pap selecteert voor zijn beschouwingen. Niet uitsluitend dichters met een A-status. Maar hij verantwoordt zijn eigen keuze helaas niet. Het heeft er de schijn van dat hij een willekeurige greep heeft gedaan uit het Nederlandse en Vlaamse poëzieaanbod van de afgelopen, pakweg, 15 jaar. Met een diepgravend essay over Karel van de Woestijne als welkome vreemde eend in de bijt. De enige behandelde dichter die langer dood is dan dat hij heeft geleefd. Wie Groenewegens essays gelezen heeft kan niet zeggen dat hij de hoogste toppen van de poëzie uit de Lage Landen heeft bestegen. Eerder trekt een legertje dichters voorbij van wie men alle namen niet zal kunnen onthouden en bij een enkeling daarvan valt dat zelfs weinig te betreuren. Want lang niet alle gedichten die de revue passeren zijn in gelijke mate de moeite waard. Naast de mindere goden is ook een stelletje zwaargewichten present, onder wie Leonard Nolens, Dirk van Bastelaare, Benno Barnard, Charles Ducal, Gwy Mandelinck, Peter Verhelst en Kees Ouwens. Maar Groenewegen pretendeert niets met zijn keuze en dat valt eigenlijk toch te betreuren. Op een kwaliteitsoordeel van deze essayist wacht men hier dan ook vergeefs. Wie aan deze bundeling begint met de hoop een abc van-hoe-de-hedendaagse-poëzie-te-lijf-te-gaan aangereikt te krijgen, zoals Paul Rodenko destijds de moderne lezer in zijn Goed-Wonenstoel de Vijftigers liet begrijpen, komt bedrogen uit. Dat is Groenewegen zijn goed recht, maar heeft toch ook de lezer geen recht op een verantwoording van de hier gepresenteerde gedichten? Vond Groenewegen ze representatief voor het een of ander? Mooier, sprekender, overtuigender dan andere? Het blijft gissen. Een ander aspect waarin Groenewegen dan wel de Wereldbibliotheek zijn lezers niet tegemoet komt is de keuze om met eindnoten de dwangmatige notenkrakers onder hen tot wanhoop te drijven. Wanneer komt Brussel eens met een verbod op eindnoten? Gebruik toch de marge onderaan de pagina voor die dingen. Of plaats ze desnoods direct achter het essay, maar nooit meer op een hoop geveegd achterin het boek…

    Een vraag diende zich gaande het boek aan: welke lezer heeft de auteur op het oog gehad? Ten behoeve van wie is het geschreven? De toon is niet licht te noemen. Eerder eentje die past bij iemand die zich nauwgezet tot de poëzie bepaalt, maar het academische jargon buiten de deur houdt. Groenewegen haalt intussen wel een en ander overhoop: Van de dichters die niet zelf hoofdonderwerp van handeling zijn kom je God, Lucebert, Kouwenaar en Rimbaud het vaakst tegen, maar ook Karl Marx, Walter Benjamin, John Stuart Mill, Maurice Merleau-Ponty draven langs. Maar ze dienen niet louter als schoudervulling voor ’s mans wijsheid, want daarvoor heeft Groenewegen zich te goed de wijsheid van het als motto gekozen citaat van Canetti ter harte genomen: ‘Der Größenwahn des Interpreten: er fühlt sich um seine Interpretation reicher als das Werk.’

    Zeker is wel dat zijn lezers over een stevige maag moeten beschikken en zich niet door dichtbedrukte pagina’s uitleg over poëzie uit het veld moeten laten slaan. En niet moeten geeuwen bij passages als deze: ‘De consequentie van de dialogische instelling is dat Nolens zich in zijn poëzie bij voortduring op ‘de buitenwereld’ richt. Hoewel met het begrip ‘bres’ een nieuwe subjectiviteit in zijn oeuvre  aan het woord komt – een wankel ‘wij’ waarover in een ander verband veel te zeggen is – is de ethische vraag naar aard en kwaliteit van de verhouding tussen ‘ik’ met zijn private (binnen)wereld en de ander daarbuiten voortdurend aan de orde.’ Heel soms ontstond er met het lezen van Met schrijven zin verzamelen iets van tegenzin tegen verder lezen. In zulke gevallen leken de gedichten makkelijker te volgen dan Groenewegens exposé daarover. En dat kon toch niet de bedoeling zijn. Dat zijn uitleggingen tussen de lezer en de gedichten gingen staan. Een interpretatie moet een aanloop tot het gedicht tonen en geen omweg.

    Maar zijn uitgebreide beschouwingen over Ouwens, Van de Woestijne, Nolens, Gerbrandy en het meer polemisch getoonzette eerste betoog Een gedicht een ketting losse noten, mogen er stuk voor stuk zijn. In laatstgenoemde essay klinkt ook meer van Groenewegen zelf door, deelt hij hier en daar een stootje uit aan deze of gene en komt zowaar iets van humor om de hoek in een zin als: ‘Zo verloopt het bij alle andere auteurs, alsof die allemaal lid zijn van een verzetsgroep tegen close reading.’ Misschien mist dat het meest in deze bundel: persoonlijke toon, beetje venijn en ietwat humor.

    Het zal duidelijk zijn dat dit naar een eindoordeel van enerzijds/anderzijds tendeert. Met die tweeslachtigheid waarin het boek je achterlaat blijf je enigszins in je maag te zitten, want liever steek je onvoorwaardelijk de loftrompet over Groenewegens pogingen om in deze tijden niet zuinig voor de dag te komen met zijn onvermoeibare toewijding aan de dichterij. Wie zendt er anders nog een essay van 14 pagina’s over wijlen Kees Ouwens de wereld in?

    Toch bleef er na lezing vaak te weinig hangen van zijn betoog. Wel weet hij je ervan te overtuigen hoezeer uit de door Rimbaud gedane uitspraak dat het fout is ‘om te zeggen “ik denk”. Het zou moeten zijn; “Men denkt mij”’ de consequenties zijn getrokken door menig dichter, tot in onze tijd toe. In een nieuw boek van Groenewegen zou hij zijn persoonlijke verhouding tot de poëzie wat scherper mogen laten uitkomen. Iets van zijn neutraliteit inruilen voor partijdigheid. Graag een boek waarin hij ronduit gaat zeggen wat hij mooi vindt aan de gekozen gedichten en waarom, als het even kan. Eenvoudigweg een gedicht van a tot z doorlopen is één ding, maar lezers attenderen op de verbluffende schoonheid van een enkele regel kan ook het aandeel poëzie in onze 2.0 cultuur in waarde doen stijgen. Dat zulks hard nodig is iets waarover Groenewegen niet de minste twijfel laat bestaan. Zijn inzet verdient dan ook veel sympathie.

     

  • Verloren levens op zoek naar liefde

    Verloren levens op zoek naar liefde

     

    Een Amerikaans auteur schrijft een roman die Engels is tot in het merg. Een roman die alle bekende vooroordelen over the British exploiteert en bovendien schaamteloos rondgraait in het magazijn met romanmotieven. Het had een kruising tussen Barbara Cartland, Evelyn Waugh en de Boeketreeks kunnen worden. Of uitermate doorsnee en onopmerkelijk. Maar Een ongewoon huwelijk van Peter Cameron is niets van dat al en vooral: onverwacht goed.

    Het begint in een uitzonderlijk natte en kille lente in 1950 in Engeland, dat nog lang niet hersteld is van de Tweede Wereldoorlog. Het speelt zich af in het dorp Harrington in Leicestershire, op een naargeestig landhuis ‘Hart House’ in een moerassig weidegebied, dat grenst aan het zompige Sap Green Forest. De bewoners bewegen zich vreugdeloos door een vrijwel tot stilstand gekomen wereld. Hoofdpersoon is de verpleegster Coral Glynn (ouders gestorven en broer verloren in de slag bij El Alamein) die naar Hart House is gekomen om de doodzieke moeder van Majoor Clement Hart te verplegen. De oude vrouw sleept zich in een morfineroes door de dag. Haar zoon de majoor weigert aan haar ziekbed te komen: ‘Mijn moeder en ik zijn al heel lang met elkaar uitgepraat’ vertelt hij Coral. Hart lijdt onder zijn oorlogswonden. Een verminkt been zit in een beugel en zijn huid is deels een pantser van littekenweefsel. Omzichtig zoekt hij toenadering tot Coral, die zich dat laat aanleunen. Eens per week doorbreekt hij zijn isolement voor een paar biertjes in de Black Swan met zijn jeugdvriend Robin. Ooit waren ze veel meer dan vrienden, maar Robin is inmiddels braaf getrouwd. Over zijn vrouw Dolly bekent Robin tegen Clement: ‘ik houd alleen van haar om jou blij te maken. Dat is mijn manier om van jou te houden.’  En dan spookt er ook nog een eigenheimerige huishoudster rond, mevrouw Prence. Zo Engels als Cluedo, – inclusief misdrijf, zo blijkt later. Uiterst Engels is ook de omzichtige manier waarop men met elkaar omgaat: de schaarse conversatie is gedrenkt in beleefdheidsformules, en bestaat voor de helft uit excuses voor wat er gezegd is of had moeten worden.

    Beurtelings gevangen
    Drie gebeurtenissen schudden het leven van Coral dooreen. Ze ziet de film ‘Een ongewoon huwelijk’ in de dorpsbioscoop – een melodrama over een man die om zijn dubbelleven te beschermen, zijn ene vrouw de dood in drijft. Dan overlijdt de moeder van Majoor Hart en er is een vreemd incident in Sap Green Forest. Coral hoort tijdens haar dagelijkse wandeling ineens gruwelijk kindergeschreeuw. Een jongen heeft een meisje aan een boom gebonden en is haar aan het martelen. Ze weigeren daarmee op te houden, want het is een spel. ‘“We zijn gevangenen” zei de jongen. “Om de beurt.”’ Later blijkt dat spel de opmaat te zijn geweest tot iets veel gruwelijkers. Meer moet daar hier niet over gezegd worden. Daar zijn twee redenen voor: ten eerste is Een ongewoon huwelijk unputdownably spannend, en die spanning moet niet bedorven worden. Ten tweede zal  niemand na een samenvatting van het verhaal geloven dat het echt heel goed is. Een ongewoon huwelijk is namelijk een opeenstapeling van romanclichés: onvervulde liefde, verholen homoseksualiteit, een buitenechtelijke zwangerschap en clandestiene abortus, maar ook een gestolen gewaande ring, een rechercheur over de vloer met lastige vragen over een gruwelmoord, een huwelijksdiner dat mislukt door een foute tafelschikking. En dan ook nog eens een happy end

    De luiken voor de ramen
    Het is een mirakel hoe Cameron tussen de klippen van gothic novel, sociale satire en damesroman doorzeilt, en ook dat zijn boek niet even grauw en armoedig is als de levens die het beschrijft. Dat lukt hem ten eerste door zijn stijl. Een ongewoon huwelijk is uiterst geserreerd geschreven: drooggekookte taal met af en toe een glimpje poëzie. Zo vertelt majoor Hart aan Carol dat hij niet wil verbitteren en verzuren: ‘Ik voel het nu al, iets of iemand in mijn binnenste die van kamer naar kamer gaat, alle deuren sluit en overal de luiken voor de ramen doet.’ De dialogen zijn strak geregisseerd. Onder de beleefde zinnen woelen verdrongen verlangens die af en toe aan de oppervlakte komen. Hart vertelt zijn vriend Robin over zijn gevoelens voor Coral: ‘“Geluk zou ik het niet willen noemen. Opluchting misschien. Een gevoel dat er iets is tussen ons. Een soort band veronderstel ik.” “Liefde misschien”, zei Robin.  “Zover wil ik niet gaan”, zei Clement. “Nee, dat weet ik. Zo ver ben je nooit gegaan.”’ Vervolgens zijn daar de personages: te onhandig verlangend naar geluk, te zeer opgesloten in hun scheef gegroeide levens om ze niet meer te gunnen dan ze ervan weten te maken. Met Carol Lynn als onbetwiste heldin die op een gegeven moment alle illusies laat varen, niets meer verzwijgt of omzeilt en bereid is daar de gevolgen van te aanvaarden. Daardoor worden gebeurtenissen in gang gezet die ook andere personages op een nieuw spoor zetten. En dan is er het verhaal dat zich scène na scène, systematisch ontvouwt. Voorspelbaar, ben je geneigd te zeggen, totdat blijkt dat de optelsom van kleine gebeurtenissen grote gevolgen heeft. De laatste kunstgreep van de meester is dat het boek niet blijft steken in plat realisme. Het boek is strak gecomponeerd, en de microkosmos van Hart House is een planmatig afgeronde wereld. Daardoor gaan bij voorbeeld de gruwelscène in het bos, of een verhaallijn over een ring sterk symbolisch werken. Ze laden de roman op met een diepere betekenis, die van doen heeft met het recht op geluk, de moed om zijn (haar) verlangen te volgen en de liefde die de leugen achterhaalt. Een ongewoon huwelijk is spannend, ontroerend en mooi. Als het bij herlezing over een paar jaar nog zo goed is, is het een meesterwerk.