Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Wat nu, arme zotlap? 

    Wat nu, arme zotlap? 

    Recentelijk is de wereldliteratuur met maar liefst twee Hansen verrijkt: Hans Keilson en Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen, 1893 – 1947).

    In beide gevallen gaat het om herontdekkingen. Mocht eerstgenoemde die lof nog in blessuretijd van zijn leven smaken, Hans Fallada’s herwaardering kwam op een moment dat hij al langer dood was dan dat hij ooit geleefd had. Maar daar staat tegenover dat Fallada’s werk tijdens zijn leven reeds een groot debiet kende. Daarna zakte het weliswaar wat in, maar sinds Jeder stirbt für sich allein in 2009 in een nieuwe Engelse vertaling verscheen (bij ons als Alleen in Berlijn), staat deze auteur weer volop in de internationale aandacht. En de vernieuwde vertaling van Fallada’s bestseller uit de crisisjaren dertig Wat nu, kleine man? mocht zich ook in onze huidige crisistijd in hernieuwde belangstelling verheugen.

    Geen wonder dat uitgeverij Cossee zich waagde aan een derde boek van Fallada, De drinker. En omdat zij dit jaar haar tweede lustrum viert, ligt dit boek in een ietwat kleiner formaat met een chique ogend zijden omslag tegen een lage prijs in de boekwinkel. Een spotprijs in verhouding tot de bedragen die de hoofdpersoon van het boek aan zijn drankverslaving spendeert. Want wie De drinker aanschaft in de veronderstelling kennis te maken met een drinkebroer komt niet bedrogen uit. Wie dit boek links laat liggen in de veronderstelling dat wat slechts € 12,50 kost nooit veel soeps kan zijn, bedriegt zichzelf. Het boek ontpopt zich namelijk al gauw tot niets minder dan een pageturner, waarvan het lezen bijna net zo verslavend is als de drankzucht van Erwin Sommer, de onfortuinlijke hoofdpersoon.

    Het eenvoudige verhaal, dat fraai inzet met de zin ‘Ik heb natuurlijk niet altijd gedronken’ komt kort gezegd hierop neer: levensmiddelenhandelaar Erwin Sommer, net de veertig gepasseerd, ziet de laatste tijd de zaken wat minder gaan. De nochtans kleine tegenslagen wil hij echter voor zijn vrouw Magda verbergen, temeer daar hij in zijn huwelijk recentelijk enige koelte van haar kant bespeurt en hij intussen niet op haar bemoeizucht zit te wachten. Na een korte woordenwisseling met zijn vrouw, komt hij erachter hoe goed een paar glazen wijn, uit een ooit van een tevreden klant cadeau gekregen fles, kunnen vallen. Hoe snel echter van het een het ander komt en het van kwaad tot erger kan gaan, laat deze roman overduidelijk zien.

    Niet lang nadat de fles wijn soldaat is gemaakt, staat het leven van Erwin Sommer volledig in het teken van de drank. Zijn zaak en zijn huwelijk laat hij voor wat ze zijn, om volledig op te gaan in zijn door alcoholroes gedomineerde wereldje. Daarbij verliest hij zich in de waan een relatie te hebben met een barmeisje, dat in werkelijkheid slechts uit is op zijn laatste contanten. Ook een onbetrouwbare, Poolse kamerverhuurder, bij wie Sommer zijn intrek neemt, doet wat menselijke slechtheid in deze roman betreft een aardige duit in het zakje, want ook hij slaat munt uit de laveloze hoofdpersoon.

    Sommer zelf is overigens allerminst de onschuld zelve. De lezer heeft hem al leren kennen als een man die sterk op zichzelf is gericht en niet geneigd is zijn wederhelft als bondgenote te zien. En de drank nu stuwt de achterdocht jegens haar tot ongekende hoogte. Daarbij komt Sommer zo diep te zakken dat hij, om maar aan geld voor drank te komen, in zijn eigen huis gaat inbreken. Als het daarbij tot een handgemeen met zijn vrouw komt, dreigt hij haar te vermoorden. Zover komt het echter niet. Sommer maakt zich snel uit de voeten met zijn buit van bijeen gegraaide lijfsieraden en tafelzilver. Vanaf dat moment is het zaak uit handen van de politie te blijven. Wanneer hij echter in het holst van een andere nacht stampei maakt voor zijn gesloten stamkroeg, haalt hij zich diezelfde politie alsnog op de hals en wordt hij weldra in verzekerde bewaring gesteld.

    Ruim een derde van het boek zit er dan op en tot dan heeft de lezer een in pakkende stijl geschreven verhaal gelezen. Daarna wijzigt de toon echter als gevolg van de veranderde plaats van handeling: de gevangenis en, na overplaatsing, een streng bewaakte inrichting. Van een onbetrouwbare verteller gaat de toon over in die van een reporter, die boven alles authentiek verslag lijkt te willen doen. Het doet denken aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, waar de hoofdpersoon ook wegens moord op zijn vrouw zijn straf uitzit. En waarin ook feitelijk verslag wordt gedaan van de lotgevallen van de medegevangenen en –celgenoten evenals van de vele onderlinge intriges (de pikorde, het onderlinge ruilverkeer, het jatten van elkaar). Echter, zo miserabel als het eten (vaak niet meer dan wat in gekookt water zwevende koolslierten) in Fallada’s dodenhuis is, was het in de negentiende-eeuwse Siberische werkkampen niet.

    Het is moeilijk om in Fallada’s verslag niet ook kritiek op het toenmalige gevangenissysteem te lezen. Maar de door gevaarlijke gekken omringde hoofdpersoon koestert tussen alle ellende door ook nog hoop op een verzoening met zijn vrouw, want ze zal toch wel niet eeuwig kwaad kunnen blijven vanwege zijn poging tot doodslag? En op zekere dag krijgt hij zowaar van de opperwachtmeester onverwachts te horen dat zijn vrouw er is om hem te spreken. ‘Mijn handen trilden te erg, mijn hart bonsde wild. Magda op bezoek in dit dodenhuis; het leven kwam me weer opzoeken; ik zou weer gauw bij haar zijn’.

    Het loopt uiteindelijk toch even iets anders… Maar ook dan weet Sommer zich te herpakken en te berusten, en jawel, tot de laatste zin hoop te koesteren op een in alcoholroes gedrenkt stervensuur waarin het hem zal toeschijnen dat zijn leven niet tevergeefs is geweest. Een waardig einde voor een waardig boek.

    Spijtig voor Rudolf Ditzen schreef Hans Fallada met De drinker zijn meest persoonlijke, om niet te zeggen meest autobiografische boek. Want evenals Sommer belandde de auteur zelf in de gevangenis na een poging tot doodslag op zijn vrouw. Dat was in het jaar 1944, een tijd waarin gevangenen en gekken zonder enige vorm van proces konden worden opgesloten. De maanden die de schrijver er doorbracht, benutte hij echter anders dan middenstander Erwin Sommer. Want in de gevangenis kwam het volledige manuscript van De drinker tot stand. Na zijn vrijlating bleek de gezondheid van Fallada door diens jarenlange verslaving aan morfine en alcohol te zeer ondermijnd om hem nog lang van zijn vrijheid te laten genieten. Toen De drinker uiteindelijk in 1950 in boekvorm verscheen, was Fallada al drie jaar dood.

    Waaraan het nu kan liggen dat dit boek zo verdomd goed is, laat zich moeilijk analyseren. Maar vermoedelijk is het antwoord – hoe weinig verrassend – in de stijl te vinden.  Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld en gaat hier en daar zelfs over in een inwendige monoloog, waarin de lezer zich soms direct aangesproken kan voelen: ‘Ik zei al dat Magda en ik aan onze bijna dagelijkse ruzies gewend raakten.’ De diverse vooruitwijzingen ‘ik heb toen een grote fout gemaakt, zoals ik pas later begreep’ verlenen het verhaal iets authentieks. Wanneer het vertelmoment, het ‘nu’ van de schrijver (‘o, die heerlijke periode, wanneer ik daar nu aan terugdenk!’) ligt, is niet geheel duidelijk. Wellicht is dat iets wat men Fallada wel verweten heeft: dat hij zich niet de tijd gunde zijn manuscripten nog eens rustig over te lezen, alvorens ze naar de uitgever te zenden. Feit is wel dat dit boek de indruk wekt in de enige juiste toon neergepend te zijn. En die toon is, ondanks het treurige verhaal, van zieligheid gespeend, waardoor de lezer niet met een larmoyante geschiedenis zit opgescheept. Integendeel, het volledig voor rekening van de hoofdpersoon komende verhaal, blijft vervuld van goede moed en drijft op het vertrouwen dat alles zich ten goede zal keren. In het begin blijft hij geloven dat hij zo weer van de drank af kan en zijn oude leven op kan pakken, en later, dat de instanties zullen inzien dat hij gevangen zit vanwege iets dat niet veel meer dan een onschuldig misverstand mag heten. Hoe dan ook, dat optimisme houdt Sommer het hele boek door op de been.

    Haast even makkelijk als dat hij zich tot het alcoholicisme bekeert, blijkt hij zich in gevangenschap zonder de fles staande te kunnen houden. Wellicht tekent dat de opportunist; die zich altijd tot het meest hoopgevende wendt, zoals een kamerplant naar het licht. Sympathiek is ook dat Sommer zijn tekortkomingen niet wegmoffelt: ‘Ik weet dat ik elke seconde van mijn leven een lafaard ben geweest, dat ik nog steeds een lafaard ben, dat ik altijd een lafaard zal blijven.’ Wanneer de hoofdpersoon al niet door dit soort genadeloze zelfanalyse de lezer voor zich in had weten te nemen, dan toch wel door de impliciete humor in een passage als deze, waarin hij door de agenten wordt opgepakt: ‘Hij heeft het goedgevonden dat ik de fles sterkedrank meeneem; ik heb die, met de kurk er losjes op, zo voor het grijpen in de zak van mijn broek. In ruil daarvoor heb ik hem mijn erewoord gegeven dat ik met hem mee zal gaan en geen vluchtpoging zal ondernemen, desondanks heeft hij een dunne stalen handboei om mijn rechterpols geklonken; misschien wantrouwt hij het erewoord van een zotlap toch een beetje.’

    Het mag verwondering wekken, dat in tegenstelling tot het merendeel van Fallada’s werk, deze in 1944 geschreven roman geen enkele referentie naar de tijdgeest van de nazi’s of de Tweede Wereldoorlog kent. Al is het voor een auteur wiens pseudoniem afkomstig is uit de sprookjes van Grimm misschien niet zo vreemd dat hij de maatschappelijke realiteit ook eens buiten de deur verkoos te houden. Net als in De avonden, waarin ook de feitelijke buitenwereld niet direct doordringt, ademt De drinker hierdoor een tijdloze sfeer.

    Het boek is zodanig geschreven dat de lezer er niet aan ontkomt zich zijn eigen voorstelling van Erwin Sommer te maken. En hoewel het verhaal maar liefst tweemaal verfilmd is, weet men al zeker dat de juiste toon van dit boek nooit in enig beeld kan worden getroffen.

     

     

  • Architectuur die (n)iets terug geeft

    Architectuur die (n)iets terug geeft

    De man zonder ziekte van Arnon Grunberg gaat over een jonge ambitieuze Zwitserse architect met Indiase roots, Samarendra Ambani, voor zijn vrienden Sam. De kern van Sams identiteit definieert hij negatief. Deze wordt namelijk gevormd door ´het gebrek aan ziekte. Hij heeft geen rolstoel nodig, geen permanente verzorging, hij is heer en meester over zijn eigen lichaam.´ (8) Hierin verschilt hij van zijn jongere zus Aida, die kampt met een langzaam erger wordende spierziekte, waarvoor geen genezing is, behalve misschien via een dure methode in de Verenigde Staten. Sam is niet tevreden over zichzelf: ´De afwezigheid van ziekte in zijn leven was geen zegen, maar een verborgen gebrek. Hij had altijd genomen, zonder ooit iets terug te geven. Hij besloot een architect te worden die gaf, een genereuze architect.´ (23) ‘Hij wil geen architectuur maken die boven de mensen staat, die macht wil uitoefenen, maar architectuur die naast de mensen staat, die iets terug geeft.’  (35)

    Het boek gaat onder meer over hooggestemde idealen over kunst en cultuur en hun nut voor de mens. Grunberg lijkt te willen tonen hoe zulke idealistische denkbeelden totaal verkeerd kunnen uitpakken in een gepolitiseerde wereld vol geweld en haat. Sam wordt door Grunberg twee maal naar het Midden Oosten gestuurd. De eerste keer naar Irak, omdat hij denkt dat hij meedingt in een wedstrijd om een operagebouw in Bagdad te ontwerpen, om Puccini naar de Irakezen te brengen. De tweede maal gaat hij naar Dubai, om een enorme bibliotheek te bouwen, die alle boeken van de wereld moet bevatten. Beide keren loopt Sams reis uit op een persoonlijk drama. Hij wordt gevangen genomen en aangezien voor een spion. De eerste keer wordt hij nog verlost uit zijn gevangenschap, de tweede keer verloopt anders.

    De niet meer gelovige Sam wordt ertoe gedwongen terug te komen op zijn haast religieuze visie op de heilzaamheid van kunst: vroeg in de roman lezen we het volgende: ´Waar eens God zat, zat nu de kunst; een god zonder tanden vermoedde Sam, maar wel met een liefdevolle glimlach. Kunst bijt niet.´ (19) Dat is, zo blijkt, een naïeve gedachte. Als Sam naar Irak afreist doet hij dit in de veronderstelling dat het ergste daar wel achter de rug is. Hij wil helpen bij de wederopbouw. Hij ziet voor zichzelf en andere architecten een grote rol: ´Oorlog vernietigde mensen en hun huizen. Architecten bouwden huizen, zij stonden tegenover oorlog zoals de arts tegen de dood.´ (22) Volgens zijn compagnon Dave neemt Sam de architectuur echter te serieus, hij moet deze meer als spel zien, zoals een kind met zijn blokken speelt. (127)

    Sam is een leerling van de bekende architect Max Fehmer. Hij denkt soms dat hij deze kan evenaren of overtreffen. Fehmer stelt in het boek het volgende:´De kracht van een architect is zijn talent, waarvan je zijn naïviteit moet aftrekken. Je kunt er een vergelijking voor opstellen: k=t-n´ (62/63) En ook: ´De architect moet de mensen niet verbeteren, hij moet ze bij de hand nemen en leiden´ (62) Hiermee is Sam het niet eens. Het gaat bij hem steeds ook om ‘de actieve interpretatie van de gebruiker.’ (192) De architect moet niet te dwingend zijn.

    De man zonder ziekte is onder meer een roman over kunst- en architectuurvisies en hun rol in een onoverzichtelijke wrede wereld. Grunberg sprak in voorbereiding op het schrijven van het boek met diverse architecten, onder wie Rem Koolhaas. Het personage Max  Fehmer stelt: ´In onze wereld is identiteit fastfood. Architectuur moet meer willen zijn dan de tomaat op de hamburger, architectuur moet de keuken zijn waar de hamburger wordt gebakken. De architect beïnvloedt de identiteit van de gebruikers van zijn gebouwen, zijn bruggen, zijn torens. De architect is er niet alleen om mensen een dak boven het hoofd te geven, voor een dak hebben ze genoeg aan een tent, daarvoor hebben ze geen architect nodig´ (19/20). Voor Fehmer is iedere burger een architect, omdat iedereen dagelijks met architectuur wordt geconfronteerd, dit in tegenstelling tot de visies van filosofen en sociologen, waarmee mensen maar zelden in aanraking komen. (20) De architect heeft dus zowel grote invloed als grote verantwoordelijkheid.

    Sam ziet in de eerste helft van de roman een connectie tussen schoonheid en idealisme. Hij  herinnert zich instemmend een uitspraak van een docent kunstgeschiedenis die zei: ´Geen ethiek zonder esthetiek. Wie de esthetiek verwaarloost, kan vroeg of laat ook de ethiek begraven.´ (50)

    Wat later in de tekst, als hij de futiliteit van zijn Irakmissie begint in te zien, komt hij tot een hard zelfverwijt: ´Hij is naïef geweest, en naïviteit is erger dan domheid, erger zelfs dan slechtheid.´ (62). Het is een mening waarmee men het hartgrondig oneens kan zijn. Sam handelt in de rest van het boek ook niet alsof hij dit inzicht daadwerkelijk tot zich heeft laten doordringen.

    Het boek gaat minder over trauma dan misschien mogelijk was geweest. Nadat hij na zijn eerste gevangenschap uit Irak terug is in het veilige Zwitserland vraagt Sam zijn vriendin om op hem te urineren en hem ´hond´ te noemen, zoals in gevangenschap geschiedde. Echt over het gebeurde praten wil hij niet: ´Praten maakte de dingen in de regel alleen erger. Als iets genezend is, is het zwijgen.´ (101)

    De man zonder ziekte overtuigt, zonder dat je meteen Grunbergs levensvisie wil overnemen. Het aangrijpende (maar voor Grunbergwatchers niet onverwachte) einde lijkt onontkoombaar, maar als je terugleest, zie je dat toeval ook een rol speelde. Aan het einde zit verder nog een onverwachte ´twist´, als ware het boek een Hollywoodfilm. In de laatste bladzijden wordt een ander licht op Sam geworpen, zodat de rest van het boek ook anders moet worden gezien.

    In de roman wordt Westerse arrogantie (of: naïviteit) hard afgestraft. Grunberg zet de lezer aan het denken over belangrijke thema´s als identiteit, cultuurverschillen, de rol van kunst en cultuur en de werking van projecten ter wereldverbetering. De stijl is geslaagd: Grunberg weet in iets meer dan tweehonderd bladzijden zijn visie op Sam en mensen met denkbeelden als Sam indringend zonder opsmuk te tonen. Een ijzersterk boek.

     

  • Anderen redden het wel

    Anderen redden het wel

    In Niemand overleeft alleen zitten Delia en Gaetano, net gescheiden na tien jaar huwelijk, in een restaurant om over de omgangsregeling voor de kinderen te praten. Het gesprek wil maar niet vlotten en onbegrip en haat overheersen. Delia en Gaetano haten elkaar, zichzelf en bij vlagen zelfs hun kinderen. ‘Dat rotkind kijkt naar je; hij zit onder het snot. Maar hij is echt van jou. En je weet dat het echt niet eerlijk is, maar je kunt er niets aan doen.’

    Erg sympathiek zijn ze niet in al hun geklaag en gekibbel. ‘Een opeenvolging van gekibbel van een bedroevend laag niveau’ constateren ze zelf en dat kan de lezer alleen maar beamen na de eerste vijftig pagina’s. De hoofdpersonen worstelen met hun gevoelens en de lezer worstelt met hen mee.

    Al in de eerste scène valt hen een ander stel op. ‘Ze kijkt naar een bejaard stel dat een paar tafeltjes verderop zit. Daar had ze willen zitten, in dat afgezonderde hoekje. Haar rug beschermd, tegen de muur.’ Dit oudere echtpaar vormt een schril contrast met henzelf: zij hebben het gered, in tegenstelling tot Delia en Gaetano.

    Pas rond pagina 60 komt er eindelijk een diepere laag in het geklaag en de irritaties. De frustraties worden doorbroken door herinneren die hun verbittering verklaren. Het tafelgesprek verloopt nog steeds moeizaam en hun gedachten dwalen af. Ze blikken terug op hun relatie. Het beste deel van het boek vertelt hoe de liefde van Gaetano en Delia ontstond en ophield te bestaan. Ophield, eigenlijk vooral door een gebrek aan communicatie. Omdat ze elkaar niet konden vinden. Noch Gaetano, noch Delia wisten wat ze eraan moesten doen.
    ‘Ze staan aan de rand van een aardverschuiving. Ze blijven elkaar stiekem aankijken, als twee mensen die bij een gat staan en bang zijn erin te vallen. Waar is de scheur begonnen die het gebied in tweeën heeft gedeeld?’

    Gaetano en Delia hebben het zwaar, zowel toen als nu. Delia worstelt met anorexia, die wel erg stereotype is neergezet. ‘Het gevoel dat je alles de baas bent vanaf het moment dat je de honger de baas bent.’
    Maar beiden zijn vooral op zoek naar zichzelf  ‘Ze moet leren te zijn. Alleen maar te zijn. Terugkeren in haar leven.’ Af en toe spiegelen zij zich aan het oudere echtpaar. Zij zien er gelukkig uit. Als ze naar huis willen gaan, spreek de oude man hen aan. Hij blijkt ernstig ziek te zijn en vraag hen voor hem te bidden, ‘want niemand overleeft alleen.’
    Maar zelfs dat lukt Gaetano niet. ‘Egoïsme was het enige houvast. En toch was dit hun wereld en zouden ze er samen met hun kinderen hun weg in moeten vinden.’

    Margaret Mazzantini schrijft in breedvoerige zinnen, die in het Italiaans ongetwijfeld prachtig en zangerig klinken, maar die in het Nederlands bij vlagen nogal overdreven aan doen. Ze gebruikt daarbij veel metaforen en symbolen die erg ver gezocht zijn. Toch schrijft ze goed, in een filmische stijl, maar in dit verhaal te sentimenteel om echt te raken. Het maakt Niemand overleeft alleen tot een voorspelbare reconstructie van een avond tussen twee ex-en. Eerder schreef Mazzantini, die naast auteur ook actrice is, de bekroonde en verfilmde bestsellers Ga niet weg en Ter wereld gekomen. Of Niemand overleeft alleen deze successen gaat evenaren valt te betwijfelen.

     

  • Het heden als barrière voor het verleden

    Het heden als barrière voor het verleden

    Je hebt van die boeken die je meteen bij de strot pakken. En er zijn boeken die je langzaam veroveren. Die tijd vragen. Zoals de bundel Vroeger is ook mooi van Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse literatuur en biograaf van Harry Mulisch. Haar essays over onze omgang met het verleden grijpen je misschien niet meteen, maar nestelen zich wel langzaam in je hoofd. Stuk voor stuk creëren ze een herinnering, waaraan je steeds weer moet terugdenken als je het boek al weer lang heb weggelegd.

    Het openingsessay is ontleend aan de Huizinga-lezing die Mathijsen in 2009 in de Leidse Pieterskerk gaf. De achterflap van de bundel verraadt reeds de eerste zin van dit essay: ‘Ik heb een oud hondje. Binkie. Hij is blind.’ Mathijsen gebruikte de blindheid van haar hondje om de noodzaak van historisch bewustzijn te onderstrepen. Een bewustzijn dat volgens haar niet vanzelfsprekend is. ‘Als voetbalhooligans tribunes van De Kuip slopen, beseffen ze niet dat ze daarmee een monument van voetbalhistorie verwoesten.’ Mooie gewone-mensen-taal om duidelijk te maken dat het verleden alom en van iedereen is. Meer dan een intellectuele hobby. Vervolgens fileert Mathijsen de tegenwoordige interesse in geschiedenis. De groeiende interesse voor ons verleden is voor haar vooral een vorm van gecultiveerd herinneren. Het gaat vaak niet om de essentie, maar om kitsch en nostalgie. Van de Amsterdamse Stadsschouwburg worden alleen de gevels bewaard, maar erachter verrijst een geheel nieuw en modern gebouw. Nephistorie noemt Mathijsen dat. Ze  ontwaart dat ook in het vernieuwde Letterkundige Museum, waar geen enkel origineel handschrift te zien is. En in de ‘treurigmakende geschiedenis van het Nationale Museum’. Mathijsen oordeelt dan ook dat er in Nederland weliswaar tegenwoordig veel aandacht is voor de nationale herinnering, maar dat dat weinig zegt over de waardering van onze nationale geschiedenis. Dat vereist volgens haar meer dan louter oppervlakkig herinneren. Ze verwijst in dit verband naar Nietzsche, die benadrukt heeft dat te veel historische kennis, te veel waardering voor de geschiedenis, het leven doet ‘wegkwijnen en ontaarden’. Geschiedeniskennis is volgens hem alleen heilzaam als deze in dienst staat van een nieuwe levensstroming, zoals een cultuur in wording. Een vereiste waaraan volgens Mathijsen meestal niet echt wordt voldaan: ‘Als ik het blingbling-deel van die aandacht ‘historische sensatiezucht’ noem, dan staat het er heel wat minder rooskleurig voor.’

    Hoe presteert Mathijsen zelf, als we haar essays langs Nietzsche’s maatlat leggen? Glansrijk!  Ze beperkt zich niet tot louter weergave van herinneringen, maar analyseert ze in hun context, om zo uiteindelijk het historisch bewustzijn van de Nederlander te wegen. Waarbij ze dat meestal als ‘onvoldoende’ beoordeelt. Zoals in het essay De afwezigheid van het verleden, waarin Mathijnsen genadeloos de kitsch en nostalgie van de Nacht van de Geschiedenis, de aandacht voor de cold case Willem van Oranje of het glossy Maarten! neersabelt. Het is kitsch en nostalgie die volgens haar vaak wordt verward met historisch bewustzijn. Het gaat volgens haar in de basis al mis. ‘Men koestert niet eens het éigen verleden. Als de kinderen groot geworden zijn, worden de relicten uit de kindertijd weggewerkt. De inhoud van de speelgoedkast is goed voor koninginnedag, als die moeite misschien nog genomen wordt.’  Natuurlijk heeft ze gelijk als ze stelt dat je niet kan verwachten dat Nederland zijn geschiedenis eervol behandelt, als de Nederlander niet eens zijn eigen verleden eert!

    Mathijsen heeft een voorliefde voor wat je ‘fysieke aandacht’ voor geschiedenis zou kunnen noemen. Aandacht voor de dingen uit het verleden zelf, als aanknopingspunt voor hoe het echt geweest moet zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het essay Ergernissen van een archiefbezoeker. Geschiedkunde staat of valt uiteindelijk voor haar met de eigen studie van historisch materiaal. Liefst de oude brieven of documenten zelf, want daarin wortelt voor haar de historische ontroering. ‘De zandkorrels die uit oude brieven vallen die je opent, de bloemetjes en insecten die je als mummies tussen oude boeken verdroogd aantreft’. Een ontroering die echter niet makkelijk tot je komt. De historicus moet hiervoor wel het één en ander overwinnen: de andere bibliotheek- en archiefbezoekers. Maar hoe vervelend deze ook zijn, Mathijsen beschrijft hen liefdevol. Vooral de neusophalers, de laptoppers en fotografen irriteren haar. Of de bezoekers die het archief als afwerkplek beschouwen en in één keer dertig boeken doornemen. Ook de mompelaars en raadplegers kunnen op weinig liefde van Mathijsen rekenen. Allemaal hinderen ze haar doordat ze de geschiedenis met te veel lawaai tot zich nemen. . Volgens Mathijsen kun je dat verleden blijkbaar alleen in stilte, of beter gezegd, zonder hinderlijke ruis uit het heden, tot je nemen.

    Hetzelfde geldt ook voor haar bundel Vroeger is ook mooi. Begin er pas aan als je tijd hebt om te lezen en tot rust te komen. Want pas dan zullen de essays je overrompelen en blijkt het verleden van Mathijsen precies wat ze belooft: mooi.

     

  • Hoe nu verder?

    Hoe nu verder?

     

    De naam Mirjam Boelsums klinkt waarschijnlijk nog weinig lezers bekend in de oren, maar deze schrijfster en documentairemaakster heeft sinds 1998 twee boeken gepubliceerd, die beiden positief ontvangen werden. Voor de roman Slangen aaien (1998), die handelt over een zeventienjarige scholiere die betrokken is bij de dood van een leraar, ontving Boelsums zelfs de Debutantenprijs. Ook veroverde deze coming-of-age roman een plekje op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Critici prijzen Boelsums’ grote psychologische inzicht en heldere, directe schrijfstijl. Deze kenmerken zijn ook terug te vinden in Boelsums’ nieuwste boek, Dronk.

    Dronk is een bundel van achttien verhalen, alle geschreven rond het thema van het keerpunt. De personages worden geconfronteerd met een nieuwe wending in hun leven. Sommigen voelen zich thuis in hun veilige, voorspelbare bestaan dat al jaren rustig voortkabbelt, zoals de huisvader Ronald in ‘Zijn hond’, een van de beste verhalen van de bundel. Met zijn vrouw Andrea is hij al meer dan tien jaar getrouwd en ze hebben samen twee kinderen. Andrea leidt een druk leven buitenshuis, terwijl Ronald thuis aan zijn proefschrift werkt. Door de dood van zijn hond, die hij  aanschafte toen hij Andrea leerde kennen, begint hij zich te realiseren dat zijn vrouw hem bedriegt. Zoals in vrijwel alle verhalen in Dronk werpt zich de vraag op: hoe nu verder?

    Meestal geeft Boelsums geen antwoord op deze prangende vraag. Ze schetst de situatie van onzekerheid en verwarring en laat het personage – en de lezer – dan aan zijn lot over. Hoewel de vele open eindes gemakzuchtig over kunnen komen, zijn ze in Dronk niet storend. De nadruk ligt in de verhalen namelijk op het keerpunt zelf én de geschiedenis die daaraan voorafging. Zo wordt in ‘Zoethout’ pas in de loop van het verhaal duidelijk dat Josefien jaren geleden haar toenmalige vriend verloor door een ongeluk. Sindsdien ging ze elk contact met mannen uit de weg. Nu staat ze onder het portiek van haar huis te schuilen voor de regen – samen met haar vermeende overbuurman. Ze overweegt hem mee naar binnen te nemen.

    Dronk is een knappe, goed geschreven verhalenbundel met personages die worstelen met de onzekerheid in hun bestaan. De verhalen hebben een verschillende lengte, maar delen dezelfde structuur. Veelal opent het verhaal in medias res en bevindt de lezer zich meteen in de (ongemakkelijke) situatie van het personage. De situatie krijgt vervolgens betekenis door datgene wat aan de situatie vooraf is gegaan. Langzaam wordt duidelijk waarom Mark, de hoofdpersoon van ‘Hoog over het water’, het lot wil tarten door met zijn zweefvliegtuig de Noordzee over te vliegen. Mark heeft, evenals de meeste andere personages in de bundel, een traumatische ervaring gehad die zijn opmerkelijke gedrag verklaart.

    ‘E=mc2′, het autobiografische verhaal waarmee de bundel eindigt, is de vreemde eend in de bijt. Waar de andere verhalen nooit meer dan twintig pagina’s tellen, heeft dit relaas over de overgrootvader van Boelsums er ruim veertig. Boelsums vertelt over haar ontmoeting met haar verre familie in Brazilië en het veelbewogen leven van de broer van haar overgrootvader. Vreemd genoeg valt dit verhaal, dat Boelsums met veel plezier geschreven moet hebben, uit de toon bij de andere verhalen, die alle gekenmerkt worden door een vlot tempo en een strakke regie. Hoewel de twee verhaallijnen in ‘E=mc2’ zorgen voor de nodige afwisseling, mist met name het verslag van Boelsums’ verblijf in Brazilië urgentie. Dagen gaan voorbij waarin er niets gebeurt. De schrijfster is op zoek naar iets, maar wat eigenlijk? Natuurlijk, ze is door haar verre achter-achternicht uitgenodigd om het leven van haar Nederlandse overgrootvader in kaart brengen, maar Boelsums komt er al snel achter dat haar verre Braziliaanse familie eigenlijk niet zo op haar zit te wachten.

    Wat thematiek betreft sluit Boelsums’ persoonlijke verslag natuurlijk aan op de niet-autobiografische verhalen: het leven van de schrijfster krijgt een andere wending nadat ze verre familie aan de andere kant van de oceaan blijkt te hebben. Hoewel ze hoopt op een warm onthaal als ‘verloren’ familielid, voelt ze zich al snel een buitenstaander en wordt ze teruggeworpen op zichzelf. Ook Jo, Boelsums verre bloedverwant die naar Brazilië emigreerde, was een einzelgänger en het is interessant om te lezen over zijn ongewone leven vol hoogte- en dieptepunten. Toch vraag je je af: waar wil de schrijfster naartoe, wat wil ze hiermee zeggen? Boelsums is beter in het beschrijven van andermans levens; daar staat ze verder vanaf.

     

  • Een dichter die je kunt vertrouwen

    Een dichter die je kunt vertrouwen

    Soms hoef je maar één gedicht van iemand te lezen, om er achter te komen dat hij of zij een meesterdichter is. Natuurlijk, smaken verschillen; waar de één Faverey roemt, dweept de ander met Oosterhoff. Maar wanneer is iemand eigenlijk een meesterdichter? Dat is een interessante vraag, zowel voor poëziefanatici als voor huidige en toekomstige dichters. Bernard Wesselings jongste dichtbundel Naar de daken biedt hiertoe uitstekende onderzoeksmaterie. Bernard Wesseling en de Zoektocht naar de Meesterdichter.

    ‘Een dichter is een taalatleet/ die alle woorden die hij weet/ zo aan elkaar kan rijgen/ dat jij ervan gaat zwijgen’, zo definieert kinderboekenschrijfster Johanna Kruit in haar gedicht ‘Een dichter’ het eerbiedwaardige beroep van poëet. Spelen met taal dus! Acrobatische zinnen, zonderlinge woordkeuzes… Wie heeft niet wel eens die (op z’n zachtst gezegd) vreemde gedichten van de Amerikaan E.E. Cummings gelezen? En Cummings is een meesterdichter, a Master Poet, want hij heeft dat fabuleuze ‘anyone lived in a pretty how town’ geschreven. En hier in Nederland kennen we ze ook: Paul van Ostaijen bijvoorbeeld (‘Slinger/ Singer/ naaimasjien/ Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht’), of Lucebert, of zelfs Marten Toonder.

    Hoe zit dat met Bernard Wesseling? Op eerste gezicht steekt hij wat ‘saai’ af tegen bovengenoemde personen. Geen ellenlange herhalingen, geen merkwaardige syntaxis, maar ‘gewone’ zinnen die veelal volkomen begrijpelijk zijn. Maar mevrouw Kruit bedoelt meer met bovenstaand citaat. Neem nou een regel als deze: ‘Je had me van de week voor de spiegel moeten zien:/ alarmerend ontwapenend stond ik daar.’ Als je erover nadenkt, besef je pas hoe knap zo’n formulering in elkaar steekt. Vooral dat ‘alarmerend ontwapenend’ is heel goed gevonden. Wij zouden het maar omslachtig beschrijven, met zinnen en bijzinnen en bijbijzinnen. Wesseling kan het in zestien woorden. Een meesterdichter dus? Volgens schrijver Theo Monkhorst, in een interview met het Meandermagazine, is een dichter echter ‘iemand die opschrijft wat hij niet weet’. Dat is wel even wat anders dan de ‘taalatleet’ van mevrouw Kruit. Hier geen romantische figuur maar een beroep voor mensen met een socratische bescheidenheid. Opschrijven wat je niet weet – hoe doe je dat? Hardop twijfelen, mijmeren? Pretenderen dat je wel wat weet? Wesseling schrijft zinnen als ‘Wie met zijn angsten hokt, kan niet laf zijn.’ Daar lijkt weinig onwetendheid in te schuilen in.

    Doch misschien zitten we wel helemaal op het verkeerde spoor. Het is maar de vraag of de kwaliteiten van de ‘grote’ dichters als voorwaarden voor een meesterdichterschap moeten gelden. Valt een goed dichter te onderscheiden op grond van een kort lijstje met regeltjes? Zouden we Wesselings Naar de daken aan zulk een ‘onderzoek’ onderwerpen, dan komt hij er maar matig van af. Vormvast à la Ida Gerhardt en Gerrit Achterberg? Nee. Gebruik van ready-mades, zoals door K. Michel? Nee. Actueel als Willem Elsschot? Nauwelijks.
    Wat er allemaal wél in de bundel zit, valt minder goed in een traditionele analyse te vatten. Humor, ja, dat zit er wel in. Met name de gedichten ‘Etiquette voor een sterveling’ en ‘Etiquette voor een toekomstige nabestaande’ zijn bij vlagen echt komisch. Op andere momenten wisselt deze humor af met een melancholische noot: zo vindt een zevenjarige ik-figuur onder in de door hem zo begeerde piratenboot ‘een ontredderde bouwvakker’. Ditzelfde geldt ook voor ‘Beëlzeblurb’, waarin de ik een praatje maakt met de duivel – een grappig verwoorde situatie, maar met een bitter doel: ‘Ik zei: zorg dat ik vergeet’.

    Het thema van de bundel is verlies, en alles wat daarbij komt kijken. Verlies van jezelf, van een dierbare, van het leven. De dichter onderzoekt dit in allerlei verschillende settings: een herinnering aan de kindertijd, een ontmoeting met zigeuners, een bezoekje aan een Bijbelkiosk. Dat dit breekt met de vaak programmatische en te allen tijde zo ongrijpbaar mogelijke poëzie van de postmodernisten, is voor Wesseling geen geheim. In het titelgedicht schrijft hij dan ook: ‘Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten/ van postmodern blauw – het oude grijs – naar een trouwer blauw/ verschieten’.
    We moeten de dichter weer kunnen vertrouwen, en dat maakt Wesseling meer dan waar. De poëzie in Naar de daken valt te begrijpen, en dat is beter dan duizend metaforen en modernistische woordspelingen bij elkaar. Het leest uitermate gemakkelijk weg – en dat is heel bijzonder voor een hedendaagse dichtbundel. Het zijn gedichten die je als poëzieliefhebber aan de ongeïnteresseerde buitenwereld durft te laten zien: kijk maar, lees maar, het is niet altijd zo moeilijk. En daar schuilt Wesselings meesterschap. Hij schrijft werk dat boeiend is voor de doorgewinterde gedichtenwurm én voor de incidentele lezer, zonder aan taalkracht of diepgang in te boeten. En dat is knap.

     

     

  • Leven alsof je alle tijd van de wereld hebt

    Leven alsof je alle tijd van de wereld hebt

    De wereld wordt steeds kleiner. Iemand bij Philips vertelde laatst dat ze daar een kaart hadden gemaakt die in plaats van afstand reistijd liet zien. Ze hadden Eindhoven als het centrum genomen en hoe verder iets op deze kaart van Eindhoven vandaan lag, hoe langer de reistijd (met de auto) er naar toe was.

    Een reistijdkaart ziet er heel vreemd uit. Als ik bijvoorbeeld vanaf het kantoor waar ik werk in Amsterdam naar Londen wil reizen doe ik er minstens twee uur over voordat ik een vliegtuig op Schiphol in stap. Vervolgens doe ik er minder dan twee uur over om in Londen uit te stappen. Op een reistijdkaart ligt Londen dus dichter bij Schiphol dan bij Amsterdam. En Schiphol zelf moet een enorme vlek op de kaart zijn die weergeeft hoe ellendig lang je er moet wachten voordat je kilometers mag maken.

    Wie ver reizen wil, moet al gauw wachten. Wachten op luchthavens, op treinen, bussen, in de file en bij grenscontroles. Het zijn juist de plaatsen waar je niet wilt stilstaan die al wachtend groter worden. De wereld zelf wordt steeds kleiner maar dat is alleen zo voor de reiziger die op wil schieten en in beweging blijft. Wie alle tijd van de wereld heeft en regelmatig, ongedwongen stil staat maakt de wereld juist groter.

    Langzaam, bijna stilstaand reizen is een kunst die niet veel mensen beheersen. Voor wie wil weten hoe dat moet, is er het boek de De wegen van de wereld van de Zwitser Nicolas Bouvier. Bouvier maakte samen met zijn vriend Thiery Vernet begin jaren vijftig in een klein Fiatje een reis van Bosnië, via Turkije naar Iran, Pakistan en uiteindelijk India.

    De afstand en richting van de tocht doen een beetje denken aan die beroemde reis uit de oudheid, die van Alexander de Grote. Maar bij nadere beschouwing is de reis van Bouvier in veel opzichten totaal tegengesteld aan die van de beroemde Macedonische veldheer. Waar Alexander er op uit ging om de wereld te veroveren, laat Bouvier zich juist veroveren door de wereld. En terwijl Alexander te voet met een leger de grenzen van de bekende wereld verlegt, daar reist Bouvier in een Fiatje met zijn vriend door steden en dorpen alsof het zijn thuis is. Waar nodig blijven ze langer, om te kunnen werken voor de kost en om de reis weer te kunnen voortzetten.

    De wegen van de wereld is inmiddels een klassieker van de reisliteratuur geworden, maar je kunt je afvragen of de beschrijving van de reis zelf, het boek zo goed maakt . Bouvier is prachtig in staat om op onverwachte momenten stil te staan en je mee te voeren in een bijna dromerige toestand. Er gaat vanaf de eerste bladzijde iets betoverends uit van zijn zinnen en het is moeilijk de vinger op de details te leggen en te beschrijven waar dit ‘m nu in zit.

    De reis speelt natuurlijk wel een rol in de betovering die Bouvier de lezer laat ondergaan, maar het zijn niet de gebeurtenissen, de avonturen of de bezienswaardigheden die zijn aandacht trekken. De decors van zuidelijke en verre landschappen en culturen geven de beschrijvingen een romantische glans.  En ook de tijd waarin de reis plaats vond, de jaren vijftig van de twintigste eeuw, voegen iets van nostalgie toe.

    Bovendien, Bouvier en zijn vriend Thierry zijn jong. Het jeugdig enthousiasme en het verlangen kunstenaar, schrijver te worden en de wereld te zien, spat van de bladzijden. De tekeningen die Thierry tijdens de reis maakten zijn dan ook in het boek opgenomen. Het zijn naïeve, ietwat gedateerde zwart-wit afbeeldingen die door hun eenvoud en hun plaats in het boek je sympathie weten te winnen.

    De beste delen van het boek zijn die waarin het tweetal langer in een plaats verblijft, om er in primitieve omstandigheden te leven en wat geld te verdienen voor het vervolg van de reis. Bouvier beschrijft de omgeving, de mensen waarmee hij leeft, de pogingen geld met lezingen te verdienen, en tal van dagelijkse, op zich onopmerkelijke gebeurtenissen. Hij doet echter met een uitzonderlijke intensiteit die het lezen erg aangenaam maken.

    Bouvier doet daarbij denken aan de Russische schrijver Konstantin Paustovskij die in zijn dagboeken af en toe hetzelfde effect teweeg weet te brengen. Beide schrijvers weten de natuur en de mensen om hen heen zo dromerig en liefdevol te beschrijven dat je er onwillekeurig in mee gezogen wordt. Maar Paustovskij’s dagboeken bevatten ook het drama van de Russische geschiedenis, de oorlog en de revolutie. In De wegen van de wereld is er geen sprake van grote verhalen, er gebeurt vreemd genoeg niet zo veel.

    Gebeurt er dan helemaal niets op de lange reis? Jawel. Thierry wordt een keer hardhandig beroofd maar Bouvier wijdt er maar een paar regels aan. En natuurlijk begeeft de Fiat het op een gegeven moment, maar ook dit is voor Bouvier geen reden om er een drama van te maken. Het enige voorval waar hij zich uitdrukkelijk over opwindt, vindt plaats tegen het einde van de reis. Een overijverige schoonmaker heeft zijn reisaantekeningen voor vuil aangezien en weggegooid. Bouvier is in alle staten en gaat zelfs op de vuilnisbelt nog zoeken naar zijn verloren papieren. De uitkomst weten we al, want in het voorwoord is ons verteld dat Bouvier zo goed als alle aantekeningen kwijt is geraakt.

    De plotselinge opwinding doet je wel beseffen dat het boek wel heel erg kabbelt. Eigenlijk is het net iets te lang. Bouvier kan prachtig schrijven, maar hier en daar zou er wel iets meer mogen gebeuren, een beetje meer drama hier en daar, zou geen kwaad kunnen. Maar de dromerige stijl is bij vlagen zo sterk en verslavend dat je dergelijke kritiek misschien helemaal niet moet uitspreken.

    Als je dan al kritiek op dit boek moet hebben dan moet het gaan over de constructie die dit reisverslag, deels noodgedwongen is. Bouvier heeft na de reis drie jaar aan het boek gewerkt en hoewel het geheel overkomt als een spontane reisbeschrijving wordt de betovering af en toe onderbroken door wat verplicht aandoende geschiedenislesjes. Over de landen, de culturen en de plaatsen die Bouvier bezoekt, leren we merkwaardig genoeg maar heel weinig.

    Een opmerkelijke uitzondering is het gesprek dat Bouvier in Iran heeft met een Amerikaan die voor en met de lokale bevolking een school wil bouwen. De Amerikaan zit vol goede bedoelingen maar wordt niet vertrouwd. De bouwmaterialen verdwijnen spontaan, de lokale bevolking is niet geïnteresseerd en het project mislukt dan ook volledig. Bouvier weet een prachtige analyse te geven van het hoe en waarom van deze mislukking. Natuurlijk draait alles om het wederzijdse onbegrip tussen de lokale bevolking en de Amerikanen. De les lijkt zo erg op de jongste ervaringen van de Amerikanen in Irak en Afghanistan dat de gedachte zich opdringt dat men nooit van de geschiedenis zal leren.

    Stroever zijn de paragrafen die Bouvier thuis heeft ingevoegd en die feitelijke informatie over land of streek moeten geven. Hij had zich die moeite kunnen besparen. De schoonheid van De wegen van de wereld bestaat voor een groot deel juist uit de gedachte dat de waarde van het reizen niet afhangt van kennis van feitjes. Het is vooral een manier van kijken, van ervaren, van beleven van afstand en tijd, van leven alsof je alle tijd van de wereld hebt. Bouvier weet al reizend stil te staan terwijl je als lezer stilzit maar innerlijk beweegt. Meer mag je van een reisboek toch niet vragen.

     

  • ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

    ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

     

    De vuistslag is een heruitgave van de debuutroman van dichter Mark Boog (1970). Boog debuteerde in 2000 met de dichtbundel Alsof er iets gebeurt, waarvoor hij de C. Buddingh’ prijs ontving. Kort daarna, in 2001, verscheen zijn eerste roman De vuistslag, die onlangs opnieuw verscheen bij Uitgeverij Cossee.

    De ingrediënten zijn simpel, sober zelfs: een man, een vuistslag en een ziekenhuiskamer. Deze korte roman bestaat uit een lange monoloog van een naamloze man in een ziekenhuisbed. Verward door een vuistslag en koorts filosofeert hij er op los, af en toe in zijn mijmeringen gestoord door verpleegsters of bezoekende familieleden. Al meteen is duidelijk dat deze man niet deugt. Hij is geveld door een vuistslag, maar ook is er op hem geschoten. Het blijft onduidelijk wat er precies gebeurd is: is hij aangevallen of deed hij zichzelf iets aan na het aftuigen van zijn zwangere vriendin? Al moet de lezer natuurlijk wel begrijpen dat hij dat enkel uit louter goedheid deed. Iemand moest toch optreden? En hij was zo goed zich op te offeren. Eigenlijk is hij te goed voor deze wereld.

    Al is de hoofdpersoon op alle fronten even onsympathiek en onredelijk, verbaal is hij sterk, op het poëtische af. Hij vindt zichzelf een goed mens en zeer beschaafd.
    ‘Ik stond, en sta, op goede omgangsvormen. Ik groet beleefd en verdien beleefd gegroet te worden. Wie me bedriegt kan maatregelen verwachten, maar dat lijkt me niet meer dan billijk.
    “Dan ben je heel wat bedrogen kennelijk,” zei mijn broer snerend.’

    Zijn familie gelooft dus niet in zijn goedheid en vooral zijn zus, de enige die nog enigszins zijn respect geniet, probeert hem dit duidelijk te maken. Maar overtuigen kan ze hem niet. Hij blijft volhouden dat hij zich feitelijk inspant voor de goede zaak. ‘De beschaving en de beleefdheid waren zo hard op de terugweg dat het storend werd. Ter restauratie moest bij tijd en wijle hard worden ingegrepen.’
    En dat ingrijpen bestaat in het geval van de hoofdpersoon uit een vuistslag.

    Uitschakelen met één klap is zijn favoriete methode. Een techniek die hij door veel oefening heeft geperfectioneerd. ‘Het mooiste is als de neus breekt. Een machtig gevoel, een wonderschoon geluid.’ Zijn vader was jaren geleden zijn eerste slachtoffer en daarmee veranderden de verhoudingen binnen het gezin voorgoed. ‘De vuistslag van een winnaar, van de geboren leider, die af en toe laat zien wie de grootste is…’ Dat hij alleen slachtoffers kiest die hij aankan, maakt hem niet laf. Dat is ‘gewoon een kwestie van gezond verstand.’ Want ‘Wie één keer verliest, heeft altijd verloren. Winnaar is slechts hij die nooit verloor.’

    Hij mag dan geweld gebruiken, ontspoord is hij niet. Vindt hij, tenmiste.
    ‘“Ik heb altijd naar een gelijkmatig, beschaafd leven gestreefd,” ging ik verder. “Men stond me in de weg soms, dan moet je harder optreden.”’

    Beter kort en hevig uit de band springen, dan langzaam en langdurig, want ‘dat zou ontsporen zijn, dan kom je misschien nooit meer op het rechte pad.’

    De hoofdpersoon beweert zijn leven gebeterd te hebben. Hij tuiniert nu, een overduidelijke verwijzing naar Voltaires Candide. Maar of dat ook werkelijk zo is? In dit boek, met zijn onbetrouwbare verteller is niets wat het lijkt en blijft de waarheid goed verborgen.

    Er gebeurt niet veel in De vuistslag, je zou het verhaal misschien zelfs saai kunnen noemen, maar het poëtische karakter en de tekstuele juweeltjes maken van het boek een verrassing en een prettige leeservaring. Zelf geeft de auteur achter in het boek ‘Discussiepunten voor de leesclub’, maar De vuistslag lijkt ook geschikt voor lezen in het voortgezet onderwijs. Een dun boek wordt door leerlingen altijd met enthousiasme ontvangen, maar daarnaast kan het aanleiding geven tot interessante discussies over het nog altijd actuele thema zinloos geweld. Want wat zou de hoofdpersoon zeggen over zinloos en zinvol geweld?

     

     

  • De rijkdom van het menselijk tekort

    Zware Pijnstillers, de nieuwe en elfde bundel van Rob Schouten brengt weinig nieuws, of het moet zijn dat ditmaal het menselijk tekort in al z’n grimmigheid net iets minder monter voor het voetlicht wordt gebracht dan voorheen. Er wordt echter in ieder geval weer als vanouds losgegaan op fantasieën die van banaal tot verheven variëren in soepel uitgebalanceerde, een natuurlijke toon treffende zinnen. De goed getroffen stijl houdt de meeste van Schoutens gedichten behoorlijk overeind, al lijkt niet ieder van de 42 gedichten even geïnspireerd geschreven. De soepele tred van zijn zinnen wordt allerminst verstoord wanneer een enkel goedbekkend, zelfgemaakt woord als ‘pakkenpastaprak’ opduikt. En waar een adjectief zich tot een zelfstandig naamwoord (‘stomtoevalligen’) heeft vermomd, komt zoiets de zeggingskracht ten goede. De toegankelijkheid van zijn gedichten is er niet minder om. Een enkel Duits woord als ‘Irrenanstalt’ of ‘Originalfassung’ kan men eveneens aantreffen. Niet zo opmerkelijk echter als men bedenkt dat het eerste gedicht, ‘Huisvriend’, over niemand  minder dan Adolf Hitler gaat. En hoe het derde gedicht ‘Durch Dickicht und Gestrüpp’ aan z’n Duitse titel komt legt Schouten zelf uit: ‘De titel komt trouwens uit Strauss, Richard, / Mooi toch, vooral dat Dickicht maar / het valt wel mee’. Een beetje flauw misschien? In het vijfde gedicht richt de dichter zich dan ook rechtstreeks tot zijn lezer: ‘Of bevalt m’n toontje je niet?’ De lezer doet er echter verstandig aan niet af te haken, want er zijn dan nog 37 gedichten te gaan en,  alles bij elkaar, wel degelijk de moeite van het verder lezen waard.

    Juist die combinatie van verheven en banaal zorgt voor optimaal leven in de brouwerij en voor elk wat wils. De toon varieert soms van cabaretesk, lamlendig, banaal, melig, verheven, groots, ironisch binnen één en hetzelfde vers. Zo zet het gedicht ‘De ware Oekumene’ in:

    ‘O Prins der Parken, long om niet, joggrond!
    Thans breek ik graag uw paden aan, uw lanen open
    en wens u een behouden dagdoorbloeding;
    dat doggen rond P’s stiervisvogel grazen,
    de gek op adem komt en liefjes zich gedragen.

    In duifdoorscheten, weldoorkuierd groen
    drinken wij ongedwongen roddelkoffie’

    Schouten verlustigt zich even graag aan het platvloerse: ‘de nieuwe borsten en haar kut’, als dat hij een religieuze bespiegeling ruim baan geeft: ‘Veel lijkt me mensenwerk, tijdens diners / bijvoorbeeld warme kreeft in snot / en de kalkoen, maar dan opeens zie je / van die overweldigende hoogovens / en is de brug over de Rijn geopend. Dan denk je toch weer: God!’ De ironie druipt er van alle kanten van af. Reve, denk je dan. Maar Schouten is concreter dan Reve. Het roept hier en daar ook het vroege werk van Kees Ouwens in herinnering, al ontbreekt bij Schouten het bezwerende taalgebruik en de bijbehorende hoge inzet.

    Als de Apocalyps is aangebroken, verbaast het de dichter, want ‘mij is daar niks van verteld / en ik probeer er nog wat van te maken / met mijn onsterfelijke ziel. (…) Mij niet gezien, dit eind der tijden. / Fluks jaag ik mij een kogel door de kop.’ Ach, zolang Schoutens zinnen niet uit het lood gaan hangen, valt weinig te vrezen dat het de dichter ernst is met deze gedachten. Zelfs in zijn onbarmhartige zelfbespiegelingen lopen de zinnen in zelfde vaart even moeiteloos voort. In ‘Wie ik ben’ het langste gedicht van de bundel en een van de beste, dicht Schouten zich van kleine jongen tot volwassen man: ogenschijnlijk een leven waarin kortstondige triomfen het altijd hebben moeten afleggen tegen de onvermijdelijke deceptie, maar Schouten bakt er met tevredenheid een goedlopend en vlotlezend gedicht van. Als hij daarin halverwege wat uitweidt, roept hij zichzelf tot de orde: ‘En toen, waer bestu bleven o verlegene, / ontsporend kleptomaan, afgrondelijke / catacombe van mijn tuchteloze ik? / rondde ik onverwacht mijn studie af / en lag in bed met de aanbedene, / bezocht het tuincentrum met de bezwangerde, / te midden van zoveel welkome leeghoofden, / die het straatbeeld niet ten goede kwamen.’ In de laatste strofe belandt hij aan in het heden: ‘Nu dan (…) ondanks gebruikssporen redelijk onbedorven, / heb ik de indruk, eigenlijk best geschikt / om er dan nu een einde aan te maken / voordat de tweede helft zich helemaal ontvouwt / en je het lekker jonge ding wenst, eerst om / wie weet nog een geboorteakte voort te brengen / en je dan voort te karren richting zwarte gat’.

    De dichter lijkt het gelukkig geen punt te vinden dat hij niet positief in het leven staat. Wekt anderszins ook niet de indruk een oude knorrepot te zijn. De wereld is precies wat die moet zijn. En het past de mens even goed zich er soms niet en dan weer wel in thuis te voelen. De mens is immers de maat van alle dingen, en die mens heet in dit geval Rob Schouten: ‘Logny-les-Aubenton, Aisne / is overigens een dorp van drie keer niks, / ook niet met mij, Rob Schouten, erdoorheen.’ Vanzelfsprekend valt er bij zo’n dichter geen antwoord op de grote levensvragen te verwachten: ‘Of de schepper bestaat dan wel bestond, / ik durf het niet te zeggen’. Die twijfel weerhoudt hem echter niet enige hoop op redding, zie de laatste regels van het fraaie, aan Remco opgedragen gedicht ‘Roersel’:

    ‘Ik heb wel iets tegen te veel om op te noemen
    maar zo’n klein beetje dat het vaak niet loont
    en ik gewoon maar ergens anders ga zitten.

    Mijn ouders zijn inmiddels goed gestorven,
    behalve dan mijn moeder, wier aquarellen ik
    vriendelijk afsla en maar weer eens ga,

    en ook het docentencorps is definitief
    afgemarcheerd, tezamen met
    de moeders van mijn kinderen.

    Het nodige al naar de bliksem en
    dan blijf je in je kooitje over,
    goed afgeschermd en geen groot ongemak.

    Wie weet komt ook de Heilige van de Nacht
    me ongevraagd nog eens redden
    van alles waar ik ooit iets, niet veel tegen had.’

    Zoals gezegd leest Zware Pijnstillers als vertrouwd. Opnieuw heeft de dichter hier, al dan niet autobiografisch, uit de rijkdom van het menselijk tekort kunnen putten. En ook in deze bundel ontbreken die paar vertalingen van John Berrymen, de huisdichter binnen Schoutens oeuvre, niet. Hoewel Zware pijnstillers ook wat mindere gedichten telt, sommige wat flauw zelfs, trekt zijn stijl je met gemak door de bundel heen. De woorden in de poëzie van Schouten zijn niet gekozen ter versiering van gedachten, maar omdat ze nu eenmaal ter zake doen in wat ermee gezegd wil zijn. Alle gedichten achter elkaar lezen is wellicht wat teveel van het goede. Zijn stijl mag bewondering wekken, het gevaar van eentonigheid ligt wel degelijk op de loer. Indien gedoseerd gebruikt kunnen deze gedichten echter bewerkstelligen dat men weer tegen een stootje kan.

     

     

     

     

  • Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

    Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

     

    Niet alleen Europa is in crisis, ook met de filosofie is het al langer slecht gesteld. Sinds het begin van de twintigste eeuw is er zelfs sprake van een heuse scheuring tussen aan de ene kant de Angelsaksische of analytische filosofen en aan de andere kant de filosofen van het continent. De Noordzee en de Atlantische oceaan blijken onoverbrugbare hindernissen te vormen voor denkende wijsgeren.

    Oorzaak van de scheuring binnen de filosofie is vooral het succes van de natuurwetenschap. In het prille begin van de Verlichting kon de filosoof nog geloven dat de wijsbegeerte een centrale rol speelde in het begrijpen van de wereld, de mens inbegrepen. Maar in de loop van de tijd bleek de wetenschap de filosofie helemaal niet nodig te hebben. Baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan zonder dat filosofen daar enige inbreng in hadden.

    Maar er was in de achttiende eeuw ook onvrede en teleurstelling ontstaan over de beloftes die er van de wetenschap bijna een eeuw lang was uit gegaan. Een wetenschappelijk, mechanistisch wereldbeeld bleek ten koste te gaan van de plaats van God en niets fundamenteels te zeggen te hebben over de waarden en betekenis van het menselijke bestaan. De wereld raakte, in de woorden van Max Weber, door de wetenschap onttoverd.

    Wat is de taak van de filosoof in een wereld die onttoverd is? Hebben de wetenschap en de filosofie elkaar wel iets te bieden? Analytische filosofen menen van wel, en houden zich dan ook voornamelijk bezig met wetenschapsfilosofie, kennis, logica en taalfilosofie. De filosofen van het continent menen dat de wezenlijke filosofische vragen buiten de wetenschap liggen en zoeken daarom vaak aansluiting bij kunst, andere culturen, in een poging, zo lijkt het, om iets van een betoverende wereld terug te vinden.

    Net als in Europa zijn er in de filosofie mensen die de boel bij elkaar willen houden en interesse tonen in de opvattingen en belangen van de andere partij. En er zijn er die ervoor pleiten dat partijen zich achter de eigen kant van de scheidslijn terugtrekken om elkaar zo weinig mogelijk in de weg te zitten. Hen zou je radicaal kunnen noemen. Een voorbeeld van een radicaal in de filosofie is de dichter en denker Henk van der Waal. Van hem verscheen onlangs bij de Bezige Bij het boek Denken op de plaats rust.

    Van der Waal laat er geen misverstand over bestaan; filosofen dienen zich niet bezig te houden met waarheid, kennis, wetenschap of logica. ‘Direkt mee ophouden,’ is zijn even duidelijk als radicaal advies. Voor Van der Waal is wijsbegeerte iets heel anders dan analytische filosofie. Het bestaat uit ‘inzicht krijgen in ons eigen bestaan en in de wereld om ons heen, maar ook contact kunnen krijgen met de diepte die ons uitmaakt.’

    Van der Waals doel is ambitieus. Hij wil niets meer dan een nieuwe wijsbegeerte verkondigen die korte metten maakt met alle fouten begaan in het verleden. Het beloofde resultaat is niet alleen inzicht en troost voor de zoekende, maar zelfs geluk.

    Want, zo schrijft Van der Waal, het is langzamerhand tijd dat de filosofie de belofte van inzicht en troost die ze met zich meedraagt, nu eens inlost. Het christendom is zo goed als onzichtbaar geworden, het kapitalisme houdt ons in zijn greep, de wetenschap staat op eigen benen en verveelt zich, en dan blijft, volgens van der Waal, alleen de filosofie nog over als toevluchtsoord voor hen die inzicht en troost zoeken.

    Maar eerst moet de filosofie wel ernstig bij zichzelf te rade gaan voordat ze deze belangrijke rol op zich kan nemen. Om tot een betere filosofie te komen moeten we volgens Van der Waal onderscheid maken tussen drie zogenaamde ‘ervaringsbereiken’, die we strikt gescheiden dienen te houden: die van de waarheid, de aanspraak en het onbestemde. Het laatste bereik is voor Van der Waal het belangrijkste. Want met de waarheid moet de filosoof zich niet bezig houden: ‘Laat het aan de wetenschappers zelf over om met de waarheid te dealen. De waarheid is hun probleem.’

    Belangrijker dan de waarheid is het ‘ervaringsbereik van de aanspraak’ dat kort gezegd gaat over de verhoudingen tussen mensen onderling, over politiek en gemeenschap. Maar voor Van der Waals filosofie is het derde ervaringsbereik, dat van het onbestemde, verreweg het belangrijkste. Het ‘verkent en onderhoudt de manier waarop de mens zich verhoudt tot zichzelf’. Het zelf ligt echter niet zo duidelijk vast en van der Waal kiest er dan ook voor het bereik ‘onbestemd’ te noemen. Het is al snel duidelijk dat bijna alles wat van werkelijke waarde is, kunst, liefde, mystiek allemaal te vangen is als betrekking hebbend op wat hier onbestemd genoemd wordt.

    Van der Waal duwt het filosofische gaspedaal vervolgens flink in om zijn gedachten kracht bij te zetten. Heidegger, Bataille, Foucault, Levinas en vele anderen worden aangehaald en al dan niet kort besproken. Dat levert bij vlagen een bijna onnavolgbaar betoog op, althans wie de moeite neemt de details te volgen. Gelukkig herhaalt Van der Waal zich regelmatig en zijn de grote lijnen van zijn filosofie tamelijk goed te begrijpen. Van der Waal wisselt een populaire schrijfstijl af met zinnen die bol staan van een bijna onleesbaar filosofisch vakjargon. Een voorbeeld van het laatste is de volgende zin:

    ‘Als je een ander niet als een jij maar als een object benadert, stoot je dit jij uit de wederkerigheid, uit de een-op-een relatie die je met de ander op grond van zijn impliciete of expliciete aanspraak zou moeten onderhouden.’

    Behalve dat een dergelijke zin lelijk is, is het ook verre van helder wat hier nu precies beweerd wordt. Voor een denker die ook dichter is (Van der Waal won als dichter de C. Buddinghprijs en de Ida Gerhardt poëzieprijs) mag je toch wel iets meer verwachten.

    In het eerste deel van het boek wordt de geschiedenis van de wijsbegeerte behandeld, of althans dat gedeelte van de geschiedenis dat in het betoog van pas komt. Van der Waals gebruik van de geschiedenis is simpelweg demagogisch. Zijn beschrijvingen zijn gekleurd, bevooroordeeld en eigenlijk alleen te verteren voor iemand die het geheel met hem eens is. Lezers die niet of slecht bekend zijn met de geschiedenis van de filosofie kunnen dit deel dan ook maar beter overslaan. De geschiedenis wordt bovendien beschreven als de uitkomst van doelgerichte processen, waarbij religies en filosofische stromingen ook nog eens worden opgevoerd alsof het handelende personen zijn. Dat leidt tot zinnen als: ‘Toch zet het christendom niet zomaar de enorme status die de waarheid heeft, bij het oud vuil. Het haalt een andere truc uit’ en ‘de Verlichting die het beeld voor ogen tovert dat…’.

    Aan Van der Waals Denken op de plaats rust ligt flink veel onvrede ten grondslag. Dat uit zich in een felle kritiek op een consumerende, twitterende, cynische en vooral lege maatschappij. Wetenschap en kapitalisme hebben de handen ineengeslagen om het gat op te vullen dat is achtergelaten door het nu bijna verdwenen christendom. De huidige mens is een paradoxaal; leeg, radeloos, besluiteloos en op zoek naar vertier en consumptie om de tegenstellingen die hem omringen maar niet te hoeven zien. Want  ‘de wereld hangt van paradoxen aan elkaar’, vertelt Van der Waal ons en de meeste mensen gaan met dat gegeven om alsof er niets aan de hand is: ‘Een tegenstelling, misbruik, onrecht: o dan haal ik mijn schouders toch even op.’

    Het is wel opmerkelijk dat Van der Waal de paradox opvoert als iets negatiefs. Juist de filosofische stromingen waar hij zich verwant mee voelt, bedienen zich regelmatig van de paradox. In Denken op de plaats rust zijn voor wie een beetje zijn best doet, honderden paradoxen te vinden. Het hele begrip van het ervaringsbereik van het onbestemde is één van de vele voorbeelden. Want hoe kan dit bereik nu scherp afgegrensd zijn van de andere bereiken als het onbestemd is? Trouwens het woord ervaringsbereik zou je zelf al een paradox kunnen noemen. Van der Waal zou dan ook de paradox eerder moeten omarmen dan het als de bron van de huidige leegte om hem heen te zien.

    Maar het grootste bezwaar tegen Denken op de plaats rust is het gebrek aan twijfel waarmee het betoog gepresenteerd wordt. Van der Waal mag dan in de eerste bladzijden vragen om meedenkende lezers, hij snoert ze meteen ook de mond door te eisen dat ze ‘zich een moment kunnen beheersen en niet direct beginnen te mekkeren van dit klopt niet en dat klopt niet en wat die daar zegt, nou ik weet het niet hoor.’ Meer dan driehonderd bladzijden later is de lezer niet meer in staat om tegen te sputteren en is het enige wat hem rest een stille aanvaarding of een afwijzing met schuddend hoofd.

    Van der Waal is uiteindelijk veel meer profeet dan hij filosoof is. Zijn denkbeelden zijn zo overduidelijk doordrenkt van een wijsgerige vorm van moralisme dat het aanwijzen van denkfouten en verkeerde aannames geen zin lijkt te hebben. Denken voor de lezer lijkt hier dan ook vooral te bestaan uit aannemen wat we voorgeschoteld krijgen.

    Ronduit ergerniswekkend is de opvoering van stereotypen waar vervolgens kritisch op kan worden afgegeven, zoals de ‘sociale netwerk mens’ en de al genoemde ‘paradoxaal’. Stereotypen kunnen in eerste instantie overtuigende generalisaties zijn, maar in tweede instantie wil het nog al eens lastig blijken om individuen aan te wijzen die aan het generaliserende beeld voldoen. Ja, er zijn genoeg mensen die twitteren, SMSen, bellen en chatten en je zou hen voorbeelden kunnen noemen van de ‘sociale netwerk mens’. Maar wie van hen ‘weet dat hij zonder contact, zonder verbinding, zonder bereik volkomen onthand is en is overgeleverd aan angst’ zoals Van der Waal beweert?

    De opvoering van een stereotype als de sociale netwerk mens lijkt dan ook eerder bedoeld voor lezers die geloven dat het gebruik van sociale media een vervlakking betekent en dat beeld bevestigd willen zien. Of de sociale netwerk mens in de strikte zin bestaat, doet er niet zoveel toe; zolang de afkeer maar een plaats kan krijgen.

    Denken op de plaats rust moet de lege, oppervlakkige mens een vluchtplaats bieden uit een technologische, kapitalistische maatschappij. De zoekende moet leren zijn verhouding tot het onbestemde denkend vorm te geven. Dat is grofweg de boodschap. Maar Van der Waal verliest zichzelf in heuse stappenplannen om tot een beter, diepzinniger leven te komen. Zijn betoog doet bij vlagen dan ook wel heel erg denken aan wat je ‘zelf-help’ filosofie zou kunnen noemen. Het gevaar is dan ook dat de lezers die zijn gedachten met instemming lezen, de boodschap verwarren met esoterie en dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Maar het opzoeken van de grens van de esoterie lijkt het resultaat van een bijna wanhopige zoektocht naar betovering in de wereld. Van der Waal meent in het onbestemde een plek van rust gevonden te hebben die nog vrij is van wetenschap, kennis, kapitalisme en technologie. Het is een plaats waar de zoekende mens een rustig denkend heenkomen kan zoeken. Vergeleken met het continent dat de filosofie eens was, is het bij Van der Waal gekrompen tot een ministaatje.

    Wie de filosofie beziet moet toch vast stellen dat het zo slecht nog niet gaat met Europa.

     

  • Licht op Arthur Miller

    Licht op Arthur Miller

    Op zoek naar een toekomst is een verhalenbundel van de vooral als toneelschrijver bekende Arthur Miller. In het voorwoord schrijft Miller dat het voordeel van korte verhalen ten opzichte van toneelstukken de mogelijkheid is gebeurtenissen en personen ‘in een roerloze toestand te bekijken.’ (8) In een geslaagd kort verhaal spelen de locatie, het weer, de sfeer en stemming sterk mee. Zo ook in deze verhalen van Miller, die stuk voor stuk de moeite waard zijn.

    In diverse van de opgenomen verhalen is er een rol weggelegd voor de joodse identiteit, bijvoorbeeld in ‘Monte Sant’Angelo’ waarin een man tegen zijn vriend beweert dat hij aan de manier waarop een Italiaan zijn bundel stoffen dichtknoopt kan zien dat deze joods is: ‘De hele geschiedenis is je boeltje pakken en wegwezen. Niemand anders kan zo liefdevol en fijngevoelig met zijn bundel bezig zijn.’ (81) De man in kwestie blijkt echter geen jood te zijn en zelfs de betekenis van het woord niet te kennen. De hoofdfiguur, Bernstein, denkt echter dat de stoffenhandelaar toch joods is maar dit zelf niet weet. Het werpt een interessant licht op identiteit: is deze aangeboren, of gaat het erbij om een proces van aanleren?

    Ook vriendschap is een thema in deze verhalen. Zo wordt in het verhaal ‘Roem’ een bekende toneelschrijver door iedereen herkend. Dan komt deze dan een oud-klasgenoot tegen, die de toneelschrijver zich in het geheel niet herinnert. De oud-klasgenoot herkent hem wel, maar niet omdat de man bekend is, maar gewoon omdat hij vroeger vier jaar naast hem gezeten heeft. Als de schoolvriend hoort dat zijn oude kameraad beroemd is, maakt hij zich snel uit de voeten.

    Roem speelt ook een rol in het titelverhaal, waarin een bekende acteur teleurgesteld is in het leven. Vroeger dacht hij ‘dat een groot acteur de mensheid iets te bieden had’ (265), maar nu ziet hij zichzelf als een mislukking, ongetrouwd en met een aftakelende vader. Het is een verhaal over desillusie. De acteur ‘had niets liever gewild dan kinderen, een gezinsleven’, maar dat kwam er nooit van. Hij mag in zijn carrière geslaagd zijn, in het leven voelt hij zich een mislukking.

    Relaties, in vele verschijningsvormen, spelen in Millers verhalen een belangrijke rol. Zo heeft in het verhaal ‘Bulldog’ een jongetje van dertien seks met een volwassen vrouw en probeert een schrijver zijn writer’s block in het verhaal ‘Het naakte manuscript’ te overwinnen door met een pen een verhaal op de huid van een naakte vrouw te schrijven. Het is het minste verhaal in de bundel, want te vergezocht. In ‘Het leven van een lelijke vrouw’ toont Miller empathie: het gaat over een al dan niet onaantrekkelijke vrouw die geluk vindt met een blinde man en zich zo toch nog mooi kan voelen. Het idee is misschien niet zo origineel, maar de uitwerking is sterk. Miller, zelf ooit getrouwd met Marilyn Monroe, weet het geestesleven van deze vrouw goed uit te werken.

    Het verhaal dat het meest bij blijft is ‘Het optreden’, waarin een joodse tapdanser optreedt voor Adolf Hitler, zo ongeveer het hoogtepunt uit zijn leven. Men biedt hem na het optreden, niet wetend van zijn joodse achtergrond, aan om een tapdansschool in Berlijn op te zetten, om het Duitse volk cultureel te verheffen. Miller schrijft: ‘Hitler had een hartstochtelijke waardering voor hem getoond, in zekere zin zelfs van hem gehouden, van zijn talent in elk geval, en dat met een vuur dat niemand waar dan ook ooit bij benadering had kunnen evenaren’ (342) Het werpt een interessant licht op de op artistiek gebied niet bijster talentvolle Hitler.

    Op zoek naar een toekomst is een sterke bundel, mooi vertaald door Guido Golüke.  Miller weet zowel de leefwereld van kinderen als van volwassenen overtuigend uit te werken en zowel ontwikkelde mensen als laaggeschoolden worden treffend getoond in zijn teksten. Bovendien werpen deze verhalen licht op het geestesleven en ook wel op de persoonlijke biografie van de belangrijke schrijver Arthur Miller.

     

  • De dualiteit van een spiegelbeeld

    De dualiteit van een spiegelbeeld

    Gerard Koolschijn, hoofdzakelijk bekend als vertaler van klassieke literatuur, heeft een autobiografische roman geschreven die aanvankelijk de niet concreet met de leer van Calvijn vertrouwde lezer ietwat in de war stuurt en op de proef stelt omwille van de waterval van psalmen en teksten uit de Bijbel, de ogenschijnlijk radicale afkeer van het aardse bestaan en de permanent dreigende toorn des Heren geïncarneerd door ene dominee Raave, charismatische predikant met een schare volgelingen waaronder Jan, de rabiate vader van Gerard en moeder Jettie die mooi tekent en evenzeer de dominee bewondert, volgt en bemint. Fundamentalisme van Westerse allure.

    Het is een bevrijding wanneer de eerste episode getiteld ‘God’ achter de rug is en Gerard, auteur en hoofdpersonage, na een haastig besloten huwelijk zonder enig vertoon van liefde, wat in episode twee aan bod komt, zich op een Grieks rotseiland heeft teruggetrokken om er niet zonder enige ontbering te werken aan zijn vertaling van de Anabasis van Xenofoon en er, op zichzelf aangewezen, vooral gelukkig te zijn en te genieten van de ruwe maar authentieke natuur, de planten en de simpele genegenheid van de mensen aldaar. Dit is het meest aantrekkelijke en literair best genietbare deel van de ruim vijfhonderd pagina’s dikke roman en kan de auteur er een zekere sereniteit ervaren die weliswaar na enige tijd naar een vleugje verloedering en de daarmee verbonden argwaan van de inwoners evolueert, in grote mate omwille van zijn eigen gedragingen. Episode drie is voorbij. Terug naar vrouw en kind(eren), naar de schijnbare orde en de ‘Samenleving’. Er komen nog twee kinderen, het huwelijk wordt een steeds groeiende ellende. De echtgenote wordt als onhandelbaar afgeschilderd en munt hoofdzakelijk uit in hysterische scheldpartijen en een totaal onbegrip. Gerard gaat schaatsen bij wijze van vlucht, wordt leraar en later rector en spreekt er wijze woorden die hij nauwelijks onderschrijft. Hij blijft rusteloos zoeken naar wat onvindbaar is. De auteur hanteert daarbij een koele schrijftrant die genadeloos zichzelf en de anderen uitbeeldt en ontluistert.

    Het laatste hoofdstuk is dat van het afscheid: de dood van Jan en wat later van Jettie, een laatste confrontatie met zijn ouders, maar ook de episode van een nieuwe en meer harmonische liefde. Einde goed, alles goed, zou men kunnen geneigd zijn te zeggen, maar dan alleen als men veel kan vergeten.

    Opmerkelijk bij deze logische opbouw van een vrij bewogen leven, wat niet betekent dat het sensationeel zou zijn (geweest), is de betekenis van wat telkens aan een van de vijf blokken voorafgaat en de titel ‘Onderweg’ kreeg. Het gehele boek is eigenlijk een ode aan het onderweg zijn, maar is dat niet het stramien van veel verhalen over een leven, een familie, een streven, verwikkelingen, liefde en wat daarop volgt? Enigszins in dat verband doet Geen sterveling weet aan Vrijheid van Jonathan Frantzen denken waarin ook enkele idealisten of geestelijk maturen optreden en uiteindelijk een leven wordt opgevoerd zoals in een volwaardig vertoon met aanvang, midden en slot voorzien van tal van uitwassen en zijn uiteindelijke finale. Koolschijn doet trouwens niet voor Frantzen onder in het opbouwen van een spanning, zij het een totaal andere. De ‘Onderweg’ tussenstukken zijn meditaties geïnspireerd door Xenofoon en Plato en hun invloed op de visie en de gedragingen van Gerard. In die optiek fungeren zij ook een beetje als rechtvaardiging voor zijn koelheid of noem het zijn afstandelijkheid ten aanzien van mensen en hun drijfveren of overdrijvingen.

    Men ontdekt tijdens het lezen fijne parallellen tussen de auteur en de geest en de teneur van zijn vertalingen wat ook een vorm van fundamentalisme lijkt te zijn, namelijk in het, alle verhoudingen in acht genomen, zowel reële als geestelijke onderweg zijn, in de trek naar de ‘thalassa’ van Xenofoon en zijn lotgenoten, in de leer van Plato die al even opdringerig en zelfingenomen was als die van dominee Raave, die naar verluidt model staat voor ene ds. J.P. Paauwe, waarover de vader van Gerard trouwens een biografie schreef om zich naderhand van die ds. Paauwe te distantiëren.

    Er is iets tweevoudigs, iets dubbelzinnigs en dualistisch in het totaalbeeld dat de auteur van zichzelf biedt in een zelfbeschouwing die de naam autobiografie draagt. Een autobiografie in romanvorm, wat dat ook mag zijn: sfeerschepping, vinnige en heel concrete dialogen, anekdotes, precieze beschrijvingen van de natuur en de mensen op het Griekse rotseiland, fictie op basis van herinneringen, korte en welsprekende zinnen die meteen een situatie resumeren of met de kleuren van zelfbeklag en zelfbewondering zijn getooid en die zijn koele en meedogenloze attitude enigszins verklaren zoals ‘Ik had geen verlangen en geen hoop en staarde maar wat voor me uit.’ (p.294) en ‘Godsdienst was eenzaamheid en angst, onvermogen om alleen maar wat van dag tot dag te leven. Begrijpelijke angst, dat wel, begrijpelijk onvermogen’. (p.463)

    Een beklijvend, bijwijlen wat verwarrend en toch heel concreet verhaal waarin de gevolgen van een fanatiek godsdienst beleven huiveringwekkend aan bod komen en een zoektocht naar sereniteit via kilte en pseudo-gevoelloosheid uiteindelijk toch naar een ‘thalassa’ leidt, naar een lichtpunt aan het uiteinde van een langgerekt ‘onderweg’ zijn.