Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Steeds bezig aan één groot werkstuk

    Steeds bezig aan één groot werkstuk

    In oktober 1954 vulde een Haarlemse ambtenaar een formulier in waarin Anton Heijboer (of Heyboer, zoals hijzelf schreef) zich liet registreren als kunstenaar. De etser en latere schilder wilde gebruik maken van de contraprestatieregeling. Die voorzag erin dat de gemeente werk aankocht in ruil voor een uitkering. Heyboer verklaarde tegenover de ambtenaar dat hij van niemand invloed had ondergaan en dat bijzonderheden over hem te vinden waren in zijn dossier in het krankzinnigengesticht in Santpoort. De ambtenaar noteerde nog dat de verklaringen op het formulier in hoofdzaak waren gebaseerd op uitlatingen van de kunstenaar zelf.

    Blijkbaar wisten ze ten gemeentehuize in 1954 al niet hoe ze betrouwbare biografische gegevens over hem op papier moesten krijgen. Dat zou niet erg veranderen. Ruim 50 jaar later verklaarde kunsthistoricus Hans Locher over Heyboer: ‘[Hij] bouwde zijn eigen gekkenhuis in Den Ilp, kon je zeggen, in het echt en in de verhalen. Er was niet zoveel verschil.’

    Locher vertelde dat aan Bert Nijmeijer, historicus en journalist, van wie zojuist een boek over Heyboer is verschenen.

    Nijmeijer, geboren in 1971, had het beeld van Heyboer dat de meesten voor ogen staat. Dat van de halvegare quasi-kunstenaar die tussen vrouwen en dieren woonde in vervallen hokken in Den Ilp, bij Amsterdam, en wiens verschijning in TV-programma’s als De Stoel vooral op de lachspieren werkte. Nijmeijers ruimere nieuwsgierigheid werd gewekt toen in 2007 een boekje verscheen van Erna Kramer. Zij leerde Heyboer kennen in 1952, was vier jaar daarna met hem getrouwd, had met hem een dochtertje Marcelle gekregen, en was in 1959 met het kind bij hem weggegaan. Heyboer maakte daarna geen deel meer uit van hun leven, maar in 2007 ontdekte Erna dat Heyboer haar in interviews doodzweeg door zijn leven in de jaren ’50 louter af te doen als ‘vijf jaar palingvissen’. Dat was haar te gortig.

    Voor Nijmeijer kwam daar nog eens bij dat rond de tijd dat Erna haar stem in geschrift verhief de geruchten steeds aanzwollen over regelmatig opduikende vervalsingen van werk van Heyboer. Daarin speelden de Amsterdamse kunsthandelaren Knubben en Simon én een mysterieuze Bijvoet een grote rol. Dat waren voor hem genoeg redenen om de geschiedenis van die ‘gek’ uit Den Ilp te reconstrueren.

    Maar ga er maar aan staan, als uit de aantekening van de Haarlemse ambtenaar en de ervaring van Locher al blijkt dat je nauwelijks houvast zult vinden. Dat ontdekte Nijmeijer gaandeweg eveneens. Hij heeft dan ook geen biografie geschreven, maar ‘een biografische speurtocht’. Die leidde vooral langs de bestaande literatuur en zo’n 35 ‘getuigen’ die hij interviewde. Al die verhalen heeft hij samengeweven tot een lappendeken van anekdotes, meningen, interpretaties en ruzies, die het object van zijn onderzoek helaas niet erg nader tot de lezer brengen dan in voorgaande publicaties al is gebeurd.

    Nijmeijer schrijft onderhoudend, daar niet van. Al lijkt het er soms op dat hij moeite had om weetjes en anekdotes achterwege te laten. Soms is dat storend voor de loop van het verhaal. Wat moet je er bijvoorbeeld als lezer mee dat Harry Mulisch, die in Haarlem bevriend was met Heyboer, naar Amsterdam verhuist en daar met Ed Hoornik optrekt. Het gegeven heeft geen enkele relevantie voor het leven van Heyboer die dan feitelijk al met Mulisch gebroken heeft.

    De rode draad in het boek wordt gevormd door twee componenten: de filosofie van Heyboer en zijn werk. Wat het eerste betreft blijft de kunstenaar trouw aan de diagnose die in 1951 in Santpoort al gesteld werd: ‘krankzinnigheid met Christuscomplex’. Hij bouwt zijn filosofie uit tot een systeem waarin hij zelf als een soort Christus de spil vormt met als doelstelling zijn hele leven en dat van de vijf vrouwen waarmee hij uiteindelijk in Den Ilp samenwoont tot zijn ultieme kunstwerk te verheffen. Steeds als een nieuwe vrouw bij hem intrekt moet haar ego en haar burgerlijkheid tot de grond toe worden afgebroken om met hem verenigd te kunnen worden. ‘Ik ben steeds bezig aan één groot werkstuk’, laat Nijmeijer hem ergens zeggen.

    Daarnaast als tweede component zijn werk, dat aanvankelijk in de vorm van etsen en later in schilderijen (gemakkelijker, want zo’n ding heb je veel sneller af) wordt opgetuigd uit lijnen, kruisen, cijfers en teksten die allemaal naar zijn ‘systeem’ verwijzen. Een enkeling valt ervoor, maar eigenlijk is er niemand die er een touw aan vast kan knopen. De al genoemde Locher, die in 1976 eveneens een biografie publiceerde, kende de kunst van Heyboer ‘een ongewoon dwingende werking’ toe, maar zag er toch ook niet meer in dan ‘een taal waarin bepaalde mededelingen gedaan werden’ (geciteerd door Nijmeijer). Aan zo’n heldere analyse heb je nog eens wat als je geïnteresseerd bent in wat de kunstenaar bewoog!

    Ook Nijmeijer zelf slaagt er niet in om de lezer inzicht te geven in Heyboers werk, maar anders dan Locher, valt hem dat te vergeven. Hij geeft in zijn nawoord toe dat hij te weinig kunstkenner is om daar uitspraken over te doen.

    Heyboer. Een biografische speurtocht laat zich grotendeels lezen als een amusant verhaal. Het wordt zelfs spannend als de auteur probeert te achterhalen wie de geheimzinnige Bijvoet is, die steeds opnieuw met onbekend werk uit zijn Haarlemse periode aan komt zetten. Nieuwe inzichten over leven en werk van Heyboer levert het boek echter niet op.

     

     

  • Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

    Mislukte kunstenaar in een mistroostig stadje

     

    In ongeveer driehonderd pagina’s schildert Adler een beeld van een stadje uit het begin van de twintigste eeuw. Het middelpunt van de gebeurtenissen vormen de lotgevallen van een mislukte kunstenaar, die zijn eentonige bestaan probeert uit te zitten. Het zijn echter niet zozeer deze gebeurtenissen die dit boek de moeite waard maken – er gebeurt namelijk niet veel in dit stadje – maar juist de prachtige, suggestieve stijl waarin het verhaal geschreven werd. Wat je vooral van dit stadje bijblijft, is de uitzichtloze mistroostigheid, die meteen al bij de openingszin op je neerdaalt: ‘Een hardnekkige nevel, geel en vochtig, verzadigd van bruinkoolroet en chemische substanties, hing de laatste oktoberdagen dreigend en ongezond boven de kleine stad, bestreek het pleisterwerk met glibberige nattigheid, …’

    In deze godverlaten uithoek van de wereld leidt kunstenaar Titus Quitek een eenvoudig bestaan: hij voelt zich een buitenstaander en neemt de onwezenlijke eigenaardigheden van zijn omgeving voor kennisgeving aan. Hij heeft het overzicht totaal verloren: ‘Af en toe kwamen er pijnlijke twijfels over zijn identiteit bij hem op. Vreemd en verwonderd hing hij in zijn kleren (…)’. Maar juist de eigenaardigheden van de mensen die beschreven worden (de levens van al deze mensen zijn op de een of andere manier vervlochten met het leven van de kunstenaar) leveren mooie plaatjes op. Uitvoerig en in een prachtige stijl vertelt Adler ons hoe Mauser, de waard van de Blauwe Fles, zijn gasten besteelt, hoe Anny, de naar avontuur hunkerende dochter van de burgemeester, uiteindelijk belandt in de armen van haar zangleraar, en hoe de sympathieke, argeloze scholier Jakob Ardüser belaagd wordt van drie kanten door het naakte vrouwenlichaam van de hospita van zijn tekenleraar Quitek. Het meisje Lisa dat na een slecht afgelopen driftbui van haar vader radeloos de straat opgaat en bij toeval in het park op hetzelfde bankje terecht komt als waar Titus zat, zorgt voor een tijdelijke opleving bij Titus. Hij brengt haar onder in het internaat van een klooster, maar wanneer zij na een verblijf van twee jaar als herboren terugkeert naar het stadje, naar zijn atelier, vindt zij daar een Quitek die zelf hulp nodig heeft, sterker nog: een Quitek die niet meer te helpen is, voor wie elke hulp te laat komt. Treurig…

    Wie verwacht met dit boek een spannende avonturenroman ter hand te nemen, komt bedrogen uit. Maar wie de moeite wil nemen zich te laten meevoeren door de schrijver op zijn dwaaltochten door de straatjes en steegjes van deze kleine stad op zoek naar de kleurrijke figuren die verweven zijn met Quitek, wordt rijkelijk beloond met pareltjes als: ‘Zijn afgedragen winterjas leek zich erover te verbazen daadwerkelijk nog een keer uit de stoffige kist uit zijn naftaleenslaap te zijn gehaald (…)’ of: ‘Met geluidloze passen kwam de bediende naar binnen hinken. Zijn kaken gingen ritmisch op en neer.’

    Ten slotte nog een lovend woord voor de vertaalster Goverdien Hauth-Grubben; nergens heeft de lezer het gevoel een ‘vertaling’ te lezen, en dat is prettig. Zeker een aanrader, en dat is in dit geval geheel te wijten aan de voortreffelijke stijl. Een klein meesterwerkje.

     

     

  • Een zoektocht door de woestijn

    Een zoektocht door de woestijn

     

    Kennis van de Bijbel, het heilige boek van de joden en de christenen en het meest verkochte boek van de afgelopen vijftig jaar, is niet langer vanzelfsprekend. Generaties kinderen groeien op zonder te horen en te lezen over de Ark van Noach, de Toren van Babel of het Laatste Avondmaal.

    Guus Kuijer, vooral bekend van de kinderboekenreeks Madelief, vindt dit jammer en probeert met zijn project De Bijbel voor ongelovigen het heilige boek toegankelijk te maken voor ongelovigen. Het eerste deel, Genesis, is nu uit. De Bijbel voor ongelovigen is niet, zoals je zou kunnen verwachten op grond van de titel, een roman waarin wetenschappelijke verklaringen gegeven worden voor de wonderlijke gebeurtenissen in de Bijbel. Kuijer beschouwt de Bijbel als een bundel waardevolle, mondeling overgeleverde verhalen die moeten worden doorverteld aan volgende generaties.

    Als de verhalen in de Bijbel zo waardevol zijn, zouden ze op eigen kracht de hedendaagse  – ongelovige – lezer moeten kunnen bereiken en overtuigen. Toch vond Kuijer het nodig om van de Bijbelse verhalen een prozaïsche bewerking te maken, want de verhalen staan om meerdere redenen te ver van de moderne mens af. Ten eerste spelen de verhalen zich meer dan tweeduizend jaar geleden af in het Midden-Oosten, met bijbehorende moraal en gebruiken. Voor een joodse man van aanzien was het in die tijd  – als we de Bijbelse verhalen mogen geloven – bijvoorbeeld niet ongebruikelijk om meerdere vrouwen te hebben, zoals het geval is bij Abraham en Jacob. Wanneer de lezer gelovig is, kan hij zich over deze barrière heen zetten omdat hij Abraham en Jacob als zijn geestelijke voorouders beschouwt. De Bijbel is nu eenmaal het fundament van zijn geloof. Maar bij de hedendaagse lezer, die vaak niet meer in (de christelijke) God gelooft, vervalt de noodzaak om de verhalen over Abraham en Jacob te lezen. Kuijer zocht daarom naar een manier om de literaire en levensbeschouwelijke kwaliteit van de Bijbelverhalen in een nieuw jasje te steken.

    De nazaten van Adam zijn jaloers, worstelen met de intentie van God, geven commentaar op traditionele rituelen en vragen zich af welke god ze moeten gehoorzamen, want elk volk heeft weer zijn eigen goden. Abrahams vrouw Sarah spreekt dan ook niet van God, maar van ‘Abrahams god’. Hiermee ondergraaft Kuijer de hele idee achter het Oude Testament, namelijk dat de god van Abraham, Isaak en Jacob de enige, ware God is. Kuijer doet een  grote concessie aan de huidige tijd, waarin de mensen ‘relishoppen’: ze pakken elementen uit verschillende religies en maken daarmee hun eigen, persoonlijke ‘god’.

    De auteur legt het perspectief niet bij de hoofdrolspelers in de Bijbel, zoals Noach, Abraham of Josef, maar bij de kritische buitenstaanders. Hierdoor probeert hij ruimte voor twijfel en ongeloof te scheppen, zoals hij in zijn nawoord uitlegt. In de ogen van Noachs zoon Cham bijvoorbeeld is Noach een dronken dorpsgek die het Woord van God met vlagen van waanzin verwart. Noach haat Cham om zijn kritische opmerkingen en staat versteld wanneer Cham zijn vader zijn hulp aanbiedt bij het bouwen van de ark. Cham doet dit eerder uit medelijden met zijn koppige vader, dan uit overtuiging over wat hen volgens Noach te wachten staat.

    Abraham, die al even koppig en nors is als zijn verre voorvader, heeft van God gehoord dat Hij de stad Sodom gaat vernietigen. Abrahams vrouw Sarah, die het verhaal vertelt, is geschokt en probeert haar man ertoe te bewegen God van dit plan te laten afzien. Natuurlijk, het gros van de bevolking leeft erop los, maar de kinderen zijn toch onschuldig? Abraham ‘vergeet’ dit punt bij God aan te snijden, waardoor Sarah woedend wordt. Ze verzet zich tegen de absolute gehoorzaamheid aan God: ‘Tussen mij en de goden kwam het nooit meer goed, dat wist ik zeker’.

    Het hele boek prachtig is geschreven, al zijn de verhalen van verschillende kwaliteit. Het begin van het verhaal, met Adam en Eva, de Ark van Noach en de Toren van Babel, komt langzaam op gang. Het heeft een groot ‘o ja, zo ging het’-gehalte. Wellicht komt dat doordat Kuijer hier vooral bezig is met het navertellen van het Bijbelverhaal. De auteur geeft een humoristische draai aan de schepping van de wereld, maar hij is pas echt op dreef vanaf het verhaal van Sarah. Zij is een complex en geloofwaardig personage geworden, dat schippert tussen liefde voor Abraham en twijfel over de goede bedoelingen van God. ‘Waarom God, waarom? U bent me een raadsel, maar ik ben mezelf een nog groter raadsel. Waarom weerhield ik Abraham niet, waarom liet ik hem doen wat ik van hem had gevraagd? Een misdaad is een misdaad, ook wanneer de goden ermee instemmen.’

    De figuren in Kuijers Genesis zijn op zoek. Waarnaar precies, dat weten ze niet. Hun enige houvast is de stem van God, die hun opdrachten geeft en hen leidt van het ene land naar het andere. De hedendaagse, ongelovige lezer mist de stem van God die tot hem spreekt, maar is wel nog steeds op zoek. Door dit tijdloze en algemeen menselijke thema te benadrukken, brengt Kuijer de wereld van de Bijbel een heel stuk dichterbij.

     

     

  • Humor, grandioze zelfspot en rijke, Engelse zinnen

    Humor, grandioze zelfspot en rijke, Engelse zinnen

    Zuidenwind, een roman die in 1917 verscheen, had volgens de critici één grote tekortkoming: de plot kwam uit de lucht vallen en dat in een verhaal waarin je geen plot meer verwachtte. Douglas zelf dacht er heel anders over. Volgens hem was de roman één en al plot.

    Plot of geen plot, ondanks de kritiek was Zuidenwind een groot succes. Het boek werd in het begin van de jaren twintig een cult hit en bijna een eeuw later is het is niet moeilijk te ontdekken hoe dat kon gebeuren. Zuidenwind heeft namelijk alle kenmerken van een cult roman. De toon is licht spottend en de geestige en ongenuanceerde ideeën die beschreven worden hebben iets gezagsondermijnend. Bovendien zijn er behoorlijk wat formuleringen die geschikt zijn om in een select gezelschap geciteerd te worden. Het is niet voor niets dat uitgeverij Van Oorschot dit boek in de reeks onbekende meesterwerken opnieuw heeft uitgegeven.

    Wie het boek nu leest, ziet ook wel wat de critici bedoeld hebben, maar hij begrijpt misschien wel beter waarom een generatie dit boek liefdevol omarmd heeft.

    Zuidenwind is een ideeënroman en het verhaal blijft lange tijd ondergeschikt. Belangrijkste personage is de Anglicaanse Bisschop Thomas Heard die het kleine eiland Nepenthe bezoekt om daar na te kunnen denken over zijn kerkelijke carrière. Heard is geen actief handelende hoofdpersoon, veel meer een luisteraar en een toeschouwer en Douglas gebruikt hem vooral om de ideeën van een aantal excentrieke eilandbewoners aan elkaar te rijgen. Onder de eilandbewoners bevinden zich een kunst vervalsende graaf, een hertogin die eigenlijk geen hertogin is, een Russische sekte en de aan de drank verslaafde Mrs. Wilberforce die uitsluitend op haar verjaardag in het openbaar dronken is. Mrs. Wilberforce viert haar verjaardag dan ook zo’n veertig keer per jaar. Maar het is vooral de welgestelde heer Keith die vaak en veel aan het woord komt en die de toon van het boek zet.

    Keith, een rijke Engelse excentriekeling lijkt nog het meest op een Engelse, geestige variant van Friedrich Nietzsche, iemand die gangbare waarden en normen overtuigend weet om te draaien tot hun tegendeel. Keith zet zich in prachtige monologen af tegen het christelijk geloof, preutsheid en de benepen Engelse manieren. Bovendien moet hij niets hebben van liefdadigheid en verkondigt hij met verve de idee dat de wereld er alleen beter op wordt wanneer iedereen zich zo min mogelijk met zijn medemens bemoeit

    Het is deze subversieve, geestige toon, die overigens niet alleen door Keith wordt geuit, die Zuidenwind zo’n aangenaam boek maakt. De inwoners van Nepenthe die aan het woord komen steken fraai af bij de onkreukbare en kleurloze bisschop Heard. Aan bijna iedere inwoner kleeft wel een vlekje en het eiland lijkt de ideale plaats te zijn om het eigen verleden selectief te kunnen vergeten. ‘Nepenthe’ is dan ook niet voor niets de oud Griekse naam van de drank die verdriet doet vergeten.

    Het fictieve eiland Nepenthe doet in bijna alles denken aan het Italiaanse eiland Capri waar Douglas enige tijd gewoond had en waar hij in 1916, vlak voor het verschijnen van Zuidenwind, naar toe vluchtte. In Londen werd hij beschuldigd van het verleiden van een jongen van zestien, die een aanklacht tegen hem had ingediend. Geheel in de stijl van de roman deed Douglas de affaire voorkomen alsof de preutse Engelse samenleving geen ruimte bood aan een onschuldig, seksueel avontuurtje. Volgens hem was er niets gebeurd behalve dan dat hij een jongen had gekust en hem een paar cakejes en een shilling had gegeven. Dat de jongen aangifte had gedaan verzweeg hij voor het gemak even. Douglas had op Nepenthe zelf ook het één en ander te vergeten.

    Nepenthe wordt in Zuidenwind in glorieuze, fictieve details beschreven. Via de amateur historicus Earnest Eames die voetnoten spaart en bezeten is van de geschiedenis van het eiland, komen we veel te weten. Met overduidelijk plezier creëert Douglas een parodie op de academische geschiedwetenschap en verzint hij historische bronnen, legendes en controverses. Met name de cultus rondom de niet-bestaande beschermheilige Sint Dodekanus is een mooi staaltje van geraffineerde Engelse humor.

    Zuidenwind is trouwens in veel opzichten een heel Engels boek. De eilandbewoners zijn doordrenkt met Engelse manieren en eigenaardigheden, en doen soms wanhopig aandoende pogingen zich af te zetten tegen hun vaderland. Daarbij moeten de humor, de grandioze zelfspot en natuurlijk de rijke, Engelse zinnen, die oneindig veel meer grijstinten bevatten dan vijftig, bij worden opgeteld. De roman is overigens uitmuntend vertaald door Johan Hos die erin geslaagd is veel subtiliteiten te behouden.

    Terug naar de plot en de figuur van Thomas Heard. Want waarom faalt Douglas nu toch in zijn opzet? Dat heeft alles met de altijd aanwezige zuidenwind, de sirocco, te maken. ‘De zuidenwind lijkt op een of andere manier de intelligentie aan te tasten.’ En bisschop Heard die de ongenuanceerde opvattingen van de eilandbewoners met toenemende graagte aanhoort, blijkt er door te veranderen. De eerst zo onkreukbare geestelijke laat zijn strenge normbesef onder invloed van de zuidenwind steeds meer varen en uiteindelijk verzwijgt hij zelfs een moord waar hij toevallig getuige van is.

    De morele worsteling van Heard komt niet goed uit de verf. Douglas heeft zich in de voorafgaande bladzijden veel te weinig druk gemaakt om de gedachten van de bisschop. Heards plotselinge worsteling met zijn geweten komt dan ook volstrekt uit de lucht vallen.

    Maar geeft het? Vreemd genoeg niet. De zuidenwind heeft ook een effect gehad op de lezer en gaandeweg wordt je meegezogen in de warme stroom van provocerende opvattingen van een verzameling excentriekelingen. Zuidenwind blijkt na afloop ook de intelligentie van de lezer te hebben aangetast en Douglas komt na bijna een eeuw nog steeds weg met een rammelend plot. Sterker, Zuidenwind is een roman die gaandeweg steeds aangenamer wordt en die je uiteindelijk doet verlangen naar de noordenwind van Engeland.

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland: 2011, Knip dan, toe dan!

    In tien jaar tijd zijn in Literair Nederland vele recensie verschenen, tot mijn verbazing en genoegen soms ook in de rubriek Half gelezen boeken. Zoiets komt voor, weet ik uit ervaring. Het is leuk dat dit soort onderwerpen in een online-tijdschrift aan bod kan komen.

    Vanaf 2009 schrijf ik regelmatig recensies. Ik begon met de drukproef van ’t Manco van Georges Perec, een zeer apart boek, vertaald door Guido van de Wiel, maar ik las ook besprekingen van anderen. Ik vond in het archief een recensie van Machiel Jansen die ik zeer waardeerde over het fotoboek Knip dan, toe dan! Karel van het Reve in beeld, behorende tot het Verzameld Werk.

    Karel van het Reve was en is een fenomeen. Ik word aangetrokken tot recensies over zijn werk. Die van Machiel Jansen is een van de leukste die ik ooit las. Het begint hilarisch met een persoonlijk noot – die het vaak goed doet als binnenkomer – over een oom van Machiel, een jonge onderwijzer die aanbeden werd door zijn leerlingen, vooral de vrouwelijke onder hen, die hem zelfs van huis ophaalden. Machiels moeder vertelde hem over de meisjes die staande voor het raam luidkeels bespraken hoe zijn lunch eruit zag. Hij herinnerde zich dit weer toen hij in Knip dan, toe dan! een foto zag van Karel van het Reve die pannenkoeken aan het bakken was.

    De recensie gaat in op de bewondering voor de schrijver en de ongemakkelijkheid daarvan. Karel van het Reve was daar namelijk helemaal niet van gediend. Machiel haalt Maarten Biesheuvel aan die tijdens een krankzinnige periode meende dat Van het Reve God was. Hij noemt twee redenen waarom dat niet gewenst is: omdat Van het Reve niemand wenste te bekeren en eerder een afbreker was dan een opbouwer. Toch kan Machiel de behoefte om te bewonderen goed begrijpen. Wie Van het Reve leest moet wel onder de indruk raken van zijn stijl en eenvoud, zoals aanschouwelijk wordt gemaakt in de lezing Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid (te vinden op dbnl). Door het fotoboek met daarin een gewone huisvader die thuis pannenkoeken bakt, belandt men weer op aarde. Machiel eindigt weer met de fantasie van Biesheuvel over Van het Reve en maakt daarmee de cirkel rond. ‘Op zulke momenten blader je glimlachend weer door dit prachtige fotoboek, om zeker te weten dat Biesheuvel het toch bij het verkeerde eind had.’

    Mooier gezegd kan het niet.

    Door Rein Swart

    Lees ook: een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland

  • Red de democratie!

    Red de democratie!

    Billy Tucker was een 19-jarige leerling aan een business college in Massachusetts toen hij tot zijn eigen verbazing ontdekte dat hij als voorstander van de doodstraf een overtuigend pleidooi ertégen wist te houden. Dat was het resultaat van de manier waarop zijn lerares de leerlingen had weten te boeien met de discussietechniek van Socrates. Door, zoals dat fameuze Griekse voorbeeld, aanhoudend kritische vragen te stellen over hun eigen opvattingen hadden Billy en zijn klasgenoten geleerd dat je respect kon opbrengen voor andermans mening. Daarmee bereikte je meer dan met alsmaar hameren op je eigen gelijk.

    Het lijkt geen sensationeel voorval; we kunnen het ons goed voorstellen dat het zo werkt. Toch geeft de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum deze getuigenis van de de jonge Tucker een prominente plaats in haar boek Niet voor de winst. Voorbeelden als Tucker zullen er steeds minder zijn, waarschuwt ze. Er groeit een generatie scholieren op die, de leraar nabauwend, alleen nog maar wordt klaargestoomd voor een leven waarvan het succes wordt afgemeten aan het economische rendement. Er is geen plaats meer voor spel, creativiteit, verbeelding en logica. Dat zal er voor zorgen dat studenten minder ‘mens’ zullen worden. Uiteindelijk zal dat ook de vorming van democratisch gezinde burgers in de weg staan.

    Nussbaum zet hoog in. De eerste zinnen van het boek schetsen een pessimistisch beeld:

    We bevinden ons midden in een crisis van enorme omvang, die zwaarwichtige gevolgen kan hebben voor de hele wereld. Nee, ik heb het niet over de economische wereldcrisis die begon in 2008 (…) Nee, ik heb het over een crisis die grotendeels onopgemerkt voortwoekert, net als bij kanker; een crisis die op lange termijn veel schadelijker kan zijn voor de toekomst van het democratisch zelfbestuur: een wereldwijde crisis in het onderwijs.’

    Het zijn alarmerende woorden: crisis, enorme omvang, zwaarwichtige gevolgen, voortwoekeren, kanker. Niet voor de winst is duidelijk geen optimistisch boek. Toch is het ook inspirerend. In kort bestek weet het duidelijk te maken wat het belang is van aandacht voor de geesteswetenschappen in het onderwijs.

    We kennen het ook in Nederland: nu het economisch slecht gaat wordt zonder pardon gesneden in de ‘linkse hobby’s’. Studenten moeten vooral snel afstuderen en dan het liefst in disciplines die het land economisch vooruit helpen zodra ze de arbeidsmarkt opstromen om hun investeringen in klinkende munt om te zetten.
    Nussbaum bespreekt ons land overigens niet. Ze geeft vooral een inkijk in ontwikkelingen in Amerika, waar ze momenteel woont en doceert, en in India, waar ze jarenlang onderwijs gaf en een fervente aanhanger was van de onderwijstheorieën van Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore (met afstand de in haar boek meest geciteerde schrijver). Ze weet dat dat een beperking inhoudt, maar ze is tevens zo eerlijk om geen grote uitspraken te doen over landen die ze niet uit eigen ervaring kent.

    Nussbaum begint haar beschouwingen bij het pasgeboren kind. Dat is er in zijn eerste jaren op gericht de wereld voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. De opvoeding moet het kind duidelijk maken dat het afhankelijk en kwetsbaar is en dat anderen dat ook zijn. Als het in zijn narcisme blijft hangen zal het haatgevoelens ontwikkelen jegens anderen op wie hij zijn onmacht om de wereld naar zijn hand te zetten kan projecteren. Van wezenlijk belang in die opvoeding zijn de kunst en de literatuur die de verbeelding stimuleren en daarmee het vermogen zich in anderen in te leven en kritisch te zijn.

    De schrijfster geeft een mooi voorbeeld om te illustreren waartoe die inzet kan leiden als ze het succes beschrijft van het Chicago Children’s Choir. Het is een project waarin bijna 3.000 kinderen meedoen, die voor 80% onder de armoedegrens leven. Het bestaat uit tientallen koren op verschillende niveau’s die vooral muziek uit elkaars woonomgeving en cultuur uitvoeren. De kinderen blijken na verloop van tijd veel meer verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen en in veel groteren getale te kiezen voor opleidingen in de geesteswetenschappen dan hun leeftijdgenoten die niet meezingen. Het project wordt louter uit particuliere middelen betaald. De overheid steekt er geen cent in.

    De hoofdmoot van Nussbaums betoog gaat echter over het academisch onderwijs. Ooit oogstte Amerika lof voor de plaats van de ‘liberal arts’ in het onderwijs. Daarin was er naast het hoofdvak alle tijd voor literatuur, kunst, geschiedenis, filosofie enzovoort. Maar daar gaat in toenemende mate het mes in. Waar bespaard moet worden sneuvelen die vakkenpakketten het eerst. En daarmee, zo waarschuwt Nussbaum, de ontwikkeling van studenten tot belangrijke deelnemers aan het politieke debat, die zich bewust zijn van de historie en de opvattingen van andere culturen en zich daarin kunnen inleven. Het leidt tot een erosie van de kwaliteit van de democratie. En het is die democratie die voor de rechtvaardigheid in de wereld en de welvaart van onze aarde zo oneindig veel belangrijker is dan puur economisch gewin. Zonder kritische en empatische burgers loopt die gevaar.

    Niet voor de winst is vooral een politiek pamflet met als boodschap ‘Red de democratie’. Maar daarin zit ook een beetje het manco van het boek. Tegen het einde zou je als lezer zo graag zien dat ze althans enige opties gaf voor ingrepen. Maar verder dan de bevestiging van haar eerder beschreven doemscenario komt het niet. Ze merkt nog wel op dat meer geld prima is, maar dat het vooral gaat om krachtige mogelijkheden voor inspirerende leraren. Maar ook dan is de politiek aan zet. Die zal de voorwaarden moeten scheppen waarin het door Nussbaum bepleite onderwijs de ruimte krijgt. Toch kun je je voorstellen dat het voor de beleidsmaker die het boek na instemmende lezing met de edelste bedoelingen op zijn nachtkastje legt, de volgende morgen toch weer business as usual is. Op dat punt mist het boek enigszins wat het zelf zo bepleit: inleving in de rol van de politicus die met de economische crisis wordt geconfronteerd en niet goed weet hoe hij de filosofie van Nussbaum vorm zou kunnen geven in de dagelijkse praktijk. Ook al hangt hij niet de kerk aan die cultuur een linkse hobby vindt. En ook al onderschrijft hij Nussbaums stelling dat de geesteswetenschappen en de kunst in het onderwijs sneuvelen omdat ze geen geld opleveren, terwijl ze alleen maar doen ‘wat veel kostbaarder is dan dat: ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is.’ Maar misschien vragen we dan teveel van Nussbaum. Gezien de ondertitel van het boek was het er haar niet om te doen de poltitiek bij de hand te nemen.

     

     

     

  • ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    De bundel bestaat uit 185 zeer korte verhalen, met allemaal dagelijkse gebeurtenissen als onderwerp of in ieder geval als uitgangspunt. Hoofdpersoon is een verhalenschrijver die in een dierenwinkel werkt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het schrijven van verhalen doet hij in een ateliercomplex dat hij deelt met andere kunstenaars. Aangezien hij zo kort mogelijke verhalen schrijft, beperkt zijn werkweek zich tot hooguit 25 minuten. De rest van de tijd in zijn atelier drinkt hij rosé, rookt hij sigaretten en ligt hij op de bank.

    Daarnaast gaat hij met vrienden naar de kroeg, op bezoek bij ouders en oma, terug naar de plaats waar hij is opgegroeid. Hij maakt ook diverse kleine reisjes door Nederland en België en woont samen met een vriendin die hij steeds minder verstaat. Alles bij elkaar gebeurt er weinig, zoals de titel al aangeeft, maar toch geeft deze alledaagsheid aanleiding tot verrassende observaties, absurde gebeurtenissen, ontroerende of schokkende taferelen, weergegeven in een onderkoelde toon, met associaties die soms nergens op lijken te slaan, in een gemoedsstemming die meestal somber is en altijd kritisch, zowel over de mensen om hem heen als over zichzelf.

    Hoe kort de verhalen ook zijn, ze zetten de lezer aan het denken, geven hem een andere kijk op de alledaagse werkelijkheid, ontdekken met de schrijver mee hoe doorzichtig de menselijke handelingen en drijfveren zijn. Het geheim van deze ontdekkingen ligt in een scherp observatievermogen, gepaard aan een groot gevoel voor relativering.

    Een enkel voorbeeld van deze stijl: ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’  Of: ‘Het lijkt of ze mijn naam schreeuwen. Maar dan mijn echte naam, die ikzelf ook nog nooit gehoord heb.’

    En als een natuurlijke verlenging van die werkelijkheid neemt het verhaal soms een vlucht in het absurde: een kerstpakket dat het hoofd van de baas bevat; een cabaretier die zijn publiek doodschiet. Daarnaast zijn er ook ontroerende of schokkende verhalen, over een bezoek aan zijn oma, de dood van zijn konijn, de zelfmoord van een jongen van vijftien die op school werd gepest.

    Het spreekt vanzelf dat het voor een lezer niet te doen is om die verhalen allemaal achter elkaar door te lezen. Dat zou al snel een oververzadiging geven, en zo de waardering van de verhalen negatief beïnvloeden.

    Toch zit er wel degelijk een eenheid in de bundel. Er wordt een levensecht beeld geschilderd van een hoofdpersoon die aanspreekt. Een goeierd, een slappeling met veel inzicht en wat minder daadkracht, een drinker, een dromer met de behoefte aan iets groters, maar misschien is dat te veel gevraagd en ook helemaal niet nodig.

    Al met al een boeiende bundel, in een verrassend scherpe stijl die de lezer bij zijn nekvel grijpt.

     

     

     

     

  • Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

    Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

     

    Manieren om naar huis terug te keren van de Chileense schrijver Alejandro Zambra (1975) gaat over herinneringen en de grenzen tussen feit en fictie, over het combineren van fantasie en het echte leven tijdens het schrijfproces. Een op de schrijver lijkende literator vertelt onder meer over zijn jeugd. Hij bespreekt de non-politieke houding van zijn ouders tijdens het regime van Pinochet, een houding waar hij later kritisch over is. Zambra schrijft dat het niet onproblematisch is dat de ik-figuur (in navolging van zijn ouders) niet goed en niet slecht was: ´het was moeilijk dat te zijn: niet goed en niet slecht. Ik vond dat dat eigenlijk betekende dat je slecht was.´ (80)

    De stijl van Zambra is niet gekunsteld. Deze stijl is dienstbaar aan het vertelde en kan als sober worden omschreven. Soms is het uit veel korte hoofdstukjes bestaande boek grappig, al is het eerder een ernstige roman, dan een komische.

    Zambra gaat onder meer in op het vervormende aspect van de nostalgische herinnering: ´Waar je ook kijkt is er wel iemand die banden aanhaalt met het verleden. We herinneren ons liedjes waar we nooit echt van gehouden hebben, we komen onze eerste vriendin opnieuw tegen, klasgenootjes met wie we nooit echt bevriend waren, en mensen die we vroeger uitkotsten ontvangen we met open armen.´ (73/74) Het eigen verleden wordt mooier gemaakt dan het eigenlijk was, de herinnering wordt herschikt en opgepoetst. Zo schept men een fundament voor het positief beleven van het zelf in het heden.

    De auteur verwijst hier en daar naar andere schrijvers en stelt zo de fictionaliteit van zijn verhaal aan de orde. Zo citeert hij Tim O´Brien: ´Wat zich aan ons geheugen vastklampt dat zijn die kleine en vreemde fragmenten zonder begin of eind.´ (176)  Herinneren is een oproepen van flarden en flitsen uit de eigen geschiedenis. De schrijver kan deze vervolgens componeren tot iets nieuws. Zambra spreekt  hierbij van ´arbitraire selectie´ (176). Volgens hem biedt fictie vanwege deze selectie een keerzijde van het beleefde in het eigen bestaan: ´Daarom is een boek altijd de andere zijde van een ander immens en zeldzaam boek. Een onleesbaar en echt boek dat we vertalen, dat we verraden met gangbaar proza als voorwendsel.´ (176)

    De visie van Zambra is bijna steeds interessant. Slechts een enkele keer komt hij met een  vondst die niet zo origineel is. Zo schrijft hij: ´Omdat we een boek zo graag wilden lezen, dachten we dat wij de aangewezen persoon waren om het te schrijven. We waren het zat erop te moeten wachten dat iemand het boek zou schrijven dat wij graag wilden lezen.´ (181) Dat is een denkbeeld dat ook in andere teksten vaak wordt gegeven als motivatie voor het schrijven.

    De bespiegelingen over herinneringen zijn boeiender dan het verhaal an sich, al is de beschrijving van een jongetje van negen dat zijn politiek actieve buurman bespiedt, omdat een vriendinnetje hem dat heeft gevraagd goed beschreven. Het laat je je afvragen wat de impact is van het leven in een dictatoriaal land, wat Chili toen nog was, op een kind.

    Manieren om naar huis terug te keren (vertaald door Luc de Rooy) is een toegankelijk en lezenswaardig boek. Het doet je nadenken over het verband tussen politiek en literatuur, over de rol van schrijven in het leven van een schrijver en over de grenzen tussen waarachtige herinneringen en de vormgeving of vervorming ervan in fictie.

     

     

     

  • De muziek voelt zich verongelijkt

    De muziek voelt zich verongelijkt

    Het is een liefdevol huwelijk tussen muziek en literatuur en toch rijzen er vaak problemen. Beide echtelieden zijn dominant en strijden om de voorrang. Als we ons voornemen om vol overgave te gaan luisteren naar een symfonie van Mahler en tegelijkertijd een boek ter hand nemen leidt dit onvermijdelijk tot een mislukking. De muziek voelt zich verongelijkt en het boek krijgt onvoldoende aandacht.

    Bij de bespreking van het eerste muziekstuk geeft Stephan Sanders het zelf al aan: ‘Ik kan niet met een half oor luisteren en met een halve hand schrijven.’ Maar waarom zouden zijn lezers dan wel kunnen luisteren met een half oor en lezen met een half oog? Er wordt prachtige muziek ten gehore gebracht, alleen erg jammer dat die man er steeds doorheen praat. Het is allemaal wel te begrijpen, we worden nieuwsgierig gemaakt. Soms is de muziek verstild en ontroerend en vaak klinkt het bekend. Met sommige componisten willen we nader kennis maken en aan andere moeten we erg wennen. De CD kast wordt doorzocht en misschien wordt er ook nog wat oud vinyl afgestoft. Binnenkort zullen er zeker nieuwe aankopen volgen om dat ene vioolconcert of die cellosuite in zijn geheel te gaan beluisteren. De luisteraar wordt getergd wanneer na een korte introductie en lang niet altijd volledige toelichting, de muziek wordt afgebroken. Het is allemaal erg onbevredigend maar dat is nou net de bedoeling, de lezer/luisteraar wordt als het ware gedwongen om naar wegen te zoeken om het beeld te completeren.

    Er is een heel goed begin, de cellosuite van Johan Sebastian zal zeker in de smaak vallen en bij velen bekend in de oren klinken. Ook Dietrich Fischer Dieskau is een oude bekende en zijn leerling Matthias Goerne gaat hem misschien wel overtreffen. De liederen van Schubert, je wilt ze vaker horen. Er zullen toch niet zo erg veel jongens zijn die op veertienjarige leeftijd elke dag naar La Mer van Debussy luisteren maar het is zeker geen gek idee om ze er kennis mee te laten maken waardoor ze op latere leeftijd dit symfonisch gedicht gaan waarderen. De koningin van de nacht klinkt natuurlijk bekend maar de stem van Erika Miklosa kenden we misschien nog niet, dan wordt het hoog tijd voor een nadere kennismaking. Die oude uitvoering van miss Florence Foster Jenkins uit 1944 in de Carnegie Hall, is natuurlijk nergens meer te krijgen. En dan Peter Schat, met zijn muziek en zijn stormachtig verlopen leven zou een lijvig boekwerk te vullen zijn. Een stukje uit de tekst van zijn werk voor koor Adem: ‘Ik adem de zoete bries in die uit uw mond komt.’ Hoe kom je erop.
    De protestantse Max Bruch heeft het stuk voor cello en orkest Kol Nidrei, gebaseerd op het joodse gebed dat tijdens Jom Kippoer in de synagoge wordt gezongen, in 1881 gecomponeerd en Stephan Sanders heeft er in 2010 nog om gehuild. Het is dan ook een heel bijzonder werk.

    Sanders vermeldt bij bijna elk besproken werk anekdotische bijzonderheden. Zo ook bij The Messiah van Händel. Händels weldoener was William Cavendish – de derde hertog van Devonshire. Niet belangrijk voor de muziek, toch leuk om te weten. Heel interessant is de vergelijking die hij maakt bij de bespreking van de Mazurka2, van Fredric Chopin, tussen de twee pianogiganten Arthur Rubinstein en Vladimir Horowitz. Hier zullen muziekliefhebbers nog vaak over na kunnen praten.
    De discussie die over Carmina Burana van Carl Orff ongetwijfeld gaat ontstaan zou best eens heftig kunnen worden. Sanders maakt immers melding van het feit dat Orff zich de nazi belangstelling welwillend liet aanleunen en dat hij de favoriete componist was van Adolf Hitler. Bepaald geen aanbeveling en er heerst dus enig wantrouwen. Weliswaar geen nazi kunst maar wel vakkundig gemaakte kitsch. Puur genieten is het Vioolconcert no.1 van Sjostakovitsj, ten gehore gebracht door de maestro Itzhak Perlman. Het was David Oistrach die de eer te beurt viel om dit werk in 1955 op de première in Moskou te spelen. Trek gerust een hele avond uit voor Orfeo ed Euridice van Christoph Willibald Cluck. De stem van Andreas Scholl maakt het tot een hoogtepunt.
    Er zijn er niet zo erg veel, Nederlandse componisten maar laten we ze wel in ere houden, ze zijn het zeker waard. Luister maar naar Six etudes van Herman Strategier.
    Terloops komt een hele grote naam voorbij, Kathleen Battle, haar stem en haar uitvoering van Rachmaninovs Vocalise verdient natuurlijk veel meer aandacht dan hier in dit korte verhaaltje is gedaan en dan hebben we het nog niet eens over haar uitvoeringen van spirituals als Good News. Een onvergetelijk lyrische sopraan. Bij het horen van de Coronations Anthems van Händel lopen de rillingen over je rug en het is heel goed voor te stellen dat sommige kinderen ervan gedroomd hebben dat ze in de verkeerde wieg hebben gelegen toen ze deze muziek voor het eerst hoorden. Als we onze ogen dicht doen zien we het voor ons, de Westminster Abbey.

    We mogen Stephan Sanders dankbaar zijn. Hij spoort met Met het oog op klassiek muziekminnend Nederland op een prikkelende wijze aan om vaker en intensiever naar klassieke muziek te luisteren.

     

  • Een goed verhaal met verleidelijke volzinnen

    Een goed verhaal met verleidelijke volzinnen

    Helemaal toevallig is het niet dat Goldschmidt een boek heeft geschreven over het succes van de farmaceutische multinational Organon. Organon was het eerste bedrijf waar de commercie en de wetenschap samen gingen werken. Arnold van Zwanenberg, telg uit familie van vee- en vleeshandelaren, begon een exportslachterij en breidde deze uit met vele nevenactiviteiten die weer leidden tot vele fabrieken, uiteindelijk overgenomen door Unilever. Bij Van Zwanenberg bestond de wens om het slachtafval uit de Zwanenberg-fabrieken nuttig te gebruiken. Er bestond reeds een vermoeden dat zich in dierlijke organen een aantal medisch nuttige stoffen zouden bevinden. Het was echter niet bekend hoe deze stoffen konden worden geïsoleerd. De hoogleraar Laqueur werd aangetrokken en werd wetenschappelijk leidinggevende. En deze Laqueur is de schoonvader van de vader van Goldschmidt. Goldschmidt kreeg toestemming om de archieven van Organon tussen 1923 en 1946 te bestuderen. Hierbij stuitte ze op een bericht van seksueel misbruik van een directielid. Ze werd nieuwsgierig. Wat was hiervan waar? Al snel was ze zo geïntrigeerd door de informatie dat er een roman ontstond in haar hoofd.

    De hormoonfabriek gaat over het leven van de succesvolle ondernemer Mordechai de Paauw, Motke voor vrienden, en zijn zakelijke relatie met de beroemde farmacoloog Rafael Levine. Mordechai wordt in de jaren 20, na de dood van zijn vader, algemeen directeur van een goedlopend slachtbedrijf en vleesfabriek. Zijn tweelingbroer Aron wordt adjunct-directeur. In de fabrieken worden 2.000 varkens en 350 runderen per dag verwerkt, ze produceren worsten, hammen, rookvlees, ontbijtspek en bacon voor de Engelse markt. Er is een reuzelsmelterij en een raffinaderij voor oliën en vetten en een zeepfabriek. Zelfs de varkensharen worden vermaakt tot borstels. Alles wordt gebruikt behalve de organen. Maar zoals Darwin al beweerde heeft alles een reden van bestaan. Mordechai verneemt geruchten dat er belangrijke stoffen uit de organen te halen zijn. Hij ziet een gat in de markt. Hij nodigt Rafael Levine, een groot wetenschapper, uit om eens van gedachten te wisselen over het samengaan van wetenschap en commercie. Na stevig onderhandelen besluiten ze met elkaar in zee te gaan. De eerste opdracht is insuline te standaardiseren en daarna moet Levine proberen uit orgaanvlees zoveel mogelijk stoffen te isoleren die als medicinale producten op de markt gebracht kunnen worden. Levine krijgt een goed geoutilleerd laboratorium met de nieuwste instrumentaria, de beste chemici en farmacologen. Mordechai wordt de commerciële man. Het is het begin van het bedrijf Farmacom.

    De samenwerking gaat goed. Levine is een begenadigd wetenschapper en het bedrijf breidt zich meer en meer uit. Echter de spanning tussen commercie en wetenschap loopt op. Tussen deze twee gebieden zijn altijd spanningen geweest. De wetenschap heeft baat bij commerciële toepassingen van de wetenschap waardoor er meer geld binnenstroomt waarmee bijvoorbeeld betere instrumenten gekocht kunnen worden en beter personeel aangenomen kan worden. De handel wordt beter als gevolg van (baanbrekende) ontdekkingen. De spanning zit altijd in de tijd. Hoelang heeft de wetenschap nodig om naar buiten te komen met opzienbarende resultaten. Voor Mordechai ging dat vaak te langzaam en zijn relatie met  Rafael Levine komt steeds meer onder spanning te staan. Prachtig om de dialogen tussen deze twee grootheden te lezen.

    Andere verhaallijnen zijn de relaties met de vrouwen maar vooral ook zijn relatie met zijn tweelingbroer. Motke is namelijk alles wat zijn broer Aron niet is. Motke wordt gestuurd door zijn hormonen, Aron heeft nog nooit een vrouw aangeraakt en zwelgt in zijn depressies. Na jaren ziet Motke ineens waar zijn broer aan lijdt: een tekort aan mannelijke hormonen. En laten zij nou een hormoonfabriek hebben. Motke zorgt ervoor dat zijn broer stiekem hormoonpreparaten toegediend krijgt; dit experiment eindigt desastreus en heeft gevolgen voor vele relaties.

    Het verhaal speelt zich af vanaf de jaren 20 tot na de oorlog. Het verhaal wordt verteld door een 96-jarige Motke die gekluisterd in zijn bed ligt en niets meer kan dan denken. En hoe prachtig beeldend denkt hij. ‘Wat heb ik het gehaat geleefd te worden door die onbeheersbare driften. En wat heb ik ervan genoten. Daarom kijk ik nu met een mengeling van opluchting en grote droefheid naar de huidige staat van mijn geslacht, dat zachte, willoze, weke en doodse kwabbetje dat als een uitgezakte pancreas onder een lillende rand buikvel hangt, en de hele dag door stinkend vocht druppelt, omdat niet alleen ikzelf maar ook het beest zijn controle verloren is.’ (p 27)

    Bij het uitbreken van de oorlog lukt het Motke op tijd te vluchten naar Engeland. Zijn vrouw en kinderen gaan onder protest mee, zijn voornamelijk Joodse vrienden blijven thuis. De oorlog is gruwelijk en de verliezen ook. Motke wordt harder en harder. Hoe beter de zaken gaan, hoe harder hij wordt in zijn opstelling. Iedereen vervreemdt van hem, maar hij leidt het bedrijf wel tot een multinational van naam.

    De vertelstijl van Goldschmidt is boeiend, beeldend en humoristisch. Of je het nu met de levenstijl van Motke en zijn opvattingen eens bent of niet, de fantastisch geformuleerde passage over het bestaan van God is hilarisch.

    Als er al een god bestaan heeft, dan was het een schlemiel. Niet meer dan een mislukte endocrinoloog die er niet in is geslaagd de weeffouten uit ons genetisch materiaal te halen. Als deze Jan Pappelepap in ons lab gewerkt had, zou ik zijn contract niet verlengd hebben en was hij er door mij hoogst persoonlijk uitgesmeten. Want die zogenaamde God is toch niet meer dan een gemankeerde opperchemicus met gebrek aan doorzettingsvermogen, creativiteit en intelligentie, die het niet gelukt is uit de zwadderige menselijke stof de talloze onzuiverheden te elimineren. Miljoenen jaren heeft Hij aan kunnen rotzooien en experimenteren en Zijn zogenaamde creatie, de mensheid, is nog steeds niets meer dan een debacle.’

    Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Motke. Een enigszins onbetrouwbaar perspectief. Als lezer moeten we hem geloven. Er is niemand die hem kan weerspreken; iedereen is dood. En zoals Goldschmidt zei in een interview in Met het oog op morgen: ‘Alleen overlevenden kunnen iets navertellen en geschiedenis wordt verteld door overwinnaars.’

    De vrouwenverslinder Motke vertelt over zijn leven als zeer succesvolle Joodse zakenman die, voor de buitenwereld, een onbesproken blazoen had – de lezer weet wel beter. Die krijgt een uitstekend  inzicht in zijn handelsgeest, zijn commerciële talenten, zijn seksuele escapades met zijn werknemers, zijn hormoonexperimenten en zijn huwelijksproblemen. Het is aangrijpend dat juist zijn volstrekt niet door natuurlijke hormonen gedreven brave broer Aron, directielid op de achtergrond, wordt opgepakt voor seksueel misbruik van het lieve werkneemstertje Roosje, terwijl Motke al maandenlang met haar liep te ‘experimenteren’. Frappant is dat in de Van Zwanenberggeschiedenis de twee broers in de directie ook tegengesteld waren: de mecenas en het zwarte schaap. Echter het zwarte schaap, de commerciële directeur, werd opgepakt en diens broer had een onbesproken reputatie. De waarheid is hier dus omgedraaid.

    Is het verhaal de waarheid? Het verhaal is gebaseerd op historische feiten. Goldschmidt geeft aan dat slechts het gegeven van seksueel misbruik door een directielid van Organon haar het idee voor een roman gaf. De rest van het verhaal is ontsproten uit haar brein. De groei van de fabriek is een feit, het isoleren van hormonen is een feit, de joodse directeuren zijn een feit, het vergrijp van een directielid is een feit en dan houdt het wel op met de controleerbare zaken. De rest van het verhaal is fictie. Het seksueel misbruik is uiteindelijk maar een klein radartje in het geheel. De gevolgen zijn wel immens. Het is ook bijzonder interessant om te lezen hoe het proces in zo’n laboratorium in zijn werk gaat en hoe de uitvindingen weer verkocht worden aan het buitenland. Het is een soort wedloop tussen de landen. Wie vindt er het eerst wat uit? De concurrentie is moordend.

    Wat is waar? Maakt het uit? Goldschmidt heeft een boeiend verhaal geschreven waarbij ze de lezer verleidt met prachtige volzinnen en meeneemt in de wereld van Motke en een tijd waarin veel gebeurde en niemand ongeschonden uit de strijd kwam. De hormoonfabriek is een goed verhaal geworden.

     

     

     

  • Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Of de omslagfoto een heus Fins meisje toont is onzeker, maar de frisheid die er vanaf spat rijmt wel degelijk met de inhoud van deze debuutbundel van Kira Wuck (1978). Weliswaar van Nederlandse bodem is deze dichteres het product van een Indonesische vader en een Finse moeder. En bovenal winnaar van het Nederlands Kampioenschap Poetryslam 2012, het fastfoodgerecht van de dichtkunst. Een genre waarin doorgaans meer wordt gezapt dan ingezoomd, en waarin met aanstekelijke herkenbaarheid gepaard aan goede voordracht, gepoogd wordt het gehoor te boeien. De 34 gedichten in Finse meisjes worden nu zonder voordrachtskunst de wereld in geschopt. En dan blijken ze ook nog verstoken te zijn van iedere vorm van rijm. Maar in ruil daarvoor is er flink ingezet op verrassende beeldspraak als ‘Eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal’, abrupte overgangen en sterk onderkoelde zinnen als ‘[mijn oma] had graag bij de maffia gewild / want die zorgen tenminste goed voor hun familie’. De lezer komt dan ook weinig tekort.

    De allereerste versregel in deze bundel heeft een voorgeschiedenis achter zich: ‘Hierna drink ik niet meer doordeweeks zei ik’. Dat dit voornemen heeft stand gehouden lijkt twijfelachtig, gemeten naar het aantal gedichten waarin gedronken wordt. Maar tot een kwaaie dronk wil het nergens komen.
    Wel hangt er vaak een licht ontheemde sfeer in deze poëzie, maar eentje waarin de lezer zich algauw leert thuis te voelen. Zo kan men glimlachen om een beginzin als ‘Hij ligt in bed met zijn sokken van gisteren’, want een tikkeltje afwijkend gedragen zich de personages wel in Wucks bundel. Deze jongeman blijkt echter in de derde strofe alweer uit bed te zijn:

    ‘Dan belt hij een moeder
    omdat hij met haar naar bed wil
    hij kent foto’s van toen ze een bikini droeg
    voordat ze drie kinderen baarde

    Ze heef het over verjaardagen
    hij knikt zonder te antwoorden
    loopt naar het balkon
    voelt de eerste herfst op hem neerslaan’

    Een heel verhaal is hier verteld met weinig woorden. Kira Wuck beschikt beslist over een goed gevoel voor stijl. Van de zinnen is voldoende afgehakt en afgeschaafd om het beeld op z’n scherpst te krijgen.
    Het leven van de personages ligt ietwat bezijden van dat van een modaal gezinnetje. Een gedicht heet niet voor niets Mijn ouders zijn goed in ontvreemden. Maar er heerst geen afgedankte stemming. Eerder een latent opgewekte.
    Een deze bundel typerend gedicht is het naamloze uit de afdeling Familie:

    ‘Als het regent op zondag
    regent het bij ons anders dan bij anderen
    de lucht is droger en de kat laat zich niet aaien

    Vroeger hadden we een kijkgat in de schutting
    daarachter gebeurde het

    Vanuit de achtertuin zie je waar de vaat zich opstapelt
    wat de afstand is tussen geliefden
    als ze elkaar net niet raken

    Intimiteit is erachter komen dat je met iemand
    naar hetzelfde punt staart
    zoals naar mijn ouders
    die voor de zoveelste keer de muren witten’

    De samenhang is op het eerste gezicht vrij los. Zo mag in de eerste strofe maar liefst tweemaal van regen sprake zijn, daarna doet de regen al niet meer mee. Maar de toon is er intussen wel mee gezet, die van gelatenheid. Zoals de kat zich niet laat aaien, zo lijken de geliefden verderop elkaar eveneens te ontwijken. Waar het kijkgat in een schutting doorgaans iets onthullends laat zien, wordt hier slechts de alledaagsheid van een zich opstapelende vaat getoond. Niettemin wordt ernaar gestaard en vinden de twee elkaar in hun gezamenlijke staren. De voyeur die doorgaans alleen is, heeft hier tenminste gezelschap. Tussen hen is meer verbondenheid dan tussen het begluurde ouderpaar. Het buitenstaanderschap kent zo z’n eigen wetten van geluk. En zo heeft in deze bundel een montere ondertoon kunnen sluipen. De frisse, uitdagende zinnen staan evenwel niet garant dat het allemaal van een leien dakje gaat. Maar de tragiek wordt gelaten ondergaan en kaltgestellt in een laconieke stijl die geen verzuring toelaat.

    Na de afdeling Familie is het de beurt aan de ik-persoon om haar weg in de liefde te vinden. In de afdelingen Wasdagen en Overblijfsels lezen we dat daarbij de nodige hobbels genomen moesten worden: ‘ik had je willen zeggen dat je altijd zo goed het weer voorspelt / en je willen vragen wat voor dag het werd // In plaats daarvan bleef ik staan zonder me te bewegen’. Maar elders blijkt dat uiteindelijk de volgende ervaring is opgedaan: ‘als je er nog bent als ik me omdraai / dan ga je niet meer weg’.

    In de laatste afdeling Finse meisjes lijkt de ik-persoon zich thuis te voelen. De benadering van Finnen vergt misschien enige gebruiksaanwijzing: ‘Finse meisjes zeggen zelden gedag / maar zijn niet verlegen of arrogant / je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen’, maar ontwakend uit de winterslaap blijken het zomaar ‘mensen die ik als familie beschouw’. De meest fijngevoeligen lijken Finse meisjes niet te zijn: ‘In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning / als ze niet in slaap gevallen zijn’. Of de ik-persoon zich er daarom zo thuis voelt? ‘Toen ik iemand zag die heel erg op jou leek / wou ik mijn mond op de zijne drukken / daarna zijn hart uit zijn borstkas snijden / en in een vissenkom doen’. Maar wie Kira Wuck leest heeft vooralsnog niets te vrezen. Prettig lezende zinnen als ‘Alles waar je net doorheen past kun je niet negeren’, ‘hij zoekt een ruimte waarin hij niet gevonden wordt’ of ‘De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift’ maken het lezen van Finse meisjes tot een aangename ervaring.

    Ofschoon wel duidelijk is dat niet iedereen zich in de buurt van deze meisjes moet gaan wagen, zien we een tweede worp van Kira Wuck graag tegemoet.

     

     

  • Vreemde verhalen en buitenmaatschappelijke figuren

     

    Hari Kunzru (1969) ontving voor zijn eerste roman, De poseur, de prestigieuze John Llewellyn Rhys Prize. Ook Coyote werd door de buitenlandse pers met lof overladen.

    Kunzru behoort volgens insiders tot de ‘beste aanstormende Britse auteurs.’ Reden om dit boek, zijn vierde roman, maar eens onder de loep te nemen. Zijn vader was afkomstig uit Kashmir en zijn moeder uit Engeland.

    Kunzru vertelt het verhaal van Jaz, een wiskundespecialist, en zijn vrouw Lisa, die van Joodse afkomst is. Jaz werkt voor de beurs in New York op het moment dat the sky the limit is en allerlei vreemde figuren onzinnige doldwaze theorieën uitstorten over de hoofden van de onwetende, naïeve beleggers. Jaz en Lisa krijgen een zoontje, Raj, die autistisch blijkt te zijn.

    Kunzru laat ons allerminst achterover leunen. Hij weeft een tapijt aan vreemde verhalen waarin vooral buitenmaatschappelijke figuren de hoofdlaag vormen. Zo is er de geflipte Capaldi (er was in de jaren ’60 een echte Capaldi, van de groep Traffic), die plaatopnames maakt, maar tijdens de sessies wegloopt omdat hij gebrek aan inspiratie heeft. Hij gebruikt peyote, LSD, mescaline en doet aan groepsseks, maar vindt er al lang niets meer aan. We krijgen een kijkje in de keuken van de Ashtars, de zogenaamde afstammelingen van vliegende schotelwezens, die een commune hebben gesticht in de woestijn bij een plateau. Hun leider is verbrand toen hij een stalen kist onder stroom liet zetten om contact met de Ufo’s te leggen. Een nabijgelegen dorpje in de Californische woestijn voert een harde strijd om de commune weg te krijgen. Tevens circuleren er geruchten dat de communeleden nevenactiviteiten hebben in de prostitutie en de drugshandel.

    De verknipte beursgoeroe’s doen inmiddels Jaz de das om. Omdat hij kritische vraagtekens gaat zetten verliest hij z’n baan. Zijn vrouw Lisa drijft steeds meer af naar orthodox Joodse kringen, die de Kabbala lezen en zichzelf ook als een voorpost van een Nieuwe Wereldregering zien. En rond zoon Raj, die veel ernstiger autistisch blijkt te zijn dan iedereen dacht, is een wirwar van zorgverleners opgedoken, therapeuten en andere vreemde figuren, die Raj willen helpen.

    Het meesterlijke aan het boek is dat de doldrieste vreemde freaks uiteindelijk minder gek blijken te zijn dan we denken. Omgekeerd blijkt het establishment echt krankzinnig en ook nog eens gevaarlijk.

    Nadat Jaz is ontslagen bij zijn beursbedrijf besluit het echtpaar er met zoon Raj maar eens even uit te gaan. Ze moeten reizen van motel naar motel omdat Raj teveel huilt en de andere gasten wakker maakt. Uiteindelijk belanden ze in de woestijn vlakbij de commune van Ashtar, maar dat weet alleen de lezer.

    Lisa gaat een avond stappen en Jaz leert Capaldi kennen die in hetzelfde afgesleten motel logeert en op de vlucht is voor pers en fans. Plotseling is zoon Raj verdwenen. En er ontstaat een klopjacht op de eventuele ontvoerders. De geheimzinnige figuur Coyote, heeft zich in een grot verstopt onder de rotsen nabij de commune van Ashtar. Heeft hij wat met de ontvoering te maken? En er is de legende uit de 18e eeuw van een kind dat verdwijnt en na een maand half verlicht terugkeert. Allemaal in de buurt van de rotspartij in de woestijn, waar iedereen koortsachtig zoekt naar Raj. Het huwelijk staat op scherp, de echtelieden verwijten elkaar van alles en de politie tast in het duister en neemt de arme Capaldi maar mee omdat ze een verdachte willen. Hij heeft met de zaak niets te maken. En we krijgen ook nog te maken met de praktijken van een Franciscaner ontdekkingsreiziger, die al in de 18e eeuw de geheimen van het stukje woestijngrond zou hebben opgelost.

    Wanneer Raj plotseling weer opduikt zijn de rapen pas goed gaar. Wat is er met hem gebeurd? Wie heeft hem ontvoerd?

    De lezer blijft in vertwijfeling achter? Of ook weer niet? Kunzru vraagt of diezelfde lezer als een echte Sherlock Holmes met hem mee wil denken en dat maakt dit boek tot een meesterlijk – maar niet eenvoudige-  leeservaring.