Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Bowlen als metafoor voor een leven

    Bowlen als metafoor voor een leven

    Bowlen heeft iets lulligs. Misschien komt het door de verplichte schoenen. Om met plezier te kunnen bowlen moet je kind zijn, of de lulligheid moet je volledig ontgaan, of je moet in staat zijn je schouders ervoor op te trekken en je nergens iets van aan te trekken. Stern, de hoofdpersoon in de tweede roman van Thomas Heerma van Voss is volledig blind voor elke vorm van lulligheid. Hij bowlt graag en kan maar niet begrijpen dat zijn achttienjarige zoon op een dag niet meer mee wil.

    Het is na de eerste zinnen al duidelijk dat bowlen hier een metafoor voor het leven van Stern is. Een paar wankele kegels, twee gootjes, een bal met gaatjes en gehuurde schoenen die niet passen. Het is treurig maar veel meer heeft het leven Stern niet te bieden. Hij moet oppassen dat hij zelf niet als een kegel door het leven omver wordt gegooid.

    Na enkele zinnen is ook al duidelijk dat Stern een loser is, een figuur die er niet bij hoort, maar er zo graag wel bij zou willen horen. Het maakt niet eens uit waarbij. Wanneer we met hem kennis maken is hij door bijna iedereen, behalve zijn gezin, in de steek gelaten. De basisschool waar hij jaren lang werkte als leraar, heeft hem ontslagen, of eigenlijk met prepensioen gestuurd. Vrienden heeft hij niet en nu, op de bowlingbaan, lijkt ook zijn zoon hem in de steek te laten.

    Vroeger was het niet veel beter met Stern lezen we in hoofdstukken die terugblikken op de tijd toen Stern nog jong en vol wankele, goede moed was. Eind jaren zestig vertrok hij naar ‘swinging’ Londen om daar, in de benauwdheid van een studentenflat, er achter te komen dat er voor hem niet veel ‘swingends’, te beleven viel. Het lukte hem niet vrienden te maken en er bleef hem niets ander dan de cirkelgang af te gaan van eenzaamheid, onhandigheid, wanhoop en steeds moeizamere pogingen contact te maken.

    Als de eenzaamheid in Londen hem tot de lippen staat is daar opeens de Koreaan John, die Sterns redding lijkt te zijn. Maar John is nu niet bepaald een prater. Sterker nog, hij zegt nauwelijks een stom woord. Desondanks blijken de twee al gauw onafscheidelijk. Maar van echte vriendschap of wederzijdse genegenheid is geen sprake. John blijkt zo leeg als een vat met niets erin en is eigenlijk geen vriend, maar slechts een figuur die niet in staat is ‘nee’ te zeggen en eigen initiatief te tonen. De twee lijken elkaar te gebruiken om hun eigen eenzaamheid te verbergen, wat hun toestand er alleen maar schrijnender op maakt. Als op een dag het Londense avontuur er op zit, betekent dat meteen ook het einde van het duo. Stern hoort nooit meer iets van John.

    Jaren later lijken Sterns pijnlijke anti-avonturen in Londen zich te herhalen als zijn adoptieve zoon Bram het huis uit wil. Ook Bram blijkt uit Korea afkomstig te zijn en heeft al net zo bedroevende communicatieve vaardigheden als John.

    De eenzaamheid van Stern is schrijnend en hilarisch tegelijk. Deze roman heeft een hoog Arjen Ederveengehalte; de toon van de roman doet denken aan de ‘30 minuten’ documentaires die Ederveen halverwege de jaren negentig maakte. Heerma van Voss zet Stern neer als een herkenbaar typetje waar je om kunt lachen, maar als het goed is, niet zonder je tenen te krullen.

    In zijn recensie in NRC Handelsblad vergeleek Sebastiaan kort Sterns belevenissen in Londen met die van Coetzee, zoals beschreven in Youth: Scenes from Provincial Life II. Maar behalve dat Coetzee als jonge man ook een eenzaam leven in Londen leidde, heeft Stern niets met het werk van de Nobelprijswinnaar te maken. Bij Coetzee is er geen sprake van een Arjen Ederveengehalte, geen gegniffel of geglimlach. Coetzee is serieus, zwaarder op de hand en we moeten woorden als ‘existentieel’ en ‘metafysisch’ gaan gebruiken als we het langer dan een paragraaf over zijn eenzaamheid willen hebben. Bij Heerma van Voss is de wereld een stuk lichter en eenvoudiger en kunnen we het zonder dure woorden af.

    Ook het taalgebruik van Heerma van Voss is zeer eenvoudig maar tegelijkertijd ook erg effectief. Het doet een beetje denken aan dat van Arnon Grunberg en Maartje Wortel. Stern heeft ook wel iets weg van Jörgen Hofmeester, de hoofdpersoon in Grünbergs Tirza. Beide mannen raken in de war als hun kind het huis verlaat en het woord ‘hedgefonds’ leidt bij Hofmeester tot bespiegelingen die lijken op die van Stern aangaande ‘prepensioen’.

    Aan het einde van de roman is er ook even de vrees dat dit verhaal precies zo gaat aflopen als Tirza, namelijk met wat tegenwoordig een ‘familiedrama’ heet. Maar dat gebeurt niet. Wel raakt Stern in de latere hoofdstukken steeds meer in de war door zijn aangroeiende eenzaamheid en zijn gebrekkige manier om contact te maken.

    Zo sterk als de eerste, Londense hoofdstukken, zijn de latere hoofdstukken niet. Alles wat Stern onderneemt en hem overkomt lijkt dezelfde boodschap in zich te dragen: hij is een eenzame loser. Sterns gedrag wordt ook tamelijk voorspelbaar: hij raakt steeds meer in de war en besluit zelfs op een dag om alleen te gaan bowlen. De betekenis van deze scène ontgaat ons niet: veel eenzamer kan een mens toch niet worden.

    Hoewel de roman leest als een trein en niet al te dik is, blijken veel scènes toch een herhaling van zetten en tegen het einde begrijpen we van Stern niet eens zo heel veel meer dan dat we na enkele pagina’s al wisten. Stern zelf lijkt ook steeds meer een typetje waar het bordkarton doorheen schijnt. Nu hoeft niet elke romanfiguur van vlees en bloed te zijn maar in het geval van Stern hindert het bordkarton ons toch om ons in hem te kunnen verplaatsen.

    Behalve Stern zijn er trouwens weinig andere figuren waar we iets van te weten komen en ook dit doet in de laatste hoofdstukken iets aan de roman af. Zoon Bram is een ondoorgrondelijke, stille puber en echtgenote Merel is bezig een roman te schrijven waar Stern een rol in speelt. Maar tot leven worden beiden niet gewekt. Zij blijven decorstukken op het toneel waar Stern zijn eigen eenzame weg gaat.

    Stern is niet in alle opzichten een geslaagde roman maar mislukt zou ik ‘m niet willen noemen. Thomas Heerma van Voss mag soms aan Grünberg doen denken, hij heeft duidelijk wel een eigen geluid. En juist om dat geluid en de vaart die je ondergaat tijdens het lezen, moet men deze roman lezen.

    Het is verleidelijk om deze roman te waarderen met een bowlingscore. Maar belangrijker dan het aantal kegels dat Heerma van Voss weet om te gooien is de schoonheid van het spel zelf, de poging en manier waarop de bal geworpen wordt.

     

    Stern

    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 16,90

     

  • Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Wie in de jaren ’60 van de vorige eeuw per trein door Nederland reisde kent ze nog wel: de metalen plaatjes onder de ruit met in drie talen de waarschuwing om niet uit het raam te hangen. Daaronder ook het Italiaanse ‘e pericoloso sporgersi’. Het gaf je, sporend door Nederland, het gevoel dat je voor hetzelfde geld door Italië had kunnen reizen.
    Wie heden ten dage meemoppert over treinvervoer in ons eigen land, zal daar echter na lezing van Italië op het spoor van Tim Parks anders over denken.

    Parks schreef zijn boek vanuit de gedachte dat het spoor, de aanleg ervan en het reizen erover, een spiegel is van het land waardoor dat spoor loopt. Anders gezegd: wie door Italië treint en om zich heen kijkt, leert de Italiaanse denkwijze en cultuur kennen. Schrijven over ervaringen op het spoor in de laars van Europa kun je aan Parks wel overlaten. Hij woont al ruim dertig jaar in het land, is getrouwd met een Italiaanse, doceert vertaalkunde aan de universiteit van Milaan en reist veel per trein. Hij schreef zowel romans als non-fictie over Italië. Veel daarvan is ook in het Nederlands vertaald.

    Voor wat Parks met zijn boek wil is Italië op het spoor een fraaie vertaling van de dubbelzinnige Engelse titel Italian Ways. Het boek is een verslag van een aantal treinreizen én een bespiegeling waarin hij de Italiaanse manier van leven op het spoor wil komen. Parks is iemand die tongue in cheek schrijft. Hij vindt treinen door Italië de mooiste vorm van reizen (en de vanuit milieubewustzijn gezien meest verantwoorde), maar hij stelt deze vorm van verplaatsing tegelijk voor als een ware verschrikking. Stations zijn dikwijls prachtige bouwwerken, maar doolhoven voor reizigers. Het warrige stelsel van nationale en regionale en snelle en stoptreinen, de elkaar beconcurrerende maatschappijen, de lijdensweg die je af moet leggen om dienstregelingen te achterhalen of aan het juiste treinkaartje te komen: wat een hel! Het is een wonder als iemand op tijd op de gewenste bestemming komt zonder onderweg beboet te worden. Het lijkt in Italië een sport om alles optimaal te regelen en vervolgens iedereen gewoon zijn gang te laten gaan. Regels zijn er om naar believen toe te passen of aan je laars te lappen, afhankelijk van het voordeel dat die keus je oplevert. Of zoals Parks opmerkt: ‘Een van de voornaamste kenmerken die je moet zien te doorgronden in alle aspecten van het Italiaanse leven, is dat deze natie geen problemen heeft met de afstand tussen ideaal en realiteit. Ze zijn de hypocrisie voorbij. Ze registreren gewoon geen tegenstelling tussen retoriek en gedrag. Het is een benijdenswaardige instelling.’

    In het eerste deel van zijn boek beschrijft Parks de geschiedenis van de Italiaanse spoorwegen. Die is heel anders dan die van Engeland, waar ze ontstonden uit de behoefte om industriesteden onderling en met havens te verbinden. Italië kende veeleer een politiek dan een economisch motief. In de tijd van het Risorgimento (het streven om de talloze staatjes op het schiereiland te verenigen tot één Italië) was het van belang snel militairen te kunnen verhuizen en een betere communicatie mogelijk te maken tussen afzonderlijke delen van de toekomstige eenheidsstaat.
    Ook in een andere zin werd het spoor een politiek instrument. Het wordt traditiegetrouw gebruikt ‘om overtollige arbeidskrachten te absorberen en de werkloosheid laag te houden. (..) Tienduizend van de negenennegentigduizend spoorwerkers worden als overbodig beschouwd’. Een baan bij de spoorwegen geldt voor een Italiaan als ‘fatsoenlijk betaald en zo zeker als een plekje in de hemel’.

    De spoorwegen in Italië zijn niet alleen door die hoge personeelskosten flink verliesgevend. Er is geweldig in geïnvesteerd en ondanks dat zijn de kaartjes goedkoop. ‘Italianen [hebben] helemaal geen zin om te veranderen. Ze houden van een gemakkelijk leven. Ze beschouwen zichzelf superieur aan die primitieve en tobberige naties die punctualiteit boven stijl en comfortabele consumptie stellen. Er wordt een compromis gevonden in het imago. Ze zullen doen alsof Italië snel en modern is’. Maar zelfs bij die gunstige prijzen kiezen de Italianen voor vrijheid: de eigen auto. Daar helpt geen moedertjelief aan: ‘In april 1961 promootte het autotijdschrift Quattroruote (Vier wielen) een race van Milaan naar Rome tussen de nieuwe, snelle elektrische trein, de Settebello, en een Alfa Romeo Giulietta. De trein deed er zes uur en zevenendertig minuten over. De Alfa deed het in vijf uur en negenenvijftig minuten. Het spel was uit.’

    In het laatste deel reist Parks naar het zuiden, naar Sicilië en de hak van Italië. Die tocht laat een groot verschil zien tussen het rijkere noorden en het armere zuiden. Het is daar vooral het onderhoud aan het spoor en de stations dat te wensen overlaat. Er gebeurt vaak pas wat als er geld voor komt uit de Europese regiopot. Maar ook dat levert dan weer absurditeiten op. Zo treft Parks in de buurt van Otranto langs het spoor een bord aan, waarop het land Europa dank zegt voor de € 3.614.750,57 die het ontving om het spoor vier jaar lang onkruidvrij te houden:

    Drie miljoen zeshonderdveertienduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenvijftig cent. Voor onkruidbestrijding over een periode van vier jaar. Ik vind dat elke vorm van retoriek en elk detail uiteindelijk zijn functie en logica moet hebben. Hier kan ik alleen maar veronderstellen dat de vijfenzeventig cent worden vernoemd om een indruk van eerlijkheid en fatsoen te geven die de strengste pignolo [iemand die de regeltjes precies toepast] waardig is. Het is algemeen bekend dat Apulië, samen met Sicilië, een van de twee meest verkwistende Europese regio’s is als het om het uitgeven van subsidies van de Gemeenschap gaat.

    Een mooie observatie noteert Parks als hij in zijn eentje in de kathedraal van Lecce afkoeling zit te zoeken en er de rozenkrans hoort bidden. Hij wordt er stil van, tot hij ontdekt dat het stemgeluid niet van een lijfelijk aanwezige priester komt maar van een casettebandje. Dan noteert hij:

    En zodra ik besefte dat het een bandje was, kon ik niet eens meer doen alsof ik me eraan onderwierp. In plaats daarvan zat ik een vergelijking te trekken met de elektronische meldingen in de stations waar de capostazioni al lang met pensioen zijn gestuurd tezamen met al hun ondergeschikten. De zich eindeloos herhalende stem komt van ver weg, of van jaren geleden, en is alleen nog aanwezig door bedrading en microchips. Het heeft iets arrogants en neerbuigends: de organisatie die voor het transport zorgt, of dat nu gebeden of treinen zijn, is zo machtig en gevoelloos geworden dat ze het niet meer nodig vindt dat iemand van vlees en bloed de passagiers en gelovigen leidt. Het is dus zo afstandelijk en absurd geworden, dat mensen het helemaal normaal vinden om vals te spelen; om te denken dat ze absolutie kunnen krijgen na een vluchtige biecht, om in de eerste klas te zitten zonder geldig reisdocument, en ook op andere gebieden van het leven: het ontduiken van belasting, het negeren van bouwvoorschriften.

    Parks neemt in het boek nogal wat ruimte om zijn ervaringen in de trein zelf te beschrijven: volle coupé’s, zeurende en stinkende medereizigers, idiote gesprekken en telefoontjes, weigerende airco’s en lamlendige en op hun strepen staande conducteurs. Het levert soms hilarische beschrijvingen op, die hij echter hier en daar wat te lang volhoudt.
    Dat is trouwens niet de enige kritiek die je kunt hebben. Parks’ boek heeft ook iets willekeurigs doordat hij maar een deel van Italië bereist. Bovendien weet hij de lezer niet volledig te overtuigen dat de handel en wandel op en rond het spoor inderdaad een volkomen afspiegeling is van de manier waarop Italianen in het leven staan.

    Maar met dat korreltje zout binnen handbereik is Italië op het spoor beslist een vermakelijk boek.

     

    Italië op het spoor.
    In en uit de trein van Milaan naar Palermo

    Auteur: Tim Parks
    Oorspronkelijke titel: Italian Ways
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2013)
    Prijs: € 19,95

  • Poëzie volgens Chrétien Breukers

    Poëzie volgens Chrétien Breukers

    Gedichtenbundels gaan niet in groten getale en zeker niet dagelijks over de toonbank. Toch worden festivals rondom poëzie veelvuldig bezocht en was de Gedichtenweek (voorheen Gedichtendag) in januari van dit jaar een succes. Evenals de Nacht van de Poëzie. En jaarlijks blijken er duizenden dichters in spe mee te doen aan de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Poëzie leeft maar aan de aantallen verkochte bundels is dat niet te merken, constateert Chrétien Breukers.

    Breukers is een veellezer/schrijver. Naast zijn werk als dichter, uitgever, redacteur en internetpublicist schreef hij tussen april 2009 en april van dit jaar onder andere 61 poëzie besprekingen die hij publiceerde op literair weblog De Contrabas. Veertig uit deze reeks bundelde Breukers in Het eerste gedicht, Over het lezen van poëzie. Deze bundeling wordt vooraf gegaan door een inleiding waarin hij de staat van de poëzie aan de orde stelt (het gaat belabberd met de poëzie). Opvallend is de restrictie die Breukers zichzelf oplegde bij aanvang van het schrijven van deze reeks: alleen het openingsgedicht bespreken zonder beïnvloeding door andere bronnen. Maar dat werkt niet echt, gezien de vele besprekingen waarbij Breukers meer uit de kast trekt dan het te behandelen openingsgedicht.

    Het is een mooie reeks Nederlandstalige dichters die Breukers onder handen neemt. Van ‘zeer bekend’ tot ‘weinig van vernomen’ zoals: Robert Anker, Roland Joris, Willy Roggeman, Esther Jansma, Cees Nooteboom, Meindert Talma, Toon Tellegen (2x), Willem Jan Otten, Ester Naomi Perquin (2x), Maria van Daalen en Lieke Marsman. Een van de besprekingen handelt over het gedicht Gare Liege-Guillemins van Frans Budé. Als dichter zit Breukers dicht op de huid van Budé en als kritisch lezer blijft hij erboven hangen. Nadat hij het gedicht geroemd heeft om de treffende beschrijving van station Luik-Guillemis en erover schrijft alsof hij er bij was, sluit hij af met de volgende distantie: ‘Ondertussen merk ik dat ik net deed of ik het genoemde station in Luik ken. Dat is niet zo. Ik ben er nooit geweest, tot vandaag, tot ik het gedicht dat ik hier besprak begon te lezen.’ Een mooiere aanbeveling om een gedicht te gaan lezen is er natuurlijk niet.

    Bij elke bespreking laat hij zich uit over de staat van de dichter en zijn werk, zoals: dat Mark Boogs bundel Er moet sprake zijn van een misverstand, wisselend werd ontvangen, dat Anton Ent in het echt Henk van der Ent heet en ook publiceert onder het pseudoniem Marieke Jonkman en dat niet al zijn werk geschikt lijkt voor een breed publiek, dat Nachoem M. Wijnberg de lieveling is van menig criticus, maar dat Breukers geen vat op diens werk krijgt. En dat Fred Papenhove een fenomeen is die vier bundels eigenzinnige poëzie schreef.

    Breukers lardeert zijn besprekingen met opmerkingen over zijn eigen persoon die wat pedanterig, een enkele keer charmant overkomen. Boude uitspraken die alleen dienen als stemmingmakerij, vloeien zo vanzelfsprekend uit zijn ‘pen’ dat je mag aannemen dat hij graag polemiseert (zie ook de drie artikelen over Gerrit Komrij, Breukers zelf en de literatuur, die als een soort toegift achter in het boek zijn opgenomen ). Wat op zich natuurlijk niet erg is maar in deze bundel werkt het afleidend van de (meestens) boeiende uitleg die hij aan de gedichten geeft. Uitspraken als: ‘(…) Tonnus Oosterhoff, Anne Vegter of Astrid Lampe, dichters die door critici (snurkende recensenten) hogelijk gewaardeerd worden, maar die nog nooit een lezer langer dan drie minuten hebben weten te boeien.’, zijn in wezen niet relevant voor wat hij wil zeggen. Ook als hij ergens schrijft dat iedereen het boek Waar wij voor zijn en tegen van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes zou moeten lezen en dan vervolgt: ‘al weet ik niet meer waarover het ging’, vraag je je af waarom dit vermeld moet worden.

    Het is geen bundel, hoewel de indruk even gewekt wordt, waarbij de lezer een les krijgt in gedichten lezen: ontsluit een gedicht zich beter bij het lezen op je nuchtere maag of juist na een copieuze maaltijd, of verschilt dit per gedicht? Dat is dus niet te leren. Wel geeft Breukers de lezer veel van zijn belezenheid over de Nederlandstalige poëzie door en geeft hij een inzicht in het fenomeen dichter. En misschien dat Het eerste gedicht dusdanig uitnodigend werkt dat liefhebbers nu echt eens die bundels gaan kopen van de dichters die op het podium zo bewonderd worden. Nog dit: Een gedicht kent evenzovele betekenissen als de verschillende mensen die het lezen. De poëzielezingen van Breukers zijn van een boeiend gehalte, hij levert zich er helemaal aan uit. En dat is zijn charme als auteur.

     

     

  • Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Persoonlijk noodlot en een vallende granaatappel

    Als je het Alhambra in Granada bezoekt kan je in het winkeltje vlakbij de hoofdingang het boek Tales of the Alhambra van Washington Irving aanschaffen. Het ligt er zelfs in Nederlandse vertaling (met de foutieve titel Vertalingen van het Alhambra op het omslag). Enkele van de verhalen gaan over de lotgevallen van Boabdil, de laatste Moorse vorst in Spanje tijdens de Reconquista, die eindigde in 1492.

    Het is prikkelend om je voor te stellen dat Louis Couperus precies 100 jaar geleden net als jij zelf in de lentezon op de opstapjes voor het winkeltje zat, bladerend in hetzelfde boek van Irving. Het is zelfs waarschijnlijk dat het zo was, want in het Nawoord bij de heruitgave van Couperus’ De Ongelukkige verhaalt literatuurcriticus Mark Cloostermans dat de schrijver in 1913 een Spanjereis maakte waar hij geen plezier aan beleefde. Tot hij in Andalusië belandde en daar in aanraking kwam met de overblijfselen uit de Moorse tijd. Hij las in Granada het boek van Irving en bereisde de plaatsen waar het leven van Boabdil zich had afgespeeld. Het wakkerde zijn schrijverschap weer aan, dat hij net had losgelaten: zijn romans verkochten nauwelijks nog en hij verdiende er amper nog wat aan. Bovendien twijfelde hij of hij voldoende historische kennis bezat om een nieuw project aan te durven. In december van dat jaar kwam hij niettemin al met een voorpublicatie. De roman zelf kwam in 1915 op de markt (vertraagd vanwege de Eerste Wereldoorlog), maar het werd geen bestseller. In december 1915 kwam bovendien nog een kort verhaal uit, De dood van den Dappere, een staartje aan De Ongelukkige.

    In het Couperusjaar 2013, waarin wordt herdacht dat de auteur 150 jaar geleden werd geboren, heeft L.J. Veen, ook destijds al uitgever van het meeste werk van de Hagenaar, De Ongelukkige opnieuw uitgegeven. Dezelfde Veen, die Couperus in 1913 niet het gevraagde honorarium wilde betalen waardoor de schrijver naar een andere uitgever liep.

    Honderd jaar later zet Veen op het omslag: ‘De herontdekking van Couperus’ betoverende avonturenroman’. Daar valt wel wat op af te dingen. Eerder lijkt het eeuwfeest van het ontstaan van de roman de invalshoek om hem in het Couperusjaar nog eens uit te brengen. Dat de sympathie van de schrijver bij de verliezer lijkt te liggen en dat De Ongelukkige dus geen anti-moslimroman is, zoals Cloostermans schrijft, lijkt een wat mager argument om te spreken van de herontdekking van een eigenzinnige kijk op de clash van katholicisme en islam. Er straalt zelfs enige gemakzucht af van deze heruitgave. Het is gewoon een reprint van de editie uit 1994 op goedkoop papier, zonder (op het Nawoord na) annotaties. Die hadden de herdruk een meerwaarde kunnen geven, want je kunt je tevens afvragen wat voor hoger doel wordt gediend met het op zo’n sobere manier uitgeven van een roman die toch al digitaal op internet te vinden is (www.dbnl.org).

    Het betekent allemaal niet dat een (hernieuwde) kennismaking met de roman (in de spelling van 1913) verloren tijd is. Couperus vertelt de geschiedenis van Boabdil (de Spaanse naam voor Aboe-Abdallah) als een sprookje in een taalgebruik en stijl die we van zijn beroemdste romans zoals Eline Vere, De stille kracht, en Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan niet gewend zijn. Het sprookjesachtige wordt meteen duidelijk. In de eerste 12 regels duiken al vier samenstellingen met het woorddeel ‘toover’ op. Ook het taalgebruik draagt daaraan bij. Couperus is in deze roman bijna een dichter, die zwelgt in poëtische zinsconstructies, binnenrijmen, alliteraties en andere klankverwantschappen. Je moet er 100 jaar later misschien maar net van houden, maar, toegegeven, er zitten fraaie voorbeelden tussen. Zoals in de beschrijving van de ongeruste breekbare vrouw van Boabdil in haar sluier: ‘Hare teedere leden vertengerden nog in de getrokkene doorzichtigheid van het dunne gaas, dat spinneweefde om hare lichte gestalte’. Of deze over de strijdlustige pubers in het Spaanse leger: ‘Hunne spieren smachtten zich te ontspannen, terwijl nauwelijks hun snorretjes donsden’. Maar soms weet Couperus geen maat te houden, zoals in ‘…de drie witte Wijzen, die wandelden langs de wallen, waren de onwezenlijkheid ervan…’.

    Af en toe lijkt het zelfs of Homerus een gevecht aan het beschrijven is:

    Hij zag in de zon het wapengeflits, dat naderde langs den heuvelenden weg. En hij herkende de lange lansen, die schoten de gouden bliksems, de ronde schilden, die schoten de gouden sterren. Hij herkende de ronde helmen; zij straalden de flapperschaduwen door, die neêr sloegen de wappere vanen. De flikkerende maliënruiten der rustingen omgordden de ruiters en verforschten hunne fiere, rechte torsen, die torsten de aantrappelende rossen, wie de roode hoezen omhuifden; roode pluimebossen wuifden. Kromme klingen kletterden met, de van email en gesteente schitterende, kromme scheeden, hangende met koorden en kwasten om de nekken der ridders, die naderden; de ruiterij volgde machtig en zwaar. En er was geklater van koperen trompetten en schel geschetter van fel schitterende fluiten en dwars door àl bommende trommen, die daverende rommelden.

    Je hoort er met wat goede wil zelfs de homerische hexameters in.

    Er klinkt inderdaad nogal wat wapengekletter in de roman, niet alleen tussen Spanjolen en Moren, maar ook binnen die partijen. Boabdil, die zelf aan de macht is gekomen door zijn vader aan de kant te zetten, betwist op zijn beurt later weer de macht met zijn oom El Zagal, de broer van zijn vader. Als zij hun strijd uitvechten in de straten van Granada – El Zagal bewoont op dat moment het Alhambra en Boabdil zit met de laatste getrouwen, opgesloten in het Alcazar – grijpen ineens de Drie Wijzen in die op meer beslissende momenten in de roman opduiken. Ze overtuigen beiden ervan dat ze samen moeten staan voor een islamitische toekomst en gezamenlijk dienen op te treden tegen de katholieke Spanjaarden. De onderlinge machtsstrijd was overigens door diezelfde katholieken aangewakkerd. Zij hadden Boabdil verslagen in een gevecht bij Loxa, maar hem goed behandeld en vrijheid en steun beloofd als hij hun vazal wilde worden. Ze stelden hem het koningschap in het vooruitzicht over alle gebieden die Spanje op El Zagal zou veroveren.

    Maar ook in het katholieke kamp is er verdeeldheid tussen de fanatiekelingen die de Moren het liefst zo snel mogelijk afslachten en het koninklijke paar Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië. Vooral de laatste ziet liever dat de Moren worden bekeerd dan dat er bloed vloeit.

    De Ongelukkige uit de titel is Boabdil. De drie Wijzen hebben zijn ouders bij zijn geboorte al voorspeld dat hij tijdens het leven van zijn vader zal regeren, dat hij ongelukkig zal zijn en dat hij de Granaatappel zal verliezen en anderen de pitten zullen plukken. De roman draait vooral om die tweede voorspelling, die mede leidt tot vervulling van de derde.

    Boabdil is een weifelmoedige koning, die steeds tussen twee vuren zit. Enerzijds heeft hij zijn macht te danken aan het Spaanse koningspaar waarvan hij de vazal is en dat zijn enige zoon in Córdoba gegijzeld houdt. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zijn geloofsgenoten die hem verwijten dat hij zijn hoogste opdracht, het verslaan van de Ongelovige (de niet-moslim), verzaakt. Zijn positie loopt enkele keren gevaar als de Moorse bevolking lijkt te kiezen voor El Zagal, die wel driest ten strijde trekt en de ander als Koning laat regeren in Granada. Boabdil ziet zich voortdurend als speelbal van het Noodlot, als de Ongelukkige.

    Dat wordt hij in zijn ogen des te meer als hij zijn vrouw onterecht beschuldigt van overspel, een trauma dat hij de rest van zijn leven mee zal dragen. Couperus is in de beschrijving van deze persoonlijke geschiedenis tussen de twee echtelieden op zijn best. Hij wendt hierin zijn rijke scala aan schilderingen van noodlottigheden, angsten en wantrouwen aan in een opbouw die het boek – ondanks zijn voor ons wat bombastische taalgebruik – bijna tot een thriller maakt.

    De derde profetie van de Wijzen gaat onontkoombaar in vervulling als aan het eind van de strijd de stad Granada (de Granaatappel) in handen van de Spaanse vorsten valt. Ongelukkiger kon Boabdil niet meer worden. Hem rest nog slechts een aftocht onder een vrijgeleide van Isabella van wie hij zijn gegijzelde zoon terugkrijgt.

    En hoe verging het El Zagal verder? Ook hij overleefde de strijd, maar daar blijft het bij in de roman. Couperus had voor de beschrijving van diens tragische oude dag en levenseinde het toetje nodig dat in deze uitgave is opgenomen: De dood van den Dappere. Wie is er nu gelukkiger geweest, lijkt Couperus in deze appendix op te werpen: Boabdil of El Zagal?

     

     

     

  • oever drinkt oever

    oever drinkt oever

    Het lege land oogt verlegen

    Het eerste gedicht ‘tij / grijst’ heeft slechts deze twee woorden nodig om een geheel gedicht te zijn. En ondanks, of beter, dankzij die twee woorden laat het zich direct herkennen als een gedicht van B. Zwaal (Vlaardingen, 1944). Want sinds zijn debuut fiere miniature uit 1984 heeft deze dichter in het woordminimalisme, liefst vrijwel titel-, leesteken- en hoofdletterloos beleden, zijn handelsmerk gevonden. Zij het niet zijn enige. Want zijn – met oever drinkt oever – elf bundels omspannende oeuvre, kent ook een heel andere variant: het in lange zinnen uitwaaierende, weinig van de bladspiegel heel latende gedicht.

    Maar deze laatste variant lijkt B. Zwaal inmiddels te hebben afgezworen. In oever drinkt oever worden de ultrakorte gedichten weliswaar afgewisseld met verhoudingsgewijs langere en woordrijkere gedichten, maar de langste versregel telt niet meer dan dertien woorden. Wie de bundel snel doorbladert ziet het wit dan ook van de pagina’s spatten. Zwaals gedichten mogen kort zijn, ze vergen wel de nodige leestijd om de daarin samengebalde kracht tot z’n recht te laten komen. Deze poëzie is sterk op het woord geconcentreerd. En dat woord is niet zelden zelfgeconstrueerd. Bij woorden als ‘schalbloes’, ‘ijsheidevruchten’ en ‘doorhangdressoir’ geven woordenboeken niet thuis. Zo nu en dan komt ook iets archaïsch langs als ‘leeghwater’, ‘hulpe van tast’ of ‘oor komt ter schelpe’. Wanneer men na een woord als ‘spotplanken’ in de volgende regel op ‘draagklucht’  stuit, beseft men dat bij B. Zwaal abstracte poezie niet noodzakelijkerwijs humorloos hoeft te zijn. Een woord als ‘zoetlip’ lijkt schalks te knipogen naar de naam van Zwaals, voor de VSB Poëzieprijs 2009 genomineerde bundel zouttong.

    Het woord bij deze dichter kan nukkig, stuurs en baldadig zijn. Het kan de verstaanbaarheid saboteren, zoals het geval lijkt in de regel: ‘de snijsnede is vormzedig maar redeloos tureluurs loops op draf’. Maar evengoed kunnen de woorden inschikkelijk zijn en het vers op speelse wijze aansturen, als in het frêle gedicht dat met ‘o’ opent en aldus vervolgt:

    odalyk
    odalisk
    odalisque

    woelde
    op onrustige
    zee

    bedroog
    op het wisselend
    water

    spoelde
    op rustige
    zee

    bedroog niet
    op het eeuwige
    water

    vatte land

    dronk kaninefaat

    ontsluierde
    pelvis

     

    Een in zijn zuiverheid oosters aandoend vers, waarvan de soepelheid, zodra het land is bereikt, opeens smoort. Alsof het oosterse kamermeisje, Odalisk, in het water alle kanten op kan, maar eenmaal aan land, vastloopt in ondoordringbare betekenis. Heeft het nut te bedenken dat de Cananefaten in de Romeinse tijd hun leefgebied hadden tussen de mondingen van de Rijn en de Maas, en Zwaal zelf van Vlaardingen geboortig is? Dat de pelvis (‘bekken’) voorkomt bij gewervelden en dat daarbinnen de geslachtsorganen hun plaats hebben? De erotische associaties duiken immers veelvuldig op in het oeuvre van Zwaal: ‘zoenige benen / onder rijmrok’ heet het elders bijvoorbeeld. De woorden lijken in deze gedichten niet in eerste instantie geselecteerd op hun mimetische functie. Klank, associatieve waarde en ritme gelden hier als voornamere criteria. De schoonheid komt in deze poëzie uit een andere hoek en enige raadselachtigheid moet men daarbij op de koop toe nemen. Het decor in deze gedichten is, als vanouds bij Zwaal, dat van het water en het landschap, inzonderheid het cultuurlandschap van het zowel door vrachtschepen als mens en dier bevolkte rivierengebied. Een enkele naam die voorbijkomt lijkt die van een schip te zijn. De mens gaat bij Zwaal naamloos op in dit decor. Er is sprake van christenen, heidenen, boeren, vissers, jagers, een kramer en zelfs van ‘wij’: ‘wij loden / onze dreggen/ trachten naar trecht’. Maar een individuele tekening blijft uit. Op de mens als soort, niet als individu, is hier gerekend. Door de verzelfstandiging van objecten, de gepersonifieerde natuur, krijgen allerlei associaties makkelijk vrij spel. Er gaat zodoende een sterk suggestieve werking uit van Zwaals compacte poëzie, die daarmee rijk en bepaald niet voor één gat te vangen is. De zinnen roepen onherroepelijk meerduidigheid over zich af. Zo kan het woord ‘ontsluierde’ als adjectief gelezen worden, maar evengoed als werkwoordsvorm. In dit gedicht komen in ieder geval het water en het drinken samen. Uit een regel als ‘fustfeesten roeren de trom en de duigen spannen tezamen’ blijkt immers wel dat het woordje ‘drinkt’ uit de titel van de bundel vooral ook letterlijk mag worden gelezen. Het drinken en het stromen laat Zwaal overigens meesterlijk contrasteren in de regels: ‘de drankdrang zakt de rivier af / de zee zwemt genadiglijk op’.

    Hoe karig ook, deze poëzie wil nergens voorspelbaar worden. Werden hierboven de erotische connotaties aangestipt, even subtiel wordt de lezer op het verkeerde been gezet als er opeens staat: ‘de lange lendenen van de schermer / geel van boter’. Juist ja! Als in het ene gedicht sprake mag zijn van ‘tepelpret’ wil dat nog niet zeggen dat hier alles botergeil wordt opgediend. Een enkele keer heeft de boertigheid zich te opdringerig getoond: ‘donkere borsten dempen / donkere bieren slempen’. Dan wreekt het dat een barokke lyricus zich op een dieet van taalabstractie heeft gezet. Het fraaist en treffendst zijn daarom die gedichten waarin de woorden zich gelijkwaardiger tot elkaar verhouden en de meerduidigheid niet wordt weggekaapt door een dominante connotatie van een enkeling. Het mooiste gedicht is daarom misschien wel het op een na laatste:

    het grind dat beharkt
    de zondag ontvangt

    veenderij
    de brug over

    op de tiendweg
    een veenblauwtje lopen

    smal boven een cope
    de kus verliezen

    het lege land oogt verlegen
    poetst zijn sloten

    Sterke beelden! Lopen elkaar niet voor de voeten, maar completeren een tijdloos beeld van een veenpolder waarin de mensen (eerder reeds als christenen weggezet) hun zondag en daarmee hun leven ondergaan. Een zin als ‘ het lege land oogt verlegen’ is een juweeltje. Vanwege de enorme woordconcentratie met de vele zelfgekozen varianten die eerst binnen het geheel van de bundel langzaam op hun plaats vallen, zullen de meeste gedichten pas bij latere lezing hun schoonheid willen prijsgeven. Opeens kan men dan vallen voor de schoonheid van regels als: ‘grienden droegen de wilgen / boomden hun wateren voort’. Voor liefde op het eerste gezicht lijkt deze bundel niet het meest geëigend, maar wanneer men er eenmaal door in de ban is geraakt, zal de liefde niet snel bekoelen.


    oever drinkt oever

    Auteur: B. Zwaal
    Aantal pagina’s: 72
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Prijs: €19,90

  • Een goed gesprek maakt nog geen goed boek

    Een goed gesprek maakt nog geen goed boek

    Een boekje waarin André Spoor en J.L. Heldring, beiden oud-NRC grootheden, in gesprek gaan over grote thema’s uit de recente geschiedenis maakt je vanzelfsprekend nieuwsgierig. En het moet gezegd worden, de perspectieven en reflecties die ze geven zijn vaak interessant en soms ook verrassend. Maar de hoge verwachtingen die velen zullen hebben worden maar ten dele waargemaakt. De reden daarvan is eenvoudig. . Niet dat Onze eeuw een slecht boek is. Maar je moet je als lezer wel realiseren dat de gesprekken interessanter worden als je zelf al wat kennis meeneemt.

    Onze eeuw is een verslag van vier gesprekken die Heldring en Spoor in 2012 voerden, kort voor het overlijden van Spoor. Gesprekken over de grote politieke thema’s van ‘hun’ twintigste eeuw: de Koude Oorlog, dekolonisatie en Europa. In het laatste gesprek stippen ze ook de globalisering nog aan, maar de verschuivende machtsverhoudingen en opkomst van landen als China ligt naar eigen zeggen eigenlijk buiten hun bereik. De scherpte in hun redeneringen en de diepgang van hun kennis nemen in dat laatste gesprek dan ook snel af. Daarin werpt de dood van Spoor en Heldring zijn schaduw vooruit. Anderen moeten maar duiden wat eigenlijk ‘hun’ eeuw niet meer is. Een onvermijdelijkheid, zoals ook Heldring inziet: ‘Elk verschijnsel in de wereldgeschiedenis loopt op een gegeven moment op zijn eind. We weten niet hoe dat gebeurt, wel weten we dat niets hetzelfde blijft.’

    Onze eeuw is een echt gespreksverslag, geïnspireerd op een soortgelijk boekje met gesprekken tussen oud-kanselier Helmuth Schmidt en historicus Fritz Stern. Historicus John Alexander Janssen notuleerde de dialoog tussen de twee oud hoofdredacteuren. Niets meer en niets minder. En dat is jammer, omdat Onze eeuw daardoor op veel plaatsen de kenmerken van een gesprek niet ontstijgt, wat het leesgenot niet ten goede komt. Want hoe goed gesprekken ook zijn, en hoe goed de gesprekspartners ook naar elkaar luisteren, gesprekken hebben altijd een zekere grilligheid die de redeneerlijn verduistert. Iedereen die wel eens een verslag maakt van een bijeenkomst weet dit. Een letterlijke weergave helpt weliswaar om duidelijk te maken wie wat heeft gezegd, maar biedt zelden een goed en consistent betoog of boodschap. Daarvoor worden gesprekken domweg teveel gekenmerkt door onnodige uitstapjes, herhalingen en het zoeken naar de juiste toon en overtuiging. Natuurlijk wordt dit beter als een gesprekleider tot besluit een goede samenvatting en conclusie geeft, maar dit neemt de langdradigheid van letterlijke verslagen nooit helemaal weg.

    Uit zijn woord vooraf blijkt dat Heldring zich hier terdege van bewust is. Hij verontschuldigt zich voor de herhalingen die in opeenvolgende gesprekken onvermijdelijk zijn. En die herhalingen zijn er zeker, met alle consequenties voor de vaart en lijn van het betoog. Vervelend voor de lezer, maar niet de grootste moeilijkheid van Onze eeuw. Lastiger is dat Heldring en Spoor eigenlijk zonder inleiding hun gesprekken starten en ook zonder conclusie beëindigen. En dat hindert het lezen van Onze eeuw vaak nog meer dan de vele herhalingen. Omdat daardoor context en afronding bij elk thema ontbreken. Het is alsof je als lezer flarden van een gesprek opvangt waarvan je moeilijk deelgenoot wordt. Een gesprek dat weer uitdooft zonder dat je weet of het beëindigd is.

    Dit is vooral storend als ‘onze eeuw’ de jouwe niet is. Als je het thema dat Heldring en Spoor bespreken niet bewust hebt meegemaakt. Omdat je dan de kennis ontbeert om zelf het gesprek van context te voorzien. Dit verandert echter als je die context uit eigen herinneringen kunt inkleuren. Dan vervalt het bezwaar tegen ‘het gesprek’ en wordt Onze eeuw interessanter. Dan voel je je als lezer ook niet zo zoekend maar eerder deelgenoot, en worden de omzwervingen en zelfs de herhalingen in het gesprek geen barrière, maar juist een verrijking. Omdat de gespreksvorm dan je eigen meningsvorming stimuleert, meer nog dan een strak opgebouwde redenering. Dit wordt versterkt doordat ook Heldring en Spoor zelf nog duidelijk zoeken naar duiding en betekenis van de geschiedenis, hun eigen mening ter discussie durven stellen, en geen eindoordeel opdringen. Dat geven ze uiteindelijk zelf ook niet, maar ze zetten wel aan tot overdenking. En dat is natuurlijk juist wat een goed gesprek vermag.

     

    Onze eeuw
    J.L. Heldring en André Spoor in gesprek

    Auteur: J.L Heldring, André Spoor en John Alexander Janssen (notulist)
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam
    Aantal pagina’s: 135
    Prijs: € 12,50

  • Vruchtbare twijfel

    Vruchtbare twijfel

    Filosoof en schrijver Jannah Loontjens (1974) heeft al een veelzijdig oeuvre op haar naam staan: ze schreef gedichtenbundels, romans, een proefschrift in de literatuurwetenschap en nu ‘Een kleine filosofie van het schrijverschap’: Mijn leven is mooier dan literatuur. Een essay over lezen, schrijven en literatuur. In dit werk komen haar achtergronden mooi samen: op filosofische wijze, en met kennis van de literatuurwetenschap, schrijft Loontjens over literatuur en het schrijverschap.

    Het begin
    De inhoud is net zo divers als haar achtergrond. Loontjens begint met het ‘Begin van een begin’: over de twijfels die bij beginnen horen, de wens om een volmaakte eerste zin te schrijven en de angst of je wel iets orgineels te vertellen hebt. Het laatste hoofdstuk heeft de titel ‘Eindig’: hoe kunnen we een verhaal beëindigen en als af beschouwen? In de hoofdstukken daartussen gaat zij in op invloedrijke leeservaringen, de vraag wat goede literatuur is en wat iemand tot een schrijver maakt.
    Al schrijvend maakt zij slingerende bewegingen en bewandelt zijpaden. Soms schrijft zij over haar eigen persoonlijke ervaringen als schrijver. Vaak verwijst zij naar werk van anderen: van Nijhoff tot Nietzsche, van Connie Palmen tot Marcel Proust en van Frida Vogels tot Virginia Woolf. De modernisten Woolf, Proust, Kafka en Faulkner komen vaak terug. Maar Loontjens verwijst net zo goed naar filmfragmenten, muzieknummers en televisietalkshows.

    De filosoof
    Wat dit boek van andere boeken over literatuur onderscheidt is het filosofische gehalte. Dat uit zich allereerst in de essayistische stijl. Loontjens twijfelt, stelt veel vragen en zoekt. Zij geeft geen pasklare antwoorden, maar zet je aan het denken. Een filosoof twijfelt en die twijfel is vruchtbaar voor literatuur: ‘Zonder twijfel geen eindeloos doorvragen en herbeschouwen. Twijfelen hoort bij denken en daarmee ook bij schrijven’.
    Interessante passages zijn die waarin Loontjens filosofie en literatuur bij elkaar brengt. Bijvoorbeeld als zij schrijft over de schrijversangst en die in verband brengt met het onderscheid dat Heidegger tussen angst en vrees maakt. Vrees hebben we altijd voor iets: voor een aggressieve hond of een gevaarlijke verkeersituatie. Zo’n aanwijsbaar object is er niet bij levensangst. Loontjens vergelijkt de schrijversangst met deze existentiële angst: ‘Het verlangen om ‘alles’ te omvatten gaat […] hand in hand met de angst om niets belangwekkends te kunnen verwoorden.’

    De literatuurwetenschapper
    Dat de modernistische schrijvers vaak genoemd worden in dit boek is geen toeval: Loontjens is gepromoveerd op de rol van modernistische literatuur als symbool van westerse ‘hoge literatuur’.
    Veel onderwerpen uit haar proefschrift komen terug in Mijn leven is mooier dan literatuur: zoals het beeld van de gekwelde schrijver in de film Adaptation, de boeken van Faulkner in de boekenclub van Oprah Winfrey en de verfilming van Michael Cunninghams roman The Hours.
    In het nawoord geeft zij aan dat dit boek bevat wat zij niet in haar proefschrift kwijt kon, maar dat ‘in feite de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijke onderzoek vormde’.

    De schrijver
    Die voedingsbodem is haar eigen schrijverschap. In de introductie van haar proefschrift benadrukt zij dat haar persoonlijke ervaringen met het schrijverschap een bron zijn voor haar fascinatie, maar dat die niet in dit wetenschappelijke werk aan de orde komen: ‘An academic writer, as opposed to a literary writer, is not supposed to draw on intimate observations in her attempt to define aspects of contemporary society’. Haar eigen worstelingen met writer blocks, de angst om te falen en recensenten blijven daar buiten beschouwing. In Mijn leven is mooier dan literatuur kan zij die ervaringen wel een plek geven. Het zijn de mooiste passages in haar essays.
    In de persoonlijke fragmenten zie je ook de pen van een romanschrijver terug, bijvoorbeeld als zij terugdenkt aan een van haar eerste leeservaringen: de boeken Kikker en Pad van Arnold Lobel. Zij beschrijft niet alleen de magische ervaring van het lezen, maar ook – met gevoel voor detail – de ruimte waarin zij het las, de kamer in een kraakpand.

    Literatuur?
    Loontjens wijst erop dat wat we als echte literatuur beschouwen ‘niet alleen door een boek of onze ideeën over literatuur [wordt] bepaald, maar ook door de ontvangst, het lezerspubliek en het imago’. Zij illustreert dat met haar eigen twijfel bij een voorpublicatie van het eerste hoofdstuk van haar roman in de Libelle.
    Als zij gaat onderzoeken wat een tekst literair maakt, noemt zij veel verschillende factoren, zoals ‘aandacht en gevoel voor vorm’, ‘fijnzinnigheid in denken, waarnemen en verbeelden’ en ‘ambiguïteit en het suggestieve’. Het is opvallend dat juist in dit hoofdstuk weinig literaire citaten voorkomen waarin die kwaliteiten worden getoond. Wel haalt zij allerlei interessante uitspraken over literatuur van anderen aan, zoals deze van Arjen Fortuin: ‘Het gaat juist om de verrassing op vertrouwd terrein: de auteur maakt mij iets helder wat ik al vermoedde, maar nog niet zo geformuleerd zag’.
    Loontjens heeft ervoor gekozen zich te richten op fragmenten ‘waarin schrijvers hun eigen schrijverschap onder de loep nemen’. Zij maakt je nieuwsgierig naar meer essayboeken over literatuur. Hoe zou bijvoorbeeld een boek als Reading like a writer van Francine Prose in haar handen eruit komen te zien?

    Deel 2
    En zou Loontjes ooit nog een deel 2 schrijven van deze ‘kleine filosofie van het schrijverschap’? Nu gaat zij vooral in de hoofdstukken over het beginnen en eindigen van een roman in op haar eigen schrijfproces. Maar er zijn nog zoveel gebieden waar zij ons met haar onderzoekende blik een kijkje in de keuken van de schrijver kan geven: personages, dialogen, plot en details.
    Mijn leven is mooier dan literatuur maakt je benieuwd naar meer werk van de filosoof en essayschrijver Loontjes over haar ambacht in de hoedanigheid van romanschrijver en dichter.

     

    Mijn leven is mooier dan literatuur
    Een kleine filosofie van het schrijverschap

    Auteur: Jannah Loontjens
    Verschenen bij: Ambo
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 19,95

    (Jannah Loontjens, Popular modernism: representations of modernist literature in popular culture, 2012 (proefschrift)

    Francine Prose, Reading like a writer. A guide for people who love books and for those who want to write them. Union Books, 2012)

  • Aanpassen en overleven

    Aanpassen en overleven

    ’s Lands wijs, ’s lands eer. Misschien ook wel ’s lands smaak. Het is de vraag of deze roman in ons land wel net zo veel lof zal oogsten als in Duitsland. Nederlandse lezers hebben nu eenmaal een ander referentiekader dan de Duitse lezers, van wie een deel wellicht ook nog met heimwee terugdenkt aan de goede, oude tijd van voor de Wende. Verder zal de gemiddelde Nederlandse lezer nauwelijks een beeld hebben van het Duitsland achter de Muur, en van het weinige dat Schalansky daarover loslaat, wordt hij ook niet veel wijzer. Opmerkingen als ‘dat na de Wende het voormalige Oost-Duitsland ontvolkt raakte’ en ‘dat frontaal lesgeven uit de tijd is’ maken niet dat wij met dezelfde ogen dit boek lezen als de Duitse lezer.
    Aanvankelijk boeit het boek zeer, maar naarmate je verder leest, bekruipt steeds meer het gevoel dat het zo wel genoeg is.

    Mevrouw Inge Lohmark is al meer dan dertig jaar werkzaam als lerares biologie. Van heel nabij volgt de lezer haar passie voor wat de natuur de mens leert. Lerares Lohmark en haar visie op alles wat leeft, daar draait het wel zo’n beetje om. Daarbuiten gebeurt er niet veel in dit boek. Lohmarks manier van lesgeven is niet eens zo bijzonder: ze is niet te streng, ze is niet te soepel, ze houdt de leerlingen kort. Waar ze beveelt of opdrachten geeft, zijn een paar woorden voldoende; waar biologie gegeven wordt, zit zij op haar praatstoel. Een feest van herkenning voor iedereen die in het onderwijs werkzaam is? Nee, dat niet. Daarvoor heeft Schalansky van de lerares te zeer een karikatuur gemaakt: een gestoord en verstard wezen zonder menselijk gevoel.

    Al lang geleden heeft Lohmark haar gevoelens verdrongen en verbannen – de reden wordt niet duidelijk – tot in de verste uithoeken van haar ziel. Wanneer tijdens het afdwalen van haar gedachten een verdrongen gevoel naar boven dreigt te komen, blijft dat bij een soort ‘voorbij zweven’, het wordt niet ‘verder-gevoeld’, niet afgemaakt. Tot haar eigen verbazing bemerkt de lerares dat zij een leerlinge in gedachten ‘aardig’ noemt. Geeft haar zelfs spontaan een lift. En dat was het. Af en toe lijkt het alsof Inge Lohmark verdrietig is omdat zij haar enig kind, een dochter, die naar Amerika is geëmigreerd, nooit meer ziet, maar later blijkt dat zij niet alleen als moeder maar ook als docent haar dochter zó genadeloos in de kou heeft laten staan dat je als lezer geen keus gelaten wordt door Schalansky: het is onmogelijk medelijden te krijgen met deze onmens. De schrijfster heeft het verstardzijn van Lohmark tot in het extreme doorgevoerd – de lerares constateert dat een leerling gepest wordt, maar doet daar niets aan. In de natuur gaat het om aanpassen en overleven.

    De mooiste passages zijn die waarin Lohmark leerlingen en collega’s analyseert als ware het preparaten onder een microscoop. De betreffende leerling of collega wordt steevast neergesabeld door haar ironische commentaar: (over leraren die bij hun leerlingen in het gevlij proberen te komen, p. 13) ‘Met één bil op de leraarstafel. Nageaapte mode en uitdrukkingen. (…….) En helemaal voorop natuurlijk Karola Schwanneke met haar lievelingetjes: smiespelende grietjes, die ze in de pauze in een gesprek betrok, en knapen met de baard in de keel, voor wie ze met grote ogen en gestifte lippen de allergoedkoopste signaalprikkelshow opvoerde. Zeker al lang niet meer in de spiegel gekeken.’ Dergelijke observaties maken het boek een feest om te lezen. Maar zoals het met alle feesten gaat: je moet weten wanneer het tijd wordt om te vertrekken. En daar zit het probleem: de gedachten, de observaties, de negatieve kijk op alles en iedereen: er komt geen einde aan. Het is een aaneenschakeling van hak-op-de-takkerige gedachten van Lohmark, waarin mensen tot op het bot ontleed worden en dat meestal in zeer compacte taal. Als lezer moet je alert blijven; je mag je aandacht niet laten verslappen. Ondanks de heerlijke ironie uiterst vermoeiend! Voeg daarbij de traktaten van ‘biologische’ aard, die lezers die dit vak snel hebben laten vallen, weinig zullen aanspreken.

    Opvallend aan dit boek is de vormgeving die de indruk moet wekken van een ouderwets biologieboek, met bovenaan de pagina een soort ‘paragraafaanduiding’ en op talrijke plaatsen voorzien van zwart-wit illustraties (waarvan de lezer zich het nut kan afvragen, evenals de aardigheid).

    Dit boek heeft veel mooie passages, die dankzij de typerende karakterschetsen, de humor en de ironie, geschreven in een taal die zowel bondig is als sierlijk en rijk aan beelden, een genot zijn om te lezen. Jammer dat je, net als de leerling, de lessen van mevrouw Lohmark tot aan het einde van het cursusjaar moet uitzitten! Vertaalster Goverdien Hauth-Grubben verdient een tien met een griffel: zij heeft haar huiswerk goed gedaan!


    De lessen van mevrouw Lohmark

    Auteur: Judith Schalansky
    Vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 16,95

  • Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Recensie door Obe Alkema

    Van succesvolle bands en muzikanten verschijnen naarmate hun oeuvre groeit verzamelalbums of Greatest Hits-albums. Van dichters met een snel en goed uitdijend oeuvre verschijnen er bloemlezingen. De gedichtenbundel Lust for life van John Schoorl is zo’n bloemlezing met oudere gedichten, maar eveneens met nieuw werk.
    De liefde die Schoorl heeft voor muziek valt al op bij de titelpagina, want de bundel draagt de ondertitel Muziekgedichten. Schoorl schrijft gedichten die gebaseerd zijn op liedjes of die invloed gehad hebben op (het schrijven van) de gedichten. Dat is bijna bij elk gedicht zo en onderaan de bladzijde wordt informatief vermeld welk liedje van invloed is geweest en wie het gezongen heeft.

    De aard van die muziek is heel divers. Onder andere Solomon Burke, Oasis, Simon & Garfunkel, The Roots en Iggy Pop komen voorbij. Deze variatie aan muziekstijlen zorgt er niet voor dat Schoorl epigoongedichten maakt. Het is juist eerder het tegenovergestelde: hij vertaalt de liedjes als het ware naar zichzelf of naar het heden en betrekt ze op een bepaalde gebeurtenis.
    Het gedicht Monsieur vertelt over moordpartijen zonder een karakterisering van de dader en slachtoffers of ander bewijs. De voetnoot bij het gedicht vertelt dat een gelijknamig liedje van de Franse zanger Thomas Fersen invloed heeft gehad op dit gedicht. Zijn liedje gaat over ‘een butler die zijn adellijke heer bijstaat in een reeks seriemoorden.’ Na beluistering op Youtube bleek het een typische chanson met accordeon en een gebruikelijke opbouw. Schoorl klinkt niet zo warm als de Franse muziek. Hij is juist helder van toon en laat er geen gras over groeien:

    ‘Je hoorde hem schreeuwen,
    Om een doffe brioche, verrotte courgette,
    Of een vergeten vaderfiets.

    Je zag hem drijven in de ochtend,
    In zijn zwembad, met een kogelgat
    In zijn borst.’

     

    Zijn muziekadaptaties zijn erg goed. Gedicht Old Friends, een nummer van Simon & Garfunkel over ‘twee vrienden die nadenken over ouder worden’, laat dat zien:

    ‘De eerste keer dat ik
    Je zag,

    Droeg je je trui
    In je broek.

    Toen ik je vorige
    Week zag.

    Had je je blouse
    Over je broek.

    Er is veel gebeurd,
    In al die jaren.’

     

    Het lijkt op het eerste gezicht heel flauw, maar de ironische toon van Schoorl komt hier goed door: een verandering van kleedwijze, is dat het belangrijkste wat gebeurd is in de afgelopen jaren? Nee, maar door de jaren heen vergeet je de momenten en je blouse over je broek is nu eenmaal een ingrijpende verandering.

    Schoorl is nergens overdreven. In Monsieur is de heldere toon goed zichtbaar; in Old Friends de licht ironische toon. Vaak gaan de gedichten over vergane tijden, vervlogen levens en dat levert tragikomische situaties op.

    Gedicht A Capella verhaalt over het tragische leven van een man die de ingrediënten van de spaghetti di mare bijeenschept voor de ik-persoon. Het is iemand die in de vergetelheid geraakt is:

    ‘Dat hij in 1964 per ongeluk een etappe won
    Van een spookdorp naar een niet meer bestaande plaats
    In een nietszeggende Giro,
    Is onbekend.’

     

    De spaghettischepper zingt een liedje over fietsonderdelen, maar niemand luistert. Niemand slaat acht op deze arme man. Hij wordt vergeten. En straks is hij vergeten. Schoorl weet gemengde gevoelens te bezorgen, omdat het aan de ene kant tragisch is wat er gebeurd is met die ik-persoon, maar aan de andere kant ook weer hilarisch, komisch. Dat doet hij met verve. Niemand kan deze ik-persoon meer vergeten na dit gedicht.

    De gedichten lijken eerst oppervlakkig, maar na herlezing krijgen ze steeds meer charme. De uitstapjes naar de muziek helpen daarbij. Muziek blijft langer hangen dan poëzie, dus deze combinatie is goed. Het zorgt ervoor dat de gedichten van Schoorl zelf greatest hits worden. Zelfs de nieuwe gedichten in de bundel verworden op slag tot zijn golden oldies.

    Lust for Life

    Auteur: John Schoorl
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 46
    Prijs: € 7,50

  • Het geheim van een auteur

    Het geheim van een auteur

    Er schuilt een wrange paradox in het interpreteren van teksten: hoe meer je het doet, hoe lastiger het lijkt te worden. Kinderen hebben het absoluut het gemakkelijkst. Als er staat geschreven: ‘Jan is boos’, dan ís Jan boos. Een mooie, eerlijke situatie – die echter beperkt is in zijn mogelijkheden. In de bovenbouw van de basisschool en op de middelbare school leren we daarom dat we een eigen interpretatie moeten geven aan een zin als: ‘Jan hoorde die belediging en er verschenen rimpels op zijn voorhoofd’: wat betekent het als er rimpels verschijnen? Gebeurt dat uit woede? Maakt Jan zich zorgen? Of is het verbazing? Goede romans, zo leren we, leggen zoiets niet uit, maar laten de lezer zelf die denkstap maken.

    Maar het allerergst is het in de grotemensenwereld. Het interpreteren is hier zelfs zo moeilijk, dat er een heuse studierichting voor bestaat: de hermeneutiek. Literatuurwetenschappers denken soms heel verschillend over het interpreteren van teksten; niet alleen ten opzichte van vroeger, maar zeker ook ten opzichte van elkaar. Tal van vragen doen de ronde, maar ze hangen allemaal samen. Willen we weten wat de achterliggende gedachte van een tekst is? Zo nee, waar letten we dan op? En zo ja, hoe komen we dat dan te weten?

    Vernieuwend aan Daniël Rovers’ essaybundel De figuur in het tapijt is dat hij een nieuwe manier van interpreteren voorstelt: niet door als een pietje-precies de zinnen te ontleden of door een groot contextgericht onderzoek op te starten, maar door een werk te beschouwen binnen het oeuvre van de auteur. Wat is een constante, een rode lijn, een ‘figuur in het tapijt’? Oeuvreonderzoek dus. Hij bespreekt op deze manier zes auteurs: Frans Kellendonk, Willem Jan Otten, Tonnus Oosterhoff, Marie Kessels, Marjolein (thans Maxim) Februari en Marc Kregting.

    Rovers zelf vat de moeilijkheid van de literatuurbeschouwing als volgt samen: ‘hoe te schrijven over de eigenheid van literatuur zonder meteen dat eigene in een uitspraak erover op te geven?’ (p.17). Hij wil zich in zijn essays juist wel richten op dat eigene. De titel van deze bundel is ontleend aan een verhaal van Henry James, The Figure in the Carpet, dat handelt over de zoektocht naar het ‘geheim’ van een auteur. Rovers maakt het minder sensationeel en stelt dat er steeds sprake is van een auteursfiguur en een figuurauteur. De auteursfiguur komt alleen naar voren in het oeuvre van de auteur, en is dus de auteur zoals we die enkel vanuit zijn teksten leren kennen. De figuurauteur daarentegen is het beeld dat we van een auteur hebben – door (auto)biografieën, interviews, recensies enzovoort. Dit laatste heeft, zo zegt hij zelf, consequenties voor zijn eigen essays, want ‘een beschouwer die pretendeert het laatste woord over een oeuvre uit te spreken door de auteursfiguur te benoemen, draagt daarmee in de eerste instantie bij aan de vorming van een nieuwe figuurauteur’ (p.37).

    Op deze verhandeling (en een vlot geschreven geschiedenis van de literatuurbeschouwing) volgen de eigenlijke essays. Opvallend is dat Rovers in deze essays maar weinig spreekt van het onderscheid tussen auteursfiguur en figuurauteur, hetgeen onwillekeurig de indruk wekt dat zijn oeuvreonderzoek minder systematisch was dan hij in de inleiding doet geloven. Maar tijdens het lezen vormt dit geen gemis. Vanuit tal van invalshoeken introduceert of belicht Rovers de afzonderlijke auteurs en hun werken, van stijl en poëtica tot media, pornografie en politiek. Sterk naar voren komt zijn immense kennis van de oeuvres; het kan haast niet anders dan dat hij (welhaast) alles gelezen heeft. Tezelfdertijd heeft hij zijn boek zó geschreven dat de gemiddelde leek zich er prima mee kan redden. Nimmer is het nodig om de besproken teksten vooraf te hebben gelezen; citaten en korte samenvattingen bieden voldoende houvast.

    Het essay, letterlijk een ‘probeersel’, is in meerdere opzichten een veilig genre. Een auteur hoeft er niet louter objectief te zijn, maar geeft ook zijn eigen opvattingen. Niet alles vereist wetenschappelijke verantwoording, de stilistische kant is minstens zo belangrijk als de informatieve. Maar het is bovenal een literair genre, en de schrijver Daniël Rovers, die ook de romans Elf (2010) en Walter (2011) publiceerde, kan er als geen ander mee uit de voeten. Zijn stof is uitermate diepgaand, maar hij brengt het boeiend en begrijpelijk.

    Bovendien zet hij met zijn oeuvreonderzoek een belangrijke stap binnen de letterkunde, zowel toegepast (dus met betrekking tot de specifieke auteurs) als theoretisch, met zijn focus op het oeuvre en op het onderscheid tussen de auteursfiguur en de figuurauteur. Al met al vormt De figuur in het tapijt daarom een voorname bijdrage aan, en een uitstekende inleiding in de literatuurbeschouwing.

     

    De figuur in het tapijt
    Op zoek naar zes auteurs

    Auteur: Daniël Rovers
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 318
    Prijs: € 29,90

  • Wijdlopige beschouwing over een mislukte liefdesrelatie

    Wijdlopige beschouwing over een mislukte liefdesrelatie

    Recensie door Rein Swart

    Een verloren liefde is een veelbesproken onderwerp in de literatuur. Dat zal nog wel zo blijven, want een roman biedt een ideale vorm om pijnlijke gevoelens te verwerken.

    In Het eind van het lied, een titel die het verlies al in zich draagt, blikt Peter terug op de moeilijke verhouding die hij had met Asja. Hij leerde haar – brunet en pezig, noemt hij haar ergens – kennen via een vriend die een relatie had met haar jongere zus. Langzaamaan ontstond er een intieme band tussen Peter en Asja in het Sallandse buitenverblijf De Bosrank, dat de moeder van Asja na de dood van haar man kocht om in de weekenden met het gezin bijeen te zijn.

    De verlegen Peter durfde alleen stil naar Asja te kijken, maar zij nam, dominant en ongeduldig als ze was, het initiatief om hem mee te vragen naar de disco. Omdat het laat werd nodigde ze hem uit bij haar in bed. Terwijl Asja snel met haar rug naar hem toe in slaap viel, bleef Peter de hele nacht wakker met zijn fantasieën over haar. Na verloop van tijd gaf Asja toe aan zijn verlangen, met de botte toevoeging dat hij niet de juiste man voor haar was. Toch kwamen ze niet los van elkaar. Ze kregen zelfs een kind, Marie, dat in haar puberteit enkele jaren bij Peter woonde en daarna uit hun leven verdween.

    Voordat de verteller de dertig jaar durende verhouding minutieus fileert, beschrijft hij uitgebreid de natuur in een nazomerbos. Peter is inmiddels in een boshut getrokken, maar heeft nog wel de hond van Asja bij zich. Samen met de hond, die kenmerkend genoeg geen eigen naam heeft maar als ‘de hond van Asja’ door het leven gaat, zit hij op een plekje in het bos in de zon.
    ‘Er ging iets hallucinerends uit van die telkens optredende vertraging tussen zien en horen, alsof de tijd zelf, die nooit haperende motor, aan het sputteren was geslagen.’ Verontrusting is zijn gevoel. Daaromtrent zal hij de lezer tot vervelens toe inlichten.

    De wijdlopige zinnen zonder enige dialoog kennen weinig afwisseling. De verteller herhaalt zichzelf vaak, tot het hallucinerende aan toe. Als het om de feiten gaat is hij echter minder scheutig. Net als de naamloze hond van Asja noemt hij geen plaatsnamen waar zich de verhouding afspeelt. Daarentegen typeert hij de perioden in de relatie tussen Peter en Asja met de kleuren grijs, groen en blauw, de laatste kleur vanwege hun blauwe nachten op de stadszolder. Wollig zijn zinnen in de nabeschouwing als: ‘Wel was dit leven gepaard gegaan met hoge golven van emotie, maar hij was geneigd de belangrijkheid daarvan achteraf geringer te achten dan toen hij er nog de speelbal van was.’ Helaas is ook de beeldspraak niet gelukkig gekozen zoals die van de voorspoedige koop van de boshut en een groene golf aan stoplichten.

    Door de argumenterende en beschouwende stijl glijdt de inhoud langs de lezer heen. Een dik glas van mogelijke verklaringen maken het verhaal ondoorzichtig, zoals bijvoorbeeld in een citaat over de hoofddoek die Asja in de tuin van De Bosrank draagt:
    ‘… Asja had bovendien een hoofddoek op, niet elegant in tulbandvorm gedrapeerd als een diva of koket om haar hoofd gewikkeld als een fris oogstmeisje, überhaupt niet bevallig, maar boers onder haar kin vastgeknoopt, als een Poolse plattelandsvrouw.’
    Vaker worden allerlei andere mogelijkheden genoemd, voordat de schrijver de juiste noemt. ‘Er was nog iets geweest wat hem een schok had gegeven, en dat was niet zozeer …., en ook niet het ongehoorde…- wat hem een echte schok bezorgde…’ Bij deze uitweidingen zijn de spaarzame delen waarin meer actie plaatsvindt zoals tijdens de kennismaking van Asja en Peter een verademing.

    Aan het eind vernemen we in een droomachtig relaas Asja’s kant van het verhaal. Die is net zo weinig overtuigend als de vete eerder tussen de zussen over hun tuintjes in De Bosrank. Op het moment dat Asja Peter in zijn eentje aan tafel zag eten, wist ze dat het niet goed zat tussen hen, maar in plaats van te vertrekken nam ze een vlucht naar voren. Zelfs het kind maakte daar onderdeel van uit. Het motief om samen te blijven zou eruit bestaan dat Asja niet de kracht bezat haar eigen hoop uit te bannen. Dit soort onduidelijke beweegredenen slaan het fundament onder dit romandebuut weg. Hoewel de hallucinerende toon af en toe intrigeert, stelt de roman aan het eind (van het lied) teleur.

    Het eind van het lied

    Auteur: Hans Hom
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,95

  • Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Recensie door Adri Altink 

    De wonderlijkste geschiedenis in de debuutbundel van Kerim Göçmen is het titelverhaal. De verteller daarin noemt zichzelf ‘bij gebrek aan een betere benaming een kwelgeest’. Hij is dat geworden na een ‘fatale gebeurtenis’ die hem als baby trof. Voortdurend was er een ‘zachte hand’ die hem wiegde en deuntjes neuriede. Tot een ‘harde hand’ hem vanwege zijn gekrijs (als ‘het wiegen en het neuriën langer uitbleven dan gewoonlijk’ en zijn maag rammelde van de honger) aan zijn luier uit de wieg tilde en met een smak op de vloer slingerde.

    Als volwassen kwelgeest treft hij een busje, waarvan de chauffeur, ‘een donkere gedaante met een kromme neus’, de weg vraagt naar een scheepswerf. Hij is, zegt hij, ‘leverancier, leverancier in mensen’ en wijst op de tien andere mannen achterin, die eveneens kromme neuzen hebben. ‘De eerste dagen zal ik voor deze jongens moeten tolken’, zegt de chauffeur: ‘Ze spreken geen woord Nederlands.’

    De kwelgeest denkt terug aan de streek waar de vrouw vandaan kwam die hem als baby verzorgde. Er waren daar maar twee beroepen. Het jongetje dat met met de neus naar zee gericht in slaap viel werd visser; het kind dat met de neus naar de bergen insliep timmerman. Maar, als het busje is doorgereden naar de werf, beseft hij ineens dat zijn babyverzorgster een derde beroep uit haar streek vergat: de emigrant. De mannen met de kromme neuzen zijn wakker geworden uit een droom. Ze zagen zich zelf al als vissers, maar moeten nu aan het timmeren op de werf. De kwelgeest beseft dat ze even ontheemd zijn als hij zelf.

    Ontheemd. Ongelukkig, Miskend. Een onvermogen tot contact. Zich gevangen voelen. Vervreemding. Het zijn typeringen waarvan er altijd wel een paar passen bij de verhalen in deze debuutbundel.
    De schrijver, Kerim Göçmen, werd in 1957 geboren in Turkije. Zijn vader was er rechter. In 1977 vertrok Kerim naar Nederland om in Rotterdam politicologie te studeren. Sinds 1997 publiceert hij verhalen, geschreven in het Nederlands maar hoofdzakelijk spelend in zijn moederland. Er zijn er nu acht gebundeld in Het geheim van de kromme neuzen.

    Bijna alle vertellingen gaan over gewone mensen in Turkije die op een keerpunt in hun leven staan. Plaats van handeling is meestal het platteland of een kleine gemeenschap. Ze zijn haast sprookjesachtig en stemmen weemoedig. Zoals De ruiter, het enige verhaal dat zijdelings past in de politicologische interesse van de schrijver. Het gaat over de politieke veranderingen in Turkije kort na de Tweede Wereldoorlog als de bevolking voelt hoe het Sovjetblok en Amerika (via de Marschallhulp) beide proberen het land onder hun invloedssfeer te brengen. Maar De ruiter vertelt toch vooral het einde van de rurale gemeenschappen.

    Kerim Göçmen boetseert in simpele bewoordingen zijn hoofdpersonen zo krachtig dat je als het ware met ze mee loopt. Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal van Necati Karaveli, die zonder ook maar de geringste feeling voor zaken de dekenfabriek van zijn vader heeft overgenomen en ruziënd met zijn vrouw maar door blijft modderen tot hij ontdekt ‘dat hij zichzelf al jaren bedroog: hij leidde een leven dat hem vreemd was en hem vermoeide, maar hij hield zich voor dat hij zelf voor dit leven had gekozen’.

    De dorpsonderwijzer Halil Bora uit In gevangenschap verliest zich in dezelfde tragiek. Hij voelt zich onmisbaar in het dorp, maar wordt door de inspecteur onverhoeds ontslagen. Hij is bezig een boek over gevangen te schrijven dat maar niet af komt en dan bekruipt ‘hem de gedachte dat de mens een wezen is dat schimmen najaagt, denkbeelden die maken of je je vrij of in gevangenschap waant, en die van kinds af aan een onweerstaanbare aantrekkingskracht op je uitoefenen’.

    En welke existentiële verwarring legt de plotselinge verliefdheid van Mükerrem Tezcan niet bloot? Hij valt in De lerares Engels voor de docente van zijn dochter die zoveel knapper dan is dan zijn Behice, op wie hij is uitgekeken. Maar laat uit het voorgaande niet het beeld ontstaan van een verhalenbundel die zwanger gaat van somberheid en zwaarte. Göçmen schrijft met een lichte toets en (wrange) humor. Zijn verhalen zijn geserreerd en alleen daarom al een genot om te lezen.