Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • ‘Wie iets van België wil begrijpen, moet beginnen met het lezen van dit boek’.

    ‘Wie iets van België wil begrijpen, moet beginnen met het lezen van dit boek’.

    De Duitse militaire gouverneur-generaal in Brussel, Moritz Freiherr von Bissing, was, aldus de Amerikaanse gezant, de kwaadste niet, maar hij besefte in het geheel niet op welke perverse basis zijn gezag was gestoeld, en hij bezag de Belgen met de blik van ‘de directeur van een heropvoedingsgesticht’. Op 4 augustus 1914 verloopt het Duitse ultimatum en is de Groote Oorlog voor de Belgen een feit. Twee weken later marcheren de Duitse troepen de hoofdstad Brussel binnen.

    De gevechten bij Luik, het zwaarst gepantserde fort van Europa, betekende waarschijnlijk slechts een paar dagen vertraging, misschien zelfs niet veel meer dan een paar uur voor de Duitse opmars. Zo overweldigend groot was de Duitse overmacht. De Schaepdrijver ontmythologiseert zo de militaire betekenis van de gevechten rond Luik, door de Vlaamse schrijver Karel Van De Woestijne aangeduid als de ‘Belgische Thermopielen’, zonder overigens de morele betekenis van deze mythe te bagatelliseren. De opgeblazen verhalen rond deze gevechten hebben zeker bijgedragen aan de beeldvorming in het buitenland van de heroïsche strijd van het dappere, kleine België tegen de barbaarse Hunnen uit het oosten en aan het ontstaan van een nieuwe mythe bij de Duitsers, nl. die van de vele Belgische franc-tireurs, die vanaf kerktorens en vanachter ramen stiekem de Duitse soldaten onder vuur namen. Het Belgische verzet had afbreuk gedaan aan het ‘sacrosancte elan van de veldtocht, dat toch gebaseerd was op zo’n groots en machtig plan (het beruchte Von Schlieffenplan) , voortvloeiend uit Duitslands missie in de wereld. Dit volk was te dom, te wantrouwig, te bot en te crimineel om van dit soort zaken ook maar iets te begrijpen. Het was ‘waarlijk als een overval op een priester die het Heilig Sacrament draagt’, aldus majoor Von Strantz. Dit kon niet onbestraft blijven……. Visé werd met de grond gelijk gemaakt..………!’ Keizer Wilhelm drukte zijn spijt uit tegenover president Wilson over wat er in België was gebeurd – had móéten gebeuren: ‘Mijn hart bloedt wanneer ik zie hoe mijn generaals de bloeddorstige bevolking hebben moeten straffen’.

    Het is verheugend dat uitgeverij Houtekiet de in 1997 verschenen en in 1999 bekroonde studie van Sophie De Schaepdrijver opnieuw op de markt heeft gebracht. Het geeft inzicht in de complexe geschiedenis van de verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in België, waar wij in Nederland eigenlijk maar weinig zicht op hebben. Een oorlog werkt in deze altijd als een soort katalysator. Je kunt gerust zeggen dat wie België wil begrijpen, beslist De Schaepdrijver moet lezen.

    De bezettingspolitiek van de Duitsers loopt als een soort rode draad door het boek. Om de socialisten in de Rijksdag te paaien, die alleen maar wilden instemmen met een defensieve oorlog, verklaarde de Rijkskanselier geen plannen te hebben België te annexeren. Het lag wel in de bedoeling de Belgen, zeker de Vlamingen, voor zich te winnen opdat zij in de toekomst een Duitse bevoogding zouden aanvaarden. De verlicht-despotische langetermijndoelen van het burgerlijk Duitse gezag onder leiding van Von Bissing botste voortdurend met de brutere kortetermijndoelen van de militairen. In het najaar van 1916 werd dit pleit gewonnen door de militairen (Hindenburg): ‘Elke druppel die niet uit de Belgische citroen wordt geperst, moet komen uit de Duitse citroen,’ dus………

    Een belangrijk onderdeel van de bezettingspolitiek is de ‘Flamenpolitik’. Deze was gebaseerd op de gedachte dat Vlamingen eigenlijk Germanen zijn en voortdurend blootstonden aan het gevaar van ‘Verwaalsing’. Duitsland had een missie en schoot zijn broedervolk te hulp. Deze politiek spitste zich toe op de kwestie van de Gentse Universiteit. Von Bissing hoopte garen te spinnen door aan te sluiten bij een vanouds pijnlijk strijdpunt binnen Vlaamse kringen, nl. het Franse karakter van deze universiteit. Von Bissing hoopte de Vlamingen te paaien door hen een echt Vlaamse universiteit te geven, in de volksmond al gauw de Von Bissinguniversiteit genoemd. Dit zegt al genoeg over het succes van dit streven. Dit alles poogde in te spelen op de gevoelens van de zogenaamde ‘activisten’, lieden die vonden dat de taalkwestie, ondanks de Duitse bezetting, geen uitstel gedoogde en volop aandacht moest krijgen in de politiek, dit in tegenstelling tot de ‘passivisten’. Altijd speelt daarbij natuurlijk de vraag waar collaboratie begint en eindigt. Dit is mede afhankelijk van de positie waarin je je bevindt. Ben je een Vlaamse intellectueel in bezet gebied, ben je vluchteling in Nederland, ben je een eenvoudige soldaat in de geïnundeerde Westhoek bij Ieper of ben je gewoon een moeder van 3 kinderen in een uitzichtloze oorlog? De activisten trokken zo een grens tussen België en Vlaanderen, ‘twee vaderlanden, voor ons tot dan toe identiek’, zoals de in 1917 twintigjarige schrijver Gerard Walschap later zou getuigen. Tot echte collaboratie kwamen uiteindelijk een vijftigtal activisten die overgingen tot de vorming van de Raad van Vlaanderen en geheel op eigen gezag de onafhankelijkheid proclameerden van de staat Vlaanderen tot woede van de meeste Vlamingen. ‘Vervloekt werden diegenen die uit naam van het ‘Vlaamse volk’ samenwerkten met een militair regime dat datzelfde volk de matrassen onder het lijf vandaan stal en zijn zonen als dwangarbeider naar Duitsland zond.’

    Sophie de Schaepdrijver sluit zich aan bij de lof die koning Albert en zijn vrouw over het algemeen door de meeste Belgen al tijdens de oorlog kregen toegezwaaid, Albert, die het leven deelde van de soldaten, die zich niet liet inpakken door de eisen van geallieerde legercommandanten als de Fransman Joffre, Albert, die alleen maar oog had voor het wel en wee van zijn eigen mensen en die zich ook niet voor het karretje liet spannen van de activisten en Albert, die tenslotte samen met de liberaal Janson, het hoofd van de Commissie voor de voedselvoorziening tijdens de oorlog, Saura, en de socialist Anseele na afloop van de oorlog een eind maakte aan het ‘ancien régime’ en België de nieuwe tijd binnenloodste.

     

  • Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    De macht van begeerte (2013) van de Duitse schrijver Uwe Timm (1940) is het verhaal van Christian Eschenbach die terugblikt op zijn leven en relaties. Hij werkt op het Duitse waddeneiland Scharhörn als vogelwachter in een beschermd natuurgebied. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het observeren en tellen van broed- en trekvogels en bijhouden van wat er zoal dagelijks aanspoelt op het strand. Ondertussen werkt hij voor een enquêtebureau aan een onderzoek over begeren. Het werk bestaat uit het rangschikken en becommentariëren van interviews die hij vijf jaar geleden heeft afgenomen voor een reisboekenuitgeverij. Hij vat ze samen in een notitie met als titel ‘Over de merkwaardige, langdurige, hardnekkige hartstocht van een vrouw’. En hij is bezig met een essay over Jona(s) en de walvis. In de resterende tijd verdiept hij zich in Falling Man, een roman van Don DeLillo uit 2007 over de aanslag op de Twin Towers en in Het leven der dieren van Alfred Brehm.

    Dan krijgt hij een telefoontje van Anna die hem op zijn eiland wil komen bezoeken. ‘Het was zes jaar geleden dat hij haar stem voor het laatst had gehoord:  Alsjeblieft, bel me niet meer. Ik wil en kan niet meer. Begrijp je. Voorgoed. Dat was haar boodschap op zijn voicemail geweest’

    Een man alleen op een eiland in een observatiehut. Eschenbach praat met zijn geesten uit het verleden, zowel vrienden als vijanden. Zo leren we zijn achtergrond en de mensen uit zijn leven kennen. Zijn echtgenote Bea en dochter Sabrina, zijn latere vriendin Selma, Anna, haar man Ewald en hun twee kinderen. Langzaam ontstaat een beeld van de gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar. Hoe Eschenbach na zijn studie theologie een succesvolle ondernemer in de ICT wordt en uiteindelijk alles verliest. Hoe de twee vriendenparen elkaar ontmoeten en beter leren kennen. Eschenbach en zijn vriendin Selma, een sieradenontwerpster, die Hopi-armbanden (na)maakt. En het andere paar, Anna, de kunst- en talendocente met haar Ewald, de architect met zijn grote bouwprojecten in China. Eschenbach en Anna voelen zich tot elkaar aangetrokken, wat resulteert in een ‘tastend, verbazend samenzijn, vervuld van twijfels.’ Na drie maanden kan Anna niet meer tegen de leugens en ze wil een punt zetten achter de stiekeme relatie. Maar elke poging om uit elkaar te gaan was weer een nieuw begin. ‘We mogen elkaar niet meer zien’, zei ze. Anna wil kiezen voor haar huwelijk, voor duurzaamheid van gevoelens.

    Begeren en begeerte komen volop aan bod in deze roman. Gedachten en dialogen zijn verweven met de interviews die Christian aan het uitwerken is en met de paringsrituelen in de vogelwereld, uit Het leven der dieren. Volgens Eschenbach is  ‘de herinnering  /../ een schatkist. Soms doe ik hem open en rommel ik er wat in’. .  Liefde houdt in dat je afstand doet van dingen – begeerte niet. ‘Dat is de macht van begeren, het kan geen afstand doen’.

    Het boek werkt toe naar het al op de eerste bladzijde aangekondigde bezoek van Anna. De vaart van het boek wordt af en toe afgeremd door zijpaadjes, oppervlakkige beschouwingen over de besluitvorming bij aanbestedingen van bouwprojecten in China, stereotypen over datingsites op internet, het bankwezen, en dochter Sabrina die met miljoenen schuift. De verwijzingen naar literair werk van o.a. Gide en Shakespeare voegen niet echt iets toe. De passages over Jonas en de walvis sluiten aan op de theologiestudie van Eschenbach. Mooi is de beschrijving van een scène uit de film  La Peau douce van Truffaut. Zijn vriendin Selma waardeert het dat de seks in die film niet expliciet is, alleen maar gesuggereerd wordt door een shot voor de gesloten deur van een hotelkamer: een poes zet ’s morgens zijn poten op het dienblad en likt van de melk en honing.

    De beschrijvingen van het waddeneiland, de zandduinen, de zee en de vogels zijn niet echt verrassend:  krijsende meeuwen, wuivend helmgras, afgewisseld door een rake beschrijving van een oude bol waar vissers hun netten aan vastmaken: ‘het donkere blauw van de glazen bol was voor de helft grijswit uitgeslagen, op de blauwe helft ware dunne groen-bruine streepjes alg aangekoekt.’

    In het laatste hoofdstuk krijgen alle puzzelstukjes op ingenieuze wijze hun plaats. Duidelijk wordt waarom Anna na zes jaar haar vroegere minnaar opzoekt. De lezer leert Anna het beste kennen, de vogelwachter blijft op afstand, hij wordt ook niet met zijn voornaam aangeduid, maar met Eschenbach. Hij blijft de informatie analyticus, ook op het gebied van liefde en lust.

    De oorspronkelijke titel van het boek is Vogelweide. Anna zegt bij het laatste samenzijn tegen Eschenbach: ‘Volgens mij voel je je hier heel erg thuis – op je vogelweide’.  Voor de Duitse lezer zal Vogelweide en de naam Eschenbach waarschijnlijk de associatie oproepen met de middeleeuwse minnezanger Walther von der Vogelweide. In het boek wordt hiermee gespeeld als een bijfiguur aan Eschenbach vraagt of hij verwant is met de Eschenbach uit de middeleeuwen. ‘Nee, Helaas niet.’
    De Nederlandse titel is misschien minder aansprekend, maar lezers moeten zich daardoor vooral niet laten afschrikken. Gerrit Bussink maakte voor Uitgeverij Podium een vlotte vertaling.

     

  • Eeuwenlang rondgesparteld op de bodem van de geschiedenis

    Eeuwenlang rondgesparteld op de bodem van de geschiedenis

    In de eerste maanden van 2014 pikt Poetin ineens de Krim in. Met een arrogantie alsof daarmee iets wordt rechtgezet.
    Het is verleidelijk om Grensland, dat nog net vóór het referendum dat de Krimannexatie bevestigde, verscheen, te gaan lezen als een verslag van een lange aanloop naar de onontkoombaarheid van de recente gebeurtenissen. Dan blijft je oog natuurlijk vooral hangen aan passages die een voorafspiegeling lijken van 2014. Zoals de strijd die kozakken en boeren onder leiding van hetman (militaire bevelhebber onder de vorst) Chmelnytsky voerden, om samen met de Tataren onder de Poolse overheersing van hun gebied uit te komen. Op zoek naar bondgenoten komen zij bij de Russische tsaar Alexej terecht en leggen een eed van trouw aan hem af. ‘In de ogen van de kozakken was het een overeenkomst tussen gelijken, maar de Moskovieten beschouwden de ceremonie als een onderwerping aan het gezag van de tsaar.’ Zie je wel – ben je dan geneigd te denken: toen had je hetzelfde gedonder al.

    Maar het zit toch iets complexer, weet je na lezing van Grensland.

    ‘Grensland’ is de letterlijke vertaling van de naam Oekraïne. En een grensland was het al in de Klassieke Oudheid. Homerus beschreef het als ‘de in wolken en nevelen gehulde rand van de wereld’, waar de ingang naar de onderwereld lag. En in het eerste millennium na Christus was het gebied ook vanuit noordelijk standpunt een onduidelijk leegte.

    Dat vage gebied heeft dankzij emeritus-hoogleraar Marc Jansen, die momenteel ook het befaamde Een geschiedenis van Rusland van J.W. Bezemer actualiseert, zijn eerste geschiedschrijving in het Nederlands gekregen. Jansen stelt in Grensland al direct het probleem dat Oekraïne, voordat het in 1991onafhankelijk werd, eigenlijk geschichtslos was. Of in de mooie verbeelding van de schrijver Boenin, die Jansen als motto gebruikt: ‘Er is op de wereld geen mooier land dan Klein-Rusland [tot ongeveer 1900 de naam van het gebied dat zo goed als samenviel met Oekraïne; AA]. En het voornaamste is dat het geen geschiedenis meer heeft, aan het historische leven van Klein-Rusland is lang geleden en voorgoed een einde gekomen. Er is alleen het verleden, liedjes, legenden – een soort tijdloosheid’.
    Om een land te kunnen zijn ontbeerde Oekraïne eeuwenlang een nationale identiteit. Er werden bijvoorbeeld halverwege de 19de eeuw pogingen gedaan om die gestalte te geven door een eigen literatuur (de toenmalige dichter Sjevtsjenko wordt als ‘vader’ van de natie beschouwd) en een nationale taal en onderwijs. Maar zo gauw daardoor teveel autonomie dreigde te ontstaan greep de overheerser, in dat geval Rusland, in om die de kop in te drukken. Het is vooral Rusland geweest dat, zo laat Jansen zien, veel gedaan heeft aan de kolonisatie van het gebied door bewoners uit omliggende landen aan te trekken. Daardoor was de populatie lange tijd te heterogeen om één natie te kunnen vormen.
    Maar ook geografisch was Oekraïne zelden een eenheid. Dan weer maakte het deel uit van het Ottomaanse Rijk, dan weer van het Habsburgse, dan weer van Polen en dan weer van Rusland. En steeds lagen de grenzen anders, met als schrijnend voorbeeld het begin van de twintigste eeuw toen de Oekraïeners deels onder Russisch en deels onder Oostenrijks gezag vielen. Het gevolg was dat in de Eerste Wereldoorlog 3,5 miljoen soldaten uit Oekraïne gedwongen waren ten strijde te trekken tegen 250.000 volksgenoten, de ene groep als onderdanen van Rusland, de andere namens Oostenrijk.

    Zo mogelijk nog absurder was de situatie in de Tweede Wereldoorlog. Toen meldden zich 80.000 Oekraïeners aan om met de Duitsers tegen de bolsjewieken te vechten (velen verwelkomden de Duitsers aanvankelijk als bevrijders van het Russische juk), maar er waren er ook een paar miljoen opgenomen in het Rode Leger. Daarnaast gingen ook nog eens 30 à 40.000 partizanen zowel de nazi’s als de Russen te lijf.

    De beide oorlogen en het interbellum laten een aanhoudende stroom zien van nationalistische bewegingen en krachtige vernietigingen daarvan, pogroms, verschuivingen van landsgrenzen, terreur en een niet aflatend moorden. Berucht daaronder is de Holodomor, de bewust door Stalin gecreëerde hongersnood waardoor in ‘de graanschuur van Europa’, die de Oekraïne was, miljoenen stierven van gebrek aan voedsel en gedreven werden tot beestachtige daden. Oekraïne werd daarmee volgens Timothy Snyder in zijn verpletterende boek Bloedlanden het bloedigste land van Midden-Europa. Er vielen 3,5 miljoen slachtoffers (niet alleen Joden) door de massamoorden van de nazi’s, 3 miljoen sneuvelden op het slagveld en nog eens 3,5 miljoen als gevolg van de terreur, de deportaties en de uithongering door Stalin.

    Oekraïne komt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn als een Sovjetrepubliek, die door ‘de uitroeiing van de Joden, de deportatie van de Polen en de uittocht van de Duitsers’, zoals Jansen schrijft, ‘etnisch homogener (was) dan ooit. Maar dit ging wel gepaard met een aanzienlijke toestroom van Russen en druk op Oekraïners om zich meer aan de Russische omgeving aan te passen’. Als teken van de vriendschap met Rusland kreeg Oekraïne in 1954 de Krim ten geschenke – de donatie die in het conflict dat we in 2014 dagelijks krijgen voorgeschoteld, door Rusland als een historische vergissing wordt beschouwd. Wat in die naoorlogse jaren volgt is een nieuwe russificatie, waarin de terminologie verandert: Rusland heeft het niet meer over ‘inlijving’, maar over ‘hereniging’. Alsof slechts de geschiedenis recht wordt gedaan. Het lijkt in het vocabulaire van Poetin eveneens vetgedrukt te staan.

    Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 roept Oekraïne haar onafhankelijkheid uit. In een referendum onderschrijft ruim 90% van de stemgerechtigden (de opkomst bedroeg 85%) die keus. Zelfs op de Krim zei meer dan 50% ja. Maar, waarschuwt Jansen, ‘de onafhankelijkheid was een van bovenaf tot uitvoering gebracht project met slechts een minimale inbreng van onderop. Zo werden dezelfde politici en managers die het Sovjetsocialisme in stand hadden gehouden nu de grondleggers van de nieuwe Oekraïense staat’.

    De verdeeldheid bleef. De jaren na 1991 waren er van deceptie, economische achteruitgang en vooral van corruptie en verrijking van de elite. Oekraïne was in economische zin een land met mogelijkheden en het was strategisch van belang vanwege de ligging op de grens van Europa en Rusland. Het is daarom verleidelijk om een scheiding te zien tussen West-Oekraïne, dat aansluiting bij Europa wil en het oosten dat naar de schoot van Rusland terugverlangt. Jansen zet uiteen dat die opdeling wat al te simplistisch is. Duidelijk is wel dat een overtuigende eenheid ontbreekt. Voor een deel is dat te wijten aan de al genoemde geschichtslosigkeit. En voor zover die geschiedenis er wel is, wordt ze selectief opgedist. In het Oekraïense onderwijs worden nog altijd essentiële zwarte bladzijden doodgezwegen. ‘We hebben eeuwenlang op de bodem van de geschiedenis rondgesparteld’, citeert Jansen de schrijfster Zaboezjko. Maar, zo voegt hij er aan toe: een aanzienlijk deel van het volk heeft het paternalisme afgelegd en laat niet langer met zich sollen.

    Grensland ligt in de winkel midden in wéér een roerige en lastig te duiden episode van de Oekraïense geschiedenis. Het komt dan ook aan een dramatische vraag niet toe en dat realiseert de auteur zich: ‘Op het moment dat dit boek verschijnt is Oekraïne in een crisis beland die de territoriale integriteit zoniet het pure voortbestaan van het land bedreigt’. Voorzichtig meldt hij dat het raadzaam leek niet met publicatie te wachten. Ook al motiveert Jansen dat besluit dus niet, we mogen er blij mee zijn. Hij heeft een helder verhaal geschreven dat het inzicht vergroot in de achtergronden van het huidige conflict en het DNA van een nog zo kort als zelfstandige natie bestaande entiteit. Dat doet hij op voorbeeldige wijze. Het verdient alleen al bewondering hoe hij de lezer in alle chaotische verwikkelingen met vaak duistere motieven mee weet te nemen door nergens de grote lijn uit het oog te verliezen. Hij schrijft beeldend, laat literaire getuigen als Babel en Paustovski aan het woord, verheldert kernachtig begrippen, vermeldt betekenisvolle details en gebruikt smeuige citaten (‘Gratis kaas vind je alleen in een muizenval’). Bovendien is Jansen niet te beroerd om iets heel beknopt nog eens uit te leggen als het bij de lezer weggezakt mocht zijn (de Geünieerden, wie waren dat ook al weer?). Zoals een goede docent het opnamevermogen van zijn luisteraars naar zo’n complex verhaal weet in te schatten.

     

  • Het is niet al goud wat blinkt

    Het is niet al goud wat blinkt

    De setting en de sfeer die ze beschrijft, zetten de toon. Het eerste deel van Al wat schittert van Eleanor Catton heeft alle kenmerken van een klassieke ‘whodunnit’. Maar, Catton speelt met de traditionele vorm van de detective, voegt elementen toe en past hier en daar wat aan. Zo wordt Al wat schittert meer dan een gewone misdaadroman.

    Twaalf mannen bevinden zich in één ruimte van een hotel in Hoktika, Nieuw Zeeland. Ze hebben ogenschijnlijk niets met elkaar te maken. In de ruimte hangt een geladen sfeer, die vaker voorkomt bij samenzweringen en moordzaken.  Nieuwkomer en buitenstaander Walter Moody is door de groep omgedoopt tot detective. Hij hoort hun verhalen aan, waaruit hun onschuld moet blijken, en moet drie zaken oplossen. Het gaat om de raadselachtige dood van de kluizenaar Crosbie Wells, de mysterieuze verdwijning van de avonturier Emery Staines en de verdachte zelfmoordpoging van het hoertje Anna Wetherell. Deze drie gebeurtenissen, die plaatsvonden op de avond van 14 januari 1866 hangen met elkaar samen en hebben hoogstwaarschijnlijk één gemeenschappelijke deler: het goud dat in de hut van de kluizenaar is gevonden. De twaalf mannen zijn allen op een bepaalde manier betrokken bij de gebeurtenissen en zijn allemaal op bijzondere wijze met elkaar verbonden.

    Aan het woord is de alwetende verteller die ieder personage presenteert in een volgorde die hem het beste uitkomt. Zowel innerlijk als uiterlijk kom je alles over de personages te weten. Je kent ze door en door. Zo lijkt het. Maar hier voegt de Nieuw-Zeelandse schrijfster Eleanor Catton een element toe waardoor het verhaal een andere dimensie krijgt: de astrologie. Ieder personage is verbonden met een sterrenbeeld of hemellichaam. Een sterrenbeeld of hemellichaam is meer of minder zichtbaar, afhankelijk van zijn positie ten opzichte van anderen, en afhankelijk van zijn stand in het zonnestelsel. Zo ook bij deze personages. Zij zijn meer of minder aanwezig, afhankelijk van hun rol in het verhaal en hun relatie met de andere personages.

    Hoewel deze roman door haar hoogdravende taalgebruik en realistische beschrijving van 19de eeuwse personages en plaatsen prima zou passen binnen de Victoriaanse literatuur, is de keuze voor de personages vrij merkwaardig. In tegenstelling tot wat je zou verwachten, beschrijft Al wat schittert niet alleen de blanke middenklasse of arbeidersklasse, maar kent de roman een bont gezelschap van personages van verschillende rassen en milieu’s.

    Op zoek naar een schuldige baseer je je op het gedrag en de acties van de personages en op de informatie die je krijgt van de verteller. Misschien koppel je die aan je eigen vooroordelen. Maar soms blijkt je eerste indruk niet te kloppen, worden bedoelingen anders geïnterpreteerd en vervaagt de grens tussen goed en fout.

    Al wat schittert lijkt op een detectiveverhaal, maar kent veel meer lagen door de verteltechniek, de structuur en de toevoeging van de astrologie. De complexiteit verrijkt het verhaal, maar zorgt er ook voor dat het niet voor iedereen toegankelijk is. Eleanor Catton kreeg voor deze roman de Man Booker Prize 2013. Laten we hopen dat de vertalers Gerda Baardman en Jan de Nijs ook een prijs krijgen voor hun prachtige Nederlandse vertaling.

     

     

     

     

  • Gemengde gevoelens

    Gemengde gevoelens

    Schuim van Robert Anker (1946) gaat over Dirk Wagenaar, een Rotterdamse havenbaron, zijn dochter Lisette, een wereldberoemde violiste, en Dirks schaakvriend Niels, een getrouwde dominee met wie Lisette een verhouding krijgt.

    Stilistisch heeft Anker, die de Libris Literatuur Prijs won met Een soort Engeland, heel wat in zijn mars. Toch lijkt hij lak te hebben aan sommige schrijfregels; op bladzijde 60 laat hij Lisette zichzelf in de spiegel bekijken om haar te beschrijven, wat toch wel een cliché genoemd mag worden. Anker werkt veel met uitroeptekens en vraagtekens en hij schendt hier en daar het aloude schrijversadagium: ‘show, don’t tell’. Zo is op bladzijde 46 het volgende over Lisette te lezen: ‘ze was eigengereid, koppig, driftig en impulsief, ze dacht nooit lang over een beslissing na.’ Sommige critici zouden hierbij opmerken dat ze Lisette in actie willen zien, dat ze willen ervaren wie zij is, niet het al ingevuld krijgen door de auteur. De schrijfster Francine Prose heeft echter opgemerkt dat in veel gevallen ‘telling’ effectiever is dan ‘showing’ (Reading like a writer, 25)  Anker legt veel uit met zijn karakterbeschrijvingen en weet zo afgeronde personages te scheppen.

    De auteur voert in deze roman ook een soort gesprekken met deze personages. Over de relatie van Lisettes broer Maarten met Fatima valt te lezen: ‘Is hij een beetje verliefd op haar? Soms. Begint hij al eens om zich heen te kijken? Heeft hij altijd gedaan. Geconsumeerd? Een paar keer. Fatima heeft er niet veel zin meer in, in seks, vandaar.’ (76)  Zo staat het boek vol met vraagtekens, wat door schrijfadviseurs soms wordt afgeraden (bijvoorbeeld: Noah Lukeman, The First five pages). Er zullen lezers zijn die liever zelf de dialoog met tekst en personages voeren, dan dat de auteur dit voor hen doet. Als de schrijver zich te veel op de voorgrond plaatst gaat er een deel van de magie van het lezen verloren. (Zo geeft Simon Vestdijk in Ivoren wachters op gegeven moment plots zijn persoonlijke, onbarmhartige visie op een van de door hem geschapen personages. Hiermee verbreekt hij even de betovering van goede literatuur, wat meer bijblijft dan iets anders uit deze roman).

    Hier en daar is de stijl van Anker irritant. Zo schrijft hij het volgende over de stotterende Lisette als hij ingaat op een traumatische jeugdherinnering: ‘Maar het was wel toen dat je begon te stotteren, Lisette. Een b-beetje maar.’(50) Dat is flauw. Net zoals het flauw is om naar Barbra Streisand te verwijzen als ‘Barber Spreidstand’ (52) De woorden van een Marokkaanse vrouw worden als volgt weergegeven: ‘wat izze dat meffrou, Moussie doete nooit kwaad.’ (95). Dan spreekt bijvoorbeeld de sketch met het typetje van Kees van Kooten van de perfect Nederlands pratende migrant en de hem in babytaal toesprekende autochtoon Wim de Bie toch meer aan.

    Anker verwijst in Schuim veel naar eigentijdse situaties en bekende Nederlanders. Dit maakt het boek tot een waardevol tijdsdocument, maar het heeft ook iets provinciaals. Misschien leent dit boek zich niet voor verspreiding in het buitenland. (Hoe leg je daar uit wie Jort Kelder is?) Op pagina 188 heeft de auteur het over de rol van de LPF in de Rotterdamse gemeenteraad. Zou hij Leefbaar Rotterdam bedoelen? Het bevreemdt ook dat Dordrecht de oudste stad van Nederland wordt genoemd (64), terwijl dit toch Nijmegen is.

    Van de personages is de dominee Niels het meest aansprekend. Hij is een dominee die niet in God gelooft, wat voor interessante verwikkelingen zorgt. Op het einde van het boek neemt Niels een drastische beslissing die niet helemaal aannemelijk wordt gemaakt door Anker. De andere personages spreken minder tot de verbeelding. Dirk Wagenaar is een zakenman en dus niet zo interessant (het blijft een raadsel waarom mensen een biografie van Steve Jobs willen lezen). Lisette interesseert zich alleen voor muziek en is dus ook beperkt. De wisselwerking tussen deze personages is echter goed uitgewerkt en de beschrijving van de opbloeiende relatie tussen Lisette en Niels is het sterkste stuk in het boek.

    Al met al een boek dat veel oproept bij de lezer: irritatie, bewondering om de niet spaarzame sterke passages en allerlei interessante observaties, maar uiteindelijk geen ontroering. Je sluit de personages niet in je hart, wat natuurlijk niet verplicht is in een roman, maar het had wel wat toegevoegd.

     

     

  • Je baby als rekruut 

    Je baby als rekruut 

    Het is half maart 2014. Vanuit Israël en de Gazastrook worden over en weer raketaanvallen uitgevoerd. Bij uitgeverij Podium is net de verhalenbundel Zeven vette jaren van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) verschenen.

    ‘Wat denk je van een spelletje Sandwich Pastrami?’ vraagt de auteur in het laatste verhaal aan zijn 7-jarig zoontje als de jongen bij een luchtalarm niet naast zijn moeder aan de kant van de weg wil gaan liggen conform de veiligheidinstructies. ‘“Mama en ik zijn boterhammen,” leg ik uit, “en jij bent een plak pastrami, en we moeten zo snel we kunnen een sandwich pastrami maken. Vooruit. Eerst ga jij op mama liggen.” En Lev gaat op Sjira’s rug liggen en omhelst haar zo stevig als hij kan. Ik ga boven op hen liggen, en duw hard tegen de vochtige aarde met mijn handen opdat ik ze niet plet’.
    Het ‘spel’ is een succes en Lev doet enthousiast mee.  Als het gevaar geweken lijkt, gaat het gezin de auto weer in: […] ‘“Papa”, zegt Lev als ik hem vastgesp, “beloof me dat als er nog een sirene gaat jij en mama weer Pastrami met me spelen.” “Beloofd”, zeg ik, “en als het gaat vervelen, leer ik je hoe je Gegrilde Kaas speelt.”’ 

    Zeven vette jaren begint bij de geboorte van Kerets zoon Lev, overigens ook tijdens een raketaanval. De verpleegkundigen bespreken ongelukken, terroristische aanslagen en spoedgevallen als vergelijkbare grootheden en Keret fluistert zijn pasgeboren zoontje in dat er niets is om zich zorgen om te maken. ‘Dat tegen de tijd dat hij groot is alles hier in het Midden Oosten is opgelost: er zal vrede heersen, er zullen geen terreuraanslagen meer gepleegd worden en zelfs als er nog een enkele keer een zal plaatsvinden, dan zal er altijd een bijzonder iemand in de buurt zijn, eindelijk iemand met een visie, om het perfect te beschrijven.- Niets menselijks is hem vreemd.

    De verhalen in Zeven vette jaren zijn zo goed als waargebeurde verhalen’ die de eerste zeven levensjaren van zijn zoon bestrijken.
    Het zijn korte persoonlijke verhalen over zijn gezin, zijn vader, zijn moeder, broer en zus die doen beseffen hoezeer de geschiedenis van Israël en het joodse volk, en de huidige situatie in het Midden Oosten van invloed zijn op het dagelijks leven van gewone mensen. In rake bewoordingen schetst hij hoe de diaspora, de holocaust, de Libanonoorlog en het orthodoxe geloof doorklinken in de huidige Israëlische samenleving, en ook in zijn eigen bewustzijn.

    Zwaar wordt het nergens. Keret is realistisch, kan cynisch zijn, maar weet ook te relativeren. Hij is geestig, beschikt over de nodige zelfspot en is ronduit ontroerend als hij over zijn ouders schrijft.
    De tragikomische houding die Keret aanneemt, en die in zijn manier van schrijven doorklinkt, is voor hem misschien de enige manier om om te gaan met het drama van het joodse volk en dat van zijn familie in het bijzonder. Ook waar dat drama in het heden speelt als zijn vrouw een miskraam krijgt en hijzelf bijna verongelukt.

    Aangrijpend is het als hij in het verhaal ‘Geëtter op de speelplaats’ het grote dilemma van Israëlische ouders beschrijft. Keret is een van de weinige vaders die regelmatig met zijn zoontje naar het park kan. De andere vaders gaan elke dag naar hun werk. De ‘babytalk’ met de moeders van andere drie-jarigen noemt hij ‘bijna pervers kalmerend’. Totdat een van de moeders uit het park de roze wolk doorprikt en vraagt: ‘Trouwens, gaat Lev het leger in als hij de leeftijd heeft’?

    ‘Mijn betreurde zuster’ gaat over zijn zusje dat orthodox is geworden. Als zij trouwt en in de meest orthodoxe buurt van Jeruzalem gaat wonen, is Keret bang dat haar leven ‘voorbij’ zal zijn. Hij is aanvankelijk net zo bevooroordeeld als een heleboel Israëli’s die geshockeerd zijn als vrienden of familieleden religieus worden. Keret zelf is niet gelovig: ‘Wat religie betreft – voor mij geen God’. Omdat hij van zijn zus houdt, probeert hij ‘voor die van haar enig respect op te brengen’. Het contact tussen beiden blijft net zo goed als het altijd is geweest.

    Zeven vette jaren is een aanrader, een bundel die je voor je plezier leest, ondanks de tragiek die erin voorkomt.

     

  • Gelukkig eindelijk vertaald

    Gelukkig eindelijk vertaald

    De eerste roman van Mantel die in het Nederlands verscheen, was Wolf Hall, een alom geprezen historische roman waarmee zij vele prijzen in de wacht sleepte. Het doet geen afbreuk aan deze roman te vermelden dat de schrijfster niet meer piepjong was toen zij deze roman schreef. Een veiliger oord schreef zij veel eerder. Mantel besloot op haar tweeëntwintigste over de Franse Revolutie te schrijven en voegde meteen de daad bij het woord. Dat je op zo’n jonge leeftijd een monumentaal werk kunt schrijven dat van begin tot eind de lezer weet te boeien is ongelofelijk knap! Zo’n veertig jaar later is hiervan de prachtige Nederlandse vertaling verschenen van de hand van Ine Willems. In Nederland wordt dit werk in drie delen uitgebracht waarvan Vrijheid, het eerste deel, de aanloop naar de Franse Revolutie vormt.

    In Brief aan de lezer, voorwoord op het eerste deel, zegt de schrijfster dat zij nu, ongeveer veertig jaar later bij het beschrijven van de Revolutie meer aandacht gegeven zou (kunnen) hebben aan de rol van de arbeiders en de vrouwen, maar dat zij als romanschrijver toen niet uit de voeten kon met schrijven over een massabeweging en daarom bewust gekozen heeft om drie jongemannen Camille Desmoulins, Georges-Jacques Danton (later d’Anton) en Maximilien de Robespierre, eruit te lichten en die op de voet te volgen.
    De roman opent met het jaar 1763 en tegelijkertijd met drie verhaallijnen van de drie jongemannen vanaf hun geboorte, of indien nodig, eerder. We lezen welke gebeurtenissen, welke ervaringen, welke personen en welke vrouwen hen vormen tot de jongemannen die ze zijn op het moment dat de Franse Revolutie begint. Om die reden is het dan ook nodig om hun familie te leren kennen, de onderlinge verhoudingen binnen de familie en de plaats die hun familie inneemt op de sociale ladder. Ook het dorp of de streek waar de jongens opgroeien komt uitgebreid aan bod. Hilary Mantel beschrijft dit alles zodanig dat het leest als een boeiende familieroman, als een streekroman en het grotere geheel als een historische roman.

    In Guise, Picardië, wordt in 1760 Camille Desmoulins geboren als oudste zoon van Jean-Nicolas Desmoulins en Madeleine Godard, die al dertig jaar is wanneer haar familie de financiële situatie van Desmoulins enigszins aanvaardbaar acht. ‘De dames van die familie (Godard) zijn voorstander van jaarlijkse productie [van kinderen, AvB], en Madeleines late start weerhoudt haar bepaald niet.’ Al jong gedesillusioneerd zit de drieëndertigjarige Jean-Nicolas, echtgenoot, vader, jurist en notabele, in zijn werkvertrek, gekweld door de rekening van een nieuw dak én door de familie van zijn vrouw, de verwaande Godards en de hooghartige de Viefvilles. Hoe weinig de vader heeft in te brengen bij zijn schoonfamilie moge blijken uit het volgende: ‘Het kind had een hele riedel namen omdat de peetouders het niet eens konden worden. Jean-Nicolas maakte zijn voorkeur kenbaar, waarop de familie de rangen sloot: Noem jij hem Lucien als je zo graag wilt, maar Wij noemen hem Camille.’ De relatie met zijn zoon Camille is al niet beter: ‘Diep vanbinnen vreesde hij dat de baby op een goede dag in gezelschap rechtop zou gaan zitten en het woord zou nemen; dat hij hem recht zou aankijken, naar waarde zou schatten en zeggen: “Wat ben jij een lul.”’ En dat is precies wat er gaat gebeuren. Camille zal noch tegenover zijn vader noch tegenover iemand anders een blad voor de mond nemen. Dit maakt hem uiteraard niet geliefd bij de gevestigde orde. Een geldelijke bijdrage van de de Viefvilles maakt mogelijk dat hij naar de beste school van Parijs gaat, het Louis-le-Grand, waar de verhaallijn van Maximilien de Robespierre de zijne kruist. Zij waarderen elkaar om hun eerlijkheid en rechtvaardigheidsgevoel; beiden zijn ervan overtuigd dat er een revolutie komt, die Camille toejuicht en waarvan Maximilien de noodzaak inziet. Er volgen gesprekken over de politieke wantoestanden, zoals de decadentie aan het hof van de jonge, onbetekende koning Louis XVI en zijn eveneens jonge echtgenote, van wie haar grote spilzucht nog de minst erge fout schijnt; de vele, elkaar afwisselende ministers van financiën die er maar niet in slagen het hof te laten bezuinigen; de ongelijkheid in de Standenvergadering (de stem van de Derde Stand, de burgerij, kan nooit opwegen tegen die van de andere twee Standen, de adel en de geestelijkheid). Voeg daarbij de absurd hoge graanprijzen, die elk jaar nog hoger worden; vlees eet de burgerij al helemaal niet. Gesprekstof genoeg!
    Terug naar Maximilien. In Arras (Artois) is de dochter van een rijke bierbrouwer, Jacqueline Carraut, zwanger door toedoen van de adellijke François de Robespierre. De geliefden trouwen, hun liefdesbaby Maximilien wordt geboren; maar vijf zwangerschappen in zes jaar tijd is te veel van het goede. Als zij na de geboorte van haar vijfde kind op sterven ligt, glipt de 6-jarige Maximilien haar kamer binnen. ‘Ze draaide alleen haar ogen naar hem toe, niet haar hoofd, en de schamele restanten van een glimlach. De huid rond haar mond zag grauw. Jij en ik zullen nu gauw uiteengaan, leek die te zeggen. Toen hij dat zag, wendde hij zich af. Bij de deur hief hij zijn hand naar haar, een nietig, vroegwijs blijk van solidariteit.’ De kinderen worden door tante Eulalie naar de grootouders Carraut gebracht, waar ze ‘fijn’ een paar dagen blijven logeren, ‘”totdat jullie moeder zich beter voelt,” zei Eulalie. Maar hij herinnerde zich de grauwe huid rond zijn moeders mond. Hij begreep wat die hem had gezegd: algauw lig ik in mijn doodskist, algauw lig ik in mijn graf. Hij vroeg zich af waarom ze zo logen. (…) Hij telde de dagen tot ze zouden besluiten de waarheid te vertellen.’ Vader François begon zwaar te drinken, verwaarloosde zijn clientèle, verdween soms dagen aan een stuk en uiteindelijk voorgoed. Maximilien groeit verder op bij zijn grootouders, hij bezorgt ze geen last, leest veel en verzorgt met liefde duiven die hij houdt in een kot in de tuin. Omdat hij een goed stel hersens heeft, wordt voor hem een beurs geregeld zodat ook hij naar de beste school van het land kan: het Louis-le-Grand.

    Georges-Jacques Danton: eindelijk een jongen na vier meisjes! Zijn vader heeft niet lang kunnen genieten van zijn zoon, hij sterft op veertigjarige leeftijd, maar laat zijn vrouw niet onbemiddeld achter. De bazige madame Danton redt het wel, en verder wordt ze op zondag van advies gediend door haar zwagers. ‘Intussen lapten de kinderen God en zijn gebod aan hun laars. Ze vernielden omheiningen, joegen schapen op en begingen diverse andere plattelandszonden. Wanneer ze erop werden aangesproken, gaven ze een grote mond. Kinderen van andere families duwden ze in de rivier.’ Camus, een broer van madame, informeert naar het verband om het hoofd van de jongen. Twee dagen eerder hadden zijn zusjes hem in de avondschemer thuisgebracht. ‘Ze hadden in de stierenwei eerste-christentje gespeeld.’  Zijn halve gezicht was opengereten door de stierenhoorn. En vier dagen later zag madame Danton ‘hoe het stoffelijk overschot van haar zoon alle hoeken van de wei te zien kreeg.’ Ook dit overleeft hij, evenals de pokken. Zijn gezicht wordt er niet mooier op. Een paar jaar later wordt Georges-Jacques ‘vertrappeld door een kudde zwijnen (…) “Dit is echt de laatste keer dat een beest me onder de voet loopt,” zei hij. “Of het nu vier poten heeft of twee.”’
    Georges-Jacques vervolgt zijn opleiding aan het kleinseminarie in Troyes om later in de advocatuur te gaan. Zijn ambitie voert hem naar Parijs, waar zijn gehavende gezicht grote aantrekkingskracht blijkt uit te oefenen op het vrouwelijke geslacht en waar hij in contact komt met de twee andere mannen.

    Naast deze drie hoofdpersonages lopen er nog heel veel andere personages rond in Parijs, Versailles, Troyes, en elders, over wier levens, karakters, avonturen en escapades we al net zo boeiend onderhouden worden.

    Op een heel vanzelfsprekende manier wordt het verhaal van de jongemannen ingebed in het grotere geheel: het Frankrijk aan de vooravond van de Franse Revolutie, zonder dat de lezer geconfronteerd wordt met een saaie, vertragende opsomming van historische feiten. Politieke nieuwtjes en juristenroddels worden uitgewisseld door de vaste klanten van het Café du Parnasse. Dit café is eigendom van monsieur Charpentier, een belastinginspecteur en de latere schoonvader van Georges-Jacques Danton. Soms wordt een journaalachtig verslag gegeven van de politieke of economische situatie die onveranderd slecht is of slechter wordt. Via de overpeinzingen van de personages of hun gesprekken verneemt de lezer eveneens hoe het land ervoor staat.

    Hilary Mantel heeft een heel prettige, natuurlijke manier van schrijven; waar gesproken wordt, heb je de indruk zelf ter plekke aanwezig te zijn. Bij tijd en wijlen is het boek spannend, vaak humoristisch (ondanks de malaise), de toon is luchtig.
    Waarom de schrijfster bovenal geprezen moet worden, is omdat zij zich niet heeft laten verleiden om (historische) uitleg te geven bij de vele situaties of personages – niets zo irritant als vertragingen! Een historische roman dient een roman te zijn en niet een geschiedenisboek of encyclopedie. – Zelfs de personages worden, nadat ze eenmaal zijn voorgesteld, zelden met hun volledige naam of toenaam genoemd! Zo weet Mantel goed de vaart in het verhaal te houden. Voor wie het te snel gaat, bieden de lijstjes ‘Wie is wie’ en ‘Wie staat waar’, plus het plattegrondje ‘Parijs ten tijde van de Revolutie’ uitkomst.

    Het is jammer dat dit boek hier niet veertig jaar eerder is verschenen. Als middelbare scholier met het eindexamenvak geschiedenis moest ik me verdiepen in de Franse Revolutie, me worstelend door dorre, taaie geschiedwerkjes. Hoe veel meer zou ik van deze spannende episode in de geschiedenis opgestoken en genoten hebben als dit meesterwerk van Mantel eerder vertaald was! Maar nu heb ik nog wat moois in het vooruitzicht: deel 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap. 

     

  • Raamwerk van verbondenheid

    Raamwerk van verbondenheid

    Alles en iedereen is met elkaar verbonden in deze tweede roman van Simon van Booy. Van Booy (1975), opgegroeid in Wales en nu wonend in New York, schreef eerder twee verhalenbundels. In De illusie van alleenzijn – het eerste boek van hem dat in het Nederlands werd vertaald – slaagt hij erin de kracht van beide genres samen te brengen. De verhalen van zes verschillende personages, uit verschillende tijden en werelddelen, smelten op subtiele wijze samen tot een ontroerende roman.

    De Amerikaanse soldaat John Bray die in 1944 met zijn B-24 bommenwerper uit de lucht wordt geschoten boven Frans grondgebied. De blinde jonge museumcurator Amelia die voor het MoMa in New York tentoonstellingen ‘voelbaar’ maakt voor blinden. Een schooljongen die een foto van een vrouw vindt in het geraamte van een neergestort vliegtuig. Meneer Hugo met zijn mismaakte gezicht en een onbekend verleden, maar waarvan flarden bovenkomen tijdens zijn nachtmerries. De bejaardenverzorger Martin die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Parijs werd geadopteerd door een bakker en zijn vrouw. Het eenzame buurjongetje Danny uit Manchester dat het schopt tot succesvolle Hollywoord-regisseur.

    Het fundament van deze roman is een gebeurtenis tijdens de Tweede Wereloorlog. De neergeschoten Amerikaanse piloot John bereikt tijdens zijn overlevingstocht over het Franse land een veld vol met lijken van Duitse soldaten. John gaat liggen en doet alsof hij dood is. Maar er blijkt nog iemand te leven: een Duitse soldaat die hij onder schot zet. Na enkele uren trekt John het pistool uit de mond van de vijandelijke soldaat. De twee soldaten delen een maaltijd en lopen in tegengestelde richting weg.

    Alle andere personages blijken met deze twee soldaten verbonden te zijn. Opvallend is dat geen van deze personages de status van hoofdpersoon heeft. Iedereen is gelijk, iedereen is net zoveel waard. Van Booy laat zien dat er geen hoofdpersonen in het leven bestaan.
    De personages hebben veel weg van elkaar, ondanks dat ze van verschillende generaties zijn en heel verschillende achtergronden hebben. Ze zijn allemaal gevoelig, eenzaam, en op zoek naar iets (een verleden) of iemand (een vader, een geliefde). Ze denken allemaal na over het leven, over de dood, over liefde en over angst. Het is niet zo dat Van Booy zich beperkt tot een bepaald type karakters. Hij laat daarentegen zien dat alle mensen op de eenzame momenten in essentie op elkaar lijken.

    De illusie van alleenzijn is gebouwd op een raamwerk van verbondenheid. Niet alleen de personages zijn op alle mogelijke manieren met elkaar verbonden. Ook één fysieke plek is verbonden met alle eerdere geschiedenissen: ‘Het tapijt in de kantine waar de oude man stierf was ooit een ondiep woud’. Zelfs de lezer heeft een directe link met het verhaal als meneer Hugo denkt: ‘Maar kijk, hier ben ik, tussen deze pagina en jouw ogen. Deel van andermans geschiedenis’.

    Door die verbondenheid kunnen kleine gebaren grote gevolgen hebben. ‘Toeval’ noemen we die situaties in het dagelijks leven. Ook al komen in de werkelijkheid soms de onwaarschijnlijkste toevalligheden voor, in fictie kunnen die een verhaal juist ongeloofwaardig maken.
    Van Booy balanceert op het randje, maar hij komt ermee weg. Hoe? Enerzijds door die verbondenheid tot motto te maken van zijn roman. Anderzijds door niet iedere toevalligheid te benadrukken, aan te wijzen of uit te leggen. Maar vooral door zijn poëtische, melancholische, spaarzame stijl van schrijven.

    Van Booy maakt mooie observaties. Als hij schrijft ‘De schoolgang ruikt naar melk en jassen’ loop je zelf weer als klein kind door de school. De verhouding tussen de bejaarden in een verzorgingstehuis typeert hij met de woorden: ‘De frequentie waarmee een bewoner gasten ontvangt is een maatstaf voor zijn status’. En een verhuizing is ‘Een stoet van stoelen, bedden en dozen.’
    Soms geeft hij een expliciete levenswijsheid via een personage mee, zoals Martin die denkt: ‘dat wat mensen aanzien voor hun leven alleen maar de omstandigheden ervan zijn’. Of Amelia: ‘Elke dag is een meesterwerk, ook al word je erdoor vermorzeld’.

    In deze roman is veel leed. Van de grote gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog tot de tirannie op school ervaren door een kind. Maar de mooie taal van Van Booy maakt de zwarte kanten van het leven behapbaar. En hij brengt die in verband met de eigen angsten waar ieder mens mee moet leven. ‘Volgens mij zouden de mensen gelukkiger zijn als ze vaker dingen aan elkaar bekenden. In zekere zin zitten we allemaal gevangen in een of andere herinnering, of in angst of teleurstelling; we worden allemaal getekend door iets wat we niet kunnen veranderen’.

    Iedereen staat er alleen voor, maar juist dáárin schuilt de verbondenheid. Deze roman laat zien dat in de aanvaarding van de moeilijkheden van het leven, juist troost, hoop en verwachting gehaald kunnen worden.
    Als meneer Hugo zijn buurjongen leert lezen en schrijven probeert hij aan de jongen ook over te brengen ‘dat er vaak iets verandert in het leven van mensen door gebogen lijnen die langzaam van papier, zand of steen worden gelezen’. Het zou zomaar eens kunnen dat Van Booy daarin slaagt met deze roman.

  • Voorwaarts, dandy!

    Voorwaarts, dandy!

    Het boek Zonder filter van Robert van Raffe ziet eruit als een groot uitgevallen pakje sigaretten. Je moet automatisch denken aan een pakje Gauloises, hoewel het boek een andere kleur heeft en er ook nog een andere afbeelding op staat, namelijk van een minotaurus.

    Achter in Zonder filter heeft Van Raffe een uitputtende lijst opgenomen van ontleningen, verwijzingen, (beeld)citaten en noten. Handig, maar misschien ook een beetje aanstellerig, door de overdadigheid. Zelfs het kleinste verwijzinkje wordt vermeld.

    Van Raffe neemt ons in Zonder filter mee door de hoofdstukken, die zich soms ook als korte verhalen laten lezen. De vormgeving verschilt per hoofdstuk. In het ene wordt wel kleur gebruikt, in het andere niet; in een hoofdstuk staan de tekeningen op lijntjespapier; een ander hoofdstuk lijkt op een dossiermap. Voor de inkleuring is vooral gebruik gemaakt van rood, blauw en geel, waarbij het geel neigt naar groen, wat vaak een wat snotterige kleur geeft. Dat is niet altijd even esthetisch, maar daar is het Van Raffe ook niet om te doen.

    De ik-figuur heeft besloten om als dandy door het leven te gaan. Je bent geneigd om dat als een autobiografisch gegeven te lezen: de website van de auteur heet Dandy Raffe. In Zonder filter komt dat dandyisme nogal eens terug, waarbij automatisch vragen bovenkomen als: kun je besluiten wie je wordt? Is er een onderscheid te maken tussen een pose en wie je bent?

    De gedachten van de hoofdpersoon, Raf, hebben vaak met hemzelf te maken. Niet voor niets heet een van de hoofdstukken ‘Narkissos’. Veel hoofdstukken hebben overigens titels die verwijzen naar de klassieken: Lemnos, Lotuseters, Dyonisus, Kirke.
    Dat gericht zijn op de ik-figuur geeft Zonder filter af en toe iets stroperigs. Er had dan ook wel wat meer verhaal in mogen zitten, iets meer ontwikkeling. Maar consequent is het wel.

    In de loop van het boek krijg je een indruk van waar Raffe mee bezig is: het cultiveren van zijn imago en het onderzoek daarnaar, zijn bezigheden in de kunst, zijn alcoholische periode. In die periode maakte hij naar eigen zeggen zijn beste werk en dat werk maakt weer deel uit van Zonder filter. Zo verkent de Van Raffe het leven van zijn hoofdfiguur, zonder dat er duidelijk richting in dat leven zit.
    Pas aan het eind, vlak voor de epiloog, roept de hoofdpersoon uit: Voorwaarts! Eindelijk gaat het allemaal beginnen, maar het boek is dan uit. Je vraagt je af wat er terecht zal komen van de voornemens van de hoofdpersoon.

    Er zijn genoeg redenen om je te ergeren aan Zonder filter, al was het maar de pedanterie, de aanstellerigheid die het van tijd tot tijd heeft. Toch zit die niet dwars. Zonder filter is een eigenwijs boek. Van Raffe wilde duidelijk dit verhaal vertellen en wel op deze manier. Dat levert melige gedeelten op en passages die tot nadenken stemmen. De ene keer roept de hoofdpersoon mededogen op en de andere keer haal je je schouders over hem op. Dat geeft niet. Soms moet je lachen om wat er gebeurt of wat er gezegd wordt, soms is een passage overdreven ernstig.

    Er zit in dit boek een soort gedrevenheid die bevalt. Zonder filter is zowel ernstig als speels en dat is een mooie combinatie. Het lijkt een boek dat voorstanders en tegenstanders gaat krijgen, mensen die het ophemelen en mensen die er niets aan vinden. Daartussen zal weinig zitten. Dat pleit voor het boek. Ik ben in ieder geval vóór.

     

  • Puzzelstukjes voor de vrede

    Puzzelstukjes voor de vrede

    Was het een arrogante egocentricus? Een verlegen onderzoeker? Een geniale ziener? Was hij zweverig? Naïef? Een ongeleid projectiel? Een moedige wetenschapper?Waarschijnlijk had hij van alles wel wat, maar viel hij niet met één van die karakteriseringen samen: Gregor, de hoofdfiguur van Flitsen van Jean Echonoz, gebaseerd op het leven van Nikola Tesla.

    Het is de derde opeenvolgende roman van de Franse schrijver (1947), waarin hij het leven van een historisch persoon tot uitgangspunt neemt voor een novelle. De drie zijn in Nederland verschenen onder de titels Ravel (2007), Hardlopen (2011) en nu dus Flitsen. Ging het in Ravel om diens aftakeling in zijn laatste levensjaren en in Hardlopen om de vraag hoe het was voor Emile Zatopek een succesvol hardloper te zijn onder een communistisch regime, in Flitsen gaat het opnieuw om iemand die gemeten naar een aantal van zijn prestaties een grootheid is, maar wiens schaduwkanten en omstandigheden diens biografie een heel andere kleur geven.

    Nikola Tesla, Gregor dus in de roman, werd in 1856 geboren in Kroatië in de nacht van 9 op 10 juli. Maar of hij op de 9de of de 10de ter wereld kwam is niet bekend. Volgens Echenoz eiste die nacht een noodweer zo de aandacht op dat niemand eraan dacht het geboorteuur te noteren. De rest van zijn leven zal Gregor bijna maniakaal met tijd, getallen en elektriciteit (onder andere bliksem) bezig zijn. Hij blijkt al snel geniaal. Hij ziet in zijn hoofd te ontdekken apparaten al in werking nog vóór er maar een model van is uitgetekend. Dat maakt ook dat hij moeilijk kan samenwerken met wetenschappers die zijn snelheid van denken niet delen.

    In 1884 komt hij in Amerika in dienst van Edisons bedrijf General Electric. Als Edison tegen problemen oploopt door de beperkte mogelijkheden van gelijkstroom, maakt hij misbruik van het vertrouwen van Gregor, die de oplossing vindt in de toepassing van wisselstroom. Gregor voelt zich bedrogen en stapt over naar de concurrent George Westinghouse, een bedrijf dat in korte tijd rijk wordt door Gregors vindingen. Westinghouse geeft hem alle ruimte voor experimenten, maar raakt financieel in problemen als het op basis van het arbiedscontract gigantische vergoedingen aan hem moet betalen. Het dreigt zo ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Gregor ziet op verzoek van Westinghouse echter af van zijn financiële aanspraken, blij als hij is met alle ruimte die hij van zijn baas krijgt. Het is niet de eerste, maar vooral ook niet de laatste keer dat hij een ongelooflijke naïviteit aan de dag legt. Hij blijkt een groot natuurkundige, maar een slecht zakenman. Voor tal van uitvindingen legt hij de rechten zo slecht vast dat later anderen er stinkend rijk van worden en hijzelf armlastig achterblijft.

    Hij snapt de wereld om hem heen niet, zoals in het geval van het in zijn ogen haalbare idee om een energievoorziening op te zetten waar de hele wereld gratis gebruik van kan maken. Wat hij vergeet is dat de geldschieters voor de ontwikkeling van dat idee de uiteindelijke bedoeling hebben om er winst op te maken en niet om iedereen er gratis van te laten profiteren.
    Een ander voorbeeld is zijn uitvinding van een massaal vernietigingswapen dat zo dodelijk is dat het alleen als afschrikking kan dienen. Om de zes machtigste staten ter wereld te dwingen tot vredesakkoorden knipt hij zijn idee letterlijk in zes stukken die hij aan deze zes landen verstuurt. Ze hebben pas wat aan hun eigen puzzelstukje door met de vijf andere staten te overleggen. Maar tot zijn teleurstelling komt er van geen enkel land een reactie.

    En de wereld snapt hem niet: als hij de Amerikaanse marine een hulpmiddel aanbiedt wordt dat als té fantastisch afgedaan. Pas jaren later zal in de marine de radar zijn intree doen, de uitvinding die Gregor destijds had aangeboden.

    Uiteindelijk komt Gregor steeds meer alleen te staan. Jaloezie van anderen ondergraaft zijn leven. Uit smetvrees, maar ook uit angst voor vrouwen is hij al nooit een individuele relatie aangegaan, maar terwijl zijn schulden oplopen verliest hij ook de mensen die hem af en toe nog wel uit de brand wilden helpen. In zijn hoofd gaat er dan ook wat mis. Hij had al eens beweerd contact te kunnen maken met marsmannetjes, maar nu hij zich terugtrekt in een leven met duiven (hij richt op zijn hotelkamertje een kliniek voor die beesten in en raakt op één duif zelfs verliefd), wordt hij door iedereen uitgelachen. In 1943 sterft Gregor in eenzaamheid, na een auto-ongeluk waarin de duiven een rol spelen. Pas na een dag of drie wordt hij gevonden.

    Echenoz blijft in zijn vertelling dicht bij de feiten uit het leven van de historische Nikola Tesla, maar het gaat hem niet om de feiten zelf. De roman (beter: de novelle, want net als de boeken over Ravel en Zatopek beperkt de auteur zich tot ongeveer 150 pagina’s) somt ze slechts op wanneer dat te pas komt, maar Echenoz probeert vooral in ’s mans hoofd en ziel te kijken. Hij is daarbij tevens de voorzichtige commentator met sympathie voor zijn hoofdfiguur: ‘Gregor is onsympathiek, ik weet het, zo onaangenaam dat hij voor ons gevoel misschien wel zijn verdiende loon krijgt, maar toch’.

    Echenoz serveert ons de geschiedenis op een lichtvoetige, zelfs humoristische manier alsof je met hem op een terrasje zit. Zonder diepzinnige zinnen. Zonder grootsheid van stijl of taal. En toch bereikt hij dat de complexe levensloop van zijn ‘held’ lang blijft hangen.

     

     

  • ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    ‘De natuur is geen krans madeliefjes’

    Zoals de klimop zich om een boom windt, zo trekken de zinnen in Clair-Obscur (originele titel: An Arrangement of Light) de lezer het verhaal binnen. Nicole Krauss, onder andere bekend van de psychologische roman Het grote huis (Great House) brengt met Clair-Obscur een kort, maar prachtig werkje. Net als in haar vorige werken speelt de schrijfster ook in dit werk met de identiteit van haar personages. De kunstige manier van schrijven en gebruikte verteltechniek maken deze personages geheimzinnig en de sfeer gespannen. Clair-Obscur is een klein boekje met grote nadruk op detail.

    De verteller in Clair-Obscur wordt niet bij naam genoemd. Zijn werkgever evenmin. Deze laatste is ‘de grootste landschapsarchitect van ons land’ en is in staat de mooiste dingen te creëren, zolang hij zijn eigen gang kan gaan. Dat is ingewikkeld, want het zijn moeilijke tijden in het land zonder naam. De landschapsarchitect, de natuur, het land waarin de hoofdpersonages leven, ze hebben één ding gemeen: ze kennen allen een duistere kant die eens tot uitbarsting komt. Deze wordt subtiel besproken, hier en daar uitgelicht en benadrukt door middel van mooie, knap geformuleerde zinnen. Vrijwel iedere zin kent een dubbelzinnigheid, die pas tot uiting komt bij tweede of derde lezing van Clair-Obscur. Wanneer de landschapsarchitect praat over de natuur, lijkt hij deze te vergelijken met zijn land: ‘Ze is agressief en verbazend dodelijk. De zwakken worden gedood, eerst gemarteld en daarna om het leven gebracht, en de sterken worden gevoed door bederf en verrotting.’  Zo wordt de ogenschijnlijk vredige natuur een metafoor voor de wereld waarvan de twee hoofdpersonages zich proberen af te sluiten.

    In eerste instantie lijkt alles mooi. De verteller schildert zijn land, zijn werkgever en de natuur af als de mooiste dingen in de wereld. De lezer weet niet meer dan datgene wat de verteller mee wil delen. Tijd, plaats, namen, ze zijn onbekend. Krauss zei ooit in een interview dat ze in haar verhalen vooral belang hecht aan beelden. Ook in Clair-Obscur zijn het de beelden die een indruk op de lezer achterlaten. Beelden vol poëzie die de harde realiteit verbergen. Bij een eerste lezing is het vooral de beschrijving van de weelderige natuur als een oase van rust en vrede die bijblijft. Maar, bij een volgende lezing vallen de uitbarstingen van de landschapsarchitect op, de verwijzingen naar de wrede werkelijkheid en blijkt ook: ‘De natuur is geen krans madeliefjes’.

    Als de nerven in een blad laat Krauss beeldspraak door het verhaal vloeien om uiteindelijk te ontspringen in een waaier van mogelijkheden. Het open eind is als een kers op de taart; een volmaakt slot voor Clair-Obscur, een verhaal waarbij de kracht ligt in die mix van vredige, lichte beelden en donkere, dubbelzinnige beschrijvingen.

     

  • Een olijke bende met grappige rituelen en inside jokes

    Een olijke bende met grappige rituelen en inside jokes

    Recensie door Arno van Vlierberghe

    Het gebeurt wel vaker dat de literaire verslaggeving een tekst van een jonge, nog zoekende auteur enigszins onbeholpen aan de muur van het Pantheon wil nagelen. Op deze muur – steeds onder constructie – is er plaats te over voor jong poëtisch werk dat nog tijdens haar verschijning moet worden voorzien van accolades als ‘voor op zijn tijd’, ‘radicaal vernieuwend’ of nog benauwender, de dooddoener ‘generatiebepalend’. In het geval van Dennis Gaens’ schering en inslag (2013) is het de begeleidende en tot verkoop aansporende achterflaptekst die opgewekt tot deze Pantheonisering aanzet.

    In tegenstelling tot wat de flaptekst beweert, verwoordt schering en inslag absoluut niet ‘het gevoel van een generatie’. En dat is maar goed ook. Er is weinig zo exclusief en vervlakkend als een gedicht dat een hele generatie mannen en vrouwen over eenzelfde kam probeert te scheren. Als schering en inslag al een boodschap heeft die zich eenduidig lezen laat, dan lijkt die van meer eenvoud en subtiliteit te getuigen dan de wens spreekbuis van een hele generatie te zijn.

    Bijna alle gedichten staan ten dienste van de onbekende hoofdfiguur die terugblikt op zijn belevenissen binnen een verloren gegane vriendengroep. In draad, de eerste afdeling van de bundel, worden de vrienden (Dani, Luuk, Lotte en Dave) en hun eigenzinnigheden opeenvolgend geïntroduceerd. Het is een olijke bende die wordt gekenmerkt door een aantal grappige rituelen en inside jokes. Of het nu de bedoeling was of niet, Gaens slaagt er in om zijn personages net niet te uniek te maken (Luuk rookt ‘de rechtste sjekkies ooit’, Lotte ‘raakt mensen liever niet aan’ en ‘drinkt kraanwater uit maatbekers’).

    Het lijkt een slimme zet te zijn geweest om een onbekende maar wel participerende ik-verteller op te voeren. Als er iets ergerlijk is in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie, is het wel de tendens om lauwe anekdotes en gevatte observaties neer te pennen die uitsluitend de eigen genialiteit en Het Anderszijn van de dichter willen tentoonstellen. Want dichters zijn wel heel vreemde wezens, en in tegenstelling tot de niet-creatieve medemens, hebben enkel zij een werkelijk verfrissende kijk op de dingen des levens. Dit zelfverheerlijkend anekdotisme steunt vooral op het modieuze onderscheid tussen de ‘echte’ en de geïmpliceerde auteur van de tekst (vaak een lyrische ik die schijnbaar niet autobiografisch gelezen mag worden). Door niet te kiezen voor een expliciet autobiografische stem, noch voor een uitgesproken fictionele ik-verteller, blijven dergelijke anekdotische gedichten achter met een slordige ‘ik’, een manusje-van-alles dat zich nergens verantwoordelijk voor voelt maar wel heel graag met de eer wil gaan lopen.

    Gaens komt hier op een sluwe manier weg met dit soort anekdotiek door zijn gedichten te besmetten met narratieve constructies die we doorgaans bij proza of epische proza-gedichten zouden verwachten. Zo is het uiteindelijk een externe verteller die doorgaans van bovenaf weemoedig terugblikt op de eigenaardigheden van zijn vrienden en de dingen die ze samen beleefden. Deze verteller is een mooi ontworpen stroman die de verantwoordelijkheid voor zijn eigen vertelstijl en anekdotes in de schoenen geschoven krijgt.  Het resultaat is een geloofwaardige creatie van een klein narratief universum, waarin eigen wetten en uitzonderingen regeren. In deze tekstwereld zijn de personages verantwoordelijk voor het anekdotisch gehalte. Gaens blijft buiten schot.

    De aanwezigheid van een betrokken ik-verteller, de consequent uitgewerkte personages en het prozaïsche karakter van een groot aantal gedichten, maken het verleidelijk om schering en inslag te lezen als een lineair verhaal met progressief verloop. In dat geval kunnen we het dan ook hebben over de mogelijkheid dat een spanningsboog en chronologie alle belangrijke gebeurtenissen in schering en inslag met elkaar verbinden. De gebeurtenis die allesbepalend is voor zowel spanningsopbouw als de chronologie is het bruuske vertrek van Luuk. Nadat in de afdelingen ‘draad’ en ‘schering’  de lolligheden en seksuele spanningen van de groep de toon zetten, wordt het naïef optimisme vanaf ‘inslag’ de mond gesnoerd. Luuk vertrekt en hoewel het schijnbaar ‘bekend’ is ‘dat er zo’n zeven redenen waren waarom hij is vertrokken’ (blz. 35), blijft de groep gebroken en verdwaasd achter. De erotische spanning tussen de vertellende ik met Dani en Lotte waarnaar wordt gehint in ‘schering’, is na Luuks vertrek zo goed als verdwenen. Vervolgens blijkt ook Lotte net iets neurotischer en koelbloediger te zijn dan de eerste paar gedichten lieten vermoeden. Over de relatie met een ex-vriendje meldt ze droog ‘dat dit niet meer was dan punten / die ten opzichte van elkaar zijn verschoven’ (blz. 36). De afstand tussen deze punten is op dat moment in de bundel zo groot dat de kerel ‘inmiddels zo goed als dood moest zijn’. En waar ze zich ook mag bevinden, het hoofdpersonage weet met zekerheid dat Lotte ‘alle uitgangen al gezien heeft’ (blz. 40). Het is mooi hoe Luuks vertrek, ongeveer halverwege de bundel, aan het Friends-gevoel van weleer iets teruggeeft van haar geloofwaardigheid. De wereld kón niet zo feelgood blijven. De donkere kantjes van de personages zorgen er ook weer voor dat het vrolijk optimisme en het anekdotisme vlotter verteert. Je zou na verloop van tijd zelfs nog gaan meeleven met de vrienden en hun tragische lotgevallen. Dat sterk empathische effect heeft een dichtbundel nog maar zelden op mij gehad (ik denk onwillekeurig aan Lieke Marsmans eerste ‘Woensdag’-gedicht uit Wat ik mezelf graag voorhoud: Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd. / Iemand zegt: toen mijn vader stierf was het huis voor altijd / van hem. Wij erfden het, maar hij had er het vaakst niet geademd.).

    De gedichten die de lezer zou kunnen laten denken dat Gaens de ambitie heeft een generatie-dichter te worden, zijn ongetwijfeld Het is dit of doodgaan, Locals, Met vertrouwen, vrienden en hamers en Als de storm thuiskomt. Het zijn de gedichten die de vier afdelingen openen of afsluiten. Ze bevatten geen expliciete verwijzingen naar de vriendengroep en houden het op een onbestemd ‘wij’ gevoel. Uit deze reeks gedichten komt Locals nog het meest in aanmerking om iets te willen zeggen over een generatie mensen, welke die ook moge zijn: Er is keus genoeg. Je kunt met een pet op naar buiten of op vreemde feestjes / pillen slikken. Het volume kan omhoog en je kunt meer leren over wat dan / ook. Toch zal er altijd iemand overblijven die meer weet van de scene dan jij. Uit de achteloze ‘attitude’ waarmee Locals advies geeft over het doen en laten in de stad, spreekt echter evengoed de koude onverschilligheid tegenover elk gevoel van uniciteit dat onder de mensen leeft, waar en wanneer dan ook. Misschien is het verzet tegen dit soort gedrag net dat wat Dani, Lotte, Dave, Luuk en de verteller zo lang met elkaar wist te verbinden. Aan elkaar overgeleverd door een opmerkelijke koppigheid die hen ervan lijkt te weerhouden de al te luide middelmatigheid van de omringende wereld te erkennen.

    Tot slot is het perfect mogelijk dat we deze vier gedichten lezen als kritiek op het generatie-gevoel als verraderlijke illusie, als verkooppraatje voor een groep jongeren die volwassen is geworden met de ironie en het cynisme als eerste en tweede gebod:

     Het is dit of doodgaan

    We komen namen halen.
    Niet dat we onze ouders haten – we zijn
    hooguit verongelijkt over onze vaders.

    Onze aanval volgt op bevel van helemaal
    beneden. Als u nog elektriciteit heeft
    hebben we uw stad nog niet aangedaan.

    We zoeken iets om op in te steken en uit te barsten.

    Als we niet zo verdomd verstrooid zouden zijn,
    waren we er al geweest.

    Het is dan ook volstrekt zinloos en zelfs wat beledigend om Gaens’ gedichten tot generatie-verwoordende poëzie te willen rekenen. Het wereldje van schering en inslag wordt bevolkt door personages die veeleer atypisch willen zijn dan samen te willen vallen met een homogene ‘generatie’ van inwisselbare hippe locals die de hippe steden bewonen. Misschien is het daarom interessant als lezer de ‘we’ in deze gedichten te verbinden met een heterogene verzameling marginale individuen en niet dé huidige generatie jongeren, als zoiets al bestaat.

    Schering en inslag is geen radicaal vernieuwende bundel, en wil dat allicht ook niet zijn. Het gebruik van prozaïsche tekst strategieën en verhalende vertelstijl in poëzie is geenszins nieuw. Maar bekeken tegen de achtergrond van andere jonge hedendaagse dichters, durf ik te zeggen dat schering en inslag toch iets aan de dag legt dat anderen niet doen. Zo is het moeilijk een jonge auteur te noemen die even subtiel en consequent narratieve werelden oproept én uitwerkt in zijn/haar poëzie. In het Vlaamse literaire systeem springt de naam Lies Van Gasse (Wenteling, 2013) in het oog, maar daarna wordt het moeilijk. Vers-technisch en poëticaal staat er in de gedichten van Gaens niet altijd evenveel op het spel, maar dat hoeft ook niet. In Richard Lancasters Dazed and Confused (1993) gebeurt ook betrekkelijk weinig. Maar het is net die eenvoud en de subtiel uitgewerkte spanningen die voor mij de film het herbekijken waard maken. En  ook Dennis Gaens’ schering en inslag is zo’n bundel die ik vermoedelijk nog wel vaker zal openslaan, al is het maar om het eerste (Het is dit of doodgaan) en het laatste (Als de storm thuiskomt) gedicht te herlezen en even weer te weten waarom we de puinhopen van het postmodernisme en het individualisme nu ook alweer aan het opruimen zijn: Hadden we een horizon bewaard, hadden we het zien aankomen. // Als de storm thuiskomt, rechten we onze rug, laten we los en komen we terug.