Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Geraffineerde vertellingen 

    Geraffineerde vertellingen 

    Een Siciliaanse lekkernij (2014) is een bundeling van de tien beste verhalen van Rascha Peper (1949-2013). Het is een keuze uit verhalen die werden gepubliceerd tussen 1990 en 2009.

    Het is een gevarieerde bundel geworden met verhalen uit verschillende tijden. Het titelverhaal ‘Een Siciliaanse lekkernij’ is een twaalfde-eeuws liefdesverhaal, ‘De Waterdame’ en ‘De opdracht’ spelen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. ‘Waterscheerling’ is een tijdloos sprookjesachtig verhaal. En er zijn verhalen die in de provincie spelen (‘Kiew, Kiew…’) of de stad – Amsterdam – als decor hebben, zoals ‘Zwartwaterkoorts’ en ‘Vrijdag’.

    In ‘De Waterdame’ en in ‘De opdracht’ gaat het over romantische gekte en waanzin. Rascha Peper  noemde deze verhalen in een interview ‘idylles die slecht aflopen’. ‘De opdracht’ is het verhaal over een ontsnapping van een ik-figuur uit een psychiatrische inrichting. Ze klimt in de nacht uit het raam van de inrichting, vlucht door een donker bos naar de rivier. In het water vindt ze haar bestemming. Haar ‘opdracht’ is de doodsengel te zoeken. Het verhaal roept associaties op met het gedicht van Herman Gorter over de zelfmoord van Anna Witsen ‘In de zwarte nacht is een mensch aangetreden’. Anna verdronk zich in 1889 in de vijver van het familielandgoed Ewijkshoeve bij Soest. Aan dat gedicht heeft Rascha niet gedacht bij het schrijven, vertelde ze later in een radio-interview (VPRO Boeken), maar ze kende het gedicht wel. Het lijkt of de bezielde natuur uit het gedicht van Gorter terugkomt in het verhaal: ‘De bomen zien er gevaarlijk uit, ze bewegen zich, ze beramen plannen, ze proberen zich los te trekken’.

    Een ander thema dat naar voren komt uit de verhalen is de passie voor en het verzamelen van kunst en met name de extreme kanten van zo’n passie: het bezeten op jacht zijn naar juist dat ene onbereikbare kunstwerk of bijvoorbeeld die zeldzame Montanaripop. Een passie die fysiek en geestelijk pijn doet, het willen bezitten van iets dat je niet kunt krijgen. Het is het smachten naar het onbereikbare. Als Duvivier, de hoofdpersoon uit ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’, een bijzondere pop bij een negentigjarige bijna demente mevrouw heeft gezien, kan hij nog maar aan één ding denken: hoe krijg ik die Montanaripop in mijn bezit. ‘Hij leed. Hij leed zo hevig dat er geen onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke pijn te maken viel. /…/ Er werd aan zijn hart geknaagd.’ De poppen die hij al heeft verzameld zijn niet meer interessant voor hem. ‘Terug in zijn eigen stille, ordelijk huis /…/ voelde hij zich verloren, op het huilerige af. Zijn collectie was verbleekt en glansloos.’ Duvivier gaat tot het uiterste om de pop in zijn bezit te krijgen. Rascha Peper rekent dit verhaal tot een van haar beste verhalen. In de Verantwoording staat dat in haar nalatenschap een versie met ‘substantiële veranderingen’ werd aangetroffen. Voor deze bundel zijn die wijzigingen overgenomen.

    Het mooiste verhaal uit de bundel is ‘Het slapeloos uur van de nacht’. De titel is ontleend aan het gedicht ‘De Bultenaar’ van Ida Gerhardt. Als motto boven het verhaal staat ‘Maar ik ken de hitte des daags  / en het slapeloos uur van de nacht / waarin de beslissing valt.’ Op een knappe manier komen deze regels of een variatie daarvan terug in het verhaal. Geerten Matthijs Bertolet Bokslag, een gebochelde directeur-geneesheer van tbc-kliniek Slangenstein, wordt omschreven als een ‘groteske bultenaar’, een afschrikwekkende trol ‘die zich met orthopedisch schoeisel stampend door zijn kliniek beweegt’. Aan zijn zorg wordt in 1938 een tuberculeus negentienjarige meisje toevertrouwd. Als hij haar op een warme zomerse zondag tijdens het bezoekuur met een paar jongens op het gazon ziet stoeien, reageert hij op deze manier: ‘Bokslag snoof, draaide zich om en liep, kwaadaardig stampend met zijn rechterschoen naar de lift.’ In het volgende hoofdstuk komen de regels uit het motto terug: ‘De slapeloze uren zijn vol beelden. Beelden die zich niet laten verjagen, die zich opdringen met schaamteloze hardnekkigheid, die rusteloos maken, genoegdoening eisen’. Het wordt duidelijk dat er iets zal gaan gebeuren. Het noodlot is ‘een onverschillig dier’ dat kan toeslaan: ‘Uiteindelijk zál het toeslaan… , maar deze keer al?’ De spanning wordt versterkt door de geluiden in de kliniek, het suizen en tikken van de verwarmingsbuizen. ‘Verborgen wezens zenden signalen uit vanuit kelders en zolders, morsetekens.’ En: ‘De verwarmingsbuizen zongen overspannen en tikten nerveus hun onregelmatige, onbegrijpelijke waarschuwingssignalen.’ Dit verhaal doet af en toe denken aan het werk van Roald Dahl: een ‘fantastisch’ verhaal met een onverwachte  afloop.

    Rascha Peper maakt er geen geheim van dat ze voor haar verhalen soms uitgaat van krantenknipsels. Een mooi voorbeeld is ‘Kiew, Kiew…’ dat geïnspireerd is op het leven van Jeanne-Louise Calment, een Française die ruim 122 jaar oud is geworden. Rascha documenteert zich uitgebreid voor haar verhalen, of het nu gaat over poppen of over de middeleeuwen. De dialogen doen nooit onnatuurlijk aan. Met haar eerste zinnen zit je als lezer meteen in het verhaal en voel je de dreiging. Een voorbeeld uit het sprookjesachtige ‘Waterscheerling’: ‘De kinderen van wisselwachter Tienverloren waren grootgebracht met ontzag voor de waterput achter hun huis.’

    Voor deze verhalenbundel schreef Elsbeth Etty een uitvoerig nawoord.  Over het waarom van het schrijven zei Rascha Peper in 1996 in een interview: ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan.’ Zestien jaar later – ze is dan al ernstig ziek – licht ze die uitspraak toe: ‘Het is belangrijk om iets te maken dat jou zal overleven. Als mensen zeggen: jouw boeken blijven bestaan, dan ben ik daar trots op. Niet dat ik me veel illusies maak, hoor. Kijk hoe het gegaan is met veel bekendere schrijvers dan ik, zoals Vestdijk, mijn grote voorbeeld. Wie leest hem nog? Maar toch: het is mooi als je iets nalaat waarin je je diepste gedachten, je fantasieën, je kijk op de wereld en je gevoel voor humor hebt gelegd.’ (Elsbeth Etty, ‘Teruglezen: het laatste grote interview met Rascha Peper’.  In: NRC Handelsblad, 19 maart 2013).

    Een Siciliaanse lekkernij is een prachtig monument voor Rascha Peper. De romans van haar grote voorbeeld Vestdijk werden na zijn dood in een mooie reeks uitgegeven. Een serie verzamelde werken van Rascha Peper zal economisch waarschijnlijk niet haalbaar zijn, maar het zou mooi zijn als er naast de paperback een gebonden uitgave verschijnt van Een Siciliaanse lekkernij. Zij verdient het gelezen te blijven worden.

    Rascha Peper (pseudoniem voor Jenneke Strijland) debuteert in 1990 met de verhalenbundel De waterdame. Haar eerste roman is Oesters (1991). In 1994 wordt Rico’s vleugels genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In het juryrapport staat onder andere: ‘Peper heeft een fascinatie voor stille wateren en sluimerende hartstochten’. In 1996 wint ze de Multatuli-prijs voor Russisch blauw. Rascha Peper overlijdt op 16 maart 2013. Ze is 64 jaar geworden.

     

  • Niemand zo overbodig als hij

    Niemand zo overbodig als hij

    Kort na zijn verloving met de Weense Irene is Franz Tunda, hoofdpersoon in Vlucht zonder einde van Joseph Roth, als vrijwilliger namens Oostenrijk gaan vechten in de Eerste Wereldoorlog. Hij wordt in augustus 1916 Russisch krijgsgevangene, vlucht met een Siberische Pool en hoort pas in 1919 dat de oorlog is afgelopen. Twee thema’s, die bij Roth vaak terugkeren worden meteen zichtbaar: Het voor Tunda geliefde Habsburgse Rijk bestaat niet meer en de soldaat die vervuld was van de oorlog is vervreemd van de wereld. Het eerste thema is bijvoorbeeld het onderwerp in Radetzkymars en het tweede nadrukkelijk in Rebellie. Ook in Vlucht zonder einde is een terugkeer naar de vooroorlogse vertrouwdheid niet mogelijk. Wil Tunda dan nog wel terug? Houdt Irene (en haar wereld) nog van hem – en hij nog van Irene?

    Als hij bij de bevriende Pool vertrekt begint als het ware een nieuwe vlucht. Naar het  onbestemde. Hij raakt op zijn omzwervingen verzeild in de Russische strijd tussen bolsjewieken en mensjewieken en wordt bij toeval, of om de liefde te winnen van de Rode Natasja, revolutionair en propagandist. Tunda wordt uitgezonden naar Bakoe, waar de boortorens de plaatsvervangers van bomen zijn en trouwt daar met de stille Alja. In Bakoe ontmoet hij Parijse toeristen, waaronder een vrouw die zijn herinnering aan Irene weer wakker roept. Hij wil naar de Franse hoofdstad, waar zij nu schijnt te wonen: ‘Toen zat hij op een avond in een trein die naar het westen ging, en hij had het gevoel dat hij niet vrijwillig ging.’ De reis voert hem onder andere naar zijn broer Georg in ‘een zekere stad aan de Rijn’, en uiteindelijk naar Parijs, waar hij zal ontdekken dat niemand op de wereld zo overbodig is als hij.

    Vlucht zonder einde bevat een mooie inleiding van Arnon Grunberg. Daarin staat hij uitvoerig stil bij de verhouding tussen de auteur Joseph Roth en de protagonist Franz Tunda. Roth zelf noemt in een kort en raadselachtig voorwoord Tunda zijn ‘vriend, makker en geestverwant’. Hij duikt zelf op meer plaatsen in de roman op. In het laatste hoofdstuk vermeldt hij zelfs heel precies wanneer hij Tunda leerde kennen: ‘op 27 augustus 1926, ’s middags om vier uur’ in Parijs – kort dus voor de roman zou verschijnen in 1927. Roth is in de roman ook degene die het contact herstelt tussen Franz en zijn broer Georg. Ze hebben elkaar 15 jaar geleden voor het laatst gezien. Zijn eigen rol in het verhaal heeft Roth parten gespeeld bij de compositie van de roman. Grunberg haalt daarvoor een brief aan van de auteur aan zijn vriend Stefan Zweig, waaruit blijkt dat hij het verhaal aanvankelijk in de eerste persoon (met Tunda als ik-figuur) had geschreven. Hij zou overgestapt zijn op de derde persoon omdat die vorm sterker de tragiek van Tunda laat uitkomen die zich niet van zijn eigen lot bewust is. Dat is een verhelderende conclusie (die keuze werkt ook), maar hij kan ook rare wendingen in de roman verklaren. Zo bestaat hoofdstuk IX uit een dagboekfragment van Tunda waarna de tekst op pagina 59 ineens weer overgaat naar de derde persoon.

    Uitgeverij Atlas is een serie “LJ Veen Klassiek” gestart waarin diverse romans van Roth opnieuw zijn uitgegeven. Vlucht zonder eind is daarin ook opgenomen, maar die titel verschijnt nu pas voor het eerst in Nederlandse vertaling. Daar mogen we blij mee zijn, want Roth is er in zijn volheid in aanwezig. En dat betekent niet alleen in zijn thematiek, maar ook in zijn veelzijdigheid.

    Neem bijvoorbeeld hoofdstuk III. Daarin laat hij je naar adem happen door zijn kernachtige, gebeitelde en volle zinnen. Een uitvoerige samenvatting, met veel citaten, illustreert dat: Irene’s vader was een potlodenfabrikant die de kwaliteit van zijn artikelen hoger achtte dan de praktische bruikbaarheid. Hij bleef de beste potloden produceren voor de soldaten in de loopgraven, die juist vroegen om een goedkopere soort. Toen het vrede werd, was hij door zijn goede spul heen en had alleen nog slecht materiaal: ‘Hij verkocht het samen met zijn fabriek, trok zich terug in een lommerrijke wijk, maakte nog een paar korte wandelingen en ten slotte de langste gang naar de algemene begraafplaats.’ Irene bleef na zijn dood in de villa achter met de hond en een adellijke dame die om de oude heer rouwde ‘niet omdat hij een nauwe band met haar had gehad, maar omdat hij was heengegaan zonder een nauwe band met haar te hebben gehad.’ Irene verlooft zich met Tunda; het biedt haar de kans om onder de controle van de dame uit te komen omdat ze zo wettelijk meerderjarig wordt. Die liefde zou de oorlog en de revolutie niet hebben overleefd als Tunda teruggekomen was: ‘Maar vermisten bezitten een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Een aanwezige bedrieg je, een gezonde, een zieke ook en eventueel zelfs een dode. Maar op iemand die op raadselachtige wijze is verdwenen, wacht je zo lang mogelijk’. Irene houdt niet echt van Tunda, maar staat evenmin open voor anderen ‘omdat aanwezige mannen het afleggen tegen vermisten.’ Bovendien ging in de oorlog de romantiek ten onder: ‘Ten koste van de jamben leerden de meisjes van alle standen ziekenverzorging’. Na de oorlog valt Irene onder druk van haar omgeving (‘door de zuchten van de aristocratische dames, wier medeleven leek op leedvermaak’) voor de hoffelijkheid van een andere man. Eindelijk kan ze de adellijke dame verlaten. Ze neemt de hond mee; de dame neemt ‘ook een deel van zijn taken over: ze gromde tegen de postbode’.
    Dit alles beslaat nog geen vier pagina’s. Glashelder lezen we over de jeugd van Irene en krijgen we en passant een tijdsbeeld door een scherpe kenschets van haar vader, en de houding van (Habsburgse) mannen en vrouwen tegenover de liefde. Wat een volheid!

    Vergelijk die compactheid met de weidsheid in de beschrijving van de ontmoeting met Franz’ broer Georg, die dirigent is. Roth neemt nu alle ruimte (ruim 20 pagina’s) voor de confrontatie met de oude wereld waartoe Georg hoort en die Franz alleen nog maar kan zien als ‘een gemaskerd bal’. Roth wordt hier opeens ook bijzonder actueel als hij de vraag aan de orde stelt of we eigenlijk wel kunnen spreken van een Europese cultuur – een dispuut dat later, als Tunda in Parijs is, nogmaals wordt opgepakt:

    Op plechtige momenten spraken ze allemaal over een gemeenschappelijke Europese cultuur. Op een keer vroeg Tunda: ‘Denkt u dat u mij precies kunt vertellen waarin die cultuur bestaat die u zegt te verdedigen, hoewel ze helemaal niet van buitenaf wordt aangevallen?’
    ‘In de religie!’ zei de president, die nooit naar de kerk ging.
    ‘In de beschaving’, zei de dame, van wie alom bekend was dat ze illegitieme betrekkingen onderhield.
    ‘In de kunst’, zei de diplomaat, die sinds zijn schooltijd geen schilderij meer had bekeken.

    En dan denk je terug aan wat Tunda eerder tegen zijn broer, de dirigent, gezegd heeft: ‘Past het je niet om je onder het volk te begeven, omdat je een priester van de kunst bent? Ben je tevreden tussen je wijwatervaten en schilderijen en je oude cultuur? Verneem je alles uit de kranten?’

    Wat een prachtig boek.

     

  • Fijngevoelige portretten

    Fijngevoelige portretten

    Romeinse koorts is een bundeling van verhalen van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton (1862-1937). De meeste verhalen gaan over rijke vrouwen die worstelen met onzekerheden over hun sociale status of de visie van hun man of minnaar op hen. Ze voelen zich afhankelijk van de mening van de ander.

    Als een schets van de sociologische laag waartoe de personages behoren is Romeinse koorts zeer geslaagd. Wharton weet empathie op te wekken voor de veelal verwende figuren uit haar teksten die niet lijken te beseffen hoe bevoorrecht zij zijn.

    De personages uit deze bundeling lijken zich in het geheel niet te schamen voor hun rijkdom of voor het gegeven dat zij personeel in dienst hebben: dat wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. Het zou zeker wat hebben toegevoegd als Wharton extra aandacht had besteed aan het perspectief van de ‘bedienden.’  Slechts in twee of drie verhalen staat de wisselwerking tussen personeel en werkgever/werkgeefster centraal.

    Soms is het stramien waarop de verhalen zijn gebaseerd iets te duidelijk zichtbaar, is de vertelkunst van Wharton te nadrukkelijk. Zo wordt in het titelverhaal wel erg duidelijk toegewerkt naar een pointe in de slotzin. Verder spelen zaken als de ziekte van een compagnon, immobiliteit als gevolg van een val, of het medische verbod wijn te drinken een belangrijke rol in de teksten: deze gegevens maken de plot van het verhaal telkens mogelijk, het is te duidelijk dat de schrijfster ze puur met die reden introduceert.

    De verhalen ‘Granaatappelpitjes’ en ‘Allerzielen’ hebben een bovennatuurlijke thematiek die een welkome afwisseling vormt op de andere teksten waar het gaat om een aards realisme, aangaande status, liefde en afhankelijkheid. Deze beide verhalen laten zien dat Wharton vele facetten van het schrijverschap beheerst, wat ook blijkt uit het slotverhaal van deze bundel, ‘Xingu.’ Daarin betoont ze zich een groot humoriste in haar beschrijving van een ontmoeting van een snobistische lunchclub van niet al te snuggere vrouwen.

    De verhalen zijn goed vertaald door Lisette Graswinckel, zodat ook de stijl tot zijn recht komt. Niet alle in deze stijl gevatte inzichten spreken echter voor de moderne lezer nog tot de verbeelding. Een zin als ‘Niets is voor een man ondoorgrondelijker dan het denkproces van een vrouw die vanuit haar emoties redeneert’ (213), neigt naar het clichématige, al mag er natuurlijk niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de visie van het personage die van Wharton is. Veel interessanter is de volgende passage over twee ongetrouwde geliefden: ‘Ik denk weleens dat twee mensen die elkaar liefhebben alleen voor waanzin behoed worden door alles wat tussen hen in komt te staan –kinderen, verplichtingen, bezoekjes, saaie mensen, familie – alles wat getrouwde mensen van elkaar afschermt. We zijn elkaar te na geweest, dat was onze zonde. We hebben elkaars naakte ziel gezien.’ (228) Ook mooi is de volgende beschrijving van een man die contempleert over het gegeven dat zijn vrouw twee maal eerder getrouwd is geweest: ‘Hij bezat aandelen in de persoonlijkheid van zijn vrouw, en zijn voorgangers waren zijn zakenpartners.’ (252)

    Elk verhaal uit deze bundeling is de moeite waard. Wharton komt met fijngevoelige portretten van de personages, waarbij de subtiliteiten die de menselijke levensvorm zo boeiend maken – deze is zo veel meer dan slechts een ontspoorde aap – goed uit de verf komen. Ze laat zien dat onzekerheid over relaties en sociale conventies van alle tijden zijn.

     

     

  • Conceptualistisch en cerebraal onthechten

    Conceptualistisch en cerebraal onthechten

    De jij-vorm is eigenlijk maar vreemd. ‘Ik’ is één persoon, ‘hij’ en ‘zij’ ook, daar bestaat geen twijfel over, maar ‘je’ en ‘jij’ zorgen voor onoverzichtelijke situaties. Deze twee woorden geven normaliter een begrensd gesprek aan: er is een jij en er is een ik. Voetballers bijvoorbeeld praten echter graag over zichzelf in de jij-vorm: ‘je gaat op de goal af en denkt niet na, maar schiet.’ Als er in het gedicht het woord ‘je’ valt, wordt daar niet zelden de lezer zelf mee aangesproken. Al in het eerste gedicht van In de ogen van de god duikt er een strofe in de je-vorm op:

    je bestaat
    je houdt het jouwe uit
    je sleept de onverkwikkelijke lengte
    van je verblijf achteloos de kombuis
    van je taalregister binnen

    Wordt hier iemand toegesproken of spreekt iemand zichzelf toe? Is die iemand de lezer? Deze jij-vorm komt in een groot deel van de gedichten terug en neigt de ene keer naar iemand die in zichzelf praat, en de andere keer naar iemand die toegesproken wordt.

    Al vrij snel komt er een prominent onthechtingsthema in de bundel naar voren. Niet zelden krijgt dat thema een (quasi-)religieuze lading. Aan het slot van de bundel bijvoorbeeld kijkt de ‘je-persoon’ (bij gebrek aan een betere uitdrukking) zijn onthechte en goddelijk geworden zelf in de ogen: wie de zelfonthulling / in de ogen van de god / weerspiegeld heeft gekregen.

    Die onthechting is bij vlagen indrukwekkend. Bovendien is het niet lastig om grip te krijgen op de gedichten. Daarnaast laat Van der Waal zien dat hij oog en oor heeft voor muzikaliteit; lees zijn poëzie eens hardop voor en let op de subtiele assonanties. Toch ontbreekt er voor mijn gevoel iets aan In de ogen van de god.

    Dat lichte gevoel van gemis heeft te maken met een gebrek aan concreetheid. Hoewel Van der Waals gedichten zeker niet beeld(spraak)vrij zijn, blijven ze toch vrij abstract. Dat heeft ook te maken met de duidelijk conceptualistische insteek van de bundel die opgebouwd is uit een aantal reeksen van steeds drie gedichten. Daarnaast is het onthechtingsthema erg prominent aanwezig. Niet zelden komen de gedichten daarom over als ideeën die met een paar beelden aangekleed zijn. Ter illustratie:

    Als je er je vinger op legt
    is het niet
    of je dat nu
    zacht of plots
    ruw of traag

    niettemin

    de pijn
    aan je oorsprong
    laat je zijn wie je bent
    is de lier
    die de licht steekt in je tijd

    dus als je keert en spreekt
    en wijst en grijpt
    verdwijnt het als ooit
    liefde in de dood

    maar vergis je niet

    juist in dat wijken
    ontrolt zich
    het wekken van je wezen

    Dit gedicht stipt kort thema’s als identiteit en vergankelijkheid aan en krijgt vervolgens een visueel en auditief (let op de alliteraties en assonanties) versierd jasje aan, maar de ideeën in deze tekst liggen vrij open en bloot in zicht. Dat is geregeld het geval in deze bundel. Iemand als Paul Bogaert, aan wiens werk In de ogen van de god meer dan eens doet denken, is ook een dichter met een ideeënwereld, maar die wordt vaak in een vorm gegoten die daar goed bij aansluit. Als Bogaert over ontpersoonlijking schrijft, gaat hij over op science fiction- of reclameachtig taalgebruik. In de ogen van de god is qua vorm minder spannend: de taal spettert nu eenmaal minder.

    In de ogen van de god bevat ook twee reeksen waarin van die ongedefinieerde jij-vorm en schijnbaar ook van het onthechtingsconcept afgeweken wordt: Stabat mater en Loopgraaf. Bij de eerste lezing vond ik beide reeksen uit de toon vallen bij de rest van de bundel en bij de tweede keer lezen vond ik ze een welkome afwisseling. Ze zijn namelijk aanzienlijk concreter dan de rest van de bundel.

    In Stabat mater wordt weliswaar iemand als ‘je’ aangesproken, maar deze persoon is identificeerbaar als een ‘medebewoner van deze verrommelde / vierkante kilometer stad’. Zijn dementerende moeder heeft een ‘verdunde geest’. In Loopgraaf wordt een groepje jonge soldaten tijdens de Grote Oorlog gevolgd. Ze worden aangesproken als ‘jullie’: terwijl gifgas / jullie longen smoorde en jullie gek van / angst in geul of krater een laatste adem / persten uit jullie verwrongen mond. In beide reeksen duikt dus ook een onthechting op, gedwongen door dementie en de mensonterende omstandigheden in de loopgraven. Deze reeksen passen daarom goed in het concept van de bundel en werken de achterliggende ideeënwereld op een concrete, invoelbare manier uit.

    In de ogen van de god is bij vlagen indrukwekkend, maar even vaak net iets te koel; de ideeën krijgen geregeld voorrang op het esthetische in deze poëzie en dat maakt haar vaak erg cerebraal. Henk van der Waal heeft een uitstekende bundel geschreven, maar tegelijkertijd is het ook poëzie waarmee je moeite zult hebben deze in je hart te sluiten.

     

     

     

  • Onopgeloste huiselijke zaken

    Onopgeloste huiselijke zaken

    In de bundel Altijd een raam van Sylvie Marie gebeurt alles binnenshuis. De bundel is opgesplitst in twee delen: Binnenskamers en Buitenshuis. Twee aparte gedichten fungeren als opening en slot. Maar zelfs in de gedichten van het deel Buitenshuis gebeurt alles binnen.

    De gedichten gaan voornamelijk over ik, jij en wij, maar de ik, jij en wij van de dichter kunnen ook net zo goed ik, jij en wij zelf zijn. Zo verbindt de dichter ons met haarzelf en betrekt ze de lezer bij haar huiselijke beslommeringen. De op het eerste gezicht persoonlijke gedichten graven diep in de ziel en leggen herkenbare gevoelens bloot. Terwijl ze het over een tafel, de slaapkamer, etensresten en tegels heeft, opent ze de ramen en neemt haar huis mee naar buiten. Jammer genoeg missen de gedichten zonneschijn en een frisse wind die de gedichten kleurt en laat groeien. Ze laat de wereld niet binnen in haar gedichten, want binnen is het vol van onopgeloste huiselijke zaken, zoals uit de meeste gedichten blijkt. Huiselijk of niet, ze raken wel en ze raken diep:

    welkom in onze flat
    dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
    die naar boven of benden
    vlucht, we verzamelen

    ons aan tafel om er steevast
    te zitten, oog in oog, tand op tand.

    wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

    en neen, er is geen hond
    om stiekem restjes aan te schuiven.

    Marie durft in haar poëzie de confrontatie met zichzelf aan te gaan en met de weemoed die in iedere regel huist, durft ze zichzelf uit te lachen, te troosten en weer verder te gaan:

    smaak
    in het begin waren we eindeloos
    op elkaar en onder
    in het donker een dag niet meer om het lijf
    dan het nemen en eten ervan.

    we dansten als stenen
    posturen op de rand van een kast, zo
    halsoverkop ons van geen val bewust.

    vandaag houden we ons kranig,
    als ik thuiskom van het werk
    en je bent er en hebt gekookt,
    dan zeg ik dat het lekker is.

    Sylvie Marie benoemt geen gevoelens in haar gedichten, ze beschrijft ze. Ze laat de lezer het verdriet, de pijn en teleurstelling tussen de woorden door meebeleven.  Maar de weemoed raakt niet diep, duurt niet lang. Ze is als een veertje dat je raakt en weer loslaat:
    en zeg niet dat zulke zaken naderhand beter worden / we zijn geen wijn, (blz.39).

    Omdat ze gemakkelijk om haar pijn lacht en er de spot mee drijft, wordt de pijn in haar gedichten speels en af en toe zelfs heel simpel: omdat je op tongen geen pleisters plakt / voor kussen op knieën een paard te groot bent, (blz. 20).

    Bijna alle gedichten in Altijd een raam zullen het goed doen tijdens een korte voordracht. De luisteraar kan er zijn eigen verhaal in herkennen. De helderheid en humor van de dichter zijn te waarderen. Maar wanneer meer gedichten achter elkaar gelezen worden, wordt het eentonig. De gedichten lijken dan opeens heel erg op elkaar en de herhaling van gevoelens doet de prachtige vondsten in de bundel tekort. Waar de intieme en huiselijke gevoelens tot herkenbaarheid oproepen, zorgen ze op een gegeven moment voor een herhaling van hetgeen al eerder is gezegd. Na telkens woorden als koffie, bed, huis, kamer, porselein, vader, daver, zolder en kelder tegen te zijn gekomen, is de koek op. De verrassing flitst weg en de lezer krijgt een gevoel van: dit heb ik al gehoord! Maar dat heeft de dichter vast niet zo bedoeld, zoals ze dat zelf mooi verwoordt: we kwamen niet verder dan de woorden van een dichter / die vast iets anders had willen zeggen (blz. 14).

    Sylvie Marie laat in deze bundel de ramen open, maar moet nog de durf tonen om weg te vliegen, het avontuur in, de wereld onder de loep nemen en zich niet opsluiten in binnenskamerse lotgevallen. Want een scherpe blik voor details, een sterke zelfspot en een speelse toon bezit ze zeker!

    ik wil daar iets over zeggen, maar je rent voortdurend weg.
    als ik je achterna ga, spelen regendruppels om het eerst vallen
    en heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken.

     

    Recensie door Nafiss Nia

     

    ,
  • Gelukkige liefde bestaat niet 

    Gelukkige liefde bestaat niet 

    Al snel wordt duidelijk wat het thema van Kroniek van een bange liefde van Trudy Kunz is: ‘Gelukkige liefde bestaat niet, net zo min als er een gelukkig leven bestaat: er bestaan alleen gelukkige momenten. Het is alleen zo jammer dat je vaak pas achteraf ziet welke dat waren.’ (24)

    Elisabeth Arntz is journaliste. Zij is goed in haar werk, zelfstandig en vol zelfvertrouwen. Behalve in de liefde. Op dat gebied is ze onzeker en afhankelijk. Elisabeth blikt terug op haar leven en liefdes. Deze roman is eigenlijk een lange brief aan Mark, met wie zij al zo’n twintig jaar een relatie heeft. Ze kan maar moeilijk met deze lastige man leven, maar zonder hem leven is geen optie.

    Elisabeths afhankelijkheid is extreem. Ze geeft zich volledig aan haar geliefde over, zonder zich af te vragen of ze eigenlijk wel verliefd is of van hem houdt. Na het verbreken van een eerdere lange relatie is ze haar mening en gevoel totaal kwijt. Ze is zo verward en gedesoriënteerd dat ze bij de huisarts eindigt en de eerste pillen zijn een feit. Gedurende het boek neemt haar zelfinzicht wat toe: ‘Ik ben zo iemand die in paniek is omdat degene bij wie zij zich veilig waande zich plotseling van haar heeft afgekeerd.’ (88). En dat afkeren kan de kleinste afwijzing zijn. Elisabeth gelooft bij iedere irritatie of ruzie dat zij degene is die het verprutst heeft.

    Door haar afhankelijkheid van Mark, die lastig in de omgang is, vervreemdt ze van familie en vrienden. ‘Maar hoe ik mijn gedrag ook aan jouw verlangens aanpas, er is steeds minder voor nodig om je ergernis op te wekken.’ (140) Ze wringt zich in steeds meer bochten en raakt zichzelf daarbij kwijt. Toch is alleen al de gedachte dat deze relatie eindigt genoeg voor een pure paniek. Ondanks feedback van vrienden. Een vriendin zegt haar: ‘Jij bent zo zelfstandig als wat, je verdient je eigen geld, je hebt succes, reist de hele wereld over- jij zou moeten overlopen van zelfvertrouwen. Maar uitgerekend jij laat je aanpraten dat je niet goed bent zoals je bent.’ (150)
    Maar er verandert niets. Voor Elisabeth is liefde een verslaving die haar ten gronde richt, enkel uit angst om alleen te zijn.

    Het boek is anekdotisch, de gedachten en gevoelens van Elisabeth staan centraal. Dit gaat zo ruim 200 pagina’s door zonder dat er een andere, actieve verhaallijn is en dat maakt de hoeveelheid emotie wel erg overweldigend. Elisabeths afhankelijkheid en hulpeloosheid worden aanvankelijk authentiek en ontroerend geschetst. Maar naarmate het verhaal vordert en zij steeds neurotischer overkomt, ben je als lezer geneigd te roepen: ‘Neem nu eindelijk eens zelf een beslissing. Kom eindelijk eens voor jezelf op.’  Aan het einde van haar periode van zelfreflectie komt Elisabeth tot het inzicht dat haar problemen voortkomen uit haar jeugd. Enerzijds een plausibele verklaring, anderzijds ook een makkelijke een reden om niet zelf de verantwoordelijkheid te hoeven nemen als je alles kunt afschuiven op een labiele moeder.
    Ondanks de overdaad aan gevoelens is het boek vlot en toegankelijk geschreven.

    Kroniek van een bange liefde is de debuutroman van Trudy Kunz (1947). Jarenlang was zij verslaggeefster van Libelle, vermoedelijk zullen Libelle lezeressen dit boek met plezier lezen.

     

     

  • Eindelijk verlost of voor eeuwig verdoemd?

    Eindelijk verlost of voor eeuwig verdoemd?

    Jaren was het stil rond hem, mààr hij is er weer, Te Gussinklo (1941) – onmiskenbaar – met Zeer helder licht, zijn derde roman.

    Een veelbelovende start van de nieuwe uitgeverij Koppernik! Met deze eigenzinnige, meervoudig bekroonde – maar ook bekritiseerde – auteur haalt ze niet de eerste de beste in huis. Zijn debuut De verboden tuin (1986), een roman die zich afspeelt op de drempel van de puberteit waarin de negenjarige Ewout het verlies verwerkt van zijn kinderlijke samenhang met de wereld, werd bekroond met de Anton Wachterprijs. Met het meesterwerk De opdracht (1995), waarin we dezelfde Ewout – inmiddels 14 jaar en volop puber – nauwlettend volgen op een zomerkamp in zijn vergeefse pogingen geliefd en populair te worden, sleepte hij de F. Bordewijk- en de Van der Hoogtprijs in de wacht én werd hij ook nog eens genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Naast genoemde romans verschenen de novelle Het engeltje (1996) en een aantal essaybundels, waarvan Te Gussinklo in Aangeraakt door Goden – een mengeling van autobiografie en essayistiek – op indrukwekkende wijze de zoektocht naar de wortels van zijn bewondering voor  Mulisch en Sartre verwoordt (inspiratiebronnen voor zijn schrijverschap).

    Met Zeer helder licht maken we een sprong vooruit in de tijd. Dit keer geen (pre-)puberale Ewout maar een jongeman, Wander genaamd, in de hoofdrol. Wederom een gevoelige, eenzelvige ziel – gemodelleerd naar de schrijver – met veel te hoge verwachtigen van zichzelf en het leven. Lijdend aan zijn eigen (vermeende) misluktheid in een wereld waarin hij zich allerminst thuis voelt. Een wereld die evenzeer wordt gevreesd als veracht.‘Mislukking, alles in mijn leven verwees daarnaar, wat ik ook aanvatte, wat ik ook probeerde, alles mislukte, brak af bij mijn handen.’

    Het zijn de zeventiger jaren. Wander- 31 jaar – gesjeesde student psychologie, probeert zich te herpakken om alsnog wat van zijn leven te maken. Drugs, drank en hoerenvertier heeft hij voor eens en altijd afgezworen. Schrijver wil hij zijn. Want dáár in het schrijverschap – zo luidt zijn stellige overtuiging – wacht hem de bevrijding, de geboorte van zijn ware zijn. Groots en scheppend zal Wander leven, in de gló-ó-ó-ria! ‘Literatuur is de grootste, de hoogste, de koningin van de kunsten, want die laat zien wie we zijn, die laat het gevecht zien om te bestaan, om te overleven in de afgewende, onherbergzame werkelijkheid die niet is zoals wijzelf, die wij bekleden, die wij stofferen met cultuur om haar herbergzaam te maken. En het gevecht om onszelf vorm te geven, onszelf te scheppen tussen al dat andere en al die anderen. Het gevecht om niet misvormd te raken, verpletterd, verwrongen.’ 

    Tja, groot zijn Wanders dromen, zoveel kleiner de daden: geen letter staat nog op papier.  Maar dan kruist Hanna zijn pad. De oogverblindende, 12 jaar jongere ‘lieve lieve Hanna’. Zijn muze, zijn ‘leeuwtje’. De godin van het licht die hem als geen ander begrijpt, de maagdelijke studente uit een keurig milieu. Zijn geluk kan niet op. Voor haar wil hij schrijven, meer dan ooit.  ‘Ik ben het boek […] Voor jou schrijf ik het, nu ik je eindelijk gevonden heb, voor jou. Jij bent mijn muze, pas dan zal ik echt degene zijn die jij liefhebt.’ Begint met Hanna dan eindelijk het lang gedroomde leven?

    Radeloos is Wander, als we op de openingspagina kennis met hem maken. De avond ervoor heeft hij voor het eerst Hanna weer gezien nadat hun relatie op de klippen is gelopen. Tegen de hevige tegenwerking van haar welgestelde ouders (lees: hysterische taart van een moeder, venijnige bulldog van een vader) die hem ver beneden de waardigheid van dochterlief achtten, bleek de relatie helaas niet bestand. Thuisgezeten, in zijn krakkemikkige huisje, vraagt hij zich af hoe zich van de ondergang te redden. Vluchten wil hij, maar ook weer niet, want ‘daar komt geen einde aan’. Bewegen lijkt een betere optie, want ‘het maakt de dingen kleiner omdat ze iets terloops krijgen, niet kunnen groeien door de kracht, het voedsel dat ze aandacht geeft.’ Oke, dus hup naar buiten. De afgrond bezweren. Maar in hemelsnaam waar moet hij heen?

    239 Pagina’s lang worden we hierna meegesleurd in het stuwmeer van Wanders gedachten, emoties, observaties en overwegingen. Werkelijk niets van de kolkende binnenwereld van deze afgewezen ziel blijft de lezer bespaard. Er is geen ontkomen aan. Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mogen we ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd.

    Toch is Zeer helder licht geenszins zware kost. Met zijn indirecte observerende schrijfstijl bezit Te Gussinklo het talent om in het heetst van de strijd onverwacht geestig uit de hoek te komen waardoor de meest bizarre taferelen ontstaan. Hilarisch is de scène waarin Hanna’s moeder zich in volle razernij vergrijpt aan het portier van Wanders Renaultje, en zwaar over de top die waarin ze hem met haar roze pomponnetjespantoffel probeert af te rossen. Zowel komisch als schrijnend is de op de zolderkamer van zijn vriend gearrangeerde bedscène vol onvermogen waarin Wander – uiterst voorzichtig als minnaar – het genot probeert te vergroten door haar een beetje te helpen ‘haar hand begeleidend als een onderwijzer die een achtergebleven leerling bij het schrijven helpt, samen de pen vasthoudend, letters vormend, woorden…’ waarop Hanna na onverrichte zaken afstandelijk verzucht ‘Oef, wat ben je zwaar.’ En hoe ijselijk kan een kennismakingsbezoekje aan toekomstige schoonouders wel niet zijn? ‘“Kom”, zei hij zijn armen op de leuning van zijn stoel leggend teneinde zich te verheffen. “U zult wellicht elders verplichtingen hebben.” ‘ Zo wordt oogappels vriendje nog eens keurig netjes afgeserveerd. Wanders noodlot lijkt hiermee voltrokken. 

    Te Gussinklo schrijft gedetailleerd, breed uitwaaierend en bezeten. Geen mooischrijverij, maar oh, wat gaat er allemaal wel niet om in dat hoofd. Kronkelende zinnen, vol second thougths en een kwistig gebruik van leestekens. Soms ontvouwt zich in een enkele zin een hele geschiedenis. ‘Hoewel, meer geld nu ik niet meer dronk, geen drugs gebruikte en de kleine erfenis – van mijn dode vader; omgekomen in de oorlog, en van mijn dode moeder; plotseling overleden aan een dubbele longontsteking – waarvan ik moest leven minder belastte.’

    In het verhaal gebeurt feitelijk niet zoveel. Het is dan ook niet de strakke verhaallijn of het boeiende plot dat maakt dat je zijn werk wil – nee moet! – lezen. Het zijn de minutieus uitgewerkte aaneengeregen reflecties op het denken en op het intermenselijk verkeer die de lezer vervoeren en iets pijnlijk moois, iets groots laten ervaren. Zo ook – zij het wel minder indrukwekkend dan in zijn eerdere romans – in Zeer helder licht.

     

  • ‘Alles draaide om geweten’

    ‘Alles draaide om geweten’

    Wat na lezing van Vergeef ons onze zwakheid het meest bijblijft is het wel en wee van de aangespoelde walvis. Het wee liever gezegd, want van wel is weinig sprake. Debet aan dat bijblijven is de plastische beschrijving van de aanwezigheid van het dier gedurende de circa drie maanden dat verpleeghuisarts en hoofdpersoon Sybrand Staring op een Schots eiland verblijft. Hij is daar naartoe ‘gevlucht’ omdat de Nederlandse media op hem jagen sinds bekend is geworden dat hij een verpleeghuisbewoner hulp bij euthanasie verleende en de Amerikaanse dochter van de man daarom een aanklacht tegen hem heeft ingediend.

    Het boek begint als Sybrand aan de reling staat van het schip dat hem naar een van de Hebriden brengt, waar hij en zijn vrouw Cecile (die nu niet is meegekomen) op een afgelegen plek een tweede huis bezitten. Het eindigt als hij weer thuis is en zijn draai probeert te vinden. Al op de eerste bladzijde wordt de lezer het verhaal ingetrokken, niet alleen door het beeldend vermogen van IJlander maar ook door de soepele, zindelijke taal waarmee hij het verhaal vertelt. Ieder woord is verantwoord. Bovendien wordt het idee van een ingetogen vertelling versterkt door de afwezigheid van aanhalingstekens voor de dialogen.

    Tegelijk met Sybrands komst is de walvis aangespoeld. Sybrand gaat kijken en wordt geconfronteerd met eilandbewoners die het dier als een kermisattractie benaderen en er met een stok in prikken terwijl het, zo meent Sybrand, nog niet eens dood is. Zo staat hij wederom oog in oog met het sterven.

    Tijdens zijn werk in de tuin piekert Sybrand over de euthanasiekwestie. Hij heeft  verpleeghuisbewoner Arend Mos gewezen op de mogelijkheid van een zelfgekozen einde en daar zelfs ruzie om gekregen met een collega ‘…die hem ervan beschuldigde meneer in een bepaalde richting te duwen, hij mocht zijn opvattingen over levensbeëindiging niet opdringen aan een weerloos iemand.’ (p. 33) Twee andere collega’s steunden hem wel, maar hielden zich stil toen de media zich begonnen te roeren. Ook zijn baas liet hem vallen uit angst voor de reputatie van het verpleeghuis. Mede als gevolg daarvan gaat Sybrand op het eiland steeds meer twijfelen aan zijn eigen oprechtheid, en langzaam wordt duidelijk waarom.

    Hij begint te denken dat er internationaal jacht op hem wordt gemaakt en dat hij zal worden gearresteerd zodra de instanties erachter komen waar hij zich bevindt. Via telefoon en e-mail probeert de nuchtere Cecile hem ervan te overtuigen dat er geen reden voor zijn angst is. Hij heeft geen enkele Nederlandse wet overtreden.
    Hoe meer hij ervan overtuigd raakt dat hij gearresteerd zal worden, hoe schuldiger hij zich voelt over zijn hulp aan Mos. Heeft hij zich door Mos laten manipuleren? Had hij hem niet mogen helpen om zijn leven op zo’n manier af te sluiten? Zo maalt hij en maalt hij.

    Als Cecile wekenlang niets hoort en geen contact met hem kan krijgen, stuurt ze een telegram waarin ze onmiddellijk een teken van leven eist. In het telefonisch contact dat volgt overtuigt ze hem ervan dat er geen internationaal arrestatiebevel bestaat. ‘Je kunt morgenavond thuis zijn. Ik reken op je.’ (p. 168) Na dat telefoongesprek gaat hij terug naar huis.

    Tijdens het lezen lijkt Sybrands ontreddering logisch en begrijpelijk. Want al vlak voor de euthanasie ging hij ‘… met bezwaard gemoed van huis (…) hij vond dat hij het moest kunnen.’ (p. 34), zo bouwt IJlander de twijfel in. Toch stemt Sybrands toestand de lezer tot nadenken. Als verpleeghuisarts zag hij euthanasie als een zegen, als een aanvaarde mogelijkheid voor mensen in nood. Een uitweg waarvan het logisch is om er gebruik van te maken als de nood zich aandient. Vanwaar dan de latere scrupules?

    Eenmaal weer thuis toont hij zich in een gesprek met de dochter van Mos sterk genoeg om zijn visie op leven en dood helder te verdedigen. Dat roept wederom de vraag op waarom hij dan op het eiland zo wankel in zijn schoenen kwam te staan. Al stond de onttakeling van de walvis symbool voor dood en vergankelijkheid, die ervaring is toch niet heftig genoeg om Sybrands ideeën over waardig sterven geloofwaardig aan te tasten. Ze had die juist moeten versterken. Ook is er geen moment van opstandigheid tegen zijn werkgever of tegen de media, of van vurige verdediging van zijn standpunt, terwijl hij toch ooit zo overtuigd was van het recht op hulp dat mensen hebben bij de wil tot levensbeëindiging.

    Het verhaal zit goed in elkaar. Details en kleine gebeurtenissen worden voortdurend verweven met Sybrands leven van dat moment. Wind, wolken en water kleuren de omgeving. De natuur maakt als vanzelfsprekend deel uit van het verhaal, net als in de andere boeken van IJlander. Ook komen daarin steeds maatschappelijk geëngageerde onderwerpen aan de orde: politiek in Geen zee maar water, een slinkse projectontwikkelaar in Wildzang, een moord en een gemeenschap waarin men elkaar dekt in De Aanstoot, bouwfraude in De Brug. En nu dus euthanasie in Vergeef ons onze zwakheid. Het gaat IJlander om verantwoordelijkheid en hoe de hoofdpersoon daarmee omgaat. Of hij zich schuldig moet voelen, of dat hij het is.

    Iets meer overtuiging had IJlander zijn hoofdpersoon in zijn stellingname over euthanasie wel kunnen meegeven, hetzij vóór, hetzij tegen. Sybrands ontreddering weet de lezer niet helemaal voor zich te winnen. De zin ‘En misschien had hij ook wel verraad gepleegd aan zichzelf, op die bewuste dag.’ (p. 203) is voor tweeërlei uitleg vatbaar, wat nog versterkt wordt door: ‘Alles draaide om geweten…’ (p. 203). Uiteindelijk wordt er in dit boek geen enkel standpunt echt verdedigd. Als IJlander vooral reserve over het onderwerp wilde laten zien, dan is hij daarin uitstekend geslaagd.

     

     

  • Nog juist geredde tijdsbeelden

    Nog juist geredde tijdsbeelden

    De titel van de Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis is grappiger dan hij op het eerste oog lijkt. Het gedeelte tussen haakjes verwijst naar de debuutbundel van auteur Hans Vervoort uit 1970 (Kleine Stukjes Om Te Lezen) en een ‘nipper’ was de achterkant van een schip waar de matroos nog net op kon springen als het schip al aan het uitvaren was. Toen Hans Vervoort (geboren in 1939) ouder werd, begon hij zich steeds meer te realiseren dat hij beelden en herinneringen had die uit het collectieve geheugen zijn verdwenen. Wie kent nog het prachtige woord ‘Buiteltuin’ voor een kinderspeelplaats? Ooit verzonnen door Godfried Bomans. Vervoort zij getroost: Van Dale heeft ‘buiteltuin’ geconserveerd; maar hij heeft gelijk dat niemand het nog gebruikt. Typisch een ‘nipper’ – een woord dat nog net op het droge kan worden gehaald.

    De ‘nippers’ zijn korte stukjes over faits divers uit Vervoorts leven die nog juist kunnen worden gered van de vergetelheid. Hij begon ze te noteren op zijn Facebook-pagina en besloot ze te bundelen bij gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. De nippers worden in het boek aangevuld met ‘snippers’: korte mijmeringen over meer actuele zaken (die soms ook weer herinneringen oproepen).

    Vervoort, geboren in Indonesië, publiceerde in zijn leven bij diverse uitgevers, maar gaf dit nieuwe boek in eigen beheer uit. Dat doet vermoeden dat uitgevers die eerder werk van hem uitbrachten er deze keer geen financieel haalbare kaart in zagen. Toch liet Vervoort in een interview in het VPRO-programma Nooit meer slapen weten dat hij er bewust voor koos om het zelf te doen: uitgevers richten zich steeds meer op het Top-Tiensegment. Ze kunnen hun belangrijkste oorspronkelijke rollen (redacteur, distributeur, pr-leider) niet meer vervullen voor een (ervaren) schrijver die maar een paar duizend boeken verkoopt. Tegelijk kunnen de groeiende mogelijkheden voor auteurs om zelf boeken te bezorgen ook een gevaar gaan vormen voor bestaande uitgevers, waarschuwt hij. Zo bezien is deze uitgave in eigen beheer zelf ook een soort nipper: net gered uit de commerciële drukte.

    Wat de nippers betreft zal het genoegen voor de lezer wellicht groter zijn naarmate hij zelf ouder is. Ze roepen af en toe het ‘ach ja’ op van degene bij wie een vergeten deurtje weer even open gaat: hoe mannen sigaretten aanstaken naar het voorbeeld van Humphrey Bogart; de pinda-chinees met de bak voor zijn buik in de bioscoop; de vroeger alom aanwezige engelbewaarder – waar is hij gebleven? Er zijn de verrassende feitjes: nooit geweten dat TV-producent Gied Jaspers de uitvinder is van de Rolykit, de handige oprolbare gereedschapskist. Mooi ook zijn de uitdrukkingen die Vervoort in zijn nippers redt: de ‘achterwaartse drempelvrees’, ooit gediagnosticeerd door psycholoog Bert de Vries en nu bij Google niet één hit opleverend! Of de verzuchting van Hans Faverey ‘Dat is tranen persen uit ijzervijlsel’. Goed dat die nu alsnog is geboekstaafd.

    Maar nog vermakelijker qua stijl en verteltrant dan de ‘nippers’ zijn de ‘snippers’. Ze stellen voor meerdere lezers herkenbare, want actuelere, kwesties aan de orde. Hierin treedt ook de literator Vervoort iets meer naar voren met humor en ironie. Hij komt bijvoorbeeld met een beleggingstip: koop de postzegels van PostNL. Sinds die genummerd zijn gaat de prijs steeds onopvallend omhoog. Koop ze groot in; ze worden steeds meer waard.
    En absurdistisch is het advies om te besparen op gezondheidszorg door alle consulten in het Engels te laten plaatsvinden. Logisch: wij Nederlanders hebben door de bank genomen 20% meer woorden nodig dan een Engelsman om dezelfde boodschap over te brengen. Dat scheelt 3 minuten op een consult van een kwartier. Dat betekent dat een Engelse arts 40 patiënten kan helpen in de tijd die de Nederlandse dokter nodig heeft om er 32 bij te kunnen staan.

    De Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis zal als samenraapsel de literatuuroverzichten wel niet halen, maar het boek is toch een bescheiden historisch document dat bovendien goed is voor een gulle lach.

    (Gratis als pdf te downloaden op www.hansvervoort.nl)

     

  • Laura van der Haar heeft patent op nieuwe woorden

    Laura van der Haar heeft patent op nieuwe woorden

    Recensie door Albert Verweij

    De Nederlandse kampioen Poetry Slam 2013, Laura van der Haar (1982), debuteerde onlangs met de bundel Bodemdrang. Van podium naar papier, van gehoord naar gelezen worden. De gedichten moeten het opeens zonder voordracht stellen, maar krijgen er een bladspiegel voor in de plaats. Wat voor het oor niet telt, kan in het oog lopen. Zo leest men in deze bundel hoofdletter noch punt aan respectievelijk begin en einde van een zin. Wel zijn voor het gemak de regels in strofen gegroepeerd en blijken de veertig gedichten in dit debuut voorbeeldig in drie afdelingen gerangschikt.

    Voor de archeologe die deze laureaat ook is, zal het begrip ‘bodemdrang’ wellicht een andere betekenis hebben dan voor iemand die zijn vraatzucht niet beteugelen kan zodra een zak chips open gaat. Hoewel de bodemdrang van deze dichteres niet al te breed wordt uitgemeten, wordt de titel wel eer aangedaan door de frequentie waarmee aan bodem, grond en zoden wordt gerefereerd en er van een zeker verlangen in de grond op te gaan sprake lijkt te zijn. Zo leest men van een ‘plek om te zinken’, wordt er ‘grond’ gezocht ‘om in weg te zakken’ en ‘is de diepte te sterk / de bodem is zo zwak / slokt het mij op’. Een van de afdelingen heet dan ook veelzeggend verlanden. Hoewel Van der Haar met haar debuut geenszins een luchtige entree heeft willen maken, wordt in haar ‘bodemdrang’ niet echt diepe lagen aangeboord. Dankzij haar bij vlagen sterke, zeer eigenzinnige beeldspraak voert een aangename frisheid de boventoon in deze gedichten.

    Van der Haar heeft een patent op nieuwe woorden en past ze met groot gemak toe in haar gedichten. Zo krijgt de lezer woorden als ‘woestijnhielen’, ‘grasnachten’, ‘dierenzweet’ en ‘draaimolenwind’ over zich heen. Woorden die goed bekken en prettig lezen. Gevoegd bij metaforen van het kaliber ‘de man duwt aan de ochtend’ of ‘een veranda lang geleden’ dragen ze ertoe bij dat de zinnen knisperen en er ruimte vrijkomt ‘voor het trillen van de dag erboven / voor het neerwaartse van vliegen’. Het aanvliegen van een zwerm opgejaagde, dolle vogels typeert ze als ‘een heel groots naderen, daarboven // zoals wanneer ze bij je in bad stappen en dan / het verschil met wanneer ze bij je in zee stappen/ bij deze vogels stapt iemand in bad / ze klotsen haast over de rand’. De speelse lef die uit dit soort zinnen spreekt, dwingt af dat men dergelijke zinnen graag het voordeel van de twijfel gunt en men zich niet bekreunt om de vraag wat er nu eigenlijk precies mee wordt bedoeld. Dit soort regels rechtvaardigen de blurb (‘regels die spankracht hebben’) van collega-dichter Mustafa Stitou zonder meer. Maar niet iedere zin dwingt een dergelijk mild oordeel af. De regels uit een ander gedicht ‘het is inmiddels geen badwater meer / het daalt hij moet bewegen, drinken / is slechts het omgekeerde van dat niet doen’ zijn te geconstrueerd om makkelijk te verteren. En bij het lezen van ‘[we] klommen in hekken / braken doormidden tot we volmondig kozen en spijt kregen’ zal het adjectief ‘volmondig’ de lezer een frons kunnen ontlokken. En wie zal beamen dat ‘als je verliefd bent (…) alles / altijd / heel erg’ is? Ieder bewijs voor die stelling blijft in het vers achterwege.

    Op gemakzuchtige sfeertekening zul je haar niet gauw betrappen. ‘Op de achtergrond’ mag ‘het centrifugeren van een wasmachine’ hoorbaar zijn, terwijl elders in de bundel nog respectievelijk een koelkast en een hond mogen aanslaan, tegenover zulke inzak momenten staan in deze bundel grotere pluspunten, zoals in de vorm van een heel gedicht:

    afzadelen

    bleke ingenieurs van geheugenplaatsen
    rochelen gelaten en weten vast
    hoe ze buitenboord moeten slapen

    drinken de dag uit hun glazen
    hangen lappig in hun stoel, vragen
    of hun hoofd even open mag

    ze snuiven krampachtig, likken
    hard geworden vachten
    hangen een beetje de dood uit

    ze raspen de korst van hun wonden
    liegen sluitingstijden en in reflecties
    staat er nog altijd iemand achter ze

    Dit gedicht etaleert ten volle Van der Haars lovenswaardige eigenschap om voor de hand liggende beelden uit de weg te gaan. De woorden ‘rochelen’ een associatieve reeks van beelden op waarboven een onbestemde dreiging hangt. Het geheel mag tamelijk vaag blijven – iedere volgende strofe werpt wel een nieuwe vraag op – , suggestief is het er niet minder om. En dat er een groepje, onbehouwen kerels ‘lappig’ (ook zo’n aardig woord!) ‘een beetje de dood’ uithangt is een beeld dat graag beklijft. Van der Haar heeft goed begrepen dat een net niet te volgen gedicht zoveel plezieriger leest dan een voorspelbaar gedicht. Ze heeft een goede hand van het skippen van informatie, om in plaats daarvan de ene associatie op de andere te stapelen. Zo kan het missen van iemand tot een mistglans leiden: ‘iemand missen kan de vale gloed zijn / die boven steden hangt // mistglans van verkeersaders’. Met een paar scherpe pennenstreken tekent ze een heel perspectief: ‘alleen wolkenrafels langs weinig maan / een snelle veeg lipstick/woestijnhielen’. Maar die kunst van het weglaten is bij het vijf maal achterelkaar noemen van ‘fuck’ in het gedicht roezen overduidelijk niet toegepast. Maar goed, Laura van der Haar is een podiumdichteres, en vijf keer ‘fuck’ klinkt natuurlijk best geinig. Het oor wil tenslotte ook wat. Daar staat tegenover dat als twee mensen in één slaapzak belanden, er niet als een dolle tekeer wordt gegaan. Men leest slechts: ‘ik moest maar bij jou in bed blijven / tot mijn benen weer behaard waren’. De typisch dichterlijke neiging zich te richten op wat er niet meer is of weldra niet meer zal zijn is Van der Haar niet vreemd: ‘en binnenkort / komt hoe dan ook het moment / dat alleen de plek die je zojuist verlaten hebt / nog warm is’.

    In haar gedichten worden niet de bloemetjes in de avondval liefelijk dicht gekust. Hier geen ‘knisperpaden, smoelzoete zomervakanties’. Hier wordt uit een ander vaatje getapt:  ‘alleen het blauw van dichtgeknepen ogen / is dat geen fijne kleur voor de natuur’. We hebben hier te maken met een stoere vrouw, die het er ruig aan toe kan laten gaan: ‘wat ik zou willen hebben: een baksteensnijder’. Hier spreekt iemand die erbij zou willen zijn als ze na haar dood haar hoofd ‘recht doormidden snijden/ rats door het gezicht (…) om te zien met wat voor mes / en of iemand dan mijn hals vasthoudt / of dat die misschien al weg is, mijn hals // en wat ze daar precies mee doen’.

    In de gedichten die een terugblik bieden op een vredig beleefd verleden in een landelijke omgeving van eigen maat en eigen grens, is de toon anders. Er klinkt iets van heimwee in door: ‘toen leek alles dichterbij, logisch bij elkaar’ en ‘ooit was er iemand die een vlek uit je shirt haalde / even je schouders kneedde’. Het fijne zomeravondgevoel van vroeger wordt mooi getekend met: ‘die avond waarop het lekker rook / zomaar / wat vroeger tussen de beschoeiing door / een klein, open station / de slootkant / trage wind en dunne haartjes op je benen’. Maar sentimentaliteit krijgt bij deze dichteres geen kans wortel te schieten.

    Dit debuut kent naast flair, genoeg eigenzinnigheid en weerbarstigheid om het te loven. Waar opent elders een gedicht met: ‘brommertje, zegt ze / je doet me aan een brommertje denken / aan een kale weg langs helmgras / aan vechtsport, nieuwe vuilniszak’? Een belegen woordkeuze kan haar niet verweten worden, wel dat ze nogal springerig te werk gaat, want de volgende strofe vervolgt met: ‘hij ritst haar bij in zijn deken / wil een letter zeggen, troostend’. Dat typeert haar poëzie: voor een beeldspraak geheel wordt afgeserveerd, springt het al over op een volgend beeld, en voor je het weet worden er drie of meer ballen in de lucht gehouden. In de daaropvolgende strofen verandert het beeld weer: ‘vandaag was hier een circus / ze wijst rechtuit het donker in, naar / vochtig stro, dierenzweet // naar de verte, de smiecht / die braak lag waar een ogenblik / de zon hing, groot rood bungelend // heeft zij er zand gezogen / een lange zucht, omgekeerd / heeft zij er braak gelegen // hij strijkt haar wang recht / haar jurkje, strijkt / is alle letters kwijt’. Dit is geen poëzie waarin alles op zijn pootjes terechtkomt. Goed, die letter uit het begin keert aan het einde terug. Met die ‘troost’ komt het ook wel goed, maar van dat brommertje wordt verder niets meer vernomen. Jammer misschien, maar het tekent ook de sterke kant van deze debutante. Die van de verrassende, scherpe penseelstreken waarmee ze een beeld in één keer neerzet.

    Het is dat Van der Haar zich zelf verre van ieder cliché houdt, anders zou men kunnen eindigen met: dit debuut doet ons uitkijken naar haar volgende bundel…

     

     

  • Alles wat solide was verdwijnt in het niets

    ‘Alles van waarde is weerloos’ zo dichtte Lucebert in 1974. Maar niet in Spanje, zo betoogt Antonio Muñoz Molina in zijn boek over de economische crisis in Spanje. In tegendeel. Daar was volgens hem tot voor kort juist alles wat waardeloos was solide. Totdat de snelgroeiende Spaanse zeepbel-economie in 2008 uiteenspatte en het land ontredderd en gedesillusioneerd achterliet. Maar volgens Muñoz Molina ook met de opdracht om de luchtspiegelingen uit het verleden achter zich te laten en schoon schip te maken. Om eindelijk goed te doen.

    Daarvoor is het volgens Muñoz Molina ook de hoogste tijd. Dat maakt hij zijn lezers wel duidelijk. Want het Spanje van voor de crisis was een land dat veel te veel gekarakteriseerd werd door verdeeldheid, corruptie, verruwing en verbaal geweld. Terwijl het land nog nooit zo rijk geweest was. Slechts in enkele decennia was Spanje erin geslaagd de onderdrukking en angst van zich af te schudden die gepaard was gegaan met de dictatuur van Franco. En dat had de Spanjaarden een enorme rijkdom gebracht. Maar geen breed geworteld geluk. Het omgekeerde was eerder het geval. Volgens Muñoz Molina kon Spanje als gevolg van het ontbreken van een goed ontwikkeld democratisch besef en een ontbrekend ‘wij’ gevoel niet goed omgaan met de plotselinge rijkdom die het land overspoelde. ‘In Spanje zijn er te veel eeuwen van dictatuur en intolerantie geweest’, zo schrijft hij, ‘om de vrijheid van denken wortel te doen schieten, en ook de democratie heeft bij ons nog niet lang genoeg geduurd om er echt aan te wennen de vrije meningsuiting in de praktijk te brengen.’

    Het gevolg hiervan was dat Spanje de sociale cohesie en structuur ontbeerde om de vruchten te plukken van zijn nieuwe rijkdom. Met als gevolg dat deze rijkdom werd verkwist door onderlinge agressie en de obsessieve zelfverrijking. Zonder dat de schuldigen daar echt op werden aangesproken. Omdat het not done was de vuile was buiten te hangen en de ‘eigen’ groep aan te vallen. Met als gevolg dat niemand wat zei, iedereen de andere kant op keek en alles solide was. Totdat in 2008 de zeepbel uiteenspatte.

    In die tijd woonde Muñoz Molina overigens zelf allang in New York. Waar hij onder andere werkte als directeur van het Instituto Cervantes. Maar ondanks zijn langdurige afwezigheid bleef hij aan zijn vaderland verbonden. Via zijn columns in El Pais, via de vele romans die hij publiceerde en die zich veelal in Spanje afspeelden en via zijn kinderen die er studeerden. En toen de crisis uitbrak en de Spaanse jeugd, inclusief zijn eigen kinderen, in protest de straat op gingen, kon Muñoz Molina dan ook niet anders dan onmiddellijk terug gaan naar zijn vaderland. In zijn herinneringen, in de tijd, maar uiteindelijk ook fysiek. Om met eigen ogen te zien hoe alles wat solide was in het niets aan het verdwijnen was.

    Muñoz Molina heeft vrijwel zijn gehele boek nodig om uit te leggen hoe dat in een democratisch land als Spanje kon gebeuren. En hij doet dat uitvoerig. Te uitvoerig. In alle opzichten. Zijn taal is overrijk, zijn zinnen onstopbaar lang. Veel lezers zullen hun wenkbrauwen fronsen bij zinnen van meer dan twintig regels, met meer dan 12 komma’s of andere leestekens. Als ze al niet eerder zijn afgehaakt. En een voorbeeld als toelichting op een stellingname is natuurlijk goed, en ook twee voorbeelden kunnen als ‘extra stevige onderbouwing’ nog wel worden gewaardeerd. Maar het zal de meeste lezers toch echt te gortig worden als ze zich door bijna twee pagina’s met vijftien voorbeelden moeten heen worstelen, van steeds weer andere maar toch vergelijkbare steden, die zich te buiten gaan in steeds weer dezelfde overmatige en hoogmoedige nieuwbouwprojecten.

    En dat is jammer. Want Muñoz Molina’s visie op Spanje is een interessante. En leert je veel over de geschiedenis van zijn land, en daarmee ook over de worsteling die het doormaakt bij het bestrijden van de economische crisis waarin het gedompeld is. En je steekt als lezer ook nog eens wat op over die grote Spaanse schrijver, Cervantes. Die niet alleen met Don Quichot en Sancho Panza onvergetelijke romanfiguren creëerde, maar die in dat zelfde boek ook Het poppenspel der wonderen introduceerde. Een kluchtige eenakter waarmee Cervantes volgens Muñoz Molina avant la lettre beter dan wie dan ook de diepere context van Spanje’s huidige onvermogen verklaart.

    In Het poppenspel der wonderen benadrukt Cervantes het belang van een zuivere identiteit. Een eis die in een land als Spanje, waar zo veel volkeren en culturen zich eeuw na eeuw vermengden, onvervulbaar blijkt. En dus een illusie. Net zo’n illusie als de soliditeit van Spanje. Zodat Muñoz Molina nog net voor de laatste pagina van zijn boek niet onverwacht tot de conclusie komt dat het spel der verbeelding uit is. Om vervolgens een pleidooi te houden voor tolerantie. Een pleidooi dat hij overigens gedeeltelijk een Nederlands tintje geeft, omdat hij twee weken in Amsterdam verbleef en zich daar laafde aan al wat volgens hem goed is in Nederland.

    De laatste pagina van zijn boek besteedt Muñoz Molina aan een blik vooruit. Een hele pagina. Waarbij hij de stelling betrekt dat Spanje geen andere keus heeft de dingen anders te gaan zien, zoals ze werkelijk zijn. ‘Na zo veel luchtspiegelingen hebben we nu eindelijk, mogen we hopen, de jaren des onderscheids bereikt.’ Het zijn weliswaar woorden van hoop, maar het zijn ook woorden die nog heel ver af staan van een echt antwoord op de crisis. Terwijl de Nederlandse vertaling je dat wel belooft. De ondertitel luidt immers ‘Hoe uit de crisis te komen’. Maar die vraag wordt door Muñoz Molina niet beantwoord, en ook overigens in de oorspronkelijke taal niet op de cover gesteld.

    Wonderlijk overigens, hoe een ondertitel en een cover vooraf een beeld kunnen schetsen van een boek dat zo anders is dan hetzelfde boek in de oorspronkelijke uitgave. De Nederlandse versie toont hoe drie mensen met man en macht een vallend huis tegen proberen te houden. Het lijkt een onmogelijke opgave, en daarmee lijkt ook het overkomen van de crisis bij voorbaat een kansloze missie. De Spaanse versie toont drie touwtrekkende mannen en geeft geen ondertitel en kondigt dus ook geen oplossing aan. De tegenstand van de touwtrekkers is niet te zien, maar de verbetenheid in hun strijd wel. Zij zullen winnen. Zoals Muñoz Molina dat wil. Vereend. En met de gave des onderscheids.

     

  • Wij gaan allemaal naar de maan, de lege maan

    Wij gaan allemaal naar de maan, de lege maan

    Na onze dood gaan we naar de maan. ‘De maan is het vagevuur waarvan sprake is in oude religies, zo genoemd omdat de maan een zwak schijnsel van de hemel is, een vaag vuurtje. In dat vage vuur worden onze zielen gelouterd: ontdaan van de laatste illusies van individualiteit. Dat kan wel even duren.’

    Inmiddels op aarde (2014) is het verhaal van elf getalenteerde jongens die in april 1958 op het Gymnasium van Dürer in Antwerpen eindexamen doen. ‘April 1958 is een lentegevoel, een wij-gevoel. We zitten met elf jongens in de eindexamenklas. Elf jongens van zeventien jaar, bijna los, bijna vrij. Vol verwachting tussen ooit en nooit. We noemen onszelf de elf zonen van Kafka’.

    De gymnasiasten doen eindexamen en gaan vervolgens naar de universiteit. Zes van de elf worden hoogleraar. Van de klas van 1958 bestaat een klassenfoto. Deze foto bevat een ‘hogere zijnsorde, die niemand kon vermoeden, de foto gaf de volgorde aan waarin we zouden sterven. De volgorde van de zelfmoorden.’  Johan zit helemaal vooraan op de foto, op de achterste rij de verteller, ‘als elfde, ik Frederik.’

    Johan overlijdt in 1964, hij is de eerste dode en hij mijmert op de maan over de elf zonen van Kafka. Hij wacht rustig op de anderen, zijn klasgenoten uit april 1958. Geduld is niet moeilijk, want de tijdrekening op de maan is niet zoals op de aarde, een eeuwigheid kan een uur duren, of omgekeerd. Op aarde intussen nog tien overlevers. ‘Toen waren er nog maar tien. Jawel, het aftelrijmpje, bijna een vaste uitdrukking, een voorzet voor open doel. Misschien dachten we het allemaal, maar we zeiden het niet. De grap was te evident, te spreekwoordelijk.’

    De elf zullen niet als individuen op de maan overleven, maar als een groepsziel. Later, veel later, gaan de maanzielen naar de zon. De ik-verteller vertelt dat hij daar later op terugkomt, omdat dat een veel moeilijkere materie is. Hij legt dat uit aan de hand van een cryptische zin: ‘Wat er daar gebeurt, valt niet zomaar te begrijpen. En zoals de schrijver die een boek begint de leerling is van wie het boek beëindigt, zo ook is de lezer aan het begin van het boek de leerling van wie het boek uitleest.’
    Johan zit dus op de maan te wachten totdat de anderen komen. Iedere klasgenoot krijgt een eigen hoofdstuk waarin zijn levensgeschiedenis wordt verteld: de jaren van trouwen, kinderen, promotie maken, werken en verhuizen, de jaren van hebzuchtig vergaren, scheiden en overlijden.

    De opzet is steeds hetzelfde. Hoofdstukken met als titel: ‘Inmiddels op aarde’, met daaronder het sterfjaar en de naam van de overledene. Tussendoor telkens een hoofdstuk ‘Maan’ en een hoofdstuk ‘April 1958’.
    In de hoofdstukken over het gymnasium krijgt de lezer een beeld van hoe het er op de school in 1958 aan toegaat. Strenge leraren die worden gehaat door de leerlingen en surveillanten die meedogenloos helpen handhaven. Een totalitaire school die doet denken aan de school uit Bint van Bordewijk, o.a. door de namen en bijnamen van de docenten. Bij Bint legendarische namen zoals Klotterbooke, Van der Karbargenbok, Whimpysinger;  bij Inmiddels op aarde o.a. Denboeft, Ganzerik, Snodgrass (Drekzak), Bundelspreeuw. Vooruit, nog een paar omdat de namen zo mooi zijn: Rupsentros, Strobbelaere en Gerdenbreekers.

    Er is een hoofdstuk met een overzicht van alle docenten en hun vakken in onder- en bovenbouw. Elke docent wordt beschreven met zijn vak en zijn eigenaardigheden. Wie herinnert zich nog de docent Frans (Compiet) die zijn leerlingen lijsten laat maken van de ‘temps primitifs’, de hoofdtijden van de Franse onregelmatige werkwoorden? Veel aandacht uiteraard voor Latijn en Grieks met de enige docent voor wie de elf sympathie hebben, Delaroche.

    De klas maakt twee maal een schoolreisje naar de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel met een (nog steeds actueel) thema: discriminatie. ‘Elf zeventienjarigen op de Expo… het zijn herinneringen die we liever niet hebben…’ Het betreft de herinneringen aan de koloniale tijd van België – op de Expo was een Kongolees dorp waar Kongolezen in etnische klederdracht konden worden ‘bekeken’, een menselijke dierentuin achter hekjes, Afrikanen in rokjes van stro  ‘vernederd als museale objecten.’ De elf verrichten daar een heldendaad die nooit de pers haalt, maar ‘dat vonden we juist bij een echte heldendaad horen.’

    De maanhoofdstukken beginnen steevast met zinnen als ‘Inmiddels op de maan wachten de anderen’. De zielen van de doden zijn gegroepeerd in roedels, gebaseerd op de inspirerende emotionele verwantschappen die mensen tijdens het leven ervaren hebben, ‘in ons geval zijn de sterkste verwantschappen die van de elf klasgenoten van het eindexamenjaar uit 1958’. Ze zitten in een zielswolk, een web van saamhorigheid. Soms is er contact met andere zielswolken, bijvoorbeeld die van de middeleeuwer Guingamor die samen is met Harry Mulisch en Pat Boone.
    Het muziekhoofdstuk op de maan geeft een mooi overzicht van de muziek eind jaren vijftig. ‘Er was nog iets magisch aan de elf /…/ De Muziek. /…/ De grondstof van hun groepsziel.’  Muziek als verbindend element – het ontstaan van de rock-’n roll in 1955, Bill Haley, Elvis Presley, Jerry Lee Lewis. De rock-’n roll duurde tot 3 februari 1959, the day the music died, toen Buddy Holly verongelukte, met een uitloop naar 1962, de doorbraak van de Stones en de Beatles. Ook de (cool)jazz heeft hun gemeenschappelijke interesse.

    Het boek zit tot de nok toe vol met literaire citaten en verwijzingen, soms staat de herkomst erbij, soms ook niet. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, zei Nescio. En: ‘Ik hou van jou helemaal tot aan de maan’ (uit: Raad eens hoeveel ik van je hou van Sam McBratney). De docenten worden getypeerd als ‘ongewervelde lesboeren uit de woestijn van de geest, die niet eens het verschil kenden tussen hun kont en een gat in de grond, verdwaalde minkukels die door een kwalijke vergissing van de natuur – of door politiek gesjoemel – voor een klas terecht waren gekomen.’ Randy Newman en Marten Toonder in één zin.
    Uiteraard bevat ‘Inmiddels op aarde’ veel verwijzingen naar De goddelijke komedie van Dante (Purgatorio, het vagevuur) en naar bekende en minder bekende zon- en maanliteratuur uit de mythologie, over de maangodin Selene en de herder Endymion.

    Uiteindelijk zitten er tien gymnasiasten op de maan te wachten op nummer elf, de jongen die achteraan staat op de klassenfoto uit 1958. Ze dringen aan op zijn komst, zoals blijkt uit een van de hoofdstuktitels:  ‘Maan – Kom nou’.  De elf  ‘op weg naar iets anders’ – Foetussen waren we – maar aardige foetussen.’

    Door de klassenfoto en de opbouw van het boek weet de lezer dat de ik-verteller, ‘Frederik-ik’ het laatst aan de beurt is om te sterven. Hoe moet dat gaan? Zonder verteller immers geen verhaal. Op een slimme manier wordt dit opgelost. De structuur en de opzet van het boek, – de beschrijving van het gymnasium en de docenten uit 1958, vervolgens de beschrijving op de maan en tot slot die van de levensgeschiedenissen van de elf klasgenoten, – maakt dat er een zekere voorspelbaarheid inzit. Maar uiteindelijk blijkt Inmiddels op aarde een mooi leesavontuur, een fantasierijk boek vol literaire en andere verwijzingen. Lucas van Hapert verdient een compliment voor de mooi gestileerde omslag: twee halve cirkels verbonden door een potlood met elf dwarsbalkjes.

    Paul Verhuyck,  Antwerpen 1940, studeerde Romaanse Filologie in Gent. Hij promoveerde in Leiden. Van 1972-1999 was hij als universitair hoofddocent oudere Franse en Occitaanse literatuur aan de Rijksuniversiteit verbonden. Inmiddels op aarde is zijn zesde roman. Eerdere romans verschenen bij de Arbeiderspers: De doodbieren (1991), Moord door geboorte (1993), De binnendienst (1995), Hout en koper (1999), De elektrische man (2003). In samenwerking met echtgenote Corine Kisling publiceert hij romans onder de auteursnaam Kisling & Verhuyck. Inmiddels op aarde is opgedragen aan Corine.