Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Een staaltje van literaire journalistiek

    Een staaltje van literaire journalistiek

    Iedereen stapt weleens af is een verzameling stukken die John Schoorl (1961) schreef in onder meer  de Volkskrant. Schoorl laat zien dat journalistiek literair kan zijn. Sommige mensen gaan ervan uit dan non-fictie geen literaire waarde kan hebben, omdat de schrijver gebonden is aan de feiten. Dat is geen sterke redenering. Literatuur valt of staat bij de stijl. Het berichten over feiten belet een goede schrijver niet om tot mooie formuleringen te komen. En Schoorl schrijft mooi.

    De bundeling begint met de titelreportage. Mogelijk het sterkste stuk uit het boek. Schoorl bespreekt erin een volslagen onbekende wielrenner die in de jaren vijftig aan de Tour de France heeft deelgenomen en is afgestapt. Uit diverse van de artikelen blijkt een voorliefde voor verliezers. Verliezers, in de sport af anderszins, zijn bijna altijd  interessanter dan de winnaars, zo blijkt uit de teksten. Schoorl laat zien hoe leeg supporters eigenlijk zijn die op voetbaltribunes ‘No time for losers‘ zingen. De verliezer is veel representatiever voor de menselijke ervaring dan de triomfator.

    In zijn stuk over de wielrenner, Arie van Wetten, beschrijft Schoorl het moment van afstappen ‘in de hel van Normandië’, als volgt: ‘Hij had ook in Antarctica kunnen zijn of in de binnenlanden van Afrika. Hij zag he-le-maal niks meer. Alles stond zogezegd op zwart. Hij stond daar alleen op de weg, samen met zijn blauwe fiets. Van ellende waren alle plooien in zijn gezicht bij elkaar gekropen. Zijn lange puntneus pikte uitgeput tegen zijn vorstelijke kin aan. Dan was er nog zijn gele shirt, dat eruit zag als een expressionistisch schilderij. De letters van sponsors Locomotief en Vredestein waren door klodders kots en rochel onherkenbaar geworden. En hij huilde. Godverdomme, hij stond te grienen.’ (16) Deze ervaring is duidelijk boeiender dan een beschrijving van een glorieuze overwinning. Over een winnaar in het leven valt bar weinig te vertellen, al doet Schoorl een goede poging in zijn beschrijving van Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes.

    Schoorl, die zelf dichtbundels publiceerde, schreef ook interessante portretten van de dichteressen Delphine Lecomte en Kira Wuck. De auteur toont in deze en andere artikelen veel empathie. Je krijgt het gevoel dat zijn visie op de besproken personen wel ongeveer klopt. Daar zit hem ook wel een gevaar in. Juist omdat het journalistiek is verwacht je objectiviteit. Schoorl interpreteert meer dan veel andere journalisten. Letterlijke citaten geeft hij niet veel. Zijn teksten zijn vooral weergaven van Schoorls visie op de besproken mensen. Het is de vraag of je met wat research en een interview tot een volledig afgewogen visie op een ander kunt komen. Maar het zou jammer zijn geweest als Schoorl daarom had afgezien van het schrijven van zijn stukken. Totale objectiviteit is in de grond natuurlijk ook onmogelijk. En door te schrijven op zijn eigen manier laat de journalist de lezer duidelijk weten dat hij subjectief is, zoals elke schrijver. En dat is wel zo eerlijk.

    De literator Coleridge stelde ooit dat iedere mens die ooit geleefd heeft eigenlijk een biografie verdient. Dat is misschien wat overdreven, maar het lijkt wel zo te zijn dat iedere mens een artikel over hem of haar verdient zoals Schoorl ze aflevert.

  • Wie is er eigenlijk nog zichzelf?

    Wie is er eigenlijk nog zichzelf?

    Wie de roman Anna. Ode aan een kattenstaart ziet liggen, zal de titel wellicht nauwelijks iets zeggen. In het gunstigste geval roept hij vragen op en maakt nieuwsgierig. Maar wie het boek uit heeft, weet hoe mooi en liefdevol de titel is.
    Anna is het romandebuut van de bedrijfskundige en neerlandicus Ru de Groen. Het is een mooie liefdesgeschiedenis van twee oudere pubers, die pas laat in hun leven zijn uiteindelijke betekenis ontsluit, maar ook een boek dat tintelt van plezier in taal.

    Anna Stoffel, tot dan toe een in zichzelf gekeerd meisje uit een gebroken gezin in een deftige buurt in Breda, is 17 jaar als ze valt voor klasgenoot Willem Havelaar. Hun eerste werkelijke ontmoeting op straat is omineus geladen: Anna passeert een Poolse tank en als de twee elkaar aanspreken gaat net de sirene van het oefenalarm af.
    Ook Willem Havelaar komt uit een weinig stabiel gezin, maar is juist extrovert. Hoewel: hij is net zo onzeker, maar weet dat te verbergen achter exuberante fantasieën en uitingen waarmee hij anderen vooral wil imponeren. Hij zorgt ervoor dat Anna uit haar wereld breekt, maar zelf laat hij zich nauwelijks aan haar kennen. Wanneer ze te dichtbij komt slaat hij op de vlucht. Hij vernedert Anna zelfs in het bijzijn van klasgenoten omdat hij daarmee applaus oogst. Daarmee gooit hij zijn gevoelens voor haar te grabbel: ‘Ik behoor tot die groep van mensen die keer op keer kapot moeten maken waar ze het meest van houden’, zal hij haar 40 jaar later bekennen.

    Groots is de manier waarop Anna op die vernedering reageert. Ze lijkt er eerst aan onderdoor te gaan en is bereid haar uiterlijk te veranderen (haar kattenstaart is de metafoor voor haar eigenheid) om onder de pesterijen uit te komen. Ze zint op wraak, maar komt op het juiste moment tot het inzicht dat zij sterker uit de strijd komt door de macht die ze heeft juist niet te gebruiken.

    Daarbij moet je het als recensent laten wat het verhaal betreft. Het is zonde om teveel weg te geven van het verhaal van de ontwikkeling die Anna (en Willem) doormaken.

    Maar er valt nog zoveel meer te beleven aan dit sterke debuut. De Groen speelt een prachtig spel van werkelijkheid en fictie. Natuurlijk is het een roman, maar de lezer krijgt zoveel exacte informatie mee dat de gebeurtenissen akelig realistisch worden. De ligging van huizen in Breda en hun inrichting wordt bijvoorbeeld met precisie beschreven. En zelfs het moment dat Anna voor het eerst bij Willem thuis verschijnt wordt minutieus benoemd: ‘woensdag 6 september om vier minuten over drie’.

    De lezer wordt voortdurend gekieteld. Willem loopt rond met idee om een sleutelroman te schrijven (het zal er niet van komen) en de toespelingen daarop zijn zo dwingend dat je als lezer argwaan krijgt bij de roman die je zelf in handen hebt. Dat komt mede door de literaire verwijzingen door het verhaal heen. Je gaat je van de weeromstuit bijvoorbeeld afvragen wie bedoeld kan zijn met de ‘domgeer’ die een paar keer wordt aangehaald? Matthijs van Boxsel? Midas Dekkers misschien?

    Een genot vormt de soepelheid van taal die Ru de Groen gebruikt. De soepele stijl is doorspekt met humor en woordspelletjes. Elk hoofdstuk krijgt een vierregelig versje mee (Anna heeft ze leren schrijven in navolging van haar vader) dat meestal cabaratesk van aard is en vooral Willem dartelt in zijn taalgebruik van zijn opa ‘Max’ die zijn naam gefantaseerd had (!) naar ‘de moerenmannetjes in het schroefjestheater’ en een lijst met woorden die niet meer kunnen, zoals ‘pips’. Ook de omschrijving in het geval van de bewaarder van een begraafplaats die ‘van elk graf het onderliggende verhaal’ kende, werkt op de lachspieren.

    Zo is Anna een duidelijk met plezier geschreven verhaal over de ontwikkeling van twee pubers die verliefdheid en de valkuilen daarvan ervaren, op weg naar zelfkennis.
    ‘Wie is er eigenlijk nog zichzelf?’ vraagt een klasgenote van Anna op een gegeven moment. Het slot van de roman biedt liefdevolle troost. Ooit breekt het inzicht door en kunnen we vrede hebben met wat we ooit als ongeluk zagen.

     

     

  • Wonderlijke vrij korte verhalen

    Wonderlijke vrij korte verhalen

     

    Hoe kort mag een zeer kort verhaal zijn? Het Nederlandse zkv is tussen een alinea en een pagina lang. Met die maat gemeten zijn de meeste verhalen van Evelio Rosero (1958) eigenlijk al te lang om zeer kort te zijn: ze beslaan meestal anderhalve bladzijde; de kortste zijn anderhalve pagina lang, de langste een pagina of vijf.

    Vanwaar deze problematisering van ‘zeer korte verhalen’? 34 zeer korte verhalen en een vogelkat is namelijk op meerdere manieren een raar boek, niet alleen omdat de geschetste taferelen vaak bizar zijn. Óók de lengte van de verhalen is vreemd: ze zijn net te kort om een mimetische werkelijkheid te vormen waar de lezer zich echt even in thuis kan voelen. De personages zijn  flat characters, en worden nergens mensen van vlees en bloed. Ook de ruimteschildering blijft vaak zeer beperkt. Tegelijkertijd zijn de verhalen net te lang om alleen de uitwerking van een idee of clou te zijn, en wegens die ongewone tussenlengte is het even wennen.

    Eigenlijk kun je het beste beginnen met het afsluitende ‘Vogelkat’. Het dier uit de titel zou je de centrale clou van het verhaal kunnen noemen. Over dit dier krijgen we van zijn jonge baasje belangrijke informatie: ‘hij vliegt wanhopig rondjes boven zijn eigen lichaam en daarna zeilt hij weer naar beenden, springt op en miauwt alsof hij tjilpt […] En op een dag at hij zichzelf bijna op. Een schoolvoorbeeld van zelfmoord.’ Als tegenfiguur in het verhaal treedt de moeder van de jongen op, die zich eerder zorgen maakt over een heel wat aardsere kwestie: ze is bang dat de vogelkat zwanger raakt. Die contrasterende zorgen laten het verhaal boven het, an sich erg leuke, gegeven van de vogelkat uitstijgen. Zo krijg je als lezer meer inzicht in het functioneren van dat buitenissige universum van Rosero dat echter zeker niet alleen bestaat bij de gratie van de eigen buitenissigheid.

    Voor wie een comfortabele leeshouding heeft gevonden zal in 34 zeer korte verhalen en een vogelkat heel wat wonderlijke zaken tegenkomen. Zo is een jongen van elf eigenlijk een meisje van vijftien en het bos waarin het verhaal zich afspeelt is geen bos maar een vallei. Een man schrijft een brief aan een niet-bestaande geliefde, en onthult en passant dat hij zelf ook niet bestaat. Een man probeert een verhaal te schrijven waarmee hij honden kan doden, maar die honden vallen al uit schaamte dood als ze hem zien. Wie dit soort dwarse logica een warm hart toedraagt zit goed met deze bundel.

    Een allegorische laag lijkt meestal te ontbreken, en als daar al sprake van is zijn de scènes vaak niet al te diep uitgewerkte evocaties van de dood, of het daaraan verwante thema van de afdaling in de onderwereld. Af en toe wordt er gereflecteerd op de rol van taal of fictie in de wereld, maar die thematiek gaat ook nergens echt diep. De verhalen overtuigen echter vooral door de vreemde taferelen en de verscheidene reacties daarop.

    De vrij korte verhalen in 34 zeer korte verhalen en een vogelkat zijn niet allemaal even geslaagd, maar de bundel in zijn geheel is overtuigend. De meest memorabele verhalen zouden best eens bij menig lezer geregeld door het hoofd kunnen spoken; wie zou bijvoorbeeld het meisje vergeten dat zo graag een mondharmonica wilde horen terwijl ze stierf? Het eerste wat haar ouders doen nadat ze is overleden, is de mondharmonicaspeler vragen of hij op wil houden; ‘alleen zij had een mondharmonica willen horen. Zij alleen.’

     

     

  • Zwarte bladzij

    Zwarte bladzij

     

    Cynthia Mc Leod, halfzuster van de CDA-politica Kathleen Ferrier en dochter van Suriname’s eerste president Johan Ferrier, werd met haar debuut in 1987, Hoe duur was de suiker, in een klap beroemd. Zij schrijft met veel kennis en gedrevenheid over de positie van de Surinaamse slaven.

    In Tutuba schetst ze het lot van een jong Afrikaans meisje dat geroofd werd uit haar dorp en aan slavenhandelaars verkocht. Ze sloten Tutuba samen met zo’n zevenhonderd andere geroofden op in het slavenschip Leusden. Het schip onder leiding van kapitein Outjes, een arme Zweed die carrière had gemaakt bij West-Indische Compagnie (WIC), voer op 17 november 1739 van fort Elmina, dat ligt in het huidige Ghana, aan de West-Afrikaanse kust, naar Suriname en had een zeer voorspoedige reis. Amper zes weken deed het erover in plaats van de gebruikelijke zeven. Bij de kust van Suriname liep de Leusden echter in slecht weer averij op bij de zandbanken van de Marowijnerivier en zonk onverwacht snel. Bij deze ramp stierven de zeshonderdentachtig mensen die in het ruim opgesloten waren de verdrinkingsdood, omdat de kapitein bevolen had de luiken dicht te timmeren. Tutuba en dertien anderen bleven gelukkig gespaard. Ze werden gekocht door de weduwe van gouverneur Raye voor het werk op de suikerplantages. Tutuba kwam op Breukelerwaard en kreeg daar de naam Minerva. Ze leefde nog achtentwintig jaar op deze plantage en stierf op haar drieënveertigste.

    Mc Leod heeft haar historische novelle gebaseerd op de research van Leo Balai, expert op het gebied van de maritieme slavernijgeschiedenis en de rol van Amsterdam daarbij. Het verhaal wordt vanuit een duidelijke persoonlijke boodschap gepresenteerd. ‘Laten wij, nazaten, in ieder geval hun nagedachtenis in ere houden.’ Waarbij met wij de afstammelingen van de Surinaamse slaven wordt bedoeld, wier gruwelijk lot niet vergeten mag worden.

    De geschiedenis wordt door twee personages verteld. De meeste aandacht krijgt Tutuba. Haar verhaal lijkt bedoeld om het onmenselijk leed, dat de ene mens de ander kan aandoen, op de lezer over te brengen. Het tweede personage is kapitein Outjes, wiens verhaal vooral gebruikt wordt om historische informatie te geven en om te laten zien hoe onaangedaan de blanken konden handelen. De mensen in het ruim blijken voor de kapitein voornamelijk een lastig soort lading te zijn, dat je zodanig moet behandelen dat het niet ziek wordt of in opstand komt. Iets wat niet iedere kapitein zomaar kan. Want pas dan levert die lading een hoog rendement op; niet alleen voor de heren van de WIC, maar ook voor de kapitein zelf.

    Cynthia Mc Leod beschrijft de gebeurtenissen in eenvoudige, duidelijke beelden. Wat ze zegt is niet mis te verstaan. Soms weidt ze bij een gebeurtenis even uit, maar ze kan er ook de vaart in zetten. Dan gaat het verhaal in de trant van ‘en toen’, ‘en toen’. Zoals dat wel eens het geval is bij literaire sprookjes die voor kinderen zijn bewerkt. Dat kinderlijke komt ook naar voren als ze de gedachten van Tutuba weergeeft over voorwerpen van de blanken, de witten zegt Tutuba vol walging, die ze niet kent, zoals een aardewerken kroes of het grote, hoge fregatschip. Dan wordt het dat de witten drinken uit een lang stenen ding en het vreemde bouwsel, dat over het water gaat. Als lezer krijg je daarbij het gevoel dat je het verhaal, dat in wezen een ‘tearjerker’ is, veel liever zou horen vertellen door een professioneel verteller dan dat je het zelf leest. Het emotionele effect van de inhoud zou bij een verteller, die zelf ook reageert op de reacties van het publiek, wellicht krachtiger zijn en minder belemmerd worden door de in druk vastgelegde taal.

    Aan het eind van het verhaal, als de handeling in Suriname speelt, worden de woorden van de mensen daar wel gewoon, zoals in de rest van het boek, in het Nederlands opgeschreven, maar vaak ook in noten in het Sranan, de taal van Suriname, vertaald. Ook wordt af en toe een woord tussen haakjes gevolgd een Sranan vertaling. Waarom de schrijver dat doet zou duidelijker mogen worden uitgelegd.

    Tutuba kan al met al gezien worden als een illustratieve toelichting op het afschuwelijk lot van de slaaf en als een aanklacht tegen het mensenvernietigend winstbejag van velen. Daar ligt de kracht van het verhaal.

     

     

  • In mummiepak smachtend naar gene zijde

    In mummiepak smachtend naar gene zijde

    Streng afgerichte duivelse wezens, roekeloze mensen en de dood gaan met elkaar aan de haal in Trujillo’s (1970) derde roman. Geweld en misère worden wederom niet geschuwd. Op geraffineerde en nietsontziende wijze wordt Montevideo – haar geboortestad – bedolven onder allesvernietigende shit.

    De Uruguayaans-Nederlandse Trujillo schrijft het liefst over dat wat ze van dichtbij kent – ‘levend weefsel’. Als kind van guerrillastrijders – vader werd tijdens de dictatuur twaalf jaar gevangen genomen en moeder vluchtte met beide dochters, Carolina was toen vier, naar Nederland – ontbreekt het haar niet aan levendige kost. De bastaard van Mal Abrigo (2002) – haar eerste roman – werd bekroond met de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs. Zeven jaar later won ze met het autobiografische De terugkeer van Lupe Garcia (2009) – waarin ze op indrukwekkende wijze een stem geeft aan vluchtelingen die terugkeren naar hun geboorteland – de BNG literatuurprijs en sleepte ze een AKO-nominatie in de wacht. Het is niet enkel haar eigen geschiedenis waaruit ze graag put, een roofdier noemt ze zichzelf dat schaamteloos steelt uit de – veelal pijnlijke – levens van anderen. In heftigheid gedijen Trujillo’s verhalen het best.

    Ook nu, in De zangbreker, ontvouwt zich al gauw de ellende. Trujillo schetst een duale wereld waarin de mens door onzichtbare wezens wordt beïnvloed en bestuurd. Waar de beslissingen vooraf zijn ingeseind en keuzes gemanipuleerd. Een bestaan waarin het lijden bewust aan zwakkeren wordt toebedeeld opdat de sterken kunnen floreren. De ‘groten’ worden opgetild door goddelijke kracht, de ‘kwetsbaren’ genadeloos beroofd van hun illusies. De lezer wordt meegesleurd in een surrealistische werkelijkheid waarin een geraffineerd spel wordt gespeeld tussen gewetenloze wezens en hun uitverkoren slachtoffers. Dwalende mensen worstelen zich een slag in de rondte, de een nog destructiever dan de ander, tot uiteindelijk – een enkeling daargelaten – de roep van de dood hen de dunne huid afrukt, tot op het bot vernielt.

    Vanaf de eerste pagina volgen we de krochten van hoofdpersoon Tony, een onzichtbare gedaante uit een soort van geestesgemeenschap. Zijn wereld – zo leert hij ons – verdeelt de mensen in stijgers en dalers. Dalers zijn ‘mensen die het niet kunnen laten alles wat ze opbouwen uiteindelijk kapot te maken’. Stijgers daarentegen zijn ‘van die mensen die wat er ook gebeurt aan de weg blijven timmeren.’ Tony – zangbreker van beroep – werkt voor een wereldwijde bureaucratische organisatie die dalers en stijgers een duwtje in de juiste richting geeft: stijgers naar de top, dalers in de afgrond. Tony ‘zit in dalers’, helpt mensen ‘zo mooi mogelijk (lees gruwelijk)’ naar de kloten. ‘Schroot sorteren. Claimen. Cashen. Quota halen.’ Ofwel: slachtoffers kiezen, doden scoren en optekenen. Daar draait het om. Binnen een mum van tijd zijn we getuige van de vele kostbare levens die Tony met zijn duivelse alomtegenwoordigheid in de ‘gewone’ wereld verwoest.

    Het verhaal komt traag op gang. Deel één is een ware beproeving. De lezer wordt linea recta de collegebank in geslingerd. Het verschaft een duizelingwekkende hoeveelheid informatie over de inrichting van de geesteswereld en de organisatie waarvoor Tony werkt. Wetten, regels, geboden, verboden, cursussen, coaches – een staaltje maatschappijkritiek? – vliegen je pagina’s vol om de oren. Gelukkig valt er zo nu en dan ook wat te genieten tijdens de les, zoals in het aftands bordeel ‘Jacintha’s schaduw’ waar de eigenaar zijn animeermeisjes namen van wereldsteden heeft gegeven (‘Voor de prijs van een meisje krijg je een hele stad’) en waar de wanden zijn behangen met wijsheidstegeltjes (‘Jongens beginnen onderaan, meisjes onderop’).

    In deel twee verlaat Trujillo de katheder en weet ze zich goed te herpakken. Familie Mus wordt ten tonele gevoerd en Tony – met groeiende lak aan de heersende wetten en regels – lijkt zijn eigen daling glansrijk te hebben ingezet. Zowel privé als professioneel loopt het gierend uit de klauwen én niet alleen bij hem. Gruwelijkheden volgen elkaar op in rap tempo. De destructiedrift is niet meer te stuiten want ‘suïcide is mooier dan het leven uitzitten waar je alleen nog dood zou willen’. Het levert schrijnende taferelen in zelfvernietiging op waarvan die van zoon Mus – zich volledig verliezend in internetporno, sadomasochistische chatcontacten en gaming – het meest luguber en verontrustend zijn. Een pareltje in zijn shit is de prachtig beschreven, beeldende – met cynische humor doorspekte – scène van de gesmoorde zelfmoordpoging. Ongeëvenaard – in mummiepak, verijdeld aan Jezus’ kruis. ‘Hij dacht dat hij een engel was tot hij merkte dat hij in plastic gehuld badend in het zweet lag. Engelen zweten niet. Hij probeerde de folie eerst af te wikkelen, maar dat was niet te doen. […] Hij liet zich op de grond zakken en bleef daar zitten als een Jezus die van zijn kruis gedonderd was.’

    Trujillo wilde met De zangbreker – zo onthult ze in een interview – een ode brengen aan de dalers want ‘ze snapt niet waarom er altijd zo negatief over dalers wordt gesproken. Succesvol zijn en dalen sluiten elkaar niet uit. Denk aan Amy Winehouse.’ Zelf ook niet gespeend van enige zelfdestructie – jarenlang coke en alchoholverslaafd, min of meer gered door een hersenbloeding – was het deze gedachte die haar inspireerde tot het schrijven van dit boek want één ding moge duidelijk zijn ‘Het is oneerlijk te denken dat de dalers de zwakkeren zijn. Het is echt niet makkelijk jezelf van kant te maken.’ 

    Een mooi streven! Maar hoe jammer dat Trujillo voor haar loflied een onnodig complexe setting heeft gekozen waardoor de boodschap geen weerklank vindt. In tegenstelling tot het fascinerende De terugkeer van Lupe Garcia, is De zangbreker een verhaal dat niet echt beklijft. Waar het de dalers had willen eren – de schoonheid van zelfdestructie had moeten tonen – lijkt Trujillo’s meesterlijke pen zelf te zijn geofferd aan de duale werkelijkheid.

     

  • Voorbije liefde en ongeschonden verwondering

    Voorbije liefde en ongeschonden verwondering

    Recensie door Albert Verweij

    Judith Herzberg, van wie haar tachtigste verjaardag in november passeert, is als dichteres al ruim een halve eeuw actief. Haar werk behoeft  nauwelijks introductie, want het grote publiek  raakte al snel in de ban van haar. Niet veel later werd ze overladen met de grootste literaire prijzen die in ons taalgebied te vergeven zijn.

    Het begon ermee dat zij de ‘dochter was van Abel Herzberg’, van lieverlee werd hij ‘de vader van Judith Herzberg’. Met Vasalis en Kopland kon ze wedijveren om wie het vaakst over de toonbank ging. Maar in een tijdsgewricht waarin de Winkler Prins volledig overschaduwd wordt door Wikipedia, beslaan de digitale lemma’s van dit drietal bij elkaar nog niet de helft van de hoeveelheid tekst die voor de linksback van Ajax is ingeruimd. Die weinige woorden zullen haar echter een rotzorg zijn. Aan een half woord heeft niet enkel een goede verstaander genoeg, een scherp waarnemer als Herzberg kan ook met luttel toe. Eentje die begrijpt dat schrappen scherpt. Speelsheid en nuchterheid strijden bij haar om voorrang. Haar gedichten claimen geen onvergankelijke wijsheden, maar stoelen op alledaagse inzichten. Haar habitat is het schijnbaar gewone, dat wat met ons optrekt en  onscheidbaar lijkt van wat ons onopgemerkt achterlaat. Maar daarmee is buiten de bijzondere opmerkingsgave van Judith Herzberg gerekend. Haar ontgaat het immers niet dat ‘sperzieboontjes’ iets weg hebben van ‘dolfijnensnuitjes’. Zij heeft de schijnbewegingen van het alledaagse in de smiezen.

    Het frisse, het spontane bloeit onder haar goedgekozen en vakkundig geschikte woorden eerder op dan dat het wordt verstikt. Haar oeuvre lang heeft Herzberg naast meerstrofige, ook veel korte gedichten geschreven. Versjes van de korte baan. Met die korte stukjes staat haar nieuwste bundel vol. Een derde van de bundel is nieuw, de rest werd geoogst uit eerder werk, tezamen gebracht tot het pretentieloze aantal 111 om onder de nieuwe soortnaam Hopla’s voort te leven. Opdat ze niet zouden ondergaan in een te grote bladspiegel zijn deze ultra kleine gedichtjes – de kortste telt zes woorden – in passend klein oblong formaat uitgegeven. Het zijn mozaïekjes van melodieuze spreektaal, soms rijmend, maar meestal niet. Een enkele heeft zelfs iets heerlijk ongerijmds:
    Man
    Niet: met wie is zij ontrouw
    maar aan wie. Dus heb ik een vrouw.
    Mijn huis is niet mooi,
    maar het is wel lelijk.

    Een greep uit de zaken die worden aangeroerd: het wrange van  over het ons omringende, de melancholie van afscheid nemen, het ongemak van op leeftijd komen en het achterblijven van de dingen in ons verlangen naar logica als in het gedicht:
    Hé?
    We hebben ze van zij
    we hebben we van wij
    we hebben je en jij
    we hebben me en mij.

    Waar is de he van hij?

    Herzberg heet toegankelijk te zijn, wat in haar geval niet betekent dat iedere hopla hapklaar verklaarbaar is:
    Al gezegd
    Droom ik zeg het hoeft niet meer

    moeder dood het hoeft niet meer
    zij zegt dat heb je al gezegd dat
    heb je al gezegd dat heb je al gezegd.

    Bij iemand die raak en kritisch observeert, is het geen wonder dat hier en daar een wond wordt opengekrabd:
    Leeftocht
    Het krantenflard
    dat bijna in de oudpapierbak
    was beland betreft het plastic
    dat in één zeeschildpadden-
    maag was opgehoopt.

    Tekenend voor haar is dat de maatschappijkritiek niet zuur wordt opgediend, maar in een treffend beeld gegoten. Al schrijnt de wond er niet minder om. Niet iedere hopla is even memorabel als bijvoorbeeld die waarmee de bundel besluit:
    People
    People die
    and leave me

    Sommige ontstijgen nauwelijks het niveau van de scheurkalender:
    Vraag
    Hoe is dat zo gekomen
    van altijd komen slapen
    tot nooit meer willen zien.

    Maar de bundel is rijk genoeg gevuld om even snel te stuiten op een hopla die vrolijk stemt:
    Radio, 14 juli 2013
    Een koe viel van een heuvel
    op zijn dak.
    Zo kwam hij aan zijn eind.
    ‘Zijn vrouw die naast hem
    lag kwam met de schrik vrij.

     

     

  • Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen uit Istanbul (2014) is een bloemlezing van de verhalen die Sait Faik Abasiyanik (1906-1954) schreef tussen 1934 en 1954.
    De eerste verhalen zijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw, de latere uit de jaren veertig en vijftig. De verhalen zijn chronologische gerangschikt. Ze spelen zich af in Istanbul en op de Prinseneilanden in de zee van Marmara.

    In beeldende taal vertelt Sait Faik – zoals hij in Turkije veelal wordt genoemd – bijvoorbeeld over een bezoek aan ‘Het tweede huis van zijn vader’. Zodra je een boerenhuis binnenstapt ruik je natuurlijk hooi en ook wel gedroogde mest. Naast de geuren van de boerderij beschrijft hij het interieur met een mooie vergelijking: ‘een kelim uit Kocaeli lag in het licht van de petroleumlamp vochtig rood op de grond als een vreemde plas borrelende marmelade.’ Over de maaltijden van toen: ‘gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter.’

    Faiks verhalen gaan over vissers, arbeiders in de haven, een vrouw die geen geld heeft om haar overleden man te begraven, sleepschuiten, de gaskachel in het koffiehuis. Wat telkens opvalt in de verhalen is de aandacht voor de details en de bijzondere beeldspraak. In het verhaal ‘De zijden zakdoek’ houdt de verteller de wacht bij een fabriek waar zakdoeken van zijde worden gemaakt. Toch slaagt een dief erin zo’n zakdoek te stelen, maar op zijn vlucht maakt hij een (bijna) dodelijke val. ‘De portier wrikte zijn stijf dichtgeknepen vuist open. In zijn hand sprong een zijden zakdoek op als een fontein.’ In de slotalinea: ‘Tja… puur zijden zakdoeken van goede kwaliteit doen dat. Je kunt ze in je hand fijnknijpen en kreuken wat je wilt, zodra je je vuist opendoet, springen ze op als het water in een fontein.’

    De verhalen lijken uit de losse pols verteld, maar bij nadere bestudering valt op hoe knap ze in elkaar zitten. In ‘De heistelling’ zijn vijf mannen bezig met heiwerk in de haven. Salih loopt er de kantjes vanaf, tot ergernis van een van de anderen, Abdurrahman. ‘Je denkt toch niet dat ik in dat theater trap? Ik laat het echt niet op me zitten. Straks verlies ik mijn humeur en schop ik je zo de zee in.’ Salih weet door zijn connecties en zijn ‘eigen achterbaksheid’ onder zwaar werk uit te komen. Hij doet alsof hij zich vreselijk inspant bij het hijsen van het heiblok, maar ‘de aderen in zijn hals zwollen niet op.’ Abdurrahman keek zijn collega priemend aan. In zijn ogen gloeit wrok en drift. De verteller voegt toe: ‘Salih stond over de zee uit te turen, onverschillig zoals onbeschofte mensen zijn.’ Bij een volgende heipoging lezen we: ‘Salih vond het niet meer nodig zijn gezicht te vertrekken.’ Het verhaal komt tot een climax: Abdurrahman trapt zijn collega inderdaad de zee in. Salih, die niet kan zwemmen, is in zo’n tien minuten verdronken.

    In ‘Ik kan niet naar de stad’ gaat Sait Faik in op de vraag waarom hij schrijft. ‘Waarom dwingt alles vanavond me om aan tafel te gaan zitten en iets op papier te zetten? /…/ Of ik nu op de veerboot sta te wachten of me voor iets loop te haasten, ik schrijf.’ De schrijver in gesprek met de lezer.

    De verhalenbundel bevat een uitgebreid nawoord van Murat Isik. Hij vertelt waarom hij Sait Faik Abasiyanik in zijn hart heeft gesloten. Door zijn verhalen, zo schrijft hij, krijg je het gevoel dat je Sait Faik persoonlijk kent. Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners en over het soms harde dagelijkse leven.
    In geuren en kleuren vertellen, dat is wat Sait Faik Abasiyanik kan als de beste.

    Sait Faik is maar 48 jaar oud geworden. Een jaar voor zijn dood is hij benoemd tot erelid van de Mark Twain Society vanwege zijn betekenis voor de moderne literatuur. Hij is vooral bekend geworden door zijn korte verhalen. In 1959 is zijn huis op Burgazada, een eiland vlakbij Istanbul, ingericht als museum, het Sait Faik Abasıyanık Museum.

    De Atheneum Boekhandel vroeg vertaalster Hanneke van der Heijden de eerste zinnen van haar vertaling toe te lichten. Ze legt uit dat het vertalen van Sait Faik is als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen aan een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

     

     

  • Een getormenteerd mens

    Een getormenteerd mens

    De schrijver en dichter Bertus Aafjes (1914-1993) vierde triomfen met zijn gedichtenbundel Een voetreis naar Rome (1946). Later zou hij met name door zijn aanvaring met de Vijftigers in moeilijkheden komen.
    Rob Molin de biograaf van Aafjes, schrijft essays, proza en kritieken en van zijn hand is de in 2005 verschenen biografie over Adriaan Morriën. Het achterhalen van de  levensfeiten moet geen sinecure geweest zijn. Bovendien werd Molin niet met open armen ontvangen door subsidiegevers. Men achtte Aafjes passé. Uitgeverij Aspekt durfde het waagstuk echter aan om de vuistdikke pil te publiceren. Er zijn in biografenland twee stromingen. De ene beschrijft het leven van de auteur, de andere zijn werk. Molin heeft gekozen voor een mengvorm en dat doet weldadig aan.

    Bertus Aafjes werd geboren in de Borneostraat 32 in de Indische buurt in Amsterdam. De moeder van  Aafjes was zwaar katholiek en dat zou het leven van de jonge Bertus beïnvloeden. Hij ging op de Hobbemakade naar het gymnasium van de jezuïeten (het gebouw staat er nog, maar is nu een hotel).  In 1929 kon hij in Uden in een priesterseminarie komen. Er werd veel gebeden en de communistenhaat werd naar harte lust aangewakkerd. Uiteindelijk trad Aafjes uit, tot groot verdriet van zijn moeder. Zij had geld ingezameld bij familieleden voor de opleiding. En hij ondernam in 1936 een reis naar Rome. Aanvankelijk was de bedoeling te voet te gaan, maar Aafjes reisde een gedeelte met de trein.  Hij had 100 gulden op zak uit de erfenis van zijn jong overleden vader, Jan Aafjes.

    Dat geld was echter snel op. Onderweg ontdekte Aafjes de Wet van de zwaartekracht, wanneer hij een arme familie wat geld gaf uit medelijden, verdiende hij dit geld dubbel en dwars terug doordat de familie hem adressen gaf waar hij kon eten en slapen op zijn reis. In Rome had hij binnen de katholieke conclave bovendien adressen van paters en kloosters. Dag en nacht werkte Aafjes aan gedichten en teksten. Bij terugkomst publiceerde hij veel gedichten en richtte het blad Klondyke op. Hij trouwde in 1941 met Tine Wesseling, die drie jaar jonger was dan hij. Bertus en Tine bewoonden een huis op de Prinsengracht maar in 1943 verhuisden ze naar de Plantage Franselaan 25 tegenover Artis. Ze hadden geen gas, licht en vooral geen geld. In 1946 verscheen Een voetreis naar Rome en de bundel werd daverend besproken door o.a. Vasalis en Nijhoff. Aafjes was in een klap beroemd en zijn bundel verkocht in recordoplagen.

    Ik wil geen schaduw van de hemel dulden
    Over de bodem van mijn aards bestaan
    Noch dat de lasten van mijn aardse schulden
    Als dode manen aan de hemel staan

    (Uit Een voetreis naar Rome)

    Via een bevriende schilder mocht het echtpaar Aafjes met kind verhuizen naar Bergen. Na de oorlog raakte Aafjes steeds meer aan de drank en hij leed aan depressies. Wellicht kwam hier zijn ongekend felle aanval op de Vijftigers – ook wel experimentelen genoemd – vandaan. Deze groep bestond uit o.a. Schierbeek, Vinkenoog, Lucebert, Kouwenaar, Voeten, Schuur en Campert.  Hun gedichten rijmden niet en dat was Aafjes, naast de vrijpostige thematiek een doorn in het oog. Hij werd opgestookt door Werumeus Buning om maar eens fel uit te halen naar de experimentelen.

    In Elsevier (1953) schreef Aafjes: ‘Lees ik Luceberts poëzie, dan heb ik de indruk dat de S.S. de poëzie is binnengemarcheerd.(…)’ De aanval van Aafjes deed veel stof opwaaien. Ongewild bereikte Aafjes het tegenovergestelde van wat hij had beoogd. De Vijftigers kregen opeens enorm veel aandacht en verdrongen traditionele dichters zoals Aafjes, Hoornik, e.a. Aafjes zou zijn hele leven last hebben van zijn aanval en vooral spijt. Lucebert bespotte hem als een burgermannetje met zijn vrouwtje, die hij ‘poes’ noemde. En Mulisch wilde niets met Aafjes te maken hebben. Toen Aafjes Bert Schierbeek een pilsje aanbood in een café weigerde deze. Aafjes was geïsoleerd en zijn zelfbenoemde vijanden – De Vijftigers – bezetten de posten en schreven zijn uitgaven af en toe de grond in.

    Aafjes woonde inmiddels in Hoensbroek in een tochtig kasteel. Als journalist verdiende hij nu zijn kost met het schrijven van reisverslagen, hij vertaalde en waagde zich aan kinderboeken. Meulenhoff had hem op de loonlijst geplaatst en wilde aanvankelijk alle publicaties van Aafjes, maar verbrak die verbintenis toen de verkoop daalde. Aafjes en Tine verkeerden immer in geldnood. De belasting kwam aan de deur en andere schuldeisers maakten hun opwachting. De kinderen werden in internaten geplaatst.

    Het is niet verwonderlijk dat Diana Huijts-Aafjes, de dochter van Aafjes, de samenwerking met biograaf Molin beëindigde. Zij was waarschijnlijk verbitterd over het optreden van haar ouders. Zij beheert een aantal documenten, dat buiten het Letterkundig Museum is gehouden. Molin citeerde eruit na het raadplegen van een jurist. Het feit dat Aafjes sowieso ieder jaar zijn correspondentie verbrandde wordt door Molin gedeeltelijk naar het rijk de fabelen verwezen. Aafjes’ carrière had een flinke deuk opgelopen hoewel hij in 1972 het boekenweekgeschenk mocht maken: Een lampion voor een blinde.

    Hij woonde toen in Swolgen in een bungalow en A. Roland Holst bezocht hem daar af en toe.

    In 1992 overleed hij nadat Wim Hazeu een televisieportret over hem had gemaakt en er in Vrij Nederland uitgepakt was in een drie pagina’s tellende terugblik. In Amstelveen is er een Bertus Aafjeslaan en in Hoorn  een Bertus Aafjeshof.  De onlangs verschenen  vuistdikke biografie volgt het leven van Aafjes chronologisch. Zijn publicaties, reizen, liefdes en dwalingen zijn nauwkeurig neergezet en daarvoor verdient Molin hulde. Aan de andere kant leren we een mens kennen die getormenteerd balanceerde tussen geloof en ongeloof. (Hij was een tijd geïnteresseerd in Zen). Hij bewoog tussen uitspatting en deugd en was vooral een naïef man die niet zoveel van zijn omgeving begreep, niet altijd een leuke man was voor zijn echtgenote en kinderen. En iemand die het tijdsgewricht niet begreep waarin hij na de oorlog was terecht gekomen. Zal men zijn werk over 10 jaar nog lezen?

     


  • Belang van het verhalen vertellen

    Belang van het verhalen vertellen

    Vertel, over de kracht van verhalen gaat in grote lijnen over de geschiedenis van de mens toen hij gaandeweg taal tot zijn beschikking kreeg en over de reikwijdte van deze ontwikkeling. Met “verhalen” bedoelt socioloog Christien Brinkgreve alles wat gezegd en geschreven wordt. Vanuit een sociologisch metastandpunt beschrijft zij in nauwkeurige formuleringen twee groepen verhalen: die van individuen en die van de context waarin zij leven. Aan de ene kant zijn er de privéverhalen en aan de andere kant de collectieve verhalen van maatschappij, organisaties, werkomgeving, sociaal domein en politieke en religieuze systemen, waarvan mensen met hun persoonlijke beleving deel uitmaken.

    In oude tijden beperkten de verhalen zich tot de relatief kleine groepen waarin mensen leefden; tegenwoordig overbruggen ze de hele wereld. Alle verhalen van de hedendaagse global village krijgen wij mee. Brinkgreve’s boek bestrijkt het hele scala van persoonlijk en openbaar leven, waardoor de lezer zijn eigen leven en dat van anderen op iedere bladzijde herkent. Ook in eerdere boeken, zoals Licht en schaduw en Vroeg mondig, laat volwassen,  laat Brinkgreve al zien hoezeer zij geïnteresseerd is in de persoonlijke verhalen van mensen, ingebed in de maatschappelijke omgeving.

    Doel van het vertellen van verhalen is om zowel grip te krijgen op de chaos in ons hoofd als om de wereld om ons heen te begrijpen, stelt ze. Oude verhalen, zoals die uit de bijbel en de Griekse tragedies, verhalen uit de antropologie, mythen, sagen en sprookjes ‘tonen voorbeelden en schrikbeelden over de verleidingen van het leven, richtlijnen voor goed en kwaad en regels voor hoe gemeenschappen dienen te leven,’ zo schrijft Brinkgreve.

    Verhaalgebieden die zij bijzondere betekenis toekent zijn onder meer de psychoanalyse en de roman. In de sociologie heersen de grote lijnen, de structuren en patronen van een samenleving. Maar the hot stuff underneath, citeert Brinkgreve Jonathan Franzen, komt uit de roman. ‘Dat is iets waar de sociologie niet bij kan of niet als wetenschappelijke kennis ziet.’

    Als voorbeeld waarin de hot stuff en de sociologie samenkomen neemt Brinkgreve de roman Badal van Anil Ramdas onder de loep en ze concludeert: ‘Er worden thema’s en motieven uitgelicht, uitvergroot, literair bewerkt, verwerkt in een verhaal dat inzicht geeft in verhoudingen, gedrag en emoties.’

    In vrijwel alle hoofdstukken benadrukt Brinkgreve het belang van het kunnen vertellen van eigen verhalen. ‘Het is de ultieme vernietiging als je niet meer kunt vertellen wat je hebt meegemaakt, omdat mensen het niet geloven, of niet geïnteresseerd zijn’. Een bewijs van haar gelijk stond in de Volkskrant van 4 augustus. Daarin schrijft een man over de depressie en zelfmoord van zijn vrouw: ‘Mijn vrouw […] wilde op deze manier niet verder leven. Daarom wilde ze niets liever dan praten over hoe zij in deze situatie terecht was gekomen en wat ze moest doen om er weer uit te komen. Daar bleek geen ruimte voor te zijn.’

    Vertel is ook een persoonlijk boek. Als kind al had Brinkgreve de drang om te willen weten en begrijpen. Het vertellen van verhalen hing daarmee voor haar gevoel samen, want wie zelf verhalen vertelde – zoals de jonge Christien deed aan haar zusje – ‘kan een andere orde creëren’. Tijdens haar studie sociologie miste ze de verhalen van mensen, omdat het in de wetenschap om metingen en getallen draait. En ze verhaalt over haar moeder die na een valpartij in het ziekenhuis terechtkwam en zo zwak werd dat zij niets meer wilde. Brinkgreve maakte toen dagelijks aantekeningen over symptomen en verloop, om, toen haar moeder weer sterker werd, haar de notities voor te lezen. Daardoor kon haar moeder invullen wat ze vergeten was in de maanden na de val.

    Ook maatschappijkritiek vinden we terug in Vertel. Via marxisme en communisme komt de schrijfster terecht bij ziekmakende systemen die mensen overbelasten, marginaliseren, ontdoen van betekenis. Vervreemding in arbeid ontstaat door automatisering oordeelt ze, door  hiërarchische structuren waarbinnen mensen weinig te vertellen hebben en het verlies van de band met het werk en het bedrijf waar ze werken. In het moderne kapitalisme zijn mensen ‘beroofd van een leidend verhaal’. Het kwaad ligt bij de neoliberale markteconomie.

    In heldere taal bewandelt Brinkgreve tal van kleine zijweggetjes en haalt ze er literatuur bij van gezaghebbende denkers die ook iets te zeggen hebben over het tot stand komen en het belang van de verhalen van mensen en welke plaats ze innemen in het grote verhaal van een samenleving. Een enkele keer leidt dat af van het overkoepelende betoog, meestal voegt het interessante wetenswaardigheden toe.

    Wat na lezing overblijft is de conclusie dat je maar beter niet te lang kunt geloven in een afgebakend verhaal, noch een persoonlijk verhaal, noch een collectief, omdat desillusie immer op de loer ligt. Er zijn altijd andere verhalen die andere waarden vertegenwoordigen en bovendien veranderen verhalen onder invloed van de tijdgeest.

    Vertel is een rijk boek. Iedere zin is de moeite waard om onthouden te worden, Brinkgreve verliest zich nergens in beweringen die er minder toe doen. Achter in het boek is behalve een literatuurlijst een uitgebreide verantwoording opgenomen van wie waarover is geraadpleegd. Uit die verantwoording kan de lezer die meer over de deelonderwerpen wil weten uitgebreid putten.

     

     

  • Ondertussen in Rusland

    Ondertussen in Rusland

    In mijn nieuwsoverzicht op facebook was Alles is slecht  een tijdje een geregeld opduikend gespreksonderwerp, vooral in updates van dichters rond Perdu (Poëzietheater in Amsterdam). Uit die berichtgeving ontstond er een beeld van Medvedev als een soort cultfiguur met opvallende ideeën over auteurschap. Ga maar na: er werd meerdere keren melding gemaakt van de intrigerende tekst die op de titelpagina van Alles is slecht staat: ‘Uitgegeven zonder toestemming van de auteur’. Medvedev legt dat zelf al uit in één van zijn essays: omdat het literaire klimaat in Rusland door en door verziekt zou zijn door allerlei politieke machten, heeft hij afstand genomen van de literaire wereld. Daarbij gaf hij zijn copyright op en daarom is het mogelijk dat er voor Alles is slecht (bestaande uit een selectie van gedichten, essays en verslagen van protestacties) geen toestemming nodig was om te verschijnen.

    In zijn essays schetst Medvedev een beeld van het moderne Rusland, en vooral van de relatie tussen politiek en cultuur. Zo gaat hij in op een uitspraak van Bertolt Brecht (ook een zeer politiek geëngageerd literator): ‘wie in de kunst neutraal is [steunt] de heersende partij’. Brecht (en Medvedev met hem), roept op tot actief een standpunt in te nemen. Vrijwel alles in Alles is slecht is dan ook doordrongen van politiek. Eerlijk is eerlijk: de essays zijn wat aan de droge kant. Ze zijn niet zelden vrij lang, behandelen veel (deel)onderwerpen en lijken ook enige voorkennis van het hedendaagse Rusland te vereisen om ze geheel te kunnen begrijpen. Ze zijn evenwel sterker dan de niet al te interessante ‘acties’, korte verslagen van door Medvedev ondernomen protestacties.

    Medvedevs gedichten verschillen eigenlijk niet eens zo erg van zijn essays: ook de gedichten meanderen een aantal pagina’s lang door en zijn strek politiek gericht. Tegelijkertijd is Medvedevs poëzie gewoon léuker, door haar praterige, prozaïsche karakter en prettige humor. In Rusland schijnt deze poëzie slecht ontvangen te zijn, als er al erkend werd dat Medvedeves poëzie daadwerkelijk poëzie is. In één van de beste gedichten in Alles is slecht, vindt de verteller een potje goedkope sprotpaté. Daarna gaat deze ‘ik’ de rest van de producten van de supermarkt inspecteren: ‘terwijl ik / met zorg / en piëteit / ieder product onderzocht / en me overgaf aan de lectuur / van de geraffineerde benamingen van die prachtig verpakte etenswaren, / soms deden die mijn hoofd duizelen / (er was bijvoorbeeld een product / met de naam / ‘twee regenboogforellen’)’

    Deze aandoenlijke verbazing geeft de supermarkt bijna iets sprookjesachtigs. Even lijkt Medvedevs engagement verdwenen te zijn, waardoor het slot van het gedicht nog harder aankomt: ´toen ik op straat stond […] drong het tot me door hoe vaak / mijn afschuw / voor de grimas van de consumptiemaatschappij / omslaat in sentimentaliteit’.
    Ook wie aanvankelijk wantrouwend zou staan tegenover de prozaïsche toon, moet erkennen dat een gedicht als dit knap in elkaar zit. (Toch gek dat er Russen zijn die dat niet zien.)

    Het fijne van Alles is slecht is dat de samenstellers voor teksten hebben gekozen die Medvedevs ideeënwereld over cultuur en politiek oproepen. Hoewel in de gedichten ook duidelijk stelling wordt ingenomen en statements worden gemaakt, vormen de essays en ‘acties’ een verdere context waarin gevente ideeën functioneren. (Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat geenszins gesteld wordt dat de gedichten belangrijker zijn dan de prozateksten in de bundel, maar als poëzierecensent ligt de nadruk voor mij op de gedichten.) Het is vanaf het opgeven van het copyright bijvoorbeeld maar een kleine stap naar het gedicht over vertalen. Misschien verklaart de inhoud van dat gedicht al het bestaansrecht van deze vertaalde pirateneditie van Alles is slecht. (Naar het schijnt heeft Medvedev er overigens ook geen bezwaar tegen om zijn vertalers tips te geven, hoewel hij geen toestemming heeft gegeven voor de vertalingen.)

    Over zijn vertaalwerk schrijft Medvedev: ‘vertalen is volgens mij / alleen de moeite waard / als je volledig kunt versmelten met de schrijver / onder iedere regel / je eigen naam plaatsen / zijn schreeuw / opvangen en versterken / dat had ik bijvoorbeeld / bij het vertalen van / een amerikaan / een zekere charles bukowski / […] /toen ik de gedichten van charles bukowski /aan het vertalen was / dacht ik / dat ik de allerbeste poëzie schreef / die er toen in rusland geschreven werd’

    Alleen de prominente enscenering in Rusland herinnert er aan dat Alles is slecht een vertaling is. Dat is slechts een detail, want eigenlijk is dit gewoon een Nederlands boek. De laconieke, praterige toon van de gedichten doet namelijk volledig natuurlijk aan, alsof er een Nederlander, die in Rusland heeft gewoond, tegen je aan het praten is in een café. Die Nederlander is Pieter Boulogne, die de gedichten en essays vertaalde van een Rus, een zekere Kirill Medvedev. Er kan gezegd worden dat Boulogne een mooi boek heeft geschreven: Alles is slecht. Boulognes essays zijn prima, maar vooral zijn poëzie is sterk.

     

  • Veel om van te genieten

    Veel om van te genieten

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Over de verschrikkingen van deze oorlog is door historici en schrijvers als Céline veel geschreven. De herinnering aan deze oorlog leeft bij onze Vlaamse zuiderburen nog sterk en het is dan ook niet vreemd dat in dit herdenkingsjaar enkele Vlaamse schrijvers deze oorlog in hun roman een plaats hebben gegeven, zoals in het prachtig geschreven Oorlog en Terpentijn van Stefan Hertmans. Ook in het werk van Erwin Mortier is die oorlog aanwezig, net als in zijn met de AKO literatuurprijs bekroonde roman Godenslaap (2008) waarin Helena terugkijkt op haar leven, haar liefdes en op de jaren van de Eerste  Wereldoorlog.

    In Mortiers nieuwe roman De spiegelingen is het de broer van Helena, Edgard, die terugblikt op zijn lange leven en op de gevolgen die die oorlog  voor hem heeft gehad. Hij is 22 jaar wanneer hij uit die oorlog komt. Rode draad in zijn leven is zijn onvermogen om als homoseksueel een volwaardige relatie aan te gaan.

    Edgard raakt in de oorlog zwaar gewond, en houdt er lichamelijke verminkingen aan over (slechte heup en een netwerk van littekens – ‘lasnaden’, schrijft Mortier). In het ziekenhuis wordt hij verliefd op de biseksuele Engelse fotograaf Matthew. De twee krijgen een seksuele relatie. Edgard weet dat Matthew van vrouwen houdt, maar die ‘andersheid’ trekt hem juist aan; Edgard zoekt ook in zijn latere minnaars het niet alledaagse, want als die ‘andersheid er niet was, konden evenmin de verrukking en de diepe ontroering bestaan’ (blz. 77). Na de oorlog trouwt Matthew met de zus van Edgard, Helena, en keert met haar terug naar Engeland.

    Edgard blijft achter in Vlaanderen. Er volgt een lang leven, van onrust en veel verdriet, waarin Edgard op zoek is naar liefde en genegenheid. Die zal hij slechts gedeeltelijk vinden. Al zijn liefdes en korte avontuurtjes krijgen uitgebreid aandacht in het boek. Mortier beschrijft de homo-erotische seks expliciet en laat zien hoe moeilijk het voor Edgard is om met zijn door lasnaden gehavende lichaam seks te bedrijven.

    Omdat hij zelf lichamelijk anders is, gaat hij in zijn contacten op zoek naar ‘andersheid’. Zo is zijn eerste liefde Matthew, aan wie een groot deel van het boek is gewijd, biseksueel. Zijn ordonnans en ondergeschikte in de oorlog, Pierre, blijft hem zijn hele leven als zijn bediende verzorgen en is zijn minnaar; hij heeft een korte affaire in Berlijn met de Duitse jood Heinz, lichamelijk niet beschadigd maar wel met 33 moedervlekken op borst en buik. Ergens begin jaren 30, wanneer hij in Marseille is, wordt hij achtervolgd door de 17-jarige Jean, die hem net zo lang achterna zit tot hij ‘bij hem kan zijn’. Dan is er nog een blinde en verminkte Japanse jongen uit Osaka, Noburu (‘hij die geen licht ziet’) .

    Edgard blijkt niet tot een volwaardige relatie in staat te zijn met de uiteenlopende partners die hij kiest; een schandknaap, een bediende, een blinde, een Duitse jood, biseksuelen. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt vlucht Edgard naar Londen. Wanneer hij op bezoek is bij de vader van Matthew, die voor hem een kamer zal regelen, ontmoet hij Paul, het jonge schilderende neefje van Matthew waar Edgard hevig verliefd op wordt.

    In zijn minnaars maar vooral in Paul, – voor Edgard de plaatsvervanger van Matthew –ziet hij een leven weerspiegeld dat zijn leven had kunnen zijn, maar de oorlog heeft zijn leven een andere wending gegeven. In zijn zoektocht naar liefde wisselen de minnaars elkaar af en uiteindelijk blijkt hij niet in staat om een stabiele relatie aan te gaan zoals hij graag gewild zou hebben. Alleen Pierre, zijn hulpje uit de oorlog blijft hem zijn hele leven trouw. Het boek eindigt met een lange brief van Edgard aan Paul –inmiddels getrouwd en vader van twee dochters –waarin hij nog eens zijn liefde voor hem verwoordt. Hij schrijft onder meer:

    ‘Je was de vorm van mijn melancholie. In jou kon ik de knaap ervaren die ik zelf niet heb kunnen zijn, de knaap die ik intussen meer dan zeventig jaar geleden in de modder van ‘mijn’ oorlog heb achtergelaten. Misschien heb ik telkens wanneer ik me aan je bedronk niets anders dan een droombeeld van mezelf gekoesterd. Ik weet hoezeer verhoudingen tussen mannen op ijdelheid kunnen berusten, hoe vaak zij voor elkaar slechts spiegels zijn waarin ze hun eigen illusies bewonderen.
    Ik betwijfel of dat bij ons het geval is geweest. Waanbeelden kunnen taai zijn. Ze kunnen ons versmachten in de rekbare vliezen waarmee ze ons voor de wereld afschermen, maar je was te eigen, lieve Paul, om slechts een luchtspiegeling te zijn geweest.

    (…)

    ‘Ik heb in de liefde steevast de kleine kortsluitingen geëerd, de momenten waarop de lippen elkaar eerst niet weten te vinden, en dan wel, en dan weer niet, en toch weer wel, en ik weet zeker, ik weet heel zeker, mijn lieve vriend, dat in al dat bevingeren en omhelzen en zich verstrengelen tussen ons beiden iets werkelijkheid heeft mogen worden wat nergens anders tot bestaan had kunnen komen –omdat jij het was, omdat ik het was.’ (blz. 293)

    Deze twee citaten geven precies de sfeer en de thematiek van de roman aan: het verlies van je jeugd en het verdriet daar om, en de moeilijkheid om echte liefde te vinden.

    Sinds zijn debuut 15 jaar geleden met Marcel, weten we dat Erwin Mortier in prachtige poëtische zinnen het leven van zijn hoofdpersoon weet te verbeelden en te verbinden met de maatschappelijke gebeurtenissen die in dat leven een belangrijke rol spelen.
    Godenslaap was in zijn oeuvre een absoluut hoogtepunt, in De spiegelingen toont Mortier zich wederom een groot schrijver. De homo-erotische passages zijn wel erg expliciet en uitvoerig, maar ze zijn functioneel voor de thematiek van de roman. En in vergelijking met bijvoorbeeld Gerard Reve veel liefdevoller en mooier geschreven. Wel schiet hij hier en daar wat door, in zijn beschrijvingen, met iets te mooie en te lange zinnen, waardoor sommige passages in onduidelijkheid blijven hangen. Dat zij hem vergeven, want er blijft heel veel over om van te genieten.

     

     

     

  • Dit is niet Sneeuwwitje

    Dit is niet Sneeuwwitje

    Sneeuwwitje. Ze is nog te herkennen aan haar ebbenhoutkleurige haar en huid zo wit als sneeuw, maar afgezien daarvan bezit Donald Barthelme’s Sneeuwwitje geen archetypische kenmerken meer. Te intelligent en té bijdehand  is ze nog steeds op zoek naar haar droomprins, maar of de mannen kunnen voldoen aan de vele eisen die ze stelt?

    Donald Barthelme’s Sneeuwwitje is enigszins vervreemdend. Verwacht geen simpele hervertelling van het sprookje, want dan kom je bedrogen uit. Begin dit werk te lezen zonder verwachtingen en leer dit werk waarderen. Dan zie je in dat je een waar kunstwerk in handen hebt.

    Het gehele boek is een soort van hink-stap-sprong spel. De personages gaan op in hun filosofische mijmeringen over taal of kapitalisme, en uiten zonder een blad voor de mond te nemen hun kritiek op de maatschappij en op elkaar. Ze doen dit in mooi bloemrijk taalgebruik vol van sarcasme en woordspelingen met hier en daar een Franse term om hun scherpzinnigheid te versterken. Zonder waarschuwing gaan deze weloverwogen verhandelingen over in een scheldpartij, een serie van uitingen in slang of absoluut onnozele opmerkingen. Het kan verwarrend werken, maar het geeft de personages een prachtig complex karakter. Van de archetypes uit het sprookje blijft niets over. Het zijn multi-dimensionale personages met ieder hun eigen taalgebruik, die met hun deelname het verhaal verrijken en kleur geven.

    Sneeuwwitje is een mooie jonge Amerikaanse vrouw die samenwoont met zeven mannen.

    Met zijn zevenen vormen ze slechts het equivalent van ongeveer twee echte mannen zoals we die kennen uit films en uit onze jeugd, toen er nog reuzen op aarde waren. Het is natuurlijk ook mogelijk dat er op deze bol van halve waarheden, de aardkloot, helemaal geen echte mannen meer zijn. Dat zou een teleurstelling zijn. Dan moet je je tevredenstellen met de subtiele onechtheid van kleurenfilms over ongelukkige liefdes, geschoten in Frankrijk, met muziek van Mozart eronder.’

    Deze mannen wassen ramen, maken Chinees babyvoedsel en houden van drugs, alcohol en Sneeuwwitje. Door haar opleiding en kennis is Sneeuwwitje boven hun niveau uit gestegen en zoekt ze wanhopig naar haar ruimdenkende prins die haar kan inspireren. Ze heeft haar hoop gevestigd op buurman Paul, die blauw bloed heeft. Maar ook Paul is niet haar man. Barthelme weet het karakter van deze naïeve sul die in alles mislukt zo goed te beschrijven, dat je het alleen maar eens kan zijn met Sneeuwwitje. Zij valt voor Hogo (de Bergerac), een bedorven wreedaard die een relatie heeft met de jonge, gemene Jane. Jane laat zich haar man niet zomaar afpakken en bedenkt een list.

    Sneeuwwitje is een sprookje, maar niet het zoetsappige verhaal vol archetypes die je zou verwachten. Barthelme schept hier een kunstwerk vol personages die voor je ogen tot leven komen, door hun acties maar vooral door hun heerlijke humor en prachtige observaties.