Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • De tijd heeft zijn werk gedaan

    De tijd heeft zijn werk gedaan

    Wie kent ze niet: dr. Jekyll en mr. Hyde, twee namen die bij elkaar horen als Romulus en Remus. Als Jekyll komt te overlijden, gaan al zijn bezittingen over in de handen van Hyde. Dat heeft hij in een testament bij notaris Utterson vastgelegd.

    Jekyll wordt door R.L. Stevenson omschreven – zo dit bij een schimmige figuur al mogelijk is – als afstotend, op één of andere manier misvormd. En Hyde wordt evenzo (dat geeft te denken!) beschreven als iemand die afkeer oproept, en de indruk maakt mismaakt te zijn zonder dat het aanwijsbaar is waarin dat zit. Een Doktor Faustus-figuur, donker als de nacht. Zoals Jekyll de zonneschijn zelve is die – zoals hij zelf zegt – wanneer hij maar wil ‘van die Hyde afkan.’ Van de donkere kant van het leven dus eigenlijk.

    Hyde begaat de moord op het parlementslid Sir Danvers Carew, met de wandelstok die notaris Utterson eens aan Jekyll gaf. Jekyll zegt hierop voorgoed met Hyde te hebben gebroken. Het was volgens Utterson Hydes bedoeling geweest ook Jekyll om te brengen. Maar Hyde ‘was uit het blikveld van de politie verdwenen alsof hij nooit had bestaan’ en Jekyll leefde op, ‘nu die verderfelijke invloed was geweken.’ Of was hij soms krankzinnig geworden?

    Dat laatste was een overweging van dr. Lanyon, die op een avond wordt bezocht door een man die klein van stuk was, een stuitende gelaatsuitdrukking had en een gevoel van onbehagen opriep – de uit de dood opgestane Edward Hyde? Lanyon kan alleen maar concluderen: ‘Ik heb gezien wat ik heb gezien, ik heb gehoord wat ik heb gehoord en het heeft me tot in het diepst van mijn ziel geschokt.’ De tekening, één van de tien naast nog negen fotogravures die in het boek zijn opgenomen, allemaal van Charles Raymond Macauley (1904), zegt genoeg: een man wiens voorkomen wordt overschaduwd (of: beheerst?) door zijn evenbeeld.

    De fraaie uitgave, met die afbeeldingen, is gebaseerd op de vertaling uit 1951 van Yge Foppema, bewerkt door Jakob Mordegaai, die al eerder voor uitgever Bijleveld werk van Erich Fromm en Fernando Savater vertaalde. Bijleveld heeft behalve Fromm en Savater ook titels van Simone de Beauvoir, Erich Maria Remarque, Lev Tolstoj en andere klassieke auteurs in het fonds.

    Dat zegt wat over de waarde die de uitgeverij hecht aan deze literaire thriller van Stevenson. Dat gaat niet alleen in literaire zin op, want recent nog wond hoogleraar psychiatrie Jan van Os zich in een interview in Trouw (7 maart 2015) op over het in verband brengen van het ziektebeeld schizofrenie met het ‘Jekyll and Hyde’-beeld. Os vindt dit ‘echt onzin.’ Volgens hem is de term verouderd en inmiddels zonder inhoud. Os spreekt liever van psychose.

    Dichter in de buurt van het beeld dat Stevenson schetst, komt wellicht Sebastian Haffner die het tot uitgangspunt neemt van zijn boek Germany: Jekyll & Hyde. Haffner gebruikt het voor loyale en on-loyale Duitsers ten aanzien van de nazi’s. Of, zoals in het heldere nawoord in de uitgave van Bijleveld staat: ‘De novelle uit 1886 [gaat] over de ambiguïteit van karakter en identiteit, de morele strijd tussen goed en kwaad in één individu.’ En dat is, hoe je het ook wendt of keert, nog steeds actueel.

    Dit boek is het oerboek van een klassieker als De donkere kamer van Damokles (1958) van W.F. Hermans tot de recente bestseller Tweede leven van S.J. Watson (2015), om het bij boeken te houden. Daarom is deze nieuwe, mooie uitgave welkom, en zal die zijn weg onder de lezers zeker vinden.

    De lezer krijgt door deze bewerkte, oudere vertaling in vergelijking tot het originele Engels wél een ander beeld van de personages; vertalen is immers altijd ook interpreteren. De eerste zin alleen al maakt dit duidelijk. Utterson lijkt gaandeweg de tijd zekerder van zijn zaak geworden; hij heeft niet meer een grof gezicht en is wat schutterig, maar heeft een krachtig gezicht en is wat afstandelijk, niet langer introvert maar terughoudend:

    MR. UTTERSON the lawyer was a man of a rugged countenance, that was never lighted by a smile; cold, scanty and embarrassed in discourse; backward in sentiment; lean, long, dusty, yet somehow lovable (origineel R.L. Stevenson).

    Notaris Utterson was een man met een grof, hoekig gezicht, waar nooit een glimlach over gleed; hij was spaarzaam met zijn woorden, afgemeten en wat schutterig; hij was lang, mager, droog en droef geestig en gaf zelden zijn gevoelens bloot en toch had hij iets beminnelijks (vertaling Yge Foppema).

    Notaris Utterson was een man met een krachtig, hoekig gezicht, waar nooit een glimlach overheen gleed; hij was spaarzaam met woorden, afgemeten en afstandelijk. Zijn voorkomen was lang en mager, droog en droefgeestig, en bovenal terughoudend, maar toch had hij iets beminnelijks (vertaling Yge Foppema en Jakob Mordegaai).

    . Aan de lezer om te beoordelen of dit goed of slecht heeft uitgepakt en waar hij zich het meest bij thuis voelt.

     

    De zonderlinge geschiedenis van dr. Jekyll & mr. Hyde

    R.L. Stevenson
    Vertaling Yge Foppema en Jakob Mordegaai
    Illustraties: Charles Raymond Macaule
    Pagina’s: 114
    Prijs: € 16.50
    Uitgeverij Bijleveld

  • Ze zien het beest, maar niet de angst

    Ze zien het beest, maar niet de angst

    ‘We woonden in de stad die papa Leeuw het naamloze gat noemde’. Het is de eerste zin van de tweede alinea van Alleen met de goden, de nieuwste roman van Alex Boogers. Hij roept direct de troosteloosheid op van de omgeving waarin Aaron Bachman, in wiens leven we worden meegezogen, opgroeit. Aaron is 9 jaar als de roman begint. Hij groeit op in achterstandsbuurten en is het enige kind in een ontwricht gezin. Zijn moeder geeft hem dagelijks te verstaan dat haar leven gelukkiger zou zijn geweest als hij nooit geboren was en zijn vader zit in de gevangenis omdat hij iemand in een woedeaanval dood heeft geslagen. Hoe kun je in zo’n situatie als kind het hoofd boven water houden?

    Schrijver Boogers noemt in interviews Alleen met de goden zijn ‘eindboek’. Hij woont en werkt in Vlaardingen, ‘het naamloze gat’ uit de roman. Zijn nieuwste roman is min of meer zijn ultieme samenvatting van wat hij eerder schreef over het milieu waarin hij zelf opgroeide. Hij verwerkte er bijzonder veel autobiografisch materiaal in dat in zijn eerdere boeken ook al het thema vormde, maar dan in verbrokkelder vorm, zoals de vechtsport en het leven aan de zelfkant in Het waanzinnige van sneeuw en in Lijn 56.

    Van blurbs op boeken moet je je vaak niet teveel aantrekken, maar in dit geval slaat die de spijker op de kop. Die karakteriseert het boek als ‘een coming-of-age roman’ waarin Boogers’ thema’s samenvloeien: ‘verstoorde familierelaties, liefde en verlating, vechten om te overleven, schrijven om te groeien.’

    De vader wordt door Aaron ‘papa Leeuw’ genoemd. Omgekeerd noemt hij Aaron ‘Tijgerwelp’. Om het leven aan te kunnen en alle vernederingen de baas te kunnen zul je moeten vechten, prent Leen de jongen in. Aaron is erbij als papa Leeuw op de drempel van zijn huis een man in elkaar slaat die een tas bij zich heeft met een boek erin. De klap is zo hard dat het slachtoffer het niet overleeft. Leen gaat de gevangenis in en zijn zoon blijft achter bij zijn moeder, die hem voortdurend vernedert en afgeeft op haar man. ’s Nachts droomt Aaron van gevaartes die hem dreigen te vermalen en die hij probeert te bezweren door ze op te schrijven in schriften die hij angstvallig voor de buitenwereld verbergt. Liever dan thuis zoekt Aaron zijn heil op straat of bij de buurkinderen Olivia en Ronald. Hij vervalt in een leven van banale seks en straatgevechten. Er is een lichtpunt voor de jongen als hij, in een poging niet afhankelijk te zijn van zijn moeder, een baantje krijgt in een kennel. Daar ontdekt hij dat hij een ontembaar lijkende hond – hij noemt hem Otis, naar zijn lievelingszanger Otis Redding – handelbaar weet te maken omdat hij iets van zichzelf in het dier herkent. De hond lijkt het enige wezen dat hém echt begrijpt.

    Zijn moeder etaleert één trots wél: ze wil dat Aaron niet, als andere buurjongens, laaggeschoold blijft. Ze wil hem op de mavo. Vanaf dan begint een leven waarin Aaron ankers vindt die hem houvast bieden. Op school is er de muziekleraar Broere, die zelf in de ogen van de directie niet van onbesproken gedrag is, maar voor Aaron wel de enige door wie hij zich begrepen voelt. Hij voorziet hem van boeken (onder andere The Sun Also Rises van Hemingway) die hem leren hoe krachtig taal kan zijn.

    Aaron blijkt aanleg te hebben voor kickboksen en hij vindt ook daar een gids die weet wat voor slag jongen hij is. Beiden, de muziekleraar en de kickbokstrainer Art, houden Aaron voor waar zijn talenten liggen en wat voor weg hij te gaan heeft. En er is nog een derde persoon die hem een spiegel voorhoudt, zijn fysiek grotendeels afwezige opa, die zijn eigen weg gaat en Aaron begripvolle brieven schrijft. Ook hij stuurt hem boeken, over Japanse samoerai, waaruit hij zal leren ‘met zwaard en pen’ te vechten.

    Ondertussen rijgen de ruzies zich thuis aaneen. Met moeder valt bijna niet samen te leven en onder invloed van wat Aaron hoort over zijn vader kantelt zijn beeld van hem van dat van een vechtende leeuw naar dat van een lafbek.

    Aaron boekt als kickbokser grote successen – ook hier komen we Otis Redding weer tegen, wiens A Change is Gonna Come zijn opkomstmuziek wordt bij wedstrijdgevechten – , maar toch gaat hij zich steeds eenzamer voelen. Hij wordt toegejuicht als “Het beest”; hij wordt op handen gedragen. Maar niemand lijkt de kwetsbare, bange jongen te zien die in dat beest huist:

    Ik hou niet van de massa (…) Ze zien het beest, maar niet de angst. Ze zien de kracht van mijn stoten, de drift, en de knock-outs, maar niet het verlies. Ik verlies, zelfs als ik win, want in de ring heb ik maar met één tegenstander te maken, en niet met die gruwelijke blinde massa, die haar oordeel klaar heeft, die niet kan wachten om te zeggen dat ik er niet toe doe.

    Dezelfde angst speelt hem parten als hij Nadine ontmoet, de eerste vrouw die hem laat zien dat liefde iets anders is dan hij uit pornoblaadjes en in zijn spelletjes met Olivia heeft opgedaan. Hij kan zich niet aan haar overgeven.

    Boogers beschrijft in zijn roman het leven in een asociale omgeving door de ogen van een jongen van zijn 9de tot zijn 23ste jaar. Dat doet hij bijzonder inlevend en geloofwaardig waardoor je je als lezer voelt rondlopen in de harde werkelijkheid van Aaron Bachman.

    Alleen met de goden is een rauw boek. Maar ook een hoopvol stemmend boek. Het is bovendien een liefdevol boek, waarin voelbaar wordt hoe ieder mens in dit milieu gebukt gaat onder klappen en onvermogen.

    Boogers schrijft bovendien boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De vele monologues intérieurs laten je in de huid van Aaron kruipen. Die monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn. Tenslotte is er het spannende plot, waarin duidelijk wordt waarom de vreemde bezoeker destijds door papa Leeuw in elkaar werd geslagen en wat er in die tas zat die de bezoeker bij zich had.

     

  • Het besloten universum van Cor Gout

    Volgens Wim Brands, de presentator van het televisieprogramma Boeken, zijn er veel onbekende schrijvers in Nederland die meer aandacht verdienen. Cor Gout, die onlangs zijn verhalenbundel Korenblauw uitbracht, is één van hen.

    Gout is een veelzijdig kunstenaar. Hij schrijft niet alleen verhalenbundels, maar publiceert ook poëzie, zingt in een band en maakt programma’s voor radio en televisie. Je zou Gout een hedendaagse homo universalis kunnen noemen, die in de geest van Goethe en Leonardo Da Vinci op meerdere terreinen zijn creatieve persoonlijkheid tot uiting laat komen.

    De verhalen in Korenblauw zijn van wisselende kwaliteit. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze teruggrijpen op het verleden van Cor Gout, die in het naoorlogse Scheveningen opgroeide, een rustige, welvarende plaats aan de rand van de grote stad. De Duitse bezetting is echter nooit ver weg. ‘Ze waren gebleven, in en rond het park, de Duitsers, als geestelijke verstekelingen’, schrijft Gout in het verhaal ‘Van Stolkpark, verboden gebied’. Hij doet verslag van verlaten en vergeten villa’s, waar ooit Joodse families woonden. In het verhaal loopt hij er rond als jongen, op zoek naar spanning en avontuur. Gout heeft een formidabel geheugen; de kleinste, veelzeggende details weet hij op een beeldende, levendige manier te beschrijven. ‘De Lero-lijn was een benzolproduct en werd geleverd in een kwartliterblikje met afsluitbare dop, alsof het een verfblikje betrof. Het spul rook onaangenaam en zou na jaren een groot deel van de collages bederven’. In het langere verhaal ‘Zelfportret in collages’ wordt verteld hoe hoofdpersoon Patrick op latere leeftijd een intiem beeld krijgt van zijn mysterieuze vader. ‘Zelfportret in collages’vormt een van de hoogtepunten uit de bundel omdat Patricks vader een kant blijkt te hebben die Patrick niet had verwacht. Of het verhaal nou is verzonnen of daadwerkelijk is gebeurd doet er niet toe; vooral de ontknoping is een gouden vondst.

    Maar de meeste verhalen in Korenblauw ontberen de scherpte en de verrassende wending die ‘Zelfportret in collages’ zo goed maken. Verhalen als ‘Suze’ of de ‘De fascinatie voor de barvrouw, het serveerstertje en de lokettiste’ weten de anekdote niet te ontstijgen. Het zijn grappige, vermakelijke en soms filosofisch getinte herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en karakteristieke personen, maar ze missen een urgentie. Waarom wil Gout deze verhalen vertellen? Voor lezers die een indruk willen krijgen van de ‘veilige’, overzichtelijke jaren vijftig (toen de lokettistes in het postkantoor nog achter glas zaten en in de lerarenkamer nog de krant gelezen werd), heeft deze bundel veel te bieden. Voor andere, met name jonge lezers, is Korenblauw oneerbiedig gezegd een bundel knap vertelde verhalen uit grootvaders doos.
    Dit had Gout voor een deel kunnen voorkomen door zijn woordkeus aan te passen. Zo komen woorden als ‘billijken’, ‘onheus’ en ‘armetierig’ voorbij. Woorden waar je makkelijk hedendaagse synoniemen voor kunt gebruiken, zodat je niet het gevoel krijgt dat je eerst een laag stof op het boek moet wegblazen. De tekeningen van Hélène Penninga geven de verhalen meer speelsheid mee, maar versterken tegelijkertijd het gedateerde karakter van het boek. Het besloten universum dat Gout heeft geschapen is aantrekkelijk, maar hij weet de lezer nog niet helemaal te verleiden.
    Korenblauw
    Cor Gout
    152 blz.
    € 23,50
    Uitgeverij In de Knipscheer

     

     

  • Boekhouding van verstreken tijd

    Boekhouding van verstreken tijd

    Frida Vogels is vertaler van Salvatore Satta, Primo Levi, Giacomo Debenedetti en Cesare Pavese, en woont sinds 1955 in Bologna, Italië. In 1954 begint ze op 24 jarige leeftijd een dagboek bij te houden. Dit blijft ze doen tot 1991. Parallel daaraan werkt ze aan haar autobiografische boek De harde kern. Toen dit boek af was, verviel daarmee de behoefte een dagboek bij te houden. Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld om openbaar te maken. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken voor publicatie. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel.
    En daar is nu een eind aan gekomen. Het 11e deel, Dagboek 1977 – 1978, dat oktober 2014 verscheen, is het laatste deel dat bij haar leven zal verschijnen.

    Dagboek 1977-1978 is voorzien van een voorwoord waarin Vogels verklaart dat ze het zichzelf en anderen niet kan aandoen de resterende vijf delen te publiceren. Gebeurtenissen uit begin jaren tachtig zijn te pijnlijk om openbaar te maken. Ze zegt hierover: ‘Ik heb er in ‘Met zijn drieën’, het derde en laatste deel van ‘De harde kern’, al over geschreven en wat daar staat is schokkend genoeg.’ Voor wie dan ook het tweede boek van De harde kern bij de hand heeft en leest vanaf blz. 474, begrijpt dat het opnieuw tot een breuk met haar broer, de belangrijkste persoon in haar leven, komt. Zelfs voor de lezer is het pijnlijk om hier getuige van te zijn. Op dit punt blijkt overigens dat het dagboek moeiteloos overgaat in de roman en vice versa.

    Het is er allemaal weer: de zwerfkatten (dit keer ook een hond die verzorging behoeft), het jaarlijkse verblijf in Amsterdam, de moeilijkheden en schuldgevoel in het tekort schieten  in contacten en relaties, het ziek en beroerd voelen achteraf. Toch maakt ze afspraken, ontvangt mensen thuis en schrijft brieven (die nogal eens niet verstuurd worden) met steeds de gedachte alles te kunnen afzeggen. Als er gebeld wordt doet ze niet open en denkt: ‘Dat mag ook wel eens onderzocht worden.’ Dat  het huishouden haar achtervolgt en de relatie met haar man Enzo steeds afstandelijker beleefd wordt, accepteert ze. Enzo heeft een vriendin, waar ze het beiden niet over hebben maar waar ze wel steeds aan denken moet. De stand van hun huwelijk na 20 jaar :

    ‘Moeilijkheden, ja, die hebben we natuurlijk. Ons huwelijk is niet eens een huwelijk. Maar wat het ook is, het is wel wat, en dat we elk een eigen leven hebben, rust op die gemeenschappelijke basis.’

    Tijd is een factor die ze op verschillende manieren beleeft. De tijd die ze niet kan schrijven aan haar boek of dagboek, benauwt haar. Als ze haar dagboek niet kan bijhouden, blijft haar dat achtervolgen. Dagboekschrijven is onmogelijk om bij te houden concludeert ze, maar: ‘Alles moet met zin en orde op papier worden gezet.’ Anders hoef je er niet aan te beginnen. Wat onaf blijft, daar kan ze later op ‘afgerekend’ worden. Tijd waarin je even niets om handen hebt is ‘ongemakkelijke tijd’. Ze noemt zichzelf boekhouder van de verstreken tijd. Waarbij ze zichzelf nog geregeld in de weg zit. Toch brengt het schrijven haar momenten van grote tevredenheid en geluk.
    Maar zo gauw ze haar gedachten naar buiten moet brengen, faalt ze. Zoals bij een meningsverschil tussen Enzo en een jongere collega die bij hen op bezoek is. Zij wil de jongere collega ondersteunen maar krijgt haar theorie, waarbij ze denkt aan Dante’s Inferno en aan een stuk van Primo Levi, niet ‘over het voetlicht’ gebracht. Er heerst een ernstige discrepantie tussen haar sterk theoretische binnenwereld en het falen van die theorieën zo gauw ze ze naar buiten probeert te brengen. Schrijven is voor haar de enige weg om zich te laten gelden. Om te laten zien wat ze waard is.

    In haar relatie tot haar jongere broer is er nog steeds een schuldig voelen, al kan ze niet benoemen waarom. Wel dat het daarom is dat ze een tweede deel van De harde kern, (Met zijn drieën) moest schrijven. Tegen het einde van dit dagboekdeel is er duidelijk sprake van een verhoogde spanning tussen hen beiden (een gepland reisje met hen beiden naar Siena gaat voor de zoveelste keer niet door). In de zomer van 1978 committeert ze zichzelf wederom tot het bijstaan van een familielid van Enzo. Nicht Marisa moet geopereerd worden. Dit betekent dagelijks uren aan het ziekbed zitten wat haar, zoals de keer dat ze dit voor haar schoonmoeder deed (Dagboek 1974 -1976), vreselijk opbreekt. Maar ook confronteert met haar eigen eigenaardigheden. Na uitvoerige beschrijvingen van het karakter ‘Marisa’:

    ‘Als dit alles bedoeld is als studie van een bepaalde, typisch vrouwelijke mentaliteit, dan is mijn eigen hevige irritatie erdoor ook nogal typerend. Sommige trekjes herken ik wel degelijk.’

    Door alles vast te leggen, uit te schrijven, te herschrijven, wordt voor haar het bestaan gerechtvaardigd. Alsof ze verantwoording moet afleggen voor dat bestaan. Hoewel het niets oplost en ze er geen ander mens van wordt. Maar: ‘Doen wat je kunt is het doel van het leven, geloof ik.’

    “Toen ik tegen Han (Voskuil) zei dat ik mijn boek nu rond had, zei hij ‘een boek schrijven is geen oplossing. Dat denk je aanvankelijk wel, maar het is niet zo. Het maakt je niet minder onzeker, niet minder gespannen. Maar je hoeft jezelf als je dat gedaan hebt niet meer te bewijzen, het geeft je een gevoel van ‘het is volbracht’. ‘Ja, zei ik, dat gevoel heb ik wel, al zou ik niet weten wat er nu volbracht is.”

    De afsluiting van dit 11e deel, getiteld Verslag met de linkerhand, (ze heeft haar rechter pols gebroken bij een val), was oorspronkelijk bedoeld als sluitstuk van haar dagboek. In die zin gebruikt ze het dan ook om Dagboek 1977 – 1978 mee af te sluiten. Daarvoor maakt ze een sprong in de tijd van december 1978 naar 26 april 1991 en stopt op 26 mei. Het moment waarop het eerste deel van De harde kern bij de uitgever ligt. Daarmee lijkt haar leven voltooid. ‘ (…) dat ik als mijn boek af is zelf een eind aan mijn leven mag maken als ik dat wil, dat ik niemand iets verschuldigd ben.’ En de cirkel is rond.

    Hoe meer je in haar dagboeken verdiept raakt, en zijdelings nog eens in De harde kern, besef je dat Vogels geen makkelijke persoon is om mee te leven, maar dat ze een fantastisch werk heeft gemaakt. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Zoals ze zelf zei in het enige interview dat ze ooit gaf: ‘Zelf zou ik een dagboek als dit graag lezen.’ Wat voor haar reden was ze te publiceren. Dank daarvoor.

     

     

  • Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Kouder dan sneeuw, zoeter dan suiker

    Een dal in de Dolomieten met uitzicht op de prachtige bergtop van de Antelao met gletsjers en eeuwige sneeuw. Het is de vallei van de ijsmakers. Al generaties lang trekken in de lente de Belfi’s, de Zangrando’s, de Toscani’s en de Talamini’s weg uit hun geboortestreek om in Oostenrijk, Duitsland en Nederland ijs te verkopen. Het ijsseizoen duurt tot oktober, in de wintermaanden keren ze terug. De ijsmakers van Ernest van der Kwast (1984) is het relaas van de Talamini’s, een ijsmakersfamilie uit Venas di Cadore. Elk voorjaar openen zij hun ijssalon Venezia in Rotterdam. Giovanni Talamini is de verteller van het verhaal. In meerdere hoofdstukken, met sprongen in de tijd, wordt de familiegeschiedenis geschetst.

    Overgrootvader Giuseppe (‘Beppi’) is de zoon van een houthakker. Hij wordt enthousiast door de verhalen van Enrico Zangrando over ijs dat eind negentiende eeuw in Wenen wordt verkocht: ‘je eet het met een lepel en het smelt in je mond.’ Giuseppe, ‘bedwelmd door de verhalen en de zoete smaken in de koperen bussen van de ijscokar in Wenen’, kan er niet meer van slapen: ‘De deur van de droom was op een kier gezet en hij wilde niets liever dan naar binnen gaan.’

    In de houtzagerij wil hij niet werken: hij wil ijs maken. Met een rieten mand haalt hij sneeuw van de gletsjers op de Antelao. Hij ontwikkelt in zijn draagbare ijsmachine allerlei overheerlijke smaken. Heel het dorp komt zijn ijs proeven. ‘Het is kouder dan sneeuw en zoeter dan suiker.’ Zo wordt Giuseppe een van de eerste ijsmakers van de streek.
    Vier generaties later. Giovanni Talamini zal samen met zijn broer Luca ijssalon Venezia in Rotterdam overnemen. In de zomer helpt hij als vijftienjarige in de bediening. Richard Heiman, directeur van het World Poetry festival, laat Giovanni op het terras van de salon kennismaken met de dichtkunst. Hij leest hem een gedicht voor van de Engelse romantische dichter Shelley: ‘Klein is het hart waarin één liefde gloeit, / De geest waarin maar één gedachte groeit, / het leven dat men aan één doelwit wijdt, / Zijn kans verspelend op onsterfelijkheid.’

    Deze regels maken grote indruk op de jongen, ook al begrijpt hij niet alles. ‘Was de deur van één der kamers, zonder dat ik het had gemerkt, op een kleine kier gezet?’ Richard blijft het terras bezoeken, gedichten voordragen en verhalen vertellen over festivals en mooie stagiaires. ‘Je moet een keuze maken, zei hij toen ik achttien was. /…/ Ga je je leven wijden aan de poëzie of word je ijsmaker?’

    Dat Giovanni kiest voor de poëzie wordt hem door de familie niet in dank afgenomen. Hij heeft niet voldoende talent voor het dichten, wel voor het redacteurschap: ‘Het was magisch om gedichten te lezen die nog niemand anders had mogen inzien, als lopen door maagdelijke sneeuw.’ Luca is de broer die noodgedwongen het ‘lot’ van Giovanni overneemt en ijsmaker wordt. Broer en vader laten hem merken dat ze niet gelukkig zijn met zijn keuze. Het veroorzaakt elke keer een ‘steek’ bij Giovanni. ‘Mijn vader sprak wel met mij, maar in alles wat hij zei gonsde de hoop dat ik mij op een dag weer zou bekeren tot het ijs. Ik was afgedwaald, het was zijn taak mij te laten inzien dat ik de verkeerde beslissing had genomen. Ik had gekozen voor een bestaan zonder de ijssalon, zonder familie. Daar zou ik vroeg of laat spijt van krijgen.’ Luca maakt lange dagen in het kleine keukentje met het bleke tl-licht. Ondertussen klimt Giovanni op van redacteur naar directeur van het World Poetry festival. Hij reist de wereld rond voor internationale festivals. Broer Luca praat jarenlang niet met hem. Maar: ‘De jarenlange stilte had geen betekenis. Stilte was luchtledig. Je kon het gemakkelijk samendrukken, totdat het niets was. Twaalf jaar, elk jaar een sneeuwvlokje dat sublimeerde voor het de grond raakte.’ Giovanni: ‘Ik was zijn oudere broer, ik zou hem altijd helpen.’ Als Luca een beroep op hem doet, staat hij voor de keuze zijn belofte wel of niet na te komen.

    Keuzes maken, daar gaat het over in dit boek. Treed je in de voetsporen van je familie, of wijk je van het uitgestippelde pad af? Van kinderen van ijsmakers wordt verwacht dat zij de ‘spatula’ (ijsschep) en de ijssalon overnemen.

    Knap gebruikt Van der Kwast beeldspraak voor het beschrijven van de twee gletsjers op de Antelao, de Koning van de Dolomieten: ‘ze glinsterden in de zon als een halsketting.’ De oudste ijsmaker: ‘We moeten naar de gletsjer,’ zei Giuseppe. Hij wees naar de ijskoude halsketting om de top.’ Later komt dit terug als: ‘Alles smolt, slonk, sijpelde en verzwond, behalve de sneeuw op de gletsjers, de halsketting die om de top van de Antelao lag.’ Sneeuw halen op de gletsjer wordt verbonden met de bijnaam van de berg: ‘Giuseppe ging /…/ naar de Antelao en roofde sneeuw van de koning.’

    Minder geslaagd zijn de clichématige beschrijvingen van poëziefestivals in het buitenland, met dronken dichters en aantrekkelijke stagiaires. Ook de uitvoerige beschrijvingen van hotelkamers voegen weinig toe. Daartegenover staan de sterke komische dialogen tussen vader Talamini en een Chinees die claimt dat niet de Italianen het ijs hebben uitgevonden, maar de Chinezen. Vermakelijk zijn ook de verhalen over de ruziënde ijsmakers in Italië over wie het lekkerste ijs maakt.

    Dat De ijsmakers een roman is, zou je gemakkelijk kunnen vergeten door beschrijvingen zoals die over slagerij Benali op de West-Kruiskade in Rotterdam. Het fragment spiegelt de situatie van Luca en Giovanni: de hardwerkende ijsmaker onder het tl-licht in zijn keukentje tegenover de reizende poëziebroer. Verteld wordt dat de oude Marokkaanse slager niet meer in de slagerij werkt. Zijn zoons hebben de zaak overgenomen: ‘Maar zijn oudste zoon is schrijver geworden. Hij heeft een aantal romans gepubliceerd, waarvan één een bestseller was, en is naar Amsterdam verhuisd.’ Over de zoon die nu slager is: ‘De slager is bleek als het tl-licht dat boven zijn hoofd hangt, hij is kalend en heeft een postuur dat een enorme kracht verraadt, maar ook vertelt hoe zwaar zijn werk is. Zijn broer heeft een donkere huid, draagt een hippe Italiaanse pet en is fit als een marathonloper.’ Bestaande schrijvers als romanpersonage. Grappig die toevoeging ‘fit als een marathonloper’: Abdelkader Benali schreef De marathonloper in 2007. En in Rotterdam kan Jules Deelder ook zomaar op het terras van ijssalon Venezia plaatsnemen. Een mooi spel van ‘fictie’ en ‘werkelijkheid’.

    De ijsmakers beleefde in korte tijd drie herdrukken. In februari werd de vierde druk opgelegd en in 2016 zal een Duitse vertaling verschijnen. Met De ijsmakers heeft Ernest van der Kwast een heerlijk boek geschreven, over keuzes maken, de schoonheid van poëzie én de lange en rijke geschiedenis van de ijsmakers uit het Italiaanse Cadore-dal. Een aanrader.

     

     

  • Eindeloos veel vragen

    Eindeloos veel vragen

    De titel geeft het weg. Wachten op een vriend, de zojuist verschenen roman van Huub Beurskens, staat in de schaduw van Wachten op Godot. De schrijver doet er trouwens niet geheimzinnig over. In zijn boek komt het toneelstuk herhaaldelijk ter sprake, ook in de ‘Verantwoording’ achteraf: ‘Het spreekt voor zich dat gebruik werd gemaakt van Samuel Beckett’. Dat blijkt al bij de enscenering. Tijdens een wandeling over het Griekse eiland Samos, dichtbij de Turkse kust, zit Lerrie op een heuvel onder een boom uit te puffen. Fraai uitzicht over de Egeïsche zee, associaties met de Griekse oudheid. Er komt een andere wandelaar aanzetten: Hendrik. Ze kennen elkaar van vroeger, de middelbare school, maar hebben elkaar tientallen jaren niet meer gezien. Je ziet Estragon en Vladimir die bij een kale treurwilg op Godot zitten te wachten. Ook de dialoog is Beckettiaans. ‘Daar ben je dus weer’, zegt Lerrie, ter begroeting. ‘Vind je?’, antwoordt Hendrik. Absurd toneel, inderdaad.

    Het is bekend. Het wachten op Godot duurt eindeloos, hij komt niet opdagen, communiceert met de wachtenden via een jongetje dat met boodschappen heen en weer wordt gestuurd. Bestaat Godot eigenlijk wel? Is hij een hersenspinsel? Van die onzekerheid over de werkelijkheid heeft Beurskens handig gebruik gemaakt om zijn roman dramatische lading te verschaffen. De beide vrienden verblijven ieder aan een verschillende kant van het eiland en wisten dat niet van elkaar. Ze gaan bij elkaar op bezoek en halen herinneringen op aan hun lang vervlogen vriendschap, hun vriendinnen, hun schooltijd op een katholiek internaat en tegelijkertijd monsteren ze elkaar met een zeker wantrouwen: wat heb je met me voor? Wat voor iemand ben je geworden? Hendrik is alleen, Lerrie is met zijn echtgenote Blanche. Maar op het eind denk je: is dit allemaal echt gebeurd of heeft het zich afgespeeld in de fantasie van Hendrik? Bestaat Godot?

    De herinneringen zijn flarden en ze komen in fragmenten langs, met enige moeite zijn er de verhalen uit te distilleren die de roman stutten. Bij Beurskens lopen feit en fictie door elkaar, uit overtuiging, waarschijnlijk. Hij heeft uitgesproken opvattingen over bepaalde aspecten van het schrijverschap: de dingen die je beschrijft moeten op serieuze waarneming zijn gebaseerd. Dat geldt met name voor beschrijvingen van natuur, plant en dier. Op Samos is er veel te zien, we worden geïnformeerd over gele vlinderbloemen, citrusstruiken, salie, bladsprietkevers, veldsprinkhanen, cicades, schildluizen, schorpioenen, amandelbomen, steenuiltjes, egels, glasslangen, scolopendra’s – niet noodzakelijkerwijs in die volgorde. Maar ondanks al die nauwgezetheid komen we opmerkelijk weinig te weten over de aard van die beestjes en bloemetjes, dat maakt de opsomming nogal vrijblijvend. Ook over het eiland kom je weinig te weten, behalve dat het er fraai is, maar dat kun je in iedere toeristenfolder lezen. En een natuurvorser als Beurskens zou toch iets meer moeten vertellen over de condities van het klimaat, het weer, de temperaturen, de kleur van het zeewater. Een bijzondere verdienste van Darwin was nu juist dat hij zo’n scherp oog voor de context had.

    Het mengen van feit en fictie blijkt ook in sommige herinneringen. Zo worden we geïnformeerd over Henk Krol, oprichter van de Gay Krant en politicus: hij was medeleerling van Hendrik en Lerrie en werd van school gestuurd, vermoedelijk wegens homoseksuele praktijken. Hendrik realiseert zich dat hij destijds nooit had begrepen dat Krol van de school verdween om andere redenen dan ‘nijpende Brabantse familieomstandigheden’. ‘Hij is nu actief in de landelijke pensionadopartij’, stelt hij vast. Curieus, deze aandacht. Wat wil de schrijver ermee zeggen? Krol speelt in het boek verder geen enkele rol en komt ook niet meer ter sprake. W.F. Hermans zou de schrijver gewezen hebben op de overbodige aanwezigheid van een ‘witte pater’.

    Deze stijlfiguur, gevoegd bij de soms absurde, maar soms ook gekunstelde, houterige dialogen, maakt het moeilijk om te bepalen op welk niveau je Wachten op een vriend moet waarderen. Moeten we alles serieus nemen? Gaat het om de inhoud van het verhaal van de vriendschap? Om de manier waarop die bloeide en later verdween? Om wat er is voorgevallen waardoor een breuk ontstond? Wie zich daarin verdiept, heeft wat speurwerk te verrichten: Beurskens neemt het niet zo nauw met chronologie of plot. Je zou het ook kunnen zoeken in de stemming, de mediterrane sfeer van het Griekse eiland, de innerlijke monologen van oudere mannen die hun leven en zonden overdenken. Wachten op een vriend is dan inderdaad het wachten op verlossing of bevrediging, het antwoord op de vraag of het leven wel de moeite waard is geweest. Beckett wist die grote achterliggende vragen met overtuiging te stellen, precies maar ook vol ironie, humor, en intelligentie. Een dergelijke virtuositeit is Huub Beurskens helaas niet gegeven.

     

    Wachten op een vriend

    Auteur: Huub Beurskens
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik (2015)
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 17,50

     

  • Hoe Donkers hoe beter!

    Hoe Donkers hoe beter!

    Jan Donkers (1943) is de vleesgeworden paus van de popmuziek in Nederland. Een onafzienbare lijst van artikelen over dit onderwerp staat op zijn naam. Hij schreef o.a. in De Volkskrant,  stond met Willem de Ridder aan de wieg van het undergroundblad Aloha/Hitweek en hij publiceerde in NRC, Wah Wah en America Magazine. Daarnaast was hij een veelgehoorde stem op de radio. De VPRO lijfde hem in. In de jaren 60 werkte hij mee aan de Joe Blow Show, Amigos de Musica en cultuurprogramma’s Het Gebouw en De Suite. Zijn samenwerking met Peter Flik en Wim Noordhoek is vermaard.

    Donkers heeft een aantal van zijn artikelen nog eens doorgenomen en levert daar op speelse manier commentaar op. Verbindend in de bundel is een cruise die hij een aantal keren maakt vanuit Miami naar bounty-eilanden met popartiesten die tijdens de cruisse optredens. Het zijn niet de eerste de besten, waaronder Emmylou Harris, Lyle Lovett en John Hiatt. Eigenlijk vindt Donkers, dat cruises voor oude zielenpieten zijn, maar hij laat zich het reisje niet ontgaan om met artiesten in contact te komen. En om de voortschrijdende tijd onder controle te krijgen. Is popmuziek iets voor ouderen? Moeten rockartiesten op hoge leeftijd nog wel optreden? Zijn de fans niet op zoek naar iets, wat er al lang niet meer is?

    De laatste vraag hield me ernstig bezig nadat ik Bob Dylan- ook een idool van Donkers- twee jaar geleden in de Heineken Hall zag optreden. Een man naast mij vroeg zich af, terecht, welk nummer Bob ten gehore bracht, zo onverstaanbaar en vals was de troubadour inmiddels bezig, alleen de rollator ontbrak nog. Was hij er eigenlijk nog of stonden we naar een opgewarmd lijk te kijken?

    Donkers pleit in bijna al zijn stukken voor het onvergankelijk maken van popmuziek en vergelijkt de poppers met klassieke musici, waarbij het niet om de leeftijd zou gaan maar puur om de prestatie. Aan de andere kant spreekt hij zichzelf tegen. Wanneer hij bijvoorbeeld Warren Zevon (1947-2003) ten tonele voert, krijgen we medelijden met deze zich snel opbrandende feestkaars. Zevon had een aantal hits maar verviel in drugs- en drankgebruik en mishandelde zijn vriendinnen. ‘I got to be Jim Morrison a lot longer than he did!’ Morrison (The Doors!) stierf aan de drugs op jonge leeftijd, Zevon hield het langer vol, maar liet een puinhoop achter en kon uiteindelijk nauwelijks meer spelen. Zonde! Vergankelijkheid der vergankelijkheden!

    Gelukkig gaat Donkers niet voor zijn eigen stukken staan, we komen over zijn privé niet zo veel te weten en hij toont  humor, bijvoorbeeld wanneer hij de excentrieke punkzangeres Nina Hagen met enig afgrijzen beschrijft en terloops meldt dat hij toen hij haar had zien optreden, opeens begreep waarom er nog steeds schuilkelders bestaan. En we krijgen een kijkje in de keuken van het in de jaren 60 vermaarde blad Hitweek/Aloha. Undergroundvijand nummer 1, Willem Duys, werd in het blad vilein op de hak genomen. Geen wonder want hij was in die dagen wel zo’n beetje alles waar rechts verzuurd Nederland voor stond. Het lot wilde dat Donkers een muziekprogramma kreeg nadat Duys was verdwenen met zijn populaire Muziekmozaïek op de zondag. Donkers draaide uiteraard volkomen andere muziek, maar kreeg toch veel luisteraars. Aanvankelijk draaide Donkers nog veel country (Byrds) maar spoedig werd zijn keuze ruiger.

    Donkers verloochent zijn achtergrond als socioloog niet. Hij probeert het belang van de popcultuur- vooral de teksten van popsongs- neer te zetten als een fenomeen, dat uitzonderlijke invloed op onze maatschappij heeft gehad. Van de blues naar protestsongs van Dylan, Seeger en Donovan en via de Woodstockgeneratie, Country Joe, die de Vietnamoorlog aan de kaak stelde tot Johnny Rotten, het boegbeeld van de punk.

    Hij laat de ruzies zien tussen de leden van de The Wainwright Family. Loudon was destijds getrouwd met een van de McCarrigle zusters en de vechtscheiding eindigde in het elkaar bestoken met in vitriool gedoopte songteksten. De vrede schijnt nu getekend, bovendien overleed Kate in 2010 hetgeen haar ex, Loudon dan weer veel verdriet deed. Rufus, de zoon uit hun huwelijk treedt inmiddels veelvuldig op maar weigert in interviews het verleden op te rakelen.

    Van de interviews is het gesprek met Allen Toussaint, de eminence grise van de pop, het interessantst. Toussaint schreef voor de New Orleansscene muziek in de jaren 60 en 70.

    Voor Lee Dorsey schreef hij het prachtige Working in a Coalmine. Voor Irma Thomas, Ruler Of My Heart. En een groot aantal klassiekers. Maar uiteindelijk werd zijn opnamestudio verwoest door orkaan Katrina en haalde Elvis Costello hem over weer songs te gaan schrijven. Toussaint treedt zelfs op en is een icoon voor singer songwriters. Donkers ontlokt hem mooie uitspraken

    Een prettig boek met interessant materiaal, overzichtelijk gerangschikt en in hapklare brokjes opgediend. Men leze!

     

    Rock-‘n-Roll voorbij de midlifecrisis

    Auteur: Jan Donkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 254
    Prijs: € 19,99

  • Op zoek naar het eeuwige leven

    Op zoek naar het eeuwige leven

    Het is even wennen, de futuristische wereld die Auke Hulst in Slaap zacht Johnny Idaho neerzet. Deze roman speelt in een wereld die lijkt op de onze, maar die toch totaal anders is met weblenzen, swipes en taps. ‘Veel berichten gaan over sociale onrust in ooit welvarende steden, in ooit welvarende landen, waar ooit de zon scheen. Londen brandt. Madrid smeult na, in San Francisco hebben ordediensten de toegang tot Millionaire’s Row gebarricadeerd. Silicon Valley wil zich afscheiden, burgermilities brengen de technies zo nu en dan een slag toe.’ Welkom in de wereld van Auke Hulst, waarin weblenzen het leven domineren, zoals bij de kennismaking met personage Hatsu blijkt: ‘Voor de spiegel doet ze haar oude weblenzen in. Ze probeert dóór haar lenzen heen te kijken, voorbij de informatiestromen, en ziet diezelfde data terug in het spiegelbeeld. Ze sluit niet uit dat er een camera is verstopt achter het glas. En hoeveel voyeurs liften mee op wat haar lenzen registreren? Eén paar ogen? Meerdere?’

    Hier wordt meteen gekenschetst in wat voor een Big Brother-achtige samenleving de personages zich staande moeten houden. Wie kijkt er mee en wie houdt je in de gaten? Er is een ‘Oog’ dat alles registreert en vastlegt. Dit, in combinatie met de ratrace waarin iedereen verstrikt zit, geeft een gevoel van beklemming en rusteloosheid dat door het hele boek te voelen is. In deze setting gaan een, volgens de databanken niet bestaande, tiener, een terminale bankier en een wetenschapper op zoek het eeuwige leven.

    Johnny Idaho, een Amerikaanse tiener, is op weg naar de Archipel, een zwaar bewaakt eiland in de oceaan. Zijn reis wordt beschreven als de tocht van een illegale immigrant zoals wij deze vandaag de dag kennen. Het doel van zijn reis blijft lang onbekend. De missie van Willem Gerson, de Chief Executive Officer van een multinational, is wel meteen duidelijk. Zijn terminale ziekte duwt hem in de richting van Hatsu, een Japanse wetenschapster die het gen van onsterfelijkheid probeert te isoleren.

    In de eerste helft van de roman raken de levens van de drie hoofdpersonen elkaar nauwelijks, maar na een indringend beschreven ramp verandert dit. In dit centrale hoofdstuk toont Hulst zich een meesterlijk verteller. Het gebouw waarin Johnny Idaho zich bevindt, stort in. Het doet denken aan een 9/11 aanslag. Na deze cruciale scène is alles anders, en vallen de levens van de hoofdpersonen samen.

    Gerson is op een oneerlijke wijze schatrijk geworden en dacht overal mee weg te komen. Hij dacht zelfs onsterfelijk te zijn, maar nu moet hij accepteren dat hij dood gaat. Hij besluit onsterfelijkheid te kopen bij Hatsu. Vastbesloten is hij en bereid ver te gaan. Het was een van Gersons malafide bouwprojecten die instortte en al dan niet de dood van Johnny Idaho veroorzaakte. Het is maar de vraag of Johnny echt dood is, hij bewoont een duistere onderwereld. Vanuit zijn (schijn)dode situatie neemt hij wraak en dit doet hij geheel in stijl van het boek Moby Dick. In eerste instantie lijkt het boek Moby Dick slechts een detail uit het leven van Johnny (‘Een goed boek maakt geen reclame, een goed boek verkondigt de waarheid.’), maar het blijkt als een rode draad door Slaap zacht Johnny Idaho te lopen met de walvis die symbool staat voor de harde werkelijkheid.

    De roman van Auke Verhulst staat op de grens van science fiction en daar moet je van houden. Soms is het verhaal moeilijk te volgen, met allerlei digitale maar ook futuristische termen. En dat maakt het lastig je werkelijk in te leven in de personages en de wereld waarin zij leven. De thema’s daarentegen zijn alledaags: de dood zit de personages op de hielen en ondanks de mythe van onsterfelijkheid die hun futuristische leven suggereert, moeten ze toch één voor één hun sterfelijkheid accepteren.

     

  • Twee zonen en hun moeders

    Twee zonen en hun moeders

    Margaret Mazzantini (1961, Dublin) is schrijfster en actrice. Ze begon haar acteercarrière in 1980 in de beruchte horror cult film Antropophagus, en speelde bijna twintig jaar in diverse films, het theater en voor televisieproducties.
    In 1994 debuteerde ze met haar roman Il Cantino Di Zinco (Het zinken teiltje), waarvoor ze de Campiello Prijs en Rapallo-Carige Prijs won voor het beste debuut. In 2004 werd haar succesvolle roman Non ti muovere (Ga niet weg) verfilmd door haar partner Sergio Castellitto, met in de hoofdrol Penelope Cruz. In het voorjaar van 2014 verscheen haar korte roman Morgenzee.

    Morgenzee is het verhaal van twee zonen en hun moeders: de Libanese Farid en zijn jonge moeder Jamila, en de 18-jarige Vito en zijn moeder Angelina op Sicilië.
    Het eerste deel gaat over Farid en Jamila, die in de zomer van 2011 uit Libië vluchten voor het bewind van Khadaffi. Na een zware tocht door de woestijn gaan ze mee op een boot met een groep andere vluchtelingen, hopend op een betere toekomst in Europa. Maar de boot is oud en er is niet genoeg benzine, water en eten. Al snel worden de passagiers ziek, wat Mazzantini uitvoerig beschrijft: ‘Iedereen is bleek, zo grijs als touw. Iedereen heeft overgegeven. Het braaksel stroomt over de bodem, over het weke hout, achter het aanhoudende geroffel van de zee aan.’ Als het drinkwater opraakt droogt Farid uit. Jamila hoopt dat haar zoon eerder zal sterven dan zij, omdat hij anders ‘zou moeten voelen hoe eenzaam de zee is.’ Ze denkt aan een prooidier in de woestijn dat ze ooit heeft zien zitten naast zijn dode moeder, omringd door roofdieren in de nacht.

    Het tweede deel draait om Vito en Angelina, die leven op Sicilië. Vito is net klaar met de middelbare school en weet niet wat hij wil gaan doen met zijn leven. Hij doodt de tijd met hard rijden met zijn vrienden en uitgaan. Angelina overdenkt haar jeugd in Libië, waar ze woonde voordat ze met haar ouders moest vluchten naar Europa en de ontluikende liefde tussen haar en haar vriend Ali achter zich moest laten. Angelina kan het verleden niet loslaten en spendeert de meeste tijd met ronddwalen op het eiland en roken. Als ze de kans krijgt om terug te keren naar haar geboorteland grijpt ze deze. Samen met Vito’s oma keren ze terug naar Libië, om te zien wat er over is van hun vroegere leven. Ze zoeken Ali op. Hij is een rijke man geworden, vriendelijk en knap, maar niet warm. ‘En toch had hij een strakke en doordringende blik. Net zo roerloos als dat huis, zonder frisse lucht, als een bunker.’ Angelina weet zich geen houding te geven bij deze teleurstellende ontmoeting.

    Aan het einde van het boek komen de verhalen samen. Vito vind een talisman op het strand en denkt aan de boten met vluchtelingen die hij eerder heeft gezien, met uitgehongerde passagiers. Niet lang daarna hakt Vito de knoop door en verhuist naar Engeland. Angelina moet haar leven alleen voortzetten.

    Morgenzee vertelt een verhaal over families, liefde, oorlog en nostalgie. Mazzantini’s oog voor detail schept een sfeervol en filmisch beeld van Libië en Italië, wat soms op het randje pretentieus is maar er net niet overheen tuimelt. Dit komt door de afwisseling van verfrissende eenvoudige en poëtische zinnen, zoals ‘[Angelina] beeldde zich in dat ze naar Tripoli zou zwemmen. Dat ze daar half vis en half vrouw aan land zou gaan, net als in het sprookje van de zeemeermin, en in de buurt van de stad van de kalksteen en de johannesbroodbomen zou blijven om haar clandestiene lied te zingen.’ En: ‘Toen kwam die dag in september. De avondklok. De stad werd gehuld in een deken van stiekem gedoe, zwevend in stilte.’

    De levens van Farid, Jamila, Vito en Angelina vormen een zwaar verhaal: ze worden allen geteisterd door oorlog en verlies. Maar vooral de moeders zijn sterk en levenslustig, ook als ze zonder hun zonen verder moeten. Jamila houd haar stervende zoon vast en zingt voor hem. Als Vito is vertrokken maakt Angelina haar huis schoon: ‘Ze leefde nog. Het was natuurlijk alleen maar angst geweest.’ Die kracht en hoop inspireert de lezer van het boek: ook ik kan het leven aan.


    Morgenzee

    Auteur: Margaret Mazzantini
    Vertaald door: Miriam Bunnik en Mara Schepers
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s:
    Prijs: € 14,90

     

  • Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Waar al zoveel grote schrijvers mooie romans over Nederlands-Indië geschreven hebben, lijkt het ondoenlijk aan die reeks er nog een toe te voegen.
    Njai Inem, Kroniek van een steen is een eenvoudig, chronologisch geordend verhaal over jonge Indiërs die een vel papier tekenen waardoor ze ‘contractkoelie’ worden en daarmee de zeggenschap over hun leven uit handen geven. Voor de zestienjarige Inem en haar twee beste vrienden, het meisje Siti en haar vriend Djoko is dat een gedenkwaardige dag.

    Het verhaal omvat een geringe tijdspanne. Het relaas begint met de beschrijving van een willekeurige dag in Muntilan, een stadje op Midden-Java. De werkeloosheid is groot, men lijdt voortdurend honger. Jongeren hangen wat rond. Er komen twee mannen om koelies (ongeschoolde arbeiders die zwaar werk moeten verrichten) te ronselen voor een rubberplantage op Sumatra. De volgende dag (deel twee) wordt aan vijftig sterke, gezonde mannen en vrouwen, onder wie zich Inem en haar twee vrienden bevinden, een contract van drie jaar aangeboden en een voorschot gegeven. Inem geeft de helft van haar voorschot aan haar vader, zodat haar broertjes en zusjes weer naar school kunnen gaan.
    In deel drie lezen we het verslag van de reis naar Sumatra, waarbij de dagen op de boot de verschrikkelijkste zijn: de koelies zitten, op elkaar gepakt, dagenlang in het maar voor de helft afgedekte ruim, in weer en wind. Na aankomst op de plantage worden Inem en Siti van de groep gescheiden, Inem is bestemd voor de toean (heer, gebieder), de Hollandse baas van de rubberplantage, Siti voor een van de twee assistenten.
    Hoewel nergens in het verhaal de chronologie wordt doorbroken, is het geen droge opsomming, doordat het verhaal verteld wordt enerzijds door een alwetende verteller, anderzijds vanuit het perspectief van Inem of haar meester. Wanneer Inem de ik-verteller is, wordt een ander lettertype gebruikt.

    De delen vier, vijf en zes zijn interessanter dan de eerste drie, omdat daarin Inem en haar meester om de beurt van dezelfde gebeurtenissen of situaties verslag doen, ieder vanuit hun eigen perspectief. Zo betreuren zij zeer de dood van Djoko. (Hij viel een mandoer, een Indische leider van een werkploeg aan toen ‘zijn’ Siti door een van de assistenten meegenomen werd; daarop werd hij door drie mandoers zó mishandeld voor het oog van de net aangekomen groep koelies, dat hij twee dagen later aan zijn verwondingen overleed. Siti mag om onrust te vermijden terug naar haar dorp). Beiden doen dat om verschillende redenen. Inem omdat zij nu helemaal alleen zonder vrienden drie jaar moet zien te overleven als njai (huishoudster/concubine), haar toean omdat dergelijke onnodige wreedheid onrust veroorzaakt bij de andere koelies en omdat, niet onbelangrijk, de regels zijn overtreden. Hij heeft namelijk eindeloos herhaald dat er geen wrede lijfstraffen gegeven mogen worden, dat er genoeg eten en drinken moet zijn voor de koelies. Als Hollander krijgt hij niet echt contact met de inlandse mandoers, ook al worden zij redelijk betaald en behandeld.

    Van de vriendelijke, begripvolle kokkin, leert Inem wat haar meester van haar verlangt: naast een enkele huishoudelijke taak moet zij vooral zorgen voor zijn welzijn, en daar hoort ook bij dat ze het bed met hem deelt. Ongetrouwd seks hebben is voor haar als moslim echter de grootste vernedering die er bestaat.

    Deel zes maakt een sprong in de tijd, de baas kijkt tevreden terug op de eerste zes maanden met Inem: ‘Waarschijnlijk betekent ze meer voor me dan ik me bewust ben. Zij verandert en ik verander mee, waardoor we steeds beter op elkaar afgestemd raken. In bed heeft ze leren aanvaarden. Ze heeft geen angst meer en ze laat duidelijk voelen wat ze prettig en niet prettig vindt.’ Dat het voor hem niet mogelijk is de inlandse geest te doorgronden, blijkt uit hoe Inem over de situatie denkt: ‘Terwijl ik de voordeur op slot doe, moet ik steeds denken aan hoe het verder moet. Dan moet ik altijd oppassen dat ik niet eindeloos ga piekeren en uiteindelijk in huilen uitbarst. (…) Nu zwijg ik over mijn ware verlangens, over mijn wanhoop en mijn schaamte. Alles hou ik binnen, een steen in mijn borst.’

    Alle zes delen worden voorafgegaan door een of meer citaten. Achter in het boek staan een woordenlijst en als addenda een aantal (kranten)artikelen over mensenhandel en slavernij, en een bibliografie.
    Een vlot geschreven kroniek die een overtuigend beeld geeft van het schrijnende bestaan van contractkoelies en njais.

     

    Njai Inem
    Kroniek van een steen

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Aantal pagina’s: 176 blz.
    Prijs: € 17,50

  • Een tussenwereld

    Een tussenwereld

    In de nieuwe roman van Pauline de Bok plaatst de auteur consequent twee dingen tegenover en naast elkaar: de mannenwereld van de jacht en de modewereld van Luise (één van de hoofdpersonen), oud en jong, heden en verleden, Oost- en West-Europa, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog, verzet tegen kernenergie toen en megastallen nu, een dagpauwoog en poes Tijger in doodsnood die aan hun lot worden overgelaten, natuur en cultuur en alles wat daartussen zit. Vrouwen die verzeild raken in de nachtclub van een Zwitsers hotel, in de mannenwereld van de jacht, in de Zone waar het boek zich afspeelt. Dat wil zeggen het grensgebied tussen Oost- en West-Duitsland, in – symbolisch – een tussenwereld die niet zwart-wit is, maar de grijstinten vertoont als van de steenachtige rugtekening van een everzwijn.

    Om en om wordt het levensverhaal verteld van de ruim 80-jarige Luise Zingg, die een dubbelleven leidde als spionne en een Stasi-officier liefhad, en Merel Alvarez, een jonge vrouw van Nederlandse afkomst met ouders die actief waren in het verzet tegen de komst van een kernreactor in Gorleben. Luise Zingg pachtte een jachtrevier aan de Schwarze Laake. Merel, die na de dood van haar moeder weer in de oude vertrouwde buurt is neergestreken om aan een scriptie te werken, raakt geïnteresseerd in Luises leven. Ze hoort mensen uit, maar ‘het lijkt of iedereen de lust tot roddelen vergaat zodra Luise Zingg ter sprake komt.’ Zoals ze qua woonoord dichterbij haar ouders wil komen, zo wil ze Luise ook naderbij komen; ze besluit te leren jagen. Luise meent alleen dat de jager in haar is gestorven: ‘Ik heb hem al doodverklaard toen het IJzeren Gordijn werd afgebroken. Voor mij is hij mét de Zone in het moeras verdwenen, ik wilde hem zo snel mogelijk vergeten. En nu is hij onverhoeds toch weer opgestaan.’

    Het jagen staat symbool voor de jacht op het verleden, op de spoken uit zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog. De symboliek van het jagen kennen we ook uit De Boks eerdere roman Blankow of het verlangen naar Heimat (2006), waarin de personages jagen op het wild rond Blankow én op verhalen van overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog. Iets soortgelijks is in deze roman het geval. Merels interesse in een vrouwelijke jager groeit hier uit tot interesse in het dossier van Luise Zingg in het Stasi-archief. In dezelfde tijd dat Merel het dossier leest, worden de herinneringen van Luise met de dag levendiger. Zowel aan de Tweede Wereldoorlog en de Stasi-tijd als aan de jacht.

    Het dwingendste gedeelte uit deze roman is een passage over de zoon van Luise, Lothar. Ook meteen het gedeelte waarin je je als lezer overigens het meest kunt inleven, want dat is niet over de hele linie van het boek het geval. Lothar schiet een drachtig zwijn dood. Lothars vader, Holger, is woedend, maar dit neemt Lothar niet. Hij wijst zijn vader op de daden die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft verricht: het ‘omleggen van mensen.’ Lothar is bang dat de bloeddorstigheid van zijn vader erfelijk is: ‘Er schuilt een beest in mij, een beest waarover ik niets te zeggen heb.’
    Dat laatste kun je je afvragen: kun je het beest in jezelf niet beteugelen? Luise vindt ook dat er niets valt te vergoelijken. Daarin zijn ze het eens.

    De auteur geeft de lezer van deze ideeënroman dergelijke wezenlijke vragen mee. Die over ‘de grote jacht’ in de Tweede Wereldoorlog (de jacht en moord op de joden) kan de lezer er zelf bij denken. In die zin valt de tweede roman van Pauline de Bok te vergelijken met het familie-epos De stamhouder van Alexander Münninghoff. Op die manier past het verhaal in het huidige tijdsgewricht, waarin de aandacht inmiddels ook uitgaat naar de daders.

     

    De jaagster

    Auteur: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,99

  • De lezer een voyeur

    De lezer een voyeur

    Het motto waarmee de novelle Elders opent ‘Pleased to meet you. Hope you guess my name.’ – overgenomen uit het controversiële rocknummer Sympathy for the Devil van The Rolling Stones – is meteen al goed voor een koude rilling. Alsof de schrijver op voorhand een waarschuwing wil afgeven, een ‘bezint eer ge begint’.’ IJzersterke actie van Martijn Knol (1973): het verhaal nog niet begonnen, de toon al gezet.

    Een gezinnetje – vader, moeder, twee zoons – viert een weekje vakantie in de Italiaanse Alpen. Nazomers familiegeluk. Alhoewel? Ze blijken niet alleen te zijn. Op het terras is ongezien een mysterieuze figuur neergestreken, de verteller van het verhaal. Van een afstandje volgt hij nauwlettend de gezinsleden. Verdacht hoeveel hij van hen weet. Zelfs in hun gedachten, gevoelens en toekomst kan hij kijken. Wie is deze sinistere – met haviksogen, waakhondoren en oververhit brein uitgeruste – gedaante die zich in toenemende mate aan hen opdringt? Is hij een bekende of wellicht een zinnebeeld? Welke boodschap komt hij brengen?

    Knol – die al drie romans op zijn naam heeft staan en van wiens pen we ook op Tirade.nu volop kunnen genieten – speelt in Elders een gedurfd literair spel met lezer en personages. Het verhaal wordt verteld in de tweede persoon enkelvoud. Een tricky perspectief dat in de regel gekunsteld aandoet en nogal steriele teksten oplevert. Zo níet bij Knol, die er een spannende draai aan weet te geven door de verteller rechtstreeks – en zeer nadrukkelijk – tot één van zijn personages te laten spreken, de jongste van de twee zoons. Het is deze pakweg tienjarige jongen die de ‘je-/jij’ vertolkt. Doordat de verteller ook nog eens alwetend is (zoveel meer weet dan de personages), krijgt het geheel een ongewoon intiem en manipulatief karakter. De lezer wordt gedwongen dichtbij te komen, beschamend dichtbij: ‘Ik ben hier niet uit vrije wil. Ik ben hier omdat jouw moeder wil dat ik hier ben. […] Je moeder verlangt naar een ander leven. Maar de waarheid is dat ze ook in dat andere leven naar een ander leven zou verlangen. […] Je moeder houdt ervan om af en toe tegen de grond getrapt te worden. Jij wilt vernederd worden om te voelen dat je leeft, is de strekking van wat je vader soms naar haar schreeuwt. En helemaal onwaar lijkt me dat niet.’

    Ook Knols compositie is onalledaags en getuigt van lef. Geen hoofdstukken, geen titels. Wél 130 opzichzelfstaande blokken tekst die in grootte sterk variëren – er zijn zelfs blokjes van één enkele zin: ‘Als je moeder met haar vriendinnen over je vader praat, heeft ze het over Meneer Bouwhuis.’ Waar Knol de jongens aanhoudend met een frisbee laat werpen, laat hij de lezer springen van blok naar blok. Je vliegt heen en weer tussen gisteren, vandaag, morgen. Én tussen fantasie en werkelijkheid. Maakt een uitdagende hink-stap-sprong door tijd en ruimte. Meermaals land je ook in een tijdloze dimensie – Knols ‘filosofische brein’ – om je daar al dolend  af te vragen of de sprongen die je eerder maakte op waarheid berustten of enkel werden gedacht, wie weet zelfs geprojecteerd. Knol laat het ‘bouwen’ volledig aan jou. Daagt je uit de mogelijkheden te onderzoeken.

    Is de toon in aanvang nog ingehouden en hartelijk, wordt deze allengs destructiever, obsessiever. Met het oplopen van de spanning weet de verteller zich steeds minder binnen te houden. De jongen wordt niet langer keurig aangesproken maar bestookt met – nee meer nog belaagd door – wraakzuchtige demonen. Er is geen houden meer aan. Onthulling volgt op onthulling: ‘Ik vervuil jullie gezin, puur door mijn bestaan. Ik ben de rot in jullie fundamenten. De roofvogelschaduw die over het open veld naar een kluitje dwergkonijnen scheert.’ Heldere taal. Hier spreekt duidelijk een getormenteerde ziel die een belangrijke boodschap heeft. Maar is het wel wraak, een gefrustreerd verlangen? Of handelt hij uit medelijden? Is het een persoonlijk offer dat hij komt brengen?

    Eerst blik je rustig mee. Gaandeweg wordt het blikken een loeren. Voel je je steeds ongemakkelijker worden. Er bekruipt je een gevoel van medeplichtigheid. Meermaals vraag je je af waar je het lef vandaan haalt zo mee te gluren – het familiegeluk te verstoren – om in the end geschokt te moeten constateren dat je níet hebt ingegrepen. Dat je met ingehouden adem en wijdopen ogen bent blijven kijken. Dat de nieuwsgierigheid het won. Ik lezer, een laffe voyeur.

    Hope you don’t guess my name.


    Elders

    Auteur: Martijn Knol
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 79
    Prijs: € 9,95