Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Immer dran denken – nie vergessen

    Titel en ondertitel van dit dagboek van communist en verzetsstrijder Nico Rost geven meteen aan waar het hem om gaat: Goethe staat voorop, want – citeert Rost hem – ‘de oude aarde staat nog en de hemel welft zich nog boven mij’ en andere literatuur volgt. De auteur – voor de oorlog bekend als journalist en vertaler van Duitse literatuur – is zelfs dankbaar dat hij kan lezen en schrijven in wat zijn werkelijkheid van alle dag is: één van de ziekenbarakken van het concentratiekamp Dachau, in de buurt van München. Barakken met een kanariekooi boven de deur en een goudvissenkom op tafel. Rost noteert het allemaal op droge toon en in de hoop dat hij ‘van dit dagboek iets behoorlijks zal maken’, en zijn ‘notities over literatuur enige waarde hebben.’

    Zijn opmerkingen zijn vaak raak. ‘Het probleem Luther’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Maar het is niet alleen lezen en schrijven dat hem hoop geeft, ook gesprekken met geestverwanten doen dat. Hiervan maakt hij al even uitvoerige notities. Schrijven en praten zijn middelen om zijn gedachten en energie op iets anders te concentreren en niet steeds aan zijn vrouw en zoon, of zichzelf, te hoeven denken.

    Je vraagt je af hoe Rost de gelegenheid vond om dit allemaal te noteren. Dat blijkt te danken aan lange periodes van luchtalarm, rusttijden in de ziekenbarak en papier verzamelende medegevangenen. Rost hoopt langer in de ziekenbarak te kunnen blijven door als Stubenschreiber de verpleger te mogen helpen met het noteren van koortstabellen e.d.. Dit lukt hem. Hij wordt later tewerk gesteld op de malaria-afdeling en uiteindelijk wordt hij Revierläufer, bode tussen de verschillende ziekenbarakken. En hij schrijft verder.

    Naast schrijven en van gedachten wisselen met iemand als Wiardi Beckman, waarmee hij eerst weinig affiniteit heeft maar die hij uiteindelijk steeds meer gaat waarderen, geeft de auteur op z’n tijd ook een ‘lezing’ tussen de bedden. Als het licht uitvalt, wendt hij zich, haast associatief, aan om aan de Duitse romantiek te denken.
    Het dagboek wordt gaandeweg steeds beklemmender. Maar – haast gelijk op – ook de geruchten over de komst van de Amerikanen als bevrijders nemen met de dag toe. Op 29 april 1945 wordt het kamp bevrijd. Dat markeert tevens het einde van het dagboek.

    Huiveringwekkend is het verhaal over de zuster van beeldhouwer Frits van Hall die in Dachau komt op het moment dat haar broer vijf minuten ervoor ‘de poort uit is gegaan.’ Ook details die uiting geven aan een gevoel van zwarte humor ontsnappen niet aan Rosts aandacht. Zo vroeg een Poolse vrouw uit het kampbordeel eens naar een exemplaar van Dantes Hel. Ze was bang daar later terecht te komen en wilde zich vast ‘inlezen’, te midden van de hel om haar heen. Maar dat laatste, schrijft Rost, scheen ze niet door te hebben.

    Als lezer kom je in de verleiding de literatuur ter hand te nemen die Rost las. Maar dit heeft in zoverre weinig zin, dat de context nu een heel andere is en de auteur zelf al schreef dat die context juist zo bepalend was voor de manier waarop hij een en ander las, en na de oorlog wilde herlezen om te kijken of hij dat dan met andere ogen zou doen.
    In dat verband had hij ook een droom: ‘Als we elkaar na de oorlog beter willen leren kennen – en dat zal nodig zijn – is, volgens mij, een der beste middelen hiertoe een grondige kennis van elkaars literatuur.’

    Vanaf het begin was het Rosts plan om zijn dagboek na de oorlog te publiceren. Misschien ook, om een regel te citeren die hij uit een lied oppikte, als opdracht: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’ Zoals de gevangenen het raam opendeden als ze er lucht van kregen dat mensen terecht zouden worden gesteld. Om de schoten te horen en te proberen ze te tellen: zoveel doden vandaag.
    Soms schuilt er, in die wetenschap van latere publicatie, ook een beetje koketterie in het dagboek. Bijvoorbeeld over redelijk onbekende auteurs, waarvan hij de jaartallen en andere biografische gegevens zo weet op te lepelen.
    Daar staat tegenover dat de gevoelens die Rost beschrijft, o zo herkenbaar zijn. Bijvoorbeeld over een schrijfmap die werd gevonden nadat iemand in de barak was overleden. Er zat één tekening in: van de vrouw van de overledene. De man had geprobeerd haar ‘teer-beminde gelaat terug te vinden.’ Rost ontroerde dit ‘meer dan de honderd doden die vandaag weer in het straatje, voor de Totenkammer lagen.’ Het eerste overviel hem en tegen het tweede wilde hij zich harden.

    De eerste druk van dit dagboek verscheen in 1948, de tijd waarin ook een standaardwerk als De SS-staat. Het systeem der Duitse concentratiekampen van de Duitse socioloog/politicoloog Eugen Kogon en andere dagboeken op de markt kwamen. Nu is de vierde druk van Rosts dagboek verschenen, met voetnoten en een nawoord van Ewout van der Knaap. Wederom haast weer gelijktijdig met een omvangrijke studie: KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van de historicus Nikolaus Wachsmann.
    Een boek als dit en andere dagboeken vullen dergelijke analytische studies van Kogon en Wachsmann vanuit een persoonlijk perspectief in en aan. Beide genres versterken elkaar opdat niet mag worden vergeten: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’

    Wat er van Rost na de oorlog is geworden? Hij zette zich onder andere in voor het herstel van de relatie tussen met name Nederland en Duitsland. Publiceren deed hij nog maar weinig. In 1967 overleed hij. In 1997 verscheen een biografie over hem van de hand van Hans Olink.

    Goethe in Dachau
    Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945

    Auteur: Nico Rost
    Nawoord van Ewout van der Knaap
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Serie: Kritische Klassieken
    Aantal pagina’s: 272 p.
    Prijs: € 24,00

  • Waarachtige herinnering

    Waarachtige herinnering

    Remington van Bert Natter (1968) kent drie hoofdthema’s: herinneringen, familiebanden en het scheppingsproces. De roman gaat over een Nederlandse beeldend kunstenaar die zijn aftakelende vader, een vrij bekende dichter, gaat ophalen in Duitsland, het land van diens roots. Ze aanvaarden de terugreis door Duitsland en Noord-Nederland in een aftandse Mercedes. Het boek is een weergave van hun contact tijdens deze reis, die door panne langer duurt dan verwacht.

    Het thema herinnering domineert het boek. Hiermee sluit Natter aan bij de ‘memory wave’ die de maatschappij heeft overspoeld in de laatste decennia, met name ook de geesteswetenschappen, waarin de discipline ‘memory studies’ een alternatief voor (of concurrent van) de traditionele geschiedschrijving is geworden.

    Natter schrijft hoe de herinnering leugenachtig kan zijn: ‘Mijn vader vertelde hoe hij als kind uit Hamburg was vertrokken. Het moest zijn vroegste herinnering zijn, de herinnering die het langst bij hem was althans, hoewel hij niet wist hoeveel er waar van was, het kon evengoed een verzameling zijn van indrukken, verhalen, foto’s, bijschriften, romans en andere verzinsels, studies, documentaires, dagboeken, brieven, beelden die hij had samengesmolten tot een film in zijn hoofd die zich als een herinnering aan hem voordeed.’ (39)

    De herinnering is meer een spiegel van het heden dan van het verleden stelde de literatuurwetenschapper Astrid Erll ooit. Men eigent zich, al herinnerende, het verleden toe. Elke herinnering is een vorm van zelfbedrog die soms heilzaam kan zijn, soms eerder neerkomt op een wroeten in de eigen trauma’s. Het herinnerde verandert elk moment dat men er opnieuw aan denkt van aard. De historiserende psycholoog Douwe Draaisma stelt dat volgens recente psychologische inzichten ‘de betrouwbaarheid misschien niet altijd het belangrijkste is van herinneringen.’ (De Heimweefabriek). Het gegeven dat er überhaupt iets herinnerd wordt door ouderen is van grotere waarde dan de feitelijkheid ervan. Daarom heeft de vroegste herinnering van de dichtende vader in Remington voor hem betekenis. Deze herinnering is waarachtig, maar daarom nog niet feitelijk ‘waar.’

    De vader blikt in de gesprekken vooruit op zijn eigen einde. Er zou, als dat moment is aangebroken, niet zozeer een film van het leven voorbij komen als wel een allesomvattende compilatie te zien zijn van al wat men is vergeten. Hij speculeert dat er aan het levenseinde mogelijk ‘het verblindende licht van alles wat men niet meer weet, niet meer kan weten, niet meer wil weten’ schijnt. ‘Niet als een lange film die razendsnel wordt vertoond, maar alles tegelijk in één ondeelbaar ogenblik.’ (40) Dergelijke inzichten maken dit een rijke roman.

    Het tweede thema van dit boek is de band tussen de vader en de zoon. Ze voeren een conversatie op hoog niveau, vol grapjes en wijsheid, maar echt ‘close’ zijn ze nooit geweest. De zoon spreekt van ‘liefdevolle afstand’ (18)  als hij hun relatie omschrijft en hij meent dat zijn vader zich meer uitte in interviews dan tijdens gesprekken met zijn naasten. Ze spreken over de overleden moeder, die beweerde nooit iets van haar man te hebben gelezen en ook over hun gevoelens voor elkaar. De volgende dialoog is illustratief voor hun contact. De zoon merkt op: ‘Nu ga ik zeggen dat jij een hele fijne vader bent, pa.’ Waarop de aangesprokene slechts antwoordt: ‘Staat genoteerd.’ (128).

    De titel van het boek verwijst naar de typemachine die de vader gebruikt. Hij kan zich niet aanpassen aan de vereisten van de moderne tijd, mede ook door lichamelijke aftakeling. De Remington betekent veel voor hem, computers kunnen deze niet vervangen. Hij fantaseert er ook over: ‘Stel dat mijn Remington alle woorden had onthouden die ik heb geschreven’, waarop de zoon antwoordt: ‘Dat heet een computer, pap.’ De vader is onverstoorbaar: ‘Nee, nee. Ik zie een pianola voor mij, een schrijfmachine die als men er een vel papier in draait, vanzelf mijn oeuvre begint uit te braken, inclusie de duizenden verworpen regels, de mislukkingen, de kletskoek. ‘Waarop de zoon zegt: ‘Je bedoelt een printer.’ (25) De typemachine uit een voorbij tijdperk staat symbool voor het verval van de dichter (die mogelijk Parkinson heeft): hij kan er niet goed meer mee werken, zijn handen doen niet meer wat het hoofd nog wel kan. De praktische onmogelijkheid om verder te gaan met scheppen (spraakcomputers en dergelijke zijn niets voor deze man) is tragisch. Het scheppingsproces is het derde belangrijke thema in Remington. De commercieel succesvolle zoon maakt conceptuele kunst, kunst die stinkt naar niet verspild zweet, naar niets. Hij doet wat zijn vader niet meer kan: zijn denkbeelden omzetten in producten (die hij door anderen laat vervaardigen).

    Het boek is soepel geschreven, met veel humor (onder de meelezers waren onder meer Ronald Giphart en Jean-Marc van Tol, zo blijkt uit het dankwoord). Misschien had het nog iets toegevoegd als er ook wat oude gedichten van de vader (na de dood van zijn vrouw publiceerde hij geen nieuw werk) waren opgenomen, om de waarde van diens literair streven beter te kunnen inschatten. Het zou interessant geweest zijn wat Natter bijvoorbeeld van een gedicht over herinnering had gemaakt. Hoewel het boek niet overvol is aan gebeurtenissen weet Natter de spanning erin te houden. De twee hoofdpersonages zijn sympathiek en hun band van ‘liefdevolle afstand’ komt goed uit de verf. Remington is een tekst die duidelijk past bij de tijdgeest (of juist bij het je daartegen afzetten), maar de universele thema’s maken dat lezing van dit boek ook voor lezers uit latere perioden waarschijnlijk een aangename ervaring zal zijn.


    Remington

    Bert Natter
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    221 pagina’s

  • Een wonderlijk boek

    Een wonderlijk boek

    Peter Leigh heeft in het begin van zijn leven een zwervend bestaan geleid, is dakloos en verslaafd geweest aan de alcohol en drugs. Als gevolg van een ongeluk komt hij in het ziekenhuis terecht. Daar wordt hij verpleegd door Beatrice. Door haar komt hij in contact met het geloof, laat hij zijn verslaving achter zich en wordt hij dominee. Ze trouwen. Dat huwelijk is erg goed, ze zijn dol op elkaar.

    Dan geeft Peter zich op bij de USIC om uitgezonden te worden naar een andere planeet en daar het geloof te brengen aan de plaatselijke bevolking. De USIC – onduidelijk is waarvoor deze afkorting staat, het roept associaties op met de UN – is een tamelijk mysterieuze organisatie waarover, ook verder in het verhaal, niet veel duidelijk wordt. Pas halverwege het boek blijkt dat deze club een nieuwe ‘Utopische’ samenleving wil stichten zonder de mankementen van de Westerse maatschappij. De opdracht is ‘om een duurzame omgeving tot stand te brengen. Schoon water. Duurzame energie. Een team dat goed samenwerkt. Een plaatselijke bevolking die geen pesthekel aan ons heeft.’
    Daarvoor selecteert de USIC streng: Peter wordt geselecteerd maar zijn vrouw niet. Even aarzelt hij of hij zal gaan, maar samen besluiten ze dat hij die opdracht niet kan laten lopen; bovendien is het maar voor drie maanden. Vlak voordat Peter vertrekt en de ruimte in gaat, hebben ze nog een keer seks en raakt Beatrice, overigens tegen Peters bedoeling zwanger.

    Aangekomen op de planeet, door Peter Oasië genoemd, gaat hij naar het basiskamp waar hij een kamer krijgt. De mensen aan wie hij het geloof moet brengen wonen niet daar maar in wat door de aardbewoners ‘freaktown’ wordt genoemd. Wanneer Peter deze buitenaardse wezens voor het eerst ziet schrikt hij van hun uiterlijk. ‘Dit was een gezicht dat in niets op een gezicht leek. Wat hij zag was de inhoud van een walnotendop, maar dan groot en witroze. Of nee, het leek nog meer op een placenta met twee foetussen (…) die met de hoofdjes en knietjes tegen elkaar lagen. Hun gezwollen hoofdjes vormden als het ware het gekloofde voorhoofd van een Oasiër, hun geribde ruggetjes vormden zijn wangen, hun stakerige armpjes en gewebde voetjes versmolten in een wirwar van doorschijnend vlees dat wellicht – in een voor hem niet herkenbare vorm – een mond, neus en ogen herbergde.’ Peter kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden, dat lukt hem alleen aan de kleur van hun gewaad. Hij geeft ze namen als ‘Vriend van Jezus Een’. De communicatie verloopt ook zeer moeizaam, omdat zij geen ‘s’ kunnen zeggen: ‘waar je een ‘s’ zou moeten horen, klonk het geluid van een rijpe vrucht die met de duimen in twee helften uiteen werd getrokken.’ Aan deze wezens moet hij het geloof brengen. Hij heeft een voorganger gehad die bij de wezens al wel het geloof heeft gezaaid. Zo vragen zij aan Peter of hij het boek bij zich heeft. Op zijn vraag welk boek, antwoordt de Vriend van Jezus Een, Het Boek van de Wonderlijke Nieuwe Dingen. Dat heeft hij niet, maar Peter begrijpt dat het om de Bijbel gaat. We zijn dan halverwege het boek; wat dan nog volgt is verre van boeiend en vooral wonderlijk.

    De vertelling over het verblijf van Peter op de planeet en zijn missieactiviteiten is langdradig. Dat hij samen met die wezens een kerk bouwt en daar gaat slapen zodat hij niet terug naar de basis hoeft en steeds bij hen kan zijn, wijst erop dat Peter steeds meer sympathie voor hen krijgt. Maar waarom hij steeds meer sympathie opvat voor die vreemde wezens blijft raadselachtig. Tegelijk verliest hij alle interesse voor wat er op aarde gebeurt.
    In de tweede plaats lezen we weliswaar veel over de relatie tussen Peter en zijn medeaardbewoners op de planeet, maar die wordt niet verder uitgediept. Alleen over Peters relatie met de vrouw die hem voortdurend heen en weer rijdt van de basis naar de nederzetting komen we meer te weten.
    Interessant is wel hoe de liefdesverhouding tussen Peter en Beatrice zich ontwikkelt. Ze kunnen elkaar via ‘De Flits’ – een soort internet, maar wel gecensureerd door de USIC – brieven schrijven. In het begin missen ze elkaar enorm, vooral ook wanneer Peter hoort dat Beatrice zwanger is, maar gaandeweg begint hij zijn interesse in haar en in wat er op aarde gebeurt te verliezen. Hij wordt volledig in beslag genomen door zijn missie en de kloof met Beatrice wordt steeds groter. En wanneer op aarde op grote schaal crises uitbreken als gevolg van natuurrampen en de aarde aan het vergaan lijkt, kan dat Peter niet echt verontrusten. Door al die rampen verliest Beatrice het geloof in God en eigenlijk ook in Peter. Ze denkt dat de aarde zal vergaan en daarom smeekt ze Peter om niet terug te komen: de aarde is niet veilig meer. Uiteindelijk gaat hij toch, indachtig de laatste woorden van Mattheus: ‘Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.’

    Hoewel Michel Faber een gerenommeerd schrijver is, is deze halve sf-roman maar matig boeiend. Daarvoor staan er te veel wonderlijke dingen in die niet in een context worden geplaatst en evenmin in de loop van het verhaal betekenis krijgen. Bovendien worden zij ook nog eens lang uitgesponnen wat tot verveling leidt.
    En dan is er nog de thematiek: een religieuze missie op een buitenaardse planeet die door een mysterieuze organisatie wordt geëxploiteerd om er een soort Utopia te stichten. Het beeld dat Michel Faber evenwel van Oasië schetst, komt niet over als een wenselijke alternatieve samenleving, ook al omdat die nauwelijks wordt ingevuld. Centraal staan de missieactiviteiten van Peter en die missie lijkt nu niet een erg dominant kenmerk van een utopische maatschappij.

    Er worden in het boek te veel zaken aan de orde gesteld die impliciet blijven. Dat is soms goed voor een verhaal, maar in dit geval niet. Zo blijft die organisatie, de USIC, in nevelen gehuld, evenals haar selectiebeleid en haar doelstellingen en passeren de mensen die op de basis wonen en werken de revue, maar vooral als ze in de kantine gaan eten. Nergens wordt duidelijk wat ze precies doen, ja, iets technisch, of wat ze van hun missie vinden. Zo is de sympathie die Peter ontwikkelt voor de Oasiërs niet te begrijpen en waarom dat ten koste moet gaan van de relatie met zijn vrouw evenmin. Zo zijn er vele voorbeelden te geven, die het lezen van het boek ongemakkelijk maken.

     

     

  • ‘Modern’ zijn

    ‘Modern’ zijn

    ‘Modern’ zijn

    Mao Zedong, voorzitter van de Communistische Partij van China, zette in 1966 de Culturele Revolutie in gang, een sociaalpolitieke beweging die rampzalig zou zijn voor het land, zowel op politiek, economisch als sociaal terrein. Het was een door Mao georganiseerde chaos om zijn macht en positie veilig te stellen. Deze revolutie, en daarmee ook een ‘nieuw idee van moderniteit’, is een leidraad in het boek. Alle verhalen grijpen op de een of andere manier terug op de enorme invloed die de Culturele Revolutie heeft gehad op China en het trauma dat het zijn bewoners heeft bezorgd.

    De personages in Krekel krekel hebben allemaal hun eigen problemen: de één gaat scheiden, de ander wordt tegen zijn zin ingelijfd bij een bende, en weer een ander vergaart kilo’s lichaamsgewicht door te leven vanuit zijn luie stoel.

    Het boek is een bundel van twaalf korte verhalen die geschreven zijn tussen 1994 en 2005. Ze zijn allemaal door iemand anders vertaald. Het titelverhaal ‘Krekel krekel’ gaat over de krekelgevechten die in de Chinese plattelandsgemeenschappen massaal gehouden werden (en nog steeds worden). Het geloof is dat alle krekels in de wereld eigenlijk overleden mensen zijn. Zodra ze overlijden komt al hun wrok vrij en veranderen ze in agressieve krekels. De één nog gewelddadiger dan de ander en het is de kunst om de meest strijdbare krekel te vangen: ‘…het hangt helemaal af van je verhouding tot dolende zielen. Je oren moeten het zingen van de zielen kunnen horen. Daarom zullen stadsmensen nooit echt iets van krekelgevechten begrijpen.’ In dit verhaal gaat het om de impact van de revolutie op de gemeenschap.

    Vooral in het verhaal ‘Paradijs’ in de trein komt de dwang en daarmee ook de drang naar vernieuwing heel duidelijk naar voren. Een man zit in de trein op weg naar zijn ex-vrouw, van wie hij vier jaar geleden is gescheiden, om te gaan hertrouwen. ‘Goed gehoord? Niet trouwen, niet opnieuw trouwen, maar echt hértrouwen.’ In dit verhaal voel je tegelijk de verwarring die gepaard gaat met al de vernieuwing van de tijd. ‘Wat modern is? Ik weet het niet.’ De man weet niet precies wat het begrip inhoudt, maar weet wel dat het een belangrijk concept is, een manier om erbij te horen. Hij vond scheiden al redelijk modern, maar hertrouwen was weer een heel ander niveau van moderniteit.

    Ook in het verhaal ‘Witte nacht’ blijkt het ‘modern zijn’ moeilijkheden met zich mee te brengen. Een hoogleraar aan de universiteit komt in de problemen, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de revolutie, en wordt in een klein zeilbootje naar het platteland overgebracht. In het dorp waar hij aankomt, is geen school. Hij maakt het tot zijn missie de oude dorpsschool nieuw leven in te blazen en de kinderen daar onderwijs te geven. Dit wordt hem, maar vooral zijn zoon, niet in dank afgenomen. Vooral de kinderen zijn het niet eens met de bouw van de school: Hoe durft hij het in zijn hoofd te halen ons te verplichten naar school te gaan? In dit verhaal wordt het onderscheid voelbaar gemaakt tussen geletterdheid en ongeletterdheid, het leven op het platteland en in stad, en tussen een moderne en ouderwetse manier van leven.

    Bi Feiyu, de schrijver van het boek, wordt in China hoog aangeschreven. Hij heeft tweemaal de prestigieuze Lu Xun Literaire Prijs gewonnen, in 2010 heeft hij de Man Asian Literary Prize gewonnen en sinds 2011 is hij ook in het bezit van de Mao Dun Prize. Hij begon vooral met het schrijven van korte verhalen en novellen. Deze werden vaak goed ontvangen en veel bekroond, maar hij brak pas echt door in 2000 met zijn novelle Maanopera. Zijn volgende succes was Drie zussen (2003) dat eigenlijk bestaat uit een drieluik van novellen. Krekel krekel is een bevestiging van Feiyus voorliefde voor korte verhalen. Bi Feiyu doet echter meer dan korte verhalen schrijven: hij heeft het scenario geschreven voor de film Shanghai Triad, hij is journalist geweest voor de Nanjing Daily en ook het schrijven van poëzie is hem niet vreemd.

    Ook al ligt de Culturele Revolutie ten grondslag aan de verhalen in Krekel krekel, het is slechts een gegeven dat zich op de achtergrond afspeelt. Het gaat in de verhalen toch vooral om de persoonlijke angsten, gebreken en wensen van de personages. De thema’s die in het boek spelen staan dicht bij het echte leven, maar toch is het boek geen representatie van de werkelijkheid. De personages zijn vaak vaag in hun manier van doen, de gesprekken lichtelijk absurdistisch en de scènes komen daardoor soms een beetje karikaturaal over. Hierdoor weten de verhalen niet echt te raken. Het is duidelijk dat de personages zich niet op hun plek voelen, maar je voelt als lezer niet echt met ze mee. Bi Feiyu gebruikt veel gezegdes, maar die komen niet sterk over. Het kan zijn dat een deel van de kracht zoek raakt in de vertaling, maar ook dit draagt ertoe bij dat het boek soms een beetje geforceerd overkomt.
    Het bevat dan misschien niet alle elementen om er een fantastisch boek van te maken, maar er zijn zeker mooie passage te vinden, kleine wijsheden en confronterende ideeën, die het boek alsnog de moeite waard maken om te lezen. Daarbij werkt de structuur van het boek ook mee aan de snelle leesbaarheid.

     

    Krekel krekel

    Auteur: Bi Feiyu
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs:  19,95

  • Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

    Evenwichtig en fascinerend beeld in een knappe biografie

    Ooit zei een vriend van Poetin tegen hem: ‘Ik ben cellist. Ik weet dat jij geheim agent bent, maar ik weet niet wat dat inhoudt. Wie ben je? Wat doe je?’ Nogal koel antwoordde Poetin: ‘Ik ben specialist in menselijke verhoudingen.’

    De biografie van Poetin begint met zijn bezoek aan de Britse koningin Elisabeth, een van de meest directe, nog levende afstammelingen van de laatste Russische tsaar. Hiermee illustreren de schrijvers, Chris Hutchins en Alexander Korobko meteen de opzet van het boek: de opgang van de volksjongen Vladimir Poetin, Vlad voor zijn vrienden, in de grote boze wereld.

    Als kind groeit Poetin op in een éénkamerappartement in een Kommunalka in Leningrad, een grauwe woonkazerne waar privacy een onbekend begrip is. Tamelijk klein van stuk, heeft hij keihard moeten vechten om zich staande te houden tussen de jongens van de buurtgangs. Een echte pitbull met een ijzersterk karakter, aldus een oude vriend. Later heeft hij zich bekwaamd in verschillende vechtsporten, vooral judo, onder het motto: ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn’. Hij maakt carrière binnen de communistische Geheime Dienst, is geheim agent in Dresden als ‘De Muur’ valt, maakt, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, carrière in Leningrad, wordt door Jeltsin naar Moskou gehaald en schopt het vervolgens tot president van de nieuw opgerichte Russische Federatie. Vlad, de volksjongen wordt ontvangen door de hoge adel van het Britse hof. Vladimir Poetin, ex-vertegenwoordiger van een bewind dat verantwoordelijk is voor de moord op de tsarenfamilie kust de hand van koningin Elisabeth. Het lijkt wel een sprookje!

    Het gaat de schrijvers minder om Poetin politiek te duiden als wel om een beeld te geven van zijn persoonlijkheid en de opmerkelijke carrière die hij heeft gemaakt. Ook de titels van de hoofdstukken wijzen in deze richting. Zij hebben sterk het karakter van een avonturenroman, een jongensboek:

    1. Vlad de veroveraar
    2. Geheim agent en minnaar
    3. Tanks en toewijding
    4. Blair in het land van de sovjets
    5. Bloedbad in de achtertuin
    6. De jacht op Chodorkovski

    Hierin schuilt dan ook het aantrekkelijke van het boek. Wie wil nu niet wat meer weten over Poetin, die vrijwel dagelijks in de westerse media wordt afgeschilderd als een gewetenloze machtswellusteling, als een sluwe vos die, als leider van een van de machtigste landen ter wereld, niet alleen politiek volstrekt onberekenbaar is, maar vooral ook onbetrouwbaar? Het gevaar bestaat dat deze benadering enigszins hagiografisch wordt, dat Poetin te kritiekloos wordt neergezet als een echte mannetjesputter. Hoewel hij dat natuurlijk ongetwijfeld is, is het knap van de schrijvers dat zij ook oog blijven houden voor de schaduwkanten van zijn persoon.

    Het boek geeft een fascinerend beeld van een van de meest turbulente perioden uit de jongste geschiedenis: de ineenstorting van de Sovjet-Unie en, in het kielzog daarvan, van het hele Sovjetimperium in Oost-Europa, maar ook van de worsteling van het nieuwe Rusland om aansluiting te vinden bij de moderne wereld. Dit alles wordt geschetst aan de hand van de carrière van Poetin.

    Hij is, zoals zo veel Russen, bijzonder vaderlandslievend en ziet de KGB als voornaamste hoeder van dat vaderland: ‘Ik ga geheim agent worden: ‘dát zijn de mensen die de oorlog winnen, niet het leger. De soldaten zijn slechts dienaars, de spierkracht, maar niet de hersens.’
    Als agent van de KGB leert hij al snel dat de KGB bepaalt wat de wet is. Hij adoreert Andropov, ex-KGB-baas en de jong gestorven opvolger van de half seniele Sovjetbons Tsjernenko en bij de ineenstorting van de Sovjet Unie geldt zijn toewijding zeker niet het systeem, maar wel de KGB, het korps dat het vaderland beschermde. Poetin komt naar voren als een man met een groot gevoel voor kameraadschap, persoonlijke trouw, de laatste en enig overblijvende normatieve kracht om te overleven in een wereld die finaal is ingestort. Dit ervaart zijn beschermheer Sobtsjak, de burgemeester van het meest criminele wespennest van Rusland, Leningrad.

    Als KGB-agenten hem erin proberen te luizen, staat Poetin pal. Oude vrienden laat hij nooit in de steek. Hij creëert als het ware een coterie om zich heen van oude kameraden zoals bijvoorbeeld Medvedev, die door een persoonlijke eed van trouw aan elkaar gebonden zijn, feodaal bijna. Deze eigenschap brengt hem later ook in contact met de Russische president Jeltsin, die hem uiteindelijk naar voren schuift als zijn opvolger: ‘Als Poetins mentor kan ik jullie vertellen dat de democratie veilig is in zijn handen’.  Als wij westerlingen dit lezen, moeten wij daar een beetje wrang om lachen. De democratische opvattingen van Poetin zijn wel erg ‘Russisch’. Hij geldt vooral als een pragmatisch man, die bereid is moord te vergoelijken – en in ieder geval niet te beschouwen als iets dat in alle opzichten verwerpelijk is – zolang dit maar, in zijn ogen, het landsbelang dient. Een voorbeeld hiervan is de moord op de journaliste Anna Politovskaja, die al te vrijmoedig artikelen publiceerde over het Russische optreden in Tsjetsenië.

    Nu had Poetin ook bepaald geen eenvoudige klus te klaren. De economische chaos die Poetin erfde van Jeltsin was gigantisch. Diens ‘leningen voor aandelen programma’, waarbij Jeltsin bijna alle staatsbedrijven in de uitverkoop gooide om uiteindelijk waardeloze leningen te verkrijgen ter dekking van de uit de hand lopende staatsuitgaven, wekte de hebzucht van gewiekste en gewetenloze ‘Robberbarons’, oligarchen, zoals ze tegenwoordig genoemd worden. Poetin zag het als zijn voornaamste doel dit soort types de wacht aan te zeggen. Dit is hem ook gelukt. De meest bekende figuur onder hen is Chodorkovski, die een jarenlange straf moest uitzitten in Siberië. In hoeverre Poetin er werkelijk in geslaagd is deze Russische zwijnenstal echt uit te mesten, is de vraag. Maar goed, nu komen we toch weer te veel op het politieke vlak, terwijl het boek in essentie een beeld tracht te geven van de figuur Vladimir Poetin, van zijn karakter, zijn persoonlijkheid.

    Vanzelfsprekend zijn deze twee zaken niet van elkaar te scheiden, hooguit te onderscheiden. Naast zijn vaderlandsliefde, trouw, pragmatisme, hardheid en misschien zelfs een zekere gewetenloosheid springt zijn gevoel voor public relations in het oog. Bekend is zijn uitspraak: ‘Het enige verschil tussen een rat en een hamster is dat een hamster een betere PR heeft’. Hierin schuilt één van de factoren die westerse Kremlinwatchers vaak in verwarring brengt: Poetin voldoet niet aan het traditionele beeld van de vroegere Sovjetleiders. Hij kent het westerse gevoel voor pr uitstekend en maakt daar dan ook gebruik van op een manier die ons vaak onaangenaam verrast. Poetin is echt het type van wat met een mooi Duits woord genoemd wordt een ‘realpoliker’ die maar één doel nastreeft, nl. het behoud van de eigenwaarde van ‘moedertje Rusland’.

    Misschien schuilt er wel veel waars in de uitspraak van een vriend van Poetin, een zakenman in Londen, die zegt: ‘Vladimir Poetin is niet meer een moordenaar dan bijvoorbeeld Winston Churchill dat was.’ Een uitdagende stelling om  over na te denken, wellicht…… Maar hoe het ook zij, Chris Hutchins en Alexander Korobko zijn erin geslaagd het juiste evenwicht te vinden tussen een goed geschreven, gedegen biografie over een van de belangrijkste politieke figuren van onze tijd, gebaseerd op goed onderzoek zonder te vervallen in hetzij naïeve bewondering, hetzij virulente afwijzing. Een complicerende factor is gelegen in het feit dat er juist in de periode na de verschijning van dit boek zoveel is gebeurd dat de beoordeling van Poetin door de westerse wereld kleurt.

     

  • Op weg naar het eeuwige licht

    Op weg naar het eeuwige licht

    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan is een essay van 357 bladzijden. De titel verwijst naar een citaat uit Genesis dat als eerste motto (van drie) fungeert : ‘Wij zullen een toren bouwen die tot in de hemel reikt en aan God gelijk zijn, en voor eeuwig bestaan. Maar God sloeg ze met vele talen en ze dwaalden weg over de aarde en keken naar de Toren van Babel niet meer om.’

    Te Gussinklo voert de lezer in zijn essay mee naar achtergronden die het lot van volken, culturen en mensen bepalen. Ieder mens maakt deel uit van een volk en een cultuur, ‘die grote machtige gestalte die ver boven de enkeling uitgaat’. Die ‘gestalte’, die ‘delirante reus’ houdt bij de landsgrens op. Daar tegenover ‘staan andere volken en de tegenkrachten die van hen uitgaan, of, […] ‘de krachten die uitgaan van andere geloven, andere culturen, die machtige tektonische platen die over de aarde schuiven.’

    In de proloog vertelt hij wat zijn bedoeling is met dit essay: ‘Naar die landen, die culturen en geloven, die composities van krachten en talenten en inzichten, die grootse gestalten met ieder hun eigen aard, hun eigen karakter wil ik u meevoeren. Hun opkomst en hun ondergang, hun grandeur en tragiek, hun verstening, hun verdorring en vergruizeling. En naar de krachten en ook de vondsten en ideeën die hen voortdreven.’

    Te Gussinklo beschrijft de opkomst en neergang van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland en Rusland. Hij begint met het Spanje van de vijftiende en zestiende eeuw, met de ontdekkingsreizen en de veroveringen van overzeese gebieden. Bij opkomst hoort optimisme, vitaliteit, ondernemingslust en expansie. Voor Spanje is de eenheid van het strenge katholieke geloof de bepalende factor. De harde inquisitie rekent genadeloos af met tegenstanders. Het is de basis van de macht van Karel V. Als hij er niet in slaagt deze eenheid te bewaren, is het gedaan met de Spaanse dominantie in Europa.

    Te Gussinklo: ‘Ik beschrijf uitvoerig dit Spaanse drama omdat het kenmerkend is voor een zich steeds herhalend model van opkomst en neergang van grote naties en culturen, door verlies aan doeleinden, versombering en immobiliteit.’
    Bij neergang ziet hij beklemming, ontmoediging, apathie en gebrek aan initiatief. Zo groeit de Sovjet-Unie niet meer, ‘versteend door zijn snel verouderende ideologie.’ Hij introduceert hierbij de term vossengedrag: de bevolking groeit niet meer en neemt zelfs af – ‘zoals ook vossen als hun territoir te klein is en het niet mogelijk is uit te breiden weinig tot zelfs geen jongen krijgen.’

    In het tweede deel beschrijft Te Gussinklo de wereldziel: ‘de niet-aflatende drang, het overweldigende verlangen van de mensheid naar het nieuwe, het andere, het verlossende en bevrijdende dat alomvattend en beslissend zal zijn en dat ik bij gebrek aan betere bewoordingen Wereldziel heb genoemd.’ Het leven, de blinde kracht achter de mensheid ‘die dringt en stuwt […] trekt naar dat ene, dat nieuwe, die ongedachte sprong.’ Dit gegeven werkt hij verder uit in het derde deel, Wij zijn gods weerschijn op aarde. De drie abrahamitische geloven – jodendom, christendom en islam – zijn, elk op hun eigen wijze, de grondslag geweest van dominante culturen. Geloven zijn ‘machtige, logge gestalten’ die ver uitgaan boven landen en volken, ‘als tektonische platen tegen elkaar opkruiend.’

    Het beeld van de ‘tektonische platen’ komt in deel vier, De nieuwe mens, terug. De Europese christelijke cultuur, of beter gezegd, de ‘westerse mensenrechtencultuur’, de cultuur van ‘Gods weerschijn op aarde’, is in verwarring geraakt. Wat komt er na de tijd van geloven en de groei? Want er moet een reden en een doel voor ons bestaan zijn: ‘het prachtige, het gelukbrengende visioen dat wenkt en roept, daar zoekt de ziel naar.’ Altijd zoeken, naar meer, het andere, het nieuwe. De nieuwe mens, de Homo Instrumenticus, is de superieur geïnstrumenteerde die met computers en internet alle kanten op kan. Hij zal vrijwel aan God gelijk zijn ‘met zijn vermogen tot zelfschepping en het vormgeven van eigen werelden.’ Het is de vraag welke van de kruiende ‘culturele aardschollen’ de dragende en beherende structuurgever zal zijn van die nieuwe wereld en zijn bewoners. De ‘tektonische platen’ uit het eerste hoofdstuk komen hier terug als ‘aardschollen’.

    Te Gussinklo’s vergelijkingen zijn niet altijd meteen duidelijk. Bijvoorbeeld over de opkomst en neergang van Spanje: ‘Het is de vos en de egel uit de fabel van Aesopus: één rigide maatschappelijk model door kerk en overheid opgelegd tegenover de oneindige wendbaarheid en vindingrijkheid in de min of meer open veelvormige maatschappij van de velen.’ Hij besluit met ‘de egel die onmogelijk een vos kon worden.’ Later blijkt dat het niet gaat om de fabel van de vos en de egel, maar waar zij ieder apart voor staan. De vos is vindingrijk en sluw. Hij kan zich aanpassen aan nieuwe uitdagingen. De egel vertrouwt op zijn stekels als verdediging, de egelstelling. Het is de survival of the fittest: alleen dieren die het vermogen hebben zich aan te passen zullen overleven.
    Het is een essay over verstening tegenover vitaliteit en de onverwachte mutatiesprong naar het nieuwe. De zoektocht naar de nieuwe wereld, daar waar energie en vitaliteit naar toe gaan. Uiteindelijk gaat het om het vinden van een nieuwe staat van zijn, het vinden van de plaats waar alle beperkingen opgeheven zijn, ‘wandelend in het eeuwige licht.’

    Met dit werk past Te Gussinklo in de traditie van het literaire essay. Michel de Montaigne (1533-1592) wordt beschouwd als de grondlegger van de essayistische literatuur. Zijn Essais – letterlijk ‘probeersels’, vertaling van het Franse woord essayer – vormen een autobiografie, niet van feiten maar van gedachten. Wezenlijk daarbij is de beweging van die gedachten, de wijze waarop zijn geest zich roert. ‘Ik doe niets anders dan komen en gaan; mijn oordeel gaat niet steeds vooruit, maar schommelt, en zwerft her en der.’ (citaat gevonden bij Anton Haakman, ‘Michel de Montaigne’ In: De Revisor. Jaargang 19).

    Zo is het boek van Te Gussinklo ook een zoektocht in persoonlijke stijl. Voorzichtig formulerend, aarzelend zoekend en herformulerend –illustratief de vele tussenzinnetjes met liggende streepjes – bespreekt hij met groot enthousiasme (‘want kijk, want kijk’) zijn onderwerpen. Hij behandelt zware thema’s, maar gelukkig relativeert hij ook. Een paar voorbeelden van het tastend formuleren: ‘ach ik som maar wat op.’ En: ‘Ik vat het algemene gevoel hier maar wat samen.’ En: ‘Of nee, het is nog anders.’ En: ‘Of laat ik het anders formuleren.’

    De mix van geschiedenis, filosofie, mythologie en godsdienst is geen gemakkelijke kost, maar de (deze) volhoudende lezer – soms de draad kwijt, en dan weer terugvindend, o ja, dit is wat hij bedoelt! – wordt beloond met een boek boordevol ideeën.

    Wessel te Gussinklo (1941) studeerde psychologie in Utrecht. Hij werkte als psychotherapeut voordat hij zich toelegde op schrijven. Voor zijn debuut De verboden tuin (1986) kreeg hij de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman De opdracht (1995) ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs (in 1997: ‘een onderscheiding voor talent dat nog niet is doorgebroken’) en de F. Bordewijk-prijs. Het boek werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Vorig jaar werd Zeer helder licht (zie ook de recensie op Literair Nederland) genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2014.


    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan

    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 357
    Prijs: € 22,50

  • De fluistering van tijd tegen ruimte

    De fluistering van tijd tegen ruimte

    Wie de biografie van Conrad Aiken (Georgia, 1889-1973) kent, leest Preludes voor Memnon met meer helderheid. Aikens levensloop is vanaf het prille begin verweven met zijn poëzie. De doorlopende queeste van de dichter, verwoord in 63 verzen, wordt gevormd door onzekerheid en angst en een constante vraagstelling die ontegenzeglijk iets te maken heeft met zijn verleden. In een wervelstorm van poëtische uitingen laat Aiken zijn worsteling met de werkelijkheid zien.

    Op twaalfjarige leeftijd was Aiken getuige van een gruwelijk voorval. In het ogenschijnlijk stabiele gezin werd zijn moeder op een vroege ochtend door zijn vader vermoord waarna deze zichzelf doodschoot. De aanleiding of oorzaak van dit drama is nooit aan het licht gekomen maar de impact is groot op het leven van de jonge schrijver. Zijn verdere loopbaan werd gekenmerkt door een obsessieve vorm van introspectie en een onderduiken in bewustwording; met af en toe zeer destructieve neigingen.

    De preludes zijn stuk voor stuk wonderlijke bouwsels van visionaire gedachten als een  poëzieverhaal te lezen of in losse verzen te consumeren. Er is sprake van een duistere herinnering en een zwaarmoedige verwachting, van chaos, dood en verderf. In het filosofische onderbewustzijn lijkt de dichter op zoek naar een uitkomst die slechts in drama is te verwoorden.

    Morsdood is dus de dood en in haat veranderde de liefde,
    De varen in marmer en het uur in sneeuw;
    Muziek in het gerucht van wormen en deze
    Sterrendans in een zinloze dodendans van atomen;
    Kom, we zullen zonder spijt ons hart breken
    En een triest begin met ons einde maken.

    Toch wist Aiken in alle onzekerheid en ellende die hij over ons uitstort ook een ander geluid te laten horen. De dichter spreekt als ik-figuur in een doorlopende monoloog maar is ook op zoek naar een jij-figuur, een liefde, een vrouw. Hij spreekt haar aan en probeert hoopvol te klinken: ‘Lief, laat ons andermaal de regen roemen./ Laat ons zoeken naar een nieuw ABC’, om even later weer te vervallen in de vergeefsheid van dit verlangen:

    Dit alles stelt niets voor: alles wat we noemden is niets:
    Je ogen en je haar zijn niets, je verdriet en je tranen,
    Evenmin jouw lach, die de kamer vulde met geschater,
    En je haastige tred, die even haastig kwam als ging;
    Niets en nog eens niets, zoals het wonderkruid.
    Mettertijd verdord.

    Een andere bijzonderheid is dat Aiken in zijn verzen gewag maakt van een regelmatig terugkerende god. Dat is geen religieuze entiteit en wordt niet opgevoerd als allesoverheersende macht (‘Geen god heeft ons verlaten, want wij zijn goden./ We dorsten nergens naar’). Aikens god is een visionaire kracht die op ieder moment en om verschillende redenen aangehaald wordt. Een te beklagen, te verwijten, te bewonderen of lief te hebben mysterie dat juist de motor van deze gedichten op stuwende wijze aanjaagt.

    O glurende god, welk geheim hou je verborgen?
    Hier in de kantlijn van de lente zingt de narcis,
    Zulk een baarlijke nonsens als geen god voorzag.
    Pluk hem, determineer en analyseer de wortel:
    Het is jouw hart. Lach dan, met het plezier van een maniak.
    Die hemelse waanzin deed deze wereld helder schijnen.

    Dat Aiken een romanticus was, moge duidelijk zijn. In zijn voortdurende gevecht met emoties, telkens neigend naar een vernietigende afloop, doorspekt hij zijn ritmische taal met een vorm van realisme die een Whitmansiaans karakter heeft. Tussen alle doem en wanhoop duikt zo nu en dan een prachtige natuurbeschrijving op: een roodgekleurde horizon, de observatie van een boomblad met een glijdende regendruppel, het ‘karmozijnen zaad der zaden’. Ergens in dat diepe ravijn van heftige gevoelens wist de dichter houvast te vinden, voor korte tijd, maar in een hoopvolle overtuiging.

    Wat voor koele en groene varens van gedachten zijn dat,
    Die, druipend van het vocht, deze muren versieren?

    Rust. Een zalige stilte verdrijft de spoken die op vleugels
    Van geluid en schaduw kwamen. Jij bent al datgene.

    In Preludes voor Memnon wordt alles benoemd en alles bevraagd. Toch is het geen zoektocht naar waarheden, geen worsteling van een mens die smacht naar antwoorden. Conrad Aiken wilde met zijn lyrische zinnen greep krijgen op zijn eigen bewustzijn door in één groot gebaar zijn onzekerheden en angsten eruit te gooien. In feite keerde hij zich af van de wereld en probeerde hij zijn eigen scheppingsverhaal te schrijven, zijn eigen waarheid, een innerlijke noodzaak om te overleven.

    Het hart trekt samen met zijn leed van lasten,
    Tot het ontspannen zich van leed ontdoet.

    Die noodzaak dreef hem niet tot een solitaire toestand. Hij bleef in contact met diverse realiteiten: de natuur, de liefde, de levenskracht, de dood. Zijn vermogen om deze diepgaande speurtocht naar het eigen zijn om te zetten in beeldende woorden is van een ongekende schoonheid.

    In een onlangs uitgezonden interview met Ilja Leonard Pfeijffer, waarin Pfeijffer sprak over zijn onlangs verschenen bundel Idyllen (ook een lange reeks verhalende verzen), komt het motto uit Nijhoffs prozagedicht Awater (1934) ter sprake: ‘ik zoek een reisgenoot’. Dat is precies waar Conrad Aiken naar op zoek leek te zijn: geen reisgenoot als menselijk gezelschap, maar een reisgenoot in taal, in ‘de fluistering van tijd tegen ruimte’ om samen mee op te trekken door dit weerbarstige en onvolkomen leven.


    Preludes voor Memnon

    Conrad Aiken
    Vertaling Hans Dekkers & René Huigen
    134 blz.
    € 18,95
    Uitgeverij Karaat

     

    Aantal pagina’s: 134

  • Precisiewerk van een chaoot

    Precisiewerk van een chaoot

    Leonard Nolens publiceerde in ruim veertig jaar meer dan dertig dichtbundels en enkele dagboeken. Hij verwierf drie oeuvreprijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Nolens’ lyrische en persoonlijke gedichten hebben hun weg naar een groot publiek gevonden. Zijn verzamelde gedichten werden al onder drie opeenvolgende titels gebundeld, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven, 2dl (2012).

    Opvallend is dan ook dat Nolens met zijn jongste bundel, Opzichtige stilte, na onderwerpen als liefde, het leven, zichzelf, zijn familie en de stad, thematisch een geheel nieuw perspectief opent: namelijk het dagelijks leven in een of andere zorginstelling. De gedichten in deze bundel zijn verdeeld in vier afdelingen: De kuur I en II, Ontslag en Weerzien. Er komen stethoscopen voorbij, valiumslikkers, schreeuwtherapie en een dokter. De nadruk op deze thematiek past bij Nolens’ poëzie, die direct en prominent aanwezig is. Opdringerig haast, maar desondanks moeiteloos aanvaardbaar om de opeenstapeling van verbluffende beelden en verrassende observaties.

    Wat was het dan dat ons ontbrak toen wij belden om hulp?
    Mezelf. En wat kwamen wij ook weer tekort? Mezelf.
    (…)
    Maar wat is mijn kunst? Een doorslaand succes van de wanhoop.
    Gedichten zijn immers precisiewerk van een chaoot.

    De gedichten van Nolens zijn vrij en toch vormvast. Ontregelend en toch regelmatig. Elke afdeling in de bundel heeft, qua lengte en structuur, min of meer overeenkomstige vormen. In De kuur I en II zijn we getuige, en onderdeel van de dagelijkse routine in een verder niet nader te karakteriseren zorginstelling. Er is afstand en vervreemding: tussen patiënt en dokter en de medebewoners onderling.

    Drie keer per nacht verschijnt een zaklamp straal
    in ons gezicht, ze komen je slaap onderzoeken.

    Ze inspecteren je dromen, geen raam kan er open.
    De deuren dragen ons nummer en staan op een kier

    in het gelid. En de wekkers van dienst lopen vrolijk
    te zwaaien met thermometers en klokken van stemmen,

    goeiemorgen! Het gaat als een emmer koud water
    je bed in, geen hond die zich wast om wakker te worden.
    (…).

    Onvermijdelijk dringt de vergelijking zich op met andere dichters die berichtten vanuit een instelling. Maar Jan Arends’ poëzie – ’wie kan zo mager praten met de taal als ik?’ – is kaler dan die van Nolens. Met Achterberg is, door de lyriek en de spanning die de gedichten kenmerkt, meer verwantschap aan te wijzen. Al zijn Achterbergs meest kwetsbare en directe kliniekgedichten pas na zijn dood gebundeld, Blauwzuur (1969). De kuur II bestaat uit vijftien vierregelige gedichten, allen opgebouwd volgens het rijmschema aaba. Nog sterker voelbaar wordt hier de associatie met Achterberg. Het eigentijdse element overtuigt volkomen:

    CODE
    Wij raken langzaamaan verslaafd aan het verdriet
    van onze groep. Wij delen dat als drank en wiet
    en hebben de flessen en spuiten verstopt in de nachtkluis van morgen.
    De code is geheim. En die vergeet ons niet.

    De afdeling Ontslag bestaat opnieuw uit een groep ongeveer gelijkvormige gedichten en bevat vooral aanmoedigingen en bemoedigingen: Leef lang,  Ga dromend, Word wakker, Schrijf, Omhels en

    Kniel
    voor niemand. Knik
    een ogenblik lang naar de man
    die jou verwekte, geef hem een hand
    en rep je, ren het huis uit.
    Ren. En red
    je gezicht.

    In de laatste afdeling Weerzien, kondigt de troost van de  verlossing zich aan in de titels van de gedichten: Liefdesbrief, Thuiskomst, Mei en Nachtegalenpark. Onmiskenbaar is er hier meer ruimte voor Nolens’ vertrouwde en warme thematiek. In het gedicht Mei vindt letterlijk een opruiming plaats met een zeldzame, komische noot als opluchting tot besluit.

    MEI
    Ik hoor mijn lieve zenuwpees weer fluiten
    boven en rommelen in kasten en sleuren met koffers.
    Het huis is tot de nok een reis op til.

    Ik ga naar de kelder en sleep een rinkelende berg
    flessen uit mijn dal van vorige winter
    de trap op en flikker vloekend een klotejaar in de container.

    De glasharmonica bliksemt zijn katers aan scherven.
    Haar fluitende reislust bevlindert de kamers daar hoog bovenuit.
    Een nieuwe lente en een nieuw geluid.  

    Een gedicht Mei noemen en eindigen met de zin ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, dat is weer eens wat anders dan Gorter deed. Nolens speelt voortdurend met de verwachting van de lezer door de ene keer vanuit de ‘ik’ persoon  te schrijven en de volgende keer vanuit de derde persoon. Maar spreekt ook een ‘jij’ en ‘u’ aan. De thematiek van de bundel roept vragen op. Hebben wij hier met autobiografische gedichten te maken? Heeft Nolens zelf een poos in een kliniek gezeten? Antwoorden op deze vragen doen niet werkelijk ter zake als het goed is. En het is goed.

     

     

  • Tussen Oost en West

    Tussen Oost en West

    Terwijl journaliste en Slaviste Laura Starink bezig was aan een boek over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in Letland, Rusland, Polen en Oekraïne, werd ze ingehaald door de actualiteit die ze omschrijft als: ‘De ideologische wedergeboorte van een nationalistisch, orthodox, anti-Amerikaans Russisch rijk, dat geen behoefte heeft aan de morele zondeval en de democratische waarden van het Westen’.
    Zo zijn de kaarten aan het begin van het boek meteen geschud, hoewel de soms ‘bepaald onheilspellende woorden’ die ze optekende uit de mond van de mensen die ze interviewde haar in hun vergelijkbare ongenuanceerdheid toch ook te ver kunnen gaan.

    Het boek volgt twee lijnen: de kijk op het beladen oorlogsverleden in de grensstreek tussen de machtige wereldrijken Europa en Rusland, en de mogelijke gevolgen van de recente geweldsuitbarstingen in Oekraïne. Beide lijnen zijn sterk met elkaar verweven. In de landen zelf en in dit boek.

    Het boek begint in Letland, waar van de drie Baltische staten de grootste Russische minderheid leeft. De Russen hebben er het gevoel gedegradeerd te zijn tot tweederangsburgers. Omgekeerd werden de Letten jarenlang door de Russen vernederd en overheerst. De Letten die Starink interviewde en die hun angst voor de Russen eerst relativeerden, blijken bij een herhaald gesprek ondertussen op z’n minst bedachtzamer te zijn geworden.

    Het tweede deel van het boek gaat over Polen, ‘het verloren land van Jedwabne.’ Jedwabne is de plaats waar op 10 juli 1941 een groot deel van de joodse bewoners een schuur werd ingejaagd en levend verbrandde. De daders waren niet de Duitsers, maar enkele tientallen Poolse boeren op het moment van een machtsvacuüm, tussen het vertrek van het Rode Leger en de komst van de Wehrmacht. ‘Ook hier’, schrijft Starink, ‘hebben mensen het beest in zichzelf losgelaten toen de gelegenheid werd geboden.’

    Gelukkig, tekent de auteur op uit de mond van de Poolse schrijfster Anna Bikant, doen de joden ‘hun herintrede in de Poolse geschiedenis.’ Wat niet wegneemt dat een rake beschrijving doet vermoeden dat ze zich er niet helemaal op hun gemak voelen: ‘Hoewel de bontmuts [van de chassidiem, vS] oorspronkelijk natuurlijk uit deze koude contreien stamt, draagt de man hem zoals de orthodoxe Joden het in het warme Israël doen: op een luchtig verhoginkje. Maar het vriest vandaag in Warschau. Het is alsof de Jood wil laten zien dat hij zich in Polen niet meer thuis voelt.’ Starink, die goed kan kijken, noemt het een ‘komisch detail’, maar het blijft een feit dat dit gegeven ook geldt voor sommige joden in Nederland na Brussel, Parijs en Kopenhagen. Met of zonder bontmuts.

    Het derde deel van het boek speelt zich af in Kalingrad (oorspronkelijk: Königsberg), een Russische enclave in Europa, aan de grens met Polen en Litouwen. Laura Starink poneert dat Poetin de laatste jaren gaandeweg zijn invloedssfeer wilde uitbreiden via de Europese Unie en de NAVO. Een opvatting die echter ook andersom kan worden wordt uitgelegd: Poetin die zowel door het toetreden van enkele voormalige satellietstaten tot de EU en de NAVO als door het spierballenvertoon van recente militaire oefeningen met F15’s – waar Finland en Polen aan meedoen – in zijn wiek is geschoten en rare sprongen maakt. Misschien ziet de dichter Boris Bartfelt die Starink spreekt het goed: ‘Onze grootste bedreiging is nu isolement.’

    Het laatste deel van het boek heeft Oekraïne als decor. Hier deed Starink Odessa, Kiev en Dnepropetrovsk aan. Een hoofdstuk dat de ondertitel kreeg: ‘Oorlog tussen Oost en West.’ De vraag is of je in technische zin van een oorlog kunt spreken, of dat de politiek van Poetin eerder een continuïteit is van diens annexatiepolitiek en de gevolgen daarvan. Oorlog of niet: de uitwerking kan natuurlijk, zoals de joodse oligarch Igor Kolomojski zegt, ‘een catastrofe veroorzaken in de wereld.’
    Het boek eindigt met het neerhalen van de MH17. Een paar pagina’s maar, te midden van alle andere ellende in het voormalige Oostblok: geweld, werkloosheid en honger. Maar ‘nergens is de schaduw van de grote broer zo zwaar gevallen als in Oekraïne.’

    Starink weet hoe ze moet schrijven en de spanning erin kan houden. Met een zekere ironie en soms ook dubbelzinnigheid: ‘Anna sluit de stille demonstratie af door op een witte blokfluit het Oekraïense volkslied te spelen. De klanken vervliegen in de wind en de tranen springen in je ogen.’ Als lezer vraag je je af: van emotie en/of van de wind? Ze schrijft ook met grote empathie voor de mensen die ze ontmoet: ‘Als ik de kerk uit loop, kan ik een gevoel van tomeloze tristesse niet onderdrukken.’ En tenslotte verbloemt ze de angst die haar soms overvalt niet: ‘Ik krijg kippenvel en begin me onbehagelijk te voelen.’ Dit leverde een indrukwekkend boek op. Al mist het boek hier en daar soms ook wat nuance. Zaken als het lidmaatschap van de EU en de NAVO aan Ruslands grenzen, die aanleiding geven tot spierballenvertoon van Poetin, komen bijvoorbeeld slechts terloops aan de orde.

     

    De schaduw van de grote broer

    Auteur: Laura Starink
    Uitgever: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 19,99

  •  ‘Ga er maar aan staan’

     ‘Ga er maar aan staan’

    Wie literaire teksten vertaalt, moet van alle markten thuis zijn, een Jack of all trades … pardon: Manusje van alles. Het gaat om meer dan het zorgvuldig, woord voor woord, omzetten van de ‘brontaal’ in de ‘doeltaal’, om het in jargon te zeggen, je moet ook het idioom van speciale groepen beheersen. Wat betekent het als er in een Engelse tekst over de loo gesproken wordt? Is dat iets anders dan bathroom? Toilet? Water closet? Zulke dingen luisteren nauw. Bij sommige gelegenheden zeg je bepaalde woorden niet, bij andere juist wel en dat heeft alles te maken met klassenverhoudingen, religieuze achtergrond, leeftijd, status, regio, periode. Tussen de verschillende talen bestaan bovendien aanzienlijke idiomatische verschillen. Villa betekent in de ene taal een duur huis, in de andere taal een buitenwijk, afhankelijk van de context. In het Italiaans slaat een casino op een feestzaal, in het Nederlands op een gokpaleis.

    Als je afgaat op de wijze lessen van Maarten Steenmeijer in zijn zojuist verschenen Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur, kijk je wel uit om er aan te beginnen. Ondanks het feit dat Nederland, anders dan Engelstalige landen, een typisch ‘vertaalland’ is. In een speciaal hoofdstuk vind je een bloemlezing van fragmenten uit recente Nederlandse vertalingen van Duitse, Amerikaanse en Spaanse romans. Een dodelijke opsomming. Steenmeijer, die zelf uit het Spaans vertaalt, legt de lat hoog. De vertaler moet volgens hem de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver zien te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden leren kennen en doorgronden’. De bedoeling is immers de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ te geven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Wie durft nog? Ook praktisch sta je hier als vertaler voor een bijna onmenselijke opgave. Een voorbeeld: Steenmeijers favoriete schrijver is de Spanjaard Javier Marías, maar deze auteur heeft – zoals de vertaler zelf opmerkt – pas na vijf boeken zijn eigen ‘talige persoonlijkheid’ gevonden.

    Desondanks brengt Steenmeijer het vertalersambacht dichterbij door allerlei aspecten en dimensies op een luchtige manier tegen het licht te houden. Zijn boek is een verzameling van zo’n vijfentwintig hoofdstukjes, vaak niet langer dan een pagina of vijf, zes. Hij is wars van moeizaam jargon en schrijft overzichtelijke, nuchtere betoogjes, columns eigenlijk, waarbij hij algemene vertaalproblemen verduidelijkt aan de hand van concrete gevallen. Als je begrijpt hoe vertaalfouten tot stand komen, is vertalen misschien niet meer zo afschrikwekkend, het is uiteindelijk toch mensenwerk. Hij behandelt eerste zinnen, zowel voor schrijvers als vertalers van cruciaal belang, het vertalen van popsongs, de plaats van de lezer en de kwestie van ‘vrij’ of ‘precies’ vertalen, maar als een rode draad door het hele boek loopt een heikele kwestie, waarvoor ook andere vertaaldeskundigen uitdrukkelijk aandacht hebben gevraagd: hoe doe je recht aan het origineel?

    In 1937 wees de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset er in een beroemd essay op, dat vertalers ‘de angel uit de oorspronkelijke tekst halen’. Schrijvers zijn volgens Ortega ‘opstandelingen tegen de taal’, ze overtreden normen en regels, literaire taal wijkt af van de doorsneetaal, misschien wel juist ter verhoging van de verstaanbaarheid. Vertalers kunnen daar niet tegenop, ze sluiten de schrijver op in de ‘gevangenis van de gewone taal’, vertalingen geven vaak de indruk dat de schrijver eigenlijk een beetje dom is. Om het in andere woorden te zeggen: ‘vreemd’ taalgebruik wordt in de vertaling weggezuiverd, het hart, de originaliteit, wordt uit de tekst gehaald. Dit is het centrale dilemma van de vertaler en Steenmeijer komt hierop dan ook op verschillende plaatsen terug, ook aan de hand van schrijver en vertaler Tim Parks die zich de laatste jaren uitdrukkelijk in de discussie heeft geworpen. De ‘persoonlijke stijl’ van de schrijver wordt door vertalers omgezet in een ‘algemene stijl’, die weliswaar voldoet aan de standaarden van ‘mooi Engels’ of ‘mooi Frans’, maar die de oorspronkelijk tekst uitdrukkingsloos maakt.

    Een klemmend probleem. Steenmeijer pleit ervoor dat vertalers beter betaald worden en meer in de schijnwerpers komen te staan – hun naam op de kaft, duidelijker aanwezig in praatprogramma’s op radio en tv. Wie zou het hem misgunnen een Bekende Nederlander te worden? Maar dat alles is geen oplossing voor de bijna schizofrene positie waarin vertalers zich per definitie bevinden. Steenmeijer zegt het zelf: de ene vertaler is de andere niet. ‘Vraag aan tien literair vertalers om dezelfde tekst te vertalen en je krijgt tien verschillende resultaten. (…) Het is naïef om de vertaler te zien als een onzichtbare go-between’. Vertalers zullen altijd moeten zien te laveren tussen de eisen van de oorspronkelijke tekst en de vrijheid om die tekst naar eigen inzicht om te zetten. Het is volgens Steenmeijer een soort ‘spookgebied’ waarin de vertaler als een ander moet schrijven, maar ook als zichzelf. ‘Ga er maar aan staan’, verzucht hij.


    Schrijven als een ander
    Over het vertalen van literatuur

    Maarten Steenmeijer
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 15,95

  • De Parelduiker 2015/1

    De Parelduiker 2015/1

    Aandacht voor Hans Keilsons eerste jaren in Nederland als Duits vluchteling en hoe hij zijn brood verdiende als tekstschrijver voor een reclamebureau. Ook aandacht  voor de Italiaanse jaren van Arthur van Schendel en zijn dochter Corinna (Kennie in de dagboeken van Frida Vogels). Wam de Moor wordt herdacht in de rubriek De laatste pagina. En wat te denken van een foto waarop de Duitse acteur Heinz Rühmann staat, samen met de Nederlandse acteur Jan Teuling. En een nieuwe serie, Groningse schrijvers. Dit alles weer geïllustreerd met prachtig beeldmateriaal.

    Onlangs In de ban van de tegenstander van Hans Keilson (1909-2011) gelezen. Verstilde literatuur, welke in eerste instantie door een uitgever werd geweigerd. Dat het een blijver van grote betekenis voor de wereldliteratuur zou worden, had deze er toen niet aan afgezien. Later kwam het wel goed met dat boek, maar pas in 2010, nadat een recensent van de New York Times de schrijver een genie noemde, ging de wereld als een gek (virtueel) met de toen 100 jarige Keilson op de loop.
    Keilson was in eerste instantie medicus en daarna pas schrijver. Hij schreef omdat hij als medicus oprecht geïnteresseerd was in de wereld van de ander, vriend of vijand. Het mooie is dat mensen als Keilson hun sporen nalaten gaandeweg hun zoektocht door het leven.
    Cultuurhistoricus Sjoerd van Faassen deed onderzoek naar de schrijver achter het pseudoniem Benjamin Cooper. Cooper werkte tussen 1938 en 1939 in opdracht voor het Amsterdamse reclamebureau Co-op 2. Deze produceerde een aantal gelegenheidsboekjes waarin teksten van verschillende schrijvers werden samengebracht door deze Benjamin Cooper.

    Hans Keilson bleek één van de schrijvers achter dit pseudoniem. De andere schrijver was Gerd Klaass, eveneens uit Duitsland gevlucht. Klaass en Keilson woonden in hetzelfde pension aan de Anna Vondelstraat in Amsterdam. Het gaat om zes publicaties waarvan één op volledige verantwoording berust van Klaass en één op Klaass en Keilson samen. Voor de overige vier was Keilson verantwoordelijk. De onderwerpen waren even uiteenlopend als illuster, zoals: Hendrik Colijn, Erasmus, Comenius en de vrede (met teksten van de paus, Krishnamurti, Mahatma Gandhi en Henriette Roland Holst). Volgens Van Faassen geen Exil-literatuur maar wel met een licht ideologische lading gepresenteerd. Naast een compleet beeld van de zes uitgaven, schetst Van Faassen een biografisch beeld van Keilson, Klaass, reclamebureau Co-op 2, eigenaar Paul Guermonprez en zijn illustratoren.

    In Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas (1) opent Herman Sandman de serie Groningse schrijvers, met een beschrijving van de provincie (veen- klei- en zandgrond) en het literaire verleden en de toekomst: een poëtisch leeg landschap dat (volgens Sandman) juist door die leegte inspireert en iets met je doet. Zo was hij ooit bij dichter Rutger Kopland op bezoek en begreep welk een invloed het uitzicht van Koplands schrijfkamertje, op zijn werk had. Veertig jaar had de dichter met uitzicht op hetzelfde stukje grond vanuit zijn raam, zitten schrijven. ‘Dit uitzicht was mede verantwoordelijk voor veertien bundels (…). Dat uitzicht, daar zat bijna copyright op.’

    Het is een prachtig spectrum aan schrijvers die naar Groningen trokken of er juist van weg gingen (Max Dendermonde, J.B. Charles en Bert Schierbeek, Belcampo, W.F. Hermans) en schrijvers die boeken, geïnspireerd op de Groningse cultuur schreven (Tessa de Loo’s Meander (1986) en De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom). En wellicht had de Franse schrijver Georges Simenon zijn Maigret in Delfzijl bedacht. En daarbij dan die foto waarop de Europese vertolkers van Maigret te zien zijn bij de onthulling van het standbeeld van Maigret in 1966. Waaronder Heinz Rühmann (1902-1994) en Jan Teuling. Rühmann, waarvan de naam waarschijnlijk per abuis als Ruehman gespeld is, was het prototype van de ontwapende ‘kleine man’, in al zijn rollen. Mooi deze ‘kleine man’ hier te zien opduiken. Groningse schrijvers, een mooie kroniek waarvan nog twee delen zullen volgen.

    Dina Aristodemo, Italiaans letterkundige en publicist brengt de jaren dat Arthur van Schendel, met vrouw en dochter in Italië verbleef, op een speciale manier onder de aandacht. Het blijkt dat na de dood van Van Schendel er twee Italiaanse romans verschenen waarin episodes van zijn verblijf in Italië (en van zijn dochter) zijn vastgelegd. Het bestaan van deze boeken was tot nu toe onbekend in Nederland. Aristodemo onderzocht de overeenkomsten tussen de bekende biografische gegevens van de Van Schendels, en de beide romans en haar bevinding is: ‘dat we deze romans in de beeldvorming over de Van Schendels niet zonder meer ter zijde kunnen schuiven.’
    Lees en ervaar deze verrijking voor de literair hongerige geest.

    Met dank aan ‘Parelduikers‘ Sjoerd van Faassen, Herman Sandman, Frank Okker, Dina Aristodemo, Hans Olink, Jan Paul Hinrichs en Paul Arnoldussen.

     

  • Kuifje bij de Bankiers

    Kuifje bij de Bankiers

    Ongeveer halverwege Dit kan niet waar zijn haalt Joris Luyendijk Greg Smith aan, die in 2012 in The New York Times een artikel schreef onder de titel Why I left Goldman Sachs (later in boekvorm uitgediept). Smith kon niet meer tegen de cultuur bij de bank: ‘Jaren geleden hadden we Griekenland geadviseerd hoe het land met derivaten de eigen schuldenlast kon verbergen. Nu waren de rapen gaar en adviseerden we hedgefunds hoe ze munt konden slaan uit de chaos in Griekenland. Aan de andere kant van de Chinese Muur probeerden intussen onze zakenbankiers contracten binnen te halen bij Europese overheden om hun te adviseren hoe de rotzooi kon worden opgeruimd.’

    Ter voorkoming van een misverstand: de Chinese Muur uit het citaat staat niet in Azië, maar in de bank zelf. Hij moet voorkomen dat koersgevoelige informatie van de ene afdeling van de bank doorlekt naar een andere afdeling binnen diezelfde bank. Met als gevolg dat bijvoorbeeld een afdeling die overnames van bedrijven regelt informatie achterhoudt voor de afdeling die juist klanten probeert over te halen om aandelen voor zo’n bedrijf te kopen.

    Balans van een onderzoek

    Is die Chinese Muur op zichzelf al een verontrustend gegeven, de verbazing van Luyendijk geldt vooral de verveelde reacties uit de financiële wereld op het boek van Smith. Wat de bank deed was toch legaal? En dat illustreert weer een ander verontrustend punt uit Luyendijks boek: de banken vragen zich niet af of hun gedrag immoreel is; ze bewaken slechts het amorele gedrag ervan. ‘Goed’ en ‘kwaad’ worden buiten de discussie gehouden; dat soort discussie moet vermeden worden. Er wordt niet gekeken of een plan moreel deugt, maar of het ‘reputatieschade’ meebrengt. In extremis leidt dat er toe dat belastingontduiking mag, als je maar binnen de marges van de wet blijft. Om de morele vraag te ontlopen noem je het ‘belastingoptimalisatie’.

    Wie moet hierbij niet denken aan de discussie van de afgelopen weken over de salarisverhogingen van een ton in de top van ABN/AMRO? Politici en burgers repten van onethisch gedrag, maar topman Zalm presenteerde de beloning als ‘inleveren’: de bank bleef binnen de wettelijke marges en had zelfs nog hogere beloningen mogen toekennen (zelfs toen de verhoging werd teruggedraaid, werd daaraan opnieuw toegevoegd dat er eigenlijk wel recht op bestond; alsof het goodwill was, maar geen moreel punt).

    Joris Luyendijk stortte zich in 2011 in de Londense bankwereld. Hij wist weinig van financiën, maar dat stelde hem juist in de gelegenheid beginnersvragen te stellen die de gewone burger ook heeft. Hij beschreef zijn ervaringen op een online blog van The Guardian (als columns in NRC Handelsblad). Nu is er het boek met de balans van zijn onderzoek.

    Luyendijk beschrijft de financiële wereld van binnen uit als antropoloog en journalist op zoek naar omgangsvormen, cultuur en denkwereld van medewerkers van hoog tot laag in de sector. Zijn werkgebied is de City, het financiële hart van Londen. Hij heeft het daar niet gemakkelijk, want aanvankelijk krijgt hij niemand te spreken. Als dat uiteindelijk wel lukt en zijn eerste blogs verschijnen komen er reacties los die tot nieuwe gesprekken (uiteindelijk 200 in zo’n twee jaar) leiden.

    Banken wisten van niets

    Al snel brengen die hem op een essentieel punt. In het bankwezen blijken de meesten de crash van 2008 niet te hebben zien aankomen. Dat zou je een gerust gevoel kunnen bezorgen omdat het dus geen complot of samenzwering was. En die geruststelling stralen de banken uit: het was een fout, maar die is bezworen, dus alles is weer in orde: het is weer business as usual. Maar voor Luyendijk is juist dat gegeven dat niemand het zag aankomen het angstwekkende. Met andere woorden: kent de financiële wereld de risico’s van haar eigen gedrag wel? Weten ze wel waar business as usual toe kan leiden?

    Een eerste verdienste van het boek is dat de auteur duidelijk maakt dat we geneigd zijn ‘de banken’ de schuld van veel problemen te geven, maar dat de organisatie van de financiële wereld veel ingewikkelder is. Naast banken spelen ook verzekeraars en vermogensbeheerders een grote rol. En binnen de bankenwereld maakt het een groot verschil of je het over consumentenbanken hebt of over zakenbanken (Luyendijk beweegt zich vooral in de laatste).

    Planet Finance, zoals hij de financiële wereld noemt, is dus niet één pot nat; zelfs de banken zijn dat niet. Een bank is geen samenhangende organisatie, ontdekt Luyendijk, maar een verzameling individuen in machtsposities, die ze gedecideerd afschermen. Er worden hoge beloningen betaald, maar daar staat tegenover dat er geen ontslagbescherming geldt. Bij een hoog inkomen hoort een hoge levensstandaard met dure huizen in de Londense City en duur particulier onderwijs voor je kinderen. Loop dan maar eens het risico van ontslag op staande voet, omdat je je targets niet haalt.  Je hoort ook niet veel kritiek over je wijze van leven want je sociale omgeving vernauwt zich door de stress en prestatiedrang steeds meer tot een wereld van louter collega’s.

    Het stimuleert om financiële producten te bedenken die op korte termijn hoge winsten opleveren; of die producten risicovol zijn moet de klant zelf maar beoordelen (opvallend genoeg komt het woord zorgplicht in het hele boek niet voor). Maar het houdt de interne controleurs er ook vanaf om zwakke punten in de producten te signaleren. Kritiek op een risicovol product dat een hoog rendement voor de bank heeft kan tot onmiddellijk ontslag leiden.

    Gebrek aan inzicht

    Daar komt bij dat sommige producten en diensten van de bank zo complex zijn dat zelfs binnen de bank niemand ze nog snapt. Dat leidt tot misverstanden, misrekeningen en de mogelijkheid van misbruik. Als Luyendijk iets duidelijk maakt, is het dat de problemen zoals in 2008 niet moedwillig werden veroorzaakt, maar juist – overdreven gezegd –  door gebrek aan inzicht. Het grote risico zit daarom niet in de mensen, maar in het systeem dat de financiële wereld overeind houdt.

    ‘De sector is immuun voor ontmaskering’, concludeert de auteur. Als het misgaat worden maatregelen genomen om de gaten te dichten en de banken worden gered door de belastingbetaler omdat we ons met zijn allen niet kunnen veroorloven dat grote banken omvallen. Ze zijn ‘too big to fail’, want dan dondert alles in elkaar. Daarna gaat de sector op de oude voet door.

    Maar met al die ingrepen blijft het systeem overeind. Een systeem met teveel belangenconflicten en perverse prikkels. Alles woekert gewoon door: banken blijven net zo lang fuseren tot ze te groot worden om nog failliet te kunnen laten gaan; zakenbanken gaan naar de beurs waardoor de winst belangrijker wordt dan de betrouwbaarheid van zijn producten voor de klant; opnieuw worden hypercomplexe producten gecreëerd die zelfs niemand binnen de bank nog kan volgen; maar ook: nog steeds wordt geaccepteerd dat kredietbeoordelaars worden betaald door de banken waarvan ze de producten moeten beoordelen en dat accountantskantoren mogen bijklussen als consultant voor dezelfde bank waarvan ze de boekhouding moeten controleren.

    Het is een gigantisch probleem om dat stelsel te veranderen. Dat vereist internationale politieke samenwerking. Een bescheiden journalist kan alleen maar laten zien hoe gevaarlijk de sector is geworden. Daarin is Luyendijk met lof geslaagd. ‘Het kan zo weer gebeuren.’