Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Boeiende biografie met goed gekozen citaten

    Boeiende biografie met goed gekozen citaten

    Op 24 november 1985 overleed  Kees Buddingh’ op 67-jarige leeftijd. Op zijn grafsteen staat:  ‘Liefde, vriendschap, poëzie:  dat is mijn drieëenheid.’ Daaronder:  ‘Cees Buddingh’  Dordts Dichter’. Het is opmerkelijk dat  er ‘Cees’ op de steen staat, schrijft  Wim Huijser in Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’ .  Cees is ‘een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen,’ schreef Buddingh’ ooit. In het eerste hoofdstuk ‘C.,  Cees of Kees’  geeft Huijser het antwoord:  C. Buddingh’ is de auteursnaam, Kees Buddingh’ de persoonsnaam.

    Dichter bij Dordt  bestaat uit vier delen. Het eerste deel ‘Moeder,  ik zou graag schrijver willen worden’ bestrijkt de jaren 1918-1949. Kees krijgt een liberale, niet-religieuze opvoeding. Illustratief is dit citaat uit zijn jeugdjaren:  ‘Bij ons thuis werd er geen ruzie gemaakt: / je leefde er in een sfeer van harmonie, / begrip, respect, vertedering voor elkaar. / Je zat vaak op, maar ging nooit over de knie.’  Als klein jongetje trekt hij zich soms terug in het keukenkastje,  ‘onder een hemel van vertrouwd geluid.’  Tegen het einde van zijn hbs-tijd weet Buddingh’ dat hij ‘schrijver wil worden.’  Hij studeert Engels en leert zijn latere vrouw Stientje kennen. In 1941 debuteert hij met de dichtbundel Het geïrriteerde lied. Een jaar later wordt de diagnose tuberculose gesteld. Opname in een sanatorium volgt. De ‘tbc-jaren’ duren maar liefst zes jaar. Het is een zware tijd voor Kees en Stientje. Noodgedwongen stellen zij hun huwelijk uit. Buddingh’ leest veel,  o.a. romans en  ‘nonsensepoëzie’. In een verhaal van kinderboekenschrijfster E. Nesbit treft hij ‘the bluebillgurgle’ aan. Buddingh’ maakt er de ‘blauwbilgorgel’ van: ‘Ik ben de blauwbilgorgel, / Eens sterf ik aan de schorgel, / En schrompel als een kriks ineen / En word een blauwe kiezelsteen. Ga heen! Ga heen! Ga heen!  Uit de regels spreekt humor, maar ook een sombere levensvisie . Dit laatste wordt vaak over het hoofd gezien. Buddingh’: ‘Ik schrijf in wezen uitsluitend over sterven, verval, kortstondigheid (…)’

    Pas in 1950 kan hij na een zware operatie naar huis. Hij is ervan overtuigd dat hij ‘on borrowed time’ leeft.  Over de sanatoriumtijd vertelt hij later dat hij de ‘betrekkelijkheid van alle mogelijke zaken’ is gaan inzien. Met  de opbrengst  van de vertaling van The Forsyte Saga  van John Galsworthy  kunnen Kees en Stientje  eindelijk trouwen.

    In deel Twee: ‘Een nieuwe poëzie  1950 – 1965’ en deel  Drie: ‘Dichter van het moment  1966 – 1975’ komt het schrijver- en dichterschap van de grond. Buddingh’ dicht volop, schrijft essays en recensies, doet vertaalwerk en werkt als docent Vertaalkunde. In het essay ‘De nieuwe poëzie’ betoogt  hij dat er geen verschil moet zijn tussen ‘dichterlijke’ en ‘ondichterlijke’ elementen. ‘Kijk om je heen’, schrijft hij. Hij  wijst op ‘de schoonheid van een jerrycan of een kolenkachel’.  Door zijn optredens op poëziefestivals, zoals bijvoorbeeld Poëzie in Carré in 1966, groeit Buddingh’ uit tot ‘de populairste dichter van het moment’.  Zijn ‘poëzie van het dagelijks leven’ slaat aan, mede door zijn karakteristieke stemgeluid, een ‘droge, neuzelende stem.’

    Uit deel Vier ‘Het houdt op met zachtjes regenen 1976 – 1985’ blijkt de veelzijdigheid van Buddingh’ . Naast het vrije vers gebruikt hij de sonnetvorm. Het keukenkastje uit zijn jeugd komt in een sonnet terug: ‘Ja zelfs al zou ‘k het maar hebben gedroomd, / ik zit nog altijd in dat keukenkastje.’  Daarnaast publiceert Buddingh’ ‘Dagboeknotities’.  Hij schrijft over dagelijkse onderwerpen, zijn gezin, een kachel die niet wil trekken. Er komt kritiek.  L.H. Wiener vindt dat Buddingh’ schrijft over de ‘meest onbenullige zaken’ met een ‘zelfvoldaanheid die tot misselijkheid aanleiding’ geeft.  Ook andere critici ergeren zich aan de ‘ontstellende gezelligheid’ van de notities.

    In 1978 staat de Bezige Bij uitgebreid stil bij de zestigste verjaardag van hun succesvolle auteur.  Maar het ‘jubeljaar’ verandert in korte tijd in een nachtmerrie.  Eerst publiceert Willem Frederik Hermans een stuk over dagboeken die ‘met opzet’ worden geschreven: ‘Snobisme is troef in de autobiografische branche.’  Schokkende onthullingen staan er nooit in. Over Buddingh’: ‘Heeft ooit een lezeresje de slaap niet kunnen vatten na vernomen te hebben uit het dagboek van Cees Buddingh’ dat deze een vuilniszak aan de stoeprand had gezet?’  Kort daarop bespreekt Hermans uitvoerig het vierde deel van Buddingh’s  dagboeknotities. In ‘Bijzonder aardig; prima, prima’ wijst hij op de vele slordigheden in het werk van ‘kneuterige Kees.’  Hermans: ‘Zitten leuteren in Culturele Raden, stad en land afreizen naar boekenweekkwizzen, poëziecongressen, vergaderingen van de PvdA, van De Bezige Bij. Stomme voetbalwedstrijden, imbeciele cricketklappenuitdelers volgen op de televisie, dat is waar onze letterkundige werkelijk van houdt.’

    Buddingh’ is zeer aangeslagen door de kwaadaardige kritiek. Van zijn vrienden, enkele uitzonderingen daargelaten, hoort hij niks, bang als zij zijn het volgende ‘slachtoffer’ van de scherpe pen van Hermans te worden. Een jaar later noteert Kees:  ‘Vriendschap, waardering, ik kan er – en dat is waarschijnlijk mijn zwakheid  – niet buiten […].’  Stientje over de ‘aanval’:  ‘Toen hij het echt nodig had, liet niemand iets van zich horen.’
    In zijn laatste levensjaren tobt Buddingh’ met zijn gezondheid. Longontsteking, diabetes, lusteloosheid en drankproblemen.

    Huijser sluit de biografie af met een passage over de plaats van Buddingh’ in de Nederlandse letteren. ‘Nooit hoor ik er helemaal bij’, noteert Buddingh’s in 1965. Huijser verwijst naar de necrologie die literatuurcriticus Rob Schouten schreef.  Buddingh’ was naast dichter, schrijver, essayist ook een ‘propagandist van de literatuur’.  Met zijn bloemlezingen en optredens bracht Buddingh’ zijn eigen en andermans poëzie ‘aan de man’. Huijser onderschrijft de woorden van Schouten: ‘Het lijkt of hij er steeds net naast zat, terwijl hij er in feite voortdurend bij was.’

    In Dichter bij Dordt komen alle aspecten van Buddingh’s  drie-eenheid  liefde, vriendschap en poëzie aan bod.  De liefde voor Stientje blijkt uit ‘Eight days a week’:  als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat / hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt: / dan kan ik haar net zolang nakijken / als wanneer ze halte vogelplein neemt / en zie ik haar bovendien nog een keer / voorbijkomen in de bus. Uit ‘Ode aan poëzie’:  ‘En het zijn niet alleen de woorden, de beelden, / de regels / die in je liggen opgetast als de goudstaven in de Bank van Engeland, maar alles/  wat je ziet: […] / het glanst allemaal als scherfjes onvergankelijkheid […]’  Uit zijn dagboeknotities:  ‘Kijk om je heen, kijk om je heen. Zoals je de wereld nu ziet, zie je hem nooit meer.’
    Hij ontvangt in 1976 de Jan Campertprijs voor Het houdt op met zachtjes regenen.  De poëzieprijs van Amsterdam loopt hij mis:  ‘Als jij niet in de jury had gezeten, dan hadden ze jou die prijs willen geven,’  vertelt Adriaan Morriën later. Reden voor Buddingh’ een tijdje geen zitting te nemen in jury’s, eerst moest hij zelf maar eens een prijs ontvangen.

    De biografie laat zich lezen als een roman, met voor- en tegenspoed.  De liefde en het succes tegenover de tbc-jaren, de ziekte van Stientje, slechte kritieken.
    Buddingh’ leeft voort door  zijn poëzie en in de `C. Buddingh’-prijs voor de Nieuwe Nederlandse Poëzie’.  Poetry International  reikt deze prijs vanaf 1988 uit voor het  beste Nederlandstalige poëziedebuut.

    Wim Huijser heeft een sympathiek portret van Buddingh’ gemaakt. Dichter bij Dordt  is een boeiende, lezenswaardige biografie met goed gekozen citaten uit  het werk van Buddingh’.  Achterin een uitgebreid notenapparaat,  bibliografie, personenregister en een gedetailleerd bronnenoverzicht. Alle lof voor de biograaf.


    Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh’ 

    Auteur: Wim Huijser
    414 blz.
    Prijs: € 34,99
    Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar

  • Twee talen en twee zielen in hetzelfde lichaam

    Twee talen en twee zielen in hetzelfde lichaam

    Tweemaal een voorplat, twee titels in twee talen. Twee hoofdpersonen, één lichaam, één schrijver. Dat kenmerkt de opmerkelijke dubbelroman Einde verhaal/End of Story van de geboren Amsterdammer Philibert Schogt (1960), die opgroeide in de VS en Canada. Het is niet alleen de tweetaligheid van de auteur maar met name de sociale gevolgen daarvan, is  de kern waar de roman omheen geweven is.

    De lezer mag kiezen. Alleen de Nederlandstalige roman lezen of ook de Engelse? Of alleen de Engelse? Tweederde van het boek omvat de roman Einde Verhaal, de rest is voor End of Story. Twee ogenschijnlijk afzonderlijke geschiedenissen die, maar dat blijkt nadat je ze allebei gelezen hebt, in elkaar te vouwen zijn als de vingers van twee handen. Daardoor ontstaat er een overlap die soms heel vanzelfsprekend is, maar vaak niet. We krijgen immers een en hetzelfde levensverhaal voorgeschoteld, gezien vanuit een dubbel perspectief.  Dat maakt sommige passages ook  saai. Want  de verschillende  perspectieven verschillen niet  echt veel van elkaar en zo krijgen we dezelfde scène nog een keer te lezen.

    Schogt, die in 1998 debuteerde met De wilde getallen, vertelt op twee manieren het verhaal van Johan Butler. Een in Nederland wonende zestiger die geboren is in Canada, uit een Nederlandse moeder en een Canadese vader. Butler is een gepensioneerd literair vertaler Engels-Nederlands die door een uitgever wordt overgehaald  nog één keer een boek te vertalen.  Het gaat om een omstreden roman van een Amerikaanse schrijver die wordt aangevallen door godsdienstfanaten.  In het boek dat nog niet verschenen is, zou god te kakken worden gezet. Het zogenaamde eerste hoofdstuk van die omstreden roman die Schogt in zijn dubbelroman heeft opgenomen, is buitengewoon amusant. Daarin neemt god, hilarisch genoeg,  deel aan een talentenjacht. Om de titel Top Creator te verdienen, moet hij het opnemen tegen Darwin en de duivel.

    Johan Butler is een merkwaardige persoonlijkheid. Noem hem gerust een gespleten persoonlijkheid. Er zit iemand in zijn oor te blazen waarvan hij dacht dat hij ervan verlost was. Het is John, zijn Engelstalige ik. Die vroeger, toen Butler nog in Canada woonde, de toon aangaf. Maar die op de achtergrond is verdwenen toen Butler naar Nederland verhuisde en steeds minder Engels ging spreken. Nu Johan deze vertaling heeft aangenomen, komt deze John in opstand. Want eigenlijk zou Butler zijn vrije tijd gaan besteden aan het optekenen van zijn memoires. Waarin, zo hoopt John, eerherstel zou komen voor hém.

    Na een twintigtal bladzijden in het Einde verhaal word je als lezer geprikkeld: hé, in deze scène zet de hoofdpersoon zich aan het schrijven. Het zal toch niet… En inderdaad, wie dan het boek omdraait en zich aan de eerste bladzijden van End of Story  zet, ontdekt dat die versie het product is van de schrijverij van de protagonist. Wie dat om en om lezen voortzet, belandt steeds weer in die andere taal en ervaart dan bijna aan den lijve hoe het is om tweetalig te denken. Hoe het is om steeds te moeten schakelen. Hoewel het de kloof tussen de ‘enkeltalige’ lezer en de tweetalige schrijver niet dicht, brengt het de thematiek wel dichterbij.

    Schogt heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt door Johan en John, als was het een spelletje bokspringen, door de roman te laten stuiteren. Het vraagt ook nogal wat inlevingsvermogen van de lezer om die gespletenheid te accepteren. Het komt allemaal nogal gekunsteld over. Gelukkig schrijft Schogt, zowel in het Nederlands als het Engels, heel toegankelijk en onopgesmukt en dat maakt lezing van de dubbelroman tot een amusante ervaring.


    Einde Verhaal/ End of Story
    ,

    Philibert Schogt
    192 en 124 blz.
    € 19,99
    Uitgeverij de Arbeiderspers

     

  • Hij wist niet half hoe erg het was

    Hij wist niet half hoe erg het was

    Psychische problemen zijn in de romans van Josha Zwaan een terugkerend gegeven. In het teruggetrokken leven van de vrouwelijke hoofdpersonen wordt maar een enkeling toegelaten en ook die krijgt weinig te horen over wat er werkelijk in hen omgaat. Marthe, De protagonist uit Dwaallicht, vertelt in een onbewaakt ogenblik aan haar  grote liefde Barend, over de stemmen in haar hoofd. En als zij later kinderen krijgen, kan Marthe het leven niet meer aan.

    Josha Zwaan heeft zelf aan den lijve ondervonden wat het is om psychische problemen zonder hulp van buitenaf te overwinnen. In een interview met Andries Knevel vertelt de schrijfster dat ongeveer vijftig procent van de bevolking psychische klachten heeft en dat ze die problemen uitstekend kunnen verbergen. ‘Veel mensen krijgen het moeilijk met zichzelf en daarmee leren leven is een hele klus,’ zegt Zwaan die zelf heeft gewerkt in de hulpverlening met dak- en thuislozen en verslaafden.

    Ermee leren leven geldt ook voor Marthe. Als kind hoorde ze al stemmen. Ze communiceerde er soms hardop sprekend mee, maar onder invloed van haar moeder leerde ze dat af. Andere kinderen vonden haar vreemd en moesten weinig van haar hebben. Tijdens haar schooltijd ontdekte ze seks als middel om het soms oorverdovende geschreeuw van stemmen in haar hoofd het zwijgen op te leggen. Ze gaat Frans studeren en doet vertaalwerk. De goede seks en zijn liefde voor haar maken het voor Barend moeilijk zich van haar los te maken. Iets waar hij wel naar verlangt.

    Marthe’s eigen stem gaat verloren in de chaos in haar hoofd. Ze heeft iets met de heilige maagd Maria. Ze bidt tot haar, roept haar aan, ziet haar verschijnen en hoort haar praten. Door Maria vindt ze na een psychotische periode de kracht om terug te keren naar een normaal leven. Maar voor het zover is lijden haar werk en haar gezin onder haar grilligheid en onbetrouwbaarheid. Ze is extreem bang dat de kinderen iets zal overkomen. Toch laat ze hen alleen om bijvoorbeeld nog even vlug boodschappen te doen. Op een skivakantie vergalt ze met  haar angsten voor de zoveelste keer het plezier van haar man en kinderen. Hij laat haar dan ook achter en neemt de kinderen mee.

    Later in een klooster vertelt ze tegen een monnik: ‘Hij wist dat ik niet zonder hem kon. Zo’n gekke moeder gun je toch je kinderen niet. En hij wist niet half hoe erg het was. Ik heb het hem nooit helemaal uitgelegd, ik keek wel uit. Hij zou meteen weggegaan zijn.’ […] ‘Hoewel, hij kon ook niet zonder mij. Verslaafd aan elkaar, zeg maar…’

    Als ze haar gezin kwijt is, stort Marthe zich in het Amsterdamse straatleven. Ze doolt rond, komt in contact met daklozen, slaapt op een vervuilde etage waar een junkie met haar verwaarloosde baby woont. Ondanks haar eigen wanen heeft Marthe de tegenwoordigheid van geest om voor de baby te zorgen al kan ze het niet bieden wat het echt nodig heeft. Deze passages en vooral de afloop daarvan zijn hartverscheurend.

    Zwaan versluiert niets. In het korte verhaal Al dood dat op haar website staat, staat de zin: ‘Ze was geboren als parasiet en dat zou ze altijd blijven.’ Hier is een moeder aan het woord over haar dochter. Dit verhaal heeft iets van een thriller, maar laat vooral zien hoe ver iemand met een verknipte geest andere mensen kan drijven, zich de afkeer van hun meest naasten op de hals haalt, simpelweg omdat die zelf moeten zien te overleven. En dat lukt niet als zij keer op keer meegesleurd worden in de psychische afgrond van hun geliefde.

    Zo hard als in Al dood gaat het er in Dwaallicht niet aan toe. De roman is niet een en al  somberheid. Lichte tonen klinken vooral op in het gewone dagelijkse leven. Het spelen van de kinderen, de orde van de dag. En in de muziek, de poëzie en de Franse taal. Zelfs de positieve kant van het zwervende bestaan wordt belicht: ‘Ze begreep steeds meer van de daklozen die de oncomfortabele omstandigheden van de straat verkozen boven het traject van nachtopvang naar dagopvang, naar beschermd wonen en verplichte begeleiding onder strikte voorwaarden.’
    Waaruit duidelijk wordt dat een deugdzaam leven niet door iedereen als het hoogste goed wordt gezien en dat niet ieder onaangepast mens zwelgt in ellende. Bij Marthe dringt zich de vergelijking met een gevangenis op als ze met een dagschema, professionele hulp en medicatie weer thuis woont.

    Zelf leed de schrijfster geregeld aan angst- en paniekaanvallen en depressies. De overtuiging om het zelf te kunnen oplossen met mindfulness, yoga, hardlopen en bidden verdween toen ze in een moeilijke periode haar angsten uiteindelijk niet meer de baas kon. De psychiater bracht met een antidepressivum redding. Door antidepressiva steeds af te wijzen heeft ze zichzelf lang tegengewerkt, zegt ze nu. ‘Oh, wat heb ik het mezelf moeilijk gemaakt, en de mensen om me heen. Met medicatie verbeterde mijn basishumeur.’ Zwaan vond het, net als Marthe in het boek moeilijk toe te geven dat medicatie helpt. Voor mensen met psychische problemen, zullen de gebeurtenissen in de roman herkenbaar zijn.

    Dwaallicht is een goed vertelde geschiedenis, bijna een casestudy, maar dan in de vorm van een boeiend verhaal waar omgevingsdetails aan bijdragen. Een zo’n detail zijn de geregeld terugkerende roeken. Ze zitten in de bomen of vliegen rond, dreigend of vertrouwd, waarbij hun aanwezigheid een enkele keer voorspelbaar wordt. Een diagnose van de hoofdpersoon Marte wordt in Dwaallicht niet gesteld. Al doen de symptomen nog het meest denken aan schizofrenie of een meervoudige persoonlijkheidsstoornis.

    Het is een spannend boek waarin je zonder meer wilt doorlezen. Het laat je de gebeurtenissen meebeleven zonder te verdrinken in de duisternis van de problematiek. Het einde biedt uitzicht op zowel neergang als hoop. Lezen!


    Dwaallicht

    Josha Zwaan
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo/Anthos
    Prijs: € 19,99

  • De kracht van het vrouw-zijn

    De kracht van het vrouw-zijn

    Onder leiding van Ruhollah Khomeini wordt in Iran op 1 april 1979 de islamitische republiek geboren. Voor Abnousse Shalmani en haar familie betekent dit het einde van een zorgeloos en vooral vrij leven. Vanaf dat moment zijn vrouwen gedwongen gesluierd door het leven te gaan. En de doek die de vrouwen bedekt, weet Shalmani, zal voor velen van hen een schaduw werpen over de rest van hun leven.

    Abnousse Shalmani, die op 1 april 1977 in Teheran wordt geboren, groeit daar na de revolutie op. Ook al kent ze de wereld niet anders dan hoe hij op dat moment is – vrouwen bedekken hun haren, dragen geen make-up en zoeken geen oogcontact – ze heeft het gevoel dat er iets niet klopt en dat ze tegen de schenen moet schoppen van de ‘gangbare manier van leven’. Als jong meisje kan ze maar één ding bedenken: haar blote kont laten zien. Na school kleedt ze zich uit. De hoofddoek, de voorgeschreven jurk en de voorschreven broek doet ze stuk voor stuk uit. En dan begint het spannende gedeelte: de vlucht naar de auto. Ze rent zo snel mogelijk het schoolplein over om de auto te bereiken zonder dat de ‘zwartjurken’ haar te pakken krijgen. Dit alles om te provoceren, om haar afkeer van de hoofddoek duidelijk te maken. Hij is grijs, lelijk en zit niet lekker.

    Hiermee wordt het strijdlustige karakter van Abnousse op jonge leeftijd al duidelijk. Khomeini, Sade en ik is dan ook een boek over strijden. Het gaat over de strijd tegen Khomeini, tegen de hoofddoek, maar vooral tegen de onderdrukking van de vrouw.

    In 1985 ziet de familie Shalmani zich genoodzaakt om te vluchten uit Teheran. Ze hopen dat Parijs hun een beter, vrijer leven kan bieden. Om de taal te leren en de cultuur te begrijpen, verdiept de jonge Abnousse zich al gauw in de Franse literatuur. De boeken helpen haar niet alleen om de Franse taal en cultuur te leren kennen. Om haar ideeën vorm te geven en haar gedachten om te zetten naar een concrete mening, is daar de literatuur. En wel de libertijnse literatuur.

    Ik ben een paar keer geboren. Een keer op een dag in april, een andere keer toen ik mijn sluier aflegde en mijn naaktheid onder de aandacht bracht, een derde keer toen ik voet zette op Franse bodem, ten slotte nog een keer toen ik een boek van Zolan opensloeg en de libertijse literatuur van de Franse achttiende eeuw ontdekte.’

    Sade ‘de goddelijke markies’ doet zijn intreden in juli 1997. Waar Khomeini de grote slechterik is in dit boek, is Sade de held die Abnousse haar wapens aanreikt voor de strijd. Zijn buitensporige romans geven Abnousse een ongemakkelijk gevoel. Ze leest de boeken eerst alleen in de veilige omgeving van haar slaapkamer en met elke bladzijde die ze omslaat, groeit haar verlangen om het boek weer snel weg te leggen. Sade beschrijft het lichaam tot in detail zonder enige schaamte. Hij is een atheïst, hij moet niets hebben van moraal, van fatsoen of godsdienst. Nieuwsgierigheid helpt Abnousse de verleiding te weerstaan om het boek weg te leggen en na het lezen van de laatste bladzijde heeft ze het gevoel dat ze een ander mens is. ‘Ik was niet langer een slachtoffer van de baardmannen, ik was hun ergste nachtmerrie.’

    Khomeini, Sade en ik is een boek met een krachtige boodschap. Die boodschap is dat vrouwen en mannen elkaars gelijken zijn. Dat vrouwen niet onder doen voor mannen, dat ze dezelfde rechten zouden moeten hebben, en zelf moeten kunnen bepalen wat ze met hun lichaam doen en hoe ze zich kleden. ‘Ik vecht niet tegen mannen of vrouwen maar tegen opvattingen, de ongezonde traditie en de gewelddadigheid van het vooroordeel.’ Eén van die ongezonde tradities is volgens Shalmani de hoofddoek. De hoofddoek die er volgens de voorstanders voor moet zorgen dat vrouwen geen lustobject zijn voor mannen, maar die er paradoxaal genoeg voor zorgt dat elk stukje huid en elk stukje haar dat aan de sluier weet te ontsnappen, begeerte opwekt bij de man . ‘De hoofddoek is de scherpste veroordeling van de nieuwe tijd. Toon me duizend gesluierde vrouwen van welke leeftijd ook en laat ze herhalen dat ze vrij zijn, dat ze zich gelukkig voelen onder hun sluier. Ik zal ze niet geloven.

    Khomeini, Sade en ik komt langzaam op gang, maar na een paar hoofdstukken vindt het zijn ritme. Het boek neemt ons mee van Teheran in 1997 naar Parijs in 2013 en vertelt gaandeweg Abnousses verhaal met haar blote kont als leidraad door het boek. Het vertelt over de hoofddoek en de ongelijkheid die ze in Teheran achter heeft achtergelaten, maar waar ze weer mee geconfronteerd wordt in Parijs. Het vertelt over haar problemen als vrouw en als Iraanse vluchtelinge.

    Het boek is zo nu en dan een beetje ‘los-vast’. De onderwerpen die aangehaald worden ter ondersteuning van het hoofdverhaal lijken niet altijd helemaal op hun plek. Ook de formulering doet soms een beetje nonchalant aan. Maar uiteindelijk gaat het toch vooral om de inhoud van het boek en die maakt veel goed. De boodschap die Shalmani met dit boek probeert over te brengen is duidelijk. De boodschap dat vrouwen gelijk moeten zijn aan mannen kennen we, maar in combinatie met het verleden van Shalmani en de argumenten en de ondersteuning die ze uit de literatuur haalt, krijgt de boodschap een originele klank.

     

    Khomeini, Sade en ik

    Auteur: Abnousse Shalmani
    Vertaald door: Jan Versteeg
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 21,95

  • Literaire soap in het Victoriaans Londen van 1875

    Literaire soap  in het Victoriaans Londen van 1875

    Voor iedereen die wil voorkomen dat de zonovergoten dagen aan strand of zwembad in ledigheid voorbijgaan: neem dit boek mee. Het is meeslepend en het doet je regelmatig vergeten waar je eigenlijk bent: niet in je strandstoel tussen de badgasten, maar in het Victoriaans Londen van 1875, tussen de prostituees en de heren, tussen droom en daad. Rauw, humoristisch, sfeervol en vol verrassende personages.

    ‘Ik verzoek u om alstublieft, alstublieft, ALSTUBLIEFT een vervolg te schrijven.’ Aan het begin van ons millennium was dit geen ongewone smeekbede voor Michel Faber (1960), nadat hij zijn lezers verslaafd had gemaakt aan zijn The Crimson Petal and White (Lelieblank, Scharlaken Rood). Aanvankelijk verscheen het boek als een feuilleton, passend bij de tijd waarin het verhaal speelt. Immers, in de Victoriaanse periode vierde deze literaire vorm hoogtij. De verschillende episodes vormen gebundeld een fantastische roman van 950 pagina’s.

    Michel Faber (1960) emigreerde op zijn zevende naar Australië. Hij was een negentienjarige student Victoriaanse literatuur toen hij aan dit boek begon, om het twintig jaar later te publiceren. Geheel in de stijl van de klassieke werken die hij bestudeerde, voorzag hij zijn verhaal van een alwetende verteller aan wiens arm de lezer door de straten van het negentiende eeuwse Londen wordt geleid. ‘Kijk waar u loopt. Let goed op, u zult ogen en oren tekortkomen. De stad waarheen ik u voer is groot en verwarrend, en het is de eerste maal dat u hier bent.’ Zo begint het: een veelbelovende ontgroening. Al lezende voel je je bevoorrecht dat de verteller jou heeft uitgekozen om mee op pad te mogen.

    We duiken in het leven van de negentienjarige Sugar, een intelligente en ongewone prostituee uit Londen. Zij wordt de oogappel van William Rackham, een getrouwde jongeman, die een veelbelovende toekomst tegemoet gaat als directeur van Rackham Parfumerieën. William raakt verslaafd aan Sugar en koopt een huis voor haar, onder de voorwaarde dat haar liefde exclusief voor hem is. Zo ontstijgt Sugar het leven van een doorsnee prostituee, waardoor haar maatschappelijke positie aanzienlijk verbetert. Dit heeft overigens niets met toeval te maken; het lukt haar vanwege haar karakter. Sugar is slim, leergierig, bevallig, vastberaden, knap, zelfstandig en kritisch. En voor William niet te versmaden. Tegenover de losbandige relatie van William en Sugar staat de respectvolle en verlegen relatie tussen de broer van William, Henry, en Emmeline Fox. De bonte stoet aan overige personages en het Londense decor zorgen voor een vermakelijke en sfeervolle setting.

    Als in een emotionele rollercoaster, zo ga je door de verschillende verhaallijnen van het in vijf delen opgedeelde boek. Ben je het ene moment opgelucht dat je zelf een kansrijkere toekomst hebt dan Sugar, zo ben je het volgende moment teleurgesteld dat je niet bij haar op de koffie kunt. Om vervolgens hardop te moeten lachen om een hilarische scène in een pub of hoerenkast. Op een scherp observerende en licht cynische toon verhaalt Faber over de verschillende personages. Daarbij maakt hij gebruik van volkse dialecten, die in de Nederlandse vertaling zijn overgenomen. Dit boek heeft slechts één nadeel: aan het eind moet je abrupt afscheid nemen van je nieuwe vrienden. De wanhopige smeekbedes van lezers aan de schrijver zijn daarom begrijpelijk. We willen meer van deze literaire soap.

    Een kleine troost: in 2006 verscheen De appel. Nieuwe lelieblank-verhalen, met zeven verhalen over personages uit Lelieblank, Scharlaken Rood. Ook verscheen in 2011 de gelijknamige tv-serie in de vorm van een kostuumdrama. Of het kijken hiervan de moeite waard is, is natuurlijk de vraag. De intrigerende Sugar met haar ruwe huid gaat geheid een eigen leven leiden in het hoofd van de lezer. Faber zorgt er met zijn levendige vertelstijl voor dat we daar geen beeldmateriaal voor nodig hebben.

     

    Bronnen:

    • Lelieblank, Scharlaken Rood, Michel Faber, uitgeverij Podium Amsterdam, 16e druk, 2007, Harm Damsma en Niek Miedema
    • www.stinejensen.nl op 28 juni 2015
    • www.imdb.com
  • Een dorpsleven zonder muziek

    Een dorpsleven zonder muziek

    Op de foto op het omslag van deze debuutroman van Thomas Willmann kijken twee ogen, onder borstelige wenkbrauwen de lezer doordringend en indringend aan. Dat belooft weinig goeds en die belofte komt uit. De lezer wordt overweldigd, niet alleen door de subtiel opgebouwde spanning, de ontrafeling van het plot en de apotheose, maar ook door het poëtische en evocatieve taalgebruik.

    Het verhaal speelt zich af in een hooggelegen, praktisch van de buitenwereld afgesloten dorp in een dal. Er is geen precieze bepaling van de tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrekken, maar het moet enige tijd geleden zijn: de dorpelingen verplaatsen zich te voet of te paard, het transportmiddel is het muildier, aan het enige dorpsplein ligt de enige herberg met een gelagkamer, landbouw is de enige activiteit en er wordt betaald met gouden munten. Een samenleving teruggebracht tot de essentie. Over het leven in het dorp schrijft Willmann: ‘Het was tot in de diepste kern een leven zonder muziek’.

    Een vreemdeling komt, vlak voordat de winter invalt, in het dorp en zoekt onderdak, hij wil de omgeving schilderen. De dorpsbewoners vertrouwen hem niet, vooral boer Brenner niet die met zijn 6 zonen feitelijk over het dorp heerst. Met de nodige tegenzin wordt hem desondanks onderdak verleend, de vreemdeling kan een kamer huren bij een weduwe met haar dochter. Dan begint het verhaal heel geleidelijk op gang te komen, wordt de spanning voelbaar en langzaam verder opgevoerd; het wordt duidelijk welke duisternis er in dit dal heerst. Het verhaal gaat over grote thema’s: liefde en dood, geloof, schuld, vijandschap, wraak en vergeving, verlossing, vrijheid. Wanneer je eenmaal in het verhaal zit, laat het je niet meer los. Het is bijzonder knap dat het tegelijkertijd een verhaal over de liefde is en over gruwelijk geweld, waarbij Willmann in de beschrijving van dat laatste de details niet schuwt.

    Willmann schrijft goed. Zowel de opbouw van zijn verhaal als zijn taalgebruik houden de lezer in de greep. Hij is een meester in het beschrijven van de natuur en de gemoedstoestand van de mens.

    Een paar voorbeelden; de eerste is een beschrijving van de boerderij waar de boer met de zes zonen woont die zich God waant: ‘De hoeve hurkte als een kwaadaardig dier onder de zwaar drukkende sneeuw. Het matte zwart van de houten betimmering maakte een compacte indruk, en de namiddagzon fonkelde in het glas van de vensters. Zo loerend als het grote huis er aan het einde van het hooggelegen dal bij lag, zou je het te midden van het allesbedekkende wit voor de ingang van een hol kunnen houden waaruit een wezen een norse blik naar buiten werpt, wellicht in de hoop op een prooi die in de lange eenzame wintermaanden als voedsel zou kunnen dienen. Er was in het dal geen grotere hoeve dan die van boer Brenner.’

    Het tweede voorbeeld betreft de kerkelijke inzegening van het huwelijk van twee geliefden. Luzi en Lukas, waarover, zoals de lezer dan inmiddels weet, de schaduw van het noodlot hangt.

    ‘En alles wat er aan vijandigs was verzameld in dit godshuis, in dit koude, duistere, eenzame dal, voelde op dit moment dat het vergeleken met dit geluk klein werd. Dat het – wat de tijd en de menselijke natuur, om het even met welk succes, ook naar voren zouden brengen en ondernemen tegen dit geluk – zich wel moest beperken tot louter verwoesten en vernietigen, tot het eveneens klein maken van de grootheid ervan, omdat het er anders nooit tegen opgewassen zou zijn.

    En daarom was het stil in de kerk toen de lippen van Luzi en Lukas elkaar ten slotte beroerden en liefkoosden – in een kus die zich van alle toeschouwers bewust was en daarom genoegen nam met een kortheid en ingetogenheid die beslist niet overeenstemde met de ware wens van de kussenden. Maar het was ook een kus die wist hoeveel andere nog zouden volgen en waarvan de opgelegde terughoudendheid ook iets uitdagends had omdat de aanwezigen zo zagen hoeveel tederheid en hartstocht al in dit beperkte kader pasten en dat deze kus de belofte van alle latere kussen zonder getuigen als het ware tentoonstelde.’

    Willmanns taalgebruik mag dan poëtisch en evocatief zijn, het heeft soms ook een ietwat ronkend karakter door het veelvuldig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden (bijv. natuurlijke vanzelfsprekendheid, vriendelijke gezindheid, onschuldige welwillendheid). Iets meer terughoudendheid in het gebruik ervan was de leesbaarheid ten goede gekomen. Maar er staat heel veel moois tegenover.

    Thomas Willmann heeft een sublieme roman geschreven over menselijke drijfveren.

     

    Het duistere dal

    Auteur: Thomas  Willmann
    Uit het Duits vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Uitgegeven door: Meridiaan Uitgevers
    Aantal pagina’s: 304
    Prijs: €19,99

  • Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    In de markante verhalenbundel uit 1926 De rijke jongen van F. Scott Fitzgerald passeren tijdloze thema’s de revue in een taalkundig gezien, soms wat verouderd jasje. Ook is het taalgebruik hier en daar wat koloniaal van toon. Dat is terug te zien in woorden als ‘negers’, ‘roetzwarte potige neger’, ‘miniatuurmulat’.
    Fitzgerald schrijft over thema’s als volwassen worden, het bereiken van ‘The American Dream’ en het aangaan van relaties. Maar ook de schaduwzijde van het bestaan komt aan bod in de verschillende verhalen. Zoals het verbreken van relaties, eenzaamheid, verlies en alcoholisme. Dit alles wordt met humor en op een enigszins luchtige en soms spottende manier beschreven.

    In ‘Winterdromen’ droomt Dexter over rijkdom en het hoogst bereikbare. Als 14-jarige caddie ontmoet hij het meisje Miss Jones op de golfbaan samen met haar kindermeisje. Jaren later wanneer hij inmiddels een redelijk succesvol zakenman is met een eigen wasserij, ontmoet hij Miss Jones weer. Ze geniet van het goede leven op Sherry Island een golfresort.
    Positief benadrukt wordt de tegenstelling tussen de selfmade-man Dexter, die zich op eigen kracht opwerkt en de rijkeluisjongens die onverantwoordelijk omgaan met hun erfenissen en aandelen. ‘Om hem heen leurden rijkeluiszonen op een riskante manier met obligaties of investeerden ze op een riskante manier erfenissen of ploeterden ze door de 24 delen van de George Washington Commercial Course, maar Dexter leende duizend dollar op basis van zijn universitaire graad en zijn zelfverzekerde praat en kocht zich in in een wasserij.’

    Ook in ‘Kapers op de kust’ staat de rijkere klasse centraal in de vorm van de verwende en arrogante Ardita. Dit meisje brengt haar dag lui, zonnend door op het dek van de boot van haar oom. Ze wil weglopen met een verkeerde man. Haar familie wil graag dat ze Toby Moreland ontmoet, een jongen uit een gegoede familie. Dan wordt de boot gekaapt door een ‘blanke’ jongen die samen met een groepje donkere, zingende mannen, aan komt roeien. De ironie van dit verhaal is dat het doel van Ardita, namelijk ontsnappen aan het eigen leefmilieu, totaal mislukt.  Dit omdat ze uiteindelijk toch blijft hangen in haar eigen milieu.

    Tegenover deze ‘jeugdige’, redelijk lichtvoetige verhalen, staan de zwaardere verhalen als ‘De rijke jongen’ en ‘Terug naar Babylon’. In ‘De rijke jongen’ staat de gegoede, superieure Anson centraal. ‘Anson accepteerde zonder reserve de wereld van de top van het geldwezen en de extravagantie, van scheiding en verkwisting, van snobisme en privilege. Voor de meesten van ons eindigt het leven als een compromis – zijn leven begón als een compromis.’
    Anson houdt sterk vast aan de normen en waarden uit zijn milieu. Dan wordt hij verliefd op Paula Legrende, en gaat een relatie aan op haar voorwaarden. In het begin minacht hij haar ‘emotionele simplisme’. Maar als de verliefdheid liefde wordt en diepgang brengt, besluiten ze te trouwen.
    Het verhaal kent grote tegenstellingen. Enerzijds heeft Anson een vaderlijke en begripvolle houding ten opzichte van anderen, anderzijds is er zijn grofheid en grillige en ongevoelige gedrag. Maar voor plezier is altijd ruimte. Ansons alcoholmisbruik doet de relatie tussen hem en Paula de das om.

    In ‘Terugkeer naar Babylon’ hoopt Charlie op de hereniging met zijn 9-jarige dochter Honoria in Parijs. Echter zijn schoonzus en zwager zien hier geen heil in. In het verhaal van Fitzgerald kunnen de personages geen begrip meer voor elkaar opbrengen door wederzijdse boosheid en teleurstelling.

    Scott Fitzgerald beschrijft met een scherpe blik voor de menselijke verhoudingen de lotgevallen van zijn personages. Dit alles met enige ironie en een flinke knipoog naar de leefwereld van de rijke klasse in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het levert een boeiende en veelzijdige verhalenbundel op.
    De rijke jongen

    F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Jan Donkers en Jan Fastenau
    Samengesteld door: Ernest van der Kwast
    Uitgeverij Podium
    Pagina’s: 256
    Prijs: € 18,50

     

  • Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    Brievenboek wekt oprechte belangstelling voor eerdere publicaties

    In de onvolprezen reeks Achter het boek, die al sinds 1962 bestaat en lange tijd werd uitgegeven door het Letterkundig Museum, verscheen dit 43ste deel bij uitgeverij Verloren. De briefwisseling tussen de dichters J. Slauerhoff (1898-1936) en Hendrik de Vries (1896-1989) verscheen onder de titel Brieven 1923-1932. Het boek bevat de bewaard gebleven correspondentie tussen Slauerhoff en De Vries van in totaal 49 brieven en briefkaarten: 36 van De Vries en 13 van Slauerhoff. Het moeten er veel meer zijn geweest. In een uitvoerige en solide inleiding bereidt Jan van der Vegt, (biograaf van o.a. Hans Andreus, Jan Elburg, A. Roland Holst), de lezer terdege voor op wat volgt. Van der Vegt gaat in op de correspondentie, de toenmalige literaire tijdschriftcultuur, het belang van de ‘literaire’ vriendschap en uiteraard op figuur, leven en werk van beide dichters en op de ontwikkeling van hun onderlinge contact.

    Van deze beide schrijvers is Slauerhoff natuurlijk de bekendste, niet alleen om zijn proza en poëzie, maar vooral om zijn ‘figuur’: reislustig, met zijn hang naar exotisme en zijn befaamde slordige onverschilligheid, kortom onze eigen poète maudit uit de Hollandse polder. Hendrik de Vries was, zoals ook uit zijn brieven in deze bundel blijkt, als dichter eindeloos ernstiger. Er bestonden tussen Slauerhoff en De Vries nog meer verschillen. Slauerhoff was opgeleid tot geneesheer, had een plezierige studententijd achter de rug in Amsterdam en bereidde zich voor op een carrière als scheepsarts. De Vries had na de lagere school nauwelijks aanvullend onderwijs genoten, woonde met twee volwassen broers bij zijn ouders thuis in Groningen en had een zeer eenvoudig baantje als ‘schrijver’ op het plaatselijke archief. Waarin zij overeenstemden was hun ‘onhollandsheid’ , mogelijk nog versterkt door hun Noordelijke afkomst: Slauerhoff uit Leeuwarden en De Vries uit Groningen.

    Wie in de brieven enige gemeenzame anekdotiek verwacht komt bedrogen uit. Het poëtische soortelijk gewicht van de correspondentie is extreem hoog, wat een eigenaardig soort dichtheid oplevert. Met name De Vries gaat in zijn brieven aan Slauerhoff uitvoerig in op diens poëzie, waarbij onder andere woordkeus, metrum, gebruik van metaforen en sfeer aan de orde komen. Slauerhoff stuurt bijvoorbeeld enkele gedichten min of meer ter beoordeling aan De Vries en deze reageert als volgt:

    De Vliegende Hollander (titel gedicht)  is bijna een varend beest, een nijlpaard of iets dgl. er leeft een zeer wezenlijke glimp van daemonische bovennatuurlijkheid in, een echt brok oerbewustzijn; het klinkt wel zonderling, maar ik geloof dat de smart bij jouw grootendeels de rol speelt die de techniek bij mij heeft. Wil men de vergelijking op redelijker plan brengen, en zeggen dat bij jouw de smart overweegt, bij mij de hartstocht, dan wordt het technisch verschil duidelijk: de smart eischt een soort verwaarloozing, de hartstocht eischt een soort overdrijving.’

    Hierbij frappeert een zekere feitelijkheid.  Even verder, nog zo’n voorbeeld:
    ‘Bestaat het geheele dichterlijke scheppen niet in het actief maken van een behoefte aan een bepaald ‘effect’. Zoolang het voorgesteld effect niet bereikt of behoorlijk benaderd is, noemen wij het werk onaf of mislukt.’

    Behalve over concrete gedichten handelen de (opnieuw: m.n. De Vries’) brieven over het ontstane idee om samen een bundel poëzie te schrijven. Er is ondanks de plannen en grondige voorbereiding niets van terecht gekomen, door ‘moedwil en misverstand’ en ook door praktische bezwaren. De Vries leed aan psychische en seksuele complexen (zo vermeldt de inleiding). Slauerhoff was vaak ziek, verhuisde voortdurend of was dikwijls zo onbereikbaar ver weg op reis, dat de context voor het gezamenlijk produceren van een bundel gedichten verre van ideaal was.

    Naast de poëzie en het gezamenlijk schrijven van een bundel gedichten is ten derde de belangstelling voor de Spaanse cultuur en de Spaanse taal een thema dat veelvuldig in de brieven terugkeert. Voor De Vries was dit min of meer aangeboren, op zichzelf vreemd voor zo’n bescheiden geschoolde en verstokte Groninger. Slauerhoff beschouwde in Spaanse aangelegenheden De Vries min of meer als leidsman en vraagbaak, wat er onder meer toe leidde dat ze – om zich te oefenen – ook enkele brieven hebben gewisseld in het Spaans.

    Bijna aandoenlijk is dat Slauerhoff, in een iets langere brief (eindelijk!), geschreven vanuit de Straat van Formosa op 24 maart 1926, aan De Vries meldt dat zijn brieven de moeite van het bewaren en herlezen waard blijken te zijn: “Je richtte ze zoo in dat ze iets blijvends beteekenen, in tegenstelling met de meeste brieven”. Niet alleen is het jammer dat zovele brieven verloren zijn geraakt, ook de wanverhouding tussen het aantal bewaarde brieven van De Vries en van Slauerhoff vertekent het beeld. Daar komt bij dat Slauerhoffs bewaarde brieven veel korter zijn en ook oppervlakkiger dan die van De Vries … m.a.w. het boek gaat veel meer over De Vries dan over Slauerhoff. Dat is op zichzelf niet erg maar wel  jammer omdat nieuwe bronnen over Slauerhoff schaars zijn en het brievenboek niet veel nieuws toevoegt.

    De indruk die overheerst na lezing van dit boek is verwondering en die geldt vooral de dichter Hendrik de Vries. Waar komt zo’n eigenzinnig en onnederlands dichterschap vandaan, en hoe komt het onder de toch kennelijk zeer ongunstige omstandigheden, zo beslist tot bloei? De bezorger van deze briefwisseling, Jan van der Vegt, heeft ons wat dit betreft op onze wenken bediend: in 1993 voerde hij al de eindredactie over de Verzamelde gedichten van Hendrik de Vries (bijna 2.000 pagina’s!) en in 2006 publiceerde Van der Vegt een biografie van De Vries. Dat deze briefwisseling tussen Slauerhoff en Hendrik de Vries oprechte belangstelling wekt voor die eerdere publicaties, lijkt mij de belangrijkste verdienste ervan.

     

     

  • Op de tast naar liefde

    Op de tast naar liefde

    ‘Op een dag stond een man van gemiddelde lengte op een perron met een heel zware tas in zijn hand. Die man was ik, maar het was niet mijn tas. Die was van een vrouw. En de tas was zwaar omdat er boeken in zaten.’ Zo ontwapenend simpel zet In de trein van de Franse schrijver Christian Oster (1949) in. De twee staan op het perron van Saint Lazare in Parijs te wachten op een trein. Zij met haar zware boekentas op weg naar haar zus, hij naar een verzonnen kennis die als alibi moet dienen. Hij had besloten ‘zich een beetje voor haar te interesseren (…) Bovendien zag ze er leuk uit, in ieder geval best leuk, voor mij dan, ik wil niet beweren dat iedere man iets in haar zou zien, die ambitie heb ik niet. Maar voor mij, ja voor mij kon dit meisje eventueel geschikt zijn.’ Bij het uitstappen besluit hij haar dan ook te volgen en boekt een kamer in het hotel dat hij haar ziet binnengaan. Daarna verliest hij haar even uit het oog, maar vindt haar terug door systematisch alle kamerdeuren uit te proberen. Eenmaal weer in haar gezelschap, moet hij lijdzaam toezien hoe zij zich lijkt te willen geven aan een literaire schrijver. Maar als dat voor haar teleurstellend afloopt, keren zijn kansen. De vertelling is schriel, maar omdat het zich allemaal niet zo vlot ontvouwt kan het uitgroeien tot het formaat van een kleine roman. De namen van de twee, Frank en Anne, krijgen we haast indirect mee, want er wordt bepaald niet scheutig gedaan met stoffering en aankleding van dit verhaal. Het laat meer ruimte aan overwegingen dan aan situatiebeschrijvingen. Maar ondanks of dankzij dat ontspint zich een duidelijk verhaal dat zich traag voortsleept en naar de afloop waarvan je als lezer toch nieuwsgierig bent: blijken ze nu wel of niet voor elkaar bestemd?

    Het boek kenmerkt zich door een perfecte eenheid van stijl en wie zich daardoor laat meeslepen beleeft een even groot leesavontuur als bij een super spannend boek. De stijl is aftastend en schraagt het verhaal. De zinnen zijn wisselend van lengte, maar eenvoudig te volgen en komen voor rekening van de ik-figuur, die zich een even scherpzinnig als subtiel observator betoont. Hij overweegt wat is gezegd en wat onuitgesproken blijft; wikt en weegt zijn handelingen en berekent daarvan de consequenties door. Hier en daar leidt dat tot loepzuivere logica: ’Maar al gauw merkte ik dat het helemaal niet zo makkelijk is je in een kamer te installeren als je geen bagage bij je hebt.’ Of: ‘Een stilte met z’n drieën is zwaarder dan een stilte met z’n tweeën, dat is een kwestie van wiskunde, tenzij je in een wachtkamer zit.’ De zinnen hebben het ritme van iemand die in zichzelf praat. Dichter op de huid van een personage kun je niet raken. Het is geen boek van een man die een vrouw wil scoren. Daarvoor is de hoofdpersoon te zeer een anti-held. De uitkomst van zijn veroveringstocht – als je zijn strategieloze onhandigheid zo mag noemen – blijft lang ongewis en de lezer krijgt met hem te doen. ‘Ik wilde je iets vragen, zei ze. Het enige waar ik bang voor was, was dat ze zou vragen om elkaar niet meer te zien. Al het andere kon ik aan. Ze mocht losbranden.’ Wanneer ze halverwege even uit zicht raakt en weer opduikt, taxeert de ik-figuur de situatie: ‘Ik vroeg me af of we vooruitgang hadden geboekt. Ik dacht van wel. Want tot ziens zeggen betekent nog niet dat je elkaar gaat terugzien, dat niet. Maar je went eraan. Aan het wachten op elkaar, in zekere zin. Aan het elkaar niet geheel verlaten. Zo, dacht ik. We beginnen elkaar al niet helemaal te verlaten, wij twee.’ Of die twee elkaar nu wel of niet gaan krijgen, daar gaat het niet echt om. Althans, dit boek straalt uit dat het daar niet om draait. Dat je het als lezer desalniettemin graag wilt weten, valt het boek in positieve zin aan te rekenen. Wanneer ze inderdaad samen de nacht dreigen door te brengen, staat er: ‘Het is geen slecht begin, bij iemand willen slapen. Het is misschien een begin. Of een einde. Misschien begint ze met mij bij het einde. Is dat bemoedigend voor het vervolg, vroeg ik mij af.’ Oster heeft zijn vinger weten te leggen op de gevoelige materie van de schuchtere toenaderingspoging, het verkennen van de ander als liefdespartner.

    Christian Oster is als auteur in Frankrijk geen onbekende en zijn onderkoelde, niet van droge humor gespeende stijl kan rekenen op een vaste schare bewonderaars. De meeste boeken van Oster zijn uitgegeven bij uitgeverij Minuit, oorspronkelijk een verzetsuitgeverij die naderhand de auteurs van de Nouveau Roman ging uitgeven: Duras, Robbe-Grillet, Sarraute en Butor. Het experimentelere werk dus, waarin de klassieke verhaalstructuur overboord werd gezet, de vertrouwde gedragspatronen gesaboteerd. Niet de verteller legde zijn wereldbeeld op aan het boek, maar de literaire vorm zelf werd onderzoeksinstrument voor de relatie tussen personage en zijn omgeving. De tastende stijl was de weerslag van diens zoektocht naar enig houvast. Hoewel de Nouveau Romanciers onderling in stijl verschilden, kenmerkten hun boeken zich door de consequentheid waarmee een eenmaal gekozen uitgangspunt werd uitgewerkt. In dat opzicht is het niet vreemd dat In de trein in 2002 bij Minuit verscheen. De speelsheid ervan doet ook denken aan het vroege werk van de eveneens bij Minuit ondergebrachte Jean-Philippe Toussaint. Zo subtiel kan experimenteel dus zijn in Franse handen, kan men al lezend denken. Deze stijl nodigt dan ook zeer uit om mee te leven met de ik-figuur. Want deze hoofdpersoon krijgt dermate weinig eigenschappen toegedicht dat iedereen zich ermee kan identificeren. Niettemin is het een verhaal dat volstrekt niet te verfilmen is dankzij zijn stijl. Is dat niet het beste compliment dat je een boek kunt geven?

     

    In de trein

    Auteur: Christian Oster
    Vertaald door: Kiki Coumans
    Verschenen bij: Studio 3005
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: €20,-

  • De moedertaal als paradijs

    Hoe duidelijke wil je het als lezer hebben? De ondertitel Een autobiografische roman zet Ruben Jablonski meteen onontkoombaar neer als het alter ego van Edgar Hilsenrath. En wie de feiten uit het leven van de auteur in zijn achterhoofd heeft vraagt zich tijdens het lezen meerdere malen af waar het romaneske en de fictie dan wel in zit. Daarover straks meer. Maar zo ooit, dan is het nu wel van belang eerst de jeugdervaringen (tot ongeveer zijn 25ste) samen te vatten.

    Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een deceptie. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. Momenteel woont Hilsenrath in Berlijn.

    De eerste roman van Hilsenrath, Nacht, is een beklemmende beschrijving van het leven in het getto van Mogilev-Podolski. Het boek verscheen in 1964 in Duitsland, maar werd daar nogal opzichtig tegengewerkt omdat hij in Joodse ogen een leugenachtig beeld schetste van de houding van de Joden zelf. Een jaar later sloeg het wel aan toen er een Amerikaanse vertaling kwam.

    De belevenissen van Ruben Jablonski uit 1997, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen, is een verslag van zijn jeugd tot en met het schrijven van Nacht, het boek dat voor hem zelf als een verlossing kwam. De Ruben uit de titel is geobsedeerd door de drang dit boek te schrijven. We volgen hem in sneltreinvaart door zijn jonge jaren. We krijgen een indruk van de romantische omgeving die Sereth voor de jongen was en een sober overzicht van het getto waarin hij zich tot een ware overlever ontwikkelt. De grote lijnen in het boek worden gevormd door zijn alsmaar mislukkende pogingen om het gettoleven te beschrijven, zijn onrustige maatschappelijke bestaan (waarin hij het ene baantje na het andere, van bordenwasser tot ziekenhulp, aanpakt en vaak na een paar dagen alweer opgeeft), zijn zoektocht naar een samenleving waarin hij kan geloven en zijn verstoorde verhouding tot vrouwen. Hij kan ze alleen maar zien als seksobjecten en laat ze vallen als ze niet bereid zijn om op zijn commando te neuken.

    Als Ruben na zijn Palestijnse avontuur (de staat Israël wordt in 1948 uitgeroepen, maar juist op dat moment vertrekt hij) in Lyon in het gezin terugkeert frustreert zijn vader zijn verlangen om te schrijven en dwingt hem in de bontindustrie te gaan werken. Ruben vervalt in een diepe depressie, gepaard aan impotentie, waaruit niets hem lijkt te kunnen redden. Tot het beslissende moment waarop hij Arc de Triomphe van Erich Maria Remarque leest. Deze novelle gaat over statenloze vluchtelingen in Parijs vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog; Remarque schreef het tijdens zijn ballingschap in Amerika. Ruben Jablonski schrijft: ‘Voor het eerst had ik gezien hoe iemand in uiterst bondige taal een sfeer neerzette, goede karakters creëerde, razend spannend vertelde en vooral dialogen schreef zoals ik ze nog nooit had gelezen. Dat bracht me op het idee mijn gettoroman ook zo te schrijven.’ Aan boord van De Grasse, het schip dat hem naar de VS brengt, voltooit hij het boek.

    Intussen heeft de lezer in De belevenissen van Ruben Jablonski een amalgaan van politieke discussies geserveerd gekregen, die ook in andere romans van Hilsenrath zijn uitgewerkt: de verwikkelingen in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide (het onderwerp van zijn roman Het sprookje van de laatste gedachte) en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd.

    Maar er is ook iets merkwaardigs aan deze roman voor wie eerder werk van Hilsenrath heeft gelezen. We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de venijnige satire in De nazi en de kapper, het boek dat in Nederland voor zijn definitieve doorbraak zorgde. Deze Belevenissen lijken zonder de geringste literaire ambitie geschreven. Er zitten, vooral als het gaat over de historische achtergrond, bijna naïef te noemen dialogen in en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden afgeraffeld op de manier waarop je vertelt wat je in de supermarkt hebt gekocht.

    Toch zal een dergelijke kale, bijna fantasieloze, verteltrant een bewuste keuze van Hilsenrath zijn geweest, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. Wat past daar beter bij dan de platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven.

    Je krijgt wel de neiging te gaan psychologiseren over de banaliteit van zijn seksleven. Is het een weerslag van de ervaringen in het getto? Is het een voortdurende zucht zijn mannelijkheid te willen bewijzen omdat hij zichzelf eigenlijk een mislukkeling vindt? Is het een soort wraak op de wereld die geen liefde te bieden heeft (de Jodenvervolging, de Armeense genocide, de vernedering van de Palestijnen en de arrogantie van de zionisten)?

    Een mooie conclusie bieden in elk geval de laatste regels van het nawoord van Helmut Braun, een Duitse uitgever en pleitbezorger van Hilsenrath. Ruben Jablonski weet aan boord van De Grasse zeker dat hij zijn boek zal voltooien en zelfs bij welke uitgever het in Amerika zal verschijnen (daarin is deze autobiografie wél fictie, want in feite zal Hilsenrath het boek in Amerika pas afronden). Braun schrijft daarover: ‘En wat een moeizame weg (…) moest Edgar Hilsenrath gaan voor hij aankwam waar Ruben Jablonski overtuigd was te zijn. Heeft Hilsenrath later ooit zijn paradijs gevonden? Ja, alleen niet op een plek op deze aarde, maar in zijn moedertaal, die ook zijn literaire taal is, in het schrijven, in zijn boeken en de respons erop.’

     

     

     

  • Onvervuld verlangen 

    Onvervuld verlangen 

    Te veel is zelden goed. Te veel slaat dood. Zo ook in Godin, held, het boek dat Gustaaf Peek schreef over de liefde tussen Tessa en Marius. Verboden liefde, want beiden hadden officieel een andere relatie, maar werden steeds weer naar elkaar toegetrokken, als vliegen op honing. Hunkerend naar seks en naar elkaar. Seks die overvloedig en expliciet van de pagina’s afspat, maar uiteindelijk niet kan verhullen dat het werkelijke thema van Peek gemis en onbereikbaarheid is.

    Tessa en Marius kennen elkaar sinds hun middelbare schooltijd, waarin ze samen hun eerste voorzichtige seksuele ervaringen opdeden. Als ze elkaar later op een reünie weer tegenkomen blijkt de aantrekkingskracht niet verdwenen. De eerste toenadering is weer net zo schuchter, maar maakt snel plaats voor een volledige wederzijdse overgave.

    Peek vertelt hun liefdesgeschiedenis achterstevoren. Beginnend op de begrafenis van Tessa, 24 jaar nadat Marius was overleden. Om in vijftig hoofdstukken te eindigen bij daar waar het begon: bij het ongeduldig smachten van Tessa naar liefde. ‘De tijd ging haar te traag. Ze wilde ouder worden, een vrouw zijn en eindelijk de wereld betreden waar hij op haar zou wachten.’ ‘Hij mocht meer ervaring hebben, maar het belangrijkste zouden ze samen ontdekken.’

    Dat ontdekken kwam wel goed. Peek beschrijft dat in talloze passages, die niet smakeloos zijn, maar wel uiterst expliciet en voor de lezer onontkoombaar: ‘Alleen mijn held mag in m’n mond spuiten, niemand anders. Niemand anders? Alleen mijn held. Kom maar, lieverd. Spuit maar, ik wil je proeven.’ Of: ‘Hij voelde Tessa’s voeten op zijn billen, zijn uitzicht op haar dreigde hem te ontroeren, hij wilde nog zo veel dichter bij haar zijn, haar geile praat kwam als een opluchting en hij hervond zich en antwoordde haar, ja hij zou haar neuken, hij was nog lang niet klaar met haar, hij had haar ook gemist, hij zou het haar laten  voelen, zijn pik was hard voor haar, was ze zijn vrouw, wilde ze zijn zaad in haar hete kut?’

    Godin, held staat vol met dit soort passages. Je kunt er niet omheen. Als bezegeling van de onontkoombaarheid van de liefde tussen Tessa en Marius, waar ook Paul en Corinne (hun ‘officiële’ partners) niet tussen komen. Een liefde die is, maar tegelijkertijd ook niet. Ze beleven hem in een soort van gedroomde tijd. Ze consumeren voortdurend de liefde zonder elkaar echt te bezitten. Waardoor uiteindelijk niet de veelheid aan seks maar gemis en onbereikbaarheid het centrale thema van Godin, held blijkt te zijn.

    Marius lijkt dat terdege te beseffen en spiegelt dit ook aan de onbereikbaarheid van zijn eigen gestalte vroeger in de spiegel. Het lijkt wel of hij zijn meest intense seksuele ervaringen niet heeft als Tessa bij hem is, maar als hij over haar denkt, droomt of fantaseert. Als hij zich aftrekt op een foto van haar, of in haar meisjeskamer waar hij heeft ingebroken. Of als hij later aan haar denkt en zich kwelt en tegelijkertijd opgeilt met een fantasie over haar onderwerping en vernedering, waarbij meerdere mannen seks met haar hebben: ‘ … in zijn dromen kon ze weer kinderen krijgen en elke man maakte haar zwanger, liet met elke stoot haar buik en borsten zwellen tot hijzelf, schreeuwend, huilend, klaarkwam achter zijn bureau, of in het bed waar hij haar ooit had vastgehouden tot hij sliep.’

    Dat een kind van hen samen een onbereikbaarheid is, is iets dat ook Tessa zich realiseert. Een realiteit die ze tot in het spel doortrekt. Een spel dat ze maar wat te graag speelt. ‘Ze wil het spel doen, zij is een vrouw alleen, vruchtbaar; hij een vreemde die haar verrast. Hij wil dat ze het zegt. “Niet in me. Niet in me spuiten, niet doen. Maak me geen kind.”‘ Een spel dat Marius jaren later zal herhalen, als hij in Padua één dag voor zijn dood een escort-dame naar zijn hotelkamer laat komen. Hij wil dat ze zich Tessa noemt, en dat ze vlak voor dat hij klaarkomt ‘maak me een kind’ tegen hem zou zeggen. Een wens die tijdens de daad zou omslaan. ‘Hij schokte leeg in haar, terwijl zijn hand haar mond bedwong. Niets wilde hij meer horen van zijn verzoek, zijn vergissing, de vuile uitlopers van zijn oude, dode droom.’

    Wat jammer is is dat bij Godin, held alle aandacht voor de vleselijke liefde de andere kanten van menselijke relaties ondersneeuwt. Het gemis en de onbereikbaarheid worden wel aangestipt, maar niet uitgediept. Peek laat ontzettend veel te raden over. Over Marius’ kinderwens. Over Tessa’s verdriet om haar zoon Onno, die om onduidelijke redenen zelfmoord pleegt. Over Corinne en Paul. Over de scheiding van Marius en Corinne; over de scheiding van Tessa en Paul, en over de schijnbare onverbrekelijkheid van Tessa’s en Marius’ officiële relaties. Wat op zich natuurlijk niet erg is; iets van eigen inkleuring mag altijd van een lezer worden verwacht. Maar Godin, held verwacht in dit opzicht wel erg veel. Te veel.

    Om diezelfde lezer aan het einde net als Tessa met een onvervuld gevoel achter te laten. Ze baalt ervan dat ze voor haar laatste dag in dit leven geen uitspatting met een jongen had geregeld. Een jongen een uur lang helemaal voor haar. ‘Voor het laatste een pik, de zachte huid en onrust, al dat leven.’ Maar ook die vervulling was haar niet gegeven. Op 7 september – de dag waarop ook Marius was overleden – stopte haar hart. Ze was ouder geworden en betrad als vrouw een andere wereld waar hij op haar zou wachten.

     

     

  •  ‘Und ewig, ewig sind die weissen Wolken’

    Lea staat op het schellinkje bij de uitvoering van Mahlers Das Lied von der Erde. De tranen biggelen over haar wangen, ze heeft nooit eerder zulke muziek gehoord. Op het hoogtepunt – Und ewig, ewig sind die weissen Wolken. Ewig, ewig – drukt ze zich aan de borst van de man naast zich, die zijn arm om haar heengeslagen heeft. Ze ontmoeten elkaar voor het eerst, de muziek heeft ze in elkaars armen gedreven. Hij is David Goldstaub – componist, liegt hij. Ook Lea liegt – ze is zangeres, zegt ze. Ze nemen een hotelkamer. Na een nacht vol passie vertrekt David in stilte. Hij heeft in Polen een leven vol vernedering en angst achter de rug, voortgejaagd door pogroms en golven van Jodenhaat. Na de ontmoeting met Lea, dit warme, gewillige dier, voelt hij zich bevrijd en neemt hij het lot in eigen hand, hij pleegt zelfmoord. Lea vertrekt naar Duitsland, op zoek naar een betere toekomst. Negen maanden later baart ze een dochter: Manja.

    Anna Gmeyner gaf haar boek – in 1938 voor het eerst verschenen, nu uitgebracht in een nieuwe vertaling – Manja’s naam, met als ondertitel Ein Roman um Fünf Kinder. De vijf kinderen vormen inderdaad het brandpunt, maar om hen heen rukt de barbarij op. Manja speelt zich af in het Berlijn van de jaren twintig en dertig, de Eerste Wereldoorlog is achter de rug, een nieuwe oorlog ligt in het verschiet. Het is een periode van economische malaise, hollende inflatie, opkomend fascisme, smerige rassenhaat, politieke verdwazing en grootscheeps alledaags geweld. De dreiging is voelbaar op iedere pagina; wie het boek destijds gelezen heeft, kan onmogelijk volhouden dat we niet wisten wat er in Duitsland aan de hand was.

    De kinderen, vier jongens en een meisje, zijn allemaal even oud en komen min of meer bij toeval met elkaar in aanraking, omdat ze buren zijn, bij elkaar in de klas zitten, of omdat hun ouders elkaar kennen. Ze komen een paar keer per week samen bij ‘de muur’, de verkruimelde resten van een bouwval op een afgelegen veldje bij de rivier. Er staat een kersenboom, een klimboom, ze maken een hol en houden er een konijntje. Karli mijmert over ‘zijn Manja’: Ze waren in hetzelfde ziekenhuis geboren, bijna op dezelfde dag. Hij had haar gevonden en de muur ook en die had hen bij elkaar gebracht, hij had Franz de muur laten zien en Franz aan Harry en Harry aan Heini, en zo waren ze vrienden geworden, door Manja en de muur. Manja is het licht in hun leven, de jongens willen later allemaal met haar trouwen, desnoods in groepsverband: Met Manja waren ze levend en kleurig geworden als een prentenboek, vol avonturen, vreugde, spanning en spel. Iets in het leven om je op te verheugen, blijdschap die sterker was dan de angst. 

    De muur is het weerkerende rustpunt in een stad die met de dag grimmiger wordt, de schrijfster laat het zien aan de hand van wat er op school en op straat gebeurt, maar ook in gewone Duitse gezinnen: het gezin van een arts, oorlogsprofiteur, fanatieke nazi, schoonmaakster, vakbondsman. Het gaat om meelopers, verzetsmensen, moreel bevlogen intellectuelen, wereldvreemde dwarsliggers, angstige conformisten. De kinderen proberen de ‘nieuwe tijd’ te verwerken als ze elkaar bij de muur ontmoeten. Heini houdt Manja voor dat ze later zullen trouwen. Dat kan toch helemaal niet, Heini, er komt een wet tegen… hoe heet het ook alweer? Ze bedoelt ‘rassenschande’. Heini: Volgens mijn vader is dat allemaal gezwets. Manja: Maar als we kinderen krijgen hebben die kromme benen en zijn ze idioot. Ik ben van een … van een voor-Aziatisch-oriëntaals, Oost-Baltisch, Midden-Aziatisch, Noord-chamitisch mengras van Afrikaanse stammen. 

    De muur geeft het boek structuur. Het schijnt dat Gmeyner ook in ander werk zo’n soort procedé heeft toegepast – het is de invloed van theater en film waar ze als beginnend schrijfster nauw bij betrokken was. Het biedt de mogelijkheid om haar scènes snel te monteren, wat het boek vaart en spanning geeft. Ze schrijft fraaie, levensechte dialogen, maar heeft meer in huis. Haar analyse van de maatschappelijke constellatie is trefzeker en overtuigend. Ze is geen verteller op de achtergrond, maar laat haar personages aan het woord om uit te leggen wat er gaande is. Zoals de arts Heidemann, ongetwijfeld haar favoriete spreekbuis. Hij bekijkt het portret van Hitler dat hij zojuist van de muur gerukt heeft in zijn ziekenhuis. Een kortzichtige fanaticus. De held van de kleine man. De held van de middelmatigen. Er zijn niet alleen maar onbeschaafde ruwe mensen onder zijn aanhangers, niet alleen furies; er zijn ook wanhopige mensen, enthousiaste mensen, hongerige mensen, die het wachten meer dan beu zijn, jongeren wie een toekomst is beloofd. De beschrijving van geweld is nooit larmoyant, daardoor aangrijpend en effectief. Niemand vraagt wat er in deze nacht in alle straten, in alle hoeken en afgelegen bossen van het hele land gebeurt. Het is een wetteloze nacht. Er worden geen misdaden gepleegd omdat er geen aanklagers zijn. Er worden geen gruweldaden gepleegd omdat niemand verantwoording vraagt. Niemand hoort iets, niemand ziet iets. De nacht stopt zijn oren dicht. De nacht doet net alsof hij niets ziet in het donker. Het wordt niet ochtend. Het wordt niet licht. Het wordt niet dag. 

    Manja, indrukwekkend boek. Gmeyner laat alle centrale kwesties zien die na de oorlog de gemoederen heftig zullen beroeren – wat is beschaving?, zijn er ook goede Duitsers?, hoe rijm je de Duitse cultuur met de Duitse moordzucht en rassenwaan?, moet je fysiek of juist intellectueel verzet plegen?, hoe schuldig zijn we als we niets doen? Niet als traktaat, maar als vanzelfsprekende vragen, je moet ze wel stellen in het licht van de gebeurtenissen. Ze heeft overigens niet altijd een antwoord klaar. In het nawoord bij de vertaling, geschreven door Heike Klapdor, wordt geopperd dat Manja een ‘vrouwenboek’ zou zijn, vanwege de onderlinge solidariteit van de vrouwen die in conflict komen met hun mannen en met de staatspropaganda. Vrouwen als slachtoffer dus, onderworpen aan hun mannen die door de straten marcheren en joden opjagen. Onzin! Gmeyner voert inderdaad diverse mannen ten tonele als laffe pestkoppen, leugenaars, domme sadisten, maar haar vrouwen doen er niet voor onder –conciërge Frau Reuter, hoofdzuster Mathilde of Frieda Meissner, moeder van vriendje Franz, bezorgen je stuk voor stuk nachtmerries.

    Manja is ondanks de titel ook geen opwekkend kinderboek. In de liefdesnacht van Lea en David is Manja’s lot getekend. De solidariteit van de muur wordt uiteindelijk doorbroken als één van de jongens jeugdcrimineel Martin in het gezelschap introduceert. De gevolgen laten zich raden, Manja wordt sindsdien genadeloos achtervolgd en aangerand. Ze volgt tenslotte het voorbeeld van haar vader. Zelfmoord.


    Manja
    De vriendschap van vijf kinderen

    Auteur: Anna Gmeyner
    Vertaald door: Jantsje Post
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 480
    Prijs: € 26,90

    Oorspronkelijke titel: Manja. Ein Roman um Fünf Kinder. (1938)