Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Houellebecqs economisch mensbeeld

    Bernard Maris, kritisch econoom, hoogleraar en journalist, had een economische column in het satirische weekblad Charlie Hebdo. Bij de aanslag op 7 januari van dit jaar op de redactie van dit blad is hij omgekomen. Hij was een bewonderaar van Keynes en Marx en van Michel Houellebecq; en een scherp criticus van het huidige economisch systeem en de ‘wetenschappelijke’ basis die daaraan ten grondslag ligt.

    In Economie is geen wetenschap, zijn laatste boek, bespreekt hij de plaats van de economie in de huidige maatschappij aan de hand van het werk van Michel Houellebecq en een aantal vooraanstaande economen.

    Aanleiding voor het boek is de opvatting van Maris dat de economen veel kunnen leren van Houellebecq. ‘Economie reduceert de duizend-en-een poëtische aspecten van het leven tot twee dimensies: geld op de x-as en rationaliteit op de y-as, een totaal vlakke wereld.’ Economen proberen het leven te ontdoen van liefde, begeerte, geluk, geweld, angst, kortom te ontdoen van emoties, uit naam van de rationaliteit van het menselijk handelen. Houellebecq daarentegen benadrukt juist het belang van emoties. Hij voorspelt in zijn werk dat de economie de samenleving fataal wordt en daarom is het een goede zaak om de economie te ontmaskeren en het gevaar voor de maatschappij bloot te leggen. In plaats van louter economische criteria te hanteren, is de maatschappij meer gebaat bij de redenen die Houellebecq geeft om te leven, of beter te overleven: liefde en goedheid. Volgens Maris zouden alle economen Houellebecq moeten lezen voor de manier waarop hij het economisch gedachtegoed ontzenuwt. Waar de homo economicus rationeel is, is de mens dat bij Houellebecq allerminst. Waar de econoom het utilitaristische van de mens benadrukt, staan bij Houellebecq het nut en de nutteloosheid centraal.

    In vijf korte hoofdstukken veegt Maris in scherpe bewoordingen de vloer aan met de economie zoals die heden ten dage wordt toegepast. Elk hoofdstuk is gewijd aan een belangrijk adagium van de economie, zoals de heerschappij van het individu, de rationaliteit van het menselijk handelen, de werking van vraag en aanbod, het ondernemen en het concurreren, het onderscheid tussen het economisch nuttige en nutteloze, en het kapitalisme als systeem.

    Aan al deze thema’s koppelt hij boeken van Houellebecq, zoals De kaart en het gebied (over creatieve vernietiging, een geliefd concept van de econoom Schumpeter), De wereld als markt en strijd (over concurrentiestrijd), Elementaire deeltjes (over consumentisme), Platform (over het nuttige en nutteloze), De mogelijkheid van een eiland (over een post-kapitalistische maatschappij).

    Maris bespreekt het werk van Houellebecq aan de hand van het gedachtegoed van de economen Marshall, Schumpeter, Keynes, Marx, Fourier, Malthus. Hij zoekt aansluiting bij Houellebecq omdat die eenzelfde kritische positie inneemt als hijzelf. Beide vinden dat de moderne economische praktijk onder ethisch toezicht moet worden geplaatst vanwege het verwerpelijke mensbeeld dat aan de economische wetenschap ten grondslag ligt en de grote sociale uitwassen (zoals sociale ongelijkheid, armoede) die daarvan in de praktijk het gevolg zijn.

    Maris slaagt er evenwel niet in om in ieder hoofdstuk de relatie tussen Houellebecqs opvatting en die van de desbetreffende econoom uiteen te zetten. Op de titelpagina van elk hoofdstuk wordt de desbetreffende econoom expliciet genoemd, alleen wordt zijn gedachtegoed in het ene hoofdstuk nauwelijks behandeld, in een ander helemaal niet en in weer een ander wordt alleen gezegd dat hij de uitvinder van een concept is, zoals bijvoorbeeld Schumpeter en de creatieve vernietiging. Het behandelen van deze economen op deze ongelijksoortige wijze doet wat gekunsteld aan.

    In zijn taalgebruik lijkt hij op Houellebecq: scherpe bewoordingen en vileine vergelijkingen geven dit boek het karakter van een schotschrift. Zo schrijft hij: ‘In werkelijkheid is de wereld van de economie er een van haat en geniepige, achterbakse, keiharde klappen, van langzame en heimelijke, vaak onzichtbare, soms dodelijke, altijd verminkende folteringen’.

    En in zijn ogen is de economie nog erger dan de religie: ‘Economie is geen vage ideologie, maar juist een heel precieze, verdorven, schadelijke – erger dan godsdiensten ooit zijn geweest. (…) Na het christendom kwam de wetenschap en vervolgens de economie, die een terugkeer betekende naar de ergste vorm van religie, namelijk de gerationaliseerde religie.’

    Hoewel Maris zelf schrijft dat het boek bedoeld is als een knipoog, wordt de economie met veel verbaal geweld bij het grofvuil gezet. Leuk om te lezen, maar doorslaand in de boodschap die het wil uitdragen. De ordening en de manier waarop hij het uitwerkt in de relatie met het werk van Houellebecq is wel origineel.

     

  • Gevat, dwars en origineel

    Gevat, dwars en origineel

    Je kunt je afvragen of het waar is, dat ‘Karel van het Reve nog steeds de meest geciteerde en bewonderde essayist van het land is’, zoals zoon David, samensteller van de keuze uit zijn korte stukken in zijn Vooraf daartoe beweert. En Rudy Kousbroek dan? Dit neemt niet weg dat je het werk van Karel van het Reve/Henk Broekhuis (pseudoniem) ook gunt in de handen van de ‘potentiële lezers die zijn reputatie (gevat, dwars, origineel, en hij had meestal nog gelijk ook) alleen van horen zeggen kennen’.

    Voor de onderwerpen hoef je het niet altijd te doen. Thema’s die als bekend worden verondersteld, en dat soms niet meer zijn, komen nu gedateerd over. Kees Fens is bijvoorbeeld niet vergeten, integendeel, en de Gijsbrecht van Aemstel van Vondel wordt weer opgevoerd. Maar er zijn uitzonderingen, en die maken het boek lezenswaard. Bijvoorbeeld het stuk over hoe een tekst van de op het moment van schrijven nog onbekende Andrej Sacharov in een Nederlandse krant terecht kwam (in: Het Parool, 21 oktober 1975). Of het mooie portret over schaker Max Euwe. En, voor veel naoorlogse lezers misschien een eye opener: hoe het dagelijks leven in de Tweede Wereldoorlog gewoon doorging en de auteur Sinterklaasinkopen deed in de Bijenkorf.

    Waar je dit boek ook om wilt lezen, is de schrijf- en denkstijl van de auteur. Voor zo’n ontroerende zin over Karel, een Kominternagent die bij de Van het Reves over de vloer kwam en in de Tweede Wereldoorlog is onthoofd: ‘Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’. Of voor de rode lijnen die in de stukken zitten. Van het Reve heeft het over het gelaat van de werkelijkheid te willen zien, het ongeloof in het onwerkelijke van misdaadseries op de televisie, het niet de indruk hebben dat wat de evangelist in Bachs Matthäus Passion vertelt echt is gebeurd, terwijl je bij Händels ‘The trumpet shall sound’ uit de Messiah de indruk krijgt ‘dat het recht en de waarheid zullen zegevieren, en dat je vrienden uit het kamp zullen terugkeren – zelfs al is de een al in 1945 doodgegaan en zit de ander tienduizend kilometer hiervandaan’.
    Een rode lijn die je ook tegenkomt in de beschrijving van Willinks realistische en ‘tegelijk een beetje griezelige’ schilderijen die hoger geacht zouden moeten worden dan die van ‘kunstenaars die een doek van twee bij drie meter mooi egaal blauw kunnen schilderen’.

    Zo kan elke lezer een ‘eigen’ rode draad terugvinden die hem/haar opvalt en aanspreekt. En zo kan ook elke lezer meningen vinden waar hij/zij het niet mee eens is. Twee voorbeelden. Kunst zou iets zijn ‘wat op de consument is afgestemd’. Dacht het niet. Lang niet altijd in ieder geval. Boerenromans worden volgens Van het Reve ‘door bepaalde dames geschreven’ (id.), terwijl hij het elders vol waardering over de boeken van Stijn Streuvels heeft (p. 91). En je kan toch niet beweren dat daar geen boeren in voor komen …

    Toch is het niet allemaal zware kost die wordt opgediend. Vermakelijk is het dooremmeren over het feit dat Neelie Kroes zich in een interview van Ischa Meijer met haar toenmalige echtgenoot, burgemeester Bram Peper van Rotterdam in het gesprek mengde en tot twee maal toe sprak over Tintoretti (i.p.v. Tintoretto). En toch schaamt Van het Reve er zich niet voor een jongen uit het volk te zijn. Hij lijkt er zelfs een beetje mee te koketteren, door de naam van het hotel in Wageningen waar de Duitsers capituleerden te zijn vergeten, en door de namen van de twee vrienden in Shakespeares Hamlet te verbasteren tot Halberstadt en Finkelstein. Of is er een diepere reden, zoals hij in zijn stuk ‘Afscheid’ schrijft: ‘Ik kan die naam natuurlijk opzoeken in een encyclopedie, maar dat wil ik niet’ (p. 199)? Om niet te hoeven erkennen dat zijn geheugen hem in de steek laat. Hij besluit genoemd stuk met een dubbele bodem: ‘Ik zink weg in een poel van vergetelheid’.

    Maar dat doen zijn ‘kortere stukken’ niet. Daar heeft zijn zoon voor gezorgd. En Uitgeverij Van Oorschot. Het is nu aan de lezers van latere generaties om zich te laten pakken door die soms gedateerde maar in ieder geval gevatte, dwarse en originele stukken.

     

     

     

  • Coetzee ontleed tot op de millimeter

    Coetzee ontleed tot op de millimeter

    Het universum van J.M. Coetzee, van David Attwell, is een doorwrocht werk dat het vergrootglas legt op de romans van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee (75). Maar het zullen waarschijnlijk alleen de superfans van de Zuid-Afrikaanse schrijver zijn, en een handvol studenten literatuurwetenschap, die de goed verzorgde uitgave op waarde zullen weten te schatten.

    Coetzee laat de analyses van zijn werk graag aan anderen over. De schrijver van bekroonde romans als Wereld & wandel van Michael K (1983) en In ongenade (1999) staat niet bekend als een schrijver die zijn literaire programma graag verklaart of uit de doeken doet hoe zijn romans zijn ontstaan. Daar staat tegenover dat hij er geen moeite mee heeft om anderen toegang te verschaffen tot zijn rijke archief. Hij heeft in ieder geval zijn landgenoot David Attwell (1959), ooit een student van hem, de sleutel gegeven en Attwell heeft uitgebreid gegrasduind in de archiefdozen.

    Het resultaat is een serie analyses van Coetzee’s romans die beschrijven hoe de werken tot stand zijn gekomen. Coetzee heeft zelf literatuur onderwezen op universiteiten in Zuid-Afrika en de VS en weet dus als geen ander hoe waardevol het is als een schrijver niets weggooit, ook de mislukte probeersels bewaart. Dat heeft hij zelf ook gedaan. Attwell heeft dagboeken mogen lezen en manuscripten. Van sommige romans heeft Coetzee wel vijftien eerdere versies overgeleverd; in een archief van de universiteit van Texas worden ze bewaard. Het moet een rijke bron zijn geweest waaruit Attwell heeft kunnen putten.

    Meer nog dan we konden vermoeden, blijken de romans van Coetzee afspiegelingen te zijn van zijn persoonlijke leven en zijn verhouding tot zijn vaderland. Dat geldt met name voor de recente geschiedenis van Zuid-Afrika. In ongenade bijvoorbeeld, de met de Bookerprijs bekroonde roman, beschrijft niet alleen de neergang van een cynische professor die wordt ontslagen na een affaire met een studente. Volgens Attwell ademt de roman ook uit hoe in die eerste jaren na het afschaffen van de Apartheid, begin jaren negentig, de nieuwe politiek voelbaar werd in de universitaire wereld. Politieke kortetermijndoelen werden boven academische belangen gesteld, schrijft Attwell. Daarin moeten we de werkelijke reden van het ontslag van de professor zien, die immers niet met een blanke, maar met een kleurlingenmeisje had aangepapt. Politieke correctheid en dus niet moraliteit vormde de drijfveer van het universiteitsbestuur om de prof te ontslaan. Coetzee stelt die veranderingen in In ongenade aan de kaak. De alom bejubelde manier waarop het nieuwe Zuid-Afrika het rauwe verleden verwerkte – door het instellen van een Waarheids- en Verzoeningscommissie – was voor Coetzee niets anders dan machtsvertoon van de bewindvoerders, aldus Attwell.

    Zelden krijg je de ontstaansgeschiedenis van belangrijke romans zo op een dienblad geserveerd als Attwell hier doet. Dan moet je die romans wel eerst gelezen hebben. Dat is geen straf want Coetzee’s romans zijn stuk voor stuk de moeite waard. De vraag blijft gerechtvaardigd: wat hebben we aan die doorwrochte analyses achteraf? Moet lezing van het primaire werk zelf niet de voldoening geven?

     

     

  • Een stromende rivier als trap

    Een stromende rivier als trap

    In haar debuutbundel Trappen duikt Sebastiene Postma met een serie verhalende gedichten de Engelse poëzie en romantiek in. De veertig verzen vormen een doorlopende reeks biografische schetsen van literaire grootheden die met een haast anekdotische pennenstreek worden neergezet. Een poëtische roddelrubriek waarbij elke eerste strofe van een vers een allusie op een van de aangehaalde grootheden weergeeft. De tweede strofe vormt meestal een vrije beschouwing op de eerste en in het derde deel – een tweeregelige afsluiting – wordt getracht een conclusie te omvatten.

     

    Deze trapsgewijze opbouw van de verzen is de eerste zichtbare verwijzing naar de titel van deze bundel. Alle gedichten bevatten een aantal verwijzingen naar het begrip ‘trap’, in meerdere betekenissen. Postma heeft het over opgaande en neerdalende traptreden, over de balustrade en de traploper, trapleer en ladder. Ook legt ze verbindingen met een trap als lijkbaar, graf, schop, strop of val. Op veelal raadselachtige wijze verweeft ze deze associaties in het gedicht waarin een auteur de hoofdrol speelt. Het lijkt een wat gekunstelde constructie waardoor de lezer zich vooral niet moet laten afschrikken. Hier geldt het algemene adagium van de poëzie: kleine beetjes tegelijk, niet te veel, niet te snel.

    In gedicht III wordt de tragische teloorgang van John Keats aangehaald met de beginregels:

    Zelfs toen zijn longen volledig waren
    weggerot en hij niet meer kon eten of rechtop staan,
    probeerde hij nog omhoog te kruipen.
    De huid op zijn knieën was allang vergaan.
    Wit bot schuurde over het marmer.

    De doodzieke dichter komt in Rome niet meer op krachten en sterft uiteindelijk aan tuberculose. Voor Postma is de voorstelling eenvoudig te verwerken in de telkens terugkerende trapmetafoor:

    Uiteindelijk lag Keats verslagen
    onder aan de Spaanse Trappen in Rome.
    Hij zag hoe trapbomen langs hem heen
    bogen en verder cirkelden naar boven en beneden.

    Als in een golvende zee wordt Keats door traptreden bedolven en ‘alles werd in de wervel meegesleurd’. Met de tweeregelige afmaker draait Postma het perspectief om, door te benadrukken dat Keats tot op het laatst in zijn eigen wereld leefde: ‘Die mixed metaphor daarbuiten maakte hém/ niet bang’.

    Het zijn vooral die droge vaststellingen waarmee Sebastiene Postma haar gedichten laat vibreren. Alsof ze na veel speurwerk een geheime onthulling doet, die vervolgens omgeeft met vermoedens en associaties om er tenslotte haar eigen visie op los te laten. Die persoonlijke beschouwing wordt in kleine, nuchtere regeltjes geplaatst. Als het cement tussen feiten, aannames en allusies worden die, op hun beurt, weer verpakt in mysterieuze verwijzingen naar alles wat met de trap te maken heeft. Over T. S. Eliot doet ze het volgende boekje open:

    Onbegrijpelijk toch, vind je niet,
    dat Eliot, die altijd een masker droeg, altijd speelde,
    die emotioneel niet te benaderen was
    en die zich bewust was van de gevolgen
    van elke daad die hij verrichte,
    op zijn achtenzestigste
    zich gaat gedragen alsof hij voor het eerst
    verliefd is. Niemand geloofde het.

    Waarna ze vervolgt met een beschrijving van een stromende rivier, vermomd als trap, die door het landschap kronkelt: ‘De trap is een sterke, bruine god’. In de finale wordt opnieuw de vraag gesteld hoe het nu zat met de viriele Eliot: ‘Het is een onveranderlijke, roerloze woestijn./ Niet? Kunnen we niet bloeien én verdorren?’

    Gedicht VIII begint met de simpele vaststelling ‘Sylvia Plath was ongeliefd’ en de kleine anekdote hoe Plath razend werd ‘toen ze ontdekte dat een vriendin met potlood in haar boeken had geschreven’ (‘De kanttekeningen randden Plaths boeken aan’). Dan brengt Postma de trapmetafoor in met de regels ‘Sommigen kunnen hun voeten niet/ netjes op de regels van de tekst zetten/ en zo naar de laatste bladzijde klimmen’. Om tenslotte af te sluiten met de ontroerende conclusie:

    Was er maar geen witte rand.
    Was het hele vel maar gevuld.

    ‘Wat nou weer?’ begint gedicht IX, over war poet Wilfred Owen. Met de bezwering dat voor deze dichter de poëzie geen troost is, maar vooral een waarschuwing, tekent Postma het omgeploegde WOI-slagveld van bovenaf:

    Het zigzagpatroon van de trappen
    is alleen vanuit de lucht duidelijk
    waar te nemen. Het ene hoekige
    stelsel ligt achter het andere.

    Tijdens het bouwen van een drijvende brug over een kanaal wordt Owen, evenals de meeste van zijn kameraden, gedood bij een vijandelijke aanval. ‘Sommigen blijven in de modder/ nog nakronkelen als wormen.’

    Postma weet met deze petit histoires op een ontwapenende manier haar onderwerpen met een vleug persoonlijk drama te omringen. Als de presentator van een entertainmentshow komt ze doorlopend met feiten en weetjes die in één beweging haar hoofdpersoon neerzet. Ze rept onder meer over Mary Lamb die per ongeluk haar moeder vermoordt, Walt Withman die als prophet-poet ogen in zijn achterhoofd lijkt te hebben, Leigh Hunt die in de gevangenis belandt vanwege kritiek op de overheid, de overspelige vrouw van William Morris en de hoogvlieger Byron. Telkens worden deze revelaties gevolgd door een verwonderlijke samensmelting met de trap. Het stijgen tot grote hoogte en afdalen in diepe ellende. Of het nu gaat om de verbinding tussen de verdiepingen of de ondersteuning van de balustrade, de metafoor is tot het uiterste op te rekken en Postma weet daar op een verbluffende wijze poëzie van te maken.

     

     

     

     

  • Gruwelen in schoonheid

    Gruwelen in schoonheid

    Lucky Luke komt fluitend de saloon uit, steekt zijn pistolen in hun holsters en laat een kluitje gehavende boevenlichamen achter. Jolly Jumper keuvelt gezellig met een ander paard. Indianen zitten vreedzaam naast hun wigwam een pijpje te roken. De postkoets bereikt ongeschonden zijn bestemming, schedels en skeletten liggen decoratief in de woestijn. De Daltons worden opgepakt, het recht zegeviert en de lonesome cowboy rijdt zijn volgende avontuur tegemoet.
    Tot zover de vrolijke versie van de geschiedenis van het wilde westen.

    Nu de meer realistische: Premiejagers op jacht naar indianenscalpen. Doorgesneden kelen. Kapotgeschoten en in brand gestoken dorpen. Indianenhoofden op een stok die als trofee een stadje worden ingedragen. Babylijkjes in een boom. In de woestijn achtergelaten stervende mensen en dieren. Gieren met gespreide vleugels op lijken. Pakezeltjes die over de rand van een afgrond worden geduwd, een nog rondlopende berijder wordt neergeknald. Menselijke oren worden aan een snoer om de nek gedragen. Verzengende woestijnhitte, onbegaanbare bergen, rauw gereden paarden, honger, waanzin, bloed, marteling, moord. Het enige wat in perfecte staat verkeert zijn de pistolen en geweren. En het landschap.

    Dit zijn zo’n beetje de ingrediënten waarmee Cormac McCarthy in Meridiaan van Bloed (1985) de barbaarse werkelijkheid van de wildwestgeschiedenis in het grensgebied van Mexico en de VS beschrijft. De wetteloosheid tiert nog welig in het strijdende pandemonium van elkaar vijandig gezinde Amerikanen, Mexicanen en indianen. Het boek zou louter hard en wreed zijn geweest als de schrijver het niet allemaal zo prachtig had opgeschreven.

    Het grootste deel van het verhaal beslaat het jaar 1849 als de dan zestienjarige hoofdpersoon ‘de jongen’ terechtkomt bij een groep premiejagers die onder leiding van kapitein Glanton en ‘rechter’ Holden vanuit Chihuahua op zoek gaat naar Apachen en andere indianen, meestal aangeduid als ‘de wilden’. Doel is hen te doden en met de scalp als bewijs de afgesproken premie te innen. ‘Pak even ons bewijsje. De man trok een vilmes uit zijn riem, stapte naar de oude vrouw, greep haar bij de haren, draaide ze om zijn pols, haalde het mes over haar schedel en rukte de scalp eraf.’ (McCarthy gebruikt geen aanhalingstekens.) Later, als er geen premie meer op te strijken valt, verworden de mannen tot zielloze moordenaars, tot dolenden zonder bestemming in een schitterend maar meedogenloos landschap waar het ieder voor zich is.

    De rechter – niemand weet hoe hij aan die bijnaam komt – is een intrigerende, haast mythische figuur. Hij is groot, roze, kaal, oersterk, heeft wimpers noch wenkbrauwen, weet alles, kan zelfs goochelen en slaapt nooit. Hij spreekt Europese talen, heeft kennis van geschiedenis en recht en doet aan paleontologie. In een schetsboek tekent hij planten, stenen en botten na, bij ontmoetingen met andere groepen neemt hij het woord en oorlog lijkt hij te verheerlijken. ‘Voor de mens er was, lag de oorlog al op hem te wachten. Het hoogste ambacht wachtte op zijn hoogste beoefenaar. Zo is het geweest en zo zal het zijn.’

    Onderkoeld en met schijnbare objectiviteit beschrijft McCarthy de meest bloederige taferelen en even gedetailleerd beschrijft hij wapens, woestijnen en bergen. Ondanks de rauwheid levert dat prachtige passages op. Nadat een man het hoofd is afgemaaid, lezen we: ‘Twee dikke en twee dunne stralen bloed rezen als slangen uit de stomp van de hals op en spoten sissend in het vuur. Het hoofd rolde naar links en kwam tot rust aan de voeten van de ex-priester, waar het met grote ogen van ontzetting bleef liggen. Tobin rukte zijn voet weg, stond op en week achteruit. Het vuur dampte en walmde; er steeg een grauwe wolk op en de bogen van bloed zakten langzaam ineen, tot alleen de halsslagader nog wat borrelde en algauw kwam ook die tot rust. Hij zat nog als tevoren, maar nu zonder hoofd en doorweekt van het bloed, het sigaartje nog tussen zijn vingers, vooroverleunend naar de donkere, dampende grot in de vlammen waar zijn leven was verdwenen.’

    Hoe huiveringwekkend ook, alle nadruk leggen op de gruwelen doet het boek geen recht. Er zit ook filosofie en humor in, verwoord in poëtische taal. Die is niet altijd even gemakkelijk te doorgronden maar beslist de moeite waard om een paar keer te herlezen. ‘Ze trokken door het hoogland dieper de bergen in, waar de stormen hun holen hadden, een gebied van vuur en daverend geweld, waar witte vlammen over de toppen renden en de grond de brandlucht van gebroken vuursteen had.’ Af en toe schiet een formulering wat door (‘het katoenen oog van de maan […] in de keel van de bergen’) en sommige zinnen worden zelfs cryptisch. Maar dat valt in het niet bij de schoonheid van McCarthy’s woorden.

    In filosofische discussies geeft de rechter op alles zijn visie. ‘De waarheid omtrent de wereld, zei hij, is dat alles mogelijk is. Als je het niet allemaal vanaf je geboorte had gezien en het daardoor van zijn vreemdheid had beroofd, zou je het kunnen ervaren zoals het werkelijk is.’ […] ‘Het heelal is geen afgebakende ruimte en de orde erin wordt niet begrensd door enige speelruimte.’ […] ‘Zelfs in onze eigen wereld bestaan er meer dingen buiten ons weten dan erbinnen, en de orde die je in de schepping ziet is de orde die je er zelf hebt in gestopt.’ En in iedere man, in iedere gebeurtenis die McCarthy beschrijft komt de existentiële eenzaamheid van de mens tot uitdrukking.

    Geleidelijk wordt de groep scalpenjagers uitgedund. Uiteindelijk blijven de jongen en de rechter over. In het laatste hoofdstuk van het boek is de jongen vijfenveertig en voor de derde maal ontstaat er een confronterende situatie tussen hem en de rechter. Waarom, blijft ongewis. Mogelijk wil McCarthy hier iets van een tegenstelling laten zien: de analfabete zwervende jongen/man die tijdens gevechten en slachtpartijen toch nog iets van consideratie toont, versus de alleswetende, nietsontziende rechter, de onkwetsbare overlever. Een ‘schuifelende mutant’, noemt McCarthy hem ergens.

    Met El Paso als domicilie, heeft McCarthy zich goed gedocumenteerd. Voor zijn onderzoek leerde hij Spaans en alle plaatsen die hij beschrijft heeft hij bezocht. En passant neemt hij tegen het einde van het boek ook de uitroeiing van de bizons door de Amerikanen nog even mee: ‘Twee jaar geleden vertrokken we uit Griffin voor een laatste jachtpartij,’ vertelt een jager. ‘We kamden het hele land uit. Zes weken lang. Op ’t laatst vonden we een kudde van acht beesten. We schoten ze allemaal af en gingen naar huis. Ze zijn weg. Elke bizon die God ooit geschapen heeft is verdwenen, alsof ze nooit hebben bestaan.’

    Dit soort kille feiten uit Amerika’s geschiedenis stemmen tot nadenken en maken McCarthy ook om deze reden tot een intrigerende schrijver. Outcasts, eenzaamheid en geweld zijn nooit ver weg in zijn nihilistische universum. In een van de zeldzame interviews die hij toestond zegt hij: ‘Ik denk dat het idee dat de mens op een bepaalde manier kan worden verbeterd, dat iedereen in harmonie kan leven, echt een gevaarlijk idee is. Degenen die dit denken zijn de eersten die hun ziel en hun vrijheid opgeven.’ (New York Times, 1992) Indachtig deze uitspraak en McCarthy’s boeken hoeven we ons over het verschijnsel mens geen illusies te maken. Wie Meridiaan van bloed heeft gelezen kijkt voortaan met andere ogen naar Lucky Luke.

     

    [bedelbrief]

  • Een zelfhulpboek uit het jaar nul

    Marcus Aurelius was heerser over het Romeinse rijk van 161 tot 180 na Christus. Hij ging de geschiedenis in als de keizer-filosoof, omdat hij stoïcijnse diepzinnigheden optekende en brieven vol wijsheid wisselde met zijn vrienden. Onlangs verscheen de 12e druk van zijn Persoonlijke notities, uit het Grieks vertaald en toegelicht door Simone Mooij-Valk. Dankzij de buitengewoon informatieve inleiding en toelichting kun je je verplaatsen in het denken en voelen van een Romeins keizer van tweeduizend jaar geleden. De vraag is: wat heeft die ons te melden?

    Hij schreef voor één lezer en dat was hij zelf. Letterlijk heette zijn boek De tot zichzelf gerichte dingen, of zoals J.H. Leopold een dikke eeuw geleden trefzeker schreef: ‘Marcus Aurelius tot zich zelven’. De Persoonlijke notities bestaan uit twaalf ‘boeken’ van tussen de 8 en 15 pagina’s met korte notities. Daarin spreekt de auteur zichzelf vermanend, bemoedigend en bespiegelend toe, om zichzelf op het spoor te houden van de enige echte Stoïcijnse leer. Die Grieks-Romeinse filosofie (onder meer overgeleverd in fragmenten van Zeno, het zakboekje van Epictetus en de Brieven van Seneca) leert dat de mens zich ‘onaandoenlijk’ moet zien te maken voor de waan van de dag, de hijgerigheid van de publieke opinie en de verleidingen van het genot. Alleen zo kan de mens zich bevrijden van alles wat voorbij gaat, en een ‘goed’ leven leiden in overeenstemming met de ´Universele Natuur’ en zijn bestemming daarin. Dat de bestemming van Aurelius was om keizer te zijn van een wereldrijk zet de zaak daarbij aangenaam op scherp. Aurelius was een ‘goede’ keizer overigens: geen wreedheden (een paar in de arena geofferde Christenen daargelaten), verzoeningsgezind tegenover lieden die tegen hem in opstand kwamen, en volhardend in de strijd tegen barbaarse stammen die zijn rijk binnenvielen. Plichtsgetrouw, en tussen alle besognes door ook nog in staat filosofie te bedrijven en diepzinnigheden te noteren. Weer heel wat anders dan Nero, die bij nacht als hooligan de Romeinse straten onveilig maakte.

    Doodsverachting en plichtsbetrachting
    Steeds weer keren bepaalde noties terug in Aurelius’ aantekeningen. Het leven is kort. Iedereen sterft: je vijanden, je geliefden en jijzelf. Je druk maken heeft (dus) niet zoveel zin. De natuur wordt geordend en voortgedreven door de ‘universele natuur’ en de menselijke rede is daarvan een afspiegeling. Wees (dus) vooral redelijk, beheers je, accepteer de tekortkomingen van anderen, jaag geen genot na en negeer lichamelijke ongemakken. Al met al geen feestelijk dieet: een scheut ascese, een wolkje mindfulness, een snuifje doodsverachting en een eetlepel plichtbetrachting.

    Wie de stoïcijnse filosofie als denksysteem wil omarmen kan misschien beter terecht bij Seneca en Epictetus. Maar juist de fragmentarische vorm, de kernachtige formuleringen en het feit dat het hier gaat om ‘filosofie in actie’ maken de Persoonlijke notities de moeite waard. Ook nu nog. Zo verwijst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen geregeld naar Marcus Aurelius (om nog maar te zwijgen van de 16e-eeuwer Montaigne in zijn Essays). Sloterdijk citeert uit het Negende Boek om te bewijzen dat Aurelius een belangrijke stap zette in de vorming van het moderne bewustzijn door de ‘uitvinding’ van de scheiding tussen binnen- en buitenwereld: ‘De omstandigheden staan buiten de deur, helemaal op zichzelf. Ze weten niets van zichzelf en doen over zichzelf geen uitspraak. Wie doet dan wel een uitspraak over hen? Ons innerlijk kompas.’

    Filosofie als sprong van Münchhausen
    De Persoonlijke notities zijn een zelfhulpboek, maar alleen in letterlijke zin: de auteur probeert zichzelf te helpen, niet de lezer. Daardoor juist zijn de Persoonlijke notities een spannend verslag van de worsteling van de auteur met tekortkomingen en tegenslagen. Soms probeert Aurelius zich al filosoferend uit het moeras van zijn wanhoop te trekken: ‘De voorstellingen die je vaak hebt zullen ook de kwaliteit van je denken bepalen, want de ziel wordt door de voorstellingen gekleurd. Kleur haar dus onafgebroken door een reeks van voorstellingen bijvoorbeeld de volgende: Waar je kunt leven, kun je ook goed leven. Welnu, aan het hof kun je leven, dus kun je aan het hof ook goed leven.’ Af en toe lijkt zijn wereld te versplinteren onder zijn bespiegelingen. Hij roept zichzelf dan (letterlijk) tot de orde en zet zich af tegen genotzuchtige Epicuristen, die de wereld zien als een verzameling losse atomen. Het angstbeeld van een zinledig universum moet hem meer dan eens hebben bekropen –niet zo vreemd gezien de tijd waarin hij leefde: ‘Er is ofwel een mengelmoes van atomen die aan elkaar blijven haken en weer verstrooid worden, of eenheid, ordening en Voorzienigheid. Als het eerste het geval is, waarom verlang ik dan nog mijn leven te slijten in zo’n toevallig samengestelde wereld en zo’n warboel? Waarom maak ik me nog druk over iets anders dan er, hoe dan ook, doorheen komen?’ Zijn lotsbestemming als keizer botst meer dan eens met zijn wens om als filosoof te leven, maar al filosoferend dwingt hij zichzelf dat juk te blijven dragen. ‘Over wat er niet is, moet je niet fantaseren,’ zegt hij, en ‘Je hebt geen gelegenheid om te lezen, maar wel om je arrogantie in te perken, wel om de lusten en lasten de baas te worden, wel om je boven je verlangen naar roem te verheffen, wel om je niet kwaad te maken op botte en ondankbare lieden en bovendien voor hen te zorgen. Laat niemand je nog aanmerkingen horen maken op het leven aan het hof, ook jijzelf niet.’  Sommige wijsheden zouden het goed doen op een geglazuurde tegel, zoals ‘Bedenk dat het ook een uiting van onafhankelijkheid is van mening te veranderen. Aurelius’ wezenlijke wijsheid schuilde erin dat hij de enige persoon toesprak die hij al denkend en schrijvend tot een beter mens kon maken: zichzelf.

    [bedelbrief]

     

     

  • Een tocht die meer is dan een wandeling

    Er moet een tijd geweest zijn dat je ook in wat nu Nederland heet regelmatig pelgrims tegenkwam. Er zullen genoeg heilige oorden geweest zijn, waarnaar mensen wel een wandeltocht wilden maken. Wie nu op pelgrimsreis wil, zal naar het buitenland moeten.
    De eerste plaats die je dan te binnen schiet, is Santiago de Compostela, in het noorden van Spanje. Daarheen wandelde ook Judith Vanistendael, vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port, in Frankrijk, zodat ze aanzienlijk meer kilometers zou maken dan het voorgeschreven minimum: honderd kilometer.

    Judith Vanistendael kennen we van haar beeldromans: De maagd en de neger en het ontroerende Toen David zijn stem verloor. Pelgrim of niet is anders van opzet dan de vorige boeken. Het is ook bescheidener van omvang. Het bevat tekeningen die Vanistendael maakte in de ongeveer veertig dagen dat ze onderweg was. Een getekend dagboek, waarbij tekst en tekeningen elkaar aanvullen.
    Sommige tekeningen laten goed zien hoe snel Vanistendael ze maakte. Mannen in werkpak aan de bar bijvoorbeeld: snel geschetst en daarna wat ingekleurd. Zoals dat nu eenmaal gaat als je onderweg bent: je legt je indrukken vast, maar als het je te veel tijd kost, is het juiste moment alweer voorbij.Voor andere tekeningen is ze duidelijk gaan zitten: er zijn portretten die met aandacht getekend zijn en ook een van de laatste tekeningen, de kathedraal van Santiago de Compostela, is vrij gedetailleerd. Waarschijnlijk wist ze toen al wel dat het de tekening zou worden die haar reis moest afsluiten. Later tekende ze nog haar voeten in een bak water. Het bloed kleurt het water rood.

    Als Pelgrim of niet alleen een verslag was van een voettocht, was het niet interessant genoeg geweest. Door de tekst komen we ook de overdenkingen van Van Istendael te weten. Hoe haar gemoed de grootte van haar schaduw volgt: ’s ochtends is haar schaduw groot en is ze vol goede moed, maar tegen de middag voelt ze zich net zo nietig als haar gekrompen schaduw is.
    Aan het eindpunt moet ze vertellen wat voor haar de reden is geweest om de voettocht te houden: sportief, spiritueel of religieus. Ze vindt ze geen van drieën van toepassing.

    Misschien dat ‘spiritueel’ toch het dichtstbij komt, al was het maar door de reflectie waartoe zo’n tocht je dwingt. Je moet van tijd tot tijd uit jezelf stappen en van een afstandje jezelf bezien.
    De voettocht van Judith Vanistendael is bepaald geen ‘makkie’ geweest, wat uit tekst en tekeningen gemakkelijk op te maken is. Toch wordt het boek niet zwaar en zeker ook niet klagerig. Vanistendael signaleert het en de lezer mag er daarna een oordeel over hebben.

    Diverse groepen mensen zouden geïnteresseerd kunnen zijn in Pelgrim of niet? Natuurlijk de bedevaartgangers die zelf de route hebben gelopen, maar ook lezers die geïnteresseerd zijn in zo’n tocht, die meer is dan een lange wandeling. En natuurlijk zijn er mensen die nu eenmaal alles van Vanistendael willen lezen. Dan pikken ze zo’n aardig boekje meteen mee.

     

     

  • De onbegrijpelijke muze van het boekenvak

    Jonathan Galassi debuteert met een satirische sleutelroman over de Amerikaanse uitgeverswereld Muse, vertaald als Toen boeken nog boeken waren. Galassi (1949) werkt al zijn hele leven in die wereld. Nu is hij directeur/uitgever van de New Yorkse uitgeverij Farrar, Straus and Giroux, bekend om haar Nobelprijswinnaars en de hoge kwaliteit van de boeken die zij uitgeeft. Galassi is behalve uitgever, ook dichter en vertaler van vooral Italiaanse boeken.

    Waar gaat zijn debuutroman over? Hoofdpersoon is Paul Dukach –alter ego van Galassi- die voor een uitgeverij, Purcell & Stern (P&S) gaat werken waar Homer Sterns (alter ego van Robert Straus) de scepter zwaait. De concurrerende uitgeverij, Impetus Editions, wordt gerund door Sterling Wainwright die de zeer succesvolle dichter Ida Perkins uitgeeft. Sterling is haar achterneef, met wie ze ook een relatie heeft gehad. Beide mannen gunnen elkaar niets en Sterns is erg jaloers op Wainwright; niet alleen omdat hij Ida Perkins uitgeeft maar ook omdat hij veel Nobelprijswinnaars in zijn fonds heeft.

    Ida Perkins werd al op jonge leeftijd geprezen om haar gedichten en zal haar hele leven blijven schitteren aan het literaire firmament tot zij in 2010 op vijfentachtig jarige leeftijd in Venetië overlijdt. Zij wordt beschouwd als een van de grootste dichters van haar tijd en president Obama heeft haar sterfdag uitgeroepen tot nationale vrije dag. Deze Ida Perkins is overigens een werkelijk fictief personage, zij staat niet model voor een bestaande Amerikaanse dichteres.

    Het hele verhaal is gedrapeerd rond Paul Dukach en zijn liefde c.q. obsessie voor de dichteres. Hij wil haar eigenlijk uitgeven maar zij zit bij de concurrent. Uiteindelijk weet hij op het einde van haar leven met haar af te spreken. Zij woont dan met haar man, graaf Leonello Moro di Schiuma, een notoire kunst- en vrouwenverzamelaar, in Venetië, in het zestiende eeuwse familiepaleis Palazzo Moro aan het Canal Grande. Wanneer Paul haar daar opzoekt wacht hem een aangename verrassing.

    Behalve over de relatie tussen Paul Dukach en Ida Perkins, gaat het boek vooral over het boekenvak in de VS. Veel bestaande schrijvers en de coterie eromheen passeren de revue; de lezer die goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak zal daarin veel herkennen, en kunnen (glim)lachen om de hilarische anekdotes die Galassi uit zijn rijke ervaring weet op te diepen en smeuïg opdist. Ook de Frankfurter Buchmesse en de wijze waarop uitgeverijen zich daar presenteren en handelen om uitgeefrechten komt uitvoerig aan bod. Wanneer verwacht wordt dat Ida Perkins de Nobelprijs voor de literatuur zal krijgen en gewacht wordt op de bekendmaking ervan, schrijft Galassie:

    ‘Na eindeloos lang wachten werd gezegd dat Hendrik David uit Nederland voldoende stemmen had weten te krijgen om de prijs in de wacht te slepen. Er werd gezegd dat hij dat al jaren verwachtte en dat hij elk jaar op de ochtend van de bekendmaking geduldig naast de telefoon zat.

    Maar het gerucht bleek niet waar te zijn. Dries van Meegeren, een andere, nog obscuurdere Nederlandse essayist, had gewonnen, en dat ontketende een ware run op de vertaalrechten, die nog beschikbaar bleken te zijn. Uitgevers uit de hele wereld, die nog nooit van de man hadden gehoord, dromden samen in de normaal gesproken lege Nederlandse hal in de hoop een Nobelprijswinnaar aan de haak te slaan. De stand van De Bezige Bij, de gelukkige uitgever van Van Meegeren, leek op een terminal van een vliegmaatschappij na een gecancelde vlucht. (David kwam de bittere teleurstelling nooit meer te boven en overleed enkele jaren later.)’

    Dit, voor de Nederlandse schrijvers niet zo complimenteuze citaat, is illustratief voor het boek. Het wemelt van dergelijke anekdotes en wie niet goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak, zal veel ontgaan. Veel personen passeren de revue, hun literaire prestaties, hun positie in de literaire Amerikaanse wereld, hun onderlinge verhoudingen en persoonlijke vetes, hun reisjes naar de Frankfurter Buchmesse, hun status aldaar, etc.

    Nu weten wij wel dat Hendrik David staat voor Harry Mulisch, maar Dries van Meegeren, wie wordt hier bedoeld? Wanneer je de talloze sleutels die in de roman staan niet kunt gebruiken, verliest het verhaal veel van zijn aantrekkingskracht. De schrijfstijl van Galassi geeft het boek ook meer het karakter van geschiedschrijving dan van een roman.

    En hoewel hij een vlotte pen heeft, kunnen al die anekdotes en plots een lezer die deze niet kan plaatsen niet tot het einde boeien. Zijn bedoeling om een satirisch inkijkje te geven in het wereldje van het Amerikaanse boekenvak, zal aan veel Europese lezers dan ook voorbij gaan.


    Toen boeken nog boeken waren

    Auteur: Jonathan Galassi
    Vertaald door: Lidwien Biekmann
    Uitgegeven door: Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen
    Aantal pagina’s: 238
    Prijs: €24,99

  • Voor een verloren vriendschap

    Voor een verloren vriendschap

    Als Jaïr Mozes zijn hotelkamer rondkijkt, wordt hij getroffen door een reproductie aan de muur: een grijsaard krijgt de borst van een jonge vrouw. Mozes laat via de receptie een kunsthistoricus komen die hem de achtergrond en de betekenis van het werk uitlegt. Het gaat om een afbeelding van de Caritas Romana, een thema dat door talrijke schilders is vastgelegd – deze reproductie is van Matthias Meijvogel, het oorspronkelijke werk hangt in het Nationale Museum van Budapest. De afbeelding op het schilderij vormt het centrale thema in Chesed Sfaradi, het laatste boek van de Israëlisch schrijver A.B. Yehoshua, zojuist in het Nederlands verschenen als Het eerbetoon. De man op het doek is Cimon, de vrouw die hem zoogt is zijn dochter Pero. Ze bezoekt hem in de gevangenis, waar hij dreigt van honger om te komen. Door haar moedermelk redt ze hem het leven – de autoriteiten zijn zó onder de indruk van haar opofferingsgezindheid en vaderliefde dat ze Cimon vrijlaten.

    Mozes verblijft een paar dagen in Santiago de Compostella waar een retrospectief van zijn werk is georganiseerd. Hij is een succesvol filmregisseur, de Spaanse gastheren hebben voor de gelegenheid een aantal van zijn films nagesynchroniseerd. Aan het eind van het eerbetoon volgt een plechtige prijsuitreiking. Mozes heeft ook Ruth meegevraagd, een actrice die in veel van zijn films optreedt. De keuze van de films blijkt niet willekeurig, de Spanjaarden vertonen vooral de films die Mozes aan het begin van zijn loopbaan heeft gemaakt, met een piepjonge, beeldschone Ruth; de films zijn geschreven door scenarist Sjaoel Trigano, een oud-leerling van Mozes, met wie een hechte band bestond. Trigano en Ruth vormden een liefdespaar en de scenarioschrijver was de drijvende kracht achter het experimentele werk dat ze maakten: art house-films die in de smaak vielen bij progressieve recensenten, maar waar nauwelijks publiek voor was. Het zal blijken dat Trigano de drijvende kracht achter het retrospectief is geweest.

    In Het eerbetoon worden Ruth en Mozes soms hard geconfronteerd met hun verleden – ze hebben de films al jaren niet meer gezien en herinneren zich nog ternauwernood de omstandigheden waaronder ze werden gemaakt. Ook doordat er destijds een heftig conflict ontbrandde met Trigano – ze zijn inmiddels niet meer on speaking terms en hebben elkaar uit het oog verloren. De Caritas Romana zet Mozes aan het denken: de ruzie ontstond over een scène waarin actrice Ruth haar net geboren kind ter adoptie had afgestaan en als onderstreping van die beslissing een bedelaar de borst gaf. Maar op het beslissende moment weigerde Ruth, ze liep weg van de set. Trigano was woedend, maar Mozes koos haar kant: je mag een actrice niet verplichten iets te doen waar ze onoverkomelijke bezwaren tegen heeft. ‘Verraad’, volgens de scenarioschrijver. De breuk was onherstelbaar.

    Het gegeven lijkt veelbelovend genoeg, maar Yehoshuas uitwerking is traag en taai. De lezer wordt uitdrukkelijk betrokken bij het herinneringsproces dat zich tijdens de retrospectief in de hoofden van Mozes en Ruth afspeelt. Zo’n beetje de helft van de lijvige roman wordt in beslag genomen door het navertellen van (fictieve) films; een beklemmende ervaring die je het zicht ontneemt op de rode draad, als die er al zou zijn. Mozes zegt herhaaldelijk dat hij zich weinig tot niets meer herinnert van zijn oude (‘onrijpe’) films, maar hij beschrijft het werk vervolgens tot in de kleinste details. En dan, tussen al die andere scènes door, springt plotseling de Caritas Romana weer in beeld  – o, ja, daar ging het over. Is het verhaal geïnspireerd door de loopbaan van de Israëlische filmer Uri Zohar? Er zijn enkele aanknopingspunten: Zohar is van dezelfde generatie als Yehoshua, maakte aan het begin van zijn loopbaan films met dezelfde thematiek als Mozes (man-vrouwverhouding; mannelijkheid; rol van het leger) en kreeg in 2012 een retrospectief – niet in Spanje maar in Parijs. Maar er zijn ook andere verwijzingen, bij voorbeeld naar het eigen leven van de schrijver: Ruth komt uit hetzelfde gebied in Marokko als Yehoshuas echtgenote. Doet het ertoe? Vermoedelijk niet.

    De omstreden scène komt scherper aan de orde op het eind van de roman, als Ruth en Mozes naar Israël zijn teruggekeerd. Mozes is vastbesloten om, aangezet door het terugzien van zijn oude films, met zijn verleden af te rekenen. Hij zoekt zelfs Trigano op en probeert de relatie te herstellen. Maar niet alles valt op zijn plaats, want het blijkt dat er geen enkel verband bestond tussen de Caritas Romana en de gesneuvelde scène – Trigano verklaart plechtig dat hij nog nooit van Cimon en Pero heeft gehoord en dus ook het schilderij van Meijvogel niet kent. Uit de context krijg je de indruk dat Trigano een verwend, bezitterig ventje was ten tijde van de ruzie (en misschien nog steeds is): hij kreeg zijn zin niet en hij was woedend dat Mozes zich met ‘zijn’ vrouw bemoeide; Ruth was van hem, hij had haar kunnen dwingen de scène toch te spelen, zoals hij haar eerder ook gedwongen had gratis en voor niks in zijn films te spelen en haar academische loopbaan voor hem op te geven. Zulk vrouwonvriendelijk gedrag lijkt Mozes niet te deren, ondanks zijn schijnbare genegenheid voor Ruth; hij heeft Trigano opeens weer nodig en is blijkbaar bereid voor hem door het stof te kruipen.

    Het eerbetoon zit vol van zulke ongerijmdheden, maar dat kan ook aan de slordige vertaling liggen: ‘heilig’ in plaats van ‘veilig’, ‘auteur’ in plaats van ‘acteur’; merkwaardige zinswendingen: iemand ‘uit een vloek’, of  ‘had de macht om haar weigering ongedaan te maken’, ‘vereenzelvigde zich met de weigering en scherpte deze aan’. Als Mozes en Trigano elkaar na zoveel jaar weer ontmoeten, verandert de auteur opeens van stijl: van de derde persoon gaat hij over op de tweede persoon. Symbolisch? Vooral: verwarrend, bij sommige dialogen weet je niet meer wie wat zegt. Het toppunt: hoe valt te rijmen dat de omstreden scène – het zogen van de bedelaar – door Mozes eerst gekwalificeerd wordt als ‘ziekelijk’ (terwijl hij als regisseur daar toch volmondig mee moet hebben ingestemd), terwijl hij zich zoveel jaar later in ruil voor een hernieuwde vriendschap met de scenarioschrijver laat dwingen opnieuw zo’n tafereel op te voeren – met Mozes zèlf in de rol van Cimon en een fotograaf om het allemaal vast te leggen – als ultieme vernedering? Ruth is dan al van het toneel verdwenen, het conflict is blijkbaar iets tussen twee hanige mannetjes geweest. Misschien is het daarom passend dat we na de 450 bladzijden van Het eerbetoon nog steeds niet weten of Ruth ook een achternaam had.

     

     

    Naar aanleiding van deze recensie ontving de redactie een reactie van vertaalster Hilde Pach. Met haar instemming publiceren wij deze reactie.

    Reactie van vertaalster Hilde Pach:

    Beste redactie,

    De mening van de recensent over het boek zal ik niet betwisten. Wel vind ik het jammer dat hij bijna het hele verhaal in zijn eigen woorden navertelt en zo de lezer de mogelijkheid ontneemt om bepaalde zaken zelf te ontdekken. Zijn opmerking dat de ‘ongerijmdheden’ wellicht veroorzaakt worden door de slordige vertaling kan ik als vertaler niet onweersproken laten. Ik heb het boek zojuist doorzocht op alle keren dat het woord ‘heilig’ gebruikt wordt, en er is geen enkel ‘heilig’ dat ‘veilig’ zou moeten zijn. Ik kan me wel voorstellen dat de recensent dat denkt, bijvoorbeeld als iemand zegt dat de stad ‘s nachts ook heilig is, maar de auteur heeft overal heus bewust voor ‘heilig’ gekozen. Hij heeft wel gelijk dat er één keer ‘auteur’ staat in plaats van ‘acteur’. Dat zal ik veranderen voor een eventuele volgende druk. De zinsneden die hij noemt, zijn niet slordig vertaald; Yehoshua heeft soms een wat eigenzinnig taalgebruik, dat ik in de vertaling niet helemaal verloren wil laten gaan. ‘Een vloek uiten’ klinkt mij trouwens heel normaal in de oren. Dat de auteur in deel 8 van de derde persoon naar de tweede overgaat, heeft een heel voor de hand liggende reden, die een beetje recensent zou moeten kunnen begrijpen. Probeer deze dialoog tussen twee mannen maar eens in de derde persoon te zetten en kijk wat er dan gebeurt. Juist dán zou je niet meer weten wie wat zegt. Jammer dat de recensent zich niet iets meer in de roman heeft willen verdiepen, maar dat is zijn goed recht. Niettemin bedankt voor de aandacht die u aan het boek geschonken heeft.

    Met de hartelijke groeten van Hilde Pach

     

  • ‘een ongrijpbare pracht ‘ 

    De Familie telt vijf personen, de Vader, de Moeder, de Dochter, de Oom en de Zoon. De laatste verblijft al een tijdje in het buitenland. Ze wonen in een huis met een stenen trap, zeven luiken en vijf deuren. Modesto dient het huis al negenenvijftig jaar. Iedere ochtend wekt hij ‘van oudsher’ de leden van de Familie. Aan het licht van de dageraad ziet hij wat voor dag het zal worden. Als een priester verkondigt hij het begin van de dag: ’Goedemorgen. Versluierde zon, lichte bries.’ Of: ‘Goedemorgen, drukkende hitte en hinderlijke vochtigheid.’ De gezinsleden ontbijten zeer uitgebreid, al dan niet in het gezelschap van talloze bezoekers.

    ‘Uiteindelijk trekken ze zich tegen drie uur ’s middags terug naar hun kamers en een half uur later komen ze daar stralend en fris uit tevoorschijn. […] De centrale uren van de middag besteden we aan zaken.’ Het avondeten is de inleiding voor de nacht. ‘Zonder afscheid te nemen gaan we vervolgens naar het onbekende van de slaap, dat ieder op zijn eigen wijze bezweert. Al honderddertien jaar lang is namelijk iedereen ’s nachts gestorven in onze familie.’

    Op een dag staat er een jong meisje met een koffer voor de deur: ‘Zij werd niet verwacht op deze dag, of misschien ook wel, maar dan waren ze het vergeten. Ik ben de Jonge Bruid, zei ik.’

    De Zoon en de Jonge Bruid hebben elkaar leren kennen, toen zij vijftien en hij achttien was. De wederzijdse families hebben afgesproken dat zij zullen trouwen ‘zodra haar achttiende jaar voltooid was’. Alleen, de Zoon is nu in Engeland: `Het was irritant te moeten toegeven dat de Zoon feitelijk gezien niet aanwezig was.’

    De Familie stuurt de Zoon een telegram: ‘Jonge Bruid teruggekeerd. Opschieten.’ Wachtend op zijn terugkeer slaapt zij zo lang bij de Dochter. De Zoon ‘begint met arriveren’ – er komen allerlei spullen aan uit Engeland, een ‘Deense pianola, in onderdelen’, de volgende dag ‘twee rammen van het ras Fordshire uit Wales’. De Jonge Bruid vraagt zich af of hij nu wel of niet komt. Volgens de Dochter arriveert ‘hij elke dag een beetje, over een maandje zal hij klaar zijn met arriveren.’

    De Jonge Bruid leert alle huisgenoten en hun geschiedenis kennen. Modesto met zijn betekenisvolle kuchjes, de Dochter met haar handicap, de Moeder met haar ‘syllogismen’. Als de Familie op hun jaarlijkse vakantie gaat, blijft de Jonge Bruid alleen achter in het huis om op de Zoon te wachten. De Oom die de hele tijd slaapt, komt eerder terug van vakantie: ‘Hij kon zich al slapend scheren, en niet zelden had men hem zien slapen terwijl hij pianospeelde, al kwamen de staccato noten wel met een lichte vertraging. Er waren zelfs mensen die beweerden dat ze hem diep in slaap hadden zien tennissen: kennelijk ontwaakte hij alleen wanneer er van speelhelft werd gewisseld.’

    Bij al deze ontmoetingen verschuift het vertelperspectief van de derde persoon naar de eerste persoon. Meestal is de ik-figuur De Jonge Bruid, soms ook de schrijver van het boek. Hij licht zijn verteltechniek toe. Hij meldt dat hij ‘om redenen die [hem] op dat moment geraffineerd technisch voorkomen’ van vertelstem verandert, met als resultaat dat hij ‘het leven voor de lezer compliceert.’ Van ‘sommige paginaatjes’ verwacht hij dat die op de redacteur ‘als volkomen nutteloos en helaas weinig functioneel voor het verloop van het verhaal’ zullen overkomen: ‘Met gepaste hoffelijkheid zal hij me aanraden ze te schrappen. Ik weet nu al dat ik dat niet zal doen […]’.

    Het is een knap spel met de lezer. De schrijver laat zijn boek over De Jonge Bruid aan zijn minnares L. lezen: ‘Ze zei intelligente dingen over wat ik schreef, terwijl we ons terugtrokken in hotelkamers om elkaar lief te hebben.’ Zij vindt dat hij wel erg veel over seks schrijft: ‘[…] al die seks […] hier is het een obsessie.’ Als ze bij hem weggaat, zegt ze: ‘Jij verandert ook nooit, he?’. De schrijver vraagt zich af wat het verhaal van een familie die tot drie uur ’s middags zit te ontbijten, of van een oom die de hele tijd slaapt, in godsnaam te maken kan hebben met ‘de plotselinge verbrokkeling die bezig is mij van de aardbodem weg te vagen.’ Hij besluit op reis te gaan naar het Zuiden. Daar verliest de schrijver zijn laptop met zijn boek erop. Maar hij heeft het hele verhaal nog in zijn hoofd. Het is een ‘gelaagde optelsom van alle zinnen’ die eerst zijn bedacht, daarna opgeschreven en vervolgens herinnerd. ‘Objectief gezien was ik niet alleen mijn boek niet kwijtgeraakt, maar in zekere zin had ik het juist in al zijn volheid teruggevonden, nu het onstoffelijk was geworden en zich had teruggetrokken in het winterverblijf van mijn geest. Ik kon het op elk gewenst moment naar de oppervlakte halen […] en dan kwam het tevoorschijn met een ongrijpbare pracht tegenover welke de nette orde van een gedrukte pagina blijk gaf van de starheid van een grafsteen.’

    Het boek bevat meer mooie vergelijkingen, o.a. over de schoonheid van de vrouw. De Dochter heeft de schoonheid van de Moeder, en bovendien nog ‘het gulden patina van de fortuinlijke leeftijd’. Dit beeld komt indirect terug in een langere beschrijving. De schrijver observeert zijn minnares terwijl zij zijn manuscript leest: ‘Al die tijd zat ik naar haar te kijken terwijl ik zocht naar een naam voor dat dunne laagje dat achterblijft op de vrouwen die we hebben liefgehad wanneer de tijd is verstreken, terwijl we nooit echt uit elkaar zijn gegaan, of elkaar gehaat hebben, of ruzie hebben gehad […]’. Die naam ontglipt hem al jaren: ‘Telkens als ik hem bijna te pakken heb kruipt hij in een onzichtbare spleet in de muur.’ Een soortgelijk beeld komt terug: ‘We zaten verstopt in een plooi van de schepping.’ Gebeurtenissen worden opgetekend in ‘het grootboek van het leven.’ Een combinatie van de twee beelden is een herinnering van De Jonge Bruid aan een vreemde nacht, ‘die door de scheur van de wereld was gekropen, onvindbaar in het grootboek van de levenden […]’. Fraai ook is de beschrijving van een herinnering aan een nacht in het bos: ‘De rest van de nacht lijkt me nu, als ik hem in mijn herinnering laat opkomen, een meer zonder begin of einde, waarin elke weerschijn nog altijd ligt te glinsteren, maar elke oever verloren is, en de bries onleesbaar.’

    Mooie beelden en herinneringen. Maar het belangrijkste motief van het boek is het wachten op de Zoon. De vraag of hij een Godot is of niet wordt pas op de laatste bladzijde van dit prachtige boek met een onvergetelijke slotzin beantwoord.

    Alessandro Baricco (1958) is een succesvolle hedendaagse Italiaans auteur. Zijn werk is meermaals bekroond met internationale prijzen. Oceano mare (vertaald: Oceaan van een zee, 1995) won de Premio Viareggio in 1993. Voor Châteaux de la colère (de Franse vertaling van Castelli di rabbia, 1991), in het Nederlands vertaald als Land van glas (1996), ontving hij in 1995 de Prix Médicis étranger. Zijde (1997) werd in 1998 uitgeroepen tot Booksellers International Book of the Year.

  • Bloemlezing als zelfportret

    Bloemlezing als zelfportret

    Marga Minco (1920), een van onze meest succesvolle naoorlogse schrijfsters, heeft een kleine bloemlezing uit haar oeuvre samengesteld die onder de titel Na de sterren is verschenen bij Van Oorschot. Het is het derde deel in de mooi uitgevoerde serie ‘Gedundrukt door Van Oorschot’. Simon Carmiggelt en Annie M. G. Schmidt gingen haar voor. Opnieuw een auteur die niet tot het eigen fonds van deze uitgever behoort. Wat hebben deze uitverkorenen gemeen. Ongetwijfeld dat ze niet ‘exclusief’ zijn, niet voor de ‘happy few‘ schrijven, toegankelijk voor iedereen. Karel van het Reve heeft eens van Toergenjevs verhalen gezegd dat ze geschikt zijn voor zowel de lezers van Libelle als die van Tirade, en dat geldt ook voor deze auteurs. Verder hebben ze alle drie hun naam gevestigd in de jaren vijftig en hoorden ze niet bij een stroming of tijdschrift. Het zijn autonome grootheden. Een schrijver moet veel in zijn mars hebben om zo’n breed publiek aan te spreken.

    Verhalen en romans

    Na de sterren is als volgt samengesteld: eerst negen verhalen uit de periode 1940-1965, dan de roman Een leeg huis (1966), daarna dertien verhalen uit de periode 1968-2007 en tot slot het verhaal ‘Namen’ (1979). De eerste afdeling eindigt- en de laatste afdeling begint met een sprookje. ‘Namen’ is uit de chronologie losgemaakt. Het wordt bovendien als enige bijdrage voorafgegaan door een blanco pagina. Dat wijst op een doordachte compositie van de hele bundel. Wat valt daaruit op te maken. Het is de moeite waard daar stil bij te staan, want wie op hoge leeftijd een keuze uit eigen werk samenstelt, zegt toch eigenlijk zoveel als: ‘Dit ben ik’. De bloemlezing als zelfportret.

    ‘Namen’ gaat over de kindertijd. Dat Minco in een deels traditioneel Joods gezin in de provincie opgroeide, komt amper ter sprake. Wél dat ze als baby een kasplantje zou zijn geweest en dat ze tot afschuw van haar moeder bijna op 1 april was geboren en dat ze om haar naam, Sara, werd uitgejouwd. Ze ging zich Selma noemen, naar Selma Lagerlöff. Al voor de oorlog publiceert ze in de plaatselijke krant, onder pseudoniem. En dan komt de bezetting en daarmee de verklaring van de naam waaronder we Marga Minco kennen: ‘In de jaren van mijn onderduik was ik voor al mijn vrienden Marga en bij die naam heb ik het verder gehouden’.

    Met deze woorden eindigt niet alleen het verhaal maar tevens het hele boek en ook de lezer die niets van Marga Minco wist, begrijpt dat de verwijzingen naar bezetting en jodenvervolging niet zomaar een decor zijn, zoals de Tweede Wereldoorlog dat bijvoorbeeld voor W.F. Hermans kon zijn, maar een door de auteur aan den lijve ervaren werkelijkheid.

    Voer voor schriftgeleerden

    ‘Namen’ vertelt van kwetsbaarheid, de drang of noodzaak je schuil te houden en van een beginnend schrijverschap, en het verklaart de auteursnaam: geboren uit nood, een schrijversleven lang aangehouden. Ook uit de eerste afdeling, ’40-’65, blijkt die weloverwogen ordening. Minco zet daar het sprookje ‘Het lelijke knikkertje werd mooi’ (1940), aan het eind in plaats van aan het begin. Het is niet eerder in boekvorm verschenen en het is geen meesterstuk, oppervlakkig gezien een variatie op ‘Het lelijke jonge eendje’ van Andersen. Toch mocht het kennelijk in deze bundel niet ontbreken, en het moest kennelijk op deze plaats staan, dus net als ‘Namen’ niet op chronologische volgorde. Wat wil Marga Minco ons met de compositie van deze bundel, dit zelfportret, zeggen? Voer voor schriftgeleerden.

    In ruim de helft van de verhalen en ook in de roman spelen de gevolgen van antisemitisme, bezetting, vervolging, onderduik, deportatie en Jodenmoord een rol. Dat verbaast niet, want daarin heeft Minco haar onderwerp gevonden en daar is ze beroemd mee geworden. Haar debuut Het bittere kruid is alleen al in Nederland bijna een half miljoen keer gedrukt.

    Let wel, we lezen voornamelijk over de gevolgen voor de overlevenden, voor wie de wereld geschonden is en vaak onherbergzaam lijkt. Voor wie de doden juist door hun afwezigheid aanwezig zijn, en wier leven aanvoelt als een ‘leeg huis’. Misschien heet deze bundel ook daarom Na de sterren: na de bezetting, na de jodenster. De roman Een leeg huis is het middendeel van de bundel en vertelt van het ontregelde bestaan en zieleleven van twee overlevers van de onderduik. Het schuldgevoel jegens de gestorvenen. Het onvermogen het leven te hernemen. De moeizaamheid van relaties. De ene vrouw redt het niet, de andere ploetert voort. De roman eindigt heel terughoudend in majeur.

    Afwezigheid van oorlog

    Er zijn tien verhalen waarin de oorlog niet voorkomt. ‘Een voetbad’, laat een Roald Dahl-achtige humor en wreedheid zien. Het oergeestige ‘Vlinders vangen op Skyros’, waarin een schilder die te weinig meetelt in de bohème zijn status opkrikt met verzinsels die hij vervolgens tegen zijn zin, gedwongen is ten uitvoer te brengen. Het hartverscheurende ‘Iets anders’, over een huisvrouw die na een winkeldiefstal op het politiebureau ondervraagd wordt. Deze voorbeelden komen allemaal uit het gedeelte 1940-1965, waaruit blijkt dat Marga Minco, anders dan haar reputatie zou kunnen doen geloven, niet uitsluitend de schrijfster van de Jodenvervolging is en dat ook in de jaren vijftig al niet was.

    De verhalen uit deze periode zijn sterker dan de latere. Vergelijk bijvoorbeeld ‘Iets anders’ (1957), met ‘Om zeven uur’ (1974), dan maakt het latere verhaal een wijdlopige indruk. Beide keren gaat het over een middelbare vrouw in moeilijkheden, maar in het oudere verhaal is de vertelling veel strakker gecomponeerd en daardoor veel aangrijpender. Ook blinkt dat verhaal uit door de feilloze aandacht voor ogenschijnlijk triviale details om de ontregelde gemoedstoestand van de hoofdpersoon te kenschetsen, een wonder van suggestiviteit.

    Eén onderwerp is er in deze bundel dat vrijwel alle verhalen en ook de roman verenigt: de vrouw en haar eenzaamheid. Eenzaam in het huwelijk, eenzaam als vrijgezel. Met of zonder oorlogsleed. Soms op het radeloze af, meestal in de vorm van het besef, overdrachtelijke gesproken, een leeg huis te bewonen. Dit boek is een verademing, geen geschreeuw, veel wol. De verteltrant is helder, onopgesmukt, trefzeker. Zware stof wordt ingehouden verteld of slechts omzichtig aangeduid. Op haar best is Marga Minco een schrijfster ‘con sordino’. Dat geeft haar verhalen een grotere indringendheid dan trommels en trompetten.

     

     

  • Een epos als actueel politiek statement

    Een epos als actueel politiek statement

    Nairi Zarjan heeft literair vorm gegeven aan het Armeense volksepos over de helden van Sassoen. Zoals alle volksverhalen is ook dit geleidelijk ontstaan. Het is gebaseerd op mondelinge overlevering van generatie op generatie, voortdurend aangepast en aangevuld. In de tweede helft van de 19e eeuw is het voor het eerst als geheel op schrift gesteld door een Armeense geestelijke. Dit past goed bij het in die tijd opkomende nationalisme, dat ook onder Armeniërs veel weerklank vond. Nairi Zarjan heeft zijn versie van het epos, geschreven in 1966, hierop gebaseerd.  Hoewel hij zijn best gedaan heeft zoveel mogelijk recht te doen aan het oorspronkelijke werk, heeft hij toch ook getracht het verhaal te verlevendigen.

    De Armeniërs zijn trots op hun zeer oude geschiedenis, waarvan de wortels, volgens sommigen, teruggaan tot 2492 voor Christus. Hun woongebied centreerde zich rondom de berg Ararat in het oosten van Turkije. Naast het feit dat het woongebied van de Armeniërs periodes heeft gekend van onafhankelijkheid is het ook vaak een speelbal geweest van machtige buurstaten. Momenteel rest er slechts een Armeense rompstaat in de Kaukasus als gevolg van de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Dat de Armeniërs als volk hebben overleefd, is te danken aan hun eigen taal, het eigen schrift en eigen godsdienst. Eind 19e eeuw werden er door de Turken op instigatie van sultan Abdul Hamid II grote slachtingen aangericht onder de Armeniërs en in 1915 werd dit nog eens dunnetjes overgedaan door de Jong-Turken. Het wordt wel beschouwd als de eerste genocide van de twintigste eeuw, waarvan ook de familie van Nairi Zarjan het slachtoffer is geworden.

    Het epos over de eigenwijze helden van Sassoen is een weerspiegeling van deze veelbewogen geschiedenis van Armenië. Er zijn verwijzingen te vinden naar conflicten met Arabieren, Perzen, Byzantijnen en kruisvaarders en het lijkt een Bijbelse inspiratie te hebben.

    Het epos vertelt het verhaal van vier takken van de stamboom van Sassoen, de bakermat van Armenië. De eerste tak is die van Sanasar en Balthasar, de tweede van Mehèr de Oudere, de derde van David van Sassoen en de vierde van Mehèr de Jongere. De stammoeder van het Huis van Sassoen is de beeldschone, als het licht van de zon schijnende Armeense prinses Tsovinar. Zij raakt onbevlekt zwanger door het drinken van water uit een toverbron en wordt moeder van een tweeling, de beresterke Sanasar als eerstgeborene en de half zo sterke Balthasar. Zij zijn de stichters van het Huis- en de bouwers van de burcht van Sassoen aan de bron van de toverbeek. Als Balthasar met zijn broer ruzie maakt over een liefdesbriefje  van prinses Goudhaar met de Veertig Vlechten aan Sanasar, loopt het niet uit op broedermoord zoals bij de bijbelse Kaïn en Abel, maar op een verzoening. Als gevolg hiervan biedt Sanasar, na samen met zijn broer prinses Goudhaar te hebben bevrijd uit een monsterachtige betovering, Goudhaar aan aan zijn broer met de woorden: ‘Als je wilt, mag jij Goudhaar wel nemen.’. Balthasar weigert dit aanbod. Dit is typerend voor het epos; het is seksistisch en macho qua karakter. Vrouwen zijn bloedmooi, meestal zwak, vilein of opofferend en beschikken over magische krachten, maar hebben niets te zeggen. Mannen zijn vreselijk sterk, opvliegend, dapper, betrekkelijk dom en alleen maar bezig met moord en doodslag: ‘De kalief riep zijn beulen bij zich en zei: “Gaan jullie hun daar eens even de keel doorsnijden.”’

    Aan David is verreweg het grootste deel van het epos gewijd. Hij vertoont veel overeenkomsten met de Bijbelse koning David. Net als deze begint hij zijn carrière als herdersjongen, is hij opvliegend van karakter en moet hij een tweestrijd leveren met de koning van Egypte, reusachtig van postuur. Geboren als kind van ouders die een eed hebben gebroken, wordt David zelf ook een eedbreker als hij verstrikt raakt in de netten van de, alweer, beeldschone jonkvrouw Chandoet. Hij haalt hierdoor de woede op zijn hals van de vrouwelijke sultan Zmushkik, met wie hij verloofd was en met wie hij al ringen had uitgewisseld. David wordt uiteindelijk, overeenkomstig de oude geschriften, gedood door zijn eigen dochter verwekt bij Zsmushkik.

    Ook zijn zoon Mehèr, uit het huwelijk met Chandoet,  blijkt niet bepaald voor de poes te zijn. Hij doodt  zijn ooms en toont zich in een gevecht de meerdere van zijn vader. ‘David voelde zich zwaar vernederd; hij kon zich niet inhouden en zei: “Mehèr, jij hebt dit gevecht met mij uitgelokt en je hebt mij tegen de grond gegooid; je hebt mij voor schut gezet. Ik heb Onze-Lieve-Heer aangeroepen en Hem gebeden dat jij nooit zult sterven en geen nakomelingen zult krijgen.”’ 

    Voortdurend speelt de magie der getallen een grote rol in dit epos. Zo viert Mehèr, op de sterfdag van zijn ouders, om boven genoemde vervloeking te vergeten feest met ‘veertig jonge mannen en veertig huwbare meisjes, en zij dronken zeven jaar oude wijn’.

    Deze Mehèr de Jongere is geboren met een druppel bloed in de palm van zijn hand, een verwijzing naar de stigmata van Christus. Ook verder bestaat er gelijkenis met Jezus. Hij maakt zich voortdurend zorgen om de slechtheid van de mensen op deze wereld. Aan het eind van het epos sluit Mehèr zich op in een rots, omdat de aarde zijn gewicht niet langer kan dragen (door de zonden van de mensheid die hij op zijn schouders torst?) en hij komt tweemaal per jaar weer tevoorschijn om te zien of de wereld al beter is geworden. Hij belichaamt de hoop van de Armeniërs op verlossing, ook nu natuurlijk nog een uiterst actueel thema voor de Armeniërs.

    Hoewel het verhaal vlot wegleest als een, helaas niet geïllustreerd, volkssprookje, blijft het niet echt boeien. Daarvoor zijn de in het verhaal vigerende figuren te eendimensionaal en mist het diepgang. Ook de voortdurende moord- en slachtpartijen gaan uiteindelijk vervelen. Vanuit politiek en historisch perspectief is het epos eigenlijk veel interessanter en in dit licht bezien is het in de bewerking van Nairi Zarjan en de vertaling van Anna Maria Mattaar zeker, ook voor ons in Nederland, toegankelijk gemaakt voor een breed publiek.

    De eigenwijze helden van Sassoen

    Auteur: Nairi Zarjan
    Vertaald door: Anna Maria Mataar
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 296
    Prijs: € 19,99