Zouden er nog mensen zijn die het de dichter Bloem nazeggen: ‘Natuur is voor tevredenen of legen’?
In Woody Allen’s Manhattan stelt hoofdpersoon Isaac zich de vraag: ‘Why is life worth living?‘ Zijn antwoord: Groucho Marx, Willie Mays, het tweede deel van de Jupiter Symfonie, Potato Head Blues in de uitvoering van Louis Armstrong, Zweedse films, L’Education Sentimentale van Flaubert, Marlon Brando, Frank Sinatra, de appels en peren van Cézanne, de krab in een bepaald restaurant en, tenslotte, Tracey’s gezicht. Pas het laatste item op de lijst, het gezicht van het meisje waar hij verliefd op is, brengt hem in beweging.
De natuur schittert hier door afwezigheid. De vruchten zijn geschilderd en de krab is gekookt.
Nee, dan het volgende lijstje: egel, tuinslak, houtduif, zilvermeeuw, steekmug, veldmuis, pimpelmees, blauwe reiger, spreeuw, kruisspin. Tien dieren die we regelmatig te zien krijgen (als we onze ogen de kost geven) – en waar we mogelijk verveeld of geïrriteerd van wegkijken. Maar zijn het niet wonderen der natuur, met wie we de planeet delen en wat meer is, zijn ze geen familie?
En is het besef dagelijks omringd te zijn door een verbluffende werkelijkheid, waar we bovendien zelf deel van uitmaken, niet een geweldige, troostrijke ondersteuning in het ongemakkelijke bestaan?
Wat is zo’n braaf, cultureel kijk-mij-eens lijstje steriel en saai vergeleken bij wat de natuur ons biedt: het mirakel van de biodiversiteit en de spectaculaire levensvormen die we daar aantreffen. Richard Dawkins noemde niet voor niets een van zijn boeken over dit onderwerp The Greatest Show on Earth.
Portretten
Dat tiental beesten komt uit het boek In de ban van het beest, Nederlandse dieren door de ogen van hun kenners van Volkskrant-journalist Caspar Janssen, een erg fijn boek, waarin 65 in Nederland voorkomende dieren, sommige zeldzaam, andere algemeen voorkomend, worden geportretteerd in woord en beeld. 25 Van die 65 zijn vogels, 15 zoogdieren en 12 insecten. De rest is mengelwerk.
De geschreven portretten beginnen en eindigen met een aanhalingsteken, want de auteur heeft zichzelf uit de tekst weggeschreven. Het zijn de enthousiaste kenners die het woord voeren. Het boek doet denken aan de natuurverkenningen van de onvolprezen Koos van Zomeren.
De stukken, elk zo’n drie bladzijden groot, zijn wel wat opsommerig. Je moet er dus niet te veel achter elkaar lezen, want allemachtig, wat kom je veel te weten! En wat val je van de ene verbazing in de andere! Daarvan straks een paar voorbeelden.
De begeleidende foto’s zijn mooi maar helaas erg gefotoshopt. Elke achtergrond is verwijderd. Hooguit is het takje te zien waar een vogel op zit; soms zie je de (kunstmatige?) schaduw van het dier. Erg onnatuurlijk. Bovendien doet het geen recht aan een onderwerp dat in dit boek telkens terugkomt, te weten de onverbrekelijke band tussen organisme en biotoop. Als illustratie zijn deze staatsieportretten eigenlijk nogal ouderwets.
In het nawoord lezen we dat ‘bijna alleen foto’s van levende dieren’ zijn gebruikt. We kunnen dus gaan speuren naar de dode exemplaren. De insecten misschien? De raaf? Het fotoshoppen maakt het raden lastig.
65 Dieren, dat betekent hier zo’n 60 specialisten. Daaronder zegge en schrijve vier vrouwen: voor de egel, het pimpernelblauwtje, de lepelaar en de boomvalk. De gemiddelde leeftijd is hoog; hele levens zijn vol toewijding in het veld doorgebracht. We komen bekende namen tegen, d.w.z. bekend bij het grote publiek, zoals Rob Bijlsma (maar niet met de wespendief), Remco Daalder (niet met de gierzwaluw) en Theunis Piersma (niet met de grutto). Menig geïnterviewde heeft gepubliceerd, is verbonden aan Wageningen of Naturalis en/of is actief in een gespecialiseerde studiegroep. Gezegend het land waar Stichting Anemoon actief is, Werkgroep Grauwe Kiekendief, de Oehoewerkgroep en nog zo veel andere clubs.
Misschien doen we er bij In de ban van het beest goed aan, niet van 65 maar van 66 boeiende soorten te spreken, want hoort de toegewijde en enthousiaste geleerde niet ook in dat gezelschap thuis?
Wat leert dit boek ons?
We lezen over de achteruitgang van populaties in verband met de veranderingen in de landbouw (ook over vooruitgang, want er is soms gelukkig goed nieuws). Over de gevolgen van de klimaatverandering. Over opvattingen omtrent bepaalde soorten die dankzij langdurige observatie (‘monitoring’) en degelijk denkwerk misvattingen blijken te zijn. Over ‘uitsterven’ (het telkens weer misbruikte woord om het lokaal verdwijnen van een soort mee aan te duiden) enerzijds en over herintroductieprojecten en oprukkende exoten anderzijds. Over eten en gegeten worden en de dwingende voortplantingsdrang, het alfa en omega van het dierenbestaan. Kortom, over ontwikkelingen in de natuur, over gedragspatronen van soorten en over verbazingwekkend en soms ontroerend gedrag van individuele dieren. Macro en micro. Alles geïllustreerd met talloze soortspecifieke voorbeelden.
Al deze dingen vindt u, globaal, ook wel in krant en weekblad. Maar dit boek geeft u daarenboven een schat aan miraculeuze wetenswaardigheden die een mens doen beseffen: de werkelijkheid is het ware wonder.
Drie voorbeelden
Over de haas: ‘(…) dat jonge hazen elke avond, drie kwartier na zonsondergang, terugkomen naar de plek waar ze zijn geboren (…) Een kwartier later komt ook de moeder en worden de jongen gezoogd. De moeder zit daar drie minuten; dan heeft ze er genoeg van en springt ze weer weg. Na ongeveer een maand komt de moeder niet meer (…) Sindsdien denk ik vaak, een uur na zonsondergang: op dit moment worden alle jonge haasjes in heel Nederland gezoogd’.
Over de grauwe gans: ‘Grauwe ganzen zijn monogaam; ze blijven hun hele leven bij elkaar, totdat een van beide komt te overlijden. Dan zoekt de overblijvende meestal, na een tijdje, een nieuwe partner. Maar soms gaat de overblijvende gans ook snel dood, uit een soort verdriet. Ik heb het zelf wel gezien, zo’n beest dat heel hoog in de hiërarchie staat, zijn partner verliest en dan zieligjes, alleen, aan de rand van de groep zit. En vervolgens is hij binnen no time ook dood’.
Over de rode bosmier: ‘Mieren hebben over belangstelling niet te klagen. Van ingenieurs, vanwege de constructie van mierenhopen, maar ook van filebestrijders vanwege het feit dat er op de mierenpaden geen files voorkomen. In het verleden bestudeerden veel paters mieren, waarschijnlijk omdat ze onder de indruk waren van de discipline en opofferingsgezindheid van de werksters, die zichzelf immers niet voortplanten’.
Deze citaten laten meteen zien hoe voortreffelijk Caspar Janssen de verhalen heeft opgeschreven.
Ach, die Isaac uit Manhattan, alter ego van zijn schepper, is een grootsteedse, ongehuwde, kinderloze, neurotische intellectueel voor wie Central Park al het summum van wilde natuur is. Hij zou dit boek moeten lezen.


Hotel de Grote L van Sjoerd Kuyper.
Ik moet bekennen dat dit het eerste boek van Mizee is dat ik heb gelezen. Wat een fantastische schrijfster: een eigen stijl, een eigen stem en heel grappig. ‘Elsschottiaans’ noemde uitgever en Elsschot-biograaf Vic van de Reijt het verhaal van deze ‘stijlkunstenaar.’ Tot mijn verbazing zijn haar eerdere boeken niet te verkrijgen. Gelukkig kon ik haar debuut Voor God en de Sociale Dienst (2000) van een vriend lenen – ook al zo geweldig.
misschien nog niet in deze prachtig vormgegeven uitgave. Het leek mij altijd onmogelijk en vooral onnodig om de woorden van Nescio van illustraties te voorzien – volkomen onterecht, toont Swarte aan. Goede reden om weer de sfeerschetsen van Nescio te lezen, zoals zijn herinnering ‘Pleziertrein’ met ‘de zoete en pijnlijke en onbegrepen weemoed, dat ’t voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.’ Mene Tekel werd ge

Voor Literair Nederland
Er verscheen een kunstboek, de nieuwe uitgebreidere editie van Leven? of Theater? En David Foenkinos schreef een bijzondere roman over haar leven, Charlotte. Als Charlotte begin twintig is, vlucht ze voor het nazigeweld naar het dan nog veilige Zuid-Frankrijk. Op aanraden van haar Franse huisarts tekent ze haar leven. Via haar gouaches herbeleeft ze haar jeugd, haar liefde voor de zangleraar van haar stiefmoeder en haar vlucht naar Frankrijk. David Foenkinos beschrijft op indrukwekkende wijze de bezetenheid waarmee Charlotte werkt. Het is ‘een creëren op de rand van de afgrond’. Charlotte werd vermoord in Auschwitz. Meer over Charlotte in de
Felix Nussbaum moest ook vluchten voor de nazi’s. Hij verblijft in Italië als die aan de macht komen. Uiteindelijk komt hij in België terecht, maar ook daar is hij niet veilig. Uit zijn werk blijkt de angst voor het opgepakt worden. Vier jaar weet hij uit handen van de Duitsers te blijven. Schaevers schrijft over Nussbaum ‘het oorlogsgevaar focust zijn werk.’ Orgelman is een prachtig verzorgde biografie met veel afbeeldingen van Nussbaums werk. Mark Schaevers ontving voor Orgelman de Gouden Boekenuil 2015.
rafie











weekblad New Yorker waar ze teksten heeft geredigeerd van de allergrootste stylisten–Philip Roth wilde met haar trouwen toen ze een verhaal van hem onder handen had genomen.
Een dierbaar kleinood is de heruitgave van Brooklyn door Truman Capote. Hij heeft er ooit gewoond en heeft de stad beschreven aan de hand van wandelingen rond zijn appartement. Zicht op Manhattan, waar hij later ging wonen. De fotograaf David Attie maakte voor de gelegenheid een geweldige reportage: Brooklyn in de jaren vijftig. Het geheel afgedrukt in een schitterend boekje, uitgegeven bij The Little Bookroom, New York. Met een paar foto’s van een nog engelachtige Truman.



