Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Wat is natuur nog in dit land?

    Wat is natuur nog in dit land?

    Zouden er nog mensen zijn die het de dichter Bloem nazeggen: ‘Natuur is voor tevredenen of legen’?

    In Woody Allen’s Manhattan stelt hoofdpersoon Isaac zich de vraag: ‘Why is life worth living?‘ Zijn antwoord: Groucho Marx, Willie Mays, het tweede deel van de Jupiter Symfonie, Potato Head Blues in de uitvoering van Louis Armstrong, Zweedse films, L’Education Sentimentale van Flaubert, Marlon Brando, Frank Sinatra, de appels en peren van Cézanne, de krab in een bepaald restaurant en, tenslotte, Tracey’s gezicht. Pas het laatste item op de lijst, het gezicht van het meisje waar hij verliefd op is, brengt hem in beweging.
    De natuur schittert hier door afwezigheid. De vruchten zijn geschilderd en de krab is gekookt.

    Nee, dan het volgende lijstje: egel, tuinslak, houtduif, zilvermeeuw, steekmug, veldmuis, pimpelmees, blauwe reiger, spreeuw, kruisspin. Tien dieren die we regelmatig te zien krijgen (als we onze ogen de kost geven) – en waar we mogelijk verveeld of geïrriteerd van wegkijken. Maar zijn het niet wonderen der natuur, met wie we de planeet delen en wat meer is, zijn ze geen familie?
    En is het besef dagelijks omringd te zijn door een verbluffende werkelijkheid, waar we bovendien zelf deel van uitmaken, niet een geweldige, troostrijke ondersteuning in het ongemakkelijke bestaan?

    Wat is zo’n braaf, cultureel kijk-mij-eens lijstje steriel en saai vergeleken bij wat de natuur ons biedt: het mirakel van de biodiversiteit en de spectaculaire levensvormen die we daar aantreffen. Richard Dawkins noemde niet voor niets een van zijn boeken over dit onderwerp The Greatest Show on Earth.

    Portretten
    Dat tiental beesten komt uit het boek In de ban van het beest, Nederlandse dieren door de ogen van hun kenners van Volkskrant-journalist Caspar Janssen, een erg fijn boek, waarin 65 in Nederland voorkomende dieren, sommige zeldzaam, andere algemeen voorkomend, worden geportretteerd in woord en beeld. 25 Van die 65 zijn vogels, 15 zoogdieren en 12 insecten. De rest is mengelwerk.
    De geschreven portretten beginnen en eindigen met een aanhalingsteken, want de auteur heeft zichzelf uit de tekst weggeschreven. Het zijn de enthousiaste kenners die het woord voeren. Het boek doet denken aan de natuurverkenningen van de onvolprezen Koos van Zomeren.

    De stukken, elk zo’n drie bladzijden groot, zijn wel wat opsommerig. Je moet er dus niet te veel achter elkaar lezen, want allemachtig, wat kom je veel te weten! En wat val je van de ene verbazing in de andere! Daarvan straks een paar voorbeelden.

    De begeleidende foto’s zijn mooi maar helaas erg gefotoshopt. Elke achtergrond is verwijderd. Hooguit is het takje te zien waar een vogel op zit; soms zie je de (kunstmatige?) schaduw van het dier. Erg onnatuurlijk. Bovendien doet het geen recht aan een onderwerp dat in dit boek telkens terugkomt, te weten de onverbrekelijke band tussen organisme en biotoop. Als illustratie zijn deze staatsieportretten eigenlijk nogal ouderwets.
    In het nawoord lezen we dat ‘bijna alleen foto’s van levende dieren’ zijn gebruikt. We kunnen dus gaan speuren naar de dode exemplaren. De insecten misschien? De raaf? Het fotoshoppen maakt het raden lastig.

    65 Dieren, dat betekent hier zo’n 60 specialisten. Daaronder zegge en schrijve vier vrouwen: voor de egel, het pimpernelblauwtje, de lepelaar en de boomvalk. De gemiddelde leeftijd is hoog; hele levens zijn vol toewijding in het veld doorgebracht. We komen bekende namen tegen, d.w.z. bekend bij het grote publiek, zoals Rob Bijlsma (maar niet met de wespendief), Remco Daalder (niet met de gierzwaluw) en Theunis Piersma (niet met de grutto). Menig geïnterviewde heeft gepubliceerd, is verbonden aan Wageningen of Naturalis en/of is actief in een gespecialiseerde studiegroep. Gezegend het land waar Stichting Anemoon actief is, Werkgroep Grauwe Kiekendief, de Oehoewerkgroep en nog zo veel andere clubs.
    Misschien doen we er bij In de ban van het beest goed aan, niet van 65 maar van 66 boeiende soorten te spreken, want hoort de toegewijde en enthousiaste geleerde niet ook in dat gezelschap thuis?

    Wat leert dit boek ons?
    We lezen over de achteruitgang van populaties in verband met de veranderingen in de landbouw (ook over vooruitgang, want er is soms gelukkig goed nieuws). Over de gevolgen van de klimaatverandering. Over opvattingen omtrent bepaalde soorten die dankzij langdurige observatie (‘monitoring’) en degelijk denkwerk misvattingen blijken te zijn. Over ‘uitsterven’ (het telkens weer misbruikte woord om het lokaal verdwijnen van een soort mee aan te duiden) enerzijds en over herintroductieprojecten en oprukkende exoten anderzijds. Over eten en gegeten worden en de dwingende voortplantingsdrang, het alfa en omega van het dierenbestaan. Kortom, over ontwikkelingen in de natuur, over gedragspatronen van soorten en over verbazingwekkend en soms ontroerend gedrag van individuele dieren. Macro en micro. Alles geïllustreerd met talloze soortspecifieke voorbeelden.
    Al deze dingen vindt u, globaal, ook wel in krant en weekblad. Maar dit boek geeft u daarenboven een schat aan miraculeuze wetenswaardigheden die een mens doen beseffen: de werkelijkheid is het ware wonder.

    Drie voorbeelden
    Over de haas: ‘(…) dat jonge hazen elke avond, drie kwartier na zonsondergang, terugkomen naar de plek waar ze zijn geboren (…) Een kwartier later komt ook de moeder en worden de jongen gezoogd. De moeder zit daar drie minuten; dan heeft ze er genoeg van en springt ze weer weg. Na ongeveer een maand komt de moeder niet meer (…) Sindsdien denk ik vaak, een uur na zonsondergang: op dit moment worden alle jonge haasjes in heel Nederland gezoogd’.
    Over de grauwe gans: ‘Grauwe ganzen zijn monogaam; ze blijven hun hele leven bij elkaar, totdat een van beide komt te overlijden. Dan zoekt de overblijvende meestal, na een tijdje, een nieuwe partner. Maar soms gaat de overblijvende gans ook snel dood, uit een soort verdriet. Ik heb het zelf wel gezien, zo’n beest dat heel hoog in de hiërarchie staat, zijn partner verliest en dan zieligjes, alleen, aan de rand van de groep zit. En vervolgens is hij binnen no time ook dood’.
    Over de rode bosmier: ‘Mieren hebben over belangstelling niet te klagen. Van ingenieurs, vanwege de constructie van mierenhopen, maar ook van filebestrijders vanwege het feit dat er op de mierenpaden geen files voorkomen. In het verleden bestudeerden veel paters mieren, waarschijnlijk omdat ze onder de indruk waren van de discipline en opofferingsgezindheid van de werksters, die zichzelf immers niet voortplanten’.
    Deze citaten laten meteen zien hoe voortreffelijk Caspar Janssen de verhalen heeft opgeschreven.

    Ach, die Isaac uit Manhattan, alter ego van zijn schepper, is een grootsteedse, ongehuwde, kinderloze, neurotische intellectueel voor wie Central Park al het summum van wilde natuur is. Hij zou dit boek moeten lezen.

  • Boeken met potloodstreepjes

    Boeken met potloodstreepjes

    De brieven van Frans Kellendonk.
    Dit jaar las ik twee brievenbundels die allebei een verpletterende indruk maakten: The Habit of Being (1979) van de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor en de brieven van Kellendonk. Ik lees hun brieven en ik ga van deze personen houden. Beide bundels staan vol met mijn potloodstreepjes. Zoals bij deze passage waar Kellendonk een verklaring geeft voor ‘het dikke gedoe van schrijvers’: ‘Je kent toch dat gevoel wel, als je bijvoorbeeld een brief terugziet die je tien jaar geleden aan iemand hebt geschreven, hoe je dan van binnen hol kunt worden van schaamte – terwijl het toch een nette, misschien zelfs amusante brief is. Iemand die een boek heeft gepubliceerd dat iedereen kan lezen heeft dat honderd keer erger; want hij vergeet dat hij de enige is die weet hoezeer hij zijn ziel in dat boek heeft blootgelegd.’ Nu verder met het Verzameld Werk van Kellendonk – ik ben heel benieuwd naar zijn essays.

    Hotel de grote LHotel de Grote L van Sjoerd Kuyper.
    Kuyper ontving in 2012 de Theo Thijssen-prijs voor zijn oeuvre (dat bestaat uit meer dan vijftig jeugdboeken, waaronder Het zakmes en die heerlijke verhalen over de kleuter Robin). In dit boek is de dertienjarige Kos aan het woord in zijn dagboek, of eigenlijk ‘dagbandrecorder’, over wat hem in de maand mei is overkomen. Het begint op een perfecte dag, 12 mei: ‘Zo’n dag was het: om grote plannen uit te voeren. Om kampioen te worden. Om verliefd te worden. Om je naam met een spuitbus op de maan te zetten.’ Daarna volgt de ontroerende, spannende en grappige coming-of-age-ontwikkeling van deze ‘stotteraar in de liefde.’

    Voor altijd voor het laatst van Tjitske Jansen. Voor altijd voor het laatst
    De gedichten uit Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003) en Koerikoeloem (2007) komen in de buurt van proza. Het proza in deze bundel is altijd poëtisch. Poëzie of proza: misschien is er bij Jansen weinig verschil, behalve dan dat je nu méér bladzijden mag genieten van al die observaties, gedachtes en herinneringen. ‘Een combinatie van precies zijn en weglaten. Daar ging het om,’ concludeert zij in een van de stukjes. En dat is precies wat zij in deze bundel doet.

    De halfbroer van Nicolien Mizee.
    De halfbroerIk moet bekennen dat dit het eerste boek van Mizee is dat ik heb gelezen. Wat een fantastische schrijfster: een eigen stijl, een eigen stem en heel grappig. ‘Elsschottiaans’ noemde uitgever en Elsschot-biograaf Vic van de Reijt het verhaal van deze ‘stijlkunstenaar.’ Tot mijn verbazing zijn haar eerdere boeken niet te verkrijgen. Gelukkig kon ik haar debuut Voor God en de Sociale Dienst (2000) van een vriend lenen – ook al zo geweldig.
    Lodewijk Brunt schreef voor Literair Nederland een recensie.

     

    Mene Tekel van Nescio met tekeningen van Joost Swarte. U heeft natuurlijk het volledige oeuvre van Nescio in huis, maar mene tekelmisschien nog niet in deze prachtig vormgegeven uitgave. Het leek mij altijd onmogelijk en vooral onnodig om de woorden van Nescio van illustraties te voorzien – volkomen onterecht, toont Swarte aan. Goede reden om weer de sfeerschetsen van Nescio te lezen, zoals zijn herinnering ‘Pleziertrein’ met ‘de zoete en pijnlijke en onbegrepen weemoed, dat ’t voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.’  Mene Tekel werd gerecenseerd voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Nieuwsberichten uit onbekend gebied

    Nieuwsberichten uit onbekend gebied

    Ik besta, nog in leven,
    uit een warm lijf, omgeven
    door al zijn producten:
    zo’n zestig boeken gevuld
    met soms wel gelukte
    gedichten en stukken.

    Zo’n zeven decennia waarde Leo Vroman rond in de Nederlandse literatuur, haast zonder er ooit lijfelijk bij te zijn want hij woonde sinds 1947 in Amerika. Zestig boeken schreef hij naar eigen zeggen. In 1974 verscheen het gedicht ‘stijlfiguren: de asyndetische vergelijking’, dat opgenomen werd in Lodewick’s Literatuurgeschiedenis van na 1916. De vergelijking-zonder-verbindingswoord. Ik herinner me de huivering van: ‘dit papier; mijn huid’. De directheid ervan: de kracht van dat beeld, dat het papier de huid van de dichter zou zíjn.

    Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
    verzacht het vreemde door de druk verstenen
    van het geschreven woord, of spreek het uit.

    Menige verzen heb ik al geschreven,
    ben menigeen een vreemdeling gebleven
    en wien ik griefde weet ik niets te geven:
    liefde is het enige.

    Aan de lange rij van Vromans dichtbundels is nu met Die vleugels II een einde gekomen. Na het lezen van deze omvangrijke bundel en terugkijkend naar bijvoorbeeld dit vers zie je hoe constant dit oeuvre uiteindelijk is.

    Die vleugels II − naar wens van de dichter een pendant gebleven van zijn laatste bundel Die vleugels − bestaat uit enkele honderden gedichten geschreven tussen zomer 2012 en 10 februari 2014. Vroman stierf op 98-jarige leeftijd op 22 februari 2014. Dit boek vormt dan ook een voor iedereen toegankelijk document van de laatste jaren van een mens. De wijze waarop hij omziet, de manier waarop hij de dood tegemoet treedt. Wat daarbij opvalt is de constante van dat stukje uit het gedicht van 1974: ‘liefde is het enige’, Vromans testament is een niet-religieus testament van de liefde. De zeer lichte toon in vrijwel al zijn latere poëzie springt echt in het oog. Waaruit bestaat deze lichtheid? Allereerst: rijm. Rijm is de bougie van Vromans dichterschap, hij zet zichzelf eenvoudig aan door middel van rijm. Zijn rijm is in dit late werk soms stuntelig of eerder: snel goed genoeg, maar levert toch weer heel vaak een verrassend beeld op:

    Ik wil niet graag meer willen.
    ik vind dat het iets heeft
    van een paard dat zijn eigen billen
    zweepslagen geeft.

    Dit is geen geslaagde strofe, maar het doet er niet toe bij Vroman, de zin in zijn hoofd ‘dat hij niet meer wil willen’ laat immers maar weinig mogelijkheden voor de derde zin. En knap is dan dat het beeld veelzeggend is: willen als jezelf voortdwingen, en daar genoeg van hebben. Overigens weeft Vromans er nog regelmatig moeiteloos een volmaakt sonnet doorheen. Je ziet aan de gedichten dat aardse faam of technische volmaaktheid volledig buiten Vromans aandachtsgebied liggen: hij schrijft gedichten omdat hij dat al zo’n lang leven doet. Vromans poëzie is mindful: oordeelloos, in het heden.

    Deze bundel is een oefening in laconiek sterven. Vromans schrijffrequentie is hoog: op sommige dagen schrijft hij 3 gedichten. Als het lichamelijk minder ging, is hij er soms een paar dagen uit. Zijn wereld is klein: het uitzicht vanuit een hoog gebouw, het weer, dat zijn de weinige impulsen van buiten die het tot in de gedichten redden. Veel van het werk gaat op een luchtige manier − slechts een heel enkele keer vermoed je een dichtgeschroefde keel − over het einde. Wat opvalt is het opmerkelijke weinig voorkomen van een ‘verleden’. Op blz. 206 staat er zo een: de dichter sluit de lamellen en stelt zich het schemerlicht van Indische middagen voor: ‘ik hoop dat Java nog zo is / als het Java dat ik nog zo mis.’ Maar waarom zijn herinneringen in dit werk zo zeldzaam? Omdat je iets herinneren en ‘laconiek sterven’ niet verenigbaar zijn? Omdat een groot verleden ẻn uitzicht op de dood altijd tot droefenis moet leiden? Dan valt bij lezing opeens op wat deze poëzie allemaal níet is: zij is níet zwaarmoedig, níet cultuurpessimistisch, níet herinnerend en toch diep.

    want ik heb wel verdriet
    maar ik voel het niet

    Voegt hij dan raadselachtig de lezer nog ergens toe.

    Dit

    Ik noem mijn boek meestal een stel gedichten
    maar deze keer doe ik dat niet,
    ik noem het een stel nieuwsberichten
    uit een onbekend gebied,
    een door bliksemlicht verlichte
    geschiedenis waar niets in geschiedt,

    een dagboek van lange nachten
    waarin de daden en de dingen
    van overdag nog even trachten
    de ware dromen en gedachten
    te verdringen,

    en ik leef nog in de wankelende waan
    dat dit alles beter is geweest
    dan ik het zelf heb kunnen maken.

    Laat mij maar slapende geloven aan
    een lieve bovenaardse geest
    en nooit ontwaken.

    Zeer dicht bij de dichter zelf is deze poëzie en daardoor soms ook wat klein. Het klinkt haast blasfemisch, maar je er kunt vraagtekens bij zetten of we alle pakweg 220 gedichten in deze bundel moeten hebben willen lezen. Maar het vreemde is dat je dat − eenmaal begonnen − toch doet. Omdat Die vleugels II veel meer is dan een dichtbundel, het is een verzameling afsluitende observaties van een leven, een verzameling waarin verbazing, liefde en lichtvoetigheid nog de boventoon kunnen voeren. En dat is mateloos intrigerend in een hoofd van 98 jaar: ‘slotakkoorden van mijn stoffelijk bestaan.’
    Vroman deed het weer: direct het papier van deze bundel zijn levende huid te laten zijn.

    Dinsdag, 20 augustus 2013

    Misschien ontplooit zich Wereldvrede
    niet als een mooi Donderslag
    of het hijsen van een Nieuwe Vlag,
    maar met kleinigheden:

    De krant is maar 1 pagina,
    het Nieuws is ochtendgymnastiek,
    iets over mussen, en daarna
    klassieke muziek,

    je moet opeens een vijand bellen
    die lang geleden
    is overleden

    en hem eindelijk vertellen
    dat haat, dat liefde, dat
    ja     wat

     

    Deze bespreking verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater.

    ,
  • Terugblikken

    Terugblikken

    Het Rijksmuseum organiseerde van 12 februari 2015 t/m 17 mei 2015 de tentoonstelling De late Rembrandt. De tentoonstelling werd heel goed bezocht, misschien wel te goed. Museumdirecteur Wim Pijbes pareerde kritiek van mensen die het te druk vonden met de opmerking dat zij dan maar hun eigen Rembrandt moesten kopen. Gelukkig is er een mooie catalogus van deze tentoonstelling gemaakt. Een unieke herinnering aan een unieke tentoonstelling.

    DPS design & prepress studioVoor Literair Nederland recenseerde  ik De Jonge Bruid van Alessandro Baricco. Het is een verhaal vol mooie (natuur)beelden en herinneringen. Herinneringen zijn belangrijk in dit boek. De schrijver verliest zijn laptop waarop hij zijn boek heeft geschreven. Hij heeft geen back-up gemaakt. Maar hij heeft het hele verhaal nog in zijn hoofd. Het is een ‘gelaagde optelsom van alle zinnen’ die eerst zijn bedacht, daarna opgeschreven en vervolgens herinnerd. ‘Objectief gezien was ik niet alleen mijn boek niet kwijtgeraakt, maar in zekere zin had ik het juist in al zijn volheid teruggevonden, nu het onstoffelijk was geworden en zich had teruggetrokken in het winterverblijf van mijn geest. Ik kon het op elk gewenst moment naar de oppervlakte halen […] en dan kwam het tevoorschijn met een ongrijpbare pracht tegenover welke de nette orde van een gedrukte pagina blijk gaf van de starheid van een grafsteen.’

    Het werk van Charlotte Salomon (1917-1943) staat in 2015 weer volop in de belangstelling. Charlotte Er verscheen een kunstboek, de nieuwe uitgebreidere editie van Leven? of Theater? En David Foenkinos schreef een bijzondere roman over haar leven, Charlotte. Als Charlotte begin twintig is, vlucht ze voor het nazigeweld naar het dan nog veilige Zuid-Frankrijk. Op aanraden van haar Franse huisarts tekent ze haar leven. Via haar gouaches herbeleeft ze haar jeugd, haar liefde voor de zangleraar van haar stiefmoeder en haar vlucht naar Frankrijk. David Foenkinos beschrijft op indrukwekkende wijze de bezetenheid waarmee Charlotte werkt. Het is ‘een creëren op de rand van de afgrond’. Charlotte werd vermoord in Auschwitz. Meer over Charlotte in de recensie voor Literair Nederland.

    Net als Charlotte werd Felix Nussbaum (1904-1944) in Auschwitz vermoord. Mark Schaevers verdiepte zich in leven en werk van deze Duitse kunstenaar met als resultaat de mooie biografie.Orgelman Felix Nussbaum moest ook vluchten voor de nazi’s. Hij verblijft in Italië als die aan de macht komen. Uiteindelijk komt hij in België terecht, maar ook daar is hij niet veilig. Uit zijn werk blijkt de angst voor het opgepakt worden. Vier jaar weet hij uit handen van de Duitsers te blijven. Schaevers schrijft over Nussbaum ‘het oorlogsgevaar focust zijn werk.’ Orgelman is een prachtig verzorgde biografie met veel afbeeldingen van Nussbaums werk. Mark Schaevers ontving voor Orgelman de Gouden Boekenuil 2015.

    Een biografie die niet onvermeld mag blijven is de bioghuijser-buddingh-2015-188x300rafie die Wim Huijser schreef over Cees Buddingh’ (1918-1985). Als lezer ga je houden van deze schrijver / dichter die dit prachtige gedichtje over zijn echtgenote Stientje schreef:  als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat / hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt: / dan kan ik haar net zolang nakijken / als wanneer ze halte vogelplein neemt / en zie ik haar bovendien nog een keer / voorbijkomen in de bus.

     

     

  • Paradoxaal

    Paradoxaal

    Silence out loud is de titel van de tentoonstelling die de schrijver Joost Zwagerman vlak voor zijn dood samenstelde. Het is een luidruchtige ode aan de stilte, zoals een bevriende kunstpaus de onderneming typeerde. Voor wie het werk van Zwagerman kent is zo’n paradox niet verrassend. Zwagerman had twee gezichten, schrijft Carel Peeters in zijn zojuist verschenen essaybundel De cultuur van de paradox: aan de ene kant het gezicht van de Bekende Nederlander, niet van het tv-scherm weg te branden en altijd het hoogste woord, aan de andere kant een schaduw-ik die gedreven werd door de wens liever niet te willen bestaan. Zijn hele oeuvre is in dat licht te zien, of zoals Peeters zegt: Het wemelde van tegenstellingen in Zwagermans hoofd. Hij wilde altijd twee dingen tegelijk: deelnemen en toekijken, een grens over en thuisblijven, het alles en het niets.

    Cultuur van de paradox
    Maar de paradox geldt niet alleen voor Zwagerman, Peeters heeft een cultuur van de paradox ontdekt–Bas Heijne is radicaal in het midden, Michaël Zeeman een flexibel absolutist, Gerrit Komrij een gelukkige schizo, Patricia de Martelaere bevindt zich in de hitte van de kou. Een uitdagende gedachte. Peeters lijkt bij uitstek degene die zo’n gedachte kan formuleren en uitwerken, hij is een wandelende encyclopedie. De oud-redacteur van de ooit befaamde Boekenbijlage van Vrij Nederland heeft hele bibliotheken in zijn hoofd, kent de Nederlandse literatuur als geen ander en is op de hoogte van het internationale literaire discours. Met het grootste gemak schudt hij een stuk of twintig intellectuele portretten uit zijn mouw van schrijvers, essayisten, filosofen en zelfs economen; dit alles in korte stukken waarin het werk van de besproken personen tot de kern wordt teruggebracht.

    Verhelderend?
    Maar hoe geleerd Carel Peeters ook mag zijn, de vraag is of zijn perspectief werkt: is deze benadering verhelderend? Bij een paradox gaat het om tegenstellingen waarvan de polen van gelijk gewicht zijn, daar valt eigenlijk niet tussen te kiezen, zoals Peeters zegt. Het gaat om zaken als emotie en verstand, gelijkheid en ongelijkheid, lichaam en geest, schijn en wezen. De paradox is zelf een paradox, aldus de auteur, waar geleefd en nagedacht wordt ontstaan paradoxen. Zo bezien is een paradox zo’n beetje alles en daarmee loop je het risico dat het begrip zijn onderscheidend vermogen verliest. Is de Zwagermanparadox, waarbij de behoefte aan publieke aandacht en commercieel succes ondermijnd werd door een ongecontroleerde doodsdrift, eenzelfde soort paradox als die van dichter en nar, volgens Peeters karakteristiek voor Gerrit Komrij? Bij de een is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis, zou je denken, bij de ander van een pose; de een heeft betrekking op de kern van iemands bestaan, de ander op een bepaalde, literaire, levensstijl. In andere portretten is het nog moeilijker om aan te wijzen waarin precies het paradoxale schuilt, soms denk je aan dilemma’s, soms aan intellectuele beperkingen. Susan Sontag’s paradox, if any, had toch vooral te maken met haar volstrekte warhoofdigheid en politieke verdwazing.

    Zijspoor
    Af en toe lijkt de ingang van de paradox zelfs een beetje naar een zijspoor te leiden. Wellicht is het werk van Zwagerman, de Martelaere of Zeeman aan de hand van een simpele tegenstelling te verduidelijken, het gaat tenslotte om doorsnee auteurs of denkers, die niet boven de middelmaat uitstijgen. Maar bij intellectuele hoogvliegers als Amartya Sen, Isaiah Berlin, Charles Darwin of Alexis de Tocqueville raak je de weg kwijt: hun werk is te complex, gelaagd en veelzijdig om er een simpele formule op toe te passen. Er kleeft misschien iets paradoxaals aan de aristocraat Tocqueville die met bewondering schrijft over de Amerikaanse democratie, maar zijn rijke observaties en etnografische beschrijvingen vormen uiteindelijk het fundament waarop zijn visie berust en daar is niets paradoxaals aan te ontdekken. En het is maar de vraag of Amartya Sen zelf zijn pleidooi voor een ‘sociaal bewogen kapitalisme’ paradoxaal zou vinden, je dwingt de auteur daarmee in een korset dat hem niet past. Peeters’ bewering dat India dankzij Sen een bloeiende economie en een werkende democratie zou hebben is ridicuul.

    Peeters is het best op dreef in zijn stuk over de opkomst van de romantiek: Authentiek kunstmatig. Ook stilistisch – er klinkt plezier en bevlogenheid door in het betoog, een welkome afwisseling van het soms nogal knarsende proza in de rest van het boek. Hij beschrijft de opborreling van het verzet tegen de Verlichting omstreeks 1800. Het binnenste van de mens werd aangepakt, schrijft hij: de ziel, de fantasie, de droom, het spirituele, het ik, het verlangen, het demonische, het bovenzinnelijke, de diepte en het oneindige. Deze door de Romantiek blootgelegde verzameling van menselijke gevoeligheden werd geconfronteerd met de permanente antithese van het rationalisme, van de logica, de wetten, de regels, het systematische. Het was een bron voor het ontstaan van paradoxen.
    Het onderzoeken van de tegenstelling tussen ‘wet en werkelijkheid’ is een veelbelovende strategie om door te dringen in een cultuur, om diepere lagen aan te boren en grenzen vast te stellen, maar wie alles ophangt aan de paradox verliest makkelijk de nuance uit het oog.

     

     

  • Verder leven

    Verder leven

    Nora zou ‘in de rust van deze winteravonden bedenken hoe ze ging leven’ na de dood van haar man, Maurice, een leraar. Het is het soort zinnen dat je kunt verwachten in een groots en meeslepend epos. De lezer van dit door Anneke Bok mooi vertaalde boek van de grote Ierse schrijver Colm Tóibín komt niet bedrogen uit.

    Stilte
    Nora leeft aan het begin van het boek lichamelijk in het heden, en laat haar haar – tot ontsteltenis van veel mensen – in een jeugdig aandoende kleur bruin verven, terwijl ze qua gedachten in het verleden verkeert. Ze vraagt zich af wat haar beide zoons zo veranderde: de dood van hun vader, iets anders of meer dan dat. De één, Donal, stottert na de dood van Maurice meer en de ander, Conor, plast tijdens een logeerpartij bij een tante weer elke avond in bed. Ze zijn allebei bang. Dat hun moeder óók dood zal gaan, bang als er een stilte valt, dat er geen geld is voor hun studie of voor vakantie. Terwijl Nora juist van die stilte geniet, wanneer ze lid is geworden van een koor en ze zangles krijgt, ‘het gevoel had dat ze in de stilte zong; ze was zich net zo bewust van de stiltes als van de noten’.
    Allerlei mensen uit het verleden doemen na de dood van Maurice plotseling weer op, zoals oud-leerlingen van hem en haar vroegere werkgever. Nora bekijkt ze met enige verwondering. De auteur beschrijft de personages binnen de context van hun sociale omgeving die door alle rangen en standen heen loopt en van rooms-katholiek – zoals zij – tot protestant. Wat ze veelal gemeen hebben, is dat het lijkt of ze allemaal een toneelstukje voor Nora opvoeren. Alleen haar zoons zijn ‘echt’: Donal ‘verstond de kunst om haar gedachten te lezen en een situatie in te schatten, iets wat Conor nog niet had en misschien wel nooit zou ontwikkelen (…). Ze voelde zich soms angstig in gezelschap van Donal, maar in gezelschap van Conor kon ze zich nog angstiger voelen, angstig door zijn onschuld, zijn lieve loyaliteit en zijn openlijke behoefte om verzorgd te worden’.

    Eenzaamheid
    Bij haar twee dochters, Fiona en Aine, die allebei het huis uit zijn, voelt Nora zich buitengesloten. ‘Of misschien had zij hen buitengesloten’. Het gevoel van eenzaamheid dat haar bekruipt na de dood van Maurice, het vertrek van de dochters uit het ouderlijk huis en ten aanzien van de opgroeiende jongens, blijkt uit een observatie als: ‘Ze ging een eind wandelen, maar kwam niemand tegen die ze kende, omdat ze met niemand over Derry van gedachten kon wisselen’. Derry slaat op de ongeregeldheden in Noord-Ierland, eind jaren zestig van de vorige eeuw, die het boek ongemerkt binnensijpelen.
    Nora komt, in het klein, net als in Derry in het groot gebeurt, voor haar rechten op. Dat doet ze op het kantoor waar ze werkt, en waar ze wordt overgehaald lid van een vakbond te worden. Haar parttime baan geeft haar tijd zangles te nemen bij een ex-non die is getrouwd met een a-muzikale man. Ze oefenen in een geluiddichte kamer om hem niet te storen, ‘afgesloten van wat er werkelijk gebeurde’. Van Derry, van de twee jongens en  hun angst of er bijvoorbeeld nog genoeg geld is om het leven voort te zetten zoals ze dat voor de dood van hun vader gewend waren, van de overheersende herinneringen aan Maurice.

    Muziek
    Door de muziek leert Nora meer mensen kennen, zoals Eilis in Tóibíns roman Brooklyn in vergelijkbare zin door dansavonden open bloeit. En ‘toen de muziek klonk (…), voelde Nora hoe eenzaam’ sommige mensen waren. Een rooms-katholieke vrouw die zich openstelt voor kunst én de mensen om zich heen. Ze groeit hierdoor. Zozeer zelfs dat ze ingaat tegen een besluit van het hoofd van de school waarop Conor zit. Hij wil Conor zonder overleg en om onduidelijke redenen overplaatsen naar een andere klas, en dit neemt ze niet. Ze gaat naar de kloosterschool waar Conor op zit en wordt nu overvallen door een andere, beangstigende stilte, het tegenovergestelde van de stiltes die ze tijdens haar zangles heeft leren kennen.
    Door haar aandacht voor muziek heeft ze minder oog voor de problemen van Donal, die naar zijn oudste zus, tante en oom trekt. Er wordt besloten dat Donal de laatste twee jaren van een kostschool gaat doen, waar hij zijn draai eerst niet kan vinden, maar op het moment dat ze elkaar meer toegang tot hun gevoelsleven geven, gaat het beter met hem en neemt zelfs zijn gestotter af.

    De toekomst
    Een zwak punt in het boek is dat vanaf het begin een zekere dreiging voelbaar wordt gemaakt, waarbij de ontknoping in het niet valt: dochter Aine neemt enkele dagen haar telefoon niet op en blijkt te demonstreren in Dublin. Aan het eind krijgt alles geen noodlottige wending, maar juist één richting het geloof. Donal leert van een pater dat het geloof ‘n-niet is als twee plus twee, maar meer of je licht toevoegt aan w-water’.
    Nora’s zangdocente stelt een koor samen om in Wexford Brahms’ Ein deutsches Requiem te zingen. Door middel hiervan maakt Tóibín een statement: een dodenmis van een protestants componist in het verdeelde Ierland. Het is een nieuw begin, waarin de dood van Maurice verwerkt lijkt te zijn. Niet alleen voor Nora, maar ook een visioen voor een leefbaar Ierland. Het geeft iets aan van de subtiliteit die Tóibíns stijl kenmerkt. En van de doordachtheid die tussen de regels doorschemert, zodat het nooit melodramatisch of sentimenteel wordt. Tóibín biedt zo als het ware levenslessen over hoe om te gaan met angst, verlies en tegenslag. Muziek speelt daarin een grote rol. En stilte.

  • De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    De Holocaust als geschiedenis en waarschuwing 

    Timothy Snyder beschreef in zijn vorige boek Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011) de geschiedenis van Oost-Europa tussen 1933 en 1945. Stalin en Hitler zijn verantwoordelijk voor de dood van veertien miljoen mensen in de ‘bloedlanden’, Polen, Oekraïne, de Balkan, Wit-Rusland en de Baltische staten.

    Uit het voorwoord van Snyders nieuwe boek Zwarte aarde. Geschiedenis van de Holocaust (2015): ‘Terecht associëren we de Holocaust met de ideologie van de nazi’s, maar we vergeten dat veel van de moordenaars geen nazi’s en zelfs geen Duitsers waren.’ De geschiedenis van de Holocaust is niet voorbij, betoogt Snyder: ‘Het precedent ervan is eeuwig en de lessen ervan zijn nog niet geleerd.’ De exacte combinatie van ideologie en omstandigheden uit 1941 zal zich niet opnieuw voordoen, maar iets wat er op lijkt mogelijk wel: ‘De moeite die nodig is om onszelf te begrijpen is […] een deel van de poging om het verleden te begrijpen.’

     

    Snyder begint zijn studie met een schets van de politieke situatie van de jaren dertig en het wereldbeeld van Hitler. Na de Eerste Wereldoorlog was er een groot gebrek aan voedsel in het verslagen Duitsland. Hitler vond dat het Duitse volk meer ruimte (‘Lebensraum’) nodig had om de ecologische crisis op te lossen. Dit thema verbond hij aan zijn antisemitische opvattingen. Snyder: ‘Hitlers wereldvisie bewerkstelligde de Holocaust niet helemaal in zijn eentje, maar de verborgen samenhang ervan genereerde nieuwe typen destructief beleid en nieuwe kennis omtrent het menselijk vermogen tot massamoord.’

    Oost-Europa
    Polen, Letland en Litouwen verloren door de gezamenlijk Duits-Sovjetinvasie (1939/1940) hun soevereiniteit. Over de pogroms in Polen is na de Tweede Wereldoorlog veel geschreven. Maar over de gebeurtenissen in Letland, Estland en Litouwen is minder bekend. De reden volgens Snyder: ‘Geen enkele belangrijke historicus die over de Holocaust publiceerde, leerde na 1989 een Oost-Europese taal, al kwam er een schat aan bronnen en secundaire literatuur vrij.’ Mede op basis van deze nieuwe bronnen beschrijft Snyder hoe de ‘staatvernietigers’ in Letland en Litouwen te werk gingen. De geheime politie van de Sovjets (NKVD) zorgde ervoor dat de politieke elite in die landen werd afgezet, vermoord of naar de goelag gestuurd. De Sovjets onteigenden de bezittingen van de veelal Joodse zakenlieden. Toen de Duitsers deze landen binnenvielen, waren de Sovjets druk met deportaties naar de goelag. In juni 1941 viel het staatsvernietingsproject van de Sovjets samen met dat van de Duitsers. De Duitsers ‘leerden […] de ervaring van de Sovjetbezetting uit [te] buiten om de meest extreme doelen van henzelf na te jagen, en wat ze uitvonden was de politiek van het grotere kwaad.’ In de chaos van de dubbele bezetting ontstond een nieuw beleid: Joden deporteren en vermoorden. Snyder omschrijft dit beleid als een ‘spontane creatie van Duitsers en de lokale bevolking’. Overal waar de staat vernietigd was, al dan niet door dubbele bezetting, werden vrijwel alle Joden vermoord: ‘In de zone van dubbele duisternis, waar nazicreativiteit en Sovjetprecisie samenkwamen, werd het zwarte gat ontdekt.’ Zo begon de Holocaust in het tweemaal achter elkaar bezette Litouwen en Letland. Hier escaleerden de ‘schijnbaar chaotische moordpartijen in een systematische Endlösung.’ De Duitsers ontwikkelden nieuwe technieken voor hun moordpraktijken. Eerst met kogels en kuilen, massagraven, later met uitlaatgassen en verbrandingsovens. Eind 1941 waren bijna alle Litouwse en Letlandse Joden vermoord. Snyder: ‘Het merendeel van de nog overgebleven Joden in Europa moest naar een plaats met de naam Auschwitz.’ Auschwitz is synoniem geworden voor de Holocaust als geheel, maar de meeste Joden zijn in het oosten vermoord – aan de rand van kuilen die waren gegraven in de zwarte aarde van de Oekraïne – nog voordat dit kamp een vernietigingskamp werd.

    West-Europa
    Na Oost-Europa richt Snyder zijn blik op de landen in West-Europa die niet ‘vernietigd’ waren, maar wel onder de Duitse overheersing vielen. Hij onderscheidt drie soorten landen. Marionetstaten, landen die gecreëerd waren na de vernietiging van andere staten (Slowakije, Kroatië);  bondgenoten van nazi-Duitsland (Roemenië, Bulgarije, Hongarije, Italië) en veroverde en bezette landen (Frankrijk, Griekenland en Nederland). De staatsinstituties van deze landen waren in verschillende mate aangetast ‘zonder volledig vernietigd te zijn.’ Voor ieder land beschrijft hij wat er met hun Joden gebeurde. Snyder: ‘De geschiedenis van hun Joden bevestigt het verband tussen soevereiniteit en overleving.’ Politiek filosofe Hannah Arendt schreef al tijdens de oorlog: ‘Alleen met staatloze mensen kon je doen wat je wilde’ en ‘De eerste essentiële stap op weg naar totale overheersing is de rechtspersoon in de mens vermoorden.’

    Redders en geredden
    Tegenover de geschiedenis van de vermoorden zet Snyder de verhalen van de overlevers. Joden die de oorlog overleefden hadden veelal hulp gekregen van niet-Joden, schrijft Snyder in het hoofdstuk ‘Redders in het grijze gebied’. Het afbreken van de staat betekende het afbreken van de bescherming door de staat. Identiteitspapieren waren cruciaal, want die stonden gelijk aan erkenning door de staat. Snyder beschrijft hoe de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg erin slaagde het leven van veel Hongaarse Joden te redden door het uitreiken van ‘beschermpaspoorten’.

    Het boek bevat diverse getuigenissen van Joden en hun redders. De een helpt uit naastenliefde, een ander handelt uit een gevoel voor rechtvaardigheid, de wil om het goede te doen. Maar alle hulp ten spijt, velen verloren hun leven in het vernietigingskamp dat het symbool werd voor de Holocaust. Auschwitz was vanaf maart 1942 tot januari 1945, tot de bevrijding door het Rode Leger, een vernietigingskamp. Naar schatting zijn in Auschwitz 1,3 miljoen mensen vermoord.

    Een gewaarschuwd mens
    Volgens Timothy Snyder is de Holocaust niet alleen een geschiedenis, maar ook een waarschuwing. De oorspronkelijke ondertitel van het boek luidt: The Holocaust as History and Warning. In het slothoofdstuk schrijft hij: ‘We leven op dezelfde planeet als Hitler en hebben deels dezelfde zorgen; we zijn minder veranderd dan we denken.’ Het gevaar van het uiteenvallen van staatsstructuren koppelt hij aan het gevaar van een ecologische crisis, een voedsel- en of drinkwaterschaarste die bijvoorbeeld kan ontstaan door de opwarming van de aarde. Tijdens een oorlog in het Midden-Oosten om de middelen van bestaan is het bijvoorbeeld goed mogelijk dat partijen elkaar ‘de schuld gaan geven zowel van plaatselijke problemen als van de algehele ecologische crisis; dat was ook hoe Hitler het aanpakte.’

    Snyder wijst ook op mogelijk ecologische crises in andere landen. China heeft de nodige hongersnoden gekend en ziet Afrika als een bron voor voedsel. Rusland annexeerde de Krim en de Oekraïne: ‘De vruchtbare grond van het vaste land van Oekraïne, zijn zwarte aarde, maakt het tot een heel belangrijke exporteur van voedsel, iets wat Rusland niet is.’ Poetins invasie ‘baant de weg voor vernietiging van staten.’ Ook in Afrika kunnen lokale problemen wereldomvattend worden. Voorbeelden: de hongersnood in Somalië, de ecologische crisis en de massamoorden in Rwanda. Snyders  waarschuwing is duidelijk: ‘Klimaatverandering als een lokaal probleem kan tot lokale conflicten leiden; klimaatverandering als een mondiale crisis kan tot de roep om mondiale slachtoffers leiden.’ Een nieuwe Holocaust is niet uit te sluiten.

    Op basis van recente Oost-Europese bronnen biedt Snyder een nieuw perspectief op wat zich er in de Baltische Staten heeft afgespeeld. Hij toont overduidelijk aan dat de ‘dubbele staatvernietiging’ in zeer korte tijd leidde tot ‘nieuwe typen destructief beleid.’

    ‘Het kwaad dat de Joden is aangedaan kan niet ongedaan gemaakt worden’, schrijft hij tot slot, maar ‘inzicht krijgen in de Holocaust is onze kans […] om de mensheid te redden. […] We móéten er ook inzicht in krijgen, zodat we een herhaling in de toekomst kunnen voorkomen. Dat moet genoeg zijn voor ons en voor degenen die – laten we het hopen –  na ons komen.’

    Timothy Snyder heeft met Zwarte Aarde een zeer aangrijpend boek geschreven.

     

    Timothy Snyder (1969) is hoogleraar geschiedenis aan Yale University. Voor Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin kreeg hij in ondermeer de Hannah-Arendt-Preis für politisches Denken (2013), de Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung (2012) en de Ralph Waldo Emerson Award in the Humanities (2011).

     

  • Deze moet je lezen

    Deze moet je lezen

    ‘Mijn lijst zou morgen zó weer anders kunnen zijn.’

     

    Hagar Peeters, Malva. Wat een fantastisch boek: een geweldig onderwerp, beschreven vanuit een zeer verrassend perspectief en geschreven in puur poëtische taal. Het boek van het jaar!

     

     9200000011436831Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Het eerste deel van de biografie van W.F. Hermans. Heeft nogal wat kritiek gekregen. Ik ben het daar niet mee eens: Hermans’ leven is door Otterspeer van binnenuit benaderd en hij heeft het heel mooi opgeschoven.

     

    Verloop van jarenRemco Campert, Verloop van jaren. Poëzie van de oude meester. Gedichten over oud worden, herinneren en herinneringen. En toch met jeugdig elan geschreven.

     

     

    De langste nachtOtto de Kat,  De langste nacht. Een onderschatte, bijna vergeten schrijver, maar wat schrijft hij prachtige boeken. Ook dit boek gaat over herinneren, verleden en verwerking, geschreven in een lichte, sprankelende taal.

    Op Literair Nederland besproken door Sharon Hagenbeek.


    Zelf
    Pieter Boskma, Zelf
    . Nog meer poëzie. De dichter grijpt zichzelf bij de kladden, vijf jaar na het overlijden van zijn grote liefde: helder, eerlijk, nietsontziend.

     

     

    9200000046552308

    Tommy Wieringa, Honorair kozak. Reisverhalen van de schrijver die net zo mooi schrijft als hij praat. Dé stilist van de Nederlandse letteren, in het voetspoor van Cees Nooteboom.

     

     

     

     

  • Marokkaanse portretten

    Marokkaanse portretten

    Is dit een roman? Dat staat weliswaar nadrukkelijk op de omslag vermeld, maar het boek laat zich moeiteloos lezen als een reeks losse schetsen. De inhoudsopgave oogt als de opsomming van een reeks verhalen.
    Wat hen bindt is in de eerste plaats de wereld waarin ze zich afspelen: Tanger, en dan meestal de zelfkant van die Marokkaanse stad pal tegenover Gibraltar, en in de tweede plaats de verteller, de ‘ik’ (in op één na alle hoofdstukken), en dat is Mohamed Choukri zelf. Of is dat laatste te kort door de bocht? Literatuurtheoretici willen niet dat we de auteur en de verteller gelijkstellen, ook al komen alle gegevens die de laatste over zichzelf presenteert, en dat zijn er in dit geval nogal wat (zelfs titels van gepubliceerd werk), overeen met wat we weten van de eerste.

    Gezichten is het laatste deel van een trilogie. Eerder verschenen al Hongerjaren (o.a. in 2007, Rainbow-pockets) en Jaren van dwaling. In april 2016 zal in de Berberbibliotheek een heruitgave verschijnen van Hongerjaren, Choukri’s debuut, dat in 1973 in het Engels en pas later in het Arabisch verscheen. In Marokko, het land van herkomst van Choukri, werd het verboden. Internationaal werd het een bestseller. Gezichten is het laatste boek dat Choukri publiceerde. Het verscheen in 1996.

    Verloren paradijs
    Ongetwijfeld is Gezichten voor hen die de andere delen van de trilogie kennen een ander boek dan voor iemand die onvoorbereid begint te lezen. De laatste treft in dit boek veertien verhalen aan vol drank en armoede, vol levensmoed en berusting. Verwacht geen Carmiggelt. Daar is de verteltrant te meedogenloos voor. We ontmoeten overlevingskunstenaars, verslagenen, hoeren, junkies, thuislozen en criminelen. In hun midden de verteller, tegelijk één van hen en buitenstaander. Het is ál desillusie en uitzichtloosheid wat de klok slaat.
    Alleen het laatste hoofdstuk, ‘Mijn gezicht in de jaargetijden’, wijkt af. Daarin geeft de verteller een soort apologie van zijn bestaan, of laten we zeggen: een uiteenzetting van zijn levenshouding. Of is het een samenvatting van een door schade en schande verworven levenswijsheid? De moed der wanhoop; de weigering om het verleden te betreuren; de vervulling van het schrijverschap; het leven van een poète maudit. Nogal wat gemeenplaatsen, maar wel doorleefd.

    Wat alle verhalen, dus ook dat laatste, gemeen hebben, is het grimmige levensgevoel van mensen die weten dat ze weinig te verliezen hebben en dat dat weinige toch nog veel is – vergeleken bij wat hun te wachten staat indien ze zelfs dat weinige kwijt zouden raken. De blik waarmee de verteller de geportretteerden én zichzelf beschouwt, doet soms denken aan de tegelijk genadeloze en empathische blik van de verteller van Céline’s Reis naar het einde van de nacht. De burgerman huivert.

    Misschien moeten we Tanger als hoofdpersoon van dit boek beschouwen. ‘Tussen haar verleden en haar heden ligt een verloren paradijs’, zegt de verteller en die gedachte verklaart misschien de melancholie die hier en daar uit de verhalen spreekt en die de hardheid van de verhalen verzacht.

    Literatuur
    Choukri’s biografie wordt getekend, aldus alweer het voorwoord, door zelfdestructie, verblijf in psychiatrische inrichtingen, een arme, ongeletterde jeugd en de vriendschap met Paul Bowles. Uit de verhalen en de door de auteur zelf toegevoegde voetnoten blijkt ook zijn grote liefde voor de literatuur. De toewijding van de autodidact.

    Bijna elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een gedicht. Of is het een notitie in de trant van het slothoofdstuk? De vorm is vrij, dus dat valt niet goed uit te maken. Deze inleidende opmerkingen zijn moeilijk te doorgronden. Een kleintje als voorbeeld: ‘Ik gok / om te winnen, al is het niet veel. / Dat is mijn verdienste. / De zee. Wat een zee! / zijn we er niet uit geboren en keren we er niet naar / terug? / De zee is onze moeder, niet onze vader.’ Dit is de proloog tot ‘Hammadi de gokker’, waarin een compulsieve gokker aan een droevig einde komt. De zee speelt daar geen rol in.
    Zijn deze gedichten soms ‘typisch Arabisch’? Ontoegankelijk voor een West-Europese lezer? Geen beter hulpmiddel om de verwarringen van de multiculturele samenleving de baas te worden dan de literatuur. In dit boek ervaren we dat de condition humaine voor deze Marokkaanse schrijver niet anders is dan voor wie dan ook.

  • ‘Hoe meer ik lees, hoe fitter ik me voel’

    ‘Hoe meer ik lees, hoe fitter ik me voel’

    Ooit las ik de volgende stelling bij een 19e eeuwse (medische) dissertatie: Veel lezens is vermoeiing des vlezes. Bij mij werkt het net andersom: hoe meer ik lees, hoe fitter ik me voel. In het afgelopen jaar las ik een paar ongehoorde hoogtepunten, zoals de levensbeschrijving van Italiaans warhoofd, oorlogshitser en vrouwengek Gabriele d’Annunzio. Weergaloze Britse biografiekunst, een geschiedenisles over Italië. The Pike door Lucy Hughes-Hallett (London, Fourth Estate). Daarnaast enkele interessante autobiografieën, zoals De stamhouder van Alexander Münninghoff (Amsterdam, Prometheus) en Words Without Music van Philip Glass (New York, W.W. Norton).Woorden zonder muziek

     

     

     

    Bij deze boeken hoort eigenlijk ook de leerzame en oergeestige memoir van Mary Norris: Between You and Me. Confessions of a Comma Queen (New York, W.W. Norton). Herinneringen aan haar tijd als eindredacteur bij het onvolprezen 41lGK5TDfnL._SX331_BO1,204,203,200_weekblad New Yorker waar ze teksten heeft geredigeerd van de allergrootste stylisten–Philip Roth wilde met haar trouwen toen ze een verhaal van hem onder handen had genomen.

    Brooklyn_A_Personal_Memoir_largeEen dierbaar kleinood is de heruitgave van Brooklyn door Truman Capote. Hij heeft er ooit gewoond en heeft de stad beschreven aan de hand van wandelingen rond zijn appartement. Zicht op Manhattan, waar hij later ging wonen. De fotograaf David Attie maakte voor de gelegenheid een geweldige reportage: Brooklyn in de jaren vijftig. Het geheel afgedrukt in een schitterend boekje, uitgegeven bij The Little Bookroom, New York. Met een paar foto’s van een nog engelachtige Truman.

     

    Ik ben geen lezer van detectives, maar er zijn uitzonderingen. Ik las The Red Road (London, Orion Books) van mijn favoriete The red road Denise Mina: al haar verhalen spelen zich af in Glasgow, een stad die ik goed ken, waar ik heb gewoond en onderzoek heb gedaan. De stad is een centraal personage, de kou en de regen, het bandeloze alcohol- en drugsgebruik, het voetbal, de uitzichtsloze werkloosheid. Maar ook de aanstekelijke taaiheid en humor van Glaswegians. Ik las verder Road Dogs (New York, W. Morrow) van Elmore Leonard–een wereld op zichzelf, ontworpen door een schrijver van zeldzame klasse.

     

    1845882199

    Tussendoor probeer ik steeds mijn ‘klassieken’ bij te houden, door ze eindelijk te lezen (beter laat dan nooit) of te herlezen. In die categorie werd ik verbluft door veelschrijver Anthony Trollope. Ik weet dat Maarten ‘t Hart een groot fan is, dat heeft me altijd wat kopschuw gemaakt, ten onrechte. Trollope is verrassend ‘eigentijds’ en heeft een haarscherp oog voor de microsociologische processen die horen bij status life, standsbesef, hiërarchische verhoudingen, omgang tussen mannen en vrouwen. Ik las Barchester Towers en ben meteen aan een Trollope-bibliotheek begonnen.

     

    Een bizarre roman uit het 19e eeuwse Italië is Fosca (Amsterdam, Athenaeum-Polak&Van Gennep) door Iginio Ugo Tarchetti,Foscahet leven en de liefde van een foeilelijke vrouw. Van Thomas Mann (De Toverberg) raakte ik opnieuw van mijn stuk, je moet je er soms doorheen worstelen, maar het loont de moeite. Het diepst werd ik, denk ik, geraakt door Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Ik mocht het bespreken voor Literair Nederland en ik was enthousiast. Ik schreef: Alfred Döblins reputatie staat in de schaduw van de grote Thomas Mann, maar Berlin Alexanderplatz is een fenomenaal boek dat zich met ieder meesterwerk kan meten, en dat als grotestadsroman in het bijzonder op eenzame hoogte staat. Mann verscheen bij De Arbeiderspers, Döblin bij de Wereldbibliotheek, beide boeken uit moeilijk Duits omgezet door meestervertaler Hans Driessen.

     

     

     

  • Een ontroerend boek

    Een ontroerend boek

    ‘Ma ontving nooit post! De brief zag er formeel uit.´To miss Francelyne Cummings, afzender Sarah Cummings.´ Ma legde hem met een trillende hand op de keukentafel. Albert brandde van nieuwsgierigheid. De brief bleef twee dagen ongeopend op tafel liggen, toen was ie weg. Albert vroeg moesje ernaar. “Ik heb hem teruggebracht naar het postkantoor”, zei ze. “Waarom?’” Vroeg Albert. Moesje bromde: “M’n moeder wou me niet, nu is het te laat.” ‘

    Fancelyne Evelyne Cummings, Fansi, was de dochter van Sarah Cummings, een blanke vrouw, en een onbekende zwarte man.  Ze werd in 1905 in het noordwesten van Suriname geboren, in Nickery, een plaatsje waar ooit, ten tijde van de slavernij, het plantageleven bloeide, maar waarvan in Fansi’s tijd al weinig meer over was. Zij groeide op bij pleegouders en heeft haar eigen moeder nooit gekend. Zij had alleen een foto van haar. Dat zij een blanke moeder had, bleef voor haar kinderen lange tijd een goed bewaard geheim. Toen zij daar achter kwamen was de verbijstering groot. Fansi was ongetrouwd en kreeg negen kinderen uit verschillende relaties. Het gezin leefde in de jaren dertig in Paramaribo in armoedige omstandigheden, dicht op elkaar. Fansi had, als wasvrouw voor de blanken, weinig opleiding en stond er eigenlijk helemaal alleen voor. Om de armoede te ontvluchten, vertrokken bijna al haar kinderen in de jaren zestig naar Nederland. In 1970 vertrekt ook Fansi naar Nederland waar zij tot haar dood in 1979 is blijven wonen.

    Tessa Leuwsha werd in 1967 in Amsterdam geboren. Zij is de kleindochter van Fansi. Leuwsha volgt de omgekeerde route. Zij gaat in 1995 haar vriend achterna naar Suriname, sticht een gezin en besluit zich er definitief te vestigen. In Fansi´s tijd was Suriname nog een kolonie van Nederland, nu is het een onafhankelijk land.

    Tessa Leuwsha raakt steeds meer gebiologeerd door de vraag hoe Fansi het allemaal heeft gerooid. Wie was haar oma eigenlijk? Haar vader heeft haar nooit veel verteld, evenmin als haar ooms en tantes, die zij overigens zelden zag. Hoe kon een gezin dat in Suriname zo op een kluitje had geleefd in Nederland zo uiteen zijn gevallen? Zij besloot op zoek te gaan naar haar Surinaamse wortels door haar ooms en tantes te interviewen.

    Boeiende gesprekken

    Deze interviews leveren de structuur van het boek. Fansi had negen kinderen. Dit betekent negen gesprekken vervat in negen hoofdstukken. Elk interview wordt gevolgd door één of twee wat meer beschouwende hoofdstukjes, waarin Leuwsha reflecteert op de voortgang van haar onderzoek en de nieuw te nemen stappen. Zij begint de reeks met haar oudste oom Albert in Suriname en eindigt met haar jongste tante Mildred in Nederland. Het levert negen prachtige portretjes op van heel verschillende mensen met een gemeenschappelijke band, Fansi. Ontluisterend, maar ontroerend tegelijk is bijvoorbeeld het verhaal van Albert die met zijn vrouw een bezoek aan zijn moeder komt brengen in Nederland en ´s-avonds in het donker de weg kwijt raakt en langs de kant van de weg stopt om met een zaklantaarntje de kaart te bestuderen. ‘Een verblindend licht, een portier zwaait open, iemand hield een pistool in de aanslag. “Politie, uitstappen! Handen op het dak en benen spreiden!…………” Albert was maar wat blij weer naar Suriname te kunnen terugkeren.’ Daarnaast levert het een reis door de tijd op, van Albert, die nog dicht bij het leven van Fansi in Suriname staat en van Mildred, vergroeid met het leven in Nederland, maar ook door de geschiedenis van Suriname, van Nederlandse kolonie tot onafhankelijk land. Hoewel een echt inzicht in de persoon van Fansi nooit verkregen kan worden door enig historisch onderzoek, krijgen we toch steeds meer zicht op de wereld van Fansi en dus op Fansi zelf.

    Hartverscheurende ontdekkingen

    In het hoofdstuk ‘Huize Cummings’ blijkt Leuwsha feitelijk te zijn vastgelopen in haar onderzoek. Hoewel het duidelijk is dat er in het leven van Fansi nog sporen zijn achtergebleven van de slavernij, blijft het moeilijk die ook aan de hand van documenten echt zichtbaar te maken. Maar dan komt het toeval haar te hulp in de vorm van een mailtje van een nazaat van Fansi’s pleegfamilie. Plotseling komt zij veel meer te weten over de rol die de slavernij heeft gespeeld, vooral in het leven van de pleegmoeder van Fansi, maar waarschijnlijk ook in dat van Fansi zelf. Dit zorgt voor een versterking van de spanningsboog in het boek en levert onverwachte inkijkjes op in het leven van Fansi en haar pleegmoeder. Zo wordt steeds duidelijker waarom Sarah Cummings haar dochter meteen na de geboorte waarschijnlijk heeft afgestaan. De pleegmoeder blijkt nog geruime tijd slavin te zijn geweest. Daardoor komt zij gedurende het onderzoek wat meer in het brandpunt van de belangstelling te staan.

    Ook de speurtocht zelf die Tessa Leuwsha onderneemt langs allerlei archieven is boeiend om te volgen en brengt ons in contact met stukjes Suriname en Guyana buiten Paramaribo. Het maakt duidelijk wat voor diepe wonden de slavernij heeft geslagen, ook nog in de volgende generaties. Fansi vertelde nooit iets over het verleden en ook haar kinderen praten er eigenlijk nooit over. Als Tessa Leuwsha haar ooms en tantes benadert met de vraag of zij hen mag interviewen over dat verleden, zijn zij dan ook verrast en vaak in eerste instantie wat afhoudend. Als echter het moment van het interview is aangebroken, blijken zij er graag over te praten.

    Tessa Leuwsha heeft een prachtig boek geschreven vol liefdevolle portretjes van gewone mensen. De goed geconcipieerde structuur van het boek maakt het spannend en zorgt ervoor dat de lezer haar zoektocht geboeid blijft volgen. Haar betrokkenheid bij het onderwerp zuigt de lezer mee in de bizarre en vaak ontroerende restanten van het slavernijverleden die doorwerken in het individuele leven van de mensen. Prachtig zijn bijvoorbeeld de foto’s waarop Fansi alleen en samen met haar pleegzus staat afgebeeld met een traditioneel gevouwen hoofddoek op. Niet zozeer omdat buitenissige foto’s altijd leuk zijn, maar vooral omdat Tessa Leuwsha in haar boek schrijft dat deze hoofddoeken in de tijd van de slavernij op verschillende manieren gevouwen werden om bepaalde boodschappen aan elkaar duidelijk te maken. Zij mochten immers niet met elkaar praten tijdens het werk. Dit maakt de foto’s ontroerend.

     

     

  • Arme drommel

    Arme drommel

    Eduard Saxberger is een oude man die zijn dagen slijt op kantoor. Er was een tijd dat hij het burgerlijke leven dat hij nu leidt, veracht zou hebben. In die tijd publiceerde hij zijn eerste en tevens laatste werk, Omzwervingen. Een klein boekje gevuld met zijn gedichten. Nu, op zijn oude dag, vindt hij zijn leven wel prima zo. Na zijn werk leest hij de krant of soms zelfs een ‘onderhoudende’ roman en geregeld ontmoet hij een vast groepje vrienden in de kroeg voor een potje biljart of een warme maaltijd.

    De ontmoeting
    Bij thuiskomst van een van zijn wandelingen door de stad zit een jongeman op hem te wachten. De jongen stelt zich voor als Wolfgang Meier. Schrijver. Meier begint zijn lofzang: Saxberger ontmoeten is één van zijn grootste wensen, hij heeft grote bewondering voor de dichter en Omzwervingen is een prachtig werk.

    Meier vertelt dat hij lid is van een kring van jonge schrijvers. Deze kring bestaat uit een groep excentriekelingen, die het één voor één proberen te maken in de harde wereld van de kunst. De groep is een allegaartje van acteurs, schrijvers, dichters, toneelschrijvers en meer. Zíj zijn de talentvollen en de rest zijn talentlozen. Zij zijn –ongewaardeerde- kunstenaars. Ze houden zich ver van de heersende stroming, maar het publiek blijkt nog niet klaar voor hen te zijn. Zij zijn er echter van overtuigd dat hun tijd hoe dan ook nog zal komen.

    Saxberger wordt door Meier uitgenodigd om de mensen uit deze kring te ontmoeten. En zo bevindt Saxberger zich op een dag na zijn wandeling tussen de vrienden, ‘het jonge Wenen’, in het koffiehuis waar de groep geregeld samenkomt. Ieder van hen is lyrisch over Saxberger en zijn gedichten. Hij neemt de woorden van lof in ontvangst en bedankt de jongens vriendelijk.

    Deze ontmoeting zet Saxberger aan het denken over een onderwerp waar hij zich al jaren niet meer mee bezighoudt: zijn gedichten. Zijn ze misschien werkelijk zo goed? Heeft het publiek een fout gemaakt door zijn werk niet te erkennen? Hoe vaker hij de kunstenaarskring in het koffiehuis bezoekt, hoe zekerder hij is: ja, ze hebben een fout gemaakt. Hij is een dichter en zijn werk had meer waardering verdiend.

    Moment suprême
    Hoewel de kring zich fel uitlaat over de massa die niet weet wat kunst is, hebben ze toch publiciteit nodig: ze besluiten een voordrachtsavond te organiseren. Ieder van hen zal een stuk uit eigen werk voordragen. Saxberger die al redelijk ingeburgerd is in de groep moet er ook aan geloven. Ze vragen hem een nieuw gedicht te creëren voor de grote avond. En dan wordt het moeilijk voor de oude man. De heer, die zichzelf nu als miskent dichter beschouwt, moet de kunst weer oppakken en dit vergaat hem niet gemakkelijk. De weken gaan voorbij, maar hij krijgt geen woord op papier. Hij moet met tegenzin aan zijn nieuwe vrienden bekennen dat hij het dichten is verleerd.

    Toch leeft Saxberger naar de voordrachtsavond toe. Op deze avond zullen er wat gedichten uit zijn eerdere werk worden gelezen. Hij is gaan verlangen naar roem. Zal deze avond hem dat brengen? Nadat zijn gedichten zijn voorgedragen en hij op het podium zijn applaus in ontvangst neemt, hoort hij echter een ander geluid. Als hij van het podium af is, overspoelt hem een intens verdriet. Hij twijfelt eerst nog, maar weet het dan zeker: iemand noemde hem ‘een arme drommel’. Waarom werd dat gezegd? Is het zijn leeftijd, zijn het zijn gedichten? De woorden blijven zich herhalen in zijn hoofd.

    De schrijver
    Arthur Schnitzler (1862-1931) was een huisarts en een schrijver. Zijn bekendste roman is Leutnant Gustl (1900) in de vorm van een interne monoloog. Na zijn dood heeft hij al zijn werk aan zijn zoon nagelaten; acht kisten met manuscripten van (on)voltooide werken, schetsen, notities, en briefwisselingen. Hierbij zat ook Late roem, dat eerder door Schnitzler was betiteld als Geschiedenis van een bejaarde dichter. Interessant is dat hij dit boek al op 32-jarige leeftijd heeft geschreven.

    Tijdloos
    In deze novelle drijft Schnitzler lichte spot met de kunstenaars en vooral de kunstenaarsbijeenkomsten van zijn tijd. De personages zijn een typische weergave van vrijgevochten kunstenaars met grootse uitspraken, maar met weinig succes. Dit maakt de passages in het koffiehuis met de gepassioneerde gesprekken tussen de ‘echte’ kunstenaars van Wenen vermakelijk om te lezen. Ze voeren een strijd om de aandacht van het publiek terwijl ze dit eigenlijk als een stel onwetenden zien. Zo wordt beschreven dat tijdens de voordrachtsavond het publiek voor elke bijdrage even hard applaudisseerde, zich duidelijk niet bewust van enig kwaliteitsverschil in de stukken. De recensies over de voordrachtsavond zijn niet bepaald positief te noemen. Dit roept de vraag op: zit het publiek er zo ver naast of ligt het aan de kunstenaars?

    Ook de strijd tussen het vrije kunstenaarsbestaan aan de ene kant en het saaie burgerlijke leven aan de andere kant komt in het boek naar voren. Het boek eindigt in een anticlimax. Door het boek heen zie je Saxbergers vertrouwen in zijn dichterschap groeien. Hij begint neer te kijken op zijn normale leven en alles wat daarbij hoort. Zijn nieuwe vrienden helpen hem dit zelfvertrouwen te vinden waardoor hij vervreemdt van zijn oude vrienden die duidelijk niet meer snappen met wie ze te maken hebben. De ommezwaai die Saxberger aan het einde maakt, is misschien wat makkelijk. Maar misschien is dat wel de boodschap van het boek: wanhopig streeft men naar roem, sommigen mogen er even van proeven, maar velen zullen zich daarna weer –gedesillusioneerd- op dezelfde plek bevinden als waar ze zijn begonnen. ‘Hij had het gevoel dat hij na een korte, vermoeiende reis thuiskwam, in een huis waar hij nooit van had gehouden, maar waar hij de bedompte en warme behaaglijkheid van vroeger hervond.’

    De tijdloze thema’s van het verhaal maken dat het boek nu net zo actueel is als toen het werd geschreven. Schnitzler schrijft toegankelijk en voor je het weet lees je de laatste bladzijde. Toch zaait het verhaal ook de nodige twijfel. Bijvoorbeeld over Saxberger. Het ene moment voel je medelijden met de oude man, die niet helemaal op zijn plek lijkt tussen de jonge kunstenaars. Het andere moment is het moeilijk sympathie voor hem te voelen wanneer hij steeds verder naast zijn schoenen begint te lopen. Schnitzler kiest niet. Het is uiteindelijk aan de lezer om een antwoord te vormen op de vragen die zich opdringen na het lezen van het boek.