Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Zelfdoding in de antieke wereld nader beschouwd

    Anton van Hooff schreef in 1990 een boek over Zelfdoding in de antieke wereld, Van auto-thanasia tot suicide (SUN, Nijmegen 1990). In de jaren daarna publiceerde hij meerdere artikelen over hetzelfde onderwerp. En hij bracht boeken uit over onder andere de Romeinse keizers Vespasianus, Nero en Marcus Aurelius. Het thema van de dood in de klassieke oudheid pakt hij weer op in zijn nieuwste boek, Sterven in stijl. Leven met de dood in de klassieke oudheid.

    Overgeleverde grafschriften
    Van Hooff schrijft in de inleiding van Sterven in stijl dat de mensheid al heel vroeg weigerde om de dood als het definitieve einde van het leven te zien. In vijf hoofdstukken vertelt hij hoe de mens door de eeuwen heen omging met de dood. Hij put ondermeer uit de geschiedschrijving van Vergilius en Homeros.

    Over de betekenis van de begrafenisrituelen uit de prehistorie kunnen we slechts speculeren, omdat er uit de tijd slechts archeologisch materiaal beschikbaar is. Meer kunnen we leren van de ‘ouderbeschaving’, die van de Grieken en de Romeinen.  ‘Naast het archeologisch materiaal […] geven de overgeleverde grafschriften inzichten in de zeer diverse manieren waarop men met de dood omging.’ In het antieke Rome was wettelijk vastgelegd dat begraven of cremeren binnen de stad verboden was. De begraafplaatsen lagen buiten de stad, langs de uitvalswegen. Hoe dichter men bij de hoofdwegen werd begraven, hoe prominenter men in de herinnering voortleefde. Voorbijgangers lazen de grafteksten meestal hardop, zodat de doden als het ware even tot leven werden gewekt. Bezoeker, blijf staan en als het je niet te lastig is, lees dan dit. Vanaf het moment dat de graven gingen spreken door inscripties verwijzen ze naar de klassieke onderwereld met het geloof in het schimmenrijk van de Hades. De antieke mens stelt zich voor dat de ziel van de overledene daar als schim voortleeft.

    Aan de godenschimmen gewijd. Voor Iulianus 60 jaar oud heeft het collegium van wat over was van het begrafenisgeld een crypte van 12 voet (laten maken); hij is hier gelegen;  moge de aarde u licht zijn.’
    De laatste uitdrukking komt vaak voor op Latijnse grafschriften, sit tibi terra levis (vaak afgekort tot STTL).

    De grafschriften laten zien dat het geloof in de onderwereld hardnekkig was: ‘Homeros’ Hades was de basis waarop andere opvattingen zich als lagen in de loop van de tijd zouden afzetten.’

    Herinneringscultuur
    De zorg om de reputatie van de overledene beheerste in de oudheid alles. Daarom werden vooral de kwaliteiten van de overledene in grafinscripties vereeuwigd. Onvermijdelijk zijn er clichés, zoals incomparabilis (onvergelijkelijk) en pia (toegewijd). Soms wordt de doodsoorzaak vermeld, bijvoorbeeld a latronibus interfectus (door rovers gedood) of gestorven aan de pest. De grafschriften veranderden in de loop van de tijd. Ze benadrukten vanaf de vierde eeuw voor Christus de scheiding tussen het lichaam dat achterblijft en de ziel die blijft voortbestaan.

    De aarde houdt het lichaam
    de steen de naam
    de hemel de ziel.’

    Sterven in stijl
    In 2006 wijdt Van Hooff een uitbreid artikel aan Timothy Hills studie uit 2004: Ambitiosa Mors. Suicide and Self in Roman Thought and Literature. (Van Hooff, ‘De stijlvolle dood. Zelfmoord als klassiek ideaal’ in: De Academische Boekengids 58, september 2006, pp. 17-19). Hills boek zorgde ervoor dat er op een andere manier naar ‘eigendoding in de oudheid’ werd gekeken: ‘Met klem van argumenten betoogt Hill dat zelfdoding voor de Romeinen geen aparte sterfcategorie is. […] Zelfdoding kon de vorm aannemen van een eerzuchtige of opzienbarende dood, een ambitiosa mors […]’ Hill definieert de ambitiosa mors als een gloriezoekende, stijlvolle dood. Van Hooff: ‘In Hills perspectief gaat het vooral om sterven in stijl.’  Voilà, de titel van Van Hooffs boek: Sterven in stijl.

    Het voorbeeld van iemand die ‘sterft in stijl’ is Seneca (4 voor Christus – 65 na Christus), de Romeinse schrijver/filosoof en raadsman van keizer Nero. De geschiedschrijver Tacitus heeft de zelfdoding van Seneca uitvoerig beschreven. Seneca troostte zijn vrienden en hij deelde zijn laatste wijsheden. Hij liet zich de aderen en polsen doorsnijden en toen dat niet voldoende bleek liet hij zich gif aanreiken. Twee keer ‘liet’ in de tekst: hulp van een arts bij zelfdoding was bij de Romeinen een vanzelfsprekendheid .

    Seneca wilde niet dat zijn vrouw Paulina getuige was van zijn lijden. Hij vroeg haar de sterfkamer te verlaten. Veel schilders hebben dit emotionele afscheid op doek vastgelegd. Op de omslag van Sterven in stijl staat ‘The Death of Seneca’ van de achttiende eeuwse schilder Noël Hallé.

    Augustinus en Lucretia
    Het groeiende geloof in het dualisme ziel-lichaam leidde tot een toenemende afwijzing van de ‘vrijwillige dood’ (mors voluntaria). Het recht zelf de ziel los te maken van het lichaam was niet meer vanzelfsprekend. De opvatting groeide dat zelfdoding gelijk stond aan ‘ziel stelen’: de mens mag de scheiding tussen ziel en lichaam niet forceren. Kerkvader Augustinus (354-430) zorgde ervoor dat zelfdoding een christelijk taboe werd. Het gebod ‘Gij zult niet doden’ betekende volgens hem ‘een ander noch jezelf’. ‘Wie zichzelf doodt is een moordenaar (Qui se ipsum occidit homicida est)’. Augustinus’ visie werd kerkleer. Zelfmoordenaars mochten niet in gewijde grond worden begraven; zij kregen een ‘hondenbegrafenis’.

    De veranderde houding ten aanzien van zelfdoding illustreert Van Hooff met het drama van de getrouwde Lucretia. Zij stak zich met een mes in het hart nadat een koningszoon haar onder bedreiging onteerde. In de Romeinse oudheid was Lucretia het toonbeeld van vrouwelijk eerbesef. Haar reputatie was geschonden. Uit schaamte koos ze voor zelfdoding. Augustinus interpreteert haar daad heel anders: ‘Wat als ze ook door haar eigen lust verlokt toegaf aan de man, ook al belaagde hij haar met geweld?’ In zijn optiek is zij een zondares. Niet uit schaamte, maar uit schuldgevoel beging ze de doodzonde van de zelfmoord.

    Van Hooff beschrijft gedetailleerd hoe diverse studies, o.a. van Montesquieu (1689-1755) en van David Hume (1711-1776), dit beeld nuanceren. Zelfdoding is niet onder alle omstandigheden een doodzonde. Is zelfdoding niet een fundamenteel recht van de mens? Montesquieu’s opvatting: ‘Het leven is mij als een gunst gegeven. Dus mag ik het teruggeven als het niet langer een gunst is. Als ik suïcide bega, gebruik ik mijn onvervreemdbare recht.’

    Complimenten
    In 1990 schreef Van Hooff  Zelfdoding in de antieke wereld. Hij bracht de motieven voor zelfdoding in kaart. Hij baseerde zich op 960 geregistreerde gevallen van zelfdoding bij de Grieken en de Romeinen, voor zijn nieuwe boek op 1374. In Sterven in stijl zijn nieuwe inzichten en opvattingen over omgaan met de dood in de antieke wereld opgenomen. Met de belangrijke notie dat zelfdoding geen aparte categorie is in de antieke leefwereld is de ondertitel van zijn boek Leven met de dood in de klassieke oudheid logisch en consequent.

    Van Hooff heeft met Sterven in stijl een zeer leesbaar en toegankelijk boek geschreven. Zijn genuanceerde observaties plaatsen de verschillende opvattingen over de – zelfgekozen – dood in een breed historisch perspectief. Alle lof voor de consciëntieuze manier waarop hij zijn boek heeft samengesteld.

    Een jaar later
    Van Hooffs boek uit 2015 blijkt zeer actueel. In de antieke wereld was hulp van een arts bij zelfdoding vanzelfsprekend. Volgens de Nederlandse wetgeving, stammend uit 1886, is hulp bij zelfdoding strafbaar. Op 4 februari 2016 verscheen Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Belangrijkste conclusie: Zelfdoding is niet strafbaar; hulp bij zelfdoding wel. Alleen artsen kunnen die hulp geven. ‘De commissie is van mening dat het niet wenselijk is om de huidige juridische mogelijkheden inzake hulp bij zelfdoding te verruimen.’

     

     

    Anton J.L. van Hooff (1943) promoveerde in 1971 met zijn dissertatie: Pax romana: een studie van het Romeinse imperialisme. Tot 2008 was hij hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen. Boeken van Anton van Hooff zijn onder andere Keizers van het Colosseum. Vespasianus, Titus en Domitianus (2014), Nero & Seneca. De despoot en de denker (2010) en Marcus Aurelius. De Keizer-filosoof (2012).

  • Een voorbijwaaiende vader

    De nieuwe dichtbundel van Lucas Hirsch, Ontsla me van alles wat ik liefheb bevat nog geen dertig gedichten waarvan de meeste nogal kort zijn. Daar is niet zoveel mis mee; een bundel kan klein maar fijn zijn maar bedenkelijker is dat te veel gedichten uit de bundel kwalitatief aan de magere kant zijn.

    Qua structuur zijn er wel wat aardigheidjes: in het titelgedicht zijn de titels van de volgende afdelingen opgenomen en in de ‘Brief aan Ilja Leonard Pfeijffer’  wordt een groot deel  van het gedicht ‘21 mei 2014 – 2:37 uur’ herhaald. In het slotgedicht komen Hans en Grietje voor, net als in bovengenoemde ‘Brief aan Ilja’ en ook hazen, gelijk als in het gedicht ‘Pels’. Het zijn deze verwijzingen die de bundel bij elkaar houden, maar ze lijken meer puzzeltjes voor de lezer dan noodzaak.

    Ook zijn er verwijzingen naar het werk van andere dichters ‘Angstval’ doet denken aan het beroemde ‘Changement de décor’  van Ellen Warmond. Hier gaat het echter niet om het aanbreken van de dag, maar om het einde ervan. Het gedicht eindigt met:

    De nacht is een tijdbom
    Het bed een angstval
    Het huis een sluipmoordenaar
    waarop ik wacht
    met een kussen in mijn handen

    Hirsch durft er niet op te vertrouwen dat de lezer verwijzingen oppikt. Een gedicht dat begint met Zes hele jaren om mijn leven gelopen / Rond het zevende zeven keer gehuild’ noemt hij bijvoorbeeld (veel te) nadrukkelijk ‘Jericho’.

    In veel gedichten staat hier en daar een aardige zin, maar vaak is dat te weinig om het gedicht als geheel te redden. Emoties worden maar moeilijk overgebracht.

    Het gedicht ‘Pels’ begint met: Lief, ik wil dat je ziet / hoe het donker / dat mij aan de fles bindt / me vaak verblindde. Er is eenzaamheid of somberheid in het gedicht, maar die worden nergens voelbaar gemaakt. Je weet dat ‘het donker’ er is, doordat je het leest, maar het blijft steken bij het weten.

    Slechts sporadisch ontstijgt de bundel het gemiddelde niveau, bijvoorbeeld in het derde gedicht van de serie ‘De genen die’:

    In een storm ben je niemand
    dus probeer ik met moeder te vieren
    dat het vandaag is

    Niet veel later
    waait mijn vader
    langs het keukenraam

    Hem doen halt houden
    kan alleen de dood
    weet moeder

    Ik weet van niets
    Ik ben immers niemand
    als ik storm

    Ook niet als ik naast moeder staand
    vanachter glas naar vader brul
    dat de laatste grote oorlog
    niet door hem gedragen hoeft
    te worden

    Dit is een gedicht dat met weinig woorden veel weet op te roepen. De vader die voorbijwaait; het glas dat de ik en de vader gescheiden houdt; het stormen van de ik (dat wellicht ook iets te maken heeft met het waaien van de vader; en de moeder die iets probeert te vieren, maar die in het gedicht niets zegt. En dan in het slot het oorlogstrauma. Mooi gedaan. Dit gedicht is een goede uitzondering in de verder zeer matige bundel.

     

     

  • ‘Een sloeber als jij en ik’

    ‘Elk portret dat met gevoel is geschilderd is een portret van de schilder, niet van de geportretteerde. De geportretteerde is louter toeval, de gelegenheid.’ Dat schrijft Oscar Wilde in Het portret van Dorian Gray, zijn geweldige roman over de woekerende verwoesting van ijdelheid. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor literaire portretten. Ook die zijn waarschijnlijk eerder een portret van de auteur dan van de geportretteerde. Deze gedachte dringt zich op bij lezing van Place Lamartine, de debuutroman van Jeroen Blokhuis.

    De uitgangssituatie is voor Blokhuis eigenlijk niet eens zo slecht. De hoofdpersoon uit zijn roman is Vincent Van Gogh, een schilder wiens schilderijen tot de meest bekende ter wereld horen, en wiens getormenteerde leven waarschijnlijk net zo breed bekend is. Al was het maar via de uitgebreide correspondentie die hij naliet en waarvan de laatste uitgave ruim 2000 pagina’s beslaat! Of via het recente televisieprogramma, waarin Jeroen Krabbé de schilder achterna reist. Maar toch, kennen we Vincent van Gogh echt? De triviale Vincent? Weten we waaraan hij dacht als hij zat te eten, zijn voeten waste of in het café zat te praten?
    Blokhuis meent van wel en brengt hem in Place Lamartine tot leven. Hij beschrijft een Vincent die net zo doordrenkt is met kleur en alcohol als het nog natte doek van een pas geschilderd schilderij met olie. Op het mateloze af; hij ziet de wereld altijd in kleur, bijvoorbeeld wanneer Vincent in Arles voor het eerst Joseph ontmoet, in een krap pak ‘dat op sleetse plekken glanzend geel wordt’. Of wanneer hij erop uitrekt om en plein air te gaan schilderen. ‘Geel, strogeel, witte huizen bedekt met rood gebakken kleipannen. Het is alsof het land meeleeft met mijn verlangen en mijn verwachtingen om hier een begin te maken, een bron te vinden – misschien in mijn eentje en misschien met vrienden.’

    In concurrentie met Gauguin
    Blokhuis’ Vincent van Gogh is een overdreven schilderachtige maar miskende schilder. Hij is naar Arles getrokken om daar een kunstenaarskolonie te stichten, maar voelt zich eenzaam en onbegrepen. Paul Gauguin komt even langs, maar is dan in alles het tegendeel van Van Gogh; succesvol bij de vrouwen en overtuigd van zijn schilderkunst en succes. Iets dat de verbitterde Vincent zich terdege realiseert: ’Maar ik zie ook dat in mijn hoofd steeds meer het besef resoneert dat het allemaal waardeloos is, veel te gehaast, gekke lijnen waar niemand iets in ziet, behalve ikzelf als ik dronken ben of uitgelaten. En dat weet ik zo zeker omdat Gauguin hier rondloopt en de norm zal zijn.’ Het is bij deze depressieve Van Gogh dat Blokhuis op zijn best is. Beter dan bij de passages over de schilderende Van Gogh, die wat overdreven simplistisch en kleurijk overkomen. Daar steken de passages over de teneergeslagen Van Gogh met kop en schouders boven uit. Dan komt Van Gogh het meest overtuigend tot leven: ‘Ik probeer aan doodgaan te denken met een glimlach en zonder de leegte van het gemaaide veld – wat gisteren nog hoog en welig was in het trillende augustuslicht is nu plat en stoppelig – en daarbij zie ik de maaier voor me die zijn zware werk doet met vrede en straks geen maaier meer is, maar een zaaier. Waarom verzet ik me dan zo tegen de dood, waarom schreeuw ik er zo bij?’

    Portret
    Alhoewel Van Gogh in Place Lamartine bij tijd en wijle goed tot leven komt, blijft de roman fictie. Blokhuis ziet dat niet anders, zo blijkt in een interview uit september 2015 (www.barbarus.org): ‘Het boek is een werk van de verbeelding, maar ik heb door de jaren heen veel over van Gogh gelezen, Arles bezocht en zijn schilderijen bekeken. Speciaal voor dit boek heb ik alle edities gelezen van l’Intransegeant, de krant die Van Gogh in Arles las. Vol politiek, reclames, en legendarische moordzaken. Dat hielp me te begrijpen aan welke triviale zaken Van Gogh misschien dacht’. Het is deze trivialiteit die Place Lamartine een vermakelijke roman maken. Maar het blijft te bezien of het ook een kennismaking is met de man die Vincent van Gogh misschien is geweest. Of dat het eerder een kijkje in de ziel van Blokhuis is. Wat waarschijnlijk dichter bij de waarheid is. Want net als Dorian Gray bij Oscar Wilde is Van Gogh voor Blokhuis louter toeval, en de gelegenheid om iets van zichzelf te laten zien. Om Blokhuis zelf te parafraseren, ‘een sloeber als jij en ik, die zich in alle teleurstellingen en schaamte staande hield met dromen en fantasie.’ Wat hij als debuterend romanschrijver bij vlagen overtuigend doet.

    In het najaar van 2016 zal een Engelse versie van Place Lamartine verschijnen in een vertaling van Asja Novak.

  • Lang leve tante Jeannot

    ‘In The Red Shoes vraagt de dansproducer (die in de film Diaghilev moet voorstellen) aan de debuterende ballerina: Why do you want to dance? Zij antwoordt hem met de tegenvraag: Why do you want to live? Deze dialooglijn drong pas later tot hem door, toen hij de film opnieuw zag, maar de teneur ervan had hij als kind reeds gevoeld.’

    De hoed van tante Jeannot is een prachtige titel van een autobiografisch boek, waarin filmregisseur Eric de Kuyper (1942) een beeld schetst van zijn kindertijd in de jaren veertig en vijftig in Brussel. ‘De grote as van hun leven bewoog zich tussen tante Jeannots rue Mexico en hun eigen woonstee in de rue Léon Mignon, tussen Molenbeek en dit grensstukje van Schaarsbeek. Als ze al in andere wijken doordrongen, dan deden ze dat in de vorm van een web dat ze rond de bekende as sponnen.’ Bij het lezen hiervan bekruipt je onwillekeurig het gevoel de kaart van Brussel ter hand te moeten nemen om dit alles op te zoeken. In zijn beschrijving is het een soort klein Parijs. Eric groeit daar op in een Tante Sidonia-achtige sfeer met warme familiebanden tussen tantes, nonkels, neven, nichten en commensalen, waar gelachen, geroddeld, gemusiceerd en natuurlijk gespeeld wordt. De omslagillustratie van Yves Chaland uit Le jeune Albert sluit uitstekend aan bij de toon van het boek.

    Tante Jeannot is de held van de kleine Eric. Zij is rijk, onconventioneel, houdt van uitgaan, muziek en opera en natuurlijk vooral van mooie hoeden. Zij is de zus van zijn moeder. Zijn vader, Firmin, heeft hij niet gekend. Zijn moeder heeft weinig goede woorden voor hem over: “Ach Firmin……..’ Elke week gaat Eric met zijn moeder, broers en zus op bezoek bij tante Jeannot en nonkel Fons zoals tante op haar beurt elke week bij hen op bezoek komt. Dan luistert hij vol overgave naar de verhalen van de zussen over vroeger, toen zij als jonge meiden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht waren in Londen: ‘Weet je nog van onze geverfde benen (er waren in die dagen natuurlijk geen nylonkousen te krijgen), die uitliepen als het regende!’.

    Robbedoes en Kuifje
    De kleine Eric is een nakomertje, kwetsbaar. Hij is een dromer met een zwak gestel, gek op toneel en vooral ballet: ‘To move and to be moved. Beweging en emotie. Emotie die beweging is. Zoals tranen die langzaam over een wang rollen.’  Ja balletdanser worden, dat is zijn grote passie. Maar als hij na lang oefenen de pointes op zijn pantoffels kan dansen, krijgt hij te horen dat alleen danseressen dit doen. Zijn droom stort in. Hij is een toeschouwer die de wereld der volwassenen voortdurend met een fijn oog voor detail beschouwt en daarin zijn eigen positie bepaalt. Door hem zien wij hoe zijn lievelingszusje Annie zich eind jaren veertig, begin jaren vijftig door haar puberteit slaat en hoe Eric op zijn zolderkamertje toneelstukjes oefent met zijn grote vriend en klasgenoot George, de stoere, sterke George met wie hij samen de kinderjaren doorkomt en speelt op de squaretjes (pleintjes) in de buurt, George, van wie hij zo verschilt, maar met wie hij ook zoveel gemeen heeft: ‘George las elke week Robbedoes, en hij Kuifje.’ Later, toen zij naar een andere school gegaan waren en elkaar niet meer zagen, begreep hij dat hij al die tijd verliefd was geweest.

    Welpenleider
    Vol mededogen en liefde beschrijft Eric de Kuyper ook zijn moeder, Julienne. Zij is een praktische vrouw, lid van de R.K. Bond van Grote Gezinnen, maar geen kwezel. Zij staat voortdurend pal voor de belangen van haar kinderen met altijd het oog gericht op het huishoudboekje, want armoede is het ergste wat er is. Daarom houdt zij ook niet van de boeken van Dickens. Zij is geobsedeerd door kennis zoals tante Jeannot dat is door entertainment. Intimiteit en warmte krijgt de kleine Eric vooral van zijn zus Annie, die hem overal mee naartoe sleept. Via haar komt hij in contact met Balloo, een welpenleider bij de scouting en held van alle jonge meiden en hun ouders. ‘Van alle mannenbenen die zich in korte broek rond de communiebank schaarden, waren dit de mooist gevormde, de slankste en meest gespierde.’ Als Balloo, de twintigjarige Adonis, hem, het zevenjarige jongetje, vraagt samen met hem kerstinkopen te gaan doen, blijkt Balloo al veel over hem te weten, terwijl hij eigenlijk niets van Balloo wist. Later, als hij wat meer te weten gekomen is over pedofilie, vraagt Eric zich af hoe deze belangstelling te verklaren. Dan volgt eigenlijk een van de mooiste en meest liefdevolle passages uit het boek waarin Eric de Kuyper de begrafenis beschrijft van de bij iedereen zo geliefde Balloo op wie de Engel des Doods al een tijdje had zitten wachten. Waar vind je nog een schrijver die zulke mooie, gevoelvolle passages durft te wijden aan het droevige lot van een pedofiele jongeman?

    Tijd
    Het boek van De Kuyper is eigenlijk een ode aan de vrije mens, aan de vrijheid en onafhankelijkheid van denken en voelen. Hij verafschuwt de school als een ondraaglijke ingreep in zijn leven omdat het de tijd segmenteert in vrije tijd en niet-vrije tijd. En omdat hij begrijpt dat dit een afspiegeling is van het leven later als hij moet gaan werken, bevalt hem dat vooruitzicht evenmin. Hij is zich bewust dat hij op zoek moet gaan naar werk dat lijkt op het spel van nu, zijn kindertijd: ‘Spel leek hem trouwens veel serieuzer dan werk. Werk als spel?’  In zijn latere artistieke leven is hij daarin overigens als filmregisseur en schrijver goed geslaagd.

    De Kuyper schrijft zijn boek vanuit het perspectief van een ‘hij’ om zo oprechter te kunnen zijn dan wanneer hij het geschreven zou hebben vanuit een ik-perspectief: ‘Immers, die ik ben ik voor een goed deel niet meer; het is een op afstand geworden ik. Iets als een hij.’  Hoewel je begrip kunt hebben voor deze keuze, werkt het tijdens het lezen enigszins vervreemdend, omdat het gaat om een autobiografie, en soms ook wel storend.

    Eric de Kuyper slaagt er in de eigen jeugdherinneringen van de lezer te activeren. Dat is misschien wel het grootste compliment dat je als schrijver over je kinderjaren kunt krijgen.

  • Een reis zonder begin en zonder einde

    De wetten van de melancholie laat zich nog het beste omschrijven als een land dat je voor het eerst bezoekt: je weet niet wat je ziet en probeert het te vergelijken met iets dat je kent. Je hebt geen referentiekader, maar tegelijkertijd bevalt het je wel en smaakt het naar meer.

    De roman van de Bulgaar Georgi Gospodinov is een ontdekkingstocht van pagina naar pagina, maar een einddoel is er niet. We springen als lezer van herinnering naar herinnering, van anekdote naar anekdote – zaken die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, gaan in dit boek als een stel atomen tijdelijke verbintenissen aan. Met De wetten van de melancholie schotelt Gospodinov de lezer een labyrint van verhalen voor, waarin niet altijd duidelijk is wat op feit en wat op fictie berust. Sterker nog – het is in het begin niet eens helder wie er aan het woord is. Is het Gospodinov zelf, is het een alter ego, of zijn er meerdere vertellers? Zomaar een greep uit de proloog:

    Ik ben geboren aan het einde van augustus 1913 als een menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik ben twee uur voor zonsopgang geboren als een fruitvlieg. […] Ik ben geboren op 1 januari 1968 als een menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik ben altijd geboren geweest. […] Ik ben nog niet geboren. […] Ik ben geboren op 6 september 1944 als menselijk wezen van het mannelijk geslacht. […] Ik herinner me dat ik geboren ben als een rozenbottelstruik, een patrijs, een Ginkgo biloba, een slak, een wolk in juni. […] Ik zijn.

    Eindeloze empathie
    Die schizofrene verteltrant houdt zo’n pagina of vijftig aan, dan besluit de ik-verteller de lezer hulp te bieden in de manier waarop dit boek gelezen dient te worden. We hebben wel degelijk te maken met één verteller, maar die kan zich door een psychische aandoening in andermans gedachten verplaatsen. Zijn extreme empathie zorgt ervoor dat hij zich telkens weer verliest in de herinneringen van anderen. Hij kan rondwandelen in hun verleden en hun belevenissen. Als kind is hij zelfs zo empathisch dat hij kan meevoelen met een slak, een plant of een ander natuurverschijnsel. Naarmate hij ouder wordt, verliest zijn aandoening aan kracht en sluit de wereld zich om hem heen. Voor iemand wiens wereld altijd schier oneindig leek, moet dat een beangstigend proces zijn. De melancholie van de hoofdpersoon, die het einde ziet naderen in zijn donkere kelder, wordt sterk invoelbaar gemaakt door Gospodinov.

    Schijnveiligheid
    Door alle essays, of korte verhalen, of hoe je de flarden ook noemen wil, meandert de klassieke mythologie. Met name de Minotaurus, veroordeeld tot een eenzaam leven in het donkere doolhof van Daedalus, kan rekenen op de sympathie van de ik-figuur. Hij voelt zich verbonden met het wezen, dat net zoals hijzelf, zijn vader en zijn grootvader veel tijd spendeert in duisternis. Grootvader, een soldaat in de Tweede Wereldoorlog, is maanden aan bed gekluisterd geweest in de kelder van een Hongaarse vrouw. Wanneer hij terugkeert in Bulgarije moet hij opnieuw een paar maanden verborgen worden in een donkere ruimte, omdat zijn naam al in het oorlogsmonument gebeiteld staat. Vader is een mijnwerker en ziet nauwelijks daglicht en de ik-figuur zit als kind hele dagen alleen in het souterrain waar hij met zijn ouders woont. En op een hoger niveau: het hele Oostblok is een doolhof waaruit niet te ontsnappen is. Het mythologische wezen en de verteller zijn één, het verleden en het heden, de mythe en de realiteit zijn niet van elkaar te onderscheiden. Het leven of de wereldgeschiedenis is geen logisch verhaal en heeft met causaliteit niets te maken: de mens probeert echter structuur aan te brengen in de chaos en creëert daarmee een soort schijnveiligheid voor zichzelf.

    De empaat beseft dat en in plaats van de grote lijnen te zien, ontwikkelt hij een obsessie met het alledaagse en het kleine. Juist de willekeur van de hem omringende wereld fascineert hem en hij begint allerhande voorwerpen en herinneringen te verzamelen zonder daar enige logica in aan te brengen. Overal zet hij vraagtekens bij en benadrukt dat absolute waarheden niet bestaan.

    Fragmentatie
    De wetten van de melancholie is geen typische roman, en werpt meer vragen op dan het beantwoordt. Het laat zien dat logica een illusie is en dat deze associatieve en mijmerende manier van vertellen de enige mogelijke is. Het is een boek dat uitnodigt voor een postmodern experiment: waarom zou je de fragmenten in de voorgestelde volgorde lezen? Beter zou het zijn elk fragment op een los vel te schrijven, op een grote hoop te gooien en zomaar wat passages te lezen. Laat die atomen steeds maar op een andere manier een verbintenis aangaan, laat het maar doordringen dat taal geen enkele zekerheid biedt. En zelfs: realiseer je dat je geen essentie hebt en slechts bestaat uit een berg ervaringen en anekdotes, die ongrijpbaar zijn. Het is ongelooflijk, maar waar: na het lezen van De wetten van de melancholie is de wereld veranderd. Ik ben niet meer dan een Idee, die zijn tijdelijke intrek heeft genomen in mijn lichaam.

    In de sporen van Borges
    Gospodinov heeft een bijzonder originele ‘roman’ (is dit een roman? Het is eerder een organische en chaotische brij die constant verandert, terwijl de term roman pretendeert dat we hier met iets definieerbaars te maken hebben) geschapen, die interessante vragen opwerpt. Het is absoluut geen boek om in één adem uit te lezen, daarvoor is het te complex. Hier is een rasverteller en een filosoof aan het woord, een man die schrijft in de traditie van de Argentijn Jorge Luis Borges. Er had nog één motto aan het boek toegevoegd mogen worden, dat exact beschrijft wat er in De wetten van de melancholie gebeurt:

    No estoy seguro de que yo exista, en realidad. Soy todos los autores que he leído, toda la gente que he conocido, todas las mujeres que ha amado. Todas las ciudades que he visitado, todos mis antepasados.

    Ik weet eigenlijk niet zeker of ik wel besta. Ik ben alle schrijvers die ik ooit gelezen heb, alle mensen die ik ontmoet heb, alle vrouwen die ik heb liefgehad. Alle steden die ik heb bezocht, al mijn voorvaderen. – Jorge Luis Borges

     

  • De uitgeklede versie

    De kunstgreep is oud: de verwoording van het verlangen als de realisatie ervan. De herhaling die inderdaad iets versterkends heeft, blijft intrigerend. Er bestaat iets als een parallellisme, als in de psalmen. Maar misschien legt de creativiteit van de schrijver het geheugen van de lezer die hij altijd ook is – hij begint nooit vanuit niets als dichter – tijdelijk stil.

    Deze vier zinnen zeggen veel over het werk van Astrid Lampe. Maar ook volstrekt niets. Dat komt hierdoor: ze zijn alle afkomstig uit de voorbeeldige essaybundel over poëzie van Kees Fens De tweede stem. Ze hebben het dus in zich iets te kunnen zeggen over poëzie want ze zijn geschreven in een verband dat zich uitspreekt over poëzie. De zinnen komen echter uit verschillende essays en gaan over heel andere dichters en bundels. Maar Fens was een heel verstandige man, en indien zulke zinnen goed gesampled worden kan zo’n verzameling losse stukjes veelbetekenend worden.

    In Lampe’s recentste bundel Rouw met diertjes bestaan twee van de drie afdelingen uit ‘gesamplede’ gedichten. De eerste met dichtregels die Lampe verkreeg door te grasduinen in de bundel Geboorten van het vers, uit de reeks ‘ Levende Franse poëzie’.  De tweede afdeling is een sample uit vertalingen uit het Amerikaans. Is poëzie gemaakt van stukjes andere poëzie, wel poëzie? Welzeker, meent Fens hierboven. Maar misschien legt de ‘creativiteit van de dichter, de lezer die hij ook is over het algemeen wel even stil’. En moeten we dat ook eigenlijk wensen. Iedere dichter put uit een taalarsenaal, dat kan gebruikstaal zijn, maar ook ingedikte taal van anderen: poëzie. Lampe kan dus poëzie scheppen uit poëzie van anderen. En soms levert een opgedolven zin in een ontketend verband ook iets verbazingwekkend levends op.

    Natuurlijk resoneert in de lezer die deze afdeling ‘dronken  jol’ leest Arthur Rimbauds Bateau ivre mee en regelmatig botsen mooie archaïsche zinnen boeiend op technische samples:

    Het manuscript drukt een vroegere versie van het gedicht af dan
    verwondt hij zich, het fatale terugkeren verwondt hem.

    Toch kan dit niet het sterkste deel van een dichterlijk oeuvre zijn: echte creativiteit schakelt het geheugen van de lezer die zij ook is immers tijdelijk uit. Dan doet Lampe het beter in Rouw met diertjes, de grootste en eerste afdeling van de bundel. Het gedicht:

    rouw de
    onmogelijk nog langer uit te stellen jetlag
    viert uit boven het ravijn
    van al te vast (samen nog)
    net iets te blij aangestampt ruimtebeleven

    en

    vreet de hoogbouw
    we
    dragged and dropped
    (o lieve lust het stapelde)
    de
    original images
    into this workspace

    jij (spoot je ralkleur jij)
    nu stort je mij
    een retestrak vloertje
    grondig

    grondig ground zero
    laat op mijn beurt
    (niks technisch engels)
    mijn iCloud je rug krabben

    etaleert het spectrum van leessensaties die Lampe’s bundel oplevert: bewondering (‘rouw als onmogelijk langer uit te stellen jetlag’ is een goed beeld) lachen: (‘net iets te blij aangestampt’) irritatie over het misverstand poëzie interessanter te maken door het te insemineren met Engels en een lichte vermoeidheid aangaande het zelfverwijzende universum van Lampe (Spuit je ralkleur is een titel van een van haar eerdere bundels) dan wel dwangmatig up to date zijn (het eerste gedicht in de Nederlandse literatuur met iCloud er in), en dan weer terug naar bewondering: de gedachte dat je verloren geliefde bijvoorbeeld nog ergens nabij je iCloud hangt is wel mesmerizing.

    Spuit je ralkleur leverde overigens, evenals De memen van Lara een sprankelender en humoristischer universum op; nu leent rouw zich als thema misschien minder voor sprankeling en humor, gesteld moet dan misschien dat het soort poëzie dat Lampe schrijft zich minder leent voor rouw.

    Dat realiseert de dichter zich ook, regelmatig verwijst ze naar haar ‘uitgeklede versie’ en ze maakt daarmee haar laatste bundel ook een versie schameler dan haar werk was. Maar dat is misschien ook juist precies wat rouw doet.

     

    Deze recensie verscheen eerder in poëzieblad Awater (2013)

     

     

  • Knorrige betweter

    Als Heere Heeresma het Nederlandse recensentenvolkje eind jaren zeventig een gebrek aan geestelijke breeding en integriteit verwijt, kaatst criticus Aad Nuis de bal onmiddellijk terug: Ja, als er in de Verzamelde Brieven van Heeresma een greintje inzicht te bespeuren viel, een spoortje, hoe klein ook, van een oorspronkelijke gedachte (…). Maar deze koude kliek van alles wat kwaaie schrijvers door de eeuwen heen over critici hebben bedacht? Nee, hoor. De schrijver ontploft en geeft zijn uitgever opdracht nooit meer een recensie-exemplaar te versturen.

    Hoe het met de integriteit van Aad Nuis gesteld was valt moeilijk meer te achterhalen, maar enige geestelijke breeding kan hem niet worden ontzegd. Zijn oordeel over de correspondentie van Heeresma (1932-2011) lijkt niet overdreven–ook in Bleib gesund!, de zojuist verschenen selectie uit de correspondentie van Heeresma, valt het niet mee originele denkbeelden te vinden, ook al presenteert de auteur zich menigmaal als autoriteit op het gebied van Bijbelexegese en Jodendom. Zo tikt hij Renate Rubinstein op de vingers die het eerste gebod volgens hem ten onrechte omschrijft als Gij zult niet doden. Dat zou moorden moeten zijn–maar wat de hiervan de precieze consequentie is, blijft wat in het vage. Een paar dagen eerder heeft hij Marten Toonder trouwens hetzelfde geschreven naar aanleiding van een kranteninterview: Het door u aangehaalde woord spreekt niet over ‘doden’ maar over ‘moorden’ en dát is wat anders. Uw redenering zakt daarbij en passant door z’n  eigen bodem. Geen toelichting.

    Succesvol auteur
    Maar het merendeel van de brieven, die de periode van 1952 tot 2010 beslaan, betreft huis-tuin-en-keuken aangelegenheden over familie en vriendschap, schrijvers, uitgevers en recensenten. En vooral over zijn eigen schrijverschap. Wat je ook verder over de aard en kwaliteit daarvan zou mogen denken: hij was een buitengewoon succesvol auteur, zeker voor Nederlandse begrippen. Een dagje naar het strand; Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp; Geef die mok eens door, Jet!; Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming–het waren allemaal bestsellers die steeds maar weer herdrukt werden en voor een deel zijn verfilmd door vooraanstaande regisseurs. Een jongen uit plan Zuid (2005), gebaseerd op zijn (oorlogs-)jeugd in Amsterdam Zuid, behoort tot het mooiste wat er in het Nederlandse taalgebied verschenen is.

    Als schrijver stond Heeresma op eenzame hoogte, dat vond hij tenminste zelf. Vanaf het midden van de jaren zeventig kon hij van zijn pen leven en hij heeft er sindsdien een eer in geschept zich verre te houden van het ‘literaire wereldje’: hij vroeg geen subsidies of beurzen aan en accepteerde geen literaire prijzen–en had minachting voor collega-schrijvers die daar wél aan meededen. De Vereniging van Letterkundigen bestond volgens hem uit een verzameling koekebakkers, non-valeurs en staatsruifpikkers, zoals hij schreef aan de secretaris. Niet alleen schrijvers komen er slecht af in Heeresma’s brieven–er zijn maar enkele uitzonderingen, zoals Jan Arends en Laurie Langenbach–ook uitgevers, boekverkopers en, vooral, recensenten, de beoefenaren van de vaderlandse boekenschouwkunst. Met journalist Rudie Kagie maakt hij zich vrolijk over Kees Fens, die niet eens zijn eigen werk kan inschatten (…) En dat wordt losgelaten op het werk van anderen. Het lezend publiek wordt substantiële informatie onthouden omdat critici niet kunnen denken en niet kunnen schrijven. Er wordt zoveel oeverloos gewauwel over boeken losgelaten, dat het lezend publiek vermoeidheidsverschijnselen gaat vertonen wat zonder meer gevolgen heeft voor de verkopen in de boekhandel. Heeresma merkt desondanks op, de brief dateert uit 1986, dat hij een zware koffer vol knipsels heeft bewaard met recensies van zijn eigen werk: 1200 artikelen, waarvan 20 positief en 40 welwillend, de rest afwijzend op een vaak agressieve manier. Dit alles terwijl mijn oeuvre in de loop der decennia behoort tot het meest herdrukte in de geschiedenis der letteren.

    Boos
    De boosheid van de correspondentie is misschien te begrijpen, al wordt de voortdurende herhaling, in alle toonaarden, op den duur knap vermoeiend. Af en toe straalt er iets van humor door in de rancune. In 1975 wendt hij zich tot Pierre H. Dubois die Geef me die mok eens door, Jet! heeft besproken voor Het Vaderland. Dubois heeft blijkbaar laten doorschemeren dat hij de roman geen meesterwerk vindt. Dat valt verkeerd: de tijd zal wel uitmaken of iets een meesterwerk is en niet ene Pierre H. Dubois, zegt Heeresma in een brief aan de recensent. De neerbuigende toon van de criticus is niets meer of minder dan een brutaliteit, schrijft de auteur en hij vervolgt: Wie of wat bent u zelf eigenlijk? Een Haagse grootheid die met al zijn aktiviteiten nog niet bij de lezers heeft kunnen losslaan wat alleen hier genoemd boek al deed. Het wordt tijd dat mensen zoals u zich eens wat bescheidener, en vooral dienender gaan opstellen. De ijdele parmantigheid die uit uw bewering sprak is vandaag de dag niet goed mogelijk meer. 

    Heeresma heeft een ongelofelijke hoeveelheid brieven geschreven, hij liet in zijn boeken een postbusadres afdrukken en probeerde alle post te beantwoorden. Samensteller Hein Aalders heeft uit tienduizenden brieven, kisten en nog eens kisten vol, moeten selecteren. De vraag is: heeft al die moeite geloond? Het epistolaire personage van Heeresma is een wat knorrige betweter. Dat is soms amusant, maar de literaire of poëtische kwaliteiten van de schrijver blijven teveel verscholen achter polemiek en zelfbeklag. Ernstiger is het gebrek aan context: Heeresma windt zich over van alles en nog wat op, maar je weet niets van de omstandigheden: Bleib gesund!  bevat alléén de brieven van Heeresma, geen enkele reactie. Omstreeks pagina 100 staan achter elkaar brieven afgedrukt aan Thomas Rap, de moeder van de schrijver, uitgeverij Contact, Ab Visser, Propria Cures, Martin Ros, Bert Bakker, Willem Frederik Hermans, Geert Lubberhuizen, maar je komt niet te weten of de aangesneden kwesties verder worden besproken, opgelost of met een sisser eindigen.

    Ook tussen de brieven onderling bestaat geen enkel aantoonbaar verband. Naar de achtergrond van de keuze moet je raden, noch samensteller Aalders, noch inleider Anton de Goede maken er een woord aan vuil. Ruim 400 pagina’s schijnbaar willekeurige brieven–je moet wel een taaie bewonderaar zijn, wil je je daar doorheen lezen.

  • Sterke verhalen, fijn voor de fans

    Tja, P.G. ‘Plum’ Wodehouse (1881-1975), wat moet je daar nou mee? Zit er nog iemand, behalve de trouwe leden van de P.G. Wodehouse Society, op een vertaling van diens werk te wachten? Uitgeverij IJzer denkt in ieder geval van wel. In Mr. Mulliners sterkste verhalen heeft de uitgever elf verhalen van de Brits/Amerikaanse schrijver die nog niet eerder in Nederland in boekvorm gepubliceerd zijn opgenomen. Ze zijn vertaald door Leonard Beuger, die al eerder zijn tanden zette in werk van Wodehouse. Dat is geen eenvoudige opgave; het werk van Wodehouse wordt door sommigen onvertaalbaar geacht vanwege diens vele verwijzingen naar de Engelse taal, de Britse geschiedenis en zijn literaire voorgangers.

    Pub
    Wodehouse schreef vele romans en verhalen en de meeste spelen zich af in het Engeland van de eerste helft van de vorige eeuw. U kent het wel: dat platteland waar de adel tegen de stroom van de moderne tijd in stand en status overeind probeert te houden. Plattelandsdorpjes waar het leven zich afspeelt op het slordig geplaveide, maar keurig onderhouden pad tussen pub en kerk.
    In één van die pubs, herberg De Rustende Hengelaar, is Mr. Mulliner een vaste gast. Zo’n klant waarvan je blij bent dat die binnenkomt als je helemaal alleen je verdriet aan het verdrinken bent. Eindelijk aanspraak. Zo’n klant die je echter liever kwijt dan rijk bent als je in prettig gezelschap verkeert. Dan zet hij als een terriër zijn tanden in je kuiten en laat hij niet meer los. Eén vriendelijk woord van jou en je wordt ondergedompeld in een spraakwaterval van heb ik jou daar. Zo’n klant die je een vraag stelt, niet omdat hij geïnteresseerd in je is, maar omdat hij je antwoord gebruikt als springplank voor zijn eigen verhaal. Zo’n klant dus. Die het ene sterke verhaal na het andere opdist. Niet zo sterk als die van Baron von Münchhausen, maar toch. De gasten van De Rustende Hengelaar weten best dat je ze met een fikse korrel zout moet nemen, al die verhalen waarin de ooms, neven en achterneven van Mr. Mulliner de hoofdrol spelen.

    Kenau
    Zijn ze geestig? Ach. Een in scène gezette diefstal van waardevolle postzegels, twee golfers die zich verplicht voelen een wedstrijd te spelen om de hand van Agnes Flack, een Kenau met een donderstem met wie eigenlijk geen van beiden trouwen wil, twee Lords die jaloers zijn op elkaars snor, een verwende rijkaard die voor het eerst van zijn leven in een achterbuurt belandt… Ooit zal er om die Carmiggeltachtige verhaaltjes gelachen zijn. Maar nu komt het allemaal erg gedateerd over. De verwikkelingen zijn studentikoos en de beeldspraak is oubollig: een zeeman wiens rondborstige hartelijkheid doorklinkt in zijn stem, mensen die zich in een kolkende stroom door een deur naar buiten persen en een vrouw die de koningin is van stormachtige emoties. Hoogstaande literatuur is het niet, de grapjes zijn belegen en de lezer wordt er weinig wijzer van. Voor de echte fans, voor de liefhebbers van de taal die Wodehouse bezigt, zijn verhalen als deze vast de moeite waard. Maar wie zijn taal liefheeft, zoekt de bevrediging niet in een vertaling, maar in het originele werk.

     

  • De ‘veroostering’ van een westerse denker

    Stine Jensen bevond zich in een persoonlijke crisis en besloot zodoende haar energie te steken in yoga, de sport die bekend staat als middel voor het (terug) vinden van de persoonlijke balans. Op chique wijze benoemt ze enkel haar persoonlijke problemen als motivatie voor haar reis, zonder de lezer verder lastig te vallen met buitensporige emotionele verhalen. Via vermakelijke anekdotes over haar yoga-ervaringen, begeleid door wetenschappelijke bronnen, verhaalt ze haar ontdekkingstocht door de yogawereld. En we hebben het niet over de yoga-les bij de sportschool om de hoek; Jensen volgt een opleiding tot yoga-lerares, bezoekt festivals in het buitenland om populaire goeroes in het echt te zien, gaat op retraite en neemt daar zelfs bewustzijnsverruimende drugs; ze gooit haar leven langzaam maar zeker volledig om voor de yoga.

    Yoga als fenomeen
    Terwijl de yoga steeds prominenter wordt in haar leven, is Jensen geen yogi (een beoefenaar van yoga) die niets anders probeert dan haar lezers over te halen. Stap voor stap bespreekt Jensen namelijk ook de achterliggende ideeën van yoga, de kritische kanttekeningen erbij, haar eigen twijfels en opvattingen erover. Voor een ieder die het fenomeen yoga al eens heeft willen bestuderen is dit boek een prima uitgangspunt, want Jensen neemt uitgebreid de tijd om sociologische, psychologische en zelfs filosofische werken over dit onderwerp te bespreken. Van de veroostering van het Westen als geheel tot yogasmes (een orgasme verkregen door de beoefening van yoga) en hersenspoeling, Jensen neemt het allemaal onder de loep met behulp van de wetenschappen. Daardoor komt ze tot de conclusie dat het niet zonder reden is dat er sprake is van een veroostering van het Westen.

    Wie de thermometer diep in de billen van de tijdsgeest steekt, kan vaststellen dat we met velen zijn.

    Trends als mindfulness, meditatie en yoga worden volgens veel van de door haar genoemde auteurs veroorzaakt door individualisering, secularisering, kapitalisme en andere grote bewegingen. De westerse wereld heeft last van een ‘spiritueel tekort’. Ons dualistische denken helpt daar niet bij. Lichaam versus geest, mens versus de (natuurlijke) wereld en het analytische denken versus de ervaring. We zijn niet (meer) in staat om onszelf compleet te voelen als deel van het grotere geheel. Het oosterse gedachtengoed biedt de door ons als westerse dualisten zo gemiste eenheid tussen lichaam en geest en tussen ons en de wereld. Het van de wereld afgescheiden ego is slechts een illusie.

    Seksualiteit
    Tussen alle fysieke en mentale reiniging door komt de seksualiteit ook uitgebreid aan bod. Niet alleen de mystieke verbinding ervan met de oosterse spiritualiteit, maar ook als tekenend voorbeeld voor hoe de westerse wereld het geestelijke heeft proberen te ontkoppelen van de wereld. Jensen gebruikt daarvoor onder andere de woorden van de filosofe Helen Klitsie:

    De grootste fout van het christendom, aldus Klitsie, is dat het gepoogd heeft de seksualiteit exclusief aan voortplanting te verbinden.

    Een interessant idee, en de kritische lezer zal Jensen terug werpen: maar wordt die seksualiteit binnen het oosterse denken niet exclusief verbonden aan mindfulness? Jensen geeft aan dat yoga inderdaad zelfs als marketinginstrument voor seksualiteit wordt gebruikt, zo van ‘ga yoga-en en je seksualiteit zal erbij gebaat zijn’. Is dat commerciële element de invloed van het verloederde overheersende Westen? En is er wat dat betreft ook zoiets als te veel oosterse invloed? Jensen lijkt van het oosterse leven in ieder geval geen genoeg te krijgen.

    Bij alles behalve de seksualiteit, loopt Jensen telkens tegen haar westerse ego aan, worstelt daarmee en weet dan toch weer door te gaan en tegelijkertijd de rationele weg ook nog in zicht te houden. Ze gaat er vrijwel volledig voor, kleedt zich in het wit, staat vroeg in de ochtend op voor koude douches, minimalistische gezonde maaltijden, meditaties en yoga-sessies, maar is niet van plan haar bezit af te staan, een tulband te dragen of voortaan met haar spirituele naam door het leven te gaan, want zo zegt ze zelf:

    Ik vertrouwde op de pragmatische goeroe in mijzelf, dat die in staat zou blijven het goede eruit te halen en dat wat minder was links te laten liggen.’

    Gezonde nuchterheid
    Of dit alleen maar zo is omdat dit boek geschreven is ergens in het midden van haar spirituele reis, leren we niet. Het lijkt erop alsof Jensen middels haar (westerse) nuchterheid zichzelf weg probeert te houden van de sektarische regionen van de levensstijl. Die keerzijde van de munt komt namelijk ook kort aan bod. De roddels en foute verhalen over de grote goeroes en de levensstijl worden tamelijk snel afgedaan, maar daar gaat het hier ook niet om.

    Het is intrigerend om te zien hoe een ontwikkelde denker en uitmuntende essayist de oosterse spiritualiteit probeert te omarmen. De vereniging van Jensens oosterse en westerse denken, is een netelige kwestie waarmee dit boek doorspekt is van begin tot eind, zonder uitsluitsel en met weinig verlichting. Voor de lezer is het een aangenaam geschreven inleiding, zeker voor degene die niet zelf al die wetenschappelijke teksten wil doorspitten. De vele bronnen en hun uitgebreide besprekingen doen wel afbreuk aan de opzet van dit boek als een persoonlijk reisverslag. Het geheel wordt voornamelijk gered door haar prettige essayistische schrijfstijl. Op de achterflap van het boek lezen we dat het ‘een autobiografisch verslag van een zoektocht door het spirituele Wilde Westen en een filosofisch onderzoek naar het ego, goeroes en andere ongemakken’ is, maar uiteindelijk is het resultaat vermakelijk maar summier in beide opzichten. In dit boek heeft Jensen duidelijk de balans nog niet gevonden.

    De lezer leert over Jensens ontwikkeling voornamelijk dat ze zich beter voelt, – meer gebalanceerd – en ze een aantal emotionele problemen heeft aangepakt, zonder veel meer. Ze zou de veroostering ook graag door heel Nederland omarmd zien. ‘De thermometer in de billen van de tijdsgeest’ heeft wat haar betreft aangegeven dat we in het Westen heling nodig hebben. Om beter te worden geen bedrust, maar yoga, filosofie en meditatie.

     

     

  • Herinneringen aan een afwezige moeder

    De relatie van moeders met hun zonen; het is een thematiek die schrijvers als Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart en Arnon Grunberg recent heeft beziggehouden. Dat leverde heel verschillende resultaten op, maar duidelijk is steeds hoe bepalend de rol van een moeder kan zijn. Grunberg zei ooit: ‘Je hebt geen vrouw meer nodig als je een moeder hebt.’

    Moederziel van Krijn Peter Hesselink (1976) gaat over een jongeman die zijn moeder die jaren geleden uit zijn leven is verdwenen, tegen het lijf loopt. Het contact met de verwarde, dementerende vrouw schrijnt. Het lukt de jongeman, Jonathan, niet om een volwaardig gesprek met haar te voeren. Terwijl hij haar zoveel zou willen vragen.

    Verbeelding
    Deze dunne roman bevat aan het einde een soort clou, maar er is zeker geen sprake van gemakkelijk effectbejag. Hesselinks tekst is vrij geraffineerd qua compositie maar voelt (toch) authentiek aan. Het hoofdpersonage herinnert zich de gebeurtenissen die leidden tot het vertrek van zijn moeder uit het ouderlijk huis waar Jonathan met zijn vader, een studeerkamergeleerde, achterbleef. Deze flash backs worden afgewisseld met het werkelijke verhaal en vormen ermee samen een overtuigend geheel. De beschrijving van de kinderlijke fantasie van de jongere ik van de hoofdpersoon vormt het aantrekkelijkste onderdeel van dit boek.

    De sociologen Emily Keightley en Michael Pickering stellen in hun studie The mnemonic imagination. Remembering as creative practice dat de verbeelding bij het herinneringsproces van groot belang is. Zonder fantasie kan men zich niets herinneren, men geeft altijd vorm aan het eigen verleden door gebruik te maken van creativiteit en de mogelijkheid tot (her)scheppen. Dat is wat de hoofdfiguur Jonathan in Moederziel ook doet; in zijn herinneringen speelt verbeelding een grote rol. In zijn evocaties van de fantasievolle kinderwereld ligt, zoals gezegd, de kracht van dit boek, al hadden ze meer bladzijden mogen bestrijken. Hesselink laat zien dat de kindertijd niet alleen een domein van de fantasie is, maar dat ook het terugblikken erop met fantasie gepaard gaat.

    Herinneren
    Hesselink schreef eerder enkele dichtbundels. Zijn eerste bundel Als geen ander dateert uit 2008. De stijl in Moederziel, Hesselinks prozadebuut, is verzorgd, maar sprankelt niet altijd. Typerend is de volgende passage: ‘Buiten was niets te zien. De straat was uitgestorven. Een eenzame lantaarnpaal hield de wacht bij het betonnen flatgebouw aan de overkant.’ (56) Dat is mooi verwoord, maar een boek als dit zou misschien nog gewonnen hebben bij een ambitieuzere stijl. Dat gebrek aan stilistische brille is echter een manco dat veel Nederlands proza kenmerkt. Hoe dan ook: dit boek is een aanrader omdat het de lezer tot mijmeren aanzet over familiebanden, over de mogelijkheid om je los te maken van de herinneringen aan de kindertijd en over de wijzen waarop herinneringen een concrete vorm in de werkelijkheid kunnen aannemen.

     

  • Concept als excuus

    Het gelukkige schrijven is een bundel van 35 essays. In deze bundel probeert Kees ’t Hart zijn vinger te leggen op wat nu precies ‘het gelukkige schrijven’ is. Hij pretendeert niet het gelukkige schrijven ooit zelf bereikt te hebben. Zo is hier een zin uit het eerste essay: ‘Daarom is dit geen gelukkig essay, omdat het veel te opzichtig over het gelukkige schrijven reflecteert.’ Hiermee hebben we meteen al de eerste eigenschap van het gelukkige schrijven te pakken, maar dit maakt nog niet veel duidelijk.

    Verderop in het boek komen er nog meer eigenschappen aan bod. Zo schrijft ’t Hart dat het gelukkige schrijven gaat om het in stand houden van onschuld, het bestrijden van evidenties, dromerig willen zijn, het ondergraven van vanzelfsprekendheid. Hij blijft niet alleen bij het gelukkige schrijven, maar gaat ook verder naar de gelukkige schrijver, het gelukkige lezen, musiceren en schilderen. De gelukkige schrijver moet niet te veel nadenken, maar gewoon schrijven. Hij moet ongelijk blijven hebben, verbazen en boeien, gelukkig maken. ‘De gelukkige schrijver wil niets betekenen en demonstreert dat keer op keer in het volgende boek.’ De gelukkige schrijver schrijft om te vergeten net als de gelukkige lezer leest om te vergeten en niet om te leren.
    ‘t Hart  suggereert dat als de gelukkige schrijver maar gelukkig schrijft, het gelukkige lezen hier als vanzelf uit voort zal vloeien. Veel duidelijker dan dit wordt het concept van het gelukkige schrijven helaas niet omschreven.

    Vergelijkbare werkwijze
    Kees ’t Hart (1944) is schrijver van romans, recensies, essays en gedichten, maar hij is ook neerlandicus. Hij heeft aan de Universiteit van Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd en zijn achtergrond in de taalkunde komt in dit boek goed naar voren in de korte analyses van gedichten of andere stukken tekst. Dat hij zeer geboeid is door het schrijfproces werd al eerder duidelijk in het boek De kunst van het schrijven (2007). In dit boek interviewt hij vijf auteurs en analyseert hij aan de hand van het interview de eerste pagina van hun roman.

    In dit boek is zijn werkwijze vergelijkbaar. ’t Hart legt het concept van het gelukkige schrijven uit aan de hand van verschillende schrijvers en hun werken. In de boeken van Mark Twain, Herman Gorter en Vincent van Gogh vindt ’t Hart het gelukkige schrijven. Karel van het Reve, en zijn drang om altijd zijn gelijk te behalen, wordt als voorbeeld gesteld van hoe het niet moet. Het boek bewijst een grote belezenheid van Kees ’t Hart. Er worden veel (grote) namen genoemd en veel verschillende werken behandeld, maar laat dit geen reden tot afschrikken zijn. Het is niet nodig al de genoemde werken gelezen te hebben om het punt van ’t Hart te begrijpen. Sterker nog: hij schrijft soms zo enthousiast en aanstekelijk dat je al de genoemde verhalen, gedichten en boeken zelf wilt gaan (her)lezen.

    Een beetje veel van het goede
    De boeken en andere werken die worden genoemd, moeten dienen als argument om zijn theorie over het gelukkige schrijven te ondersteunen. Maar naarmate het boek vordert lijkt het gelukkige schrijven steeds meer op de achtergrond te raken. Het lijkt bijna een excuus om het te kunnen hebben over de auteurs en hun werken. Wat op zich alsnog zeer interessante lectuur oplevert, maar men hoeft dus geen stappenplan richting het gelukkige schrijven te verwachten.

    De essays zijn lekker los en vlot geschreven. Het verhaal over de ontmoeting met een van zijn favoriete schrijvers, de analyse van het werk van Brusselmans, achtergrondverhalen bij schrijvers en hun werken, de brieven van Van Gogh, het is allemaal heel vermakelijk om te lezen. Ook komen er in het boek nog wat interessante vraagstukken naar voren over bijvoorbeeld lerarenliteratuur. ‘Een leraar of lerares is in literatuur (en film) in principe iemand die niets kan en dat altijd probeert te verbergen achter idealistische of rancuneuze of excentrieke façades.’ Waar komt dit idee vandaan?

    Het gelukkige schrijven is een interessant en vermakelijk boek om te lezen. Zonde is dat ’t Hart in zijn essays soms kwantiteit boven kwaliteit verkiest, en zijn analyses soms meer de breedte dan de diepte ingaan. Toch is het boek een aanrader. Het ergste dat kan gebeuren, is dat je na het lezen van dit boek de ander genoemde werken ook wilt lezen.

     

     

     

  • De horzel van Otterspeer: geesteswetenschappen en natuurwetenschappen in conflict

    Voor bezuinigende beleidsbepalers zijn degenen die zich op kosten van de overheid met kunst en cultuur bezig houden een makkelijk doelwit. Wat leveren die subsidies nu eigenlijk op? Kan het niet wat minder? Wat heb het voor nut? Op deze vragen hebben de culturele instellingen doorgaans geen antwoord dat eenvoudig in cijfers en staafdiagrammen uitgedrukt kan worden. En laten dat nu juist de wapens zijn waarmee de strijd gestreden wordt.

    Maar wie aangevallen wordt verdedigt zich en wie zich echt bedreigd voelt, slaat om zich heen. Misschien is het daarom dat sommigen over kunst en cultuur beweren dat ze niet alleen waardevol maar zelfs onmisbaar zijn in de strijd tegen de oprukkende oppervlakkigheid. Kortom, cultuur is goed, en noodzakelijk voor een goede, algemene ontwikkeling, waarbij steeds vaker benadrukt wordt hoe gezond dit alles is. Kijk bijvoorbeeld eens naar Alain de Bottons School of Life dat niets minder wil dan door middel van kunst en cultuur een beter mens van u te maken. Of sla het boek de boekenapotheek eens open. Hierin worden met verdacht weinig ironie leesadviezen aan medische aandoeningen gekoppeld. Boeken zijn net medicijnen, is het idee. Maar, als boeken zo goed voor mensen zijn, dan kan dit toch niet gelden voor elk boek. Sterker nog, als sommige boeken daadwerkelijk goed zijn voor de gezondheid dan moet het ook mogelijk zijn om boeken te schrijven die slecht zijn voor de gezondheid. En welke boeken zijn dit dan, en wat gaan we er aan doen? …Maar hierover niet nu.

    Wie zich geroepen voelt de kunsten te verdedigen tegen blinde cijferdrift moet zijn pijlen richten op de politici waarvan men vermoedt dat ze enkel in economische belangen geïnteresseerd zijn. Zo iemand is Rob Riemen, oprichter van het Nexus instituut, die meent dat Europa een ziel mist en zich blind staart op uitsluitend economische belangen. Voor hem is Cultuur (ik gebruik expres hoofdletters) de representant van het Schone, het Goede, het Diepe en het Universele.

    Ook Willem Otterspeer is iemand die zich geroepen voelt op de bres te springen om kunst en cultuur, in de vorm van de geesteswetenschappen, de humaniora zoals hij ze noemt, te verdedigen. De strijd binnen de universiteit heeft zo zijn eigen dynamiek. Er zijn discussies over studentenaantallen, bezuinigingsdrift, concurrerende wetenschappers, de keuze tussen meer onderwijs ten koste van onderzoek, publicatiedruk, valorisatie (het direct bijdragen aan iets dat economisch nuttig wordt geacht) etc. Dat het anders moet op de Nederlandse universiteiten is een opvatting die steeds breder lijkt te worden gedragen. Zo is er het initiatief Science in Transition dat o.a. zoekt naar een andere waardering van wetenschap in de samenleving, en afgelopen zomer nog bezetten studenten en medewerkers van de UvA gebouwen van hun universiteit als protest tegen het zogenaamd ‘rendementsdenken’.

    Ook Otterspeer vindt dat de universiteit aan een herijking toe is. Maar hij kiest een merkwaardige vijand in de strijd om… ja, om wat eigenlijk? Gaat het hier om erkenning, geld, aandacht? In elk geval, Otterspeer kiest niet de voorstanders van het rendementsdenken als vijand, maar de natuurwetenschap. Dat lijkt een strategische vergissing te zijn en na het lezen van zijn boekje Weg met de wetenschap, blijkt dat het dit ook echt is.

    In een interview met De correspondent zegt Otterspeer dat hij dit boekje schreef uit ergernis over de natuurwetenschappen. Nu is ergernis zelden gebaseerd op iets wat zich met fraaie argumenten goed laat onderbouwen en ook hier is dit niet gelukt. Met ‘wetenschap’ bedoelt Otterspeer de natuurwetenschappen en hij geeft ze bijna achteloos de schuld van bijna alles dat mis is binnen de universiteit:

    De politiek en haar populisme, getal en toepasbaarheid, het managers-syndroom en zijn voorliefde voor kwantificering zijn ook de universiteit binnengedrongen. En de poort waardoor zij naar binnen kwamen was de wetenschap.

    Bij deze zin vraag je je af of Otterspeer het nu werkelijk meent, of alleen maar aan het provoceren is. Als het laatste het geval is dan ontgaat me wat hij nu eigenlijk wil bereiken. De bewering zelf is op het onzinnige af. Alsof iedere natuurwetenschapper instemt met meer managers, meer kwantificering of zelfs meer populisme. Sterker nog, de natuurwetenschap houdt zich helemaal niet bezig met voorgeschreven regels of wetten. Een natuurwet is niet iets waar men zich aan dient te houden. De voorliefde van managers voor meetbare resultaten heeft dan ook niets met natuurwetenschap te maken.

    Otterspeer beargumenteert de bewering nauwelijks. De natuurwetenschap zou voortkomen uit een steeds verder toenemende rationalisering en dat leidt tot de geciteerde voorliefde voor kwantificering en managers. Hij bevindt zich hiermee op ijs dat niet alleen te glad maar ook te dun is. Het is niet al te moeilijk om toenemende rationalisering aan te wijzen voor een probleem van uw keuze.

    Maar de opmerking over een ‘toenemende rationalisering’ is veelzeggender dan het misschien lijkt. Voor Otterspeer is natuurwetenschap iets dat bijna tegengesteld is aan de geesteswetenschappen. Tussen de twee bevindt zich in elk geval een grote kloof. Otterspeer haalt daarbij uitgebreid de lezing The two cultures and the scientific revolution van C.P. Snow aan. Snow was romanschrijver en chemicus, was bevriend met wetenschappers en ‘intellectuelen’ en merkte tot zijn verbazing dat de twee groepen niet tot nauwelijks met elkaar communiceerden of interesse voor elkaar hadden. Er was volgens Snow duidelijk sprake van twee culturen.

    Het aardige van Snows lezing is dat hij de kloof niet alleen vaststelt maar ook betreurt. In zijn lezing denkt hij na over hoe de twee culturen weer met elkaar verbonden kunnen worden. Otterspeer citeert Snow met instemming maar lijkt ondertussen een heel andere kant op te gaan. In plaats van een brug te willen slaan tussen de twee culturen beargumenteert hij dat het verschil tussen geestes- en natuurwetenschappen fundamenteel is. Volgens hem zijn er twee radicaal verschillende manieren om naar de wereld en ons zelf te kijken. Het onderscheid zou terug gaan tot op de oude Grieken, en dan weet een lezer die zijn klassiekers kent, dat we hier op een fundament gestuit zijn.

    Wie Otterspeers betoog leest, kan bijna niet anders dan concluderen dat de natuur- en geesteswetenschappen onverenigbaar zijn. De enige uitweg uit het dilemma is niet een samenkomst van de twee culturen maar een evenwicht, waarbij de een de ander niet teveel overheerst. Dat is ook de reden waarom Otterspeer roept dat de wetenschap weg moet: om te bereiken dat haar invloed vermindert en dat de geesteswetenschappen weer wat meer ruimte krijgen. Hij pleit vervolgens voor het belang van algemene vorming en de belangrijke rol die hij daarin voor de universiteit ziet weggelegd. Zij moet in haar opleidingen de nadruk leggen op ‘probleemoplossend vermogen’ en kenmerken stimuleren als risicobereidheid, flexibiliteit, zelfdiscipline, behoefte aan autonomie, aan complexiteit en nieuwe ervaringen. (blz. 61) Dat is allemaal goed en wel maar het blijft een raadsel waarom dit dan moet worden gerealiseerd zonder, of in ieder geval met minder ‘wetenschap’.

    Het is moeilijk om te ontdekken wat Otterspeers belangrijke punt nu eigenlijk is. De natuurwetenschappen overheersen en de universiteit moet zijn rol als drager van culturele en algemene ontwikkeling weer terug krijgen. Daarbij prijst hij het Amerikaanse onderwijssysteem (waar wetenschap trouwens uiterst belangrijk wordt gevonden) en houdt een onduidelijk pleidooi voor een nieuwe universiteit, waarbij hij ook rollen ziet weg gelegd voor de krant en de politiek. Dat laatste lijkt een grapje maar is het niet. Science in Transition stelt juist vast dat het vertrouwen van het publiek in de wetenschap nog vele malen groter is dan die in de journalistiek en de politiek. Otterspeer lijkt zich daarmee aan verzakkende fundamenten te willen vasthouden. Het lijkt er op dat hij terug wil naar oude verheffingsidealen maar als dit zo is, dan volgt hij een bijna onnavolgbare omweg.

    Weg met de wetenschap, verscheen in de zogenaamde reeks Horzels dat aanleiding moet geven tot debat. Maar juist als uitgangspunt voor een discussie schiet dit boekje te kort. Men moet eerst graven om te begrijpen wat Otterspeer nu eigenlijk wil.

    In het gesprek met de Correspondent maakt Otterspeer de opmerking dat veel museumbezoekers niet meer weten dat de afgebeelde vrouw in het blauw Maria is. De kunst wordt met dat gebrek aan kennis niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat mag zo zijn, maar iets dergelijks kan men ook zeggen over het gebrek aan kennis over vogels, planten, insecten bij wandelaars. Iedere plantenliefhebber weet wat iemand mist die niets weet van de Nederlandse flora. En wie een idee wil krijgen van hoe wiskundige kennis je leven kan verrijken moet maar eens naar de filmpjes van Vi Hart kijken.

    Otterspeer geeft nog meer voorbeelden van het belang van de humaniora: de geschiedenis van migrantenstromen in de 17e eeuw, en Rembrandts ontwikkeling naar aanleiding van de recente aankoop van de twee pendantportreten. Wat daarbij opvalt is dat het hier steeds om feitelijke kennis gaat, terwijl Otterspeer nu juist betoogt dat ‘zekere kennis’ het domein is van de natuurwetenschap, en dat de humaniora gaan over het onzekere. (Een uiterst ouderwets aandoende bewering overigens.) Men kan zich dan ook afvragen of het onderscheid tussen de twee vormen van wetenschap inderdaad zo fundamenteel is als Otterspoor betoogt.

    Er is nog wel meer kritiek op de geesteswetenschappen mogelijk. Otterspeer klaagt dat zij, om voor volwaardig te worden aangezien, de natuurwetenschappen zijn gaan imiteren. Dat is in zekere zin juist, maar het zijn de geesteswetenschappen zelf die deze keuze lang geleden en bovendien herhaaldelijk hebben gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de wetenschappelijke pretentie van Marx of het toepassen van psychologische en economische theorieën bij de interpretatie van kunst en literatuur.

    Men kan zich daarbij ook nog eens afvragen in hoeverre men met al dat academische gepraat en geschrijf over kunst en cultuur, nu ook iets wezenlijks bijdraagt aan onze algemene ontwikkeling. In veel gevallen heeft het geleid tot onleesbare studies die wel eens heel slecht voor de gezondheid zouden kunnen blijken te zijn.