Literair Nederland

Liefde voor literatuur

  • Obsessie voor een oorlog die niet de jouwe was

    Obsessie voor een oorlog die niet de jouwe was

    Een schizofrene tobberd. Een schlemiel die als geschiedenisleraar voor de klas begon, maar nu zijn dagen doorbrengt in een achterafkamertje van de school. Waar hij mag bijhouden welke leerlingen spijbelen. Wiens voelsprieten, zo werkt dat nu eenmaal bij tobberige types, haarfijn signalen oppikken van jongetjes die óók geboren zijn voor tegenslag. Een jongetje bijvoorbeeld dat met een suède portemonneetje rondloopt waarop in glitterletters het woordje diva is geplakt. Die er bijna om smeekt gepest te worden.

    Abel Kaplan, zo heet de gesjeesde leraar, is ook nog eens een mislukt schrijver, die zijn dagen slijt in dat vergeten kamertje op een islamitische middelbare school. Hij is de hoofdpersoon in de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss (1986), De laatste oorlog. Beschouw die oorlog maar gerust als de heilloze strijd die Kaplan voert met zijn omgeving. Anderen op stang jagen, vaak zonder echte reden, daar is hij goed in. Zonder veel moeite slaagt hij er in om ruzie te krijgen met zijn ex, met zijn nieuwe vriendin en met zijn nieuwe schooldirecteur. De laatste stuurt Kaplan met een schorsing naar huis. Niet zo heel verrassend: op een beveiligingscamera van de school staat Kaplan die de fiets van een leerling in elkaar trapt.

    Abel Kaplan raakt geobsedeerd door de oorlog. Als zijn joodse vriendin hem het kampdagboek van haar grootvader laat zien, raakt hij ervan overtuigd dat het document zijn redding is. Hij heeft zelf de oorlog niet meegemaakt en dat ervaart hij als een gemis. Hij vraagt zich af wat voor mens hij zou zijn als hij de oorlog wél had meegemaakt. Het dagboek biedt hem twee kansen. Hij schrijft het over en zet de inhoud naar zijn hand. Dichter bij iemand komen die de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve heeft meegemaakt, kan hij bijna niet. Zo ervaart hij de oorlog toch nog bijna zelf. Tegelijk kan hij zijn schrijverscarrière, behoorlijk in het slop geraakt, een nieuwe boost geven. Ondertussen houdt hij op zijn flatje een zigeunerjongetje verborgen, een vluchtelingetje dat het land uitgezet dreigt te worden. Dat is een vage poging van de schrijver om Kaplan wat minder narcistisch te laten lijken en tegelijk een wat gekunstelde poging om het verleden van het kampdagboek met het heden te verbinden.

    Soms heb je de neiging om je hand in dat boek te stoppen en die egocentrische hoofdpersoon aan zijn haren eruit te trekken. Om hem vervolgens eens flink door elkaar te schudden. Als zo’n emotie je tijdens het lezen van een boek bekruipt, is dat boek in zeker opzicht geslaagd. Het doet iets met je. Maar als je na het lezen van de laatste bladzijde de som opmaakt en concludeert dat het bij die emotie, ergernis over de hoofdpersoon, is gebleven, dan valt het eindoordeel mager uit.

    Heerma van Voss is een goed verteller. Maar in dit boek wijdt hij wel erg veel uit. In een paar lijntjes waren het karakter van de hoofdpersoon en diens houding ten opzichte van de wereld wel geschetst. Maar de schrijver kiest voor herhaling en detaillering. Steeds weer die scènes van Kaplan die op dat flatje die jongen verborgen probeert te houden voor zijn buren… De hoop op een daverend slot maakt dat je doorleest. Maar ja.

     

  • ‘Wie is daar?’

    ‘Wie is daar?’

    Waar blijft een acteur als hij zijn rol op het toneel heeft gespeeld en hij nog niet is afgesminkt? Waar blijft een dode als de meeste mensen niet meer geloven in hel en hemel? In de tussentijd, waar de toneelbezoekers de verbeelding vast proberen te houden. Waar nabestaanden doden bij zich proberen te houden. ‘Hij is er nog’, wordt er dan gezegd over acteur en dode. ‘Op de brug’, zegt Roel Bentz van den Berg, zoon van acteur Han Bentz van den Berg, over wie hij in 2002 de documentaire De verdwenen personages maakte en die in het boek als personage voorkomt, evenals diens psychiater waarin Hans Henkemans valt te herkennen.

    De brug
    Het beeld van het idee ‘brug’ siert het omslag van Bentz van den Bergs tweede roman. Treffend vormgegeven door niemand minder dan Tessa van der Waals, in – om de visie van de auteur op foto’s in het algemeen aan te halen – ‘een meerwaarde die de dagelijkse werkelijkheid overstijgt.’ Van een werkelijkheid die ‘het product is van de verbeelding.’ We zien een weg die voert naar een niet zichtbare brug. In het midden lopen tramrails, aan de kant zijn winkels (open day & night) en daarlangs en overdwars is feestverlichting gespannen in de vorm van vlammen. Het gáát over de brug, maar die is niet afgebeeld. ‘Zoals een schilderij of gedicht uiteindelijk niet over de schilder of dichter gaat maar over datgene wat erin wordt uitgedrukt’, om de schrijver aan te halen. Of zoals een droom in de nachtelijke uren waarin de foto is gemaakt. Een tijd van dromen en waken, een tussentijd. Even gefragmenteerd als het leven van hoofdpersoon Mark in dit boek, en diens vrouw Helen. Veelal om en om komen ze in de hoofdstukken van het boek voorbij. Mark is overleden, Helen gedenkt hem. Aan de hand van vragen die een gedicht van Anne Sexton oproepen:  ‘Hoe het zou zijn en, meer specifiek, waar je terecht zou komen als de lift na de begane grond (…) verder door naar beneden zou zakken, rechtstreeks de Onderwereld in of (…) juist steeds verder omhoog zou blijven gaan: (…) boven jezelf uit.’

    De dood
    De dood als een vorm van transcendentie, jezelf overstijgend. Maar de woorden blijven op papier en bereiken Helens lippen niet, wanneer zij ze bij de begrafenis van Mark wil uitspreken. Of aan de hand van het begin van Shakespeares Hamlet: ‘Wie is daar?’ Dat is de vraag.
    Is het Mark of Mark’, een subtiel onderscheid als in een muziekstuk of een gedicht: A en A’, of – zoals Thomas Verbogt bij de presentatie van het boek zei –: ‘Ome Joop en zijn buikspreker Ome Jopi’ van André van Duin. Of Fred Astaire en de tapdansende Fred Astaire. Een act, een performance. Een toneelstuk binnen het toneelstuk, zoals – inderdaad – in Hamlet. Een zwarte doek die een goochelaar van iets wegtrekt. Een kamer en suite is het, leven en dood, werkelijkheid en droom, het toneel en de coulissen.
    Het zijn raak gekozen metaforen die over elkaar heen buitelen en bij het lezen méér soortgelijke beelden oproepen: een trompe l ‘oeil, een nepdeur, een oase in de woestijn. Of reminiscenties aan beelden van de Duitse kunstenaar Ulay: waar is de vlam als je de kaarsvlam hebt uitgeblazen?

    Groots
    Dat je als lezer mee kunt denken, tilt het boek uit boven de hier eerder besproken magisch-realistische, absurde parabel De zevende dag van de Chinese schrijver Yu Hua. Een parabel die ook speelt op de overgang, de brug van dood en leven, net als de film Those who feel the fire burning van Morgan Knibbe, waarin de geest van een over boord geslagen vluchteling het verhaal vertelt, zijn ziel naar een verbeelding dwingt, zoals Hamlet zou zeggen.
    In het derde deel zakt het boek even in, omdat daarin teveel beelden worden herhaald. Over de coulissen, transformaties van acteurs, het ‘Wie is daar?’ van Hamlet, de kamer en suite. Maar de schrijver herstelt zich snel in beschrijvingen van bijvoorbeeld de rol die een brug kan spelen als plaats om zelfmoord te plegen. En over de vraag ‘Als er dan toch verkeer mogelijk was tussen deze en gene zijde, waarom dan niet in beide richtingen?’ Een vraag waarvan het antwoord leidt tot een huiveringwekkende ontknoping van een groots verhaal dat zich ontvouwt als een poëtisch toneel- of muziekstuk, inclusief coda.
    De veelvuldige herhalingen zouden op een muziekstuk kunnen wijzen, maar zijn, omdat ze in de opbouw van het geheel geen structurele functie hebben zoals Mark en Mark’, wat te overvloedig gebruikt. Schoonheidsfoutjes binnen een magistraal boek waarin een thematiek wordt aangesneden die op dit moment in de lucht lijkt te hangen, getuige andere literatuur en films. En Hamlet natuurlijk.

     

  • Kinderen van de revolutie

    Kinderen van de revolutie

    De glasblazers is een waar gebeurde historische roman van Daphne du Maurier over de lotgevallen van haar bloedeigen Franse voorouders tijdens de Franse Revolutie. Een weldoortimmerde roman over glasblazers die zich omhoog werken van ambachtslieden tot industriëlen, maar door de Franse revolutie omver worden geblazen. Naar de vorm een verdediging van het literaire ambacht tegen de avant-garde, naar de inhoud een waarschuwing tegen de woelige geest van de jaren zestig van de twintigste eeuw.

    Ambacht en avant-garde
    Het is haast ironisch dat De glasblazers werd herdrukt in de reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland. Het perspectief op de Franse revolutie is eerder conservatief dan ‘kritisch’. Je zou ook kunnen zeggen dat het kritische vooral zit in het gekozen perspectief: de hoofdstedelijke revolutionaire giganten Marat, Robespierre en de Duc d’Orleans zijn achtergrondfiguren in het leven van de plattelandse glasblazersfamilie Busson. En de grote gebeurtenissen, van de eed op de Kaatsbaan en de bestorming van de Bastille tot en met de onthoofding van Marie-Antoinette dringen met grote vertraging en sterk vertekend door tot de levens van de hoofdpersonen. De roman is eerder revolutiekritisch dan maatschappijkritisch, zou je kunnen zeggen. De revolutie vindt zijn gerechtvaardigde oorsprong in reële sociale problemen en begint met nobele motieven en ideologische bevlogenheid, maar ontspoort dan in een chaotische reeks bloeddorstige plundertochten. Menselijke waardigheid en maatschappelijke orde legen het af tegen wraak- en hebzucht. De glasblazers is dan ook te lezen als een anti-revolutionaire waarschuwing tegen de geest-des-tijds van een schrijfster die de politieke en sociale woelingen van de 20e eeuw afkeurend bezag. Iets dergelijks kun je zeggen over constructie en vorm: het is een staaltje vertellersvakmanschap in een tijd die het ambacht verruilde voor avant gardisme.

    Muiterij en maîtresses
    Het echtpaar Busson runt een glasblazerij die ze pachten van een adelijke familie. Ze zijn streng maar rechtvaardig, met hart voor de gemeenschap van geschoolde en loslopende arbeiders (van meester-glasblazers tot houtskoolbranders), die rond de glasblazerij wonen. Een minimaatschappij waarin het leven geordend is volgens de ongeschreven regels van het feodale en het gildenstelsel. Twee zoons, Robert en Michel ontwikkelen zich tot meester-glasblazer, en nummer drie, Pierre, wordt na wat koloniale avonturen sociaal bevlogen advocaat. Robert vestigt zich in Parijs en bouwt een klandizie op onder de elite, terwijl Michel hardnekkig voortwerkt in de voetsporen van zijn vader, als pachter van een glasblazerij. Pierre wordt in zijn advocatenpraktijk geconfronteerd met de noden van het volk en de oneerlijkheid van de bestaande praktijken voor de opkomende kleinburgerij. De nieuwe gewone mensen, zeg maar. Dan spoelt de revolutie over hen heen. In de geschiedenisboekjes klinkt dat allemaal nog best heroïsch, hoewel je daaruit toch ook leerde dat de guillotine overuren maakte en dat woord ‘terreur’ in die tijd zijn hedendaagse betekenis kreeg. Maar de zegeningen op langere termijn zijn hier ver te zoeken en wat overblijft is de chaos en collateral damage in het toendertijdse hier en nu. En die is niet gering. Eerst de paniekzaaierij en muiterij op het platteland, waarbij de adel wordt verdreven en de geestelijkheid zijn landerijen in moet leveren. Onvermijdelijk gevolgd door gehamster en geplunder door verarmde arbeidersgezinnen. Die zijn koud met hun gejatte zilverwerk en damast teruggekeerd naar hun huisjes, of een contrarevolutie van uitgeweken adel, maîtresses en royalistische boeren uit de Vendée neemt, gewapend met degens, zilverbeslagen pistolen en dorsvlegels bezit van steden en dorpen en laat die na een dag of wat kaalgeroofd achter. Pas na een halve generatie wonden likken, puin ruimen en rouwverwerking kan het leven weer min of meer zijn gewone gangetje hernemen.

    Reconstructie en inventie
    Dat uiteindelijk miljoenen kansarme lieden een stuk betere uitgangspositie kregen in het leven dan voorheen krijgt Du Maurier niet uit haar pen. Ze weet wel een overtuigend beeld te geven van de onvermijdelijkheid waarmee iedere revolutie de eigen kinderen verslindt. Minpuntje: het boek is dermate geschiedkundig verantwoord en zorgvuldig in elkaar gestoken, dat historisch spektakel en psychologisch drama er onder leiden. Teveel (re)constructie en wat weinig inventie. Het maakt van De glasblazers vooral een interessant boek. Eigenlijk is het wachten tot de producenten van Downtown Abbey, Madmen en The Hunger Games De glasblazers als basis nemen voor een revolutionaire HBO-serie die een seizoen of 4 omspant. Grootheden als Alfred Hitchcock (Birds en Rebecca) en Nicholas Roeg (Don’t look now) verfilmden al andere romans van Du Maurier, dus het zou moeten kunnen.

  • Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    Recht op drie orgasmen en zes keer hoofdpijn

    ‘Misschien wel het moeilijkste van vertellen over het leven in het AZC is om de tijd te laten bewegen’.
    Met die zin begint hoofdstuk 58 van Hoe ik talent voor het leven kreeg, een schrijnend, maar ook wonderlijk relaas van een verblijf van negen jaar in een Nederlands asielzoekerscentrum. Auteur Rodaan Al Galidi weet waar hij het over heeft. Hij is een bouwkundig ingenieur die in 1998 in Nederland asiel vroeg nadat hij Irak ontvlucht was om te ontkomen aan de dienstplicht onder Saddam Hoessein. Zijn verzoek werd afgewezen, maar hij mocht uiteindelijk toch blijven omdat hij in 2007 kon profiteren van het generaal pardon. Dat werd in 2007 verleend aan asielzoekers die geen strafblad hadden en sinds 1 april 2001 (op die datum was een nieuwe Vreemdelingenwet ingevoerd) ononderbroken in Nederland verbleven.

    De genoemde data en feiten kloppen met die van de hoofdpersoon uit Hoe ik talent voor het leven kreeg. Toch noemt Al Galidi zijn boek nadrukkelijk een roman: ‘De verteller in dit boek ben ik niet zelf. Het is iemand die ik Semmier Kariem heb genoemd. Zo kon ik de schrijver blijven, zonder hoofdpersoon te zijn. Misschien zal mij gevraagd worden of dit mijn verhaal is. Dan zeg ik: nee. Maar als mij gevraagd wordt: Is dit ook jouw verhaal? Zeg ik volmondig: ja.’

    Semmer Kariem verbleef alles bij elkaar negen jaar in een Nederlands AZC. Daarvóór had hij er al een jaar omzwervingen door Zuidoost-Azië op zitten. Die zijn in flashbacks door het AZC-verhaal geweven.

    Wachten
    Inderdaad: ‘de tijd te laten bewegen’ is een heksentoer in negen jaar wachten, wachten, wachten. Dagelijks wachten op de tijd dat je aan de beurt bent om je te melden; wachten, soms jaren lang, op post van de Integratie- en Naturalisatie Dienst (IND) die beslist of je asiel krijgt. En dat wachten dan met drie anderen op een klein kamertje. Het wachten is je hoofdbezigheid, want werken mag je niet. Nederlandse les volgen evenmin. Daarom leerde Al Galidi zichzelf de taal door kinderboeken te lezen. Het heeft intussen geleid tot diverse gedichtenbundels, romans en verzamelingen van columns, waarin hij er blijk van geeft een scherpe observator te zijn van Nederland en zijn bevolking. Des te wonderlijker is het dat hij, kort na in 2011 te zijn gelauwerd met de Literatuurprijs van de Europese Unie, zakte voor zijn inburgeringstoets.

    Evenzeer verwonderlijk is dat Hoe ik talent voor het leven kreeg geen zwaarmoedig boek is. Integendeel: het is in al zijn tragiek van miscommunicatie, verlies van identiteit en zin van het leven, vernederingen en onvermogen tot werkelijk contact óók een erg licht en humoristisch boek.

    Post
    Om met die tragiek te beginnen: onmiddellijk bij binnenkomst in ons land is er al de cultuurclash die de asielzoeker in zekere zin een kunstmatige identiteit opplakt. Zo krijgt Kariem zijn naam van de IND tijdens het eerste verhoor (Al Galidi gebruikt de term ‘gehoor’). Er wordt hem naar zijn achternaam gevraagd, maar in Irak heet iemand naar zijn vader en grootvader; in dit geval Semmier Hamza Kariem (respectievelijk zijn voornaam, de naam van zijn vader en die van zijn opa). Daar maakt de IND dan de achternaam Kariem van. Ook zijn geboortedag krijgt hij toegewezen door de IND (geboortedagen worden in Irak niet geregistreerd; wel is er een ‘officiële verjaardag’). Maar het kan erger. Kariem vertelt in de roman het verhaal van een medebewoner van het AZC die al jaren lang elke ochtend controleert of er post is van de IND. Voortdurend is er een ‘nee’ van de postkamer. Zonder toelichting. Ten prooi aan twijfel begint hij na te vragen of zijn naam nog wel ‘in het systeem’ staat. Maar er is niemand van het AZC-personeel die op onderzoek uit gaat. Hij moet gewoon geduld hebben. Geduld. Wachten. Wachten tot je zelfs begint te twijfelen of je voor de overheid nog wel bestaat.

    Tandarts
    Zoals gezegd: de roman staat ook bol van de humor. Zoals de kromme conversaties in wat Kariem ‘het Asielzoekers’ noemt, een brabbeltaal die een mix is van begrippen en woorden die men van elkaar opvangt en van krakkemikkig Nederlands en Engels: ‘een AZC is namelijk één groot misverstand tussen de asielzoekers onderling en tussen de asielzoekers en de Nederlanders die er werken.’

    Humoristisch verteld zijn ook de trucjes die asielzoekers onderling uithalen om de verveling te verdrijven of te ontsnappen uit Nederland. Inderdaad: ‘ontsnappen’, want als je hier geregistreerd bent kun je niet meer naar een ander land waar asielprocedures sneller werken.

    De regels van het AZC werken al evenzeer op de lachspieren. Zo word je met een ontstoken tand pas naar een tandarts gestuurd als er tenminste drie patiënten zijn. Dus zoekt de man met kiespijn een lotgenoot en nog een derde. Iemand met een puik gebit die niettemin bereid is een pijnlijk gezicht te trekken maakt het trio compleet.

    In het AZC wordt overigens paracetamol verstrekt als een panacee tegen alle klachten. Er geldt een rantsoen voor, net als voor condooms: drie condooms per dag en twee paracetamol per acht uur. Wat Kariem tot de cynische conclusie brengt: ‘Dat houdt dus in dat een asielzoeker het recht heeft op drie orgasmen per dag en zes keer hoofdpijn.’

    Jezus
    In de roman maken we uiteraard ook kennis met de handel in mensen en paspoorten, vooral als we Kariem volgen op zijn weg door Azië. Maar de handel is er ook voor de poort van het AZC. Daar worden voetbaltalenten en prostituees geronseld. En er is de hilarische passage van het kerkgenootschap dat Bijbels in alle talen slijt om de asielzoekers tot Jezus te brengen, waardoor bij veel van hen het idee ontstaat dat bekering je sneller aan een verblijfsvergunning helpt.

    Tussen de regels door krijgen we als Nederlanders in Hoe ik talent voor het leven kreeg ondertussen een spiegel voorgehouden. Over onze gewoontes (ook de goedaardige trouwens) en over onze vermeende tolerantie en hulpvaardigheid. Een mooie passage daarover: ‘Laat de Hollander zelf bedenken wat je nodig hebt. Dan doet hij zijn best het voor je te regelen en heeft hij het gevoel dat hij jou gered heeft. Dat hij het opgelost heeft voor jou. Als je hem vertelt wat je wilt, dan wordt hij geïrriteerd dat hij voor jou werk moet doen en twijfelt hij of je eerlijk bent of niet.’ Al Galidi heeft niet alleen een inkijk in een AZC gegeven, maar ook een leerzaam boek geschreven.

     

     

  • Getekend leven

    Getekend leven

    Riad Sattouf is striptekenaar en cartoonist. Dus ligt een autobiografie in stripvorm voor de hand. In twee delen geeft de Franse tekenaar-schrijver (en filmer) een inkijkje in zijn eerste zes levensjaren die zich voornamelijk in het Libië van Khaddafi en het Syrië van Hafez al-Assad afspelen. Het succes van deze boeken (bestsellers in Frankrijk, internationale uitgaven) zal niet helemaal toevallig zijn, want het onderwerp Arabische wereld is mede dankzij IS en de situatie in Syrië actueler dan ooit.

    In 1978 in Parijs geboren uit een Franse moeder en een Syrische vader die aan de Sorbonne moderne geschiedenis studeerde wordt Riad al jong in twee werelden geplaatst.

    In deel 1 van De Arabier van de toekomst (de jaren 1978-1984) kiest vader Abdel, geobsedeerd door zijn doctorstitel waarmee hij in het Midden-Oosten op aanzien kan rekenen, voor een baan aan de universiteit van Tripoli. Het gezinnetje verhuist naar Libië. Maar na een tijdje wordt bekend dat ‘Khaddafi nieuwe wetten had afgekondigd die mensen verplichtten van baan te wisselen. Leraren moesten boer worden en boeren leraar.’ De Sattoufs gaan vervroegd terug naar Frankrijk. Daarna wordt Abdel hoofddocent aan de Universiteit van Damascus. ‘Alle andere posities waren al bezet door mensen met de juiste connecties,’ vertelt hij zijn vrouw. Ze gaan wonen in het dorp van de familie Sattouf waar Riad in deel 2 (1984-1985) ook naar school gaat.

    Kind zonder oordeel
    Sattouf tekent de scènes zoals hij ze zich herinnert. Wel heeft hij die momenten en beelden ingevuld met verbeelding en onderzoek, legt hij in interviews uit. In de boeken is het het kind dat zonder oordeel waarneemt, dat iets leuk of vreemd vindt of ergens bang voor is. Tekeningen met tekstballonnen geven de scènes weer. Erboven vertelt Sattouf in tekstblokjes over de politieke achtergrond van dat moment en in de tekeningen attenderen klein gedrukte woorden de lezer op een gezichtsuitdrukking, een gevoel of een geur. Ze geven het verhaal een volledigheid die in een grafische autobiografie anders minder snel tot uiting komt. De cartooneske stijl maakt de tekeningen vrolijk. Ook de humor ontbreekt niet.

    Moslim in een moslimland
    Abdel is een moderne man die in Frankrijk net als anderen varkensvlees eet. Eenmaal terug in zijn dorp vervalt hij in traditionele gewoontes en is hij van mening dat je in een moslimland gewoon moslim moet zijn. Als hij thuiskomt van zijn werk verwisselt hij zijn pak snel voor een djellaba.  Languit ligt hij op de grond televisie te kijken met zijn hoofd opgeheven en de handen als steun eronder. Zijn zoon ziet het met verwondering aan. Maar Sattouf laat hem in zijn tekeningen nergens bidden.

    Onontwikkelden
    Het is geen groot spannend jongensverhaal dat Sattouf vertelt. Hij geeft wel een uiterst interessant zicht op de cultuur van het platteland. De wreedheid is die van de onontwikkelden. Jongens vangen kikkers, binden ze aan hun fietsband en gaan ermee fietsen – om daarna te constateren dat de ogen er echt helemaal uit liggen. De dochter van een familie wordt door haar vader en broers vermoord omdat ze ongehuwd zwanger is geraakt. Aan vrijwel iedere zin voegen de Arabieren ‘Als God het wil’ of ‘God is groot’ toe.

    Moeder verloochent zich niet
    De vrouwen hebben een simpel leven binnenshuis. Riads Franse moeder schikt zich naar haar mans wensen, tenminste, voor zover we tot nu toe hebben kunnen lezen. Volgende delen zullen moeten uitwijzen of dat zo blijft. Voorlopig past Clementine zich aan, al verloochent ze zichzelf en haar meningen nooit, rent bijvoorbeeld naar buiten als ze jongens met een pup ziet voetballen. Ze verafschuwt primitiviteit en draagt ook geen lange jurken of een hoofddoek over haar blonde haren. Soms lijkt ze Abdels moreel kompas. Abdel doet voor haar wat hij kan om het leven gemakkelijker te maken, zoals zorgen voor een wasmachine en een gasfornuis. Deze komen via Libanon en de zwarte markt Syrië binnen.

    Werkelijkheid
    Hoewel het kijken in vreemde levens altijd wel weer nieuwe informatie oplevert, zullen westerse lezers niet echt verbaasd zijn over wat ze voorgeschoteld krijgen. Daarvoor is de informatiestroom waaruit wij hier voortdurend kunnen putten te groot. We weten al dat voor veel Arabieren joden en Amerika vijand nummer één zijn en dat ongeveer iedere westerling daaraan gelijk wordt gesteld. Dat de kleine blonde Riad door andere jongens voor jood wordt uitgemaakt werkt echter toch bevreemdend. Alsof je ontdekt dat iets wat je van tv-beelden gewend bent, ook werkelijkheid kan zijn. De statische tekeningen lijken op een of andere manier harder aan te komen. We zien dat het kind het gedrag van de jongens niet begrijpt en dat de kleine Arabiertjes het zelf waarschijnlijk evenmin begrijpen.

    Vermakelijke tekeningen
    Het is even wennen aan de tekeningen. Wellicht komt dat door het allereerste plaatje waarop vooral de tekst suggereert dat we hier met een beeld van een kind te doen hebben: ‘Lang, platinablond haar, Goudglanzend, Doordringende en zeer sprekende ogen’ (deel 1), ‘Smachtende lippen, Zich iets te goed bewust van zijn aantrekkelijke verschijning, Stem van een klein meisje’ (deel 2) en nog een paar kenmerken. Wat we zien is echter eerder een wat boertig aandoend ventje met teveel haar en een grote neus, dan een knappe peuter en kleuter. Dat hoeft ook niet, maar gezien de tekst en de eerste plaatjes in deel 1, waarop iedere volwassene smelt bij het zien van het kind, word je op het verkeerde been gezet. In deel 2 pakken ook de Arabische moeders hem vertederd op om hem te kussen. Alle zijn het vermakelijke mensenfiguurtjes, geen oogstrelende personages. De gezichtsuitdrukkingen zijn niet altijd herkenbaar. Een dreigend gezicht is niet altijd dreigend, angst staat niet steeds als angst op een gezicht. Dan moet je het van de context en de rest van de tekening hebben, die overigens aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Sattouf vertelt een goed verhaal.

    Prijzen
    Hij tekende en schreef al meer stripboeken en regisseerde tot nu toe drie films terwijl hij aan andere meewerkte als acteur of scenarist. Voor zijn stripboeken ontving hij diverse prijzen, waaronder tweemaal de Fauve d’or van het stripfestival in Angoulême, de laatste keer (2014) voor De Arabier van de toekomst. Verder tekent hij onder meer voor Charlie Hebdo en Le Nouvel Observateur.

    Hoe beeldbewust Sattouf is blijkt uit het feit dat hij de regie houdt over alle uitgaven van De Arabier van de toekomst. ‘Ik wil dat het boek eruitziet zoals ik het wil’ zegt hij. De landen waar hij afwisselend woont hebben hun eigen steunkleur gekregen. De kleuren worden door hem bepaald, net als het lettertype en het papier, wat ook geldt voor de publicaties buiten Frankrijk. Met dit beheer heeft Sattouf de productie voor honderd procent in eigen hand. Persoonlijker kan een autobiografie niet zijn.

  • Zeggingskracht van poëzie

    Zeggingskracht van poëzie

    In 2014 verscheen de poëziebundel Weg van Damascus, van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun. Op het omslag van deze bundel is het schilderij ‘De kus’ van Gustav Klimt te herkennen – maar liefelijk of ongeschonden is het niet, integendeel. Kennelijk is het schilderij veel meer dan levensgroot aangebracht op de muur van een gebouw of huizencomplex. Het zit vol beschadigingen, inslagen van kogelgaten, hele stukken muur ontbreken. Het symboliseert een aangrijpende werkelijkheid, die een wrede combinatie laat zien van enerzijds tederheid, overgave, artistieke inspiratie en aan de andere kant de bittere, actuele realiteit van oorlog en verwoesting. De titel van de bundel is Weg van Damascus, waarmee – voor zover dat nog nodig was – die bittere actualiteit in drie woorden ook nog eens is samengevat. Het gaat over het Midden-Oosten en over ‘weg’ zijn. Het hele oorlogs- en vluchtelingenvraagstuk is aan de orde, nog vóór de lezer de bundel zelfs maar heeft opengeslagen.

    Klinische observaties
    De gedichten van Almadhoun bestaan uit poëtisch proza of prozaïsche poëzie. De bundel bevat volgens de inhoudsopgave elf gedichten, die bijna alle uit meerdere delen bestaan.  De tekst van ‘De stad’ bijvoorbeeld, kennelijk over Damascus,  valt in acht stukken van zeer ongelijke omvang uiteen. Overkoepelend is het markante contrast tussen lieflijke beelden en de schrille realiteit.

    […] Deze stad heeft de navelstreng die haar verbindt met de dood niet doorgesneden. Elke nacht slijpt ze haar mes, in afwachting van de volgende slachting. Had ik maar de warmte van de motor van een auto in jouw trieste winter, of de kou van een graf in jouw bittere zomer, o woestijn van cement, o stad die thee drinkt op de melodie van de strijd, die de dans van de nederlaag danst op de lijken van haar verdoolde zonen. Amen.

    De cyclus ‘Details’, bestaande uit 19 fragmenten, is in klinische observaties evenzeer schrijnend – en juist door de poëtische vorm veelzeggend en aangrijpend.

    Een aantal mensen probeerde me weg te trekken, maar de sluipschutter protesteerde met zijn geweer, waarna ze zich bedachten. Hij was een gewetensvolle sluitpschutter, die eerlijk zijn werk deed en tijd noch mensen verkwistte.

    Afzichtelijke werkelijkheid
    Of wat te denken van de verbluffende speelsheid waarmee Almadhoun de begrippen ‘verdriet’ en ‘leed’ te lijf gaat in het gedicht ‘Hoe ik een dichter werd’:

    Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te kopen. We vonden een verdriet dat in goed staat verkeerde, het was alleen een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. […]

    Overtuigend slaagt de dichter erin een uitzichtloze en afzichtelijke werkelijkheid die wij alleen kennen uit de krant en van de actualiteitenrubriek, op een indringende en ‘andere’  manier onder de aandacht te brengen. Voorwaar geen geringe verdienste van de dichter – en de bevestiging van de overweldigende en onuitputtelijk zeggingskracht van de poëzie. Van Almadhouns poëzie, maar ook van poëzie in het algemeen. Zoals het ook iets zegt over dichters, die uit omstandigheden die daar beslist geen aanleiding toe geven, inspiratie weten te putten voor gedichten die confronteren, amuseren, afleiden en troosten. Dit dwingt in het geval van Almadhoun niet alleen bewondering af, maar ook diep, diep respect.

     

     

  • We leven heel ons leven fout

    We leven heel ons leven fout

    Sander Schwartz heeft een jaar besteed aan ‘de intensieve ombouw van (zijn) persoonlijkheid’ en schrijft nu zijn memoires. Hij schetst zijn leven zoals hij dat, met nieuw verworven inzicht, eindelijk onder ogen durft te zien. Zegt hij. Hoe kon het toch zo verkeerd gaan? Hoe is hij aan zijn heilloze levensweg ontkomen? En wat voor man is hij geworden, hij die nu deze biecht opschrijft?

    Lezer, heeft u zin in in een bekeringsverhaal? De vergever is weliswaar geen traditioneel christelijk verhaal van zonde, val en verlossing, maar in seculiere termen volgt het boek wel degelijk dit schema, dat al minstens sinds Augustinus gangbaar is. Het citaat van Borges dat aan het boek vooraf gaat, formuleert de hoofdzaak: ‘Ik heb de vreselijkste zonde begaan die een mens maar begaan kan. Ik ben niet gelukkig geweest’.

    Robert Anker werkt dit gegeven doeltreffend uit, in mooi hedendaags Nederlands en met, binnen de beknoptheid van zo’n 150 bladzijden, toch genoeg ruimte voor uitweidingen en kleurrijke details. Die beknoptheid leidt tot een hoog verteltempo en een keuze van gebeurtenissen die vol betekenis zijn. Dat maakt dit boek tot een klassieke roman zoals W.F. Hermans die voorstond.

    De doeltreffendheid leidt tot geloofwaardigheid, wat op zijn beurt, houdt u vast, een stichtelijk verhaal oplevert. Wat dat betreft doet het aan de vrome verhalen van Tolstoi denken, maar dan met een minder ondubbelzinnige strekking. Schwartz weet eindelijk hoe een mens behoort te leven en richt zich vol ernst tot de ‘vrienden’, de ‘jongens’ – en daar mogen de lezers van het boek zich vast ook toe rekenen.

    Wat is er gebeurd? Dat laat zich raden in een boek als dit: het leven bestaat uit vallen en opstaan, en Schwartz valt steeds dieper en het opstaan is uiteindelijk slechts een opkrabbelen en leren leven met de opgelopen averij. Alle slagen van het leven doen afbreuk aan zijn zelfbeeld en zijn levenshouding, hoe hardnekkig zijn ‘oude vormen en gedachten’ zich aanvankelijk ook handhaven. Dat hij niet al in een vroeg stadium van zijn leven vastloopt, komt door de vrouwen in zijn leven, reddende engelen die hem steunen en op de been helpen.

    De levensloop
    Na een idyllische plattelandsjeugd volgt een studie in Amsterdam die hij niet afmaakt. Hij heeft succes in de journalistiek en krijgt een burn-out. Hij verzet de bakens en wordt, aanvankelijk weer met succes, schrijver van romans en verhalen. Als zijn uitgever hem niet langer wil uitgeven – hij geldt inmiddels als een ouderwets auteur – volgt grote woede, ja, rouw, en hij wreekt zich op zijn lot door grote namen in de literatuur te gaan ‘ontmaskeren’ (in essays die hij in portefeuille houdt; de uitweidingen over de schone letteren zijn boeiend maar dragen aan het eigenlijke verhaal weinig toe; ze vormen een, soms erg geestig, essay dat op eigen benen kan staan). Aan het eind van het levensverhaal zit hij hulpbehoevend in een rolstoel. De zoveelste vrouw is aangetreden, eentje die past bij zijn verlichte staat. De zoveelste ‘reddende engel’. U begrijpt, de successen en de overige voorspoed waren maar schijn, doordat ze Schwartz bevestigden in de dwalingen zijns weegs. Althans, gezien in het licht van zijn latere ‘bekering’. De tegenslagen daarentegen zijn ‘blessings in disguise’.

    Schuld
    Dat Schwartz de ontoereikendheid van zijn leven – zijn weigering te leven, zijn ‘absenties’, zijn gebrek aan betrokkenheid, zelfs in de liefde – allengs weet kwijt te raken, komt onder meer doordat een zekere Wennekes, die hij lang geleden als journalist ernstig gedupeerd heeft, hem min of meer begint te stalken. Deze man, een ‘beate’ (niet het enige woord in dit boek met een christelijke klank) verschijning, werpt hem zijn schuld voor de voeten maar zegt hem reeds te hebben vergeven. Naar hem verwijst ogenschijnlijk de titel. Hij wil dat Schwartz zijn vergeving accepteert.

    Deze vertikt dat, want ‘schuld’ bestaat niet, ‘shit happens’ nietwaar, en vergeving accepteren staat gelijk aan schuld bekennen: ‘Ga weg, halve Jezus!’ (Sander Schwartz is natuurlijk zélf ‘half’: zijn voornaam is de helft van ‘Alexander’, hij is een gemankeerde wereldveroveraar. En zijn achternaam deelt hij met de alchemist Berthold Schwartz, de monnik die goud wilde maken en het buskruit uitvond. Er zijn meer namen in dit boekje die ‘significant’ zijn).

    Later, als de omvorming van de hoofdpersoon al flink gaande is, verdwijnt deze katalysator van Schwartz’ metamorfose even plotseling als hij was opgedoken. Is ook hij een ‘reddende engel’? Intussen is Schwartz dan al zijn eigen ‘vergever’ aan het worden. Zegt hij.

    Schuld, spijt, schaamte, vergeving – Schwartz’ gedachtenleven krijgt een uitgesproken christelijke kleur, ook al blijft alles seculier. Oude wijn in nieuwe zakken, zou je kunnen zeggen. Anker heeft een hedendaagse, levende vorm gevonden om een oermenselijke ervaring te presenteren. Deze mooie kleine roman laat zich lezen als de geschiedenis van een individu én als een parabel, een gelijkenis over de hardleerse mens en het onverbiddelijke leven. Stof tot nadenken te over. Geen boek om vrijblijvend te lezen als ‘slechts literatuur’.

    Of Schwartz werkelijk vrede heeft gevonden? Laten we niet vergeten dat we enkel en alleen zijn eigen verhaal hebben om op af te gaan, en dat zijn Werdegang blijk geeft van een groot talent voor zelfbedrog. Is hij aan het eind een spirituele overwinnaar? Of is hij de machoman die verblind door zelfbedrog zijn echec als een overwinning afschildert? Anker wil ons denkelijk de eerste interpretatie doen geloven, maar door de memoire-vorm en daarmee het ik-perspectief te kiezen, laat hij de lezer ruimte voor twijfel en argwaan. Dat maakt het boek des te boeiender.

     

     

  • Chroniqueur van Nederlandstalige poëzie

    Chroniqueur van Nederlandstalige poëzie

    Ik wilde ik kon u iets geven
    tot troost diep in uw leven,
    maar ik heb woorden alleen,
    namen, en dingen geen.

    Uit: Verzamelde lyriek tot 1905
    Herman Gorter (1864-1927)

    Vorig jaar kwam de prachtige bloemlezing het Nieuwe Groot Verzenboek uit, onder redactie van Jozef Deleu (1937) vooral bekend als samensteller van het tweejaarlijks poëzie tijdschrift Het Liegend Konijn. Deleu is een groot kenner en volger van de Nederlandstalige poëzie. Van de wieg tot het graf zou je kunnen zeggen, gezien de indeling van het Groot verzenboek. Ongelooflijk ook hoe hij steeds weer opnieuw verrast met zijn keuze en samenstelling.

    Het begon allemaal met een 17 jarige jongeman die vanaf 1954 van elk gedicht dat hem beroerde de titel in een boekje noteerde. Een keuze uit dat poëzie logboek leidde in 1976 tot de eerste uitgave van wat toen nog , Groot gezinsverzenboek, 500 gedichten over leven, liefde en dood heette. In de daarop volgende jaren verscheen er met enige regelmaat een geheel herziene uitgave waar in de loop der jaren gedichten aan toegevoegd werden. En zo kan het dat deze zevende editie, Groot Verzenboek 600 gedichten over leven, liefde & dood tegelijk de achttiende, herziene en uitgebreide druk is.

    De bloemlezing kent zeven afdelingen met titels als:Verwachting en geboorte. Vader en moeder. Man en vrouw. Het samenleven. Het huwelijk. De vriendschap, en de laatste afdeling: Eenzaamheid. Ziekte. Dood. Het doet wat stichtelijk aan, zoiets als de Baedeker voor de vrouw uit de jaren zeventig: een naslagwerk voor de huisvrouw, moeder en echtgenote, maar dit is meer. Laat de thema’s los en freewheel er doorheen, ook dat is een manier om de dichters van onze tijd te leren kennen.

    Onuitputtelijke bron

    Dit verzenboek beslaat een tijdspanne van bijna veertig jaar (1976 – 2016) aan Nederlandstalige poëzie, geselecteerd op de thema’s waar poëzie bij uitstek geschikt voor is: het leven, de liefde en de dood. Het lijkt een wat plat gegeven maar wanneer er een bruiloft is, of een begrafenis dan worden de gemoederen ten diepste geraakt. Een handvol poëzie om uitdrukking te geven aan vreugde of verdriet is dan nooit weg. Daar is deze bloemlezing een uitkomst voor. Maar meer dan dat is het een prachtige verzameling van belangwekkende dichters die in het Zuiden met Guido Gezelle begint en in het Noorden met Herman Gorter.

    Alles wat daar tussen ligt is een struinen door een dichterslandschap waar we Vasalis ontmoeten, Hans Warren, Hanny Michaelis, Hugo Claus, Ester Naomi Perquin, Hester Knibbe, Ed Hoornik, Leopold, Leo Vroman, Esther Jansma, Paul Rodenko, Lucebert, Remco Campert, Maria Barnas, Maria van Dalen, Kira Wuck, Lies van Gasse, Ingmar Heijtze, Menno Wigman, Ida Vos, Rob Schouten, Mark van Tongele, Karel van Woestijne, Stefan Hertmans, Ilja Leonard Pfeiffer, Tsjead Bruinja, Sasja Jansen,Adriaan Morrien, Annie M.G. Schmidt, Slauerhoff, K. Schippers, Marjolein van Heemstra, Hagar Peters, Chrétien Breukers… Een onuitputtelijke bron van namen die genoemd mogen worden, als een gedicht op zich. Het blijft verrassen wie er allemaal in staan en voor een deel is het een heerlijk feest der herkenning.

    Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, (en alleen  voorgedragen in kleine kring) en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Er zijn nog nooit zoveel poëziefestivals geweest als in de laatste tien jaar. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer, poëtische bronnen aansprekend waaruit woorden vloeien voor levensmarkerende momenten. Zijn onvermoeibare inzet om poëzie die er toe doet wereldkundig te maken, is wederom zeer prijzenswaardig.

     

     

  • Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Wieslaw Myśliwski (1932) is een van de bekendste en meest gelauwerde Poolse schrijvers van dit moment. Van hem werden in de afgelopen jaren twee dikke romans door Querido in het Nederlands uitgegeven: Over het doppen van bonen in 2009 en Steen op steen in 2012. Beide zijn epische romans over het verdwenen boerenleven in de periode rond de Tweede Wereldoorlog.
    Nu is er al weer een nieuwe, nog dikkere, onder de titel De laatste hand in vertaling verschenen. Daarin laat hij een verteller aan het woord die zich moeilijk hecht aan mensen, plaatsen en dingen. Hij is in zijn leven van plaats naar plaats en van beroep naar beroep getrokken. Het ouderlijk huis (zijn moeder) heeft hij verwaarloosd en de meisjes die hij heeft gekend heeft hij uit het oog verloren of in de steek gelaten.

    Herinneringen
    De roman begint met een beschrijving van zijn adressenboekje dat uitpuilt van de visitekaartjes en met een elastiekje bij elkaar wordt gehouden. Aan de namen is een wereld van herinneringen verbonden aan mensen, die hun eigen verhaal in het boek vertellen. Zo komt een bonte, bijna onafzienbare stoet van figuren aan het woord: geliefden, personen voor wie hij gewerkt heeft, docenten, mensen met wie hij zaken heeft gedaan, lotgenoten.

    De roman is echter veel meer dan een beschrijving van allerlei vreemde snoeshanen uit het leven van de verteller. Het is in de eerste plaats een ideeënroman over een man die op zoek is naar zijn identiteit. Hij gelooft enerzijds niet aan het bestaan van een eenduidige identiteit: ‘Iedereen is tenslotte een soort verzameling van tegen elkaar botsende fragmenten, net verbrande meteoren die door niets met elkaar worden verbonden, uitgebluste hoop, dromen, smeulende verlangens, verspilde gevoelens, voor leugens doorgaande waarheden, en dat allemaal niet eens in staat is rond een gemeenschappelijke as rond te draaien.’ Door het adresboek – de enige vaste plek die hij zich vergunt – naam voor naam door te vlooien,  probeert hij zich telkens weer een beeld van zijn leven te vormen. De ene naam is daarin belangrijker dan de andere en enkele namen schrapt hij. Zijn leven bestaat in feite louter uit de ontmoetingen met al die mensen. Voor hem zijn de anderen niet de hel, maar ze geven nog enigszins vorm aan zijn vormeloze identiteit.

    De uitdrukking ‘de laatste hand’ is afkomstig uit de wereld van de ambachten. Een kleermaker legt de laatste hand aan een jas, een rietdekker legt de laatste hand aan een dak. In zoverre is de titel van deze roman richtinggevend aan het lezen. Niet voor niets is de kleermaker Radzikowski een van de belangrijkste personen in de roman. De roman speelt zich niet af op het platteland, en brengt niet het boerenleven in beeld, maar het leven van ambachtslieden en handelaren in de stad. De titel verwijst ook naar de verteller die als een soort ambachtsman heel nauwkeurig probeert vast te stellen wie er toe deed in zijn leven en wie hij dus zelf is.

    De verteller is lange tijd een fervent liefhebber van pokeren geweest. In het spel gaat het om de laatste hand, in het Engels ‘The last deal’ die bepaalt wie er gaat winnen of verliezen. In gesprek met een onderwijzeres zegt de verteller: ‘Voor het leven zijn we slechts pionnen in het spel dat het leven met ons speelt. Maar wat het voor spel is en wat er op het spel staat, dat weten we niet.’ In het pokerspel staan de regels vast, maar in het leven niet. Hij komt wanhopig tot het besef dat hij geen betekenis aan zijn leven kan verschaffen.

    Maria
    De belangrijkste persoon in zijn leven – Maria – staat niet in het adresboekje. Zij schrijft hem ontroerende liefdesbrieven, die door hem nooit beantwoord worden. Zij is zo anders dan hij. Zij is nooit buiten de stad geweest, waarin zij elkaars geliefden waren. Zij heeft geen behoefte gehad om te vertrekken uit een stabiele omgeving, om levenslang op de vlucht te zijn voor zichzelf, zoals hij. Maria en hij stammen uit andere tijdperken. Zij is gehecht aan een plaats, waar ze elkaar ontmoet hebben toen zij nog maar acht of negen jaar oud was, de plaats waar hij eindexamen heeft gedaan en waar hij in zijn jeugd heeft gewoond. Hij vraagt zich af wat hij voor haar heeft betekend. Het boek eindigt met een onvoltooid hoofdstuk, waarin Maria contact zoekt met de verteller, over de dood heen.

    De auteur geeft in deze roman weinig houvast en dat wekt wrevel op. Waarom zo veel verhalen, waarom zo breedvoerig mensen aan het woord laten die nooit van ophouden weten? De vertaling leest hier en daar ook stroef en dat vergroot het leesplezier bepaald niet.

    Wat na lezing overblijft de is herinnering aan een verstikkende overvloed van het onaffe en het onvolkomene, aan de onmogelijkheid om wat soeps van het eigen leven te maken, maar misschien is dat precies wat de auteur ons wil laten voelen.

     

  • Het grote mooie pakket is incompleet

    Het grote mooie pakket is incompleet

    België kreeg begin 2014 haar eerste Dichter des Vaderlands sinds Emile Verhaeren (1855 – 1916). Charles Ducal was degene die de rol mocht vervullen. Opmerkelijke keuze, vond deze recensent.

    Ducal leek altijd een afstandelijke dichter; de titel van zijn verzamelbundel Alsof ik er haast ben (2012) spreekt wat dat betreft boekdelen. En die moet opeens (maatschappelijk) betrokken gedichten gaan schrijven? Ja, dat moest hij, en die richting sloeg hij eigenlijk al in, in de bundel na die dikke verzamelbundel: De buitendeur (2014), weer zo’n veelzeggende titel. Het boek begon met beklemmende gedichten over een jeugd op het platteland, en het ontdekken van de eigen seksualiteit. Verderop in de bundel ging de buitendeur open en was Ducal opeens een dichter geworden die in de buitenwereld stond, en over onderwerpen als de Holocaust, het koloniale verleden van Congo, en het Midden-Oostenconflict schreef. De schaal was wel groter geworden, maar de drukkende sfeer bleef.

    Selectieve drietaligheid
    Twee jaar later, 29 januari van dit jaar, droeg Ducal zijn titel en functie over aan de Franstalige Laurence Vielle; er zal immers afwisselend voor een Nederlands- en Franstalige dichter gekozen worden. Een taalkwestie die er in België toe heeft geleid dat Ducals Dichter des Vaderlands-bundel Bewoond door iets groters op het omslag voorzien is van nog twee titels: Au-delà de la frontière en Von etwas Größerem bewohnt. Ducal schreef zijn gedichten in het Nederlands, en ze werden voor Franstalige en Duitstalige kranten vertaald. Al die gedichten zijn samengebracht, met ander werk dat Ducal in opdracht schreef: de reeks ‘Zoveel stuk te maken’ bijvoorbeeld, grotendeels voor het oorlogsnummer van Het Liegend Konijn geschreven. Die bijdrages werden alleen in het Frans vertaald. Ook zijn er prozabijdrages opgenomen, zoals de aanvaardingsspeech van het ambt, waarin Ducal reflecteert op zijn nieuwe functie. Ook die zijn vaak niet in alle drie talen beschikbaar. Hier ligt het probleem van Bewoond door iets groters: de selectieve drietaligheid.

    Dat het overige werk niet in Duitse vertaling aanwezig is, is merkwaardig en deze keuze wordt nergens uitgelegd. Evenmin zijn de meeste prozabijdrages in die taal te lezen. Even vreemd is het dat alle in het Nederlands geschreven teksten ook in het Frans beschikbaar zijn, maar de in het Frans geschreven prozabijdrage ‘La poésie et le pouvoir’ niet naar het Nederlands vertaald is; wederom zonder opgaaf van reden. Erg jammer. Bewoond door iets groters is daardoor niet de volledig drietalige uitgave geworden die België en Ducal verdienen. De hele uitgave lijkt bovendien ook op een groot, breed publiek te mikken: met de aanwezigheid van een cd en dvd lijkt het boek bedoeld te zijn als een soort Groot Pretpakket dat poëzie bij de mensen kan brengen.

    Op de cd zijn voordrachten te horen van Ducal zelf en Frans- en Duitstalige voorlezers. Daarnaast zijn meerdere gedichten op muziek gezet: eens geen statige modern klassieke muziek, maar levendige, vaak wat chansonachtige liedjes. Op de dvd staat een korte, Nederlandstalige documentaire door Jess De Gruyter (helaas zonder ondertitels in de twee andere talen), waarin we meer te zien krijgen over de mens achter alter ego Charles Ducal: Frans Dumortier, die graag op de boerderij werkt en in een toneelgezelschap zit. Een aimabele man die poëzie aan de man kan brengen, en bijvoorbeeld met metselaarsleerlingen Rimbaud ging lezen en hen gedichten liet schrijven.

    Van parlando naar lyrisch
    Maar nu hebben we het nog niet over de gedichten zelf gehad. Die zitten net wat onder het niveau van Ducals ‘autonome’ werk. De toon van de dichter is in de loop der jaren van een mix van parlando en vervreemding langzaam opgeschoven richting lyrisch, soms Bijbelachtig taalgebruik. Dat register overtuigt toch iets minder. Daarnaast ontbreekt de beklemming van eerder werk. De titel De buitendeur verwees immers ook naar de constante behoefte aan een uitweg, aan een ontsnapping; zowel aan het lot als de locatie. Heden en verleden van conflictgebieden werden over elkaar gelegd, waarna de geschiedenis nog altijd drukkend aanwezig is. Ook in Bewoond door iets groters worden heden en verleden vaak aan elkaar gekoppeld, maar met een iets minder resultaat. Waar die methode goed werkt is bijvoorbeeld ‘Stemadvies’, over zes Leuvenaren die in 1902 gewelddadig omkwamen tijdens een betoging voor het algemeen kiesrecht. Het gedicht roept een gevoel van afschuw over hun lot op, en tegelijkertijd een soort bewondering dat zij voor zo’n nobel doel stierven: ‘Slapeloze nacht vóór de stemming. / Zes mannen staan op uit het plein, / uit de krijtlijn, de koperen bloedplas / en gaan door de straten’.

    Charles Ducal was een onverwachte keuze voor Dichter des Vaderlands, maar heeft laten zien dat hij die functie uitstekend heeft ingevuld. Bewoond door iets groters is wat minder dan zijn andere bundels, maar herbergt een verre van verkeerd aantal uitstekende gedichten (‘Lied van de arbeid’ bijvoorbeeld is zeer geslaagd). De toevoeging van cd en dvd om een groter publiek te bereiken is sympathiek, maar het blijft jammer dat het pakket qua drietaligheid incompleet is. En dat kan eigenlijk niet voor een uitgave van de dichter voor heel België.

     

     

  • Het omgekeerde scheppingsverhaal

    Het omgekeerde scheppingsverhaal

    Een dichte mist hing in de lucht toen ik mijn gehuurde kamertje verliet en met onzekere tred door de lege, duistere stad liep. Vanaf de eerste zin refereert de Chinese schrijver Yu Hua aan het Bijbelse scheppingsverhaal uit het boek Genesis; dat kan niet missen. Maar wat dan volgt is totaal anders: Ik had het bericht ontvangen dat ik me ’s ochtends uiterlijk om 9.00 uur in het uitvaartcentrum moest melden, en dat het voorziene tijdstip van mijn crematie 9 uur 30 was. Omdat de ik-figuur, Yang Fei, die is omgekomen bij een brand in een restaurant, geen urn of graf kan betalen, laat hij zijn nummertje voorbij gaan en loopt weg.

    Scheppingsverhaal
    Dit weglopen zet de toon voor de magisch-realistische, absurde parabel vol flash-backs die volgt. waarin alles de omgekeerde wereld is: er wordt niet geschapen, zoals in Genesis, maar vooral verwoest. Bij sloopwerkzaamheden aan een huis raakt een echtpaar onder het puin bedolven. Beelden daarvan worden niet op de televisie vertoond. Je zag alleen maar de nieuwsanchors – een man en een vrouw – die hun zegje deden. Na wat reclame verscheen de in een westers maatpak geklede gestalte van een perswoordvoerder van het stadsbestuur op tv. Die alles ontkende en verklaarde dat het bericht was verzonnen en dat degene die de leugen de wereld in had geholpen in hechtenis was genomen.

    De tweede scheppingsdag verloopt al even surreëel. Het begint op een heen en weer schommelend bankje, in sneeuw en regen. Zoals de tweede scheppingsdag begint met de creatie van zee en lucht. De derde dag behelst het langste hoofdstuk van de zeven en loopt qua gebeurtenis vooruit op de zesde, wanneer Yang Fei wordt geboren, zoals Adam en Eva op de derde dag werden geschapen. Yang Fei komt in een toilet in een trein ter wereld, verdwijnt door het gat in de vloer en wordt op de rails gevonden door een 21-jarige wisselwachter, Yang Jinbiao. Deze neemt de boreling mee naar huis.

    Dan wordt Yang Jinbiao verliefd op een vrouw. Hij wordt heen en weer geslingerd in zijn liefde voor haar en Yang Fei: Hij leek op een handdoek die nat was van emoties; ik en de jonge vrouw hadden elk een uiteinde van de handdoek beetgepakt en we wrongen uit alle macht, tot de laatste druppel emotie op was. Hij besluit Yang Fei naar een weeshuis te brengen en laat het kind achter op een rotsblok bij een brug, in de hoop dat hij wordt gevonden.
    In dezelfde tijd drijven er op een dag opeens zevenentwintig dode baby’s in de rivier. Het hoofd van het ziekenhuis verklaarde dat het medisch afval was en dat het ziekenhuis geen enkele fout had gemaakt, want afval diende nu eenmaal te worden weggegooid.
    De vrouw die deze misdaad aan het licht bracht, blijkt degene te zijn die Yang Jinbiao met raad en daad terzijde had gestaan bij de opvoeding van zijn vondeling. Ze wordt achtereenvolgens overreden door een BMW, een vrachtwagen en nog een grote personenauto.

    De andere kant
    Het is geen toeval dat Yang Fei werd gevonden door een wisselwachter en dat het weeshuis waar hij naar toe werd gebracht, pal bij een brug lag. Het zijn voorboden van de zwerftocht van Yang Fei, tussen dag en nacht, hemel en aarde.
    Op de vijfde dag, waarop de vissen en de vogels waren geschapen, verkeert Yang Fei een beetje tussen hemel en aarde. Hij ziet twee skeletten, die in het ondermaanse haat en nijd waren, met elkaar spelletjes doen. ‘De haat die tussen hen had bestaan was de grenslijn tussen leven en dood niet overgestoken, die haat was blijven steken in de wereld die ze achter zich hadden gelaten.’ Aan wat ze noemen ‘de andere kant.’

    Er vliegen in het verhaal veel vogels voorbij, maar het is niet het lied van een nachtegaal dat Yang Fei op een gegeven moment hoort, maar het geschrei van de zevenentwintig babylijkjes.
    Op de zesde dag, de dag waarop God de mens schiep, valt het ‘een verdwaalde’ op, dat de meeste mensen die aan de ‘andere kant’ rondlopen tot skelet zijn gereduceerd en slechts enkele mensen nog maar vlees aan hun botten hebben. De verdwaalde is een man die om een graf voor zijn overleden vrouw te kunnen kopen, op aarde een nier verkocht. De chirurgen waren er dierenartsen.
    Op de zevende dag, de rustdag, zijn we weer terug in het uitvaartcentrum, waar ‘de skeletten gingen staan en weg begonnen te gaan, zoals het zeewater dat zich terugtrekt bij eb.’ Yang Fei vindt zijn vader terug, verdrietig dat hij zijn zoon in de steek had gelaten. De zoon realiseert zich dat ze ‘elkaar hadden lopen zoeken in twee van elkaar gescheiden werelden.’

    Dit vierde boek van Yu Hua kan op verschillende manieren worden gelezen. In de eerste plaats als een prachtig, surrealistisch, absurd en op zijn tijd geestig verhaal van deze James Joyce Award-winnaar. In de tweede plaats kan het boek worden gelezen als een omgekeerd scheppingsverhaal, met talloze reminiscenties aan het Bijbelse. En tenslotte als kritiek op de huidige situatie van  China.

    Kritiek op China
    Het boek volgt weliswaar door talloze toespelingen het Bijbelse scheppingsverhaal, maar er wordt nauwelijks iets geschapen, wel veel verwoest. Een huis stort in en zevenentwintig babylijkjes worden als medisch afval in een rivier gedumpt. De vrouw die de lijkjes ziet drijven, vindt onder verdachte omstandigheden de dood. Er zit kritiek op het feit dat de kerk in China sterk onder vuur ligt. Onlangs nog werd dominee Gu Yuese van de Chong-Yi kerk, de grootste protestants-christelijke kerk in China opgepakt. Zogenaamd op verdenking van corruptie, maar de Chinezen weten wel beter.

     Er zit uiteraard veel meer kritiek op China in het boek. Op de ‘sinificering’ van de maatschappij die ontdaan moet worden van Westerse invloeden, van maatpakken tot BMW’s. De kritiek strekt zich uit van het dumpen van dode baby’s tot het verkopen van een nier, van voedselvergiftiging tot het vermoorden van mensen, van volksverlakkerij tot perscensuur.
    Toch gloort er soms een beetje hoop. Bijvoorbeeld wanneer de twee skeletten, die elkaar in het ondermaanse niet konden luchten of zien, aan ‘de andere kant’ samen bordspelletjes doen. Hoop op een betere wereld, waar niet langer sprake is van vergiftigd en gemanipuleerd voedsel (denk aan melkpoeder schandaal 2008).

    Wat Ai Weiwei met beeldende kunst zegt, wat Zhang Zanbo met filmdocumentaires zegt, zegt Yu Hua in een roman. En hoe. Een stem die gehoord moet worden. Een stem die zegt dat China van ophouden moet weten, zoals op de zevende dag het werk stil gelegd werd. En voor sommigen nog steeds stil ligt.
     

  • Opgroeien met een vader die Nederlands-Indië ontvluchtte

    Opgroeien met een vader die Nederlands-Indië ontvluchtte

    Een man raakt de verschrikkingen van zijn kindertijd niet kwijt. Waarom was zijn vader zo’n gewelddadige sadist? Zo’n onberekenbare, grofgebekte en ongenaakbare paranoialijder? ‘They fuck you up, your mum and dad‘, zo luidt een beroemde regel van Philip Larkin, en dit boek presenteert een bloedstollende, dubbele geschiedenis van dat mechanisme in extreme vorm.

    Vader heette Arto of Arend, en de kinderen noemden hem ‘de Arend’; dichterbij dan met deze bijnaam kwamen ze niet. Ze werden uit huis geplaatst toen de buitenwereld de kwetsuren eindelijk niet langer negeerde. De verteller van dit verhaal, Alan, is dan een tiener. De machteloze moeder vind het allang best; voor haar eindigt daarmee het huwelijk waarin zij zit opgesloten.

    De geschiedenis
    Vader was een ‘Indo’, een Indische Nederlander. Geboren in Soerabaja in 1925 als buitenechtelijk kind van een ‘Indo’, die het maatschappelijk ver geschopt had en zijn kinderen weigerde te erkennen. Door zijn moeder, tante en broers wordt Arto hardvochtig en gewelddadig grootgebracht: de zweep, de rotanstok, pakken ransel en velerlei kleineringen vormen het regime. De jongen moet een vent worden: laten we citroensap in zijn ogen druppelen, daar wordt hij groot en sterk van!

    Een marginale en gediscrimineerde figuur (als onecht kind; als ‘Indo’ in de racistische koloniale samenleving; als verschoppeling in het gezin) die aan zijn beproevingen een groot incasseringsvermogen en een meedogenloze vechtlust overhoudt, plus de verbeten drang Nederlander te zijn. Dat komt hem van pas op school, op het werk, tijdens de Japanse bezetting en na de bevrijding. De Japanners zijn verdreven maar een nieuw gezag nog niet is gevestigd; de Nationalistische opstand en de daarop volgende ‘politionele acties’ waarmee het Nederlandse leger de koloniale verhoudingen probeert te herstellen. Dit zijn jaren waarin Arto zich kan bewijzen als soldaat en als tolk (hardhandige ondervrager annex beul in dienst van de militaire inlichtingendienst), spion, moordenaar en uitvoerder van eigengereide wraakacties.

    In de jaren ’60 verscheen de zogenaamde ‘excessennota’ over alles wat er aan misdragingen en misdaden heeft plaatsgevonden tijdens de politionele acties van het Nederlandse leger. Onlangs nog kende een Nederlandse rechter schadevergoedingen toe aan Indonesische vrouwen die toentertijd waren misbruikt. Het heeft lang geduurd eer men in Nederland schoorvoetend onder ogen zag wat zich in ‘ons Indië’ had afgespeeld. De voortgaande belangstelling voor de periode ’45-’49 geeft dit boek een toegevoegde waarde. Het relaas van de vader maakt het begrip ‘excessen’ op rauwe wijze aanschouwelijk.

    Als Arto inziet dat het tij keert en de nationalisten aan het langste eind zullen trekken, besluit hij met Nederlandse soldaten mee te ‘repatriëren’ naar een vaderland waar hij nog nooit is geweest. Hij gaat naar een correspondentievriendin in Helmond. Ze trouwen en krijgen vijf kinderen. Dan toont de Arend zijn klauwen. Ook in Nederland voelt hij zich niet veilig voor eventuele wraakacties. Stond hij in Indonesië niet op een dodenlijst, nota bene ondertekend door Soekarno? Hij slaapt met een dolk onder zijn hoofdkussen, de dolk die hem in zijn geboorteland goede diensten heeft bewezen.

    De roman
    In deze roman beslaan jeugd en militaire verrichtingen van Arto enkele honderden bladzijden. Daarin leren we een geestesgesteldheid kennen (plus een historische periode) waarin geweld, onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons, normaal en noodzakelijk wordt geacht. Verschuilt een vrijheidsstrijder zich achter een moeder met haar baby? Schiet dan dwars door moeder en kind heen, dan ontkomt de pelopor niet. Arto is in zijn element en zijn superieuren geven blijk van hun waardering. Eindelijk!

    De memoires van de vader liggen ingebed tussen drie delen genaamd ‘Spekkoek’. Waarom ‘Spekkoek’? In deze delen is voornamelijk de oudste zoon aan het woord, en verder ook diens moeder en broers. Gaat het om de afwisseling van licht en donker? In deze gedeelten komen de wittebroodsweken van vader en moeder ter sprake, de jeugd in herrijzend Nederland, de tijd in het kindertehuis, de voorzichtige toenadering tussen zoon en vader daarna, vrouwengeschiedenissen van vader, de gitaarmuziek die voor ‘Indo’s’ zo’n belangrijke rol speelde en het opgroeien met al die vragen, al die woede, al die wrok. En met de beschadigingen, en de moeite die het kost daar mee te leren leven. ‘Ik ben niet moordzuchtig, Pa, maar je hebt het wel verdiend om alsnog door mij eigenhandig het ziekenhuis in te worden geschopt.’
    Interessant is ook het tijdsbeeld: Nederland in de jaren vijftig, het contrast tussen de Hollandse en ‘Indische’ leefvormen.

    Na zijn pensionnering verhuist vader naar Spanje, waar het klimaat hem doet denken aan dat in Soerabaja. Daar sterft hij in 2005. Zijn as zal ooit door de verteller worden uitgestrooid in Indonesië. ‘Als ik de as van mijn vader over dat water ga uitstrooien, dan zal ik even oud zijn als hij toen hij zijn memoires af had. Lang heb ik als een gek zijn waanzin bevochten. Nu ben ik een vermoeide brug die zich over een verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te zien. Ik vecht niet langer, ik hou ermee op’.
    Met andere woorden, geen verzoening, geen vergeving (hoewel: zie het In Memoriam voorin het boek), geen alles-vergoeilijkend ‘begrip’. Gelukkig maar, want de zoon ziet terug op een leven vol barrières, vol blokken aan het been, een tamelijk eenzaam leven.

    Hartebloed
    Wat heeft Alfred Birney, van wie schrijver dezes tot zijn schande nog nooit had gehoord, een rijk en indringend verhaal gepubliceerd! Wat een fascinerende stof! Geen inkt maar hartebloed. Vergelijk dat eens met de vaak zo magere inhoud van menig Nederlandse roman. We hebben hier te maken met een monument voor twee levens: dat van de vader en van de zoon. Couperus zou er tweeduizend bladzijden in hebben gestoken, Alberts tweehonderd, Birney gebruikt er vierhonderdzestig. Enerzijds te veel, anderzijds te weinig, want juist de zoon in zijn volwassen leven had meer aandacht verdiend.
    Je moet een sterke maag voor dit boek hebben maar Birney’s roman is een heel bijzonder en indrukwekkend boek.